Welstandsnota Aalsmeer 2021.docx
Tekst van het document
Gemeentelijk Beschermd dorpsgezicht “Bovenland-Benedenland” Gebiedsbeschrijving De bebouwing in dit beschermde dorpsgezicht bestaat voornamelijk uit bijzondere gebouwen en hebben een directe relatie met de geschiedenis en functionaliteit van dit landschap. De twee molens, De Zwarte Ruiter en de voormalige vijzelmolen zijn stille getuigen van de vroegere wijze van bemaling van de polder. Beide molens zijn beschermd: de Zwarte Ruiter als Rijksmonument en de vijzelmolen als gemeentelijk monument. Aan het begin van de Mr. Jac. Takkade ligt sinds 1928 het Oosterbad. Het is een eenvoudig houten bouwwerk dat de faciliteiten herbergt voor het natuurbad, dat nog actief in gebruik is. Het is een bijzonder gebruik van de goede waterkwaliteit in deze omgeving, wat in het verleden ook het bestaansrecht van de blekerijen in de Schinkelpolder was.
De CRK beoordeelt elk voorstel in zijn specifieke context en richt zich op behoud van de in dit document beschreven karakteristiek. Bovenstaande voorschriften zijn daarbij leidend. In uitzonderlijke gevallen (als de context hierom vraagt) kan hiervan, op onderdelen, