CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

A25. Raadsmededeling 26-2026 Onderzoeksrapport inkomenseffectmeting KWIZ en doorontwikkeling financiële bestaanszekerheid

Gemeenteraad 21 april 2026, gemeente AaltenBij agendapunt: Mededelingen van de voorzitter en advies van de agendacommissie over de ingekomen stukken28.376 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Raadsmededeling openbaar Nummer Datum B&W datum Beh. Ambtenaar Portefeuillehouder Onderwerp

: : : : : :

26-2026 3 februari 2026 10 februari 2026 F. Siemes J.C. Wikkerink Onderzoeksrapport inkomenseffectmeting KWIZ en doorontwikkeling financiële bestaanszekerheid

Aanleiding: In september 2024 hebben wij de visie op financiële bestaanszekerheid (gericht op armoedebestrijding en schuldhulpverlening) vastgesteld. Op 26 november 2024 heeft uw raad de uitvoeringsnota ‘van armoedebeleid naar financiële bestaanszekerheid’ vastgesteld met de volgende doelstellingen: • • • • •

Armoede en schulden zijn communicerende vaten (in samenhang bezien); Vereenvoudigen van het vinden en krijgen van ondersteuning (niet gebruik terugdringen); Inzetten op meedoen; Inzetten op kinderen en jongeren; Actualisatie van bedragen.

Bij deze herijking hebben wij (met externe procesbegeleiding) vanuit inwonersparticipatie samengewerkt met inwoners uit de doelgroep (vanuit ervaringskennis). Dit heeft geleid tot een breed advies: ‘van Armlastig naar Armslag/van ervaringskennis naar een nieuw armoedebeleid’. Wij hebben dankbaar gebruikgemaakt van dit advies (in de nota verwerkt) en vanuit deze werkgroep is een klankbordgroep ontstaan waar wij vanaf januari 2025 acht tot tien keer per jaar mee in gesprek gaan. Met betrekking tot de monitoring (0-meting) was besloten dat wij in 2025 een effectmeting gingen uitvoeren. Onderzoeksbureau KWIZ heeft deze effectmeting uitgevoerd en op 26 januari 2026 is het integraal rapport effectmeting armoedebeleid 2025 opgeleverd. Het rapport richt zich op verbetering van de dienstverlening aan inwoners, versterking van de samenwerking met ketenpartners en een evaluatie van de doeltreffendheid van de huidige regelingen. De volgende (deel)rapporten zijn opgeleverd: -

Integraal rapport effectmeting armoedebeleid 2025; Behoeftepeiling minima (de ervaringen van minimahuishoudens met rondkomen en de beschikbare ondersteuning in de gemeente Aalten); Inkomenseffectrapportage (de bestedingsruimte in 2025 van minimahuishoudens in de gemeente Aalten); Duidingsrapport dashboard minima 2024.

De resultaten uit dit onderzoek treft u hierbij aan. In het integrale rapport staat een kernachtige samenvatting van alle deelrapporten met aan het eind een conclusie met aanbevelingen. De deelrapporten gaan qua duiding dieper en technischer in op de uitkomsten van de behoeftepeiling, de armoedemonitor en de inkomenseffectmeting. Op een aantal onderdelen vanuit het integrale rapport effectmeting armoedebeleid geven we hieronder een aanvullende duiding of toelichting. Daarnaast gaan we kort in op wat we tot op heden hebben gedaan en hoe we verder gaan vanaf 2026 met de doorontwikkeling van financiële bestaanszekerheid mede in relatie tot de lokale en landelijke ontwikkelingen.

Pagina 1 van 9

Inhoud mededeling: Op pagina 6 van het integrale rapport staat een overzicht van het aantal minimahuishoudens. De inkomensondersteunende regelingen (met uitzondering van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen en de individuele bijzondere bijstand) gaan uit van een inkomensgrens tot 120% van het van toepassing zijnde wettelijk sociaal minimum (wsm) = Participatiewetuitkering. Daarboven wordt nog een draagkrachtberekening gehanteerd, dus bij een hoger inkomen dan die 120% kan er recht bestaan op een gedeeltelijke tegemoetkoming. Tot 120% wsm hebben wij op 31 december 2024 dus 654 huishoudens in beeld. De totale doelgroep tot 120% wsm wordt geschat op 852 huishoudens. Wij hebben dus niet alle minimahuishoudens in beeld, maar bereiken relatief al wel een groot gedeelte van de geschatte doelgroep. Van het genoemd aantal van 654 huishoudens in beeld heeft 40% (261 huishoudens) een uitkering op grond van de Participatiewet (Laborijn). Op 31 december 2024 hadden echter 301 huishoudens een Participatiewetuitkering. Dit laat zien dat minimaal 40 huishoudens wel bij Laborijn een uitkering ontvangen, maar niet bij ons bekend zijn in het kader van inkomensondersteuning.

Dit was onder andere ook de reden dat wij begin februari 2026 een convenant gegevensdeling (beoogde invoeringsdatum Wet proactieve dienstverlening is 1 juli 2026) met Laborijn hebben afgesloten om het niet gebruik tegen te gaan en automatisch te kunnen toekennen. Met betrekking tot het gebruik en bereik van de gemeentelijke regelingen in 2024 (pag. 8 van het integrale rapport) is in onderstaand overzicht nog een uitgavenkolom (2024 én 2025) toegevoegd en het aantal deelnemers dat gebruikmaakt van de Voedselbank (totaal gemiddeld per maand). Regeling

Gebruik in 2024

Bereik 49% 23% 44%

Gemiddeld bereik andere gemeenten 65 – 75% 20 – 30% 40 – 50%

Uitgaven 2024 (subsidie) € 53.534 € 508.776 € 105.932

Uitgaven 2025 (subsidie) € 62.013 € 516.091 € 109.375

Kwijtschelding GB Bijzondere bijstand Individuele inkomenstoeslag Collectieve zorgverzekering Meedoenregeling Kindpakket Jeugdfonds Sport & Cultuur

255 huishoudens 197 huishoudens 174 huishoudens 311 huishoudens

37%

30 – 40%

€ 56.971

€ 57.293

357 huishoudens 83 huishoudens 74 kinderen

42% 35% 16%

30 – 40% 20 – 30% 20 – 30%

€ 123.393 € 66.338 € 20.000

€ 167.165 € 47.009 € 20.000

Voedselbank Totaal

44 huishoudens

--

--

€ 7.065 € 942.009

€ 6.840 € 985.786

Toelichting uitgaven bijzondere bijstand 2024 De bijzondere bijstand bestaat uit diverse kostensoorten (zie pagina 8 onder voetnoot 7) waaronder ook zorgkosten. In totaal maakten 156 huishoudens gebruik van de bijzondere bijstand zorgkosten (o.a. eigen bijdrage CAK, reiskosten, dieetkosten, extra stookkosten of andere eigen bijdragen voor bijvoorbeeld medicijnen). Daarnaast maakten 150 huishoudens gebruik van de bijzondere bijstand voor het wettelijk eigen risico. In totaal gaat het om een bedrag van € 112.343 (is 22% van de totale uitgaven bijzondere bijstand). Er is veel overlap, dus het totaal aantal unieke huishoudens is een percentage van de genoemde 197 + 156 + 150 (is 503) aantal huishoudens. Verder is het noemenswaardig dat een groot gedeelte van het budget bijzondere bijstand opgaat aan de kosten van beschermingsbewind (rond de € 130.000 en is 26% van de totale uitgaven) waar wij (landelijk) vrijwel geen grip op hebben. Daarnaast zitten in de uitgaven bijzondere bijstand ook de uitgaven die Laborijn doet die betrekking hebben op levensonderhoud (bijvoorbeeld aanvullende bijstand < 21 jaar, belastingaanslag, overbruggingsuitkering of woonkostentoeslag). Voor 2024 en 2025 gaat het om respectievelijk € 52.601 en € 49.686.

