CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing

Oordeelvorming raad in zaal Bredevoort 24 juni 2026, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel VVGB agrarisch bedrijf Hoeninkdijk en Kloosterdijk14.041 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.2. Geluid Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet resulteert in een ontoelaatbare situatie ten aanzien van het aspect geluid. Tevens moet worden beoordeeld of de omgeving niet wordt belemmerd in haar ontwikkelingsmogelijkheden. Geluidsbelasting veroorzaakt door de gevraagde activiteiten Er wordt nu een vergunning aangevraagd voor een gering aantal minder dieren. De keuze voor andere combiwassers heeft geen gevolgen voor de voor de geluidsbelasting. Door het bedrijf wordt wederom vergunning aangevraagd voor verschillende bedrijfssituaties. De door de gehele inrichting, rundveehouderij en vleesvarkenshouderij met 14.138 vleesvarkens in combinatie met de co-vergistingsinstallatie veroorzaakte geluidsbelasting is de worstcase situatie. De gevolgen van de verschillende bedrijfssituaties zijn in kaart gebracht in het akoestisch rapport opgesteld door Adviesbureau van der Boom BV d.d. 27 januari 2025, met projectnummer 24-148. Het akoestisch rapport is toegevoegd als bijlage 16. De geluidsbelasting is vervolgens getoetst aan het geluidbeleid van de gemeente Aalten.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

24

In de beoogde opzet is er geen sprake van (eigen) dominante geluidbronnen met een onnodig hoge geluidemissie. De afzuigingen van de stallen, roerwerken e.d. leiden niet tot een overschrijding van de grenswaarden uit de vigerende vergunning. Concluderend Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.3 Natuur Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied als beschermd Natura 2000-gebied of Gelders Natuurnetwerk (GNN)/Groene ontwikkelingszone. Daarnaast is er ook soortenbescherming (flora en fauna). Vanaf 1 januari 2017 zijn zowel de Natura 2000-gebiedsbescherming als soortenbescherming geregeld in de Wet natuurbescherming. Het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone zijn geregeld in de Omgevingsverordening Gelderland. 5.3.1 Gebiedsbescherming Natura2000 Het plangebied ligt op ruim 2,3 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Korenburgerveen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van de projectlocatie weergegeven. Gelet op de aard van de activiteit is een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Dit betekent dat een stikstofberekening noodzakelijk is.

Figuur 10 locatie t.o.v. natura-2000 (bron: aerius.nl)

Stikstofparagraaf Als een (agrarisch) bedrijfsactiviteiten wil uitvoeren die nadelige gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000gebieden, is daar in veel gevallen een natuurtoestemming (in de vorm van een omgevingsvergunning voor het onderdeel “Handelen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden”) voor nodig. Deze natuurvergunning is verleend. Zie paragraaf 1.3. Ten opzichte van deze vergunde situatie, de zogenaamde referentiesituatie vinden er veranderingen plaats. De veranderingen ten opzichte van de referentiesituatie zijn:

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

25

Ten opzichte van de vergunde milieusituatie worden de volgende veranderingen doorgevoerd: • Het totaal aantal te houden vleesvarkens neemt af met 74 vleesvarkens. De beoogde opzet betreft het houden van 14.138 vleesvarkens in de bestaande stallen OF 11.532 Vleesvarkens volgens Beter leven keurmerk (oppervlakte per dier van 1 m2). De verdeling van het aantal te houden dieren per stal is gewijzigd ten opzichte van de vergunde situatie. • Wijzigen van het luchtwaspakket in stallen 2, 3, 4 en 7 van BWL 2009.12 naar BWL 2010.02 (Rav-code is en blijft D 3.2.15.4) en kleine aanpassing van de ligging van de emissiepunten; • Bij de combiwassers is een doseerinstallatie voorzien van een automatische regeling van de zuurgraad geplaatst die door middel van zwavelzuur en natronloog de zuurgraad binnen de bandbreedte houdt; • Het totaal aantal te houden melkkoeien neemt af met 14 stuks. In rundveestal 1a wordt een ander emissiearm huisvestingssysteem gerealiseerd, zijnde ‘het Cow-toilet’ BWL 20201.05 (Rav-code A 1.36). In dit gedeelte worden 70 melkkoeien gehouden. Voor de nog niet gerealiseerde gedeelte van de rundveestal 1b wordt ook ‘het Cow-toilet’ gerealiseerd. In dit gedeelte worden in de nieuwe situatie 197 melkkoeien gehouden. (het bouwdeel is al vergund is 2014 en 2015); • Het totaal aantal stuks jongvee neem toe met 13 stuks.

Ten opzichte van de vergunde situatie is er sprake van een verschuiving van het aantal dieren. • Jongveestal 8 ten behoeve van 40 stuks jongvee is gesloopt en gewijzigd herbouwd. Naast 35 stuks jongvee kunnen hierin ook werktuigen worden geplaatst; de paardenstal is verplaatst naar rundveestal 1. Het bouwdeel is bij de aanvraag gevoegd. • Het aantal iglo’s naast de ligboxenstal is uitgebreid. Hier worden maximaal 60 stuks jongvee gehouden in plaats van de ; • In stal 6 worden 53 stuks jongvee gehouden in plaats van de vergunde 81 stuks. • In ligboxenstal 1 zijn paardenstallen gerealiseerd voor het houden van drie paarden. In de vergunde situatie was er sprake van het houden van één paard in stal 8. • In jongveestal en werktuigenberging 6 wordt naast de bestaande sleufsilo ccm, 2 extra sleufsilo’s gerealiseerd voor de opslag van patatsnippers en brood. Deze bijproducten werden al elders op het bedrijf opgeslagen. • Er wordt een nieuwe loods (22) gebouwd ten behoeve van de vaste mestopslag en ten behoeve van de werktuigen ten behoeve van de mestvergisting of mestverwerking. Het bouwdeel is bij de aanvraag gevoegd. • Er zijn zonnepanelen geplaatst op de daken van de vleesvarkensstallen en de ligboxenstal aan de Hoeninkdijk en de daarbij behorende omvormers. • De stoomketel voor het hygiëniseren van mest is gewijzigd.

De aardgasgestookte stoomketel is vervangen voor een dieselgestookte stoomketel (deze stoomketel staat niet vast opgesteld).. • De bestaande paardenbak en lichtmasten en kadaverkoeling zijn verplaatst. • In nabijheid van de woning Hoeninkdijk 6 is een bedrijfsgebouw (25) gerealiseerd. Het bouwdeel is bij de aanvraag gevoegd. • De uitbouw van stal 7 is vervangen voor een overkapping voor werktuigen. • Er is een grondwal is aangelegd en diverse kleine ondergeschikte wijzigingen zijn doorgevoerd. De OF- natuurvergunning voor de co-vergistingsinstallatie, warmtekrachtkoppeling en stoomketel voor het hygiëniseren van mest OF mestverwerkingsinstallatie en stoomketel blijft ongewijzigd. Er moet worden beoordeeld inhoeverre deze veranderingen significante nadelige gevolgen hebben voor de Natura2000 gebieden. Andere effecten dan die door stikstof zijn gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden bij voorbaat uit te sluiten. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator blijkt dat er ter hoogte van kwetsbare habitattypen in Natura 2000gebieden, ten gevolge van de stikstofuitstoot door dit project, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

26

zijn. Voor de complete stikstofberekening wordt verwezen naar bijlage 13. Er is sprake van intern salderen, omdat de ammoniakdepositie niet toeneemt. Vervolgens is nog beoordeeld of er een noodzaak is om een gedeelte van de referentiesituatie als passende maatregel. In haar besluit van 27 maart 2024 heeft het bevoegd gezag naar aanleiding van het verzoek van Mobilisation for the Environment (MOB) om de vergunde referentiesituatie in te trekken bevestigd dat er geen noodzaak is om de natuurvergunning in te trekken als maatregel. Voor de volledigheid is het besluit als bijlage bij deze stikstoftoelichting gevoegd. Wij concluderen om die reden dat er geen noodzaak om een gedeelte van de referentiesituatie in te zetten als passende maatregel omdat er afdoende maatregelen worden getroffen om de binnen de invloedsfeer liggen Natura-2000 gebieden te behouden, te herstellen of verslechtering te voorkomen. De beoogde opzet is passend en zorgt niet voor nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura-2000 gebieden. De stikstofemissie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project. 5.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone Rondom het plangebied liggen gronden die tot het Gelders natuurnetwerk (GNN) en Groene ontwikkelingszone (GO) behoren.

Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van GNN (donkergroen) en GO (lichtgroen) in de omgeving van de projectlocatie weergegeven.

Figuur 11 Ligging t.o.v. GNN en GO (bron: gisviewer.odachterhoek.nl)

De locatie is niet gelegen binnen het GNN of de GO. Vanwege de ligging buiten het GNN en de GO hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de instructieregels uit de Omgevingsverordening Gelderland, die dienen ter bescherming van deze gebieden. Voor bescherming van het GNN en de GO is namelijk geen sprake van externe werking.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

27

5.3.3 Soortenbescherming De projectlocatie is geen geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Daarnaast vormt de projectlocatie ook geen geschikt functioneel leefgebied voor beschermde dieren. Dit vanwege de inrichting van de locatie en het hier gevoerde beheer. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd dier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een beschermd dier beschadigd of vernield. Verder is de agrarische functie als zodanig hier op grond van het geldende bestemmingsplan al toegestaan, zodat hierin geen aanleiding kan worden voor het uitvoeren van een QuickScan flora en fauna. Uiteraard moet wel de zorgplicht in acht worden genomen indien toch beschermde flora of fauna wordt aangetroffen. Concluderend Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.4 Luchtkwaliteit Op 15 november 2017 is de Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht gelden uitsluitend bepalingen uit deze Titel. In bijlage 5 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofdioxiden, fijnstof (PM10), lood, benzeen en koolmonoxide. Bestuursorganen moeten er bij het uitoefenen of toepassen van hun bevoegdheden, waaronder het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, voor zorgen dat deze grenswaarden niet (verder) worden overschreden. Bij veehouderijen verdient vooral het aspect fijnstof (PM10) aandacht. De volgende grenswaarden zijn van toepassing voor PM10:

Grenswaarde jaargemiddelde concentratie: max. 40 ug per m3 Toegestane overschrijdingen 24-uurs gemiddelde concentratie van 50 µg per m3: 35 keer per jaar. Ten aanzien van dit project De veehouderij wijzigt. Voor de verschillende diercategorieën gelden emissiewaarden. Deze dienen te worden gehanteerd in de berekeningen die moeten worden gemaakt met het verspreidingsmodel Geomilieu V2024.1 onderdeel ISL3a. Met het verspreidingsmodel Geomilieu V2023 onderdeel ISL3a is de belasting op objecten in de omgeving bepaald. De fijnstofberekening voor de aangevraagde situatie is toegevoegd als bijlage 15. Daaruit komt naar voren dat de concentratie PM10 maximaal 13,7 ug per m3 bedraagt. Op maximaal 6,2 dagen per jaar wordt de 24-uurs gemiddelde concentratie overschreden. Hiermee wordt dus ruimschoots voldaan aan de geldende normen voor PM10 (en daarmee automatisch ook aan de geldende normen voor PM2,5). Door Geurts Technisch Adviseurs is voor de gehele inrichting (veehouderij en co-vergistingsinstallatie) een luchtkwaliteitsonderzoek gedaan en vastgelegd in het Rapport d.d. 14 december 2010, met projectnummer 8.4885. Uit het rapport blijkt dat ruimschoots wordt voldaan normen uit de wet. Het rapport is ook als bijlage 15 toegevoegd. Concluderend Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5 Geur Een veehouderij kan geurhinder veroorzaken op woningen en andere geurgevoelige objecten in de directe omgeving van de veehouderij. De Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit milieubeheer geven standaardnormen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

