CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1c - TAM-omgevingsplan Landelijk gebied, herziening 2025 Bijlagen_Deel2

Gemeenteraad 21 april 2026, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel TAM-Omgevingsplan Landelijk gebied26.022 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

• •

5.3.2.Onderzoek Welke (combinatie van) energiesystemen worden toegepast (bijv. zon, bodem, lucht...) om te voldoen aan aardgasloos verwarmen? De uitkomst van de berekening milieuprestatie is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Voor dit document wordt verwacht in deze paragraaf te benoemen welke maatregelen worden genomen om te gaan voldoen aan milieuprestatie. 5.3.3.Conclusie

Betreffende dit project: de bestaande recreatiewoning is optimaal geïsoleerd en is uitgerust met een verwarmingssysteem, gebaseerd op gas. Dit verwarmingssysteem blijft vooralsnog gehandhaafd; in later stadium wordt onderzocht of de woning van het gas af kan.

5.4. Ecologie en natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 5.4.1.(Wettelijk) kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). De bescherming van habitats (en soorten) is geregeld in afdeling 3.7 en afdeling 4.4 (programma's natuur) Bkl. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Ow. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. 5.4.2.Onderzoek Ecologie, soortenbescherming:

Pagina 12 van 24

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, <Splitsen Barloseweg 6A en 6B>

• Quickscan ecologie; • Aanvullend onderzoek specifieke soorten; • Werkprotocol/ontheffing/activiteitenplan. Ecologie, gebiedsbescherming: • Ligging projectlocatie ten opzichte van beschermde gebieden (sowieso kaart wanneer vlakbij); • Eventuele effecten op Natura 2000 (waaronder stikstofdepositie); • Eventuele effecten op NNN (provinciaal beleid: externe werking ja/nee); • Beschermde houtopstanden. 5.4.3.Conclusie Betreffende dit project: aan de bestaande erfinrichting worden geen noemenswaardige aanpassingen verricht. De recreatiewoning is een modern ingerichte en verduurzaamde woning. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat hier beschermde dier- of plantensoorten aan worden getroffen.

5.5. Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. 5.5.1.(Wettelijk) kader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels.

In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); • geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); • geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). 5.5.2.Onderzoek Wanneer er sprake is van een afwijking van de standaardwaarde voor geluid dient dit hier gemotiveerd te worden

Pagina 13 van 24

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, <Splitsen Barloseweg 6A en 6B>

5.5.3.Conclusie Betreffende dit project: dit item is niet aan de orde met betrekking tot de gewenste herbestemming.

5.6. Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 5.6.1.(Wettelijk) kader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a.

het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Bkl staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. 5.6.2.Onderzoek Let op: De VNG en het Rijk adviseren om na inwerkingtreding van de Omgevingswet de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009 niet meer te gebruiken. In plaats daarvan kan gebruik worden gemaakt van de systematiek van de Staalkaarten en de door VNG opgestelde indicatieve bedrijvenlijst. Nu de indicatieve bedrijvenlijst nog niet is vrijgegeven wordt vooralsnog het gebruik van de lijsten en richtafstanden uit de uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ voortgezet. Voor wat betreft geur van veehouderijen wordt aangesloten bij de standaardnormen en minimumafstanden uit het Bkl. 5.6.3.Conclusie Betreffende dit project: dit item is niet aan de orde met betrekking tot de gewenste herbestemming.

5.7. Gezondheid

Een doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:

Pagina 14 van 24

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, <Splitsen Barloseweg 6A en 6B>

•

•

Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

5.7.1.(Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. 5.7.2.Onderzoek Let op: gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Betrek bij de motivering de maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 Omgevingswet en licht toe hoe dit aspect zich verhoudt tot de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beargumenteer vanuit dat oogpunt dat de kwaliteit van de leefomgeving door de activiteit verbetert dan wel niet (onevenredig) verslechtert. 5.7.3.Conclusie Betreffende dit project: dit item is niet aan de orde met betrekking tot de gewenste herbestemming.

5.8. Ladder voor duurzame verstedelijking

Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering.