Pagina 2 van 9

Toelichting uitgaven Kindpakket Over 2025 zijn de uitgaven lager dan in 2024. Dit heeft grotendeels te maken met de uitgaven voor zwemdiploma A+B. In 2024 zijn deze uitgaven meegenomen onder het Kindpakket en in 2025 onder de uitgaven voor de bijzondere bijstand. Toelichting op het bereik en twee voorbeelden Het percentage bereik is gebaseerd op de totale geschatte doelgroep (zie pagina 6 van het integrale rapport) van 100% of tot 120% wsm: 1. Kwijtschelding gemeentelijke belastingen (100% wsm): 255/519 = 49%. 2. Meedoenregeling (120% wsm): 357/852 = 42%. Conclusie Het bereik van onze inkomensondersteunende regelingen ligt in lijn met het gemiddelde bereik in vergelijkbare gemeenten met uitzondering van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen. De Meedoenregeling en het Kindpakket liggen er net iets boven. Hierbij wel de kanttekening dat veel regelingen in vergelijkbare gemeenten anders zijn ingericht (andere inkomensgrenzen, bedragen of anderszins) dus niet volledig één op één te vergelijken. Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen kent een beperkte mate van beleidsvrijheid en hanteert een veel lagere inkomensgrens (100% wsm) en vermogensgrens. Ondanks dat er gebruik gemaakt wordt van de maximale beleidsvrijheid, komt maar een beperkte groep in aanmerking voor kwijtschelding.

Het hebben van een Participatiewetuitkering betekent dus niet automatisch recht op kwijtschelding. Deze discussie (harmonisatie vermogensgrenzen gelijk aan de Participatiewet) loopt al jaren en in september 2024 is hierover een onderzoek-motie (Palmen/Mohandis) aangenomen in de Tweede Kamer. De uitkomsten van dit onderzoek worden in 2026 verwacht. Ook het terugdringen van het niet gebruik van kwijtschelding gemeentelijke belastingen is een belangrijk aandachtspunt. Inkomenseffect rapportage (IER) Dit deelrapport geeft inzicht in de effecten die de landelijke en lokale regelingen hebben op de bestedingsruimte van minimahuishoudens. Voor acht verschillende voorbeeldhuishoudens met verschillende inkomensniveaus (zie bijlage twee IER vanaf pagina 25) is berekend hoeveel zij maandelijks aan landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen kunnen ontvangen. Bij deze voorbeeldberekeningen is er van uitgegaan dat de huishoudens alle landelijke toeslagen en/of lokale regelingen ontvangen waar zij recht op hebben. De praktijk laat echter geregeld zien dat dit geen automatisme is (Belastingdienst attendeert inwoners daarom ook actief op het recht op toeslagen). De bijzondere bijstand en de studietoeslag (via Laborijn) zijn niet in de berekeningen/begrotingen meegenomen gezien het bijzondere karakter/doelgroep van deze regelingen.

Dit heeft voor de betreffende doelgroep uiteraard wel een positief effect op hun bestedingsruimte. Daarnaast zijn voor de berekende inkomenseffecten diverse algemene en bijzondere aannames gedaan en deze zijn gebaseerd op gemiddelden. De bestedingsruimte van huishoudens met een andere situatie ziet er al snel anders uit. Het gaat dan om bijvoorbeeld: betalingsachterstanden en/of schulden (aflossingsverplichting), het hebben van hoge(re) zorgkosten, (extra) vervoerskosten, huisdieren, een slecht geïsoleerde woning (hoge energierekening) of andere bijzondere uitgaven c.q. financiële tegenslagen. Belangrijkste conclusie De gemeentelijke regelingen bieden (extra) financiële bestedingsruimte voor alle huishoudens bij de laagste inkomens. Daarbij nogmaals de nuancering dat deze bestedingsruimte een stuk lager kan zijn door allerlei andere bijzondere uitgaven zoals hierboven aangegeven. Verschillende huishoudens zijn bij de laagste inkomens afhankelijk van de gemeentelijke regelingen om rond te komen. Twee huishoudtypen hebben het moeilijker op bijstandsniveau en bij een inkomen tot 110%, te weten: 1. Alleenstaande pensioengerechtigden met een (hoge) zorgvraag; 2. Echtparen met meerderjarige inwonende kinderen.

Pagina 3 van 9

Ad 1 De zorgverzekeringswet (basis- en aanvullende verzekering) vergoedt soms niet of alleen maar gedeeltelijk (eigen bijdrage). Via de bijzondere bijstand kunnen wij tegemoetkomen, maar ook niet altijd volledig. Achteraf kan via de aangifte inkomstenbelasting (zeker bij alleen AOW en/of een klein aanvullend pensioen) nog een bedrag worden terugontvangen via de regeling tegemoetkoming specifieke zorgkosten. Maar het nieuwe kabinet wil deze regeling vanaf 2028 schrappen. Dit is dus wel een doelgroep die extra aandacht behoeft. Maar ook andere doelgroepen kunnen te maken hebben met hoge(re) zorgkosten. Het nieuwe kabinet (Coalitieakkoord 2026 – 2030) is voornemens om het eigen risico vanaf 2027 te verhogen naar € 460. Daartegenover staat wel het voornemen dat gemeenten 350 miljoen krijgen om chronisch zieken en mensen met een beperking financieel te ondersteunen. Dit nemen we mee in de doorontwikkeling van ons armoedebeleid. Ad 2 In de voorbeeldberekening is uitgegaan van 2 kinderen van 18 en 23 (één studerend en één met een uitkering). Bij deze huishoudens zie je een andere cumulatie van inkomenseffecten ontstaan. Er bestaat geen recht meer op kinderbijslag en kindgebonden budget en een gedeelte van het inkomen van een (niet studerend kind) kan worden meegeteld in de hoogte van de toeslagen. Daarnaast vallen de gemeentelijke regelingen voor de kinderen weg.

Ook wordt ervan uitgegaan dat kinderen dan meebetalen aan het huishouden, maar zij hebben ook hun eigen uitgaven. Ook deze doelgroep verdient extra aandacht. Een derde doelgroep die in onze ogen onvoldoende in het rapport in beeld komt, zijn de éénoudergezinnen waarin de kinderen (en zeker het laatste jongste kind) 18 worden en de éénouder dan ‘alleenstaande’ wordt. Ook hier vervallen de kinderbijslag, het kindgebonden budget (en daarmee ook de alleenstaande ouderkop) en de gemeentelijke kindregelingen. In december 2025 heeft het Nibud hierover het rapport ‘de financiële knip op 18 jaar’ (inzicht in de financiële gevolgen voor huishoudens met thuiswonende jongeren en de ervaringen uit de praktijk) gepubliceerd. De uitkomsten bevestigen het beeld dat deze doelgroep (gezinnen met inwonende meerderjarige kinderen) het financieel lastig heeft. Dit geldt dus ook voor echtparen met meerderjarige inwonende kinderen. De financiële gevolgen zijn substantieel en deze twee doelgroepen verdienen extra aandacht. Financiële effecten bij werkaanvaarding Alle huishoudens gaan erop vooruit wanneer zij gaan werken vanuit de bijstand. Echter, het (gedeeltelijk) wegvallen van gemeentelijke regelingen (al dan niet in combinatie met afnemende toeslagen), kan bij extra werkaanvaarding (van 120 naar 130% wsm) voor meerdere huishoudtypen zorgen voor een terugval in het maandbudget.

Werken loont dan niet altijd. Zoals aangegeven hanteren wij nog wel een draagkrachtberekening voor meerdere regelingen boven 120% wsm, waardoor niet direct de inkomensondersteuning volledig wegvalt. De draagkrachtberekening kan dus de terugval in maandbudget voor een klein gedeelte opheffen. Bijna alle huishoudens krijgen minder bestedingsruimte als zij vanuit een situatie van een langdurig minimuminkomen (> 3 jaar) gaan werken tegen een inkomen van 130% wsm. Het wegvallen van de individuele inkomenstoeslag zorgt, al dan niet in combinatie met het wegvallen van andere gemeentelijke regelingen en het dalen van toeslagen, voor een lager maandbudget. Het begrip armoedeval wordt hierbij vaak gebruikt. Werkende armen De afgelopen jaren en ook in 2025 zijn diverse rapporten verschenen over deze doelgroep. Ook loopt er nu nog een landelijk breed onderzoek vanuit de Erasmus Universiteit Rotterdam waarbij in kaart wordt gebracht hoe deze doelgroep in deze situatie terechtkomt, welke veranderingen er zijn in hun leven en wat ervoor kan zorgen dat hun armoedeproblemen verminderen of zelfs verdwijnen. Ook heeft de fractie van de CU hierover eind oktober 2025 vragen gesteld (zie raadsmededeling 1432025). Recent kopte De Gelderlander: ‘ook met baan een leven in armoede’ en dit artikel liet de volgende cijfers zien:

Pagina 4 van 9

-

In 2024 telde Nederland 175.000 arme werkenden (wel een baan maar te weinig geld); Van de helft van de groep arme werkenden ligt het inkomen meer dan 25% onder de armoedegrens; In 2024 leefde 1,1% van de zzp’ers al drie jaar of langer in armoede. In loondienst is dat 0,2%; 44% van de arme werkenden werkte niet het hele jaar. Onder alle werkenden is dat 10%.

