Bijlage 1 - Motivering TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten
Tekst van het document
Toetsing
In verband met de realisatie van nieuwe bodemgevoelige gebouwen is een verkennend milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 6. Hierna worden de onderzoeksresultaten kort besproken. Op basis van het vooronderzoek conform NEN 5725:2023 kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de onderzoekslocatie sprake is (geweest) van bodembedreigende milieubelastende activiteiten, namelijk het autogaragebedrijf met tankstation. Gelet op de aanleiding(en) voor het onderzoek is er onvoldoende informatie over de bodemkwaliteit aanwezig. Daarom wordt fysiek bodemonderzoek conform NEN5740:2023 noodzakelijk geacht. Op basis van de verzamelde informatie is in afbeelding 6.1 een samenvatting gegeven van de deellocaties binnen het onderzoeksgebied die als (potentieel) verdacht voor bodemverontreiniging worden aangemerkt. Per deellocatie wordt tevens de van toepassing zijnde onderzoekshypothese
Motivering (ontwerp)
29
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f) vermeld.
Afbeelding 6.1: Samenvatting milieuhygiënisch vooronderzoek (Bron: Ecoreest) Omdat in de huidige staat het pand en opstallen nog in gebruik zijn door een derde partij, kunnen deze onderzoeken nog niet worden uitgevoerd. Dit vraagt immers ook om inpandige boringen. Daarom is met de gemeente Aalten overeengekomen dat deze onderzoeken als voorwaardelijke verplichting mogen worden meegenomen in de juridische regels van dit plan. 6.4.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied, mits de aanvullende onderzoeken worden uitgevoerd en is aangetoond dat de bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik (wonen met tuin en openbare ruimte). Als er sprake is van verontreinigde grond dient dit te worden gesaneerd en moeten de juiste meldingen worden gedaan in het Omgevingsloket.
6.5
Water
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. 6.5.1
(Wettelijk) kader
In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een instructieregel voor het meewegen van het waterbelang opgenomen. Ten aanzien van het onderzoek is de Digitale Watertoets ingevuld om na te gaan welke waterbelangen er voor het initiatief in het plangebied relevant zijn. 6.5.2
Beleid Waterschap Rijn en IJssel
Het waterschap zorgt voor het water in deze omgeving. Vanuit het leidend principe 'Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's.
30
Motivering (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f) Klimaatrobuust gebied: Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig in te vullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied: Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat het waterschap daarbij wendbaar kan inspelen op ontwikkelingen. Het waterschap voert zijn beheer op een duurzame wijze uit en werkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire Economie en Energietransitie: Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij is de ambitie om in 2050 onderdeel te zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren. Gezonde leefomgeving: Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Zij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid.
Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met de partners (zoals gemeenten en provincies), inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruikt het waterschap de (digitale) watertoets. 6.5.3
Toetsing
In dit geval is het waterschap geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het resultaat hiervan is als Bijlage 7 bij deze motivering gevoegd. Hieronder worden de belangrijkste wateraspecten besproken, namelijk waterbergingsopgave, wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en grondwaterbeheer. Waterbergingsopgave In dit geval zijn de oppervlaktes met betrekking tot waterberging opgenomen in Bijlage 8 van deze motivering. In totaal is er 1.835 m2 aan verharding, 1.076 m2 aan open verharding en is 4.493 m2 van het plangebied uitgeefbaar. Door het waterschap wordt 80 mm per m2 aan verharding gerekend voor compensatie. Deze eis is ook geborgd door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in het plan in artikel 7.5. Rekening houdend met voorgenoemde eis is er met een wadi van 384 m2 en talud van 170 m2 voldoende waterberging binnen het plangebied. Bovendien wordt het gebied klimaatbewust ingericht, waardoor wateroverlast wordt voorkomen en regenwater beter infiltreert in de bodem. Wateroverlast Delen in het gebied (m.n. noordwestelijk deel en noord- en zuidoostrand) zijn kwetsbaar voor wateroverlast bij kortdurende hevige buien (zie afbeelding 5.2). Zoals reeds benoemd wordt het gebied klimaatbewust ingericht, waardoor overlast kan worden voorkomen. Het hemelwater wordt in eigen plangebied opgevangen.