5.8.1.(Wettelijk) kader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat deze instructieregel ook geldt voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als: ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 BVO kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.

Pagina 15 van 24

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, <Splitsen Barloseweg 6A en 6B>

5.8.2.Onderzoek 5.8.3.Conclusie De nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen initiatief binnen/buiten bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee wel/niet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is wel/niet in strijd met het Bkl. Let op: indien buiten bestaand stedelijk gebied dient dit aanvullend gemotiveerd te worden. Betreffende dit project: dit item is niet aan de orde met betrekking tot de gewenste herbestemming. De recreatiewoning is al verduurzaamd.

5.9. Luchtkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 5.9.1.(Wettelijk) kader Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Als een BOPA betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen. Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied (die liggen in grotere stedelijke agglomeraties) plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden.

5.9.2.Onderzoek Let op: onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. 5.9.3.Conclusie De activiteiten in het project behoren wel/niet tot een categorie van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen (standaardactiviteiten zijn genoemd in artikel 5.54 Bkl) of, als de activiteit niet is genoemd, leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. In dit geval is er geen belemmering voor het toelaten van de activiteit. Let op: leidt de activiteit tot een verhoging van de concentratie van luchtverontreinigende stoffen, zal moeten worden aangetoond dat dit niet tot gevolg heeft dat de omgevingswaarden worden overschreden. Om dit te bepalen is naast de verhoging ook de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen nodig.

Deze zijn vindbaar in de Atlas Leefomgeving. Bij overschrijding van de omgevingswaarden, zal de omgevingsvergunning worden geweigerd.

Pagina 16 van 24

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, <Splitsen Barloseweg 6A en 6B>

5.10.

M.e.r.-beoordeling

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 5.10.1. (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). In Bijlage V van het Ob is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een BOPA project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. Voor deze activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.

De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1, Ow). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob). 5.10.2. Onderzoek De beoogde ontwikkeling waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd, betreft het spliltsen van een boerderijwoning, zie *. Dit is wel/geen activiteit uit kolom van Bijlage V van het Ob. Hiervoor is wel/geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. *: Betreffende dit project: er is een vergunning aangevraagd om de woonboerderij, die bestaat uit een woonhuis en een recreatiewoning te splitsen in 2 burgerwoningen. Er vinden geen noemenswaardige en vergunningsplichtige bouwwerkzaamheden plaats. Deze ontwikkeling heeft daarom geen impact op de luchtkwaliteit. 5.10.3. Conclusie Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er wel/geen aanzienlijke milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is wel/niet nodig.

5.11.

Mobiliteit en parkeren

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten mobiliteit, verkeer en parkeren. 5.11.1. (Wettelijk) kader Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Ow en het Bkl stellen geen regels op dit gebied. De beleidsregels parkeren gemeente Aalten gaan wel op deze aspecten in. De beleidsregels parkeren zijn onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Aalten. Naast het provinciaal en het gemeentelijk beleid blijven de CROW-richtlijnen belangrijk bij de beoordeling van verkeer en parkeren.

Pagina 17 van 24

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, <Splitsen Barloseweg 6A en 6B>

5.11.2. Onderzoek Let op: een verandering van functies kan zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. 5.11.3. Conclusie Het project leidt tot meer/minder motorvoertuigbewegingen. Een verkeerstoename mag niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid. De beoordeling van het project op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn. Betreffende dit project: de recreatiewoning gaat permanent bewoond worden na de splitsing en herbestemming. Het recreatieverkeer wordt “Vervangen” door het verkeer van de bewoner. Dit zal niet significant meer of minder zijn dan tijdens de recreatiebestemming. Op het erf is reeds een parkeerkoffer met voldoende parkeerplaatsen aan gelegd tbv de gasten.

5.12.

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 5.12.1. (Wettelijk) kader Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven.

Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Bij groepsrisico is sprake

Pagina 18 van 24

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, <Splitsen Barloseweg 6A en 6B>

van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 5.12.2. Onderzoek 5.12.3. Conclusie Betreffende dit project: dit item is niet aan de orde met betrekking tot de gewenste herbestemming.