Bijna de helft van de werkenden onder de armoedegrens woont alleen, blijkt uit het onderzoek van Ipsos I&O gepubliceerd in december 2025 in opdracht van het ministerie van SZW. Dit onderzoek heeft als doel inzicht te geven in de financiële situatie, geldstress en sociale aspecten onder de doelgroep alleenstaande werkenden. De nieuwste cijfers van het CBS laten zien dat, van de mensen die werken (loondienst en zelfstandigen), 2% in armoede leeft en dat dit aantal groeit. Dit heeft onder meer te maken met het wegvallen van de energietoeslag (2022 en 2023), met inflatie, met de kosten van kinderopvang of andere werkgerelateerde kosten, maar ook wisselende parttime-inkomsten. Zelfs modale inkomens komen vaker klem te zitten. Dit is een zorgelijke ontwikkeling zeker nu het nieuwe kabinet ook nog voornemens is om de belastingen te verhogen en een aantal heffingskortingen (algemene heffingskorting en de arbeidskorting) te gaan afbouwen. Tegelijkertijd wordt er wel gezegd dat werken moet lonen en dat hiervoor mogelijke maatregelen worden onderzocht. Het Rijk is verantwoordelijk voor het inkomensbeleid en moet ervoor zorgdragen dat (meer) werken loont. Het Instituut voor Publieke Economie stelt in haar rapport (januari 2025) ‘Een eerlijker en eenvoudiger armoedebeleid’ dat er geen helder onderscheid meer bestaat tussen armoedebestrijding en inkomensbeleid.

Gemeenten vullen steeds meer gaten in het landelijk inkomensbeleid. Ook Divosa geeft in haar rapport (november 2025) ‘Verkenning armoededienstverlening, naar impactvolle armoededienstverlening in een rechtvaardig stelsel’, aan dat het Rijk, gemeenten, maatschappelijke en publieke partners moeten gaan werken aan een landelijk armoedekader met een duidelijke norm voor een voorspelbaar en toereikend inkomen (in navolging van de commissie Sociaal Minimum). Vorig jaar is ook de landelijke top 10 ‘Verklaring bestaanszekerheid, meer bestaanszekerheid door vereenvoudiging en hervorming’ getekend. Een zeker en toereikend inkomen zorgt ervoor dat mensen optimaal mee kunnen doen aan de samenleving, werkend of via andere vormen van participatie! Conclusie De doelgroep werkende armen (met geldzorgen) groeit en ook het onderzoek van KWIZ laat zien dat er negatieve financiële effecten zijn bij werkaanvaarding (zeker vanaf 120% wsm). Daarnaast is het bereiken van deze doelgroep (en dus het niet gebruik van al dan niet aanvullende gemeentelijke inkomensondersteuning) een lastig punt. In overleg met communicatie gaan we onderzoeken hoe we deze groep qua informatievoorziening beter en eenvoudiger kunnen bereiken. Dit moet aansluiten op de bevindingen vanuit het rapport klantreizen en de klankbordgroep armoede.

Behoeftepeiling minima Wij hebben een vragenlijst gestuurd naar inwoners die gebruikmaken van de Meedoenregeling en/of ondersteuning vanuit het Meedoenpact en we hebben 111 vragenlijsten terugontvangen. Dit is een respons van 31% en is niet voldoende groot om betrouwbare uitspraken over de hele doelgroep te doen (de resultaten zijn dus indicatief): • 69% vindt de informatie over de regelingen belangrijk; • 65% weet waar hij terechtkan bij vragen over de regelingen; • 45% ontvangt voldoende informatie over de regelingen; • 36% vindt de informatie goed vindbaar. Het eerste contact bij vragen over geld, vond voor de meeste respondenten plaats bij een consulent van de gemeente (29%) of bij Laborijn (28%). Degenen die contact hebben gehad met een consulent van de gemeente hebben het volgende aangegeven: - 90% vindt dat de consulent de tijd voor hen nam; - 90% vindt dat de consulent naar hen luisterde; - 85% vindt dat de consulent alles goed uitlegde, hen serieus nam en begrip had voor de situatie.

Pagina 5 van 9

Tot slot konden respondenten tips en opmerkingen achterlaten. Deze gingen onder andere over de informatievoorziening, aanvragen van regelingen en extra financiële voorzieningen. Conclusie De uitkomsten laten zien dat rondom informatievoorziening en het aanvragen van regelingen het zeker nog beter kan. Hier ligt een duidelijke verbinding met de resultaten uit het participatief onderzoek ‘Klantreizen en U Spreekt (zie raadsmededeling 1-2026)’. De resultaten uit bovenstaande behoeftepeiling nemen wij mee in het vervolg van genoemde klantreizen (die richting geven aan drie belangrijke projecten: Herinrichting Toegang, Sterke Lokale Teams en Uitvoering visie dienstverlening). Groepsgesprek ketenpartners Vanuit de sociale basis werken wij volop samen met onze formele ketenpartners zoals Laborijn, Figulus, Sensire (Algemeen Maatschappelijk Werk en Sociaal Raadsliedenwerk), Humanitas, MEE Samen, GGD/Yunio, het onderwijs en De Woonplaats. Een aantal van deze organisaties bemenst ook het Vraag- en Advies Team (VAT) Aalten. Maar ook met de informele partners zoals het Meedoenpact, de Voedselbank, de Stichting Diaconale Hulpverlening Aalten en de Openkerk kerngroep werken we nauw samen. Uit het groepsgesprek met ketenpartners komt onder andere het volgende naar voren: • • • • • •

Werkenden en ouderen zijn groeiende aandachtsgroepen in de gemeente; De gemeente biedt relatief veel regelingen aan voor inwoners met een laag inkomen. De ketenpartners zien verbetermogelijkheden in de vormgeving en uitvoering van de regelingen; Ketenpartners geven input voor het vereenvoudigen van het aanvraagproces; In de gemeente wordt al veel ondernomen om inwoners te informeren; Er is behoefte aan betere persoonlijke ondersteuning voor inwoners; De samenwerking is in de basis goed, maar er is ruimte voor verbetering in de continuïteit, de communicatie en de laagdrempeligheid van de hulpverlening.

Voor verschillende ontwikkelingen wordt aandacht gevraagd, zoals de doelgroepen met een migratieachtergrond, zzp’ers, jongeren die 18 worden en de groep alleenstaanden. Ook de kosten voor met name het mbo vormen een steeds grotere financiële last voor gezinnen. Conclusie Veel van wat door ketenpartners wordt aangegeven over de doelgroep, het aanbod aan minimaregelingen, het aanvraagproces, de informatievoorziening en samenwerking is hierboven grotendeels al benoemd en/of herkenbaar. Wij blijven met hen in gesprek (jaarlijkse bijeenkomst voor netwerkpartners maar ook via de subsidierelatie), en we maken zeker ook de verbinding naar de ontwikkeling van sterke lokale teams en herinrichting van de toegang. Aanbevelingen van het KWIZ onderzoeksrapport en vervolg Op basis van de onderzoeksresultaten zijn 7 aanbevelingen (vanaf pagina 16 van het integraal rapport) per thema geformuleerd met betrekking tot de doelgroep (2), de gemeentelijke regelingen (1), het aanvraagproces (1), over rondkomen (1) en het sociaal veld (2). De resultaten uit dit onderzoeksrapport gaan wij bespreken met (de werkgroep Participatie van) de Sociale Raad, de klankbordgroep armoede, met onze netwerkpartners en de commissie Sociaal Domein van de raad.

