26. VNG Ledenbrief 35-2025 Nieuw model Parkeerverordening en modelbepalingen deelmobiliteit (APV)
Tekst van het document
Aan de leden
Datum
1 juli 2025 Ons kenmerk
u202500261 Lbr. 25/035 Telefoon
070 3738393 Bijlage(n)
5
Onderwerp
Nieuwe Model Parkeerverordening en modelbepalingen deelmobiliteit (APV)
Geachte leden van college en gemeenteraad, Aanleiding en samenhang Met deze brief ontvangt u de herschreven Model Parkeerverordening en de modelbepalingen over deelmobiliteit voor de Model Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De Parkeerverordening is herschreven in begrijpelijke taal en tegelijk geactualiseerd. Verder zijn er ook modelbepalingen deelmobiliteit opgesteld om gemeenten meer handvatten te geven om te sturen op het gebruik van deelmobiliteit op de openbare weg. Hoewel deze projecten afzonderlijk van elkaar zijn opgestart, is er vanwege de inhoudelijke samenhang veel geschakeld tussen de projectteams. Deze twee stukken worden nu als pakket aan u aangeboden. Model Parkeerverordening 2025 De VNG is in 2021 gestart met het project Duidelijke Overheidscommunicatie, met als doel de communicatie van gemeenten voor een breder publiek toegankelijk te maken. In dit kader is de Parkeerverordening dit jaar herschreven. Deze verordening regelt de regelgeving rondom parkeervergunningen, parkeersystemen en de verdeling van parkeerruimte. In deze nieuwe versie hebben we complexe bepalingen begrijpelijk gemaakt en ruimte gegeven aan nieuwe ontwikkelingen en technologieën. Zo bevat de verordening bepalingen over digitale parkeersystemen en bezoekersvergunningen met een (uren)budget.
Daarnaast biedt de verordening gemeenten flexibiliteit als ze vergunninggebieden aanwijzen, parkeertarieven instellen en specifieke parkeerbehoeften, zoals elektrische voertuigen of deelmobiliteit, reguleren. Modelbepalingen deelmobiliteit in Model APV De VNG heeft facultatieve modelbepalingen opgesteld om deelmobiliteit in de APV te reguleren. Deze bepalingen helpen gemeenten om het gebruik van deelauto’s, -scooters en -fietsen op de openbare weg beter te sturen en overlast te beperken. Daarnaast bevorderen we hiermee de harmonisatie van lokaal beleid, wat de uitrol van deelmobiliteit vergemakkelijkt.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl
1/2
Belangrijk aandachtspunt was de ontwikkeling van twee varianten: • •
open vergunningstelstel: aanbieders die voldoen aan de voorwaarden kunnen een vergunning krijgen schaars vergunningstelstel: het aantal vergunningen is beperkt
Daarnaast was flexibiliteit in de inrichting van belang. Gemeenten kunnen onder meer coöperatieve initiatieven (besloten kring) uitsluiten van vergunningplicht, voertuigcategorieën gericht reguleren of uitsluiten, gebieden of wegen aanwijzen waar deelmobiliteit wel of niet is toegestaan en nadere regels opstellen voor bijvoorbeeld aanvraagprocedures. De modelbepalingen zijn tot stand gekomen in intensieve samenwerking met het Programma Natuurlijk!Deelmobiliteit (N!D). In dit landelijke programma zijn naast de VNG onder andere 40 gemeenten, het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, provincies, regio’s, kennispartners en aanbieders van deelmobiliteit vertegenwoordigd. Bijlagen Bij deze ledenbrief ontvangt u de volgende bijlagen: 1. 2. 3. 4. 5.
Model Parkeerverordening 2025 inclusief toelichting Implementatiehandleiding Model Parkeerverordening 2025 Modelbepalingen deelmobiliteit Model APV Implementatiehandleiding modelbepalingen deelmobiliteit Model APV Model Raadsbesluit Model APV
Naast de herschreven verordeningsteksten zijn ook nieuwe toelichtingen opgesteld en er zijn implementatiehandleidingen beschikbaar om de besluitvorming verder voor te bereiden. Informatie De geconsolideerde teksten van de VNG Model Verordeningen (met de bijbehorende toelichtingen) zijn te raadplegen via Kennisbank Decentrale Regelgeving (www.decentraleregelgeving.nl). De VNG Model Verordeningen (zonder de toelichtingen) staan ook in Modellen Decentrale Regelgeving (puc.overheid.nl/mdr/). Met inhoudelijke vragen en vragen over deze Model Verordeningen kunt u terecht bij het Klantcontactcentrum van de VNG via 070-373 8393 of info@vng.nl. Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten
mr L.K. Geluk Algemeen directeur
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2
Modelbepalingen Deelmobiliteit voor Model APV (nieuw model) Leeswijzer modelbepalingen - […] [... (bijvoorbeeld [tijdstip])] = door gemeente in te vullen. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen. - [iets] = facultatief. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. Combinaties zijn ook mogelijk; bijvoorbeeld een bepaling die zowel facultatief is als een keuzemogelijkheid inhoudt. Ook wordt er gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Hierbij kan het voorkomen dat de ene variant uit meer artikelen of artikelleden bestaat dan een andere variant. Let op dat de nummering of lettering bij het niet overnemen van een facultatief artikel, lid, of onderdeel moet worden aangepast. Bij een opsomming wordt zo nodig achter het voorlaatste onderdeel “en” of “of” geplaatst en wordt het laatste onderdeel afgesloten met een “.” of een “,” als er nog een staarttekst volgt. Nadere uitleg is opgenomen in de implementatiehandleiding.
Artikel 2:13 Vergunning deelmobiliteit Variant 1 – open vergunningsysteem 1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats beschikbaar te stellen voor gebruik in het verkeer, met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen. [2. Een vergunning wordt verleend voor ten hoogste [aantal] jaar. [Het college kan besluiten de duur te verlengen met maximaal [aantal] jaar.]] 3. Het college kan ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen nadere regels stellen over: a. de aanvraag van de vergunning; b. de activiteit, bedoeld in het eerste lid, waarbij deze regels mede een verbod op het verrichten van de activiteit kunnen inhouden voor daarbij aan te wijzen categorieën voertuigen, wegen, weggedeelten of gebieden. 4. Onverminderd het bepaalde artikel 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met het oog op[: a.] het voorkomen of beperken van overlast of hinder voor de omgeving[; of b. het behoud van of toekomstige uitbreiding van de parkeerruimte]. [5. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.] 6.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3, van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Variant 2 – schaars vergunningsysteem 1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats beschikbaar te stellen voor gebruik in het verkeer, met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl
1/5
2. Het college kan ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen nadere regels stellen over: a. de aanvraag van de vergunning; b. de activiteit, bedoeld in het eerste lid, waarbij deze regels mede een verbod op het verrichten van de activiteit kunnen inhouden voor daarbij aan te wijzen categorieën voertuigen, wegen, weggedeelten of gebieden; c. het maximaal aantal vergunningen en kan daarbij onderscheid maken tussen de verschillende categorieën voertuigen. 3. Het college stelt bij gebruikmaking van de in het tweede lid, onder c, genoemde bevoegdheid nadere regels over de duur van de vergunning en over de procedure en wijze van vergunningverdeling. 4. Onverminderd het bepaalde artikel 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met het oog op[: a.] het voorkomen of beperken van overlast of hinder voor de omgeving[; of b. het behoud van of toekomstige uitbreiding van de parkeerruimte]. 5. Het college weigert de vergunning als een door het college vastgesteld maximaal aantal te verlenen vergunningen wordt overschreden. [6. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.] 7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting Algemeen Aanbieders die deelvoertuigen op de weg of in parken plaatsen maken daarbij gebruik van de openbare weg of andere openbare plaatsen. Denk hierbij aan (bak)fietsen, scooters en auto’s. Deze voertuigen worden vervolgens beschikbaar gesteld voor gebruik in het verkeer. Deze vorm van vervoer wordt ook wel deelmobiliteit genoemd. Het gebruik van de openbare weg en andere openbare plaatsen door dit soort voertuigen kan leiden tot een onevenwichtig gebruik van de openbare ruimte en een rommelig aanblik waardoor het aanzien van de openbare ruimte wordt aangetast. Om deze risico’s te voorkomen dan wel te beperken, wordt deelmobiliteit in artikel 2:13 gereguleerd. Het is verboden om zonder vergunning van het college deelvoertuigen op of aan de weg en op andere openbare plaatsen beschikbaar te stellen voor gebruik in het verkeer. Artikelsgewijze toelichting Variant 1 – open vergunningsysteem Eerste lid Op grond van het eerste lid kan het college een vergunning verlenen voor het bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook beschikbaar stellen van voertuigen voor gebruik in het verkeer. De zinsnede ‘bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook’ in dit lid heeft gevolgen voor de reikwijdte van de vergunningplicht.