5.13.

Slagschaduw en windhinder

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteiten rekening gehouden wordt met de aspecten slagschaduw en windhinder. 5.13.1. (Wettelijk) kader Het omgevingsaspect slagschaduw (van windturbines) is geregeld in paragraaf 5.1.4.4a van het Bkl. 5.13.2. Onderzoek 5.13.3. Conclusie Betreffende dit project: dit item is niet aan de orde met betrekking tot de gewenste herbestemming.

5.14.

Trillingen

Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is. 5.14.1. (Wettelijk) kader De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving.

Pagina 19 van 24

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, <Splitsen Barloseweg 6A en 6B>

Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. 5.14.2. Onderzoek 5.14.3. Conclusie Betreffende dit project: dit item is niet aan de orde met betrekking tot de gewenste herbestemming.

5.15.

Water

Bij de vaststelling van het omgevingsplan of buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. In deze paragraaf wordt ingegaan op het waterbelang en klimaatadaptatie. 5.15.1. (Wettelijk) kader Uit de instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat de gemeente bij vaststelling van het omgevingsplan of een BOPA de opvattingen van de waterbeheerder moet betrekken. Voorbeelden zijn: • watercompensatie in verband met toenemende verharding; • Waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; • bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; • waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn: • bescherming van primaire waterkeringen, Zie artikel 5.38 Bkl. • behoud waterveiligheid kust, artikel 5.40 van het Bkl. • behoud waterveiligheid grote rivieren, artikel 5.46 van het Bkl. • IJsselmeergebied, artikel 5.49 van het Bkl.

Een BOPA moet ook worden getoetst aan de instructies van in de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. 5.15.2. Waterschapsverordening De eerste versie van de Waterschapsverordening Rijn en IJssel is van rechtswege ontstaan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Die Waterschapsverordening bevat (op basis van artikel 22.14 van de Omgevingswet en artikel 4.7 van de Invoeringswet Omgevingswet): • De regels die zijn opgenomen in de Keur Waterschap Rijn en IJssel 2009, met uitzondering van hoofdstuk 2 (over de onderhoudsplichten); • De regels die zijn opgenomen in de Aansluitverordening Rijn en IJssel; • De regels die zijn opgenomen in de Algemene regels, nadere regels en verplichtingen i.v.m. Keur Waterschap Rijn en IJssel 2009; • Artikel 8 Verkeersbesluit Oude IJssel;

Pagina 20 van 24

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, <Splitsen Barloseweg 6A en 6B>

• •

De zones rond waterstaatswerken, die zijn opgenomen in de legger op grond van artikel 5.1 van de Waterwet; De zogeheten ‘bruidsschat’: voormalige rijksregels (met name over lozingsactiviteiten), die onder de Omgevingswet niet op rijksniveau terugkeren.

De eerste wijziging van de Waterschapsverordening Rijn en IJssel heeft tot doel om de Waterschapsverordening die van rechtswege is ontstaan te integreren tot een goed geordende versie, die volgens de toepasselijke standaarden is vormgegeven en van de benodigde annotaties en digitale werkingsgebieden is voorzien. 5.15.3. Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema’s: Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering.

Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert. Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. 5.15.4. Overig relevant beleid waterschap De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn.

Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang: 1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig. 2. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien.

Pagina 21 van 24

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, <Splitsen Barloseweg 6A en 6B>

3. Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding. In de toelichting op de BOPA moet een stapsgewijze benadering van het huidige en toekomstige watersysteem worden opgenomen. Deze bestaat uit de volgende stappen: 1. Omschrijf het huidig watersysteem; 2. Omschrijf de visie op het watersysteem in het plangebied. Houdt hierbij rekening klimaatontwikkeling en benut uitkomsten uit stresstesten voor wateroverlast, droogte, hitte en overstroming; 3. Omschrijf de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling op het watersysteem; 4. Omschrijf welke maatregelen worden genomen om met de gevolgen om te gaan. Hierbij geldt als uitgangspunt, dat de ontwikkeling waterneutraal en klimaatrobuust is. 5.15.5. Onderzoek De vragenlijst wordt digitaal doorlopen op Digitale Watertoets (dewatertoets.nl). 5.15.6. Klimaatadaptatie Let op: hier de uitwerking van de “Landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving” opnemen. Dat geeft uitvoering aan het landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid. Tip: kijk ook naar de klimaatatlas op www.weetvanwater.nl. 5.15.7. Conclusie Betreffende dit project: dit item is niet aan de orde met betrekking tot de gewenste herbestemming.

6. Uitvoerbaarheid 6.1. Economische uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden. 6.1.1.Kostenverhaal De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een projectontwikkelaar. De gemeente en de projectontwikkelaar hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van de BOPA is hiermee voldoende aangetoond. 6.1.2.Nadeelcompensatie In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden. Betreffende dit project: er is geen risicoanalyse gemaakt. Het ligt niet in de lijn der verwachtingen dat gewenste ontwikkeling invloed heeft op de waarde van de belendende percelen of panden. Naar verwachting zal er wel/geen sprake zijn van voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie.

Ter zake van de in voornoemde risicoanalyse geraamde nadeelcompensatie die voor vergoeding in aanmerking komt heeft de gemeente met initiatiefnemer een

Pagina 22 van 24

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, <Splitsen Barloseweg 6A en 6B>

verhaalsovereenkomst als bedoeld in artikel 13.3c Ow gesloten. Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd.

6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In hoofdstuk 3 is beschreven hoe het participatieproces met belanghebbenden heeft plaatsgevonden. In deze paragraaf wordt het formele participatietraject dat hierop volgt beschreven. De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen. Gedurende de inzagetermijn zijn p.m. zienswijzen binnengekomen. Deze zijn samengevat en beantwoord in een separate notitie, die als bijlage bij het besluit is opgenomen.

7. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Het bevoegd gezag mag alleen een omgevingsvergunning voor een BOPA verlenen als aan de beoordelingsregels uit afdeling 8.1 van het Bkl wordt voldaan. Zo wordt de vergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl). In dit kader vindt in hoofdstuk 4 van deze motivering een toets aan het relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid plaats. Daarnaast moet in elk geval worden getoetst aan de instructieregels voor het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 van het Bkl (artikel 8.0b, eerste lid, sub a van het Bkl) en de instructieregels in de verordening van de provincie voor het omgevingsplan (artikel 8.0b, eerste lid, sub b van het Bkl). In hoofdstuk 5 van deze motivering wordt in de beoordeling van de gevolgen van het initiatief voor de fysieke leefomgeving beoordeeld of en hoe aan deze instructieregels wordt voldaan. Betreffende dit project: aan de beoordelingsregels wordt voldaan.

Bijlagen 1. 2. 3. 4.

Bf gemeente woonfunctie Barloseweg 6B en 6C_onderbouwing_23072024; R24-33_DO-01_Heijnen De Weldaed_20241007_bestaand; R24-33_DO-02_Heijnen De Weldaed_20241007_gesplitst; R24-33 BB_10042025.

Pagina 23 van 24

Gemeente Aalten

Onderbouwing omgevingsvergunning BOPA, <Splitsen Barloseweg 6A en 6B>

8. Tot slot Deze standaard onderbouwing is naar waarheid ingevuld. Dit standaard document is eigenlijk te zwaar voor deze casus. Mochten er vragen zijn of behoefte aan een kijkje op locatie dan maak ik graag een afspraak. Met vriendelijke groet, Rinke ter Haar, architect BNA Rinke ter Haar Architectuur Hofstraat 20 7121 DM Aalten 0543 474734 – info@rinketerhaararchitectuur.nl

Pagina 24 van 24

Gemeente Aalten

Bijlage 3

347/3561

Barloseweg 8 en 8a Aalten

BARLOSEWEG 8 EN 8A, AALTEN 1. BESTAANDE SITUATIE EN GELDENDE BESTEMMING Aan de percelen Barloseweg 8 en 8a te Aalten is op basis van het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied 2015' de bestemming ‘Wonen’ toegekend. Op basis van het bestemmingsplan is één woning toegestaan. Er zijn al meer dan 40 jaar twee wooneenheden aanwezig, eerst op basis van inwoning, waaraan ook huisnummers zijn toegekend. Nummer 8a is in 2013 toegekend. Er is destijds een controle geweest waaruit bleek dat er twee verblijfsobjecten aanwezig zijn. Het hoofdgebouw is kadastraal gesplitst. Het fragment van de verbeelding is hieronder opgenomen.

