230277_TOE_PIP Landbouwpasseerhavens N318 - 4 oktober 2023
Tekst van het document
Toetsing Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de risicokaart van de Atlas Leefomgeving ter hoogte van de N318. Voorliggend provinciaal inpassingsplan is opgesteld ten behoeve van aanpassingen aan de provinciale weg N318 Varsselveld-Aalten. Het transport van gevaarlijke stoffen over de N318 is toegestaan. Echter, de weg is geen onderdeel van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen, waardoor het geen risicoplafond heeft. Daarnaast zijn uit de telgegevens van diverse basisnet wegvakken geen gegevens over het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg bekend. Daarom kan geconcludeerd worden dat het zeer onwaarschijnlijk is dat grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen worden vervoerd over deze weg. Daarmee zijn de risico’s dan ook beperkt.
Uitsnede risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving)
Daarnaast heeft het voorliggende plan geen invloed op het aantal verkeersbewegingen over de weg en het aantal personen dat op deze weg aanwezig is. Gelet op weten regelgeving is het daarom niet noodzakelijk de hoogte van het groepsrisico kwantitatief vast te stellen.
33
5.5.2
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van de werkzaamheden.
5.6
Water Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling afgewogen. Beleid Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van
(inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2 Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3 Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt 34
aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1 Klimaatadaptatie; 2 Waterveiligheid; 3 Zoetwater; 4 Grondwater; 5 Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).
In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat binnen deze budgettaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021-2027 van de Provincie Gelderland is op 15 december 2021 vastgesteld. In het Regionaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1 Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2 Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd. 3 Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt.
De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het
35
waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel Op 21 december 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Rijn en IJssel vastgesteld en vervangt het Waterbeheerplan 2016-2021.
In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap Rijn en IJssel voor de periode 2022-2027 op welke wijze gezorgd wordt voor: een goede bescherming tegen hoog water, een goed functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater Het waterbeheerprogramma zoekt verbinding met het werk van de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap: − Naar een betere balans tussen nat en droog en gebiedsgerichte aanpak: klimaat robuust gebied; − Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; − Afstemming van functies op de draagkracht van het systeem en een gezond watersysteem: gezonde leefomgeving; − Afvalvermindering, wendbare keten: Circulaire economie en energietransitie. Het programma is, naast in deze thema’s, ook in verschillende deelgebieden uitgewerkt. De kenmerken, de ontwikkelingen en de opgaven die gebiedsspecifiek zijn worden achter elkaar weergegeven.
Het beleid is verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap, zoals de verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Toetsing Om de waterhuishoudkundige gevolgen van onderhavig plan in beeld te brengen is gebruik gemaakt van de watertoets. Voor de watertoets is de Standaard Waterparagraaf van het Waterschap Rijn en IJssel aangewend. Deze waterparagraaf is
36
onderdeel van, en hangt samen met, een set van standaarden zoals die door het waterschap gehanteerd wordt. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen. Als op één of meer vragen per waterthema ‘ja’ wordt geantwoord dan is het waterthema relevant. Die waterthema’s en een deel van overige thema’s worden nader toegelicht. Thema
Toetsvraag
Relevant
1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of
Nee
HOOFDTHEMA’S Veiligheid
regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?
Nee
Riolering en Afvalwa-
1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?
Nee
terketen
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
Nee
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? Wateroverlast (oppervlaktewater)
Nee
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak?
Ja
2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
Nee
3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Grondwateroverlast
Nee
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
Nee
2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of IJssel? 3. Is in het plangebied sprake van kwel?
Nee Nee
4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? Oppervlaktewaterkwaliteit
Ja
1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd?
Nee
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
Nee
3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied? Grondwaterkwaliteit
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone
Volksgezondheid
1. In of nabij het plangebied bevinden zich over-
van een drinkwateronttrekking?
Nee Nee
storten uit het gemengde of verbeterde gescheiden stelsel?
Nee
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? Verdroging
Nee
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?