Het betekent dat de vergunningplicht is gericht op de activiteit van het beschikbaar stellen van voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats die in uitoefening van beroep of bedrijf gebeurt of tegen betaling plaatsvindt.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/5
De zinsnede ‘met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen’ bepaalt verder ook de reikwijdte van de vergunningplicht. Hierdoor zijn bijvoorbeeld coöperatieve vormen van deelmobiliteit uitgesloten van het verbod, omdat bij die vormen sprake is van het delen van voertuigen in een besloten kring van personen. Deze coöperatieve vormen van deelmobiliteit veroorzaken over het algemeen geen overlast, aangezien de besloten kring van personen hier zelf zorg voor draagt. Het gaat om initiatieven door en voor lokale bewoners. Daarnaast gaat dit tot nu toe in alle gevallen over het delen van een auto’s die worden geparkeerd op parkeerplaatsen en niet op willekeurige plaatsen in de openbare ruimte. Dergelijke initiatieven wil de gemeente steunen en niet belasten met een vergunningplicht. Aan de vergunning deelmobiliteit kunnen voorschriften worden verbonden op grond van artikel 1:4. Voorschriften die onderdeel zijn van de vergunning kunnen bijvoorbeeld zien op: • de beschikbaarheid van voertuigen; • de communicatie die de vergunninghouder heeft met de gebruiker; • verplaatsing en verwijdering van geparkeerde voertuigen; of • eisen met betrekking tot de voertuigen vanuit milieu-overwegingen. Verder gelden uiteraard de reguliere verkeers- en parkeerregels ook voor deelmobiliteit.
[Tweede lid In beginsel worden vergunningen in een open vergunningstelsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1:7, eerste lid). Echter, dit vergunningstelsel reguleert bijzonder gebruik van de openbare weg en andere openbare plaatsen. De bescherming van de openbaarheid van de weg en deze plaatsen heeft voorrang op particuliere exploitatie van de weg en deze plaatsen, mede om het veilig en doelmatig gebruik voor het verkeer te kunnen waarborgen. Zodat het belang van de openbare bestemming niet ondergeschikt raakt aan de vergunde activiteit, in dit geval het aanbieden van deelvervoer, wordt de vergunning voor het aanbieden van deelvervoer beperkt tot [aantal] jaar. Op grond van het tweede lid kan het college besluiten de vergunning voor [aantal] jaar te verlengen.] Derde lid In dit lid is bepaald waar het college nadere regels over kan stellen als zij dat noodzakelijk acht ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen. In onderdeel b is de mogelijkheid opgenomen dat het college het plaatsen van aangewezen categorieën deelvoertuigen geheel verbiedt, of het plaatsen van deze voertuigen verbiedt in bepaalde aangewezen gebieden. Vierde lid Voor het beslissen op de aanvraag geldt de beslistermijn zoals die door de gemeente is vastgesteld in artikel 1:2.
Het college kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met inachtneming van bepaalde belangen die in deze bepaling zijn benoemd. Zesde lid Vanwege het met het vergunningstelsel te beschermen belang van de openbare orde en de bruikbaarheid van de weg en andere openbare plaatsen is de lex silencio, in afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet, niet van toepassing op dit vergunningstelsel. Het belang van een expliciete afweging en zorgvuldige vergunningverlening wordt hier van groter belang geacht
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3/5
dan het belang van aanbieders om snel en mogelijk van rechtswege een vergunning te kunnen verkrijgen. Variant 2 – schaars vergunningsysteem Eerste lid Op grond van het eerste lid kan het college een vergunning verlenen voor het bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook beschikbaar stellen van voertuigen voor gebruik in het verkeer. De zinsnede ‘bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook’ in dit lid heeft gevolgen voor de reikwijdte van de vergunningplicht. Het betekent dat de vergunningplicht is gericht op de activiteit van het beschikbaar stellen van voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats die in uitoefening van beroep of bedrijf gebeurt of tegen betaling plaatsvindt. De zinsnede ‘met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen’ bepaalt verder ook de reikwijdte van de vergunningplicht. Hierdoor zijn bijvoorbeeld coöperatieve vormen van deelmobiliteit uitgesloten van het verbod, omdat bij die vormen sprake is van het delen van voertuigen in een besloten kring van personen. Deze coöperatieve vormen van deelmobiliteit veroorzaken over het algemeen geen overlast, aangezien de besloten kring van personen hier zelf zorg voor draagt. Het gaat om initiatieven door en voor lokale bewoners.
Daarnaast gaat dit tot nu toe in alle gevallen over het delen van een auto’s die worden geparkeerd op parkeerplaatsen en niet op willekeurige plaatsen in de openbare ruimte. Dergelijke initiatieven wil de gemeente steunen en niet belasten met een vergunningplicht. Aan de vergunning deelmobiliteit kunnen voorschriften worden verbonden op grond van artikel 1:4. Voorschriften die onderdeel zijn van de vergunning kunnen bijvoorbeeld zien op: • de beschikbaarheid van voertuigen; • de communicatie die de vergunninghouder heeft met de gebruiker; • verplaatsing en verwijdering van geparkeerde voertuigen; of • eisen met betrekking tot de voertuigen vanuit milieu-overwegingen. Verder gelden uiteraard de reguliere verkeers- en parkeerregels ook voor deelmobiliteit. Tweede lid In dit lid is bepaald waar het college nadere regels over kan stellen als zij dat noodzakelijk acht ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen. In onderdeel b is de mogelijkheid opgenomen dat het college het plaatsen van aangewezen categorieën deelvoertuigen geheel verbiedt, of het plaatsen van deze voertuigen verbiedt in bepaalde aangewezen gebieden. Op grond van onderdeel c heeft het college de bevoegdheid om grenzen te stellen aan het aantal vergunningen dat maximaal wordt verleend door een vergunningplafond vast te stellen.