2. PLANBESCHRIJVING De hoofdbouwmassa waarin de woningen zijn opgenomen is in de loop van de tijd gesplitst in twee zelfstandige woningen. Deze situatie is al meer dan 40 jaar onveranderd. Op basis van het geldende bestemmingsplan is er één woning aanwezig en toegestaan. In dit plan wordt het aantal woningen bepaald op twee.

3. NADERE ONDERBOUWING De wijziging is op verzoek van en in overleg met de eigenaren tot stand gekomen. Er is met de eigenaar een anterieure overeenkomst gesloten voor de wijziging. Het plan betreft uitsluitend een wijziging van de planologische situatie. De feitelijke situatie blijft ongewijzigd. Een nadere onderbouwing is derhalve niet aan de orde.

Bijlage 4

349/3561

Barloseweg 9, 9a9 9b en 20 Aalten

Motivering wijziging omgevingsplan “Barloseweg 9, 9a en 20 te Aalten”

Opdrachtgever Melkveebedrijf Brethouwer Barloseweg 9, 7122 PS te Aalten d.d. 27-06-2025 Opdrachtnemer Locis Adviseurs B.V. Groten Bos 3 7131 NW Lichtenvoorde Info@locisadviseurs.nl 0315 820 100 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze opgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Locis Adviseurs. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend, Locis Adviseurs, verwerpt elke aansprakelijkheid voor aan ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor hij wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan veranderd worden zonder voorafgaande kennisgeving.

1

Inhoudsopgave 1.

Inleiding ............................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding .................................................................................................................. 4 1.2 Ligging planlocatie ...................................................................................................... 4 1.3 Huidig planologisch kader ........................................................................................... 5 1.4 Participatie voorbereidingsfase ................................................................................... 6 1.5 Leeswijzer ................................................................................................................... 6

2.

Beschrijving van het plan....................................................................................................... 7 2.1 Huidige situatie ........................................................................................................... 7 2.2 Toekomstige situatie ................................................................................................... 8

3.

Beleid ................................................................................................................................... 8 3.1 Rijksbeleid .................................................................................................................. 9 3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ................................................................ 9 3.1.2 Omgevingswet ........................................................................................... 10 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking ........................................................ 11 3.1.4 Nationale Woon- en Bouwagenda............................................................... 11 3.2 Provinciaal beleid...................................................................................................... 12 3.2.2 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland ................................................................. 12 3.2.3 Omgevingsverordening provincie Gelderland .............................................. 13 3.3 Regionaal beleid ....................................................................................................... 14 3.3.1 Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 .................................................. 14 3.3.2 Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030 ...........................................

15 3.3.3 Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek .............. 15 3.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 16 3.4.1 Woonvisie 2021-2026 ................................................................................. 16 3.4.2 Woningbouwstrategie gemeente Aalten 2021 - 2031 .................................. 17 3.4.3 Uitnodigingskader woningbouw gemeente Aalten ...................................... 17 3.4.4 Afwegingskader Buitengebied van de gemeente Aalten .............................. 17

4.

Omgevingsaspecten ............................................................................................................ 18 4.1 Bodem ...................................................................................................................... 18 4.2 Archeologie en cultuurhistorie .................................................................................. 18 4.3 Natuur ...................................................................................................................... 19 4.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 .............................................................. 19 4.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone ... 20 4.3.3 Soortenbescherming .................................................................................. 21 2

4.4 Geluid ....................................................................................................................... 21 4.5 Luchtkwaliteit ........................................................................................................... 23 4.6 Geur ......................................................................................................................... 23 4.7 Milieubelastende activiteiten .................................................................................... 24 4.8 Omgevingsveiligheid ................................................................................................. 25 4.9 Water ....................................................................................................................... 26 4.10 Mobiliteit en parkeren ............................................................................................ 27 4.11 Kabels en leidingen ................................................................................................. 28 4.12 Milieueffectrapportage ........................................................................................... 28 4.13 Gezondheid.............................................................................................................

