CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing

Oordeelvorming raad in zaal Bredevoort 24 juni 2026, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel VVGB agrarisch bedrijf Hoeninkdijk en Kloosterdijk14.041 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing HOENINKDIJK 6, 6A EN 8 EN KLOOSTERDIJK 13 IN AALTEN

Opdracht Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6,6a en 8 en Kloosterdijk 13 in Aalten 27 Januari 2025, aangevuld 19 juni 2025, 5 maart 2026 Opdrachtgever Henk Meerdink & Zonen B.V. Hoeninkdijk 8 7121 LN Aalten Opdrachtnemer Locis Adviseurs Groten Bos 3 7131 NW Lichtenvoorde

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze opgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Locis Adviseurs. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend, Locis Adviseurs, verwerpt elke aansprakelijkheid voor aan ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor hij wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan veranderd worden zonder voorafgaande kennisgeving.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

1

INHOUDSOPGAVE 1

Inleiding .......................................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding .......................................................................................................................................................... 4 1.2 Projectgebied .................................................................................................................................................... 4 1.3 Geldende toestemmingen en planologische regeling .............................................................................. 5 1.4 Leeswijzer ........................................................................................................................................................ 11

2 3 4

beoogde opzet ............................................................................................................................................................. 12 aangevraagde situatie ............................................................................................................................................... 14 ruimtelijk beleid.......................................................................................................................................................... 15 4.1 Inleiding ............................................................................................................................................................ 15 4.2 Strijdigheden ruimtelijk aanvaardbaar .................................................................................................... 15

5

Omgevingsaspecten ................................................................................................................................................... 23 5.1. Bodem .............................................................................................................................................................. 23 5.2. Geluid ............................................................................................................................................................... 24 5.3 Natuur ............................................................................................................................................................... 25 5.3.1 Gebiedsbescherming Natura2000 ............................................................................................ 25 5.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone .................... 27 5.3.3 Soortenbescherming .................................................................................................................. 28 5.4 Luchtkwaliteit ..................................................................................................................................................

28 5.5 Geur ................................................................................................................................................................... 28 5.6 Externe veiligheid ........................................................................................................................................... 30 5.7 Water ................................................................................................................................................................. 31 5.8 Verkeer en parkeren ..................................................................................................................................... 33 5.9 Kabels en leidingen ........................................................................................................................................ 33 5.10 Milieueffectrapportage ............................................................................................................................... 34

6.

Conclusie ...................................................................................................................................................................... 36 Bijlagen 1.

Omgevingsvergunning veehouderij met co-vergisting d.d.15 juli 2011

2.

Bestemmingsplan Buitengebied partiële herziening 2012

3.

Omgevingsvergunning veehouderij met co-vergisting OF mestverwerking d.d. 5 december 2014

4.

Omgevingsvergunning verandering silo’s d.d. 31 juli 2017

5.

Wnb- vergunning veehouderij en co-vergisting d.d.10 maart 2014

6.

Wnb-vergunning wijziging luchtwassers d.d. 15 december 2014

7.

Wnb-vergunning veehouderij met co-vergisting OF mestverwerking d.d. 22 januari 2016

8.

Milieutekeningen

9.

Situatietekening gewenst

10. Erfinpassingsplan 11. Beschrijving co-vergisting en mestwerkingsinstallatie.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

2

12. Detailtekeningen C0-vergistingsinstallatie vergistingssilo’s 13. Stikstoftoelichting 14. Bouw- en situatietekening bijgebouw/bedrijfsgebouw 15. Fijnstof berekening en totaal rapport fijnstof 16. Akoestisch rapport 17. Geurberekeningen 18. Memo afvalwater met bijlagen 19. Besluit omgevingsvergunning grondwal d.d. 27oktober 2025 20. Totaal bouwtekeningen

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

3

1

INLEIDING

1.1 Aanleiding Aan de Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 is het agrarisch bedrijf van aanvrager gelegen. Voor het agrarisch bedrijf is een vergunning verleend voor de volgende hoofdactiviteiten: 1.

Het oprichten en in werking hebben een rundvee- en vleesvarkensbedrijf

2.

Het oprichten en in werking hebben van een co-vergistingsinstallatie met warmtekrachtkoppeling (WKK) OF Het oprichten en in werking hebben van een mestverwerkingsinstallatie

Ten opzichte van de vergunde situatie heeft een aantal veranderingen plaatsgevonden. Een gedeelte van de veranderingen is strijdig met het bestemmingsplan thans omgevingsplan. Om die reden is naast de op 29 juni 2021 ingediende aanvraag omgevingsvergunning voor de onderdelen milieu, handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden en bouwen, ook het onderdeel afwijken van het bestemmingsplan nodig en aangevraagd. Ter onderbouwing van het onderdeel afwijken van het bestemmingsplan is deze notitie opgesteld. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de aanvraag omgevingsvergunning voor het onderdeel handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden is omgezet in een separate aanvraag voor het natuurdeel. Dit deel is hiermee losgekoppeld van deze procedure. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft het recht zoals dat gold voor in werking zijn van de Omgevingswet van toepassing op aanvragen die zijn ingediend voor 1 januari 2024 totdat het besluit onherroepelijk is. Aangezien de aanvraag is ingediend op 29 juni 2021 is de Wabo van toepassing op de aanvraag.

1.2 Projectgebied De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Aalten. Het project is gelegen op de percelen kadastraal bekend gemeente Aalten, sectie O, nummers 1318,1319, 1320, 1401, 1416 en 1417. Hieronder treft u een luchtfoto van de gerealiseerde situatie.

Figuur 1 luchtfoto projectgebied

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

4

1.3 Geldende toestemmingen en planologische regeling Planologische regeling en geldende omgevingsvergunningen In 2011 is er een bestemmingsplan Buitengebied Aalten, Hoeninkdijk 6-8 en Kloosterdijk 13 vastgesteld die het mogelijk maakte om naast de veehouderij een mestvergistingsinstallatie (co-vergistingsinstallatie, warmtekrachtkoppeling en stoomketel) te realiseren en te gebruiken en om extra sleufsilo’s op het achtererf te realiseren en te gebruiken. Op 15 juli 2011 is voor deze activiteiten een omgevingsvergunning onderdeel milieu, zijnde een revisievergunning verleend. Deze vergunning is opgenomen als bijlage 1. Zie onderstaande uitsnede van de situatietekening behorende bij deze vergunning. De mest (vergistings) silo’s zijn destijds gesitueerd in het verlengde van de vleesvarkensschuur 4.

Figuur 2: uitsnede uit bij de vergunning van 15 juli 2011 behorende situatietekening

Op 16 april 2013 is door de gemeenteraad het bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening 2012 vastgesteld. In dit bestemmingsplan is de mogelijkheid opgenomen om binnen het bestemmingsvlak met aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – co-vergisting’ door middel van een afwijken van de gebruiksregels andere vormen van bewerking en/of verwerking van mest toe te staan. Dit plan is toegevoegd als bijlage 2. Op 18 april 2014 is een omgevingsvergunning verleend voor het onderdeel bouwen en milieu voor het uitbreiden van de bestaande melkrundveestallen.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

5

Op 5 december 2014 is er een omgevingsvergunning verleend voor het onderdeel milieu en afwijken van het bestemmingsplan. Er is voor deze afwijking gebruik gemaakt van artikel 6.6.3 van het bestemmingsplan (Buitengebied, partiële herziening 2012). De omgevingsvergunning is verleend voor OF het in werking hebben van een mestverwerkingsinstallatie OF het in werking hebben van de CO-vergisting installatie. Om dit mogelijk te maken is vergunning verleend voor de verplaatsing van de eerste mestsilo en mestvergistingsinstallatie verder naar achteren op het erf (bekeken vanaf de Hoeninkdijk). En is op de oorspronkelijke plek van de eerste mestsilo, een mestloods aangevraagd en gerealiseerd waarin een mestscheidingsinstallatie is geplaatst en de gescheiden vaste mest wordt bewaard. De bouw van de mestloods was destijds vergunningsvrij voor het onderdeel bouwen omdat de hoogte lager is dan 5 meter en de loods binnen het bouwvlak is gelegen in het achtererfgebied. De sleufsilo’s zijn ongewijzigd vergund. Zie onderstaande uitsnede van de situatietekening. Deze vergunning is bijgevoegd als bijlage 3.