Derde lid In het tweede lid is bepaald waar het college nadere regels over kan stellen. In onderdeel c is de mogelijkheid opgenomen dat het college het aantal vergunningen voor het plaatsen van aangewezen categorieën deelvoertuigen maximeert. Als een vergunningplafond is vastgesteld
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
4/5
wordt in deze nadere regels opgenomen wat de looptijd van de vergunning is, met inachtneming van een redelijke terugverdientijd, en op welke wijze de vergunningen (transparant) worden verdeeld. Als de vergunning niet voor onbepaalde tijd kan worden verleend moet er een selectieen vergunningprocedure worden vastgesteld die aan bepaalde voorwaarden moet voldoen. Zie hiervoor verder de toelichting op artikel 1:7. Vierde en vijfde lid Voor het beslissen op de aanvraag geldt de beslistermijn zoals die door de gemeente is vastgesteld in artikel 1:2. Het college kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met inachtneming van bepaalde belangen. Daarnaast weigert het college een vergunning als het vergunningplafond is bereikt. Zevende lid Vanwege het met het vergunningstelsel te beschermen belang van de openbare orde en de bruikbaarheid van de weg en andere openbare plaatsen is de lex silencio, in afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet, niet van toepassing op dit vergunningstelsel. Het belang van een expliciete afweging en zorgvuldige vergunningverlening wordt hier van groter belang geacht dan het belang van aanbieders om snel en mogelijk van rechtswege een vergunning te kunnen verkrijgen.
Omdat het aantal vergunningen beperkt is moet bovendien de verdelingssystematiek worden gevolgd, zodat aanbieders weten waar zij aan toe zijn en er niet buiten deze systematiek om vergunningen kunnen worden verleend.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5/5
Implementatiehandleiding bij Modelbepalingen Deelmobiliteit voor Model APV Inleiding De VNG neemt deel aan het Nationaal Samenwerkingsprogramma Natuurlijk!Deelmobiliteit (N!D). Het N!D heeft als doel om in vijf jaar de basis te leggen om deelmobiliteit een volwaardig en volgroeid onderdeel van het mobiliteitsnetwerk te maken. In het samenwerkingsprogramma staan standaardisatie, harmonisatie en kennisdeling op het gebied van deelmobiliteit centraal. Eén van de ambities is het opleveren van gestandaardiseerde beleidsproducten en diensten voor gemeenten. In dit kader werkt het N!D aan modelbepalingen voor deelmobiliteit. De voorgestelde modelbepaling voor de Model-APV vloeit hieruit voort. Er bestaat behoefte aan een modelbepaling om te kunnen sturen op het aanbod van deelmobiliteit binnen gemeenten. Hierin zijn verschillende keuzes te maken, afgestemd op de behoefte van een gemeente. In het verlengde daarvan is van belang te benadrukken dat de gehele modelbepaling facultatief is. Niet elke gemeente bestaat de noodzaak voor het invoeren van een vergunningstelsel. Deze implementatiehandleiding geeft een nadere toelichting op keuzemogelijkheden die in de modelbepaling voor de Model-APV zijn opgenomen.
Eerst staan we stil bij een aantal algemene onderwerpen: • de keuze voor het gebruik van de facultatieve modelbepaling met een vergunningstelsel; • de keuze voor de plek in hoofdstuk 2 van de Model-APV; • de mogelijke samenloop met de Parkeerverordening; • het regelen van deelmobiliteit in het omgevingsplan; • het van toepassing zijn van de Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet; en • de relevantie van het overgangsrecht. Vervolgens lichten we de twee varianten van de modelbepaling toe: • een open vergunningstelsel; en • een schaars vergunningstelsel. Daarbij staan we stil bij de overwegingen om te kiezen voor de eerste of tweede variant. Voor beide varianten geldt dat er alternatieve en facultatieve leden opgenomen kunnen worden, afgestemd op de wens van de gemeente. Ook deze keuzemogelijkheden lichten we toe. Aan het slot staat nog een korte toelichting op een aantal andere keuzeopties. Algemeen Facultatieve bepaling met vergunningstelsel: keuze en gevolgen Het instellen van een vergunningplicht voor het aanbieden van deelmobiliteit op of aan de weg en op andere openbare plaatsen, is niet wettelijk noodzakelijk.
Als de gemeente ervoor kiest om geen aanvullende regels te stellen met betrekking tot deelmobiliteit binnen de gemeente, moeten aanbieders van deelmobiliteit zich nog steeds houden aan de algemene regels die onder andere voortvloeien uit de Wegenverkeerswet 1994 en lokale (parkeer)regels. Denk hierbij aan regels in
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl
1/7
de APV of het omgevingsplan over parkeerexcessen en eventueel de regels over betaald (vergunning) parkeren in de Parkeerverordening. Een vergunningplicht kan wenselijk zijn om te sturen op het handelen van burgers, instellingen of ondernemingen, in dit geval de aanbieders van deelmobiliteit. Houd er daarbij rekening mee dat bijvoorbeeld vergunningvoorschriften een drempel kunnen opwerpen voor aanbieders. Een vergunningplicht heeft in beginsel niet het doel aanbieders van deelmobiliteit te stimuleren om de dienst aan te bieden in de gemeente. Als de wens van de gemeente is om deelmobiliteit te stimuleren zonder dat zij het nodig vindt hier via een vergunningplicht beperkende voorwaarden aan te stellen, kan zij bijvoorbeeld overwegen andere instrumenten in te zetten (bijvoorbeeld een subsidie verstrekken). Overigens kan een exclusieve (schaarse) vergunning gedurende een bepaalde periode wel stimulerend werken, aangezien dit een voordeel meebrengt voor de aanbieder. Concurrentie wordt daardoor immers beperkt. Echter is dit opzichzelfstaand geen argument om een schaars vergunningstelsel in te voeren. Zie de VNG Handreiking Schaarse vergunningen over het invoeren en inrichten van een schaars vergunningstelsel. Plaatsing modelbepaling in Model-APV De modelbepaling is geplaatst in afdeling 2 van hoofdstuk 2 van de Model-APV.
Deze afdeling ziet primair op het borgen van de bruikbaarheid, het uiterlijk aanzien en het veilig gebruik van openbare plaatsen. Een aantal bepalingen gaat ook over het plaatsen van voorwerpen op de weg. Een aantal gemeenten hebben vergunningplichten voor aanbieders van deelmobiliteit in hoofdstuk 5 geplaatst (‘andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente’). Het staat gemeenten vrij om het artikel ook in dat hoofdstuk, of elders, te plaatsen. Wel is van belang om te kijken naar een logische samenhang binnen de structuur van de APV. Hierbij moet ook rekening gehouden worden met het adagium ‘rubrica est lex’, wat betekent dat het opschrift van het hoofdstuk of de paragraaf van invloed kan zijn op de interpretatie van de bepaling en de mogelijkheden die de bepaling biedt om nadere regels op te stellen of een vergunning te weigeren. Mogelijke samenloop met de Parkeerverordening Het is mogelijk dat een aanbieder van deelauto’s ook een vergunning nodig heeft op grond van de Parkeerverordening als de gemeente een dergelijke verordening heeft. De Parkeerverordening regelt namelijk iets anders dan de APV. De APV geeft onder meer regels in het belang van de openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu (hoofdstuk 2).