37
Nee
Natte natuur
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
Nee
2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur? Inrichting en beheer
Nee
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
Ja
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Nee
AANDACHTSTHEMA’S Recreatie
1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
Cultuurhistorie
Nee
1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Nee
Bestaande situatie In de huidige situatie is het plangebied gedeeltelijk verhard ter plaatse van de bestaande weg en het fietspad. De rest van het plangebied is onverhard en betreft grotendeels (intensief beheerd) grasland en oppervlaktewater. De maaiveldhoogte op deellocatie 1 en 2 bedraagt circa NAP + 18,5 – 19,5 meter. Op deellocatie 3 en 4 bedraagt de maaiveldhoogte circa NAP + 20,5 – 22,0 meter. De gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt zich hoger dan 0,2 meter beneden het maaiveld op deellocatie 1 en 2 en tussen 1,0 en 1,5 meter beneden het maaiveld op deellocatie 3 en 4. De bodem bestaat uit zwak tot sterk humeus, leemarm en (zwak) lemig fijn zand. Waterveiligheid In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig. Als gevolg van de klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. Op basis van de risicokaart blijkt echter dat de kans op overstroming zeer gering is en dat het plangebied zelfs bij een dijkdoorbraak niet zou overstromen. Oppervlaktewater Op zowel deellocatie 1 en 2 als deellocatie 3 en 4 zijn watergangen in het plangebied aanwezig. Rondom de watergangen ligt een beschermingszone, zoals is te zien op de onderstaande afbeeldingen uit de legger van het Waterschap Rijn en IJssel. Voor de aanleg van de landbouwpasseerhavens zullen de watergangen moeten worden verlegd.
Voor deze werkzaamheden is een watervergunning nodig.
38
Uitsnede legger oppervlaktewateren en waterkeringen Waterschap Rijn en IJssel deellocatie 1 & 2 (bron: Waterschap Rijn en IJssel)
Uitsnede legger oppervlaktewateren en waterkeringen Waterschap Rijn en IJssel deellocatie 1 & 2 (bron: Waterschap Rijn en IJssel)
Wateroverlast Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen neemt het oppervlakte verhard in veel gevallen toe. Toch zal het toekomstige gebied moeten voldoen aan het watersysteem zoals dat tegenwoordig wordt voorgesteld waarin rekening is gehouden met klimaatverandering. Een belangrijk principe is dat een deel van het afstromend hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Binnen het voorliggende plangebied is sprake van een toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie. In totaal bedraagt de toename aan verhard oppervlak … m2. Daarnaast zullen aanwezige watergangen in het plangebied verlegd 39
worden. Het plangebied ligt in het buitengebied van Aalten en Varsseveld en daarmee is er in de directe omgeving van het plangebied ruimschoots voldoende onverhard terrein over voor het hemelwater om te infiltreren. Pm resultaten overleg waterschap mbt verleggen watergangen en eventuele compensatie verhard oppervlak Grondwateroverlast Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. De landbouwpasseerhavens zullen worden gerealiseerd ter hoogte van het maaiveld, over het algemeen ligt de N318 zelfs iets hoger in het landschap. De landbouwpasserhavens komen op dezelfde hoogte als weg te liggen. Hiermee wordt voldaan aan het bovenstaande advies. Inrichting en beheer Het Waterschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkeringen. Het onderhoud van de waterkeringen en hoofdwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Waterschap. Een deel van de watergangen binnen het plangebied is in beheer van het Waterschap Rijn en IJssel. Conclusie Het aspect water vormt in principe geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De mogelijkheden voor waterberging worden de komende tijd verder uitgedetailleerd. p.m overleg waterschap
5.7
Natuur Algemeen De bescherming van plant- en diersoorten alsmede de bescherming van bepaalde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast is de gebiedsbescherming vastgelegd in provinciale verordeningen, waaronder de bescherming van Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden nagegaan of als gevolg van de ontwikkeling sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Hierbij moet worden aangetoond dat van een significante gevolgen voor beschermde natuurgebieden en -soorten geen sprake is of dat daarvoor een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing Ter plaatse van het plangebied is een quick scan Wet Natuurbescherming 3 uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit dit onderzoek opgenomen. Beschermde soorten De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als merel en roodborst. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat
3
Eelerwoude. Quickscan Wet Natuurbescherming realisatie landbouwpasseerhavens N318. 205033, 1 september 2023 (concept). 40
van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden: 1. Vleermuizen − Werkzaamheden uitsluitend overdag uitvoeren (m.n. in actieve periode van vleermuizen- april t/m november) − Geen (extra) verlichting aanbrengen. Indien niet aan deze voorwaarden voldaan kan worden is nader onderzoek en mogelijk een ontheffing voor vleermuizen noodzakelijk. 2. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels en het kappen van de zomereiken dient plaats te vinden buiten het broedseizoen (1 maart- 15 juli). In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht.
Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. Bescherming gebieden Op ongeveer 5 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Korenburgerveen. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Op 2 november 2022 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de tot dan toe geldende bouwvrijstelling stikstof niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht.
In dat kader is voor zowel de bouw-/aanlegfase als voor de gebruiksfase van ruimtelijke ontwikkelingen daarom weer een stikstofdepositieberekening benodigd. Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied op locatie drie 10 bomen gekapt. Hoewel er slechts enkele bomen gekapt worden vallen de zomereiken binnen een rijbeplanting van meer dan 20 exemplaren. De bomen zullen worden herplant, hiervoor wordt een melding ingediend bij het bevoegd gezag de Gedeputeerde Staten en er wordt een ontheffing aangevraagd om de bomen op de een andere plaats te herplanten.
41
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied en de directe omgeving maakt geen onderdeel uit van het GNN of GO. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN significant aantasten. Een toetsing aan het GNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Uitvoerbaarheid van de plannen Vanuit de eisen van het natuurbeleid NNN is het plan uitvoerbaar. Ook vanuit de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het onderdeel gebiedsbescherming. Voor het onderdeel houtopstanden is een kapmelding en herplantplicht aan de orde. Indien de zomereiken gekapt worden buiten het broedseizoen, er overdag gewerkt wordt en er geen extra verlichting wordt aangebracht is het plan ook uitvoerbaar voor het onderdeel soortenbescherming. Conclusie Bij de uitvoering van de werkzaamheden zullen de genoemde voorwaarden met betrekking tot vleermuizen en broedvogels en de algemene zorgplicht in acht worden genomen. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.8
Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. Toetsing In het kader van voorliggend plan is de stikstokonderzoek uitgevoerd4.
Hierin is de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van de realisatie
4
Prommenz. Stikstofdepositieonderzoek N318 Passeerhavens nabij Aalten. P221211. 1 juni 2023 (concept) 42
van de passeerhavens berekend. De berekening is uitgevoerd met de meest recente AERIUS-Calculator. Ten tijde van het rapport: AERIUS 2022-1. Berekend is het maatgevend jaar (jaar met de hoogste emissie), het jaar (2023) waarin de aanlegfase en de beoogde situatie plaatsvindt. De aanlegfase levert voor de aanleg van beide passeerhavens geen depositie op, de referentiefase en de gebruiksfase zijn gelijk aan elkaar en het effect is daarmee 0,00 mol/ha/jaar. De berekening in de AERIUS-Calculator heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven de 0,00 mol/ha/jr. De voorgenomen nieuwe ontwikkeling is daarmee niet vergunningplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming, aangezien op voorhand mogelijke significante negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.9
Ontplofbare oorlogsresten Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben er oorlogshandelingen plaatsgevonden in en rondom Aalten en Varsseveld. Gezien het voorgaande is de kans aanwezig dat er zich binnen het plangebied nog niet-gesprongen explosieven bevinden. Bij de aanlegwerkzaamheden c.q. grondroerende activiteiten is er een risico dat op resten van explosieven wordt gestuit. Dit aspect verdient om die reden nadere aandacht. Toetsing Ter plaatse van het plangebied is een vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van explosieven/ onontplofte Oorlogsresten (OO)6. Geconcludeerd wordt dat grondroerende werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied op reguliere wijze kunnen worden uitgevoerd. Indien tijdens de geplande werkzaamheden onverhoopt toch explosieven worden aangetroffen, dan betreft dit een contra indicatie, waardoor de uitgangspunten mogelijk lokaal dienen te worden bijgesteld. Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.10
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de 6
T&A Survey. Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten, landbouwpasseerhavens langs de N318 tussen Varsseveld en Aalten. GPR10587. 3 augustus 2023 43
Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Het archeologisch bureau- en booronderzoek wordt in oktober 2023 afgerond. De resultaten zullen worden opgenomen in deze paragraaf. Conclusie P.m.