Deze uitkomsten nemen wij mee in de doorontwikkeling van ons beleid financiële bestaanszekerheid dat onderdeel gaat uitmaken van de dit jaar te herijken nota Sociaal Domein en een daarop gebaseerde meerjarige uitvoeringsagenda. Nationaal programma armoede en schulden en (extra) middelen In het licht van het bovenstaande zijn wij benieuwd hoe het nieuwe kabinet verder gaat met het Nationaal Programma Armoede en Schulden (NPAS) in relatie tot de (inhoudelijke en financiële) hervormingsagenda inkomensondersteuning. Het NPAS richt zich op drie pijlers: • Het voorkomen van armoede; • Het sneller helpen van inwoners met financiële problemen; • Het doorbreken van langdurige armoede en generatiearmoede.

Pagina 6 van 9

In het Coalitieakkoord van het nieuwe kabinet staat over het thema armoede en schulden onder andere: ‘Vanuit de noodzaak om tot een toekomstbestendige sociale zekerheid en zorg te komen, zijn hervormingen nodig die niet altijd voor iedereen direct een voelbare verbetering zijn. Het is voor ons belangrijk dat niemand daarbij door het ijs zakt. Daarom zetten we ambitieus in om zoveel mogelijk mensen uit de armoede te halen of te voorkomen dat ze erin komen. We zien ook dat, hoewel het aantal mensen in armoede daalt en historisch laag is, de intensiteit van de resterende armoede toeneemt. Dit vinden we een zorgelijke ontwikkeling en daarom nemen we gerichte maatregelen om die kwetsbare groep, die voor een groot deel bestaat uit werkende armen, te helpen. We investeren in armoedebeleid en een effectieve aanpak en preventie van schulden. Ook komen we chronisch zieken tegemoet voor hun ziektekosten’. ‘We werken aan financiële weerbaarheid. Om grip te krijgen op de portemonnee zorgen we dat alle regelingen van de overheid op een vast moment in de maand worden uitbetaald. Ook streven we samen met aanbieders van vaste lasten zoals banken, zorgverzekeraars en energiemaatschappijen naar één vaste betaaldag voor de maandlasten als de klant dit wenst.

In overleg met gemeenten werken we aan vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen, zodat je kan rondkomen ongeacht je postcode. Dit maakt voor mensen het aanbod en de aanvraag van regelingen overzichtelijker. Armoede-, schulden- en re-integratiebeleid van gemeenten wordt hierbij ook meer geüniformeerd’. Thema’s als energiearmoede (vanuit het Social Climate Fund komt er een publiek energiefonds vanaf 2027 waarbij één voorstel is om huishoudens met een laag inkomen en een hoge energierekening financieel te ondersteunen en helpen de woning energiezuiniger te maken), bestrijding kinderarmoede (recent bijvoorbeeld de discussie over brillen voor kinderen en het voornemen voor gratis schoolfruit), vroegsignalering van betalingsachterstanden maar zeker ook het op orde brengen van de landelijke financiële basis (een zeker en toereikend inkomen) blijven c.q. worden de komende jaren belangrijke speerpunten. Basisdienstverlening schuldhulpverlening De (elementen van de) basisdienstverlening schuldhulpverlening is door het Rijk ontwikkeld om te zorgen voor een landelijk minimum aan kwaliteit en toegankelijkheid van ondersteuning bij schulden.

De aanleiding hiervoor is dat inwoners met financiële problemen vaak afhankelijk waren van grote lokale verschillen: de snelheid van hulp, de beschikbaarheid van ondersteuning en de manier van werken varieerden sterk per gemeente. Hierdoor kregen inwoners niet altijd tijdig hulp en ontstonden er ongelijkheid en onduidelijkheid in het stelsel. De basisdienstverlening legt vast wat elke gemeente minimaal moet bieden aan inwoners met (dreigende) schulden. Het doel is een meer voorspelbare en toegankelijke dienstverlening, waarbij inwoners weten waar ze op kunnen rekenen, ongeacht waar ze wonen. Het programma richt zich op: -

snelle, toegankelijke en effectieve ondersteuning voor iedereen, zodat schulden niet verder oplopen en inwoners eerder perspectief krijgen; minder lokale verschillen in kwaliteit, snelheid en aanbod, zodat de ondersteuning in elke gemeente op een basaal goed niveau ligt; duidelijkheid over minimale normen, terwijl gemeenten tegelijk ruimte houden om aanvullend beleid te voeren of extra ondersteuning te bieden waar dat nodig is.

In de budgettaire bijlage van het Coalitieakkoord is te lezen dat het nieuwe kabinet vanaf 2027, boven op de huidige middelen, structureel € 150 miljoen reserveert voor de aanpak van armoede en problematische schulden. Maar we weten nog niet hoe het wordt besteed, welk deel naar gemeenten gaat en wat er overblijft na parlementaire onderhandelingen. Verder is niet duidelijk hoe dit zich verhoudt tot de huidige gemeentelijke budgetten en de envelop ‘groepen in de knel’ van het huidige demissionaire kabinet. Naar verwachting geeft de septembercirculaire 2026 hier mee duidelijkheid over. Wat hebben we tot op heden gedaan Vanaf januari 2025 zijn wij aan de slag gegaan met de volgende punten:

Pagina 7 van 9

• • • • • • • • • • • •

De effectmeting van ons armoedebeleid; De klankbordgroep armoede ingesteld (met 12 leden vrijwilligersovereenkomsten afgesloten); De Voorzieningenwijzer (regelingencheck) ingevoerd om het niet gebruik terug te dringen; De verbinding gezocht met de Gelijke Kansen Alliantie en onder andere een dienstverleningsovereenkomst afgesloten met de Stichting babyspullen; Nieuwe overeenkomst met Menzis (gemeentepolis minima) afgesloten (medio 2026 volgt een landelijke evaluatie met betrekking tot gemeentepolissen voor minima); Verlenging van het Jeugdfonds Sport en Cultuur maar wel meer aansluitend op onze Meedoenregeling; De (energie)bespaarhulp aan huis en de Witgoedregeling (aanpak energiearmoede) geïntensiveerd; Verdere vereenvoudiging van formulieren (o.a. met de klankbordgroep armoede) en meer automatische toekenning; Vraag- en Advies Team (VAT) Aalten verder verstevigd; De informatievoorziening geïntensiveerd (flyer voor verwijzers en hulpverleners, meer informatie via de lokale Meedoenuitgave en onze informatie gedeeld via de website van het Meedoenpact); Een verjaardagskaart 18- / 18+ (samen met de jongerenraad) en een brief voor de ouders geïntroduceerd; Een convenant met Laborijn afgesloten met betrekking tot gegevensdeling (terugdringen niet gebruik) in het kader van proactieve dienstverlening.

Waar zetten we nu verder nog op in Zoals hierboven aangegeven gaan wij verder (participatief) aan de slag met de uitkomsten van het onderzoeksrapport. Daarnaast zijn/gaan we bezig met de volgende punten: -

-

-

Met de klankbordgroep armoede gaan we, naast het bespreken van de uitkomsten van het inkomenseffectonderzoek, de uitkomsten van het klantreisonderzoek bespreken. De focus leggen op een aantal specifiek genoemde financieel kwetsbare doelgroepen zoals werkende armen, (éénouder-)gezinnen met inwonende meerderjarige kinderen en chronisch zieken (met veel zorgkosten); Blijvend inzetten op terugdringen niet gebruik en extra focus op kwijtschelding gemeentelijke belastingen; De informatievoorziening (rekening houdend met de aanbevelingen uit het rapport klantreizen en uit het rapport van de klankbordgroep armoede) vereenvoudigen en verbeteren; Vanuit duurzaamheid en armoedebestrijding de aanpak van energiearmoede verder vormgeven (beoogde inwerkingtreding wet publieke energiefonds is 1 januari 2027); Met het Meedoenpact een leerfonds (in afstemming met de Stichting Leergeld) opzetten.