De Parkeerverordening reguleert het parkeerbeleid in verband met de verbetering van de bereikbaarheid en leefbaarheid op lokaal en regionaal niveau. Daarmee kan de gemeente schaarse parkeerruimte reguleren en zo overlast voorkomen. Het instrument daarvoor is het invoeren van betaald parkeren (waaronder vergunningparkeren). De APV en de Parkeerverordening hebben dus verschillende motieven, waardoor het hebben van de ene vergunning niet betekent dat je automatisch ook voldoet aan de eisen voor de andere vergunning.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/7
Hierbij is ook van belang dat de Parkeerverordening ziet op ‘motorvoertuigen’. Dit zijn alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen. Ook brommobielen vallen onder die uitzondering. Een brommobiel is een bromfiets op meer dan twee wielen, voorzien van een carrosserie (bovenbouw). De Parkeerverordening is dus niet de juiste plek om deelmobiliteit te reguleren voor het parkeren op een parkeerplaats van andere voertuigen dan motorvoertuigen. Het is belangrijk om hier bij de vergunningverlening alert op te zijn en een aanvrager te wijzen op het feit dat hij mogelijk twee vergunningen nodig heeft. Deelmobiliteit regelen in het omgevingsplan? Vooropgesteld kan worden dat het reguleren van (en eventueel sturen op) deelmobiliteit op de weg, op verschillende manieren kan plaatsvinden. Specifiek binnen het omgevingsrechtelijke kader kan deelmobiliteit een rol spelen in gebiedsontwikkeling, zoals het gebruiken van lagere parkeernormen onder de voorwaarde dat er deelmobiliteit wordt aangeboden. Ook kan het faciliteren van deelmobiliteit een van de doelen zijn van het ontwikkelen van een mobiliteitshub in een bepaald gebied. De rol die deelmobiliteit inneemt in het bredere mobiliteitsbeleid wordt vaak opgenomen in een visie, zoals een mobiliteitsvisie.
De vergunningplicht in de model-APV richt zich op het kunnen sturen op onder andere het type voertuigen en het locatiegebruik. De belangen die deze regels dienen, gaan over het beperken van overlast en hinder door de voertuigen in de openbare ruimte. Er is hierbij verdedigbare samenhang met de openbare orde en dus de APV. Daarnaast richt de vergunningplicht zich ook op het voorkomen van extra druk op de openbare ruimte. Gemeenten zijn er hier ook op gewezen dat in de huidige VNG staalkaarten omgevingsplan voorbeeldmodellen zijn opgenomen van algemene regels die ook gelden voor de aanbieders en gebruikers van deelmobiliteit. Zie hiervoor bijvoorbeeld artikel 5.154 waarin een zorgplicht is opgenomen in het kader van het voorkomen van parkeerexcessen. Bovendien is in de huidige modelbepaling een samenloop met het omgevingsplan geregeld in het zesde lid (variant 1) en het vijfde lid (variant 2). Op grond hiervan moet het college de vergunning weigeren indien er strijdigheid bestaat met het omgevingsplan. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het verlenen van de vergunning zou leiden tot strijdigheid met het bereiken of in standhouden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het bovenstaande laat onverlet dat het wel mogelijk is om deelmobiliteit (ook) te reguleren via het omgevingsplan binnen de doelen van de Omgevingswet.
Dit kan bijvoorbeeld door een meldplicht of een vergunningplicht op te nemen in het omgevingsplan. Bij een keuze voor een vergunningplicht in het omgevingsplan moet de gemeente beseffen dat dit gevolgen kan hebben voor de keuze om een schaars vergunningenstelsel toe te passen. Zie hierover verder paragraaf 2.3 van de VNG Handreiking Schaarse vergunningen. Ook heeft het opnemen van een vergunningplicht in het omgevingsplan gevolgen voor het kunnen aanvragen van vergunning van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Toepassing van Dienstenrichtlijn en Dienstenwet
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3/7
De vraag is of het aanbieden van deelvervoer op de openbare weg of andere openbare plaatsen een dienst is in de zin van de Dienstenrichtlijn (en dus de Dienstenwet) of daarvan is uitgezonderd. Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Dienstenrichtlijn, is de richtlijn niet van toepassing op diensten op het gebied van vervoer. Voor de modelbepaling is ervan uitgegaan dat de vergunning valt onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn. In de rechtspraak is echter nog niet bevestigd of het aanbieden van deelvervoer valt onder deze vervoersexceptie of dat de Dienstenrichtlijn inderdaad van toepassing is. Overgangsrecht De modelbepaling bevat geen overgangsrecht. Overgangsrecht is van belang als aanbieders van deelmobiliteit momenteel opereren in een gemeente en daarover afspraken zijn gemaakt. Ook kan het bijvoorbeeld het geval zijn dat aanbieders van deelmobiliteit actief zijn op grond van privaatrechtelijk vormgegeven samenwerkingen zonder dat er een vergunningplicht geldt, maar een gemeente wel het voornemen heeft deze in te voeren. In dat geval zal de gemeente ook overgangsrecht moeten formuleren. Ook als er geen afspraken liggen, maar er wel aanbieders actief zijn is het verstandig na te denken over het moment van inwerkingtreding, zodat er tijdig een vergunning aangevraagd kan worden.
Twee varianten: open of schaars vergunningsysteem Variant 1: open vergunningsysteem Op grond van variant 1 van artikel 2:13 voert de gemeente een algemene vergunningplicht in voor het aanbieden van deelmobiliteit op de weg en op andere openbare plaatsen. Dit betreft een open vergunningsysteem, waarbij er dus geen maximum aantal vergunningen is. Deze vergunningen gelden in beginsel voor onbepaalde tijd, tenzij de gemeente kiest voor het opnemen van het tweede lid (zie uitleg hieronder). Het staat gemeenten vrij om bij deze variant voorschriften aan de vergunning te verbinden en om op die manier enige sturing vanuit de doelstellingen van de APV te hebben op aanbieders van deelmobiliteit. Wel moet bedacht worden dat zowel het instellen van het vergunningstelsel zelf, als de gestelde voorwaarden moet(en) voldoen aan de eisen uit de Dienstenrichtlijn. Dit betekent dat zij: niet discrimineren, gerechtvaardigd zijn om een dwingende reden van algemeen belang, en dat gemotiveerd is waarom niet volstaan kan worden met een minder beperkende maatregel (artikel 9 van de Dienstenrichtlijn). Variant 2: schaars vergunningsysteem Met variant 2 van artikel 2:13 introduceert de gemeente de mogelijkheid van een schaars vergunningsysteem voor het aanbieden van deelmobiliteit op de weg en op andere openbare plaatsen.
Het kan om beleidsmatige redenen nodig zijn om een beperking op te leggen op het aantal beschikbare vergunningen. Dit kan bijvoorbeeld worden gebruikt om de overlast te beperken en voldoende ruimte te laten voor ander gebruik van de openbare ruimte. Het opleggen van een beperking op het aantal uit te geven vergunningen is slechts geoorloofd als er sprake is van een dwingende redenen van algemeen belang (denk hierbij aan: bescherming van de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid, betrekkingen in overheidsdienst, werkzaamheden ter uitoefening van openbaar gezag). Gemeenten moeten dit goed motiveren. De verwachting is dat deze bepaling vooral relevant is voor gemeenten waar er meerdere aanbieders van deelmobiliteit aanwezig zullen zijn en de wens bestaat om een beperkt aantal
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
4/7
aanbieders toe te laten. Het regelen van een schaars vergunningsysteem kan op hoofdlijnen in de APV, maar is wel afhankelijk van verdere invulling in nadere regels. De verdelingsprocedure van een schaars vergunningsysteem is een belangrijk onderdeel. Hierin kan de gemeente verschillende keuzes maken. Zie hoofdstuk 5 van de VNG Handreiking Schaarse vergunningen voor uitgebreide uitleg hierover. Aanvullende keuzes (facultatieve leden) Reikwijdte Op grond van het eerste lid (variant 1 en 2)kan het college een vergunning verlenen voor het bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook beschikbaar stellen van voertuigen voor gebruik in het verkeer. De zinsnede ‘bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook’ in dit lid heeft gevolgen voor de reikwijdte van de vergunningplicht. Het betekent dat de vergunningplicht is gericht op de activiteit van het beschikbaar stellen van voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats die in uitoefening van beroep of bedrijf gebeurt of tegen betaling plaatsvindt. De zinsnede ‘met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen’ zorgt voor een verdere beperking van de reikwijdte van de vergunningplicht.