Figuur 3: uitsnede uit de bij de vergunning van 15 december 2014 behorende situatietekening

Op 2 april 2015 is een omgevingsvergunning bouwen en milieuneutraal veranderen van onder andere de kap van de vergunde rundveestal verleend. Op 31 juli 2017 is onder andere een omgevingsvergunning verleend om de grote mestsilo (inhoud 4.239 m3), zoals vergund was in 2014 te verplaatsen naar de plek naast de mestverwerkingsloods. Op de oorspronkelijke plek van de grote mestsilo is toestemming verleend om hier een kleinere mest(vergistings)silo (inhoud 1884 m3) te plaatsen. De silo komt qua grootte en inhoud overeen met de al geplaatste silo. Deze laatste silo is nog niet volledig gerealiseerd. Op dit moment is van deze silo alleen de betonvloer gerealiseerd. Zie figuur 3 met uitsnede van de

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

6

luchtfoto van de gerealiseerde situatie. De mestverwerkingsloods en daarachter gelegen silo’s zijn gerealiseerd in het verlengde van vleesvarkensschuur 4 (zoals oorspronkelijk is vergund). In deze procedure is beoordeeld of er nog andere onlosmakelijke activiteiten moesten worden aangevraagd. Er is destijds beoordeeld dat de mestsilo’s, opslagen voor mestverwerking en de kuilvoeropslagen volgens het Besluit omgevingsrecht zijn gesitueerd binnen het bebouwingsvlak. En dat deze vergunningsvrij voor het onderdeel bouwen zijn, omdat het bouwwerken voor de agrarische bedrijfsvoering zijnde silo’s en andere bouwwerken niet hoger dan 2 meter volgens bijlage II, artikel 3 lid 6 van het Besluit omgevingsrecht. Er is geconcludeerd dat er geen stelsels aanhaken zijn. Deze vergunning is bijgevoegd als bijlage 4. De mestloods en 1 mest (vergistings)silo (inhoud 1884 m3) zijn gerealiseerd zoals vergund in 2014. Zie figuur 4.

Figuur 4: luchtfoto gerealiseerde en bestaande situatie met ligging mestverwerkingsloods en mest(vergisting)silo’s

Overzicht milieutoestemmingen. Voor het bedrijf zijn diverse vergunningen verleend. Het betreft de volgende vergunningen: • 15 juli 2011: een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het rundvee- en vleesvarkensbedrijf met mestvergistingsinstallatie (co-vergistingsinstallatie, warmtekrachtkoppeling en een stoomketel) • 18 april 2014: een veranderingsvergunning op grond van de Wabo voor de uitbreiding van de melkrundveestallen van de inrichting • 5 december 2014: Een omgevingsvergunning op grond van de Wabo voor het milieuneutraal wijzigen van de inrichting (OF vergunning voor mestvergistingsinstallatie OF mestverwerkingsinstallatie) • 2 april 2015: een omgevingsvergunning op grond van de Wabo voor het milieuneutraal wijzigen van de inrichting (wijzigen van de ligboxenstal) • 31 juli 2017: Veranderingsvergunning op grond van de Wabo voor de volgende veranderingen: o Om bouw van de luchtwassers op stallen 2, 3, 4 en 7 van een chemische luchtwasser naar de gecombineerde luchtwasser BWL 2009.12;

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

7

o o

Gewijzigde luchtuitlaten van de luchtwassers qua afmeting; Ander situering van de voeropslagen, de opslagen voor co-producten voor de mestverwerking en de silo’s voor co-vergisting en mest- of digestaat opslag.

Het vergunde aantal dieren betreft: Stal

Aantal

Categorie

RAV

NH3/dier

1

2

14 281 219 3156

Vr jongvee Melkkoeien Melkkoeien Vleesvarkens

3

1682

Vleesvarkens

4

1910

Vleesvarkens

5

7136

Vleesvarkens

6 7

81 328

Vr jongvee Vleesvarkens

8

40 1 10 15

Vr jongvee Paard Damherten* Pauwen**

A3.100 A1.15 (BWL 2010.36) A1.100 D3.2.15.4 (BWL 2009.12) D3.2.15.4 (BWL 2009.12) D3.2.15.4 (BWL 2009.12) D3.2.15.4/D3.2.7.2.2 (BWL 2010.10 en 2009.12) A3.100 D3.2.15.4 (BWL 2009.12) A3.100 K1.100 ---

9

Geur/dier

4,400 10,300 13,000 0,450

NH3 totaal 61,60 2.894,30 2.847,00 1.420,20

Fijnstof/dier

12,7

Geur totaal 40.081,2

38 148 148 31

Fijnstof totaal 532,0 41.588,0 32.412,0 97.836,0

0,450

756,90

12,7

21.361,4

31

52.142,0

0,450

859,50

12,7

24.257,0

31

59.210,0

0,285

2.033,76

9,8

69.932,8

31

221.216,0

4,400 0,450

356,40 147,60

12,7

4.165,6

38 31

3078 10.168,0

4,400 5,000 1,900 0,590

176,00 5,00 19,00 8,900 11.586,16

-

159.798,0

38 -

1.520,0 519.702,0

Totaal

* Voor damherten is de emissiefactor van een geit C1.100 aangehouden ** Voor pauwen is de emissiefactor van een kalkoen F3.100 aangehouden

Overzicht natuurtoestemmingen Voor het bedrijf zijnde volgende Wnb-vergunningen verleend: • 10 maart 2014: Vergunning voor het houden van melk- en kalfkoeien, vrouwelijk jongvee, vleesvarkens, paarden, pauwen en damherten; Daarnaast voor mestvergistingsinstallatie (co-vergistingsinstallatie, warmtekrachtkoppeling en een stoomketel). Deze vergunning is bijgevoegd als bijlage 5 • 15 december 2014: Gewijzigde vergunning voor wijzigen van luchtwassysteem van chemisch naar combi-luchtwasser voor de stallen 2, 3 4 en 7.Deze vergunning is bijgevoegd als bijlage 6. • 22 januari 2016: Het in werking hebben van een co-vergistingsinstallatie, warmtekrachtkoppeling en een stoomketel (vergund 10-03-2014 samen met de dieren) OF in plaats hiervan mestverwerkingsinstallatie. Deze vergunning is bijgevoegd als bijlage 7. De vergunde dierenaantallen en soorten komen grotendeels overeen met de vergunde dierenaantallen in de omgevingsvergunning milieu. Er is echter 1 verschil ten opzichte van deze vergunning. Stal 5 voor 7136 vleesvarkens is in 2014 vergund met mestkelder met water en mestkanaal (BWL 2010.10 V3) + combiwasser BWL 2010.02 V6 ipv combiwasser BWL 2009.12. Echter dit heeft geen gevolgen voor de ammoniakemissie. Beide combiwassers hebben dezelfde ammoniakemissiefactor. Stal 1

2

Aantal 14 281 219 3156

Categorie Vr jongvee Melkkoeien Melkkoeien Vleesvarkens

RAV A3.100 A1.15 A1.100 D3.2.15.4 (BWL 2009.12)

NH3/dier 4,400 10,300 13,000 0,450

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

NH3 totaal 61,60 2.894,30 2.847,00 1.420,20

8

3 4 5

1682 1910 7136

Vleesvarkens Vleesvarkens Vleesvarkens

6 7 8

81 328 40 1 10 15

Vr jongvee Vleesvarkens Vr jongvee Paard Damherten* Pauwen**

9

D3.2.15.4 (BWL 2009.12) D3.2.15.4 (BWL 2009.12) D3.2.15.4/D3.2.7.2.2 (BWL 2010.10 en 2010.02) A3.100 D3.2.15.4 (BWL 2009.12) A3.100 K1.100 ---

0,450 0,450 0,285

756,90 859,50 2.033,76

4,400 0,450 4,400 5,000 1,900 0,590

356,40 147,60 176,00 5,00 19,00 8,900 11.586,16

Totaal

* Voor damherten is de emissiefactor van een geit C1.100 aangehouden ** Voor pauwen is de emissiefactor van een kalkoen F3.100 aangehouden

Verder komt de Wnb-vergunning voor de veehouderij, co-vergistingsinstallatie, warmtekrachtkoppeling en stoomketel OF mestverwerkingsinstallatie en stoomketel 1 op 1 overéén met de omgevingsvergunningen milieu.

Huidige Planologische regelingen Het perceel aan de Hoeninkdijk 6, 8 en 8a en Kloosterdijk 13 in Aalten is gelegen in het bestemmingsplan “Landelijk gebied 2015” en heeft hierin de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ en dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie hoge verwachting’. Tevens heeft het perceel een bouwvlak met voor de veehouderij de functie aanduiding ‘intensieve veehouderij’ en voor de co-vergisting de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – co-vergisting’. Zie figuur 5, met uitsnede van ruimtelijke plannen.

Figuur 5: Uitsnede Ruimtelijke plannen.

Het vlak met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - Co-vergisting’ is gelegen binnen het vlak met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij. Zie onderstaand figuur 6:

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

9

Figuur 6: uitsnede ruimtelijke plannen met functie aanduiding intensieve veehouderij.

In artikel 1 van de planregels is een intensieve veehouderij als volgt gedefinieerd:

Op grond van artikel 4, lid 4.1.1. van de planregels zijn de gronden bestemd voor een niet grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Binnen het vlak met functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – covergisting’ is op basis van artikel 4.4.7b niet toegestaan om er dierenverblijven voor de intensieve veehouderij op te richten. Uit het samenspel van artikel 1.59 en 4.4.7.b volgt dat binnen de functieaanduiding ‘specifieke vorm van covergisting’ alleen het houden van dieren in dierverblijven wordt uitgesloten, en dat de verwerking en opslag van de door de dieren geproduceerde mest, en opslag van voer en andere agrarische activiteiten ten behoeve van de intensieve veehouderij wel zijn toegestaan. Dit heeft de Raad destijds expliciet bepaald en is ook als zodanig vergund. In de toelichting van het bestemmingsplan (pagina 35) is opgenomen dat “op grond van dit bestemmingsplan de intensieve tak van het bedrijf niet verder kan uitbreiden (met uitzondering van een groei van 10 % als dit noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan wettelijke eisen ten aanzien van dieren welzijn en/of veterinaire gezondheid). Om dit nog verder te verduidelijken heeft het gedeelte van het bouwvlak de functie aanduiding ‘specifieke vorm van agrarische – co-vergisting’ (en met afwijking van gebruiksregels mestverwerking en -bewerking).

De vergunde mestverwerkingsinstallatie en loods (nr 18 met aanduiding werktuigenberging op milieutekening die als bijlage 1 bij deze toelichting is gevoegd) zijn grotendeels gelegen binnen de functie aanduiding co-vergisting en zijn door middel van een eerdere afwijkingsbevoegdheid met een omgevingsvergunning in 2014 vergund nadat is aangetoond dat aan de voorwaarden is voldaan. De vergunde mestverwerkingsloods (18) is bij recht toegestaan, maar is door een meetfout bij de oprichting helaas voor een klein gedeelte gelegen buiten het bouwvlak en de functie aanduiding co-vergisting. Daarnaast zijn de nieuw te bouwen werktuigenloods (22) met inpandige vaste mestopslag bij recht toegestaan. In deze werktuigenloods wordt alleen vaste mest opgeslagen en daarnaast worden hier tractoren en werktuigen geplaatst die gebruikt worden voor het inkuilen en de voeding van de covergistingsinstallatie met co-producten. Als cosubstraat wordt zoals in de beschrijving van de vergunde en aangevraagde co-vergistingsinstallatie is aangegeven gebruik gemaakt van CCM en maissilage. Deze vaste stoffen worden in (afgedekte) sleufsilo’s opgeslagen. Dit is zowel in de vergunde als aangevraagde situatie. Het co-vergisten van maximaal 36.000 ton mest en/of cosubstraten per jaar en de WKK zijn ook bij recht toegestaan en zijn als zodanig vergund.

Evenals de input van bedrijfseigen mest van een andere locatie in combinatie met cosubstraten zolang het maximaal 20 % van de totale jaarlijkse hoeveelheid bedraagt. Voor dit alles is zoals hiervoor reeds is aangegeven een vergunning verleend. De uitvoering van de nog op te richten installaties en het gebruik van deze installaties veranderen niet ten opzichte van de toegestane situatie.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

10

1.4 Leeswijzer In deze ruimtelijke onderbouwing worden de ruimtelijke consequenties van het project op de omgeving beschreven. Alle relevante deelaspecten worden behandeld. In dit hoofdstuk is een eerste algemene indruk van het plangebied geschetst en is de aanleiding voor het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing beschreven. In hoofdstuk 2 wordt de gewenste situatie beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de aangevraagde ontwikkeling. Hoofdstuk 4 behandelt de relevante omgevings- en milieuaspecten. Het laatste hoofdstuk is gewijd aan de afweging ten aanzien van het initiatief en de uiteindelijke conclusie.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

11

2

BEOOGDE OPZET

Het bevoegd gezag heeft aangegeven dat het aangevraagde project op de volgende punten in strijd is met het bestemmingsplan. De hierna genoemde nummers van bouwwerken zijn genoemd op de plattegrondtekeningen van de aangevraagde situatie. 1.

Het overschrijden van het bouwvlak en het vlak met functieaanduiding ‘agrarisch – co-vergisting’ door de mest(vergisting)silo’s met nummer 20 en 21 is in strijd met artikel 4.2.4 en 4.4.7 van het bestemmingsplan.

2.

De grootste silo met spankap aangeduid met nummer 19, heeft een hoogte van 8,72 meter, in plaats van de toegestane 8,00 meter. Dit is in strijd met artikel 4.2.4 van het bestemmingsplan.

3.

Het oorspronkelijke voor mest verwerking in gebruik zijnde gebouw, dat nu in gebruik is als werktuigenberging met vaste mestopslag met nummer 18 is in strijd met artikel 4.1.1. , 4.2.1 en/of artikel 4.4.7.

4.

De werktuigenberging waarin de opslag van mest met nummer 22 is in strijd met artikel 4.1.1, 4.2.1 en/of artikel 4.4.7.

5.

De gerealiseerde veldschuur, op plattegrondtekening aangeduid met nummer 8, heeft een dakhelling van 16 ˚, waar het bestemmingsplan een dakhelling van minimaal 20 ˚ voorschrijft. Dit levert strijdigheid op met artikel 4.2.1 aanhef en onder c van het bestemmingsplan.

6.

Het project is strijdig met artikel 4.1.1. onder 2 van het bestemmingsplan omdat de silo’s buiten de gronden van met de functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch – co -vergisting” zijn gelegen

7.

Het project is strijdig met artikel 4.4.7 sub a van het bestemmingsplan, omdat de aanvraag ziet op een co-vergistingsinstallatie waarbij de capaciteit ziet op meer dan de maximaal toegestane hoeveelheid cosubstraten en aandeel van niet ter plaatse geproduceerde mest bedraagt. En tevens omdat de silo’s worden gebruikt voor de opslag van mest.

8.

Het gebruik van de sleufsilo’s gelegen binnen het gebied met functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch – co-vergisting” worden ook gebruikt als voeropslag naast het gebruik ten behoeve van vaste cosubstraten. Dit gebruik is strijdig met artikel 4.4.7 sub b.

9.

De warmtekrachtkoppeling (WKK-installatie) is in strijd met artikel 4.4.5 van het bestemmingsplan omdat hierin expliciet is bepaald dat een WKK-installatie) niet is toegestaan.

10. Het aangevraagde project leidt tot strijdigheid met artikel 4.4.2 van het bestemmingsplan, zijnde het stikstofartikel. Er is sprake van strijdigheid omdat de feitelijke situatie op datum van vaststelling van het bestemmingsplan niet overeen komt met de gewenste beoogde situatie. 11. Het aangevraagde bijgebouw welke ook mede in gebruik is als bedrijfsgebouw met nummer 25 bij de woning Hoeninkdijk 6 ligt deels buiten het bouwvlak hetgeen een strijdigheid oplevert met artikel 4.2.3. onder a en 4.1.1. onder c. Verder heeft het gebouw een goothoogte van 3,5 meter in plaats van de in arikel 4.2.3 onder sub d toegestane hoogte van 3,0 meter. En ligt het bijgebouw niet minimaal 1 meter achter de voorgevel an de woning hetgeen in strijd is met artikel 4.2.3 onder sub f. 12. De paardenbak, lichtmasten, de omvormers, kadaverkoeling/opslag en het plein voor kalveren iglo’s ten zuiden van de woning Hoeninkdijk 8, en de meest oostelijk gelegen sleufsilo achter de ligboxenstal zijn(gedeeltelijk) buiten het bouwvlak gerealiseerd en ligt buiten het gebied met de aanduiding intensieve veehouderij” hetgeen strijdig is met artikel 4.1.1. onder sub c .

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

12

13. De luchtwassers van stal 5 worden verplaatst naar achter stal 5. De bedrijfsweg achter deze stal komt hierdoor buiten het bouwvlak te liggen en buiten het gebied met de aanduiding “intensieve veehouderij” hetgeen strijdig is met artikel 4.1.1. onder sub c. Daarnaast heeft de verlegde bedrijfsweg gevolgen voor het gevolgen voor het erfinpassingsplan. 14. Het erfinrichtingsplan is op vorenstaande punt 13 aangepast. In dit erfinrichtingsplan is een grondwal opgenomen die zorg voor afschermende werking voor de wind en zicht. Voor de aanleg van de grond is op 27 oktober 2025 een omgevingsvergunning verleend. Deze vergunning is bijgevoegd als bijlage 19 15. Achter stal 5 en 8 worden nieuwe luchtwassers geplaatst in strijd met artikel 4.2.1 onder c aangezien de hoogte meer dan 4 meter is en het gebouw een afwijkende dakhelling heeft. 16. Er staan verschillende bouwwerken ingetekend buiten het bouwvlak, of te wel buiten de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Het geen strijdig is met artikel 4.2.4 dan wel 4.2.1. Het betreft twee septic tanks, een pompput een kippenhok (27), een nachtverblijf voor dieren (9), een ondergrondse kadaverkoeling (88) en omvormers ten behoeve van zonnepanelen (99).

Deze strijdigheden wenst initiatiefnemer te legaliseren met een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan door het gebruik te maken van de flexibiliteitsbepalingen uit het omgevingsplan. Het wijzigen van de grenzen van het bouwperceel is een bevoegdheid van het college/de gemeenteraad. Nadat deze vergunning onherroepelijk is dient deze vergunning te worden ingepast in het omgevingsplan. Gelijktijdig met de aanvraag omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is tevens een aanvraag omgevingsvergunning voor milieu en bouwen ingediend. De oorspronkelijke aanvraag voor de activiteit “handelen met gevolgen voor natuurgebieden” is vervangen voor een aanvraag omgevingsvergunning voor een Natura-2000-activiteit. Deze is hiermee ingetrokken. Voor de luchtwassers achter stal 5 en 7, de iglo’s, de veldschuur (8), werktuigenberging (22), kadaverkoeling, omvormers, fakkel, container (waarin WKK), lichtmasten, voorraadbunker en bijgebouw/bedrijfsgebouw (25) is ook de activiteit bouwen aangevraagd. De bouwtekeningen zijn bijgevoegd als bijlage 20.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

13

3

AANGEVRAAGDE SITUATIE

Aangevraagde situatie Voor het bedrijf wordt een OF vergunning aangevraagd voor de te houden vleesvarkens. In huidige vergunde situatie worden de vleesvarkens gehouden op een leefoppervlak van 0,8 m2 per varken. De varkens worden momenteel feitelijk gehouden volgens het Beter leven concept op een leefoppervlak van 1,0 m2 per varken. De vergunninghouder wil echter de mogelijkheid behouden om terug te kunnen switchen naar het vergunde leefoppervlak en daarbij behorende dieren mocht de verkoopmarkt wijzigen. Om die reden is gekozen voor een OF-vergunning voor de vleesvarkenshouderij. De OF- vergunning voor de co-vergistingsinstallatie, warmtekrachtkoppeling en stoomketel voor het hygiëniseren van mest OF mestverwerkingsinstallatie en stoomketel blijft ongewijzigd. In bijlage 4 zijn zowel de technische beschrijving van de co-vergistingsinstallatie gevoegd als van de mestverwerkingsinstallatie en daarnaast de detailtekeningen van de co-vergistingsinstallatie. In onderstaande tabel is de beoogde opzet voor de projectlocatie weergegeven: Stal 1

Aantal

Categorie

219 Melkkoeien ouder dan 2 jaar

NH3/dier 13,000

NH3 totaal

Geur/dier Geur totaal PM10/dier

2847,000

0,0

0,0

148

PM10 totaal 32412

1

3 Volwassen paarden

5,000

15,000

0,0

0,0

0

0

Iglo's

60 Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

4,400

264,000

0,0

0,0

38

2280

1a

70 Cow toilet BWL 2021.05***

6,000

420,000

0,0

0,0

148

10360

1b nieuw

197 Cow toilet BWL 2021.05***

6,000

1182,000

0,0

0,0

148

29156

2

3084 Vleesvarkens BWL2010.02

0,450

1387,800

12,7

39166,8

31

95604

3

1626 Vleesvarkens BWL 2010.02

0,450

731,700

12,7

20650,2

31

50406

4

2180 Vleesvarkens BWL 2010.02

0,450

981,000

12,7

27686,0

31

67580

0,285

984,960

9,8

33868,8

31

107136

0,285

984,960

9,8

33868,8

31

107136

5 links 5 rechts

Vleesvarkens BWL 2010.10 3456 en BWL 2010.02 Vleesvarkens BWL 2010.10 3456 en BWL 2010.02

6 jv

53 Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

4,400

233,200

0,0

0,0

38

2014

7

336 Vleesvarkens

0,450

151,200

12,7

4267,2

31

10416

8 jv

35 Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

4,400

154,000

0,0

0,0

38

1330

9 herten

10 Damherten*

1,900

19,000

0,0

0,0

0

0

9 pauwen

15 Pauwen**

0,590

8,850

0,0

0,0

0

0

Totaal

10364,670

159507,8

* Voor damherten is de emissiefactor van een geit C1.100 aangehouden ** Voor pauwen is de emissiefactor van een kalkoen F3.100 aangehouden *** Voor het Cow-Toilet is een definitieve factor vastgesteld van 6,0 (Zie bijlage 1 informatie IPLO)

