Bijlage 1c - TAM-omgevingsplan Landelijk gebied, herziening 2025 Bijlagen_Deel6
Tekst van het document
• Hittestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur op de planlocatie vergelijkbaar is met andere agrarische erven in de omgeving. Na sloop van de varkensstal zal in combinatie met het voorziene groen en de aan te leggen waterpartij, de hittestress afnemen. Er is hier overigens geen sprake van een stedelijk-hitte-eiland-effect, zoals zich dat voordoet in de bebouwde kom. • Droogte
19
•
De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 weinig verandering zien ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is en blijft op de planlocatie sprake van lage grondwaterstanden en droogtegevoeligheid. De planlocatie ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. Overstroming De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat er geen dijken en watergangen in nabijheid van de planlocatie liggen. Daarbij vormt overstroming geen risico voor de planlocatie.
Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat bij het voorliggend initiatief voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico’s door klimaatverandering. Er hoeven geen specifieke maatregelen te worden getroffen.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Horeca visie Gemeente Aalten De gemeenteraad heeft in juni 2024 de horecavisie Gemeente Aalten vastgesteld. In de horecavisie is vastgesteld dat het aanbod (peildatum april 2024) in principe aan de huidige vraag voldoet. Uitgangspunt van de visie is daarom bestaand aanbod bewaren en versterken waar mogelijk. Daarnaast wil de gemeente ook aanbod vervangen of toevoegen met door doelgroepen gewenste ontwikkelingen en daarvoor ruimte voor nieuwvestiging en uitbreiding bieden. Oftewel: passende groei en innovatie moet mogelijk blijven. Het college van B&W heeft in maart 2025 een ontwikkelkader vastgesteld, waaraan nieuwe initiatieven worden getoetst. In het ontwikkelkader horeca is o.a. bepaald dat nieuwvestiging van ondergeschikte horeca, bij voorkeur recreatiegedreven, mogelijk blijft. Daarbij geldt o.a. als voorwaarde dat de horeca niet ter beschikking mag worden gesteld voor feesten en partijen, en dient de exploitatie gekoppeld te zijn aan die van de hoofdactiviteit/bestemming. Daarnaast is nieuwe reguliere horeca onder voorwaarden mogelijk. Er worden aanvullende eisen gesteld ten aanzien van duurzaamheid, landschappelijke inpassing en doelgroepbenadering Beoordeling initiatief Theetuin Rensink betreft een bestaand bedrijf dat oorspronkelijk als nevenactiviteit en daarmee ondergeschikte horeca is gestart.
In praktijk biedt de locatie sinds 2010 ook ruimte voor besloten feesten en partijen en heeft daarvoor de benodigde vergunning. De locatie wijkt daarmee af van andere theetuinen. Mede gezien de gewenste karakterverzwaring en het vervallen van een deel van de bestaande agrarische hoofdactiviteit ter plaatse, valt dit initiatief niet onder de toets voor ondergeschikte horeca in het ontwikkelkader, maar moet deze als reguliere (bestaande) horeca worden beschouwd en als zodanig bestemd worden. Vanuit de visie is gesteld dat het wenselijk is om bestaand aanbod te bewaren en versterken waar mogelijk, aanbod toe te voegen en daarvoor ruimte voor uitbreiding te bieden. De initiatiefnemers voldoen hieraan als volgt:
20
•
Kwaliteitverbetering van het aanbod, door professionalisering van de bedrijfsvoering en uitbreiding van de capaciteit.
•
Kwaliteitverbetering van het aanbod, door de impact van de sloop van de varkensstal en de nieuwbouw van een bedrijfsruimte.
•
Kwaliteitverbetering landschap: door de landschappelijke erfinrichting en aanleg vijver verbetert de uitstraling naar de omgeving, de biodiversiteit en de capaciteit van de hemelwateropvang.
•
Duurzaam bouwen; de nieuwbouw wordt met duurzame materialen gerealiseerd en duurzaam verwarmd. De energie-opwek is zelfvoorzienend.
•
Doelgroepbenadering: het initiatief komt tegemoet aan de groeiende toeristische vraag in het buitengebied en behelst een duidelijke visie op het aantrekken van bestaande (met name lokale/regionale rustzoekers) en nieuwe toeristisch-recreatieve doelgroepen (met name stijlzoekers).
•
Tenslotte is een pre dat zoveel mogelijk van lokaal geproduceerd voedsel gebruik wordt gemaakt.
De ontwikkeling past hiermee binnen de horecavisie van de gemeente Aalten.
21
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Bodem Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
•
evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
•
duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
Beoordeling initiatief In verband met de ontwikkeling is door Montferland Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde bodemonderzoeksrapport d.d. 15 oktober 2025 met nummer MM25127 (zie bijlage 2) kan het volgende worden opgemaakt: • • • •
• •
•
•
Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden. In de inspectieboringen zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. De tevoren gestelde hypothese ‘Het boerenerf kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient te worden verworpen. In de grond(meng)monster ter plaatse van de spoelplaats zijn geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie die de klasse ‘Landbouw/natuur’ van de betreffende stof overschrijdt. In het grondwater ter plaatse van de spoelplaats is een licht verhoogd gehalten aan barium aangetoond. De tevoren gestelde hypothese ‘De spoelplaats kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient te worden verworpen. Het aangetroffen barium gehalte wordt toegeschreven aan een natuurlijke oorsprong. Bij het verkennend asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In zowel de fijne als grove fractie van de bodem is geen asbest aangetroffen. Het mengmonster bevindt zich onder het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) en een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. De tevoren gestelde hypothese ‘De onverharde druppelzone kan op basis van het vooronderzoek als verdacht op asbest worden beschouwd’ dient te worden verworpen.
22
•
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen planologische procedure. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.
Concluderend Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: •
Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
•
Verplaatsing van beschermde monumenten;
•
Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
•
Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
•
Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Door de gemeenten Winterswijk, Aalten en Oost-Gelre is gezamenlijk de erfgoednota opgesteld. Het beleven van erfgoed is een van de ambities in deze nota om daarmee het (economisch) rendement te vergroten. Het doel van de nota is het vaststellen van ambities voor de ontwikkeling en instandhouding van het erfgoed, zodat dit: • op een goede wijze kan worden doorgegeven aan de volgende generatie; • een inspiratiebron en motor kan zijn voor nieuwe ontwikkelingen; • een verbinding vormt tussen diverse beleidsterreinen, organisaties en de drie gemeenten; • de identiteit onderstreept en versterkt. De erfgoednota maakt momenteel onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moeten worden getoetst op het voorkomen van archeologische waarden en/ of monumenten binnen het plangebied. Tevens moet worden bepaald of deze eventueel aanwezige waarden worden geschaad door de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. Beoordeling initiatief Op de locatie is geen monumentale, maar karakteristieke bebouwing aanwezig. Het gaat in dit geval om de woning met deel en een tweetal (agrarische) bijgebouwen. Zowel deze karakteristieke woning als (agrarische) bijgebouwen blijven behouden in het huidige voorkomen en zullen geen wijzigingen ondergaan.
In het omgevingsplan van rechtswege is deels een lage archeologische waarde en deels een hoge archeologische waarde voor dit plangebied opgenomen. Hiervoor geldt dat er bij een hoge archeologische waarde onderzoek dient te worden uitgevoerd als er dieper dan 40 cm onder maaiveld en 500 m2 of meer aan grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. Uitzondering hierop betreffen werk en werkzaamheden binnen een afstand van 2,5 meter uit de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk. De volledige varkensstal met een oppervlakte van circa 1.150 m² wordt gesloopt. De grond is hier al eens geroerd geweest en de sloopwerkzaamheden vallen onder de uitzonderingsregel. Daarnaast wordt het nieuw op te richten bouwwerk en de poel/vijver (grotendeels) binnen de voetprint van de te slopen varkensstal gerealiseerd. Concluderend Er is geen onderzoek nodig naar archeologie en cultuurhistorie. Er worden geen archeologische of cultuurhistorische waarden aangetast met de realisatie van dit initiatief. Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan. 23
4.3 Natuur Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die voorheen waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden en Natuur Netwerk Nederland (NNN), regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moet worden bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. Beoordeling initiatief Het plangebied ligt op bijna 10 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. De ligging is op de onderstaande kaart weergegeven met de blauwe cirkel.
Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Korenburgerveen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 8 ligging planlocatie binnen blauwe cirkel t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: aerius.nl)
Concluderend Het aspect gebiedsbescherming Natura 2000 vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
24
4.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone Gelderland heeft veel natuurgebieden. Samen vormen zij het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. De begrenzing en de regels ter bescherming van het GNN en de Groene ontwikkelingszone zijn opgenomen in de Omgevingsverordening provincie Gelderland. Beoordeling initiatief De planlocatie ligt buiten gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
GNN
Go
GNN Figuur 9: ligging planlocatie bij rode marker t.o.v. GNN/GO
Concluderend Het aspect provinciale gebiedsbescherming (GNN/GO) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan. 4.3.3 Soortenbescherming In de Omgevingswet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Beoordeling initiatief In het kader van de beoogde ontwikkeling is er door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. De locaties zijn daarbij onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde 25
planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. De rapportage van die quickscan is opgenomen in bijlage 3. Uit de quickscan volgen onderstaande bevindingen en conclusies: •
Omgevingsvergunning aanvragen voor beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats van wezel;
•
Rooien beplanting, slopen varkensstal en bouwen bijgebouw buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren);
•
Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken);
Concluderend Het aspect soortenbescherming vormt, met inachtneming van het aanvragen van de voorwaarden uit de rapportage, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
4.4 Geluid Een planlocatie kan bij een geluidsbron zijn gelegen, zoals een drukke weg, spoorweg, industrie of een windturbine. Bekeken moet worden of het plan geen hinder voor de omgeving vormt, en of de omgeving geen hinder vormt voor het plan. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen geluid van activiteiten en geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (aandachtsgebieden). Geluid van activiteiten In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl staan instructieregels over het geluid van activiteiten (bijv. windturbines) op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Op grond van deze instructieregels moet er in het omgevingsplan worden zorggedragen voor een aanvaardbaar geluidsbelasting. Er is in ieder geval sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting indien de standaard- en grenswaarden van artikel 5.65 van het Bkl worden opgenomen in het omgevingsplan. Tot het moment waarop de gemeente Aalten een permanent omgevingsplan heeft, gelden in de gemeente Aalten de regels van paragraaf 22.3.4 van het tijdelijk omgevingsplan gemeente Aalten. Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen In paragraaf 5.1.4.2a Bkl staan instructieregels over het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. In paragraaf 5.1.4.2a.4 Bkl staan instructieregels voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden.
Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Op grond van artikel 5.78s Bkl moet de geluidsbelasting van een weg op een geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtgebied aanvaardbaar zijn. De geluidsbelasting is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals deze zijn opgenomen in artikel 5.78t Bkl. Beoordeling initiatief Geluid van activiteiten Er worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht. Echter wordt er wel een horecafunctie toegekend aan het perceel zodat moet worden bekeken of omliggende woningen niet in hun woon- en leefklimaat worden geschaad. De meest dichtbijgelegen woning (Tammeldijk 1-1a) ligt op een afstand van 110 meter. Hierbij is er gemeten tussen beide functievlakken. Feitelijk ligt de woning op grotere afstand zodat er sprake is van een worst case benadering.
26
In deze situatie is sprake van het omgevingstype ‘rustig woongebied’, zoals bedoeld in de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024. Volgens de in deze handreiking opgenomen ‘Bijlage A5 Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting ‘geluid en geur’ geldt een afstand van 10 meter, waarop mag worden verwacht dat aan de standaardgeluidnormen kan worden voldaan. Gezien de afstand van de beoogde horecafunctie tot de meest dichtbijgelegen woning, is het voldoende aannemelijk dat het geluid van de horeca-activiteit geen belemmering vormt voor de omgeving. Railverkeerslawaai In de directe omgeving van de planlocatie bevindt zich geen spoorweg. Verkeerslawaai De planlocatie bevindt zich binnen de geluidaandachtsgebieden van omliggende wegen. Er worden echter geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegevoegd. Er is daarom niet nader getoetst aan verkeerslawaai. Industrielawaai In de directe omgeving van de planlocatie bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein, zodat duidelijk is dat de planlocatie buiten het aandachtsgebied van een industrieterrein ligt. Concluderend Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
4.5 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden bijvoorbeeld zogeheten omgevingswaarden voor o.a. de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
27
Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden luchtkwaliteit (zoals de gemeente Aalten) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. Na de onderbouwing moet een conclusie getrokken worden of het aspect luchtkwaliteit een belemmering voor het plan vormt. Beoordeling initiatief De gemeente Aalten ligt buiten de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit. Er is immers geen sprake van de aanleg van auto(snel)wegen of tunnelbuistrajecten. Daarnaast vallen de agrarische activiteiten t.b.v. de intensieve veehouderij (houden van varkens) weg. De zeer geringe toename van de extra voertuigbewegingen ten aanzien van de theetuin vallen hiertegen weg te strepen. Concluderend Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
4.6 Geur De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen optreedt. In hoofdstuk 5 van het Bkl, is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn. Tot het moment waarop deze regels zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Aalten, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke omgevingsplan gemeente Aalten. Beoordeling initiatief Er worden geen nieuwe geurgevoelige gebouwen opgericht. Echter wordt er wel een horecafunctie toegekend aan het perceel zodat moet worden bekeken of omliggende woningen niet in hun woon- en leefklimaat worden geschaad.