Hierdoor zijn bijvoorbeeld coöperatieve vormen van deelmobiliteit uitgesloten van het verbod, omdat bij die vormen sprake is van het delen van voertuigen in een besloten kring van personen. Deze coöperatieve vormen van deelmobiliteit veroorzaken over het algemeen geen overlast, aangezien de besloten kring van personen hier zelf zorg voor draagt. Daarnaast gaat dit tot nu toe in alle gevallen over het delen van een auto’s die worden geparkeerd op parkeerplaatsen en niet willekeurig op openbare plaatsen. Dergelijke initiatieven worden hiermee niet belast met een vergunningplicht. Als gevolg hiervan gelden enkel de reguliere verkeers- en parkeerregels voor dergelijke vormen van deelmobiliteit. Als een gemeente dit anders wil regelen, kan zij ervoor kiezen om de reikwijdte van de bepaling uit te breiden door ook coöperatief autodelen te onderwerpen aan een vergunningplicht. Het gaat hier om een beleidsmatige afweging of het wenselijk is om vormen van coöperatief autodelen ook te onderwerpen aan een vergunningplicht. De omvang van het coöperatief autodelen en de vraag in hoeverre de gemeente dit soort initiatieven wil steunen zijn aspecten die een rol kunnen spelen in deze afweging. Ook de uitvoerbaarheid van het te maken onderscheid kan een factor zijn, zeker als dergelijke coöperaties een samenwerking aangaan met een commerciële partij kan dit lastig zijn.
Op grond van artikel 1:4 van de Model-APV kunnen gemeenten voorschriften verbinden aan vergunningen die zien op deze belangen. Bij het formuleren van de vergunningsvoorschriften is van belang dat deze in overeenstemming zijn met hoger recht, zoals Europees recht en de beginselen van behoorlijk bestuur. Vergunningduur In variant 1 kan ervoor worden gekozen om de vergunning voor onbepaalde tijd te verlenen. In dat geval wordt het facultatieve tweede lid niet opgenomen. Als dit lid wel wordt opgenomen kan de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5/7
vergunning voor bepaalde tijd worden verleend. Dit moet goed worden gemotiveerd. De aard van de vergunning kan zich verzetten tegen het verlenen ervan voor onbepaalde tijd, omdat het stelsel het bijzonder gebruik van de openbare weg en andere openbare plaatsen reguleert. Anders dan ten aanzien van het normale gebruik van de openbare weg (verkeer) kan het wenselijk zijn om bijzonder gebruik (aanbieden van deelvervoer) te reguleren, juist om het normale gebruik zo min mogelijk te frustreren. Dit geldt ook voor andere openbare plaatsen, zoals een park. De bedoeling hiervan is niet om het bijzonder gebruik volstrekt onmogelijk te maken. Bijzonder gebruik kan voor het algemeen belang immers ook wenselijk zijn. Om veilig en doelmatig gebruik van de weg te kunnen waarborgen en het belang van de openbare bestemming van de weg niet ondergeschikt raakt aan de vergunde activiteit, kan de vergunning worden beperkt tot een bepaald aantal jaar. Na afloop van de vergunning kan opnieuw worden bepaald of het aanbieden van deelvervoer nog steeds een gewenste activiteit is binnen de gemeente. De Dienstenrichtlijn biedt hiervoor, mits goed gemotiveerd, de ruimte. Het is niet noodzakelijk om de vergunning schaars te maken om te kiezen voor een beperkte vergunningduur.
In variant 2 is sprake van een schaarse vergunning, als het college gebruik maakt van de in het tweede lid, onder c, gegeven bevoegdheid. Het is verboden een schaarse vergunning te verlenen voor onbepaalde tijd. De vergunningduur moet vooraf bekend zijn. Daarbij moet rekening worden gehouden met de terugverdientijd. Dit ziet op de tijd die nodig is om de noodzakelijke investeringen die moeten worden gedaan om van de schaarse vergunning gebruik te maken, terug te verdienen. Deze terugverdientijd zal per voertuigcategorie verschillen en is afhankelijk van het (te verwachten) gebruik binnen de gemeenten. Dit moet dus steeds apart worden gemotiveerd. Het is mogelijk om op te nemen dat het college kan besluiten de schaarse vergunning te verlengen met een maximaal aantal jaar, maar daarvoor is een goede onderbouwing nodig. Zie voor uitgebreide uitleg paragrafen 5.8.1 en 5.8.2 van de Handreiking Schaarse vergunningen. Houd er daarnaast rekening mee dat ook een mogelijkheid bestaat om de vergunning te kunnen intrekken. Dit is niet opgenomen in de modelbepaling omdat artikel 1:6 van de Model-APV dit regelt. Sturen op categorieën voertuigen De vergunningplicht geldt in beginsel voor alle categorieën voertuigen.
Echter, het derde lid, onderdeel b (variant 1) en het tweede lid, onderdeel b (variant 2) van de modelbepaling regelt dat het college categorieën voertuigen kan aanwijzen waarvoor een geheel verbod geldt. Dit geeft de mogelijkheid om bijvoorbeeld het aanbieden van deelfietsen te verbieden. In nadere regels kan het dus slechts strenger geregeld worden. Er is in de modelbepaling geen mogelijkheid op vrijstelling van het verbod opgenomen. Let op! Beperking van het aanbieden van de dienst “deelvervoer” is slechts mogelijk als dit gerechtvaardigd is op grond van een dwingende redenen van algemeen belang. Deze argumentatie moet de gemeente bij het instellen van de beperking geven in de toelichting bij de verordening of nadere regels en deze kan, al naar gelang de motieven, per gemeente verschillen. Gebruik (uitsluiten) van bepaalde wegen Naast dat het college in nadere regels een geheel verbod voor aangewezen categorieën voertuigen kan opnemen, kan het college ook een geheel verbod voor het aanbieden van (al dan
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
6/7
niet aangewezen categorieën) voertuigen op bepaalde wegen, weggedeelten of gebieden in de gemeente instellen. Het instellen van een verbod dient te gebeuren op grond van de belangen genoemd in het vierde lid (variant 1 en 2). Het aanwijzen van deze gebieden kan worden gedaan met het doel overlast te beperken door gebieden uit te sluiten van het servicegebied van de aanbieder. Als gebieden worden aangewezen waar een deelvoertuig niet geparkeerd mag worden, betekent het dat ook aanbieders van deelvervoer gebruikers van deelvoertuigen moeten instrueren dat op deze plekken het voertuig niet achtergelaten mag worden voor een volgende gebruiker. Of de gemeente er wel of niet voor kiest om dit lid op te nemen, de lokale parkeerregels voor voertuigen blijven uiteraard onverkort gelden. Weigeringsgronden Het college kan besluiten om een vergunning te weigeren op grond van de in het vierde lid (variant 1 en 2) genoemde belangen. De belangen zoals die zijn genoemd zijn een verdere specificering van de algemene belangen die in de Model-APV zijn opgenomen (artikel 1:8). Op grond van artikel 1:6 van de Model-APV kan het college de vergunning intrekken op basis van de daarin genoemde gronden. Als er sprake is van een schaarse vergunning dan is het college gehouden de vergunning te weigeren als het vergunningenplafond wordt overschreden op grond van het vijfde lid (variant 2).