28

Ten aanzien van dit project Er is gekozen voor andere combiwassers dan vergund. Echter dit leidt niet tot een toename van de geuremissie of geurbelasting. De geuremissiefactoren van de vergunde luchtwassers zijn gelijk aan de geuremissiefactoren van de nu aangevraagde luchtwassers. Wel zijn ten opzichte van de voorliggende vergunningen de geuremissiefactoren voor combiluchtwassers gewijzigd, neemt het aantal vleesvarkens af en zijn emissiepunten gewijzigd. Met V-stacks vergunning 2020 zijn de gevolgen van de wijzigingen voor de geurbelasting op de geurgevoelige objecten berekend. Zie bijlage 17 voor de geurberekening op basis van de vergunde en aangevraagde aantallen dieren. Door wijziging van de geuremissiefactoren is er op basis van de berekening met de rekenmodule V-stacks vergunning 2020 in de vergunde situatie op enkele geurgevoelige objecten, zijnde Heidedijk 6 en 8 en Heidedijk 5 en 5a en de Appartementen 1-15 in Bredevoort een geur overbelaste situatie ontstaan. Voor de aangevraagde situatie is berekend of in de beoogde opzet wordt voldaan aan de normen van de Wet geurhinder en of de overbelaste situatie niet verslechterd. Uit de berekening is gebleken dat voor de geurgevoelige objecten de geurbelasting niet verslechterd, en er geen nieuwe geur overbelaste objecten ontstaan.

Voor de geur overbelaste objecten ontstaat de volgende situatie: • Voor de Heidedijk 6 blijft de geurbelasting gelijk, zijnde 16,2 odour units per m3 lucht. 21. Voor de Heidedijk 8 is er sprake van een verbetering waardoor de geurbelasting onder de norm komt. De geurbelasting gaat van 14,2 naar 13.0 odour units per m3 lucht. 22. Voor de Heidedijk 5/5a gaat de geurbelasting van respectievelijk 22,8 en 22,6 naar 20,8 en 20,5. Kortom de situatie is vergunbaar omdat in de beoogde opzet er geen nieuwe geur overbelaste objecten ontstaan en bij de aanwezige geur overbelaste objecten er geen sprake is van een verslechtering maar juist voor de meerderheid van de objecten een aanzienlijke verbetering. Er is sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Daarnaast worden dieren gehouden waarvoor geen geuremissiefactoren gelden. Voor deze dieren gelden alleen minimaal aan te houden afstanden. Voor de dierenverblijven zelf gelden de volgende minimale afstanden tot woningen en andere geurgevoelige gebouwen: 50 meter buiten de bebouwde kom en 100 meter binnen de bebouwde kom. Voor een vaste mestopslag gelden daarnaast de volgende minimale afstanden van 50 meter tot woningen en andere geurgevoelige gebouwen: 50 meter buiten de bebouwde kom en 100 meter binnen de bebouwde kom.

In het buitengebied moet daarnaast sprake zijn van een minimale gevel-tot-gevel-afstand van 25 meter en binnen de bebouwde kom 50 meter. Met gevel-tot-gevel-afstand wordt bedoeld de afstand van de gevel van een stal tot de gevel van een woning of ander geurgevoelig gebouw. De meest nabijgelegen woning van derden (Kloosterdijk 18) bevindt zich op een afstand van circa 80 meter ten opzichte van de grens van het gewenste agrarische bouwvlak voor de locatie, zodat ruimschoots wordt voldaan aan de hierboven genoemde minimale afstanden. De Wet geurhinder en veehouderij vormt geen belemmering voor vergunningverlening. De vergunde en aangevraagde co-vergistingsinstallatie verandert niet, en de geurbelasting evenmin. De covergistingsinstallatie is al passend bevonden, zie hiervoor het bestemmingsplan 2012 en de verleende vergunningen. Concluderend Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

29

5.6 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Hoe moet worden omgegaan met risico's voor mensen in de omgeving van risicobronnen is in verschillende wet- en regelgeving opgenomen. Hierna wordt kort ingegaan op deze regelgeving.

Besluit en Regeling externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) regelen hoe de veiligheidsafstanden en het plaatsgebonden risico en het groepsrisico rond inrichtingen wordt vastgesteld.

Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Bevi. De risicoafstanden en de manier van risicoberekening staan net als bij het Bevi in een regeling (Revb).