5.11
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing De Varsseveldsestraatweg tussen Varsseveld en Aalten is al van oudsher een belangrijk verbinding tussen de twee dorpen en is al vele jaren een kenmerkende lijn in het landschap. Ook de omliggende landschappen laten de karakteristieke karakter van de Achterhoek goed zien met het aanwezige kampen- en heideontginningenlandschap. De aanleg van de landbouwpasseerhavens heeft echter geen invloed op de openheid en schaal van het omliggende landschap. Ook de lijn van de weg blijft hetzelfde. Er liggen geen rijks- of gemeentelijke monumenten langs de N318. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoering van de werkzaamheden.
5.12
Verkeer en parkeren Algemeen Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan sprake zijn van een afweging van verkeersbelangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit kan zijn ingegeven door bijvoorbeeld een wijziging van de verkeersaantrekkende werking of ontsluiting van een plangebied. Daarnaast kan het parkeren relevant zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening van functies, omdat de ruimtelijke ontwikkeling bijvoorbeeld gevolgen kan hebben voor de ruimtebehoefte ten behoeve van het parkeren in en/of in de omgeving van het plangebied. Toetsing Dit inpassingsplan maakt een verbetering van de provinciale weg N318 mogelijk. Het is het gevolg van het verkenningsrapportage, waarin geconcludeerd wordt dat de
44
verkeersveiligheid op de N318 Varsseveld - Aalten verbeterd kon worden. Naar aanleiding hiervan worden diverse verbeteringen aangebracht. Zo worden er 4 verplichte landbouwpasseerhavens aangelegd, wordt een algeheel inhaalverbod ingesteld op de N318 tussen Varsseveld en Aalten, wordt de aansluiting van een aantal zijwegen aangepast zodat landbouwverkeer en melkwagens beter de weg (N318) op kunnen rijden, worden er 7 parkeerhavens verwijderd en worden er 3 zandwegen afgesloten op de Varsseveldsestraatweg voor gemotoriseerd verkeer. Dit inpassingsplan betreft de aanleg van de 4 landbouwpasseerhavens. De passeerhavens worden aangelegd naast de bestaande weg en zijn alleen toegankelijk voor landbouwverkeer. De lengte van de landbouwpasseerhavens is circa 85 meter afhankelijk van de inpasbaarheid, waar een landbouwvoertuig met een snelheid van de 25 km/uur gemiddeld 10 seconden over doet. Het overige verkeer kan in deze tijd veilig passeren. Naar aanleiding van vragen over hoe de landbouwpasseerhavens werken, heeft Provincie Gelderland een microsimulatie laten uitvoeren. Voor deze microsimulatie zijn de verkeerstelgegevens gebruikt van het verkeer op de N318 in 2019; het drukste jaar tot nu toe.
De resultaten van de microsimulatie waren positief: − De microsimulatie laat zien dat het gewenste effect voor automobilisten daadwerkelijk optreedt: De maximale vertraging voor automobilisten op het traject Varsseveld - Aalten daalt van 190 naar 90 seconden. Dit betekent dat automobilisten veel minder snel in de verleiding zullen komen om gevaarlijke inhaalpogingen te doen. Gemiddeld gezien halveert de verliestijd voor personen- en vrachtauto’s op het wegvak tussen Varsseveld en Aalten. De wachttijd voor landbouwvoertuigen op de passeerhavens is acceptabel: de gemiddelde vertraging gedurende de spits (07.00 – 09.00 uur) is ongeveer 40 seconden per passeerhaven. Dit is inclusief afremmen en optrekken. Aan de randen van de spits is de vertraging minder. Op het hoogtepunt van de spits is de wachttijd langer, maar ook dan blijft de gemiddelde vertraging per passeerhaven onder de minuut. Buiten de spits hoeven de meeste landbouwvoertuigen niet of nauwelijks stil te staan en kunnen ze vrijwel meteen de N318 weer oprijden. De gemiddelde vertraging is dan ongeveer 10 seconden per passeerhaven. Dat is inclusief afremmen en weer optrekken. De inpassing van de landbouwpasseerhavens is nader toegelicht in hoofdstuk 4. Gezien het bovenstaande, heeft dit inpassingsplan een sterk positief effect op de verkeersveiligheid.