29 4.14 Duurzaamheid ........................................................................................................ 29 5. Uitvoerbaarheid van het plan.................................................................................................. 31 5.1. Economische uitvoerbaarheid .................................................................................. 31 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................ 31

Bijlagen 1. Participatie 2. Erfinpassingsplan

3

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding In het buitengebied van de gemeente Aalten is het agrarische melkveebedrijf van de familie Brethouwer gelegen. De naastgelegen locatie Barloseweg 9a te Aalten met een bedrijfsbestemming heeft de familie Brethouwer kunnen kopen. De woning Barloseweg 9a zal gaan fungeren als tweede bedrijfswoning. De toekomstige bedrijfsopvolger zal deze woning gaan bewonen. In een eerdere herziening van het bestemmingsplan (thans omgevingsplan) vastgesteld op 20-06-2023 zal er in het achterhuis een tweede bedrijfswoning worden gecreëerd. Echter is deze woningsplitsing nog niet gerealiseerd en wordt deze vergunning ingetrokken. Op de locatie zijn straks twee bedrijfswoningen aanwezig namelijk Barloseweg 9 en Barloseweg 9a. De bedrijfsbestemming van de locatie Barloseweg 9a verdwijnt, de bouwvlakken worden samengevoegd en krijgt de bestemming agrarisch. Voor de beoogde wijziging is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Binnen de gemeente Aalten wordt daarvoor gewerkt volgens de systematiek van TAM-IMRO.

1.2 Ligging planlocatie De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Aalten. De betreffende locatie is kadastraal bekend onder gemeente Aalten, sectie O, nummers 180, 181, 182, 183 en 219 hebben een totale oppervlakte van ca. 14,23 ha. De locatie Barloseweg 9 betreft een agrarisch perceel met meerdere veestallen, een werktuigenberging, een bedrijfswoning met achterhuis. De schuur aan de Barloseweg 20 behoord ook bij het agrarische bedrijf. De locatie Barloseweg 9a betreft op dit moment een bedrijfsperceel met een bedrijfswoning en een bedrijfsschuur.

Figuur 1: ligging planlocatie (bron:kadastralekaart.nl)

De planlocatie wordt aan de noordoostzijde begrensd door de Barloseweg en aan de zuid- en oostzijde door agrarische cultuurgrond. Rondom de planlocatie bestaan de dichtst bijgelegen adressen uit woonbestemmingen en agrarische bestemmingen in het buitengebied, deze zijn op een afstand gelegen variërend van ca. 0 tot en met 120 meter van de planlocatie gelegen. De kortste afstand tussen het dichtst 4

bijgelegen agrarisch bedrijf is ca. 75 meter en tot een agrarisch intensief bedrijf ca. 240 meter. Verder bevindt zich op een afstand van ca. 470 meter een bedrijfsbestemming in het buitengebied.

1.3 Huidig planologisch kader Voor de planlocatie Barloseweg 9 geldt het onherroepelijke bestemmingsplan 'Landelijk gebied, herziening 2022’. Per 1 januari 2024 (datum inwerkingtreding Omgevingswet) is dit bestemmingsplan onderdeel geworden van het omgevingsplan van rechtswege. Voor de gronden op de planlocatie Barloseweg 9 geldt de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ met een functieaanduidingen openheid, specifieke vorm van agrarisch – wisselteelt booteelt 1 en specifieke vorm van agrarisch met waarden - hoogteverschillen. Voor een klein deel van het perceel geldt de gebiedsaanduiding overige zone – cultuurhistorisch ensemble. Daarnaast is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie lage verwachting’ voor de locatie opgenomen. Voor de locatie is ook een bouwvlak opgenomen en binnen dit bouwvlak mogen maximaal 2 bedrijfswoningen aanwezig zijn. Het koppelteken naar het perceel Barloseweg 20 en het agrarische bouwvlak ontbreekt, dit is destijds niet juist verwerkt in het wijzigingsplan en wordt met deze procedure hersteld.