Besluit en Regeling externe veiligheid Transportroutes Vanaf 1 juni 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking. Voor de uitwerking en toepassing van de risiconormen is zoveel mogelijk aangesloten bij Bevi en Revi.

Besluit risico's zware ongevallen Het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo) is de vertaling in Nederlandse wetgeving van de Europese Seveso III-richtlijn. Het Brzo integreert wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsveiligheid, externe veiligheid en rampbestrijding in één juridisch kader. Doelstelling is het voorkomen en beheersen van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het Brzo stelt hiertoe eisen aan de meest risicovolle bedrijven in Nederland. Een Brzo- bedrijf is ook automatisch een Bevi-bedrijf.

Vuurwerkbesluit Het Vuurwerkbesluit is van rechtswege van toepassing op inrichtingen voor het opslaan of bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik. Vanuit het Vuurwerkbesluit gelden externe veiligheidsafstanden.

Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik In deze circulaire zijn regels opgenomen voor onder andere de opslag van zwart buskruit, en ontplofbare stoffen die worden gebruikt bij slopen, seismische onderzoek. Rond iedere opslagplaats voor ontplofbare stoffen geldt een veiligheidsafstand.

Besluit ruimte Het beleid voor de externe veiligheid rond munitiecomplexen is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Besluit ruimte). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie veiligheidszones rondom die complexen, waarbinnen voor activiteiten of objecten bepaalde beperkingen gelden.

Activiteitenbesluit Het Activiteitenbesluit schrijft voor bepaalde typen opslagen en installaties externe veiligheidsafstanden voor. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om gasdrukmeet- en – regelinstallaties, propaantanks (met een inhoud van maximaal 13 m3) en vuurwerk (tot 10.000 kilogram consumentenvuurwerk). Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations) en vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

30

Ten aanzien van dit project Uit de Risicokaart (zie onderstaande figuur) is gebleken dat op korte afstand van de projectlocatie geen risicobronnen aanwezig zijn. Bovendien is geen sprake van een wijziging in de op grond van het bestemmingsplan al toegestane functies en gebouwen op deze locatie.

Figuur 13: kaartuitsnede risicokaart.nl (projectlocatie bij blauw rondje)

Concluderend Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.7 Water Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. In het waterbeheerplan 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel laat het waterschap zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten zij in de samenwerking met haar partners willen leggen. Het waterbeheerprogramma in het kort: • Beheren en onderhouden het grondwater en het water in beken, sloten en riviertjes. De zorg voor schoon water en zuiveren rioolwater. Controleren of iedereen zich aan de regels houdt. Gebiedsinrichting zo uitvoeren dat het beter tegen de klimaatverandering kan. • Kijken naar omgeving en hoe deze het beste kan worden ingericht. Uitgaande van dat het gebied beter kan tegen te nat maar ook tegen te droog weer. Hulp aanbieden zodat inwoners, bedrijven en andere overheden beter kunnen omgaan met de gevolgen van extreem weer. • Zorgen voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dijken worden zo onderhouden dat er ruimte is voor meer verschillende soorten planten en dieren. • In 2025 wekt het Waterschap alle energie die ze gebruiken zelf op. Ze gebruiken en verspillen zo min mogelijk grondstoffen en stoten veel minder broeikasgassen uit.

Hiervoor worden sommige werkwijzen aangepast en wordt gebruik gemaakt van steeds meer nieuwe technieken. • Zorgen voor schoon water in beken en sloten, voor mensen en voor dieren en planten. Het rioolwater wordt steeds schoner gemaakt. Sommige plekken worden geschikt gemaakt voor bijzondere planten en dieren. De andere wateren mogen in ieder geval niet viezer worden.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

31

Het Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. De intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als er op een categorie 2 vraag een ‘ja’ is geantwoord, is een uitbreide watertoets noodzakelijk. Als er alleen met ‘nee’ is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden. Navolgend is de watertoetstabel opgenomen. De relevante waterthema’s voor de ontwikkeling worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven (wanneer de toets vraag met ‘ja’ is beantwoord). Thema

Toetsvraag

Veiligheid

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (Primaire waterkering, regionale waterkering of kader) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m³/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m²? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m²? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage? 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2.