OF

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

14

515830

Stal

Aantal

1

Categorie

NH3/dier

219 Melkkoeien ouder dan 2 jaar

13,000

NH3 totaal

Geur/dier Geur totaal PM10/dier

2847,000

0,0

0,0

148

PM10 totaal 32412

1

3 Volwassen paarden

5,000

15,000

0,0

0,0

0

0

Iglo's

60 Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

4,400

264,000

0,0

0,0

38

2280

1a

70 Cow toilet BWL 2021.05***

6,000

420,000

0,0

0,0

148

10360

1b nieuw

197 Cow toilet BWL 2021.05***

6,000

1182,000

0,0

0,0

148

29156

2

2472 Vleesvarkens BWL2010.02

0,450

1112,400

12,7

31394,4

31

76632

3

1304 Vleesvarkens BWL 2010.02

0,450

586,800

12,7

16560,8

31

40424

4

1732 Vleesvarkens BWL 2010.02

0,450

779,400

12,7

21996,4

31

53692

0,285

820,800

9,8

28224,0

31

89280

0,285

820,800

9,8

28224,0

31

89280

Vleesvarkens BWL 2010.10 2880 en BWL 2010.02 Vleesvarkens BWL 2010.10 2880 en BWL 2010.02

5 links 5 rechts 6 jv

53 Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

4,400

233,200

0,0

0,0

38

2014

7

264 Vleesvarkens

0,450

118,800

12,7

3352,8

31

8184

8 jv

35 Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

4,400

154,000

0,0

0,0

38

1330

9 herten

10 Damherten*

1,900

19,000

0,0

0,0

0

0

9 pauwen

15 Pauwen**

0,590

8,850

0,0

0,0

0

0

Totaal

9382,050

129752,4

435044

* Voor damherten is de emissiefactor van een geit C1.100 aangehouden ** Voor pauwen is de emissiefactor van een kalkoen F3.100 aangehouden *** Voor het Cow-Toilet is een definitieve factor vastgesteld van 6,0 (Zie bijlage 1 informatie IPLO)

Samengevat neemt het aantal te houden dieren gering af ten opzichte van de vergunde situatie. De vergunde dieren zijn in de stallen gehouden. In totaal worden er 74 vleesvarkens en 14 melkkoeien minder gehouden. Het aantal paarden is uitgebreid met 2 stuks, en het jongvee met 13 stuks. De totaalemissies uit de veehouderij nemen af. Er zijn er geen veranderingen aangevraagd ten opzichte van de vergunde co-vergistingsinstallatie met warmtekrachtkoppeling. De mestverwerkingsinstallatie is niet meer in de aanvraag opgenomen. Wel is de vergunde gasgestookte stoomketel voor hygiënisatie vervangen door een diesel gestookte stoomketel.

4

RUIMTELIJK BELEID

4.1 Inleiding Een beschrijving van de verschillende met ruimtelijke ontwikkelingen samenhangende beleidskaders is achterwege gelaten, omdat de beoordeling van de toelaatbaarheid van de agrarische functie op de locatie Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 in Aalten al heeft plaatsgevonden in het kader van het op 21 maart 2017 vastgestelde bestemmingsplan “Landelijk gebied 2015”. In hoofdstuk 4.2 is er geconstateerde strijdigheid is aangegeven waarom het ruimtelijk aanvaardbaar is om mee te werken aan het legaliseren van de strijdigheden.

4.2 Strijdigheden ruimtelijk aanvaardbaar Alvorens puntsgewijs in te gaan op de strijdigheden het volgende. Het huidige bouwvlak heeft een oppervlakte van 50.164 m2. Zoals in hoofdstuk 2 is aangegeven en figuur 4 is te zien zijn diverse veranderingen buiten het bouwvlak en/of buiten de functieaanduiding ‘Intensieve veehouderij’ dan wel buiten de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – co-vergisting’ gerealiseerd. Om de strijdigheden ruimtelijk aanvaardbaar te maken is voorgesteld om oppervlakte neutraal het afwijkende gebruik van de gronden toe te staan door middel van inzet van de flexibiliteitsbepalingen.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

15

In de gewenste situatie wordt het gebruik als bouwvlak beperkt tot een oppervlakte van 50.164 m2 ha. In figuur 7 is de voorgestelde afwijkende gebruik van de gronden weergegeven. Als bijlage 9 is de situatietekening van de gewenste vervorming opgenomen.

Figuur 7 voorstel oppervlakte neutrale gebruik van de gronden..

Dit gebruik is aanvaardbaar omdat de belangen van de omgeven functies niet worden niet geschaad door de bouwvlakverandering. Dit blijkt uit de toets van de omgevingsaspecten die opgenomen is in hoofdstuk 4. Het veranderde gebruik leidt niet tot een onevenredige afbreuk aan het (leef)milieu en de landschapswaarden in de omgeving. Door Natuurbank Overijssel is een aanpassing van het bestaande erfinpassingsplan opgesteld die

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

16

ervoor zorgt dat het erf en de grondwal landschappelijk wordt ingepast met inheemse en streekeigen soorten. Het erfinpassingsplan is als bijlage 10 toegevoegd. In figuur 8 is de voorgestelde inpassing weergegeven.

Figuur 8: Erfinpassingsplan.

De grondwal met inheemse en streekeigen soorten en de houtsingels rondom het erf creëren een ‘groene verbindingszone’ met het omliggende landschap en nemen het zicht op landschap ontsierende elementen, zoals mestsilo’s, weg. Het erfinpassingsplan zorgt voor een versterking van het Achterhoekse Landschap. Op 27 oktober 2025 is de vergunning voor het aanleggen van de grondwal verleend. Daarnaast is er sprake van een compact bouwvlakvorm door de grens van het bouwvlak ‘strak’ om de bebouwing te leggen. Hierna is per strijdigheid en met het nummer zoals aangegeven in hoofdstuk 2 is aangegeven waarom het afwijken van het bestemmingsplan ruimtelijk aanvaardbaar is. Ad 1: Doordat er slechts sprake is van een verschuiving van het gebruik met enkele meters, en de waarborg dat er sprake is van een oppervlakte neutraal gebruik, is de afwijking ruimtelijk aanvaardbaar. Ad 2: Als bijlage 11 treft u een gemaatvoerde tekening aan van de betreffende silo inclusief plattegrond en situatietekening. De in het bestemmingsplan maximale toegestane hoogte is 8,00 meter. De feitelijke hoogte van silo met spankap bedraagt 8,72 meter. Wij verzoeken om legalisering van de hoogte van 8,72 meter van deze bestaande (digestaat) silo door toepassing van de afwijkingsmogelijkheid op basis van artikel 41.3.c van de algemene afwijkingsregels.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

17

De bij recht toegestane bouwhoogte van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde is 8.00 meter. Dit houdt in dat afgeweken kan worden tot maximaal 8.80 meter. De feitelijke hoogte is 8,72 meter en valt hiermee binnen de maximale toegestane 10 %. Er zijn ons inziens geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten. Ad 3. Op 5 december 2014 is vergunning verleend voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting en het afwijken van het bestemmingsplan door gebruik te maken van artikel 6.6.3 van het bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening 2012 (zie bijlage 2). Er zijn ons inziens geen dringende redenen die zich verzetten om opnieuw deze afwijkend gebruik opnieuw te vergunnen. In afwijking met de vergunde situatie is de loods enkele meters buiten het bouwvlak gerealiseerd. Deze verschuiving van de loods buiten het bouwvlak betreft slechts enkele meters. Aangezien er slechts sprake is van een geringe verschuiving en de waarborg dat er sprake is van een oppervlakteneutraal gebruik, is de afwijking ruimtelijk aanvaardbaar. Ad 4. In de werktuigenloods met mestopslag zijn tractoren, shovels en werktuigen geplaatst die zowel gebruikt worden voor zowel de zijn van de co-vergisting als voor de veehouderij. Dit is niet te vermijden. Het gebruik van deze machines en werktuigen is toegestaan voor de co-vergisting en komt overeen met het gebruik voor in de veehouderij.