We richten ons op het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs waarbij ook gekeken wordt naar de landelijke mogelijkheden via het Nationaal Fonds Kinderhulp en het Jeugdeducatiefonds (krijgen tijdelijk extra middelen van het Rijk); Diverse kostensoorten binnen de bijzondere bijstand (her)beoordelen; Beleidsregels bijzondere bijstand en inkomensondersteuning actualiseren; Aan de slag met de basiselementen van de schuldhulpverlening (beleidsmatige en inhoudelijke positionering) met bijzondere aandacht voor preventie en vroegsignalering; Een convenant met beschermingsbewindvoerders aangaan om inwoners met een schuldenbewind door te geleiden naar de schuldhulpverlening (en daarmee uiteindelijk ook de uitgaven bijzondere bijstand enigszins te reduceren). Hierbij worden de uitkomsten van de evaluatie (medio 2026) van de Wet adviesrecht gemeenten bij schuldenbewind betrokken; We zijn in gesprek met Humanitas financiële thuisadministratie om met hen een pilot te gaan draaien met betrekking tot vroegsignalering (van betalingsachterstanden). Daarnaast zijn Laborijn (het ondernemerssteunpunt), de gemeente Doetinchem en Aalten met Humanitas in gesprek om zzp’ers met financiële problemen te ondersteunen.

Tot slot We mogen concluderen dat ons gemeentelijk armoedebeleid vrij goed in de steigers staat en dit zo ook wordt ervaren door onze inwoners, de klankbordgroep armoede en onze ketenpartners. Binnen onze mogelijkheden dragen wij bij aan het versterken van financiële bestaanszekerheid. Uiteraard zijn er altijd verbeteringen mogelijk en daar blijven wij op inzetten, maar we zijn daarbij ook afhankelijk

Pagina 8 van 9

van de rijksoverheid die over inkomenspolitiek gaat, de beschikbare (extra) middelen en de economische ontwikkelingen. We blijven ons samen met alle formele en informele partners inzetten om deze groep inwoners in een financieel kwetsbare situatie te ondersteunen. Armoede en schulden zijn communicerende vaten (in samenhang blijven bezien) en zijn zeker niet los te zien van de beleidsterreinen rondom de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet, werk en inkomen, inburgering, laaggeletterdheid, gezondheidszorg en het onderwijs. Dit laat het bijgevoegde duidingsrapport dashboard minima 2024 ook zien. Op de pagina’s 12 en 13 van dit rapport is het gebruik en overlap van gemeentelijke voorzieningen van minimahuishoudens in beeld gebracht. Dit laat de noodzaak van (blijvend) integraal werken binnen het brede sociaal domein (maar ook het fysiek domein) zien!

De volgende stukken zijn voor u bijgevoegd: - Integraal rapport effectmeting armoedebeleid 2025; - Behoeftepeiling minima (de ervaringen van minimahuishoudens met rondkomen en de beschikbare ondersteuning in de gemeente Aalten); - Inkomenseffectrapportage (de bestedingsruimte van minimahuishoudens in de gemeente Aalten); - Duidingsrapport dashboard minima 2024.

Pagina 9 van 9

Effectmeting Armoedebeleid 2025 Integraal rapport Gemeente Aalten

Opdrachtgever Gemeente Aalten Datum Januari 2026 Auteurs Jitske Kooistra Anieta Boer KWIZ Stavangerweg 23 - 5 9723 JC Groningen 050 - 5252473 contact@kwiz.nl Uitgave Deze publicatie is een uitgave van KWIZ. Het overnemen van cijfers en/ of teksten is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook zonder voorafgaande toestemming van KWIZ.

2

Inhoudsopgave Inleiding .................................................................................................................................... 4 Deelonderzoeken ...................................................................................................................... 6 D1. Armoedemonitor.............................................................................................................. 6 Minimahuishoudens ........................................................................................................... 6 Kinderen in een minimahuishouden (tot 18 jaar) ................................................................. 7 Bereik minimaregelingen .................................................................................................... 7 D2: Inkomenseffect Rapportage............................................................................................. 9 D3. Behoeftepeiling minima (bevindingen uit de enquête) .................................................... 10 D4. Groepsgesprek ketenpartners ....................................................................................... 13 Conclusie & aanbevelingen ..................................................................................................... 16 C1.

Doelgroep ..................................................................................................................... 16 C.2 Gemeentelijke regelingen .............................................................................................. 17 C.3 Sociaal veld................................................................................................................... 18

3

Inleiding In 2024 is het nieuwe beleidskader ‘van armoedebeleid naar financiële bestaanszekerheid’ vastgesteld in de gemeente Aalten. Deze nota beoogt een doorontwikkeling van het armoedebeleid vanaf 2025 vanuit de visie op financiële bestaanszekerheid. Onderdeel van deze nota is de monitoring van het armoedebeleid middels een effectmeting. KWIZ voert de effectmeting voor de gemeente Aalten uit. Het onderzoek bestaat uit een Armoedemonitor (met Dashboard Minima), behoeftepeiling onder de doelgroep van het minimabeleid, een groepsgesprek met ketenpartners en de Inkomenseffect Rapportage. Het voorliggende rapport betreft het integrale rapport met de bevindingen op hoofdlijnen. Het onderzoek bestaat uit vier onderdelen. Allereerst is een Armoedemonitor opgesteld waarin de omvang en de kenmerken van de doelgroep cijfermatig in kaart zijn gebracht. Ten tweede is er een inkomenseffect rapportage opgesteld, waarin de effecten van het landelijke en het lokale beleid op de bestedingsruimte van minimahuishoudens wordt weergegeven. Daarnaast is een enquête uitgezet onder de doelgroep om de ervaringen van de inwoners rondom het gemeentelijke beleid te inventariseren. Als vierde onderdeel is een groepsgesprek georganiseerd met organisaties (ketenpartners) die de doelgroep ondersteunen om zo hun ervaringen met het gemeentelijke beleid inzichtelijk te maken.

In dit integrale rapport zijn de resultaten van alle deelonderzoeken weergegeven en voorzien van een overkoepelende conclusie. De deelonderzoeken kennen verschillende meetperiodes: - De Armoedemonitor heeft als peildatum 31-12-2024. Dit is het meest recente moment waarop in 2025 teruggekeken kan worden naar de omvang van de minimapopulatie én het gebruik van de minimaregelingen te meten over een volledig kalenderjaar - De Inkomenseffect Rapportage geeft een zo actueel mogelijke weergave van de situatie op het moment van opstellen. Deze rapportage gaat over 2025. - In 2025 zijn ook de ervaringen van de doelgroep opgehaald middels een enquête. - Na het verzamelen van alle resultaten heeft er aan het eind van 2025 een groepsgesprek plaatsgevonden met ketenpartners van de gemeente om hun ervaringen op te halen en een aantal voorlopige bevindingen te toetsen. Onderzoeksmethode Armoedemonitor De omvang en samenstelling van de minimapopulatie worden inzichtelijk gemaakt in de Armoedemonitor. Hiervoor zijn verschillende registratiebestanden gepseudonimiseerd aangeleverd, gekoppeld en geanalyseerd. Het gaat hierbij zowel om gemeentelijke registratiebestanden als om gemeentelijke voorzieningen, betalingsachterstanden bij het CAK en de Participatieladder. Daarnaast geeft de Armoedemonitor inzicht in het gebruik en bereik van de minimaregelingen over het gehele jaar 2024.

De resultaten van de Armoedemonitor zijn verwerkt in een online dashboard en van toelichting voorzien in een bijgaand duidingsrapport. Onderzoeksmethode inkomenseffecten In de inkomenseffect rapportage berekenen we voor acht verschillende voorbeeldhuishoudens met verschillende inkomensniveaus hoeveel zij maandelijks aan gemeentelijke regelingen en landelijke toeslagen kunnen ontvangen. Het gaat om inkomens van 100, 110, 120, en 130 procent van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm), en voor langdurige minimahuishoudens. Met behulp van landelijke inkomensnormen, landelijke toeslagen en informatie over gemeentelijke regelingen is per huishoudtype het inkomen bepaald. Vanuit verschillende bronnen stellen we daarnaast per huishoudtype een bedrag aan uitgaven vast. Waar mogelijk baseren wij de uitgaven op lokale tarieven. Ten slotte worden de gemeentelijke regelingen omgezet in een maandbedrag. Op die manier ontstaat per huishoudtype een overzicht van de inkomsten en uitgaven per maand. De inkomenseffect rapportage geeft inzicht in de bestedingsruimte van minimahuishoudens in 2025: kunnen zij rondkomen? En wat verandert er als zij gaan werken?