Figuur 2: Geldende bestemming groen gemarkeerd (bron: omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart)

Voor de planlocatie Barloseweg 9a geldt het onherroepelijke bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015’. Per 1 januari 2024 (datum inwerkingtreding Omgevingswet) is dit bestemmingsplan onderdeel geworden van het omgevingsplan van rechtswege. Voor de gronden op de planlocatie Barloseweg 9 geldt de enkelbestemming ‘Bedrijf’ met de gebiedsaanduiding overige zone – cultuurhistorisch ensemble. Daarnaast is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie lage verwachting’ voor de locatie opgenomen. Binnen de bestemming bedrijf mag één bedrijfswoning aanwezig zijn.

5

Figuur 3: Geldende bestemming paars gemarkeerd (bron: omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart)

Op basis van het huidige planologisch kader is de ontwikkeling niet mogelijk te maken. De gemeente Aalten is daarom bereid om hiervoor medewerking te verlenen aan een herziening van het omgevingsplan. Daarbij is ingestoken op een wijziging van het omgevingsplan.

1.4 Participatie voorbereidingsfase De directe omgeving is geïnformeerd over de beoogde ontwikkelingen door middel van een gesprek. De buren die gereageerd hebben waren positief over de plannen. In bijlage 1 bij deze onderbouwing is het participatieverslag opgenomen.

1.5 Leeswijzer Een wijziging van het omgevingsplan volgens TAM-IMRO bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. De wijziging van het omgevingsplan gaat vergezeld van een motivering (voorliggend document), waarin de achtergronden van de wijziging zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het omgevingsplan. In de motivering worden de keuzes die bij de wijziging van het omgevingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hoofdstuk 2 van deze toelichting bevat de beschrijving van de huidige situatie van de planlocatie en de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de geldende beleidskaders van de verschillende overheden. In hoofdstuk 4 is een overzicht gegeven van de relevante omgevingsaspecten op de planlocatie en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd. Hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

6

2. BESCHRIJVING VAN HET PLAN 2.1 Huidige situatie De planlocatie bestaat momenteel uit een agrarisch melkveehouderijbedrijf met een naastgelegen locatie met een bedrijfsbestemming. Er zijn feitelijk twee bedrijfswoningen aanwezig, één bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf en één bedrijfswoning behorende bij de bedrijfsbestemming. Het perceel is bereikbaar via een drietal toegangswegen welke allen direct aansluiten op de Barloseweg.

Figuur 4: Topografische kaart (bron: topotijdreis.nl)

Figuur 5: Zicht op planlocatie vanaf Barloseweg – noordoostzijde (bron: Google Maps)

Figuur 6: Zicht op planlocatie vanaf Barloseweg – oostzijde (bron: Google Maps)

7

2.2 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt de naastgelegen reeds gekochte bedrijfsbestemmingslocatie met bedrijfswoning en schuur, bij het agrarische bedrijf toegevoegd. De bedrijfsbestemming wordt aangepast naar de bestemming agrarisch met waarden. De verschillende locaties worden samengevoegd en krijgen één agrarisch bouwvlak waar maximaal twee bedrijfswoningen zijn toegestaan. De ontwikkeling betreft: -

De bedrijfsbestemming van locatie Barloseweg 9a wordt omgezet naar de bestemming agrarisch met waarden;

-

De verschillende locaties worden samengevoegd en krijgen een agrarisch bouwvlak;

-

Op de locatie zijn maximaal twee bedrijfswoningen aanwezig, de woning in het achterhuis vervalt;

-

Het wijzigen van het bouwvlak.

In de figuur hieronder is de bestaande en toekomstige beoogde situatie voor dit plan weergegeven.