Om die reden is dit gebruik ruimtelijk aanvaardbaar. Ad 5. De gerealiseerde veldschuur, op plattegrondtekening aangeduid met 8, heeft een dakhelling van 16 ˚, waar het bestemmingsplan een dakhelling van minimaal 20 ˚ voorschrijft. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning een afwijkende dakhelling toestaan op basis van artikel 4.3.6. Op 25 maart 2021 is door ons een aanvraag in vooroverleg ingediend voor de herbouw van gebouw 8. Deze aanvraag is beoordeeld en op dat moment speelden nog de volgende vragen: • Is er sprake van een toename van de stikstofdepositie?: Dit is niet het geval. In de veldschuur worden minder dan het vergunde aantal dieren gehouden. Vergund was 40 stuks jongvee, en aangevraagd is 35 stuks jongvee. De dieren zijn altijd in de stal gehouden. Er is geen sprake van een toename van de stikstofemissie cq stikstofdepositie. • De dakhelling is kleiner dan 20 graden. Dit kan alleen worden toegestaan als dit ook in de bestaande situatie het geval is. Wat was de dakhelling in de bestaande situatie? De dakhelling is inderdaad kleiner dan 20 graden, echter in de bestaande situatie was dit ook al het geval. Zie onderstaande foto van de bestaande veldschuur/loods 8 waarmee dit wordt aangetoond.

Figuur 9: Dakhelling oorspronkelijke veldschuur

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

18

Gelet op de ligging van veldschuur 6 binnen het bouwvlak zijn er geen ruimtelijke bezwaren om mee te werken aan de afwijking. Ad 6: Doordat er slechts sprake is van een verschuiving van het gebruik met enkele meters, en de waarborg dat er sprake is van een oppervlakteneutraal gebruik, is de afwijking ruimtelijk aanvaardbaar. Ad 7: Het afwijkend gebruik van de maximale toegestane hoeveelheid cosubstraten en het maximaal aandeel van niet ter plaatse geproduceerde mest is reeds vergund op 15 juli 2011 voor de activiteit milieu en op 10 maart 2014 natuur. Ten opzichte van deze vergunde situatie vinden er geen veranderingen plaats. De gevolgen van het afwijkend gebruik zijn reeds in deze vergunningen beoordeeld en passend bevonden. De vergunde situatie is nu wederom de referentiesituatie waardoor kan worden geconcludeerd dat deze situatie passend is. Zie voor nadere toelichting ook ad 10. Er zijn ons inziens om die reden geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten. Het gebruik van de C0-vergistingssilo’s voor alleen de opslag van mest zonder vergisting komt overeen met het gebruik als co-vergistingssilo. In beide gevallen wordt er mest in de silo gebracht en opgeslagen. Dit gebruik komt met elkaar overeen en is om die reden ruimtelijk aanvaardbaar. Ad 8.

Het gebruik van de sleufsilo’s voor de opslag van voer komt overeen met toegestane gebruik als vaste cosubstraten. Om die reden is dit gebruik ruimtelijk aanvaardbaar. Ad 9. Het gebruik van de WKK installatie is toegestaan op basis van de vigerende vergunning van 15 juli 2011. Ook is op 15 december 2014 voor deze installatie een vergunning verleend in het kader van de Wet natuurbescherming. Ten opzichte van deze vergunde situaties vinden er geen veranderingen plaats. De gevolgen van het afwijkend gebruik zijn reeds in deze vergunningen beoordeeld en passend bevonden. Zie ook de toelichting ad 10. Er zijn ons inziens om die reden geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten. Ad 10. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 4 maart 2020 het raadsbesluit van 21 maart 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan “Landelijk gebied 2015” gedeeltelijk vernietigd. De vernietiging betrof onder andere de daarin opgenomen stikstofregeling voor agrarische bedrijven. Er is door de afdeling een voorlopige voorziening getroffen. De gemeenteraad is opgedragen om hiervoor een nieuwe stikstof regeling op te stellen met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling. Op het moment van indienen van de aanvraag was dit herstel besluit nog niet vastgesteld.

Stikstofregeling bestemmingsplan “Landelijk gebied 2015” De Afdeling heeft bij haar uitspraak deels zelf in de zaak voorzien door een (tijdelijke) stikstofregeling te verbinden aan het bestemmingsplan, die in de plaats kwam van de vernietigde stikstofregeling. Deze regeling luidt als volgt:

4.4.2 Stikstofdepositie Als een met de bestemming strijdig gebruik wordt aangemerkt: het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot een veehouderij die leidt tot een stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied welke stikstofdepositie groter is dan de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige planologische toegestane gebruik van de gronden en bouwwerken behorend tot de veehouderij. De tijdelijke stikstofregeling houdt in dat het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot de veehouderij niet mag leiden tot een stikstofdepositie welke groter is dan de stikstofdepositie van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige en planologische toegestane gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot de veehouderij. Voor wat betreft het feitelijk aanwezige en planologisch toegestane gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van de veehouderij de locatie Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan is van belang dat niet alles is gerealiseerd wat is vergund. Het beoogde gebruik leidt ertoe dat de stikstofdepositie toeneemt ten opzichte van de stikstofdepositie in de referentiesituatie voor het bestemmingsplan. De tijdelijke stikstofregeling is niet meer van toepassing op de situatie.

Op 28 oktober 2025 is namelijk door gemeente Aalten een herstelbesluit genomen door middel van het vaststellen van het TAM-omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22a Landelijk gebied – herstelbesluit’. Dit besluit is inmiddels in werking getreden. De stikstofregeling waarop in het herstelbesluit wordt aangesloten is de regeling op basis van de

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

19

onherroepelijke vergunningen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 of de Wnb-vergunningen waarvoor een passende beoordeling is gemaakt. Het is vaste jurisprudentie dat onherroepelijke natuurvergunningen één op één mogen worden ingepast in het omgevingsplan. Als referentiesituatie voor deze beoordeling gelden de verleende vergunningen in het kader van de Wet natuurbescherming. De hierin vergunde activiteiten zijn passend bevonden. De nog niet volledig gerealiseerde stal voor melkrundvee is vergund en passend gevonden op basis van deze verleende vergunningen. Dit geldt tevens voor de nog niet gerealiseerde co-vergistingsinstallatie en de gedeeltelijk gerealiseerde mestverwerking installatie in een OF/OF constructie. Ten opzichte van deze referentiesituatie vinden er in de beoogde situatie de volgenden veranderingen plaats. • Het totaal aantal te houden vleesvarkens neemt af met 74 vleesvarkens. De beoogde opzet betreft het houden van 14.138 vleesvarkens in de bestaande stallen OF 11.532 Vleesvarkens volgens Beter leven keurmerk (oppervlakte per dier van 1 m2). De verdeling van het aantal te houden dieren per stal is gewijzigd ten opzichte van de vergunde situatie.

• Wijzigen van het luchtwaspakket in stallen 2, 3, 4 en 7 van BWL 2009.12 naar BWL 2010.02 (Rav-code is en blijft D 3.2.15.4) en vernieuwen van de aanwezige luchtwassers waardoor tevens de ligging van de emissiepunten wijzigt; • Bij de combiwassers is een doseerinstallatie voorzien van een automatische regeling van de zuurgraad geplaatst die door middel van zwavelzuur en natronloog de zuurgraad binnen de bandbreedte houdt; • Het totaal aantal te houden melkkoeien neemt af met 14 stuks. In rundveestal 1a wordt een ander emissiearm huisvestingssysteem gerealiseerd, zijnde ‘het Cow-toilet’ BWL 20201.05 (Rav-code A 1.36). In dit gedeelte worden 70 melkkoeien gehouden. Voor de nog niet gerealiseerde gedeelte van de rundveestal 1b wordt ook ‘het Cow-toilet’ gerealiseerd. In dit gedeelte worden in de nieuwe situatie 197 melkkoeien gehouden. (het bouwdeel is al vergund is 2014 en 2015); • Het totaal aantal stuks jongvee neem toe met 13 stuks. Ten opzichte van de vergunde situatie is er sprake van een verschuiving van het aantal dieren. • Jongveestal 8 ten behoeve van 40 stuks jongvee is gesloopt en gewijzigd herbouwd. Naast 35 stuks jongvee kunnen hierin ook werktuigen worden geplaatst; de paardenstal is verplaatst naar rundveestal 1. Het bouwdeel is bij de aanvraag gevoegd. • Het aantal iglo’s naast de ligboxenstal is uitgebreid.