4

Onderzoeksmethode behoeftepeiling minima Om de ervaringen van de minimapopulatie in kaart te brengen is er een enquête verspreid onder de doelgroep. In de vragenlijst kwamen de volgende thema’s aan bod: • Contact (met de gemeente); • Financiële ondersteuning: gemeentelijke regelingen en andere organisaties; • Meedoen; • Financiële situatie: rondkomen en aanvullende ondersteuningsbehoefte; • Tips en opmerkingen De doelgroep van dit onderzoek bestaat uit inwoners van de gemeente Aalten die in 2025 gebruik hebben gemaakt van de Meedoenregeling (356 huishoudens) en/of ondersteuning van het Meedoenpact (circa 400 huishoudens). Er kan overlap bestaan tussen deze groepen, dus het aantal unieke huishoudens dat een uitnodiging heeft gekregen om deel te nemen aan het onderzoek kan niet berekend worden1. De vragenlijsten zijn in mei 2025 verstuurd. Respondenten konden de vragenlijst zowel schriftelijk als digitaal invullen: • Gebruikers Meedoenregeling: deze huishoudens hebben de vragenlijst schriftelijk ontvangen via de post en konden de vragenlijst schriftelijk én online invullen. • Gebruikers Meedoenpact: deze huishoudens zijn online aangeschreven via een e-mail en konden de vragenlijst online invullen. Halverwege juni is een herinneringsmail gestuurd aan deze groep. In totaal hebben 111 respondenten de vragenlijst ingevuld (51 digitaal, 60 op papier).

Dat is 31 procent van de aangeschreven doelgroep: gebruikers van de Meedoenregeling. Dit is een gemiddeld tot hoog responspercentage onder deze doelgroep. Echter, aangezien de totale doelgroep relatief klein is, is de respons niet voldoende groot om betrouwbare uitspraken te doen over de doelgroep2. De resultaten dienen als indicatief te worden beschouwd. Onderzoeksmethode groepsgesprek ketenpartners Om de ervaringen van ketenpartners te inventariseren heeft er een groepsgesprek plaatsgevonden aan het eind van het onderzoek. Het groepsgesprek had de volgende doelen: • Signaleren van trends en ontwikkelingen in de doelgroep • Ervaringen van ketenpartners m.b.t. minimabeleid in beeld krijgen • Samenwerking met gemeente en onderling bespreken • Toetsen van een aantal voorlopige bevindingen van het onderzoek. In oktober 2025 heeft het groepsgesprek plaatsgevonden met verschillende partners uit zeven organisaties/ initiatieven. Leeswijzer Het rapport begint met een samenvatting van de resultaten uit de vier deelrapporten. Vervolgens worden in het volgende hoofdstuk conclusies geformuleerd voor de gemeente.

1

Het was niet mogelijk om deze groepen te ontdubbelen omdat de gebruikers van de Meedoenregeling bij de gemeente in beeld zijn, en de gebruikers van het Meedoenpact bij het Meedoenpact in beeld zijn. Deze organisaties hebben voor dit onderzoek geen persoonsgegevens uitgewisseld. 2 Voor een doelgroep van deze omvang is bij een betrouwbaarheidsniveau van 90 procent een respons nodig van 154 ingevulde enquêtes (43 procent) om betrouwbare uitspraken te kunnen doen.

5

Deelonderzoeken In dit hoofdstuk staan de belangrijkste bevindingen weergegeven van de verschillende deelonderzoeken.

D1. Armoedemonitor • • •

Het totale aantal huishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm wordt geschat op 852 huishoudens met een vermogen binnen de grenzen van de Participatiewet. Daarvan heeft de gemeente Aalten 654 huishoudens in beeld. Het totaal aantal kinderen dat opgroeit in een minimahuishouden op 120 procent Wsm schatten we op 456 kinderen. Het bereik van de regelingen in de gemeente liggen in lijn met gemiddelde bereik in vergelijkbare gemeenten óf hebben een bereik dat lager ligt dan gemiddeld.

Op basis van verschillende gepseudonimiseerde registratiebestanden is het aantal minimahuishoudens dat de gemeente in beeld heeft3, in kaart gebracht. Door koppeling met het BRP kunnen de kenmerken van deze huishoudens worden weergegeven. Ook is door middel van de Armoede Index een schatting gemaakt van de totale minimapopulatie in de gemeente Aalten. Voor de uitgebreide resultaten verwijzen we u graag naar het online dashboard.

Minimahuishoudens Op 31 december 2024 had de gemeente 374 huishoudens in beeld met een inkomen op bijstandsniveau (3 procent van alle huishoudens in de gemeente4). Op 120 procent Wsm had de gemeente in totaal 654 huishoudens in beeld (5 procent van alle huishoudens in de gemeente Aalten). De gemeente heeft niet alle minimahuishoudens in beeld; het totale aantal huishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm wordt (door middel van de Armoede Index) geschat op 852 huishoudens (7 procent van alle huishoudens). Dit aandeel ligt in lijn met vergelijkbare gemeenten, waar een aandeel van 7 tot 9 procent gangbaar is. Tabel 1.1.1 Minimahuishoudens naar inkomensverdeling Inkomen t.o.v. Wsm In beeld Tot 100% Wsm 374 3% 100 tot 120% Wsm 280 2% Totaal 654 5%

Schatting totale doelgroep 519 4% 333 3% 852 7%

Kenmerken minimahuishoudens Inkomensbron. Van de 654 huishoudens met een inkomen tot 120 procent die de gemeente Aalten in beeld heeft, heeft 40 procent een uitkering vanuit de Participatiewet. Verder heeft 34 procent een inkomen vanuit een overige inkomensbron (zoals werk of een WW-uitkering) en ruim een kwart (26 procent) heeft een AOW-uitkering.

3

Dit zijn huishoudens die bekend zijn bij de gemeente omdat zij gebruik maken van een minimaregeling of een uitkering vanuit de Participatiewet ontvangen. 4 Het percentage is gebaseerd op het aantal minimahuishoudens ten opzichte van alle huishoudens in de gemeente Aalten. Op de peildatum van het onderzoek (en de BRP) vinden we in de analyse in totaal 12.272 huishoudens in de gemeente Aalten. Dit totale aantal ligt iets boven het aantal huishoudens dat het CBS rapporteert op dat moment (11.845 huishoudens). De verklaring hiervoor is dat het CBS alleen het aantal particuliere huishoudens weergeeft. In Aalten wonen ook 495 huishoudens in een institutioneel huishouden – het CBS deelt deze personen niet in huishoudens in bij haar telling. KWIZ deelt die personen wel in huishoudens in. Veel van deze personen worden als alleenstaand gezien.

6

Huishoudsamenstelling en kern. Het aandeel alleenstaanden ligt met 61 procent hoger dan gemiddeld; landelijk ligt dit aandeel tussen de 50 tot 55 procent. Verder bestaat de minimapopulatie in beeld voor 16 procent uit eenoudergezinnen5 en voor 13 procent uit meerpersoonshuishoudens met kinderen. Het grootste aandeel minimahuishoudens woont in de kern Dinxperlo Centrum/Oost (23 procent) en in Aalten-kern Centrum (22 procent).

Kinderen in een minimahuishouden (tot 18 jaar) Bij de kinderen in een minimumhuishouden laten we, net zoals bij de minimahuishoudens, zien hoeveel kinderen de gemeente in beeld heeft en hoe groot wij het totale aantal kinderen in minimahuishoudens in de gemeente schatten. Niet alle minimahuishoudens met kinderen maken immers gebruik van de beschikbare gemeentelijke voorzieningen; daardoor zijn niet alle kinderen in beeld. Op 31 december 2024 had de gemeente 215 kinderen in een minimumhuishouden in beeld met een inkomen op bijstandsniveau (4 procent van alle kinderen in de gemeente). Op 120 procent Wsm had de gemeente in totaal 323 kinderen in beeld (6 procent van alle kinderen in de gemeente Aalten). Op basis van de Armoede Index is het aantal kinderen in een minimumhuishouden dat opgroeit in een huishouden tot 100 procent Wsm geschat op 294 kinderen (6 procent van alle kinderen in de gemeente Aalten). Het totaal aantal kinderen in een minimumhuishouden op 120 procent Wsm schatten we op 456 kinderen (9 procent). Dat dit komt overeen met het gangbare aandeel van circa 9 procent in vergelijkbare gemeenten. Kenmerken kinderen in een minimumhuishouden Inkomensbron en huishoudsamenstelling. Het aandeel kinderen in minimahuishoudens dat opgroeit in een huishouden met een uitkering vanuit de Participatiewet is 56 procent.