Bevinden zich, of komen er functies, in of bij het plangebied die milieu hygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen? (Zwemmen, spelen, tuinen aan water) 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEH of SED-water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Riolering Afvalwaterketen

Wateroverlast (oppervlaktewater)

Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwateroverlast

Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer

Volksgezondheid

Natte natuur

Verdroging Recreatie Cultuurhistorie

en

Relevant

Intensiteit

Nee

2

Nee Nee Nee

2 2 1

Nee Nee

1 2

Nee

1

Nee

1

Nee

1

Nee Nee Nee

1 1 1

Nee Nee

1 1

Ja

1

Nee Nee

1 2

Nee

1

Nee Nee Nee Nee Nee Nee

1 2 2 1 1 1

Nee Nee

2 1

Het huishoudelijk afvalwater van de woningen wordt geloosd op de gemeentelijke riolering dan wel via septic tanks in putten.. Afvalwater afkomstig van de reiniging van de melkinstallatie wordt zoveel mogelijk hergebruikt en vervolgens geloosd op de mestkelder en uitgereden als drijfmest. Dit geldt ook voor het afvalwater van de

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

32

spoelplaats. Reinigingswater van de stallen wordt opgeslagen in de drijfmestkelders en ook met de mest uitgereden. Resteert nog het hemelwater afkomstig van de stallen, en het erf. In overleg met het Waterschap is een plan van aanpak opgesteld waarin is vastgelegd hoe wordt omgegaan met het hemelwater afkomstig van de stallen en van het schone erf, en hemelwater afkomstig van de erfverharding die vervuild kan raken door voerresten. Allereerst wordt goodhousekeeping toegepast, of te wel wordt ervoor gezorgd dat het erf bezemschoon is, zodat wordt voorkomen dat voerresten en restanten van bijproducten ter afstroming in de bodem en grondwater kunnen geraken. Mocht er toch afvalwater afspoelen, dan wordt dit water ter zuivering geleid naar de agrowadi. Als bijlage 18 is een memo toegevoegd met berekening waarin de hoeveelheid hemelwater afkomstig van de daken en erf is berekend, en vervolgens is bepaald welke maatregelen getroffen moeten worden om de agrowadi goed werkend te krijgen. Tevens is een situatietekening bijgevoegd van de agrowadi. De volgende stappen worden ondernomen: • Het merendeel van het hemelwater van de daken wordt afgekoppeld en na de eind dam van de agrowadi ingebracht in de sloot; • Het hemelwater van gebouwen 9, 13, 14, 16 en 17 (zie berekening) wordt ter plekke in de bodem geïnfiltreerd; • De agrowadi wordt opnieuw ingericht.

Naar de agrowadi wordt het erfafspoelingswater geleid. Dit is in totaal 895,4 m3. De opvangcapaciteit is met 1.444 m3 ruimschoots toereikend; • In de agrowadi worden drie drempels (gewapende betonwanden) aangebracht waardoor de agrowadi is opgedeeld in vier trapsgewijs aangesloten bassins, waardoor er verschillende zuiveringsstappen worden gerealiseerd. Om de zuivering van het water per bassin te bevorderen wordt aan de westzijde van de agrowadi over de volledige lengte riet aangebracht; • Aan het eind van de agrowadi is een afgesloten dam aangelegd die is voorzien van waterkerende folie en die is verdicht met leem, zodat wordt voorkomen dat deze water doorlaat naar het oppervlaktewater; • De noodoverloop in de dam is afsluitbaar bij calamiteiten. Door de agrowadi wordt voorkomen dat eventueel de bodem en/of het oppervlaktewater wordt verontreinigd door evt. vervuild erfafspoelingswater. Concluderend Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.8 Verkeer en parkeren Qua verkeersbewegingen heeft de ontwikkeling weinig impact doordat de bedrijfssituatie niet wijzigt. In vergelijking met de voorliggende milieu vergunde situatie is er in de beoogde situatie sprake van een minder groot veebestand waardoor de verkeersbewegingen nagenoeg gelijk blijven, of zelfs sprake zal zijn van minder verkeersbewegingen. Daarnaast blijven de verkeerroutes zowel intern als extern nagenoeg gelijk. Ook de parkeerruimte en -behoefte blijft gelijk met de vergunde situatie. Concluderend Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.9 Kabels en leidingen Binnen het projectgebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Met een zogenaamde klicmelding krijgt initiatiefnemer alle kabel- en leidinginformatie, zodat graafschade en gevaarlijke situaties worden voorkomen.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