Hier worden maximaal 60 stuks jongvee gehouden in plaats van de vergunde 14 stuks ; • In stal 6 worden 53 stuks jongvee gehouden in plaats van de vergunde 81 stuks. • In ligboxenstal 1 zijn paardenstallen gerealiseerd voor het houden van drie paarden. In de vergunde situatie was er sprake van het houden van één paard in stal 8. • In jongveestal en werktuigenberging 6 wordt naast de bestaande sleufsilo voor ccm, 2 extra sleufsilo’s gerealiseerd voor de opslag van patatsnippers en brood. Deze bijproducten werden al elders op het bedrijf opgeslagen. • De oorspronkelijke in gebruik zijnde loods (18) voor de mestverwerkingsinstallatie wordt gebruikt voor werktuigen. In deze loods is een mestscheider geplaatst die de digestaat en/of drijfmest scheidt in vaste fractie en dunne fractie. De vaste fractie wordt in de aanwezige vaste mestopslagplaats bewaard. Naast de loods worden 2 opslagsilo’s geplaatst voor de dunne fractie. • Er wordt een nieuwe loods (22) gebouwd ten behoeve van de vaste mestopslag en ten behoeve van de werktuigen ten behoeve van de mestvergisting. Het bouwdeel is bij de aanvraag gevoegd. • Er zijn zonnepanelen geplaatst op de daken van de vleesvarkensstallen en de ligboxenstal aan de Hoeninkdijk en daarbij behorende omvormers. • De stoomketel voor het hygiëniseren van mest is gewijzigd.

De aardgasgestookte stoomketel is vervangen voor een diesel gestookte stoomketel (deze stoomketel staat niet vast opgesteld).. • De bestaande paardenbak en lichtmasten en kadaverkoeling zijn verplaatst.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

20

• • • •

In nabijheid van de woning Hoeninkdijk 6 is een bedrijfsgebouw (25) gerealiseerd. Het bouwdeel is bij de aanvraag gevoegd. De uitbouw van stal 7 is vervangen voor een overkapping voor werktuigen. Er is een grondwal is aangelegd en diverse kleine ondergeschikte wijzigingen zijn doorgevoerd. De OF-situatie voor OF mestverwerking wordt niet meer aangevraagd.

Samengevat blijkt uit het overzicht van veranderingen dat het totaal aantal te houden dieren gering neemt af ten opzichte van de vergunde situatie. In totaal worden er 74 vleesvarkens en 14 melkkoeien minder gehouden. Het aantal paarden is uitgebreid met 2 stuks, en het jongvee met 13 stuks. De totaalemissies uit de veehouderij nemen af. De ammoniakemissie neemt af met 1.221,49 kg, de geuremissie met 290,0 odour units per m3 lucht en de fijnstofemissie met 3.872 gram per jaar. Er zijn er geen veranderingen aangevraagd ten opzichte van de vergunde co-vergistingsinstallatie met warmtekrachtkoppeling. De mestverwerkingsinstallatie is niet meer in de aanvraag opgenomen. Wel blijft het hygiëniseren van mest/digestaat, en wordt de vergunde gasgestookte stoomketel voor hygiënisatie vervangen door een diesel gestookte stoomketel. Voor deze beoogde opzet is de oorspronkelijk aangevraagde activiteit “handelingen met gevolgen vervangen voor een separate aanvraag omgevingsvergunning voor een Natura2000 activiteit. Zie ook hoofdstuk 3 voor de aangevraagde situatie. De beoogde situatie wijkt af van de referentiesituatie. De ammoniakemissie in de beoogde opzet neemt af ten opzichte de vergunde situatie. Zie de als bijlage 13 toegevoegde stikstoftoelichting met bijlagen. Er is sprake van intern salderen.

De beoogde bedrijfssituatie is met de meest recente AERIUS-calculator doorgerekend ten opzichte van de referentiesituatie. Uit de berekening blijkt dat zelfs bij een worst case benadering geen toename is van stikstofdepositie op enig Natura 2000-gebied. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 18 december 2024 een uitspraak gedaan over de natuurvergunning voor het bedrijf Rendac Son B.V en een soortgelijke uitspraak over de Amercentrale van RWE. De Afdeling bestuursrechtspraak wijzigt met deze uitspraak haar eerdere rechtspraak uit 2021. Het nieuwe beoordelingskader voor het projectspoor is sindsdien direct van toepassing en heeft gevolgen voor alle lopende en toekomstige vergunningsprocedures. Intern salderen mag niet meer plaatsvinden als voortoets, maar in plaats hiervan is bij intern salderen altijd een natuurvergunning nodig of een verklaring van geen bedenkingen voor het onderdeel handelen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden. Zoals aangegeven haakt het natuurdeel niet meer aan maar is in plaats hiervan een aanvraag omgevingsvergunning Natura2000-activiteit ingediend. Op 14 januari 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak deze jurisprudentielijn doorgetrokken naar het planspoor.

Deze jurisprudentiewijziging brengt met zicht mee dat het additionaliteitsvereiste in het vervolg ook geldt voor intern salderen in het planspoor, met dien verstande dat de additionaliteitsvereiste in het planspoor lichter is dan in het projectspoor (bij de natuurvergunning). Voor de invulling van de motiveringsverplichting van het additionaliteitsvereiste voor het planspoor geldt voor de gemeenteraad een vergewisplicht. Dit betekent dat de raad aan zijn motiveringsverplichting heeft voldaan door zicht te vergewissen dat in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag (provincie) dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen de wijziging of beëindigen van het gebruik waarmee intern wordt gesaldeerd nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel. De afdeling bestuursrechtspraak heeft in een stroomschema vastgelegd hoe om moet worden gegaan met deze beoordeling. Dit stroomschema is als bijlage 2 bijgevoegd. Hierna zijn de verschillende stappen opgenomen en is de bedrijfsspecifieke situatie in beeld gebracht:

Stap 1: Voortoets Uit de AERIUS-berekening van de beoogde opzet blijkt dat significante effecten niet zijn uitgesloten.

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

21

Stap 2: Passende beoordeling Gevolgen van de bestaande situatie, de zogenoemde referentiesituatie mogen als mitigerende maatregel worden betrokken in de passende beoordeling. Zoals is aangegeven zijn er diverse vergunningen in het kader van de Wet natuurbescherming verleend. Deze vergunde activiteiten die aanwezig waren of konden zijn op basis van deze vergunningen vertegenwoordigen de referentiesituatie. In deze stikstoftoelichting is de referentiesituatie vastgelegd en als bijlage zijn de berekeningen toegevoegd. Uit de verschilberekeningen (met AERIUS Calculator) tussen de referentiesituatie met de beoogde situatie blijkt dat er ter hoogte van kwetsbare habitattypen in Natura 2000-gebieden, ten gevolge van de stikstofuitstoot door dit project, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn.