De meest dichtbijgelegen woning (Tammeldijk 1-1a) ligt op een afstand van 110 meter. Hierbij is er gemeten tussen beide functievlakken. Feitelijk ligt de woning op grotere afstand zodat er sprake is van een worst case benadering. In deze situatie is sprake van het omgevingstype ‘rustig woongebied’, zoals bedoeld in de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024. Volgens de in deze handreiking opgenomen ‘Bijlage A5 Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting ‘geluid en geur’ geldt een afstand van 10 meter, waarop mag worden verwacht dat aan de standaardgeluidnormen kan worden voldaan. Gezien de afstand van de beoogde horecafunctie tot de meest dichtbijgelegen woning, is het voldoende aannemelijk dat eventuele geurhinder van de horeca-activiteit geen belemmering vormt voor de omgeving. Concluderend 28
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
4.7 Milieubelastende activiteiten Onder de Omgevingswet is het begrip ‘inrichting’ verdwenen en heeft het begrip ‘milieubelastende activiteit’ zijn intrede gedaan. Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (hierna: mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip want er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu.
De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de Nota van Toelichting van het Bkl blijkt dat daarmee mba’s worden bedoeld. Beoordeling initiatief Bij deze ontwikkeling is sprake van het gedeeltelijk omzetten van een agrarische functie naar een horecafunctie waarbij de intensieve veehouderij komt te verdwijnen. Bij de bestaande woning worden net als elders binnen de gemeente beroepen aan huis toegestaan. Daarnaast kunnen via een omgevingsvergunning aan huis verbonden bedrijven en bed & breakfast worden mogelijk gemaakt. Het gaat hierbij om milieubelastende activiteiten met een beperkt ruimtebeslag en een beperkte milieubelasting, die in zijn algemeenheid aanvaardbaar zijn te achten binnen een woonomgeving. Voor bepaalde beroepen en bedrijven aan huis zijn regels gesteld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor andere beroepen en bedrijven aan huis zijn in het tijdelijke deel van het omgevingsplan regels van rechtswege opgenomen (de bruidsschat). Die regels blijven gelden naast het voorliggende omgevingsplan voor deze locatie. Conclusie De milieubelastende activiteiten waarvan bij dit initiatief sprake kan zijn, vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aan de milieueffecten van die milieubelastende activiteiten worden regels gesteld in het omgevingsplan van rechtswege en het Besluit activiteiten leefomgeving.
4.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Het betreft de volgende activiteiten:
29
• • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar (Kaarten | Atlas Leefomgeving). In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt in ieder geval aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor een aanvullende onderbouwing en eventueel extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een plan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Beoordeling initiatief Op de planlocatie aan de Tammeldijk worden geen kwetsbare objecten (in de vorm van een woning) mogelijk gemaakt. In de omgeving zijn volgens de risicokaart (zie figuur hieronder) tevens geen risicobronnen aanwezig. Dat betekent dat risicovolle inrichtingen, basisnetroutes en buisleidingen op voldoende afstand van de planlocatie liggen en geen belemmeringen opwerpen.