De verbeteringen zorgen in principe niet voor een toename in de verkeersgeneratie en zijn slechts gericht op de verkeersveiligheid. Binnen het plangebied zijn er geen parkeervoorzieningen aanwezig. Deze worden ook niet gerealiseerd in de toekomstige situatie. De verbetering van de weg leidt niet tot een parkeerbehoefte. Conclusie Voorliggend plan resulteert in een verbeterde verkeersituatie ter plaatse.
45
5.13
Kabels en leidingen Algemeen Bij vaststelling van een inpassingsplan moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen. Toetsing In het plangebied zijn geen ruimtelijk relevante kabels en leidingen aanwezig waarvoor een dubbelbestemming is opgenomen. Dit betekent niet dat er geen kabels en leidingen in het plangebied aanwezig zijn. Deze liggen veelal in de bermstroken van de weg en deze zijn, zoals gebruikelijk, bij de uitwerking van de plannen al in beeld gebracht. Sommige van de leidingtracés moeten worden verplaatst vanwege de beoogde aanpassingen aan en langs de weg. In nog te beleggen combi-overleggen zal nog worden besproken welke kabels/leidingen moeten worden verlegd en hoe precies. Conclusie Door het verleggen van de kabels en leidingen en het opnemen van een dubbelbestemming voor de relevante kabels en leidingen zijn deze beschermd en leidt de uitvoeringen van het plan niet tot problemen.
46
6 Juridische planopzet 6.1
Inleiding Voorliggend inpassingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het provinciale inpassingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Een afgeleide voor deze gebruiksregels zijn de regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan en de interpretatie van de planregels. De toelichting van dit inpassingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het inpassingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het inpassingsplan. Voor de wijze van bestemmen is waar mogelijk aangesloten bij de huidige bestemmingsplannen van de gemeenten waar het plangebied binnen ligt en uiteraard is de wijze van bestemmen eveneens gebaseerd op de “Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012”. De verbeelding is IMRO-gecodeerd volgens IMRO2012.
6.2
Bevoegd gezag omgevingsvergunningen en wijzigingsplannen In artikel 2.4, lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is beschreven wie beslissen op een aanvraag om omgevingsvergunning. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak wordt of zal worden uitgevoerd zijn bevoegd gezag voor het beslissen op een aanvraag om omgevingsvergunning. Uitzondering op deze regel is dat Gedeputeerde Staten in de plaats treden van Burgemeester en Wethouders voor de beslissing op een aanvraag als bedoeld in art. 2.1, lid 1, onder a, b, c Wabo als dit in een provinciaal inpassingsplan zo is vastgelegd. Deze uitzondering volgt uit artikel 3.1, onder a van het Besluit omgevingsrecht en artikel 3.26 Wet ruimtelijke ordening. In ditzelfde artikel is ook geregeld dat Gedeputeerde Staten de bevoegdheden en verplichtingen, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid van die wet uitoefenen. In dit artikel is onder meer de mogelijkheid opgenomen om in een ruimtelijk plan een wijzigingsbevoegdheid op te nemen. Voor de in dit inpassingsplan opgenomen afwijkings- en wijzigingsmogelijkheden zijn Burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente het bevoegd gezag tenzij expliciet is aangegeven dat Gedeputeerde Staten dat zijn.
47
6.3
Opbouw van verbeelding en regels
6.3.1
Verbeelding Binnen een bestemming, zoals aangegeven op de verbeelding, kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens). Deze zijn daarom opgenomen bij de ‘verklaringen’. Verder zijn de gronden voorzien van een dubbelbestemming. In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling op of ter beperking van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. In het artikel ‘overige regels’ van hoofdstuk 3 is de voorrangsregeling tussen de verschillende dubbelbestemmingen opgenomen.
6.3.2
Regels De regels van het inpassingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken: − Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen. − Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden. Ook de dubbelbestemmingen zijn in dit hoofdstuk opgenomen. − Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en algemene afwijkingsregels. − Hoofdstuk 4 bevat het overgangsrecht en de slotregel. Regels in verband met de bestemmingen De bestemmingsregels kennen alle eenzelfde opbouw met de volgende leden: − bestemmingsomschrijving − bouwregels − nadere eisen-bevoegdheid (indien aanwezig) − afwijken van de bouwregels (indien aanwezig) − specifieke gebruiksregels (indien aanwezig) − afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig) − omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig) − wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig) De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. De bouwregels zijn gerelateerd aan deze omschrijving.
Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. Inleidende, algemene en overgangs- en slotregels De inleidende (hoofdstuk 1), algemene (hoofdstuk 3) en overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) zijn de gebruikelijke bestemmingsregels en worden hier verder niet 48
toegelicht. Waar relevant, wordt bij de beschrijving van de bestemmingen verwezen naar de algemene regels van hoofdstuk 3.
6.4
Bestemmingen In het voorliggende plan zijn de enkelbestemmingen ‘Verkeer - 1’, ‘Verkeer - 2’ en ‘Water’ opgenomen en de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie lage verwachting’ en ‘Waarde - Archeologie hoge verwachting’. Bij de opzet van de regels is aangesloten op de regelingen in de geldende bestemmingsplannen in de gemeente Aalten en Varsseveld. Dit heeft geresulteerd in twee verschillende bestemmingen voor ‘Verkeer’.
6.4.1
Enkelbestemmingen Verkeer - 1 De voor ‘Verkeer - 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor verkeersdoeleinden, en de daarbij behorende wegen, voet- en fietspaden en op- en afritten, met bermen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding, buis- en kabelverbindingen voor riolering, nutsbedrijven overeenkomstige doeleinden, en beeldende kunstwerken. Daarnaast zijn ook de bijbehorende bouwwerken en voorzieningen toegestaan. Er mogen uitsluitend abri’s met een maximale bouwhoogte van 3 m worden gebouwd, zitbanken, beeldhouwwerken en daarmee gelijk te stellen kunstzinnige elementen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, weg- en waterbouwkundige kunstwerken, informatiepanelen (niet zijnde reclame-uitingen), met dien verstande dat de bouwhoogte van een informatiepaneel ten hoogste 2,5 m mag bedragen en overige bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd. Hieraan zijn verscheidene bouwregels verbonden. Verkeer - 2 De voor ‘Verkeer - 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen en straten, wandel en fietspaden, geluidwerende voorzieningen, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, straatmeubilair, openbaar vervoersvoorzieningen, nutsvoorzieningen en water en voorzieningen voor de waterhuishouding.
Daarnaast zijn ook de daarbij behorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd, tenzij deze voor openbaar vervoersvoorzieningen en nutsvoorzieningen worden gebruikt, met een bouwhoogte van maximaal 3 m. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximale bouwhoogte van 12 m voor kunstwerken, kunstobjecten en bouwwerken voor verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer en een maximale bouwhoogte van 3 m voor de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Water De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor watergangen, waterpartijen, oevers, taluds, onderhoudspaden en kaden, de waterhuishouding en waterberging, instandhouding en ontwikkeling van de ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden en voorzieningen ten behoeve van de extensief recreatief gebruik, zoals fiets-, voet- en ruiterpaden en picknickplaatsen met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen. Op deze gronden mogen uitsluitend overkluizingen ter 49
verbinding van de aangewezen gronden en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 2 m. Daarnaast kunnen Burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en kunnen een aantal activiteiten niet plaatsvinden zonder een omgevingsvergunning. 6.4.2
Dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie lage verwachting De voor ‘Waarde - Archeologie lage verwachting’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op een bouwperceel, gelden de meest vergaande regels voor de uitvoering van het project. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 5.000 m2 voor gronden met een lage archeologisch verwachting, dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Waarde – Archeologie hoge verwachting De voor ‘Waarde - Archeologie hoge verwachting’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op een bouwperceel, gelden de meest vergaande regels voor de uitvoering van het project.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 500 m2 voor gronden met een hoge archeologisch verwachting, dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
50
7 Economische uitvoerbaarheid 7.1
Inleiding Bij de voorbereiding van een inpassingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Hierbij is de vraag relevant op welke manier de te maken kosten voor het project gedekt zijn, waarbij eventuele planschade onderdeel uitmaakt van de kosten.