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
7/7
Model Parkeerverordening 2025 (nieuw model 2025) [Deze parkeerverordening bevat regels voor het gebruik van parkeerplaatsen. Denk aan regels over parkeervergunningen, digitale parkeersystemen en deelauto’s. Het doel van deze regels is om de parkeerruimte op een verantwoorde en evenwichtige manier over bewoners, bezoekers en bedrijven te verdelen.] Leeswijzer modelbepalingen - [iets] = facultatief, zie bijvoorbeeld artikel 1, over autodeelbedrijf. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen, bijvoorbeeld artikel 4, eerste lid. - […] of [iets] = door gemeente in te vullen, zie bijvoorbeeld artikel 4, derde lid, aanhef en onder d. - [(iets)] = een duiding ter illustratie of uitleg voor gemeente, zie bijvoorbeeld artikel 13 tweede lid. Combinaties zijn ook mogelijk, zie bijvoorbeeld artikel 5, vierde lid, aanhef en onder e. Nadere uitleg is opgenomen in de implementatiehandleiding. Besluit van de raad van de gemeente [naam gemeente] tot vaststelling van de Parkeerverordening parkeren [naam gemeente [en eventueel jaartal]] De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; gezien het advies van de [naam commissie]; besluit vast te stellen de volgende verordening:
Parkeerverordening parkeren [naam gemeente [en eventueel jaartal]]
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Definities In deze verordening en de daarop berustende besluiten wordt verstaan onder: - adres: adres als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen; [- autodeelbedrijf: organisatie die bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook motorvoertuigen op of aan de weg beschikbaar stelt voor gebruik in het verkeer, met uitzondering van motorvoertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik door een besloten kring van personen;] - college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente]; - gehandicaptenparkeerkaart: parkeerkaart als bedoeld in artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer; - houder van een motorvoertuig: 1°. persoon van wie het kenteken van het motorvoertuig op naam is ingeschreven in het kentekenregister als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994; of 2°. persoon die met een schriftelijke overeenkomst of een melding in het parkeersysteem kan aantonen dat het motorvoertuig tijdens het parkeren bij deze persoon in gebruik was;
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl
1/11
- motorvoertuig: auto, motor, of ander motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en een brommobiel als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - parkeersysteem: middel voor het bijhouden van parkeerrechten en parkeergegevens voor parkeerplaatsen waarvoor aan- en afmelden nodig is, waaronder ook wordt begrepen parkeermeters, parkeerautomaten of het digitaal systeem voor de gehandicaptenparkeerkaart; - parkeervergunning: vergunning van het college voor het parkeren van een motorvoertuig op een of meer in die vergunning aangegeven parkeerplaatsen of in een in die vergunning aangewezen vergunninggebied; - parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten; - vergunninggebied: gebied, bedoeld in artikel 2, eerste lid, of een gebied dat wordt begrensd door verkeersbord E9 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 met daarboven het woord 'zone' en een of meer in samenhang met dat verkeersbord geplaatste borden waarmee het einde van de zone wordt aangeduid.
Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen over parkeervergunningen Artikel 2 Aanwijzing van vergunninggebieden en adressen 1. Het college kan gebieden aanwijzen waar met een parkeervergunning mag worden geparkeerd. Daarbij kan per gebied of deel daarvan worden aangegeven welke vergunninghouders er kunnen parkeren. 2. Het college kan adressen binnen een vergunninggebied aanwijzen, waarvoor geen parkeervergunning wordt verleend. Artikel 3 Parkeervergunning algemeen 1. Het college geeft in de parkeervergunning in ieder geval aan: a. voor welke periode de parkeervergunning geldt; b. voor welk gebied of welke parkeerplaats de parkeervergunning geldt; c. op welke naam of op welk kenteken de parkeervergunning staat. 2. Het college kan nadere regels stellen over het aanvragen en verlenen van een parkeervergunning, de gevallen waarin aan- of afmelden bij het parkeersysteem verplicht is om van een parkeervergunning gebruik te maken en op welke wijze dat aan- en afmelden plaatsvindt. Artikel 4 Nadere regels, voorschriften en beperkingen parkeervergunning [1.] Het college kan nadere regels stellen over de tijden waarop vergunninghouders mogen parkeren. Het college kan hierbij verschillende regels stellen voor parkeertijden met verschillende soorten parkeervergunningen, genoemd in hoofdstukken 3 tot en met [6 OF 7], en voor verschillende typen motorvoertuigen. [2.
Het college kan nadere regels stellen over parkeervergunningen [waaronder in ieder geval regels over: (a. het maximaal aantal uit te geven parkeervergunningen per vergunninggebied, per adres of per bedrijf; b. het type motorvoertuig waarvoor men een parkeervergunning kan krijgen; c. het maximaal aantal uren per periode waarvoor een parkeervergunning voor een bezoeker geldt; d.… )].]
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/11
[3. Het college kan aan een parkeervergunning voorschriften of beperkingen verbinden [ten behoeve van de volgende belangen: (a. ter bescherming van het evenwicht van de verdeling van de beschikbare parkeerruimte; b. tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, zoals hinder of schade; en c. tot het beperken van de negatieve gevolgen voor het milieu, waaronder het zoveel mogelijk voorkomen van het gebruik van de auto als dat niet nodig is d…..)].] Artikel 5 Vervallen, intrekken of wijzigen van de parkeervergunning 1. De parkeervergunning vervalt als het vergunninggebied waarvoor de parkeervergunning geldt, wordt opgeheven. 2. Het college trekt de parkeervergunning in als de vergunninghouder niet meer voldoet aan de voorwaarden waaronder de parkeervergunning is verleend. 3. Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder de parkeervergunning wijzigen of intrekken. [4. Als het niet gaat om een aanvraag van de vergunninghouder, kan het college een parkeervergunning wijzigen of intrekken als: (a. een vergunninghouder niet of niet tijdig de verschuldigde leges voldoet die worden geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet; b. een vergunninghouder zich niet houdt aan de regels en voorschriften op grond van deze verordening; c. blijkt dat een vergunninghouder bij de aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt; d.
om redenen van openbaar belang; e. ....).] Artikel 6 Parkeren zonder parkeervergunning: uitzonderingen op het verbod 1. Het college kan uitzonderingen maken op het verbod om zonder parkeervergunning op een parkeerplaats voor vergunninghouders te parkeren. 2. Een uitzondering kan zijn: a. een vrijstelling voor soorten van gevallen, of b. een ontheffing voor individuele gevallen.
Hoofdstuk 3 Parkeervergunning voor bewoners en bezoekers van bewoners Artikel 7 parkeervergunning bewoners 1. Het college kan op aanvraag een parkeervergunning verlenen aan een bewoner voor het parkeren in een vergunninggebied of een deel daarvan. 2. Het college verleent een parkeervergunning alleen aan een bewoner die houder van een motorvoertuig is en die in de basisregistratie personen staat ingeschreven in het vergunninggebied waarvoor de parkeervergunning wordt aangevraagd. 3. In afwijking van het tweede lid kan het college ook een parkeervergunning verlenen aan degene die wel in een vergunninggebied woont, maar daar niet is ingeschreven in de basisregistratie personen. Artikel 8 Aanvraag parkeervergunning bezoekers van bewoners Het college kan op aanvraag een parkeervergunning verlenen aan een bewoner, die in de basisregistratie personen staat ingeschreven in het vergunninggebied waarvoor de parkeervergunning wordt aangevraagd, voor het parkeren in dat vergunninggebied door een bezoeker van die bewoner.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3/11
Hoofdstuk 4 Parkeervergunning voor bedrijven en bezoekers van bedrijven Artikel 9 Aanvraag parkeervergunning bedrijven 1. Het college kan op aanvraag een parkeervergunning verlenen aan een bedrijf voor het parkeren in een vergunninggebied of een deel daarvan. 2. Het college verleent alleen een parkeervergunning aan een bedrijf dat is gevestigd in het vergunninggebied, en daar is ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. 3. In afwijking van het tweede lid kan het college ook een parkeervergunning verlenen aan een bedrijf dat wel in een vergunninggebied is gevestigd, maar niet daar is ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Artikel 10 Aanvraag parkeervergunning bezoekers van bedrijven Het college kan op aanvraag een parkeervergunning verlenen aan een bedrijf, dat is gevestigd in het vergunninggebied en daar is ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, voor het parkeren in dat vergunninggebied door een bezoeker van dat bedrijf.
[Hoofdstuk 5 Parkeervergunning voor autodeelbedrijven Artikel 11 Aanvraag parkeervergunning autodeelbedrijven 1. Het college kan op aanvraag een parkeervergunning aan een autodeelbedrijf verlenen voor het parkeren in een vergunninggebied of een deel daarvan. 2. In afwijking van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, kan het college bepalen dat bij het afgeven van de parkeervergunning het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de parkeervergunning geldt niet hoeft te worden vermeld. Dit is toegestaan als het parkeersysteem voldoende informatie biedt.]
Hoofdstuk 6 Parkeervergunning gehandicapten Artikel 12 Aanvraag parkeervergunning gehandicapten 1. Het college kan op aanvraag een parkeervergunning voor gehandicapten verlenen aan een houder van een motorvoertuig als deze houder een geldige gehandicaptenparkeerkaart heeft. 2. Als de gehandicaptenparkeerkaart is uitgegeven door een andere gemeente, kan alleen een parkeervergunning worden verleend als de gehandicaptenparkeerkaart op de voorgeschreven manier is aangemeld bij het parkeersysteem van de gemeente [naam eigen gemeente][, en ook is geaccepteerd]. 3. Het college kan nadere regels stellen over de registratie, controle en het gebruik van de parkeervergunning voor gehandicapten en over het gebruik van de gehandicaptenparkeerkaart voor het parkeren.
Hoofdstuk 7 Parkeervergunning voor bijzondere organisaties en doelgroepen Artikel 13 Parkeervergunning bijzondere organisaties en doelgroepen [1.] Het college kan op aanvraag een parkeervergunning verlenen aan een bijzondere organisatie of doelgroep, voor het parkeren in een vergunninggebied of een deel daarvan. [2. Het college bepaalt in nadere regels welke bijzondere organisaties en doelgroepen dit zijn OF Het college kan in ieder geval een parkeervergunning verlenen aan de volgende doelgroepen, organisaties of leden daarvan:
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
4/11
(a. personen die mantelzorg verlenen aan bewoners van adressen; b. sportverenigingen die sportactiviteiten uitvoeren; c. religieuze instellingen; d. onderwijsinstellingen; e. ...).]
Hoofdstuk 8 Verboden Artikel 14 Verbod om voorwerp op parkeerplaats te plaatsen 1. Het is verboden om een ander voorwerp dan een motorvoertuig te plaatsen of te laten staan of liggen op een parkeerplaats voor vergunninghouders of een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven volgens artikel 225, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet. 2. Dit verbod geldt niet bij het plaatsen of laten staan of liggen van voorwerpen als dat is toegestaan op grond van een vergunning, ontheffing of andere regelgeving. Artikel 15 Verbod onjuist gebruik van parkeerautomaat en parkeersysteem 1. Het is verboden het normaal gebruik van een parkeersysteem te hinderen. 2. Het is verboden een parkeersysteem anders te gebruiken dan door het college is aangegeven of dan duidelijk de bedoeling of de bedoeling van de gemeente is.
Hoofdstuk 9 Toezicht en handhaving Artikel 16 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van de regels, vergunningen en voorschriften die bij of krachtens deze verordening gelden, zijn belast de door het college aangewezen toezichthouders. Artikel 17 Strafbepaling Overtreding van de regels van deze verordening of nadere regels op basis van deze verordening, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of een geldboete van de eerste categorie.
Hoofdstuk 10 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 18 Onredelijke uitkomst van de regels: hardheidsclausule Het college kan besluiten om deze verordening of de daarop gebaseerde nadere regels en vergunningvoorschriften niet toe te passen of daarvan af te wijken voor zover toepassing, mede gelet op het belang van het reguleren van het parkeren van motorvoertuigen in de gemeente, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor de betrokken persoon of het betrokken bedrijf. Artikel 19 Oude regels en overgang naar nieuwe regels 1. De [citeertitel oude verordening] wordt per datum van inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken, maar blijft gelden voor de periode waarvoor die gold. 2. Parkeervergunningen die zijn verleend op grond van de ingetrokken verordening blijven geldig voor de periode waarvoor ze zijn verleend. Artikel 20 Moment waarop de regels gaan gelden Deze verordening treedt in werking met ingang van [datum].
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5/11
Artikel 21 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Parkeerverordening [gemeente jaartal]. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum vergadering]. De voorzitter, De griffier, Toelichting Algemeen deel Er zijn verschillende dingen die gemeenten kunnen regelen rond het parkeren van auto's. In de Algemene plaatselijke verordening (hierna: APV) of het omgevingsplan kan een regeling worden opgenomen om parkeerexcessen tegen te gaan. Verder kan er met verkeersbesluiten en verkeersborden worden gekozen voor parkeerverboden op bepaalde plaatsen. Als de gemeente kiest voor een systeem van parkeervergunningen is een parkeerverordening nodig. Als de gemeente kiest voor betaald parkeren, is een parkeerbelastingverordening nodig. Daarbij kunnen gemeenten ook vergunninghouders parkeerbelasting laten betalen. Gebruikelijk is om dan een speciaal, lager belastingtarief voor vergunninghouders te rekenen. In de voorliggende parkeerverordening gaat het om een regeling voor parkeervergunningen. Deze parkeerverordening is het juridische kader voor parkeren met een vergunning binnen de gemeente (parkeervergunning). Naast regels over parkeervergunningen bevat deze verordening ook algemene regels. Deze vergunningen en regels helpen parkeerdruk in gebieden met schaarse parkeerruimte te beperken. Verder gaat het overbelasting van de wegen en andere openbare ruimte tegen.