30
Figuur 10 weergave planlocatie bij rode ovaal (bron: atlas leefomgeving)
Concluderend Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
4.9 Water Het waterschap Rijn en IJssel draagt zorg voor het water in en rond het plangebied van dit Omgevingsplan. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht. Dat geeft het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. De fysieke leefomgeving en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Daarnaast wordt onze leefomgeving en het waterbeheer sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.
In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s.
31
Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren. Gezonde leefomgeving Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid.
Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Weging van het waterbelang Voor een ruimtelijke ontwikkeling maakt de gemeente een belangenafweging om te bepalen of de ontwikkeling passend is. Hierbij moet ook rekening gehouden worden met het waterbelang, conform Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (weging van het waterbelang). Het waterschap verleent advies over de waterbelangen in het plan. Om te beoordelen of een initiatief invloed heeft op het watersysteem of de belangen van het Waterschap Rij en IJssel is gebruik gemaakt van Het Wateradvies via www.hetwateradvies.nl. Via de vragenlijst wordt op een snelle wijze een eerste inzicht gegeven in de waterbelangen die spelen door het gewenste initiatief binnen het plangebied. Beoordeling initiatief Uit het doorlopen van de online vragenlijst op hetwateradvies.nl komt naar voren dat de ontwikkeling geen waterschapsbelangen raakt, waarvoor er advies nodig voor het volgende onderdeel: 1. Advies kwaliteit afvalwaterketen. De resultaten van de digitale watertoets zijn opgenomen in bijlage 4. Hieronder wordt nader ingegaan op een adviesonderdeel.
Advies kwaliteit afvalwaterketen Het Waterschap streeft naar een doelmatige werking van de gehele afvalwaterketen. Zij treden daarom graag in een vroeg stadium in gesprek over nieuwe ontwikkelingen. Hemelwater wordt min mogelijk afgevoerd naar de afvalwaterzuivering, zodat meer water in de bodem wordt vastgehouden, de efficiëntie van de waterzuivering vergroot wordt, en het aantal riooloverstorten op het oppervlaktewater wordt 32
teruggedrongen. Een toename van afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de rioolgemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) dienen de toename te kunnen verwerken, zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het nieuwe bijgebouw kan, vanwege de beperkte omvang, aangesloten worden op de bestaande afvalwaterketen. Hemelwater zal worden geborgen en geïnfiltreerd op eigen terrein. Concluderend Het aspect water vormt, mede gezien de uitkomsten van de klimaatatlas waarin geen bijzonderheden omtrent het aspect water worden verwacht, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Mobiliteit en parkeren Bij het initiatief dient rekening gehouden te worden met de verkeersgeneratie en het parkeren. Er moet onderbouwd worden of het aantal verkeerstromen niet onaanvaardbaar gaat toenemen en er moet gekeken worden naar voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Beoordeling initiatief Verkeer Het initiatief heeft geen negatief effect op het aantal vervoersbewegingen met lichte voertuigen. De bezoekers van de theetuin komen overwegend met de fiets. Daarnaast vallen, ten opzichte van de bestaande situatie dat nog sprake is van een varkenshouderij ter plaatse, de daarmee samenhangende voertuigbewegingen met zware motorvoertuigen weg. Ontsluiting van de planlocatie vindt net als nu plaats via een inrit op de Tammeldijk. Parkeren Volgens de CROW geldt er voor horeca in het buitengebied geen parkeernorm. Daarbij is er op eigen erf voldoende ruimte aanwezig om in het parkeren op eigen terrein te voorzien. Concluderend Mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit gewijzigde omgevingsplan.
4.11 Kabels en leidingen Planologisch relevante kabels en leidingen hebben een beschermingszone waarbinnen in beginsel geen graaf- en bouwwerkzaamheden mogen plaatsvinden. Beoordeling initiatief Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Met een zogenaamde klicmelding krijgen initiatiefnemers alle kabel- en leidinginformatie, zodat graafschade en gevaarlijke situaties worden voorkomen. Concluderend Eventuele kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit gewijzigde omgevingsplan. Het initiatief omvat geen grondroerende werkzaamheden.
4.12 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan of project met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader
33
van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage of een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is in dit verband bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: • dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.beoordelingsplichtig besluit of • waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden.
Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. Beoordeling initiatief De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Verder is zoals blijkt uit paragraaf 4.31. geen passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig, zodat ook op basis hiervan geen sprake is van plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht. Concluderend Een milieueffectrapportage is niet nodig nu de gewenste activiteiten op perceel niveau in het Besluit m.e.r. niet worden genoemd. Daarnaast is een passende beoordeling op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied niet noodzakelijk.
4.13 Gezondheid Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Dit belangrijke maatschappelijke doel is o.a. doorvertaald naar een aantal instructieregels in het Bkl die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de wijziging van het omgevingsplan is meegenomen. Beoordeling initiatief De toetsing aan de wettelijke milieunormen en de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling zijn in de voorgaande paragrafen per relevant omgevingsaspect aan bod gekomen. Ook bij het voldoen aan wettelijke milieunormen kan echter gezondheidsschade optreden. Belangrijk begrip daarbij is het voorzorgsbeginsel dat voortvloeit uit het artikel 2 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De overheid kan op basis hiervan maatregelen treffen als er gegronde redenen zijn om te
34
vrezen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben, zonder dat er (voldoende) wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn. Bij voorliggend initiatief worden geen significante gezondheidseffecten verwacht. Er is in de directe omgeving geen sprake van zodanig voor de gezondheid nadelige emissies of omstandigheden, dat hierdoor vanuit het voorzorgsbeginsel of anderszins belemmeringen optreden voor de beoogde ontwikkeling. Het beperkte initiatief heeft geen negatieve gevolgen voor de gezondheid van omwonenden of andere personen. Concluderend Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit gewijzigde omgevingsplan.
4.14 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen waarbij duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als: ”een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen" (bijlage 1 van de Ow). Toetsing aan het aspect duurzaamheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid is in ontwikkeling en kan op termijn worden doorvertaald naar het omgevingsplan. Beoordeling initiatief Het nieuwe bijgebouw zal worden gebouwd met duurzame bouwmaterialen. Verder wordt klimaatadaptief gebouwd, waarbij voldoende bergingscapaciteit wordt gerealiseerd voor afvloeiend hemelwater. Concluderend Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit gewijzigde omgevingsplan.
35
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen Het omgevingsplan is opgezet volgens een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), namelijk TAM-IMRO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de techniek voor planvorming zoals gebruikt onder de Wro tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl. Het omgevingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: motivering, regels, verbeelding, waarbij de planregels en de verbeelding juridisch bindend zijn. De motivering heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. Het geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten, met daarnaast de interpretatie en toepassing van het omgevingsplan. De bijlagen bij de motivering en regels maken onlosmakelijk onderdeel uit van het omgevingsplan. De verbeelding bestaat uit een digitale kaart waarop functies en aanduidingen voor locaties zijn weergegeven. De regels bestaan uit de volgende onderdelen: •
Hoofdstuk 1: inleidende regels, met de begrippen en wijze van meten en rekenen;
•
Hoofdstuk 2: specifieke regels over functies. De functies zijn op alfabetische volgorde opgenomen. De regels bevatten een omschrijving van de functie en regels voor het bouwen, gebruik en waar nodig over milieu;
•
Hoofdstuk 3: algemene regels over functies. Dit zijn de regels die gelden voor alle functies, bijvoorbeeld algemene gebruiksregels, maar ook de aanvraagvereisten voor vergunningen;
•
Hoofdstuk 4: overgangsrecht.
5.2 Toedelen van functies aan locaties Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de in dit omgevingsplan opgenomen functies. Agrarisch (artikel @@) Deze bestemming wordt toegewezen aan de overige gronden op hetzelfde perceel buiten de horecabestemming. Horeca (artikel @@) Het erf krijgt een horeca bestemming waarbij er een maximale oppervlakte voor de bebouwing is opgenomen. Omdat de akkerbouwtak blijft bestaan, hebben een tweetal gebouwen binnen de horeca bestemming de aanduiding ‘akkerbouw’.
5.3 Aanvraagvereisten In artikel @@ zijn de aanvraagvereisten opgenomen, die van toepassing zijn op een aanvraag om omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan. Als toelichting daarop nog het volgende:
36
•
Voor een bouwactiviteit op grond van dit TAM-omgevingsplan moet het aanvraagformulier behorende bij de activiteit [Bouwactiviteit (omgevingsplan)] worden gebruikt.