33

Concluderend Eventuele kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.10 Milieueffectrapportage Het bestemmingsplan, waarin ruimtelijke belangen worden geborgd, is het resultaat van een integrale ruimtelijke afweging. In deze integrale afweging worden ook alle milieuonderwerpen meegewogen, los van de wettelijke verplichtingen van de milieueffectrapportage. Welke milieuonderwerpen vanuit een duurzame ruimtelijke ordening voor een plangebied van belang zijn, moet per plan in beeld worden gebracht. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied en de opgave en eventuele wettelijke eisen. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

a. Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. 1.

Op

basis

van

Besluit

milieueffectrapportage

(bestemmingsplan

in

kolom

3);

Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). 2.

Op

basis

van

Besluit

milieueffectrapportage

(bestemmingsplan

in

kolom

4);

Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). Ten aanzien van dit project Er is sprake van het oprichten van een installatie voor het houden van dieren in de zin van categorie 14 van het Besluit milieueffectrapportage en het oprichten van een installatie als bedoeld in de zin categorie 18. Zoals blijkt uit onderdeel C van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage is er voor de aangevraagde veranderingen geen sprake van een directe mer-plicht omdat de drempelwaarden niet worden overschreden. De aangevraagde situatie komt nagenoeg overeen met vergunde situatie. In de voorbereiding van de vergunde situatie heeft voor de verschillende vergunde activiteiten een beoordeling plaatsgevonden of er een milieueffectrapport moest worden opgesteld, dan wel is er een milieueffectrapport opgesteld als dit benodigd was. Op 1 september 2017 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Sindsdien zijn in de bijlage drempelwaarden voor het houden van melkkoeien opgenomen onder categorie 14.1. Op het moment van besluitvorming op de vergunning gold voor het houden van melkkoeien nog geen m.e.r.-beoordelingsplicht.

In de vergunde situatie is onder andere een uitbreiding van de ligboxenstal vergund voor het houden van 281 melkkoeien (uitbreiding met gebouw 1 a en 1b). Het achterste deel van de rundveestal stal 1b is nog niet opgericht. In deze stal 1b worden in de beoogde opzet 198 melkkoeien gehouden op het emissiearm huisvestingsysteem BW 2021.05, zijnde een ligboxenstal met urine-opvangstations. Daarnaast wordt in stal 1a een ander emissiearm huisvestingssysteem toegepast. In stal 1a voor het houden van 70 melkkoeien wordt ook gebruik gemaakt van het huisvestingssysteem BWL 2021.05. Er is dus in de zin van het Besluit milieueffectrapportage sprake van het oprichten van een installatie voor meer dan 200 melkkoeien waardoor deze activiteit alsnog onder de m.e.r beoordelingsplicht op grond van categorie D 14.1 onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage valt. Bij de aanvraag is om die reden een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling gevoegd. Uit de m.e.r. beoordeling lijkt dat er geen zodanige negatieve effecten optreden dat hiermee sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, die aanleiding gegeven tot het opstellen van een milieueffectrapport Concluderend De m.e.r. beoordeling vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

34

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

35

6. CONCLUSIE In deze ruimtelijke onderbouwing is het voornemen beschreven om de strijdigheden met het bestemmingsplan thans omgevingsplan op te heffen. Beoordeeld is in hoeverre het project zich verhoudt met de geldende wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling passend is binnen het geldende ruimtelijke beleid en er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn. Het project voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Hiermee is het afwijken van de bestemmingsplan regels toelaatbaar.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=5e2f0d82-e818-4f52-a441-02ca90222ff9