Daardoor wordt de bereikbaarheid en leefbaarheid van zowel woonwijken als bedrijfsgebieden verbeterd. [Daarnaast is er in de verordening aandacht voor duurzaamheid in die zin dat het mogelijk is om een deel van de parkeervergunningen te reserveren voor elektrische voertuigen.] [Ook zijn er mogelijkheden om deelmobiliteit aan te moedigen.] [In deze verordening wordt tot slot een nieuw instrument geïntroduceerd, namelijk het parkeersysteem waar gebruikers van parkeerplaatsen zich moeten aan- en afmelden. Dit systeem van aan- en afmelden geeft ruimte voor innovaties zoals: - het gebruiken van een digitale gehandicaptenparkeerkaart; - het gebruik van een gehandicaptenparkeerkaart uitgegeven door een andere gemeente; - het aan- en afmelden van verschillende voertuigen voor bijvoorbeeld een bezoekersvergunning of een autodeelvergunning.] De verordening is zo ingedeeld dat ieder hoofdstuk gaat over een bepaalde groep gebruikers: bewoners en hun bezoekers, bedrijven en hun bezoekers, personen met een gehandicaptenparkeerkaart[, autodeelbedrijven] en bijzondere doelgroepen en organisaties. Dit zorgt ervoor dat de regels voor elke situatie (en dus ook voor de eigen situatie) snel zijn terug te vinden. De vergunningen uit deze Parkeerverordening kunnen via de website van de gemeente worden aangevraagd. Daar staat meer informatie over de verschillende soorten vergunningen en de kosten.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
6/11
Artikelsgewijs Hier worden alleen de bepalingen toegelicht die naar inschatting toelichting nodig hebben. [Onder de titel van de Parkeerverordening is een inleidende tekst opgenomen om de belangrijkste dingen over deze verordening duidelijk te maken. (“Deze parkeerverordening bevat regels voor het gebruik van parkeerplaatsen, enz.”). Net als een overzichtelijke structuur en duidelijk taalgebruik is dit bedoeld om de begrijpelijkheid van de verordening te vergroten.] Artikel 1 Definities Hieronder worden verschillende definities uitgelegd. [Autodeelbedrijf De APV geeft de mogelijkheid voor het verlenen van een vergunning voor het aanbieden van deelvervoer (deelauto’s, deelscooters, deel(bak)fietsen, etc.). De APV-vergunning regelt de gemeentelijke toestemming voor het aanbieden van deze dienst binnen de gemeente. De aanbieders van deelauto’s worden in deze verordening autodeelbedrijven genoemd. Met “bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook" wordt bedoeld dat de diensten bedrijfsmatig moeten worden aangeboden of dat ervoor moet worden betaald. Dit kan in de vorm van geld, maar kan ook bijvoorbeeld een cadeaubon of kortingscode voor een gratis ritje zijn.
Met de tekst “met uitzondering van motorvoertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik door een besloten kring van personen” wordt bedoeld dat informele samenwerkingsvormen van deelvervoer (ook wel coöperatief autodelen genoemd) niet vallen onder deze vergunning. Dit gaat bijvoorbeeld om bewonersinitiatieven waarbij een deelauto wordt gedeeld onder verschillende huishoudens. Het kan wel nuttig zijn om deze coöperatieve deelvervoergebruikers toch een parkeervergunning te geven. Dit kan via een bewoners- of bedrijfsparkeervergunning.] Houder van een motorvoertuig Voor een aantal vergunningen is het een vereiste om houder te zijn van een motorvoertuig. Een persoon of rechtspersoon (bijvoorbeeld bedrijf of vereniging) kan houder zijn. Iemand is houder als die in het kentekenregister van de RDW staat geregistreerd als eigenaar of houder van een motorvoertuig. Daarnaast is het ook mogelijk om via een overeenkomst houder te zijn. Uit de overeenkomst moet blijken dat de auto in gebruik of beheer bij de houder is. Dit kan met een leaseovereenkomst, arbeidsovereenkomst of andere overeenkomst. Soms is een verklaring van de werkgever of een andere partij nodig, waaruit blijkt dat het motorvoertuig alleen aan houder ter beschikking wordt gesteld.
De houder is verantwoordelijk voor het aanvragen van de parkeervergunning en voor het naleven van de regels die van toepassing zijn op een vergunninghouder. Parkeersysteem Een parkeersysteem is een systeem dat gebruikt wordt om parkeerrechten en parkeergegevens bij te houden. Dit systeem houdt bij wie mag parkeren en met welk voertuig én het registreert gegevens zoals kentekens en parkeertijden. Voor gehandicaptenparkeerkaarten wordt vaak een digitaal systeem gebruikt om het gebruik te vereenvoudigen en fraude te voorkomen. Daarnaast zijn parkeerautomaten of fysieke bewijzen, zoals een kaart, onderdeel van het systeem. Parkeren Deze definitie is overgenomen van artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Artikel 2 Aanwijzing van vergunninggebieden en adressen
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
7/11
Een verkeersbesluit en het ophangen van het verkeersbord E9 maken samen dat parkeerplekken alleen mogen worden gebruikt door vergunninghouders. Dit gaat meestal over een kleinere specifieke groep vergunninghouders (bijvoorbeeld alleen bewoners). Met het aanwijzen van een vergunninggebied kan het college bepalen dat met een parkeervergunning niet in de gehele gemeente kan worden geparkeerd, maar dat deze gereserveerd is voor een bepaald gebied. Bijvoorbeeld rondom het huis van een bewoner. Het college kan binnen vergunninggebieden specifieke parkeerplaatsen aanwijzen voor verschillende soorten vergunningen of voertuigen. Bijvoorbeeld bewoners, bedrijven[, autodeelbedrijven,] of bijzondere organisaties en doelgroepen. Dit kan betekenen dat het college bepaalt dat het parkeren door bedrijven niet in alle vergunninggebieden mag plaatsvinden of dat niet in alle vergunninggebieden bewonersvergunningen worden uitgegeven. Daarbij kan het college ook adressen aanwijzen waarvoor geen parkeervergunning wordt afgegeven, bijvoorbeeld als deze beschikken over eigen parkeervoorzieningen zoals een eigen parkeerplaats of -garage. Artikel 3 Parkeervergunning algemeen Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om (nadere) regels te stellen over de aanvraagprocedure voor parkeervergunningen of op welke wijze parkeervergunningen worden verleend.
De nadere regels die het college kan stellen over het aan- of afmelden bij een parkeersysteem en op welke manier dit moet gebeuren, zijn ten behoeve van een correcte registratie. Dat kan nodig zijn om nauwkeurig bij te houden wie op welk moment gebruik maakt van een parkeervergunning. Het college kan bepalen of hij specifieke regels stelt voor bepaalde parkeervergunningen of meer in het algemeen regels wil stellen. [Artikel 4 Nadere regels, voorschriften en beperkingen parkeervergunning Het college kan op grond van het derde lid ook voorschriften en beperkingen verbinden aan parkeervergunningen. Dit kan alleen als dit nodig is om de parkeerruimte eerlijk te verdelen, overlast door verkeer te beperken en negatieve gevolgen voor het milieu te verminderen. Deze eisen aan voorschriften en beperkingen zijn bedoeld om het parkeren in de gemeente zo rechtvaardig, duurzaam en efficiënt mogelijk te maken.] Artikel 5 Vervallen, intrekken of wijzigen van de parkeervergunning Als een vergunninggebied vervalt, moet ook de parkeervergunning vervallen. Om misverstanden en uitvoeringslasten tegen te gaan, is in het eerste lid geregeld dat dat automatisch gaat. In het tweede lid staat dat het college de parkeervergunning intrekt als de vergunninghouder niet meer aan de voorwaarden voldoet.