•
Voor een andere vergunningplicht in dit TAM-omgevingsplan moet het aanvraagformulier behorende bij de activiteit [afwijken van regels in het omgevingsplan] worden gebruikt.
De aanvraagformulieren zijn te vinden op de website omgevingswet.overheid.nl (door daar te kiezen voor het tabblad [Aanvragen]).
5.4 Regels ter bescherming van waarden en objecten Waarde – Archeologie hoge verwachting (artikel @@) Deze functie is opgenomen voor het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Indien er ter plaatse van deze waarde werkzaamheden dieper dan 40cm en over een oppervlakte groter dan 500 m2 worden uitgevoerd, dan dient er een archeologisch onderzoek plaats te vinden. In dit artikel is ook aangegeven welke activiteiten zonder vergunning zijn toegestaan. Waarde – Archeologie lage verwachting (artikel @@) Deze functie is opgenomen voor het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Indien er ter plaatse van deze waarde werkzaamheden dieper dan 50cm en over een oppervlakte groter dan 5.000m2 worden uitgevoerd, dan dient er een archeologisch onderzoek plaats te vinden. In dit artikel is ook aangegeven welke activiteiten zonder vergunning zijn toegestaan.
5.5 Overgangsregels Overgangsrecht bouwwerken en gebruik (artikel @@) Met dit artikel is voorzien in overgangsrecht voor bouwwerken en het gebruik. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd. Ook is een regel opgenomen in geval van een calamiteit. Het gebruik van de grond, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag worden voortgezet.
37
6. UITVOERBAARHEID VAN HET PLAN 6.1. Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van de wijziging van een omgevingsplan dient onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het gaat hierbij om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Het voorliggende omgevingsplan heeft voor de gemeente Aalten geen financiële consequenties. De plannen komen volledig voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Tevens wordt er met de initiatiefnemer een nadeelcompensatieovereenkomst afgesloten.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg met de provincie Gelderland en het Waterschap Rijn en IJssel is niet noodzakelijk geacht, nu er geen sprake is van directe provinciale belangen bij dit plan. Het ontwerp-omgevingsplan wordt wel toegezonden aan zowel het waterschap als aan de provincie. De directe omgeving is geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling. Zij hebben aangegeven geen problemen te hebben met de beoogde ontwikkeling. Het ontwerpomgevingsplan wordt conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Hierbij heeft eenieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen op het ontwerpplan. Eventuele zienswijzen zullen worden voorzien van een reactie en bij de (al dan niet gewijzigde) vaststelling van het omgevingsplan worden betrokken. Uiteindelijk is het aan de gemeenteraad om het omgevingsplan vast te stellen. Na vaststelling wordt het raadsbesluit bekend gemaakt en ligt het omgevingsplan gedurende 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn hebben belanghebbenden de mogelijkheid om beroep in te dienen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een omgevingsplan treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekendgemaakt, tenzij bij het besluit een later tijdstip is bepaald (Afdeling 16.7. van de Omgevingswet).
38
Erfinpassingsplan Tammeldijk 4 Aalten
Colofon Erfinpassingsplan Tammeldijk 4 Aalten
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 15 7122RP Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852
Opdrachtgever: Theetuin Rensink
Projectnummer: 7730 Versie: 1.3 Ligging plangebied: Tammeldijk 4 Aalten Auteur: K. ten Haaff
Status: Definitief Rapportdatum: 20-11-2025
2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding............................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 4 1.2 Beschrijving van het initiatief ........................................................................................................ 4 1.3 Toetsing aan gemeentelijk beleid .................................................................................................. 5 Hoofdstuk 2 Het plangebied .................................................................................................................... 6 2.1 Situering van het plangebied ......................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied .................................................................................................... 7 2.3 Ruimtelijke kwaliteit .................................................................................................................... 10 2.4 Landschap ....................................................................................................................................
10 Hoofdstuk 3 Het ontwerp ...................................................................................................................... 14 3.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 14 3.2 Kansen voor versterking van de erfinpassing .............................................................................. 14 3.3 Het erfinrichtingsplan .................................................................................................................. 14 Hoofdstuk 4 Inrichting en beheer.......................................................................................................... 16 4.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 16 4.2 Inrichting...................................................................................................................................... 16 4.4 Beheer ......................................................................................................................................... 20
3