Stap 3: Additionaliteit Vervolgens is nog beoordeeld of er een noodzaak is om een gedeelte van de referentiesituatie in te zetten als maatregel die nodig is om natuur te behouden, te herstellen of verslechtering te voorkomen. In haar besluit van 27 maart 2024 heeft het bevoegd gezag (zijnde de provincie Gelderland) naar aanleiding van het verzoek van Mobilisation for the Environment (MOB) om de vergunde referentiesituatie in te trekken bevestigd dat er geen noodzaak is om de natuurvergunning in te trekken als maatregel. Voor de volledigheid is het besluit als bijlage bij deze stikstoftoelichting gevoegd. Wij concluderen om die reden dat er geen noodzaak om een gedeelte van de referentiesituatie in te zetten als passende maatregel omdat er afdoende maatregelen worden getroffen om de binnen de invloedsfeer liggen Natura-2000 gebieden te behouden, te herstellen of verslechtering te voorkomen. De beoogde opzet is passend en zorgt niet voor nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura-2000 gebieden. Ad 11. Gelet op de situering van het bijgebouw hoort dit gebouw bij een eerste beoordeling bij de bedrijfswoning. Echter gelet op het feitelijk gebruik onder andere als werkplaats en tractorstalling dient dit gebouw als bedrijfsgebouw te worden aangemerkt. Zie bijlage 13 voor de tekening van bijgebouw/bedrijfsgebouw.

De afwijkende goothoogte en ligging is in verband met dit gebruik ruimtelijk aanvaardbaar. Ook is de ligging buiten het bouwvlak ruimtelijk aanvaardbaar omdat er sprake is van een oppervlakte neutrale afwijking. Ad 12. Doordat er slechts sprake is van een verschuiving van het gebruik met enkele meters, en de waarborg dat er sprake is van een oppervlakteneutraal gebruik, is de afwijking ruimtelijk aanvaardbaar. Ad 13. Doordat er slechts sprake is van een verschuiving van het gebruik met enkele meters, en de waarborg dat er sprake is van een oppervlakteneutraal gebruik, is de afwijking ruimtelijk aanvaardbaar. Ad 14. Het nieuwe erfinrichtingsplan sluit aan bij de gewenste oppervlakte neutrale vormverandering van de activiteiten, en zorgt voor en versterking van het Achterhoeks landschap, en is om die reden ruimtelijk aanvaardbaar. Ad 15. Het is een bedrijfsgebouw waarin een technische installatie staat opgesteld zijnde, luchtwassers zijn opgesteld.. De afwijkende dakhelling/hoogte is benodigd om te voldoen aan de systeembeschrijving en om een goede verspreiding van de uittredende lucht te verkrijgen. Ze zijn passend in vergelijk met de overige bedrijfsgebouwen en hierdoor ruimtelijk aanvaardbaar. Ad 16.

De ondergrondse kadaverkoeling (nr 88) en omvormers (99) ten behoeve van zonnepanelen zijn binnen de voorgestelde oppervlak neutrale vormverandering gesitueerd, en hiermee ruimtelijk aanvaardbaar. Hertenverblijf (9) en kippenhok (27) vallen om de volgende redenen onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan. Het hertenverblijf nr. 9 is in 1970 gebouwd, en valt om de reden onder het overgangsrecht

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

22

Het Kippenhok nr. 27 valt eveneens onder het overgangsrecht. Hiervoor zijn zoals uit onderstaande lijst van vergunningen van de ECAL blijkt vergunningen verleend

De septic tanks en pompput zijn gerealiseerd ten tijde van de bouw van de woning rond 1900, en zijn als zodanig altijd in gebruik gebleven. Ze vallen hiermee ook onder het overgangsrecht. Deze afwijkingen zijn ruimtelijk aanvaardbaar.

Conclusie De aangevraagde afwijkingen zijn allen ruimtelijk aanvaardbaar en leiden niet tot een hogere stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Er blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5

OMGEVINGSASPECTEN

5.1. Bodem Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet aangetoond worden dat de bodem- en grondwaterkwaliteit ter plaatse van het plangebied geschikt is voor het gewenste gebruik. Voor een veehouderijbedrijf met reguliere activiteiten heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 21 januari 1997 in een uitspraak (E03.95.0821) aangegeven dat, indien toereikende gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem zijn voorgeschreven, zij ervan uitgaat dat bij naleving van die voorschriften de kwaliteit van de bodem en het grondwater niet in relevante mate nadelig zal worden beïnvloed. Een nulsituatie bodemonderzoek is bij reguliere activiteiten niet noodzakelijk. Dit standpunt is herhaald in uitspraken van 15 januari 1998 (E03.096.0162) en 20 februari 2002 (200104344/1). De voorgenomen activiteiten zijn aan te merken als reguliere activiteiten voor een veehouderij. Een nulsituatie bodemonderzoek is daarmee niet noodzakelijk. Als algemene zorgplicht geldt dat bodemverontreiniging voor zover mogelijk wordt voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is zoveel mogelijk wordt beperkt. Artikel 13 van de Wet bodembescherming (Wbb) is rechtstreeks van toepassing op de inrichting.

Voor zover in de op te leggen voorschriften niet specifiek is vastgelegd welke bodembeschermende maatregelen moeten zijn uitgevoerd, dwingt artikel 13 van de Wbb tot een zorgvuldige bedrijfsvoering. In verband met de strekking van het begrip bodemverontreiniging is van belang dat het begrip bodem ook het grondwater omvat. Het melden van ongewone en gewone voorvallen is geregeld in artikel 27 en 30 van de Wbb. Deze zorgplicht zal door de inrichtinghouder in acht worden genomen. Een bodembedreigende activiteit is gedefinieerd de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). De volgende voorgenomen activiteiten worden als bodembedreigend aangemerkt:

Ruimtelijke onderbouwing Hoeninkdijk 6, 6a en 8 en Kloosterdijk 13 Aalten

23

De volgende activiteiten kunnen als bodembedreigend worden gezien: Opslag van drijfmest in kelders onder de stal Opslag van vaste mest Overslag of verpompen van drijfmest Mestbewerking in een gesloten proces Opslag van drijfmest en/of na-opslag van digestaat Opslag van drijfmest in de mestvergister/mestsilo De warmtekrachtinstallatie in een lekbak Afvoer van afvalwater in bedrijfsriolering Opslag van bijproducten en cosubstraat in sleufsilo of tank Opslag van kuilvoer Opslag van dieselolie in dubbelwandige bovengrondse tank Opslag van smeerolie, reinigings- en ontsmettingsmiddelen Reiniging en ontsmetting van veewagens Opslag van zwavelzuur en natronloog Opslag van spuiwater van de combiwassers Op alle plaatsen waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden zijn de noodzakelijke bodem beschermende voorzieningen getroffen. Opslag van drijfmest vindt plaats in mestdichte kelders en silo’s die voldoet aan de BRL 2342. Digestaat wordt ook bewaard in een mestsilo die voldoet aan de BRL 2342. De opslag van vaste mest van de mestverwerking wordt onder een afdak opgeslagen en op een mestdichte vloer. De overige vaste rundveemest wordt bewaard op een mestplaat met gierafvoer. De dieselolietank is dubbelwandig, en smeerolie staat in een lekbak.

De opslag van vaste bijproducten vindt plaats op een verharding en de opslag van vloeibare bijproducten in een silo die bestand is tegen de invloeden van het bijproduct. Voor de reiniging en ontsmetting van veewagens is een wasplaats met vloeistofdichte betonvloer en opstaande randen aanwezig. Opslag van bestrijdingsmiddelen, reinigingsmiddelen en ontsmettingsmiddelen vindt plaats in geringe hoeveelheden in ruimtes met een betonnen vloer. Zwavelzuur en natronloog is opgeslagen in vloeistofdichte en dubbelwandige IBC’s, die speciaal hiervoor zijn ontworpen. Deze zijn geplaatst boven een bodem beschermende voorziening. Het spuiwater van luchtwassers wordt afzonderlijk bewaard in een ondergrondse vloeistofdichte kelder en een silo, die bestand is tegen de invloeden van het spuiwater. Er is bij dit initiatief geen sprake van functiewijziging. Het beoogde gebruik met uitzondering van de gevraagde afwijkingen past binnen de regels van het bestemmingsplan. Concluderend Er kan worden geconcludeerd dat het aspect bodem zich niet verzet tegen het beoogde gebruik.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=5e2f0d82-e818-4f52-a441-02ca90222ff9