7.2
Beoordeling plan De benodigde financiële middelen voor de maatregelen die met dit inpassingsplan mogelijk worden gemaakt zijn opgenomen in de door Provinciale Staten vastgestelde begroting. Bij de begroting is niet alleen rekening gehouden met de realisatie van de aanpassingen maar ook met het (ver)leggen van kabels en leidingen, grondverwerving, planten van bomen en overige maatregelen en de eventuele financiële consequenties van planschade. Gelet op het bovenstaande is het inpassingsplan economisch uitvoerbaar.
7.3
Grondverwerving Een deel van de benodigde gronden voor de landbouwpasseerhavens is in eigendom van particulieren. Voor zover deze gronden niet in eigendom zijn is de provincie met de grondeigenaren in overleg over aankoop van de grond dan wel minnelijke medewerking aan de uitvoering van de maatregelen. Wanneer minnelijk geen overeenstemming wordt bereikt, biedt het inpassingsplan zo nodig een titel voor onteigening.
7.4
Conclusie De economische uitvoerbaarheid van de aanpassingen van de weg en de bomencompensatie is voldoende aangetoond.
51
8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1
Participatie Vanaf het begin van het project is sterk ingestoken op participatie, in lijn met de Gelderse participatieaanpak. De bewoners in de omgeving van het gebied tussen Varsseveld en Aalten hebben op 22 september 2022 een brief ontvangen. Op donderdag 13 oktober 2022 is een inloopbijeenkomst georganiseerd in het Kulturhus in Lintelo. De bewonersavond is zeer goed bezocht. Er waren zo’n 135 bewoners aanwezig. Op de avond werden de onderhoudswerkzaamheden en plannen voor aanpassingen op de N318 tussen Varsseveld en Aalten, plus een voorbeeld van een verplichte landbouwpasseerhaven getoond. Vertegenwoordigers van provincie, gemeente Aalten, gemeente Oude IJsselstreek en LTO waren aanwezig om de bezoekers informatie te geven en vragen te beantwoorden. De bewoners konden tot en met 29 oktober 2022 een reactie geven op de voorgenomen plannen of knelpunten aandragen die niet opgenomen waren in het werkpakket. Dit kon op de projectwebsite www.gelderland.nl/n318 via het digitale formulier. In totaal zijn 39 reacties ingediend via het digitale formulier en 4 reacties via e-mail (sommige opgestuurd naar Provincie Gelderland of gemeente Aalten). De reacties zijn samengevoegd in een reactienota7, welke is toegevoegd aan de bijlagen.
8.2
Inspraak Met de inwerkingtreding van de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure is de verplichte inspraak, alvorens een ontwerpinpassingsplan ter inzage te leggen, komen te vervallen. Ook de Wet ruimtelijke ordening verplicht gemeenten/provincies niet meer tot het bieden van de mogelijkheid tot inspraak. Het Besluit ruimtelijke ordening doet dat evenmin. Een formele inspraakprocedure op basis van een voorontwerp van dit provinciaal inpassingsplan heeft om die reden niet plaatsgevonden. Echter, zoals in paragraaf 8.1 beschreven heeft de provincie wel inspraak georganiseerd.
8.3
Wettelijk vooroverleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen Gedeputeerde Staten bij de voorbereiding van een inpassingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Op grond van artikel 3.26 Wro is er een wettelijke verplichting tot het horen van de gemeenteraad in het kader van een provinciaal inpassingsplan. Tijdens het vooroverleg, zoals in de vorige alinea beschreven, wordt ook aan deze wettelijke verplichting nader inhoud gegeven.
7
Provincie Gelderland. Reactienota over de voorgenomen aanpassingen op N318 tussen Varsseveld (N18) en de rotonde Aladnaweg in Aalten. 2016-012703, 9 februari 2023. 52
De colleges van de gemeenten Aalten en Varsseveld zijn akkoord met het inpassingsplan. De gemeenteraad van beide gemeenten moet nog worden gehoord.
8.4
Procedure na terinzagelegging van dit ontwerpinpassingplan Dit provinciaal inpassingsplan wordt voor (ten minste) zes weken ter visie gelegd. Eenieder wordt in de gelegenheid gesteld om zienswijzen te geven. De binnengekomen zienswijzen worden in het vast te stellen inpassingsplan besproken en beantwoord.
53