Gemiddeld zien we dat het aandeel kinderen in een minimumhuishouden dat opgroeit in een huishouden met een uitkering uit de Participatiewet rond de 50 procent ligt. Het aandeel in Aalten ligt dus hoger. Het aandeel kinderen in een minimumhuishouden dat opgroeit in een eenoudergezin is 44 procent, 56 procent van de kinderen in een minimumhuishouden groeit op in een tweeoudergezin. Deze verdeling zien we ook landelijk terug. Kans op armoede. Kinderen in een eenoudergezin groeien in verhouding vaker op in armoede dan kinderen uit tweeoudergezinnen. Daarnaast groeien kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond vaker op in een minimahuishouden dan kinderen met een Nederlandse achtergrond of een westerse migratieachtergrond.

Bereik minimaregelingen De gemeente Aalten biedt verschillende minimaregelingen aan om inwoners met een laag inkomen te ondersteunen en te (laten) participeren. De regelingen hebben verschillende inkomensgrenzen en dienen diverse doelgroepen. Het bereik van de bijzondere bijstand, individuele inkomenstoeslag, collectieve zorgverzekering, het kindpakket en de Meedoenregeling ligt in lijn met het gemiddelde bereik in andere gemeenten. Het bereik van de kwijtschelding en het Jeugdfonds Sport & Cultuur ligt onder het gangbare bereik in andere (vergelijkbare) gemeenten. In de tabel op de volgende pagina is het gebruik en bereik van de regelingen te lezen. Het bereik is berekend door het gebruik van de regeling, af te zetten tegen de geschatte doelgroep voor de betreffende regeling.

5

Het gaat hier om het aandeel eenoudergezinnen met minderjarige (en eventueel meerderjarige) kinderen.

7

Tabel 1.1.2 Gebruik en bereik regelingen6 Regeling Kwijtschelding Bijzondere bijstand7 Individuele inkomenstoeslag Collectieve zorgverzekering • Garant Verzorgd 1 • Garant Verzorgd 2 • Garant Verzorgd 3 Meedoenregeling Kindpakket Jeugdfonds Sport & Cultuur • Sport • Cultuur

Gebruik in 2024

Bereik

255 huishoudens 197 huishoudens 174 huishoudens 311 huishoudens8 • 140 huishoudens • 173 huishoudens • 27 huishoudens 357 huishoudens 83 huishoudens 74 kinderen • 60 kinderen • 14 kinderen

49% 23% 44% 37%

Gemiddeld bereik andere gemeenten 65 - 75 procent 20 - 30 procent 40 - 50 procent 30 - 40 procent

42% 35% 16%

30 - 40 procent 20 - 30 procent 20 - 30 procent

6

Het gebruik is gemeten over de periode 1 januari tot en met 31 december 2024. De cijfers over het gebruik van regelingen en voorzieningen betreffen het aantal gebruikers dat gekoppeld kon worden aan de BRP die voor dit onderzoek is aangeleverd. Het Jeugdfonds Sport & Cultuur is hier uitzondering op, daar rapporteren we wél op het totaal aantal gebruikers uit het bronbestand (vóór de BRP-koppeling). De reden hiervoor is dat het Jeugdfonds niet op BSN-nummer registreert. Dit betekent dat de koppeling met de BRP op adresgegevens gaat en er daardoor verhoudingsgewijs iets meer gebruikers niet gekoppeld kunnen worden dan als er gekoppeld wordt op BSN. Om de gebruikersaantallen zuiver te rapporteren kijken we naar de totale gebruikersaantallen voor de BRP-koppeling. De kenmerken van de gebruikers gaan over de gebruikers ná de BRP-koppeling (zonder BRP kunnen we geen kenmerken weergeven). 7 Naast de reguliere bijzondere bijstand (bewindvoering, rechtsbijstand en overige vormen) kunnen inwoners van de gemeente Aalten ook een beroep doen op de bijzondere bijstand voor een tegemoetkoming voor zorgkosten en het wettelijke eigen risico. De inkomensgrens bedraagt 120 procent Wsm. In totaal maakten in 2024 156 huishoudens gebruik van de BB zorgkosten en 150 huishoudens van de BB voor het wettelijke eigen risico.

Hiervan kunnen we geen bereik weergeven omdat de doelgroep van deze regeling niet te berekenen is – het is niet bekend hoeveel inwoners te maken hebben met een zorgvraag. 8 Binnen een huishouden kunnen personen gebruikmaken van verschillende pakketten van de collectieve zorgverzekering. Hierdoor is de som van de huishoudens die in beeld zijn bij de verschillende pakketten niet gelijk aan het totaal aantal huishoudens dat in beeld is door het gebruik van de collectieve zorgverzekering.

8

D2: Inkomenseffect Rapportage • •

Verschillende huishoudens zijn bij de laagste inkomens afhankelijk van de gemeentelijke regelingen om rond te komen. Werken loont niet altijd door het (deels) wegvallen van gemeentelijke regelingen al dan niet in combinatie met dalingen in de landelijke toeslagen. Mogelijk heft de draagkrachtberekening die de gemeente in heeft gesteld voor een aantal regelingen de dalingen in het maandbudget (deels) op.

(Maximale) effect van de gemeentelijke regelingen op rondkomen De gemeentelijke regelingen bieden (extra) financiële bestedingsruimte voor alle huishoudens bij de laagste inkomens. Alleenstaande AOW’ers met een zorgvraag zijn op bijstandsniveau afhankelijk van de gemeentelijke regelingen om rond te komen. Daarnaast zijn paren met meerderjarige inwonende kinderen bij inkomens van 100 en 110 procent Wsm afhankelijk van de gemeentelijke regelingen om rond te komen. Alleenstaanden, paren met kinderen en paren zonder kinderen kunnen zonder het gebruik van de gemeentelijke regelingen nét rondkomen op bijstandsniveau. Bij financiële tegenslagen komen zij maandelijks al snel in de min uit. De overige drie huishoudens kunnen maandelijks rondkomen met en zonder de gemeentelijke regelingen. Dit zijn de alleenstaande ouders en de twee AOWhuishoudens zonder zorgvraag. De berekende inkomenseffecten in dit rapport zijn gebaseerd op gemiddelden. De bestedingsruimte van huishoudens met een andere situatie, zoals het hebben van schulden of andere kostenposten (bijvoorbeeld voor huisdieren, roken of hogere zorgkosten), ziet er al snel anders uit. De resultaten geven een indicatie van de bestedingsruimte van de doelgroep en de impact van het gemeentelijke beleid hierop. Financiële effecten bij werkaanvaarding Alle huishoudens gaan erop vooruit wanneer zij gaan werken vanuit de bijstand.

Ze krijgen namelijk te maken met een maandbudget dat in de plus uitkomt of ruimer wordt bij een inkomensstijging ten opzichte van de bijstand (dit geldt zowel voor de huishoudens die van geen gemeentelijke regelingen gebruikmaken als voor de huishoudens die gebruikmaken van alle regelingen van de gemeente). Het wegvallen van gemeentelijke regelingen (al dan niet in combinatie met afnemende toeslagen) bij extra werkaanvaarding kan zorgen voor een terugval in het maandbudget. Dit komt voor bij alleenstaande ouders, paren met kinderen en paren met inwonende meerderjarige kinderen, die gebruikmaken van alle regelingen, wanneer het inkomen van 120 naar 130 procent Wsm stijgt. Voor hen loont werken dus niet altijd. Tegelijkertijd werkt de gemeente met een draagkrachtberekening voor verschillende regelingen. Hierdoor vallen regelingen niet gelijk volledig weg bij een hoger inkomen, het gaat meer stapsgewijs. Het effect van de draagkrachtberekening is in de rapportage niet weergegeven. Mogelijk heft de draagkrachtberekening de terugval in maandbudget (deels) op. Bijna alle huishoudens krijgen minder bestedingsruimte als zij vanuit een situatie van een langdurig minimuminkomen gaan werken tegen een inkomen van 130 procent Wsm.

Het wegvallen van de individuele inkomenstoeslag zorgt (al dan niet in combinatie met wegvallen van andere gemeentelijke regelingen en het dalen van toeslagen) voor een lager maandbudget op 130 procent Wsm dan bij een inkomen van 120 procent Wsm bij de meeste huishoudens.

9

D3. Behoeftepeiling minima (bevindingen uit de enquête)

10

11

12

D4. Groepsgesprek ketenpartners • • • • • •

Werkenden en ouderen zijn groeiende aandachtsgroepen in de gemeente. De gemeente biedt relatief veel regelingen aan voor inwoners met een laag inkomen, de ketenpartners zien verbetermogelijkheden in de vormgeving en uitvoering van de regelingen. Ketenpartners geven input voor het vereenvoudigen van het aanvraagproces. In de gemeente wordt al veel ondernomen om inwoners te informeren. Er is behoefte aan betere persoonlijke ondersteuning voor inwoners. De samenwerking is in de basis goed, maar er is ruimte voor verbetering in de continuïteit, de communicatie en de laagdrempeligheid van de hulpverlening.

Signalen over de doelgroep Ketenpartners herkennen een tweedeling in de doelgroep: een groep die met budgetteren en zuinig leven rondkomt, en een groep die dat, ondanks het budgetteren, niet lukt, mede door stijgende kosten voor boodschappen, energie en huur. Belangrijk punt is dat de stijging van de kosten sneller gaat, volgens de ketenpartners, dan de stijging van uitkeringen. Naast inwoners die aanspraak maken op regelingen, is er een groep die dat niet doet, waardoor het beeld van armoede mogelijk onderschat wordt. Een groeiende aandachtsgroep zijn werkenden die moeite hebben om rond te komen, maar geen gebruik maken van de beschikbare regelingen. Daarnaast wordt geconstateerd dat ouderen ondervertegenwoordigd zijn bij de doelgroep die in beeld is bij de gemeente. Dit komt veelal door schaamte en het gevoel geen recht te hebben op hulp. De energietoeslag heeft laten zien dat er veel ouderen zijn die wel behoefte hebben aan financiële ondersteuning, maar zich niet melden. Een andere ontwikkeling is dat er meer inwoners vanuit het westen van Nederland naar Aalten komen, deze groep is over het algemeen snel in beeld. Ontwikkelingen binnen de doelgroep Verschillende ontwikkelingen zijn door de ketenpartners genoemd.

• Een belangrijke trend is de toename van mensen met een migratieachtergrond, waaronder statushouders, die direct geconfronteerd worden met hoge kosten, zoals paspoortgeld, dat ten laste gaat van hun uitkering. • Daarnaast valt op dat er meer ZZP’ers in armoede terechtkomen, vooral na scheidingen, en dat zij vaak niet in aanmerking komen voor regelingen omdat ze een eigen huis hebben. • Ook de kosten voor onderwijs, met name het middelbaar onderwijs, vormen een steeds grotere financiële last voor gezinnen. • Daarnaast zorgt de overgang van kinderen van 17 naar 18 jaar voor een aanzienlijke daling van het gezinsinkomen, zeker in combinatie met het woningtekort waardoor jongeren vaak thuis blijven wonen. De doelgroep alleenstaanden Cijfers uit de Armoedemonitor laten zien dat ongeveer de helft van de doelgroep uit alleenstaanden bestaat. Aan de partners is gevraagd of hier bepaalde ondersteuningsbehoeften zijn. Er wordt door de ketenpartners geconstateerd dat alleenstaande mannen vaak over het hoofd worden gezien bij het verdelen van hulp en aandacht. Dit uit zich bijvoorbeeld in het feit dat cadeautjes en presentjes (los van menstruatieproducten), zoals bloemen of geurproducten, voornamelijk voor vrouwen worden gereserveerd.

Er wordt erkend dat alleenstaanden minder financiële steun ontvangen (zoals kindgebonden budget) en dat er wellicht een onbewuste aanname bestaat dat zij zich gemakkelijker kunnen redden of dat er minder sprake is van onvoorziene kosten. De focus ligt vaak op het bieden van gelijke kansen aan kinderen, waardoor de focus minder ligt op alleenstaanden.

13

Aanbod aan minimaregelingen De partners uiten zich zowel lovend als kritisch over het aanbod aan regelingen. De volgende onderwerpen zijn aan bod gekomen: • De collectieve zorgverzekering wordt als te duur ervaren, zeker omdat deze verplicht is voor sommigen en omdat deze voor een jaar vaststaat, inclusief een dure aanvullende verzekering. • De Meedoenregeling wordt als problematisch gezien omdat het geld in één keer wordt uitgekeerd, wat kan leiden tot oneigenlijk gebruik en niet het beoogde doel stimuleert. Er wordt gepleit voor een systeem met een meedoenkaart, gekoppeld aan lokale winkeliers, of afspraken met specifieke aanbieders, zoals bij de witgoedregeling. Er wordt benadrukt dat de meeste mensen het geld goed besteden (90 procent), maar dat het systeem oneigenlijk gebruik mogelijk maakt. Er is behoefte aan meer sturing, ten koste van de vrijheid, om te zorgen dat het geld naar de juiste doelen gaat. • Positief wordt de uitbreiding van de zwemlesvergoeding naar zowel A als B genoemd, en het feit dat de betaling direct naar het zwembad gaat. Echter, er wordt ook een probleem gesignaleerd bij de zwemlessen: de gemeente betaalt vooraf voor een vast pakket, maar als een kind meer lessen nodig heeft, komen de meerkosten bij de ouder terecht (en betaalt de gemeente dit niet meer).

Er wordt gepleit voor een deal met het zwembad om dit te voorkomen.9 • Tot slot wordt geconstateerd dat veel inwoners niet op de hoogte zijn van de witgoedregeling in het kader van energiebesparing, ondanks de brieven die worden verstuurd. De ketenpartners zien dat er in de gemeente Aalten relatief veel ondersteuning beschikbaar is, zeker in vergelijking met andere gemeenten. Er wordt echter opgemerkt dat er problemen zijn met hoe mensen het geld besteden en dat het soms lastig is om ervoor te zorgen dat de ondersteuning daadwerkelijk effectief is. Een ketenpartner brengt verder ter discussie dat het huidige systeem te veel gericht is op het ondersteunen van mensen in armoede, en te weinig op het bieden van een weg terug naar zelfredzaamheid. Er is behoefte aan een verschuiving van een puur ondersteunende naar een meer activerende benadering, met regelingen die gericht zijn op het stimuleren van zelfredzaamheid en het bieden van een weg terug naar werk en financiële onafhankelijkheid. Ook wordt opgemerkt dat het soms lastig is om kinderen naar de opvang te krijgen, ondanks de beschikbare subsidies, omdat ouders de regeling niet begrijpen of de eigen bijdrage niet betalen. De KOT (kinderopvangtoeslag) procedure wordt als ingewikkeld en tijdrovend ervaren, wat kan leiden tot achterstanden.

Verder ervaren scholen toenemende moeilijkheid met onbetaalde ouderbijdragen, en het gevoel van oneerlijkheid dat dit kan creëren. Aanvragen van regelingen Ketenpartners zien dat het aanvraagproces wordt als omslachtig en frustrerend ervaren. Inwoners moeten dezelfde informatie herhaaldelijk aanleveren voor verschillende regelingen, wat als demotiverend wordt gezien. Ook met de hulp van organisaties als Humanitas en de formulierenbrigade neemt dit veel tijd in beslag. De ketenpartners geven aan dat het simpeler zou moeten zijn, bijvoorbeeld door informatie ambtshalve mee te nemen als iemand al bekend is bij de gemeente, of door automatisch andere relevante regelingen aan te bieden als iemand al recht heeft op een bepaalde regeling. Er is een duidelijke behoefte aan een vereenvoudiging van het proces en meer gemak voor de inwoners. Informatievoorziening De ketenpartners erkennen dat er diverse inspanningen worden gedaan om inwoners te informeren over regelingen, zoals nieuwsbrieven, krantenartikelen, flyers en de websites van de gemeente en van het Meedoenpact. Echter, deze informatie bereikt niet alle inwoners. Er is een 9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=2ec76fbf-794f-470c-b5eb-4838b4788fc6