Bedrijfswoning 9a

Bedrijfswoning 9

Figuur 6: Ontwerp bestaande en toekomstige beoogde situatie

Het plan wordt ook landschappelijk ingepast. Zie bijlage 2 het erfinpassingsplan.

8

3. BELEID 3.1 Rijksbeleid 3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als structuurvisie. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft de landelijke overheid richting aan de grote opgaven, zoals het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050: Een klimaatbestendige delta, waarbij Nederland beschermd is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering, waterveiligheid (ook voor de laaggelegen gebieden in het westen) gegarandeerd is en voldoende zoetwater beschikbaar is van goede kwaliteit; Duurzaam, concurrerend en circulair: een toekomstbestendige en volledig circulaire economie zonder vervuilende manieren van produceren en consumeren, met een uitstekend vestigingsklimaat en een hoge quality of life, met een zo goed mogelijke inpassing van duurzame energie in onze leefomgeving en slimme combinaties van functies zonder de risico's en milieunadelen te vergroten.

Een economie die veel maatschappelijke winst oplevert in termen van banen, innovatie en nieuwe bedrijvigheid en exportmogelijkheden; Kwaliteit van leven in stad en dorp: met een aantrekkelijke woon- en leefomgeving en een goede verbondenheid van stad en land. De ontwikkelingen zijn gericht op kwaliteit, met gecontroleerde en doordachte groei waar dat nodig is, waardoor diversiteit in wonen, een stedelijk netwerk, prettige woonmilieus, met rust en ruimte maar ook vitale en leefbare regio's ontstaan. Nabijheid en betrouwbare verbindingen: een uitstekende bereikbaarheid wordt met een goede en betrouwbare infrastructuur gegarandeerd, waarbij wordt ingespeeld op locatiekeuzes voor wonen en werken (nabijheid). De infrastructuur is onderdeel van een mobiliteitssysteem dat een meer divers patroon van mobiliteit veilig, robuust en duurzaam afhandelt. Luchthavens blijven belangrijk voor een sterk internationaal netwerk voor de lange afstanden. De uitdaging is om het vliegverkeer net als het goederenvervoer op een zo veilige, efficiënte en duurzame manier vorm te geven. Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk: een veilig en gezond leven voor iedereen staat voorop. De leefomgeving nodigt uit om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te ontspannen.

Daarbij horen een goede milieukwaliteit, robuuste natuur, klimaatbestendigheid en voor iedereen goede toegang tot wonen, werken en voorzieningen. Het realiseren van een fysieke leefomgeving die dit toekomstperspectief mogelijk maakt, is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn: 1. Naar een ruimte voor klimaat adaptatie en energietransitie; 2. Naar een duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Naar sterke en gezonde steden en regio's; 4. Naar een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied;

9

Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer er aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Beoordeling initiatief De NOVI gaat niet concreet in op relatief kleinschalige lokale ontwikkelingen zoals de voorgenomen wijziging die nu voor ligt. In het NOVI zijn geen belemmeringen benoemd ten aanzien van de voorgenomen planontwikkeling. In algemene zin draagt het project bij aan de kwaliteit van de leefbaarheid in het landelijk gebied. 3.1.2 Omgevingswet De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s): 1. het Omgevingsbesluit (Ob); 2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); 4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels: •

De dienstenrichtlijn (art. 5.1a Bkl);

•

Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);

•

Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);

•

Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);

•

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);

•

Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl);

•

Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);

•

Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Beoordeling initiatief Dit initiatief is voor wat betreft de omgevingsaspecten in hoofdstuk 4 getoetst aan de Rijksinstructieregels, Die Rijksinstructieregels worden daar waar nodig vertaald in het omgevingsplan. Voor het overige wordt voldaan aan de Rijksinstructieregels zonder dat het nodig is om daarvoor iets te regelen in het omgevingsplan. Uit hoofdstuk 4 komt naar voren dat toepassing van de Rijksinstructieregels niet leidt tot belemmeringen voor dit initiatief. Het initiatief past daarmee binnen de doelstellingen, het beleid en de regels van het Rijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=b0701b2b-023f-4085-a00d-15f398dc9432