Daarnaast worden de wadi's aan de noord- en westzijde gepostioneerd, de gebieden die het meest gevoelig zijn voor wateroverlast. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de nieuwe woningen wordt afgevoerd naar de RWZI door middel van een nieuwe aansluiting op de bestaande gemeentelijke riolering. Waterkwaliteit Het plangebied bevindt zich niet binnen een grondwaterbeschermings-, intrek- of waterwingebied. Verder worden er geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt om een goede kwaliteit van afstromend hemelwater te garanderen. Grondwaterbeheer Binnen het plangebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. De ontwikkeling is kleinschalig en zal weinig invloed hebben op het grondwater. Bij de bouw van de nieuwe woningen zal rekening
Motivering (ontwerp)
31
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f) worden gehouden met de grondwaterstanden en de benodigde verschillen in hoogten.
6.5.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect water geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied
6.6
Mobiliteit en parkeren
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.6.1
(Wettelijk) kader
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Parkeerkencijfers, publicatie 744 (augustus 2024)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van de Beleidsregel parkeernormen van de gemeente Aalten. Dit parkeerbeleid is verankerd in het 'Parapaluplan gemeente Aalten' welke van toepassing is op het plangebied. Voor de verkeersgeneratie wordt gebruik gemaakt van de publicatie van CROW.
Hierin wordt een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. Aangezien voor parkeren het minimum wordt gehanteerd, zal ook voor de verkeersgeneratie het minimum worden gehanteerd. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk (Bron: Beleidsregel parkeernormen van de gemeente Aalten); Stedelijke zone: rest bebouwde kom (Bron: Beleidsregel parkeernormen van de gemeente Aalten). 6.6.2
Toetsing
Verkeersstructuur De woningen worden voor autoverkeer ontsloten via de Richterinkstraat.De Uranus is voor voet- en fietsgangers bereikbaar middels een ontsluiting. De bestaande inrit vanaf de Nijverheidsweg komt te vervallen. Daarnaast worden er voetpaden aangelegd. Verkeer Navolgende tabel vat de te verwachten verkeersgeneratie samen: Functie
Aantal woningen
Totaal
Koop, huis, twee-onder-een-kap 7,4
2
14,8
Koop, huis, tussen/hoek
22
154
32
Verkeersgeneratie per woning
7,0
Motivering (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f)
Huur, appartement, sociale huur, < 75 m2
2,9
18
52,2
Huur, appartement, vrije sector, 3,0 < 75 m2
27
81 302
De verkeersgeneratie bedraagt 302 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. In de huidige situatie is er echter een garagebedrijf en tankstation planologisch toegestaan. De CROW beschikt niet over passende kencijfers voor een garage en showroom. Aansluitend bij de functies die meest overeenkomen, ontstaat op basis van de planologische toegestane situatie voor de garage en showroom ongeveer de volgende te verwachten verkeersgeneratie, rekening houdend met een maximaal bebouwingspercentage van 50%: Functie
Functie CROW
Verkeersgeneratie per 100 m2 BVO
BVO
Totaal
Garage en showroom
Bedrijf, arbeidsintensief, bezoeker extensief
9,1
3.000 m2
273 273
CROW biedt in haar publicatie geen richtlijnen voor het berekenen van de verkeersgeneratie van een tankstation, daarom is het tankstation in deze berekening niet meegenomen. De verkeersgeneratie voor tankstations wordt doorgaans berekend aan de hand van de hoeveelheid getankte liters per jaar, maar deze gegevens zijn in dit geval niet beschikbaar. Naar verwachting ligt het aantal verkeersbewegingen berekend aan de hand van de huidige planologische situatie daardoor hoger dan aangegeven in bovenstaande tabel. Wanneer geen rekening wordt gehouden met de verkeersbewegingen van het tankstation, bedraagt de toename 302 – 282 = 20 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Zoals reeds vermeld, beschikken de woningen over één ontsluitingsweg. Aangenomen wordt dat deze nieuwe ontsluiting, samen met de direct omliggende infrastructuur, de extra verkeersbewegingen zonder problemen en op een verkeersveilige wijze kunnen verwerken. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van de Beleidsregel parkeernormen van de gemeente Aalten. Navolgende tabel laat de berekening zien, uitgaande van de norm 'rest bebouwde kom':
Motivering (ontwerp)
33
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f)
Afbeelding 6.2: Parkeerberekening (Bron: EVE) In dit geval zijn er 10 parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig. De overige parkeerbehoefte wordt opgelost in het openbaar gebied. In totaal zijn er 69 parkeerplaatsen in openbaar gebied. Hiermee kan worden voorzien in de parkeerbehoefte van in totaal 78,1 (afgerond 79) parkeerplaatsen. 6.6.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect mobiliteit en parkeren geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied
6.7
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.7.1
(Wettelijk) kader
De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
34
Motivering (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f)
Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.7.2
Toetsing
Aan de hand van de Risicokaart van Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 6.3 is een uitsnede weergegeven. Het plangebied is indicatief met een rood kader aangeduid.
Afbeelding 6.3: Risicokaart Atlas Leefomgeving (Bron: Atlasleefomgeving.nl) Zoals te zien op de uitsnede van het plangebied op de landelijke signaleringskaart externe veiligheid, zin er in de omgeving van het plangebied geen risicocontouren aanwezig. Er is dan geen sprake van een onaanvaardbaar risico. Er hoeven geen (veiligheids)maatregelen getroffen worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis.
Motivering (ontwerp)
35
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f)
6.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied
6.8
Natuur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.8.1
(Wettelijk) kader
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.8.2
Toetsing
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000- gebied ‘Korenburgerveen’ bevindt zich op circa 7,5 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd. De volledige rapportage is bijgevoegd in Bijlage 9. Hierna worden de onderzoeksresultaten besproken. Onderzoeksresultaten Als gevolg van de sloop, ontwikkel- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000- gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. GNN-gebieden en Groene Ontwikk elzone (GO) Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO. De dichtstbijzijnde gronden die tot het GNN behoren bevinden zich op ruim 250 meter afstand.
Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling, kan worden gesteld dat er geen sprake is van enige aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN en/of het GO. Houtopstanden In het plangebied worden geen houtopstanden, die voldoen aan de criteria uit artikel 11.111 Bal, negatief beïnvloed. Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hier sprake van is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval zijn door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaarden, evenals een nader onderzoek naar de vleermuis, huismus, gierzwaluw en steenmarter uitgevoerd. De volledige rapportages zijn als Bijlage 10 en Bijlage 11 bij deze motivering gevoegd. Hierna worden de belangrijkste onderzoeksresultaten besproken. Onderzoeksresultaten quickscan natuurwaarden 36
Motivering (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f)
Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: Nader onderzoek naar de functie van de bebouwing voor gebouwbewonende vleermuizen uitvoeren; Nader onderzoek naar de functie van de bebouwing voor de steenmarter uitvoeren; Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); Geen beschermde grondgebonden zoogdieren doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken). Onderzoeksresultaten nader onderzoek naar de vleermuis, huismus, gierzwaluw en steenmarter In 2025 is het plangebied Nijverheidsweg 1 te Aalten onderzocht op verblijfplaatsen van vleermuizen en steenmarter en nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen. Tevens is gekeken naar het gebruik van het plangebied als functioneel leefgebied van huismussen, zoals de aanwezigheid van een kwetterplek, foerageergebied of stofbad. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform het daarvoor geldende onderzoeksprotocollen. Onderzoek heeft aangetoond dat vleermuizen en steenmarter geen verblijfplaats bezetten in het onderzoeksgebied en dat huismussen en gierzwaluwen er geen nestplaats bezet. Ook vormt het geen functioneel leefgebied voor huismussen die buiten het plangebied nestelen.
In verband met de sloop van het gebouw hoeft geen rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen of steenmarter, of nestplaats van huismussen of gierzwaluwen in het gebouw. Als gevolg van het herinrichten van het perceel wordt de functionaliteit van huismussennesten buiten het onderzoeksgebied niet beïnvloed. 6.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied
6.9
Cultureel erfgoed
Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.9.1
(Wettelijk) kader
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 6.9.2
Toetsing
Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. De gemeente heeft het archeologisch beleid verwerkt in dubbelbestemmingen in haar bestemmingsplannen, die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie laag'. Deze bestemming verplicht tot een archeologisch onderzoek bij bodemingrepen groter dan 5.000 m² en dieper dan 0,50 meter onder het
Motivering (ontwerp)
37
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f) maaiveld. In dit geval worden geen bodemingrepen uitgevoerd die groter zijn dan 5.000 m² of dieper gaan dan 0,50 meter. Bovendien is de bodem ter plaatse in het verleden al verstoord door de voormalige bebouwing. In de juridische regels van dit TAM-omgevingsplan is geborgd dat, indien in de toekomst wel bodemingrepen plaatsvinden groter dan 5.000 m² en dieper dan 0,50 meter, een archeologisch onderzoek verplicht is. Een archeologisch onderzoek kan achterwege blijven. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Het plangebied kent, op basis van de Rijksmonumenten en Werelderfgoedkaart van Atlas Leefomgeving geen bijzondere cultuurhistorische waarden.
In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich tevens geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Hierdoor wordt gesteld dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor voorliggend initiatief. 6.9.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect cultureel erfgoed geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied
6.10
Duurzaamheid
Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; 'energietransitie', 'circulariteit' en 'klimaatadaptatie en water'. 6.10.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.
Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie Hoofdstuk 5).
38
Motivering (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f)
6.10.2 Toetsing 6.10.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect duurzaamheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
6.11
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 6.11.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.
Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4). Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 6.11.2 Toetsing Wat betreft de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij ‘nieuwe stedelijke ontwikkelingen’. Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor artikel 5.129g van het Bkl van toepassing is. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling door BJZ.nu een laddertoets is uitgevoerd. De volledige laddertoets is opgenomen in Bijlage 4 van deze motivering. Op basis van de Ladderonderbouwing blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
6.11.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
6.12
Milieubelastende activiteiten
Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba's) mogelijk maakt, en zo ja; Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.
Motivering (ontwerp)
39
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f)
6.12.1 (Wettelijk) kader Het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba's bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld 'Milieubelastende activiteiten' en bevat gemeentelijke regels over mba's. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van 'activiteiten'. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee 'milieubelastende activiteiten' worden bedoeld.
6.12.2 Toetsing Het initiatief voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het initiatief richt zich voornamelijk op de functie wonen binnen een omgeving waar de functie wonen de boventoon voert. Daarbij worden kleinschalige bedrijfsfuncties toegestaan door het toestaan van bedrijven/beroepen aan huis. Dit is echter tevens passend binnen de functie wonen en een omgeving waar de functie wonen de boventoon voert. Deze activiteiten zullen bovendien niet tot nauwelijks milieubelastend zijn. 6.12.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect milieubelastende activiteiten geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
6.13
M.e.r.- beoordeling
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.13.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of; Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen.
Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.
40
Motivering (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f)
6.13.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen', zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een plan-m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 12 bijgevoegd. 6.13.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect m.e.r.-beoordeling geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het voorgenomen initiatief in het plangebied.
6.14
Gezondheid
De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 6.14.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. 6.14.2 Toetsing Gelet op de aard en schaal van het initiatief zullen er geen aspecten worden geraakt die rondom het thema gezondheid belangrijk zijn. Gelet op de overige omgevingsaspecten is er sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. 6.14.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect gezondheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied
Motivering (ontwerp)
41
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f)
Hoofdstuk 7 7.1
Beperkingengebieden
Beperkingengebieden
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom (spoor)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, zowel ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk alsook in de daaraan grenzende (beschermings)zones.
7.2
Conclusie
Het plangebied ligt niet in een beperkingengebied. Nadere toetsing aan dit aspect is dan ook niet noodzakelijk.
42
Motivering (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f)
Hoofdstuk 8 8.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen.
Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
8.2.1
Participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Voor de uiteenzetting van participatie wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van deze motivering. 8.2.2
Afstemming overlegpartners
Het plan is voorgelegd aan de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG), evenals de provincie Gelderland. Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG) De VNOG heeft enkele opmerkingen gemaakt over bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Deze worden meegenomen in de verdere uitwerking van het plan. Voor de nu voorliggende omgevingsplanprocedure heeft dit niet tot aanpassingen geleid. Provincie Gelderland De provincie heeft aangegeven dat de belangen woningbouw, landschap en klimaatadaptatie (de provinciale belangen) goed zijn afgewogen in het plan. Het woonprogramma wijkt af van de geactualiseerde woondeal (32% sociaal vs. 29% in planmonitor). Compensatie voor sociale huurwoningen is nodig in toekomstplannen. De reactie van de provincie heeft niet geleid tot planaanpassingen. 8.2.3
Zienswijzen
Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het wijzigingsbesluit voor een periode van zes weken ter inzage heeft gelegen.
Motivering (ontwerp)
43
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f)
Hoofdstuk 9 9.1
Juridische uitvoerbaarheid
Algemeen
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
9.2
Opzet van de regels
TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Specifieke regels over functies; Algemene regels over functies; Overgangsregels. Preambule De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen.
Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven. Dit plan beoogt de ontwikkeling van een woongebied met 69 woningen op de locatie Nijverheidsweg Aalten. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Aalten. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van de gemeente Aalten.
In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en
44
Motivering (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f) direct voor het artikelnummer '22f' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22f bij het omgevingsplan van de gemeente Aalten. 9.2.1
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele projectgebied en bestaat uit: Artikel 1 Toepassingsbereik: In dit artikel is opgenomen dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het 'Omgevingsplan gemeente Aalten' en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. Het artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn, indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM- omgevingsplan. Artikel 2 Begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. Artikel 3 Wijze van meten: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 9.2.2
Specifieke regels over functies
In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het projectgebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. Hierna worden de functies die zijn opgenomen in de regels nader toegelicht. 'Artikel 4 Groen' De gronden die zijn beoogd als groenvoorziening zijn aangewezen als 'Groen'. Aan deze gronden zijn de functies groenvoorzieningen en bermen, voet- en fietspaden, in- en uitritten, speelvoorzieningen en voorzieningen voor de waterhuishouding toegekend. Binnen deze locaties zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de regels onder het artikel 'bouwactiviteiten'. 'Artikel 5 Tuin' Een deel van de gronden rondom de woningen zijn aangewezen als 'Tuin'. Voor deze gronden gelden de functies tuinen en erven, parkeervoorzieningen met de daarbij horende in- en uitritten, paden en erf- en terreinafscheidingen. Binnen deze locaties zijn, onder voorwaarden, bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. De maatvoeringseisen van de bouwwerken zijn opgenomen in de regels onder het artikel 'bouwactiviteiten'. 'Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied' De locaties waar een weg, parkeervoorzieningen of openbare ruimte zijn voorzien, zijn aangewezen als 'Verkeer - Verblijfsgebied'.
Aan deze gronden zijn de volgende functies toegekend: wegen met een ondergeschikte verkeersfunctie, voet- en fietspaden, bermen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding, buis- en kabelverbindingen voor riolering, nutsbedrijven en overeenkomstige doeleinden, beeldhouwwerken en daarmee gelijk te stellen kunstzinnige elementen. Binnen deze locaties zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de regels onder het artikel 'bouwactiviteiten'. 'Artikel 7 Wonen' De locaties van de nieuwe woningen (en omliggende gronden) zijn aangewezen als 'Wonen'. Voor deze gronden gelden de functies wonen, aan huis verbonden beroepen/en of bedrijven, tuinen en erven, bed & breakfast, parkeer-, speel- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, straatmeubilair en nutsvoorzieningen. Op de verbeelding zijn bouwvlakken opgenomen. Woningen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. Per bouwvlak is aangegeven welke type woning (aaneengebouwd, twee-aaneen, rug-aan-rug) is toegestaan en hoeveel woningen zijn toegestaan. Per type woning is de maximale goot- en
Motivering (ontwerp)
45
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Nijverheidsweg 1 Aalten (hoofdstuk 22f) bouwhoogte aangegeven. Naast de woningen mogen tevens, onder voorwaarden, bijbehorende bouwwerken (bijvoorbeeld bijgebouwen) en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Middels aanduidingen is geregeld dat per appartement en rug-aan-rug woning een berging van 5 m2 mag worden gebouwd. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de regels onder het artikel 'bouwactiviteiten'. Tot slot zijn er voorwaardelijke verplichtingen opgenomen om te borgen dat de benodigde bodemonderzoek (zie afbeelding 6.1 van de motivering) worden uitgevoerd en dat er wordt voldaan aan de hemelwaterbergingeisen van het waterschap. 'Artikel 8 Woongebied' De locatie van het appartementencomplex en de omliggende gronden zijn aangeduid als ‘Woongebied’. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan. Omdat er nog geen duidelijke scheiding bestaat tussen publieke en private functies, is gekozen voor een brede functionele invulling. Voor deze gronden gelden de functies wonen, aan huis verbonden beroepen en/of bedrijven, tuinen en erven, bed & breakfast, parkeer-, speel- en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, straatmeubilair en nutsvoorzieningen. Op de verbeelding zijn bouwvlakken opgenomen; woningen dienen binnen deze bouwvlakken te worden gerealiseerd.
Het maximaal toegestane aantal woningen en de maximale goot- en bouwhoogte zijn daarop aangeduid. Bergingen zijn uitsluitend inpandig toegestaan. Tot slot zijn er voorwaardelijke verplichtingen opgenomen om te borgen dat het vereiste bodemonderzoek (zie afbeelding 6.1 van de motivering) wordt uitgevoerd en dat voldaan wordt aan de eisen voor hemelwaterberging van het waterschap. 9.2.3
Algemene regels over functies
Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied en zijn van algemene aard. 9.2.4
Algemene regels ter bescherming van waarden en objecten
In Hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen die als doel hebben om specifieke waarden in het projectgebied te beschermen. In voorliggend TAM-omgevingsplan gaat het om de volgende waarden. 'Artikel 14 Waarde - Archeologie lage verwachting' De gronden zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie lage verwachting'. Voor deze gronden geldt dat ze behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd zijn voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. 9.2.5
Overgangsregels
In Hoofdstuk 5 staan de overgangsregels. In Artikel 15 is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het omgevingsplan.
46
Motivering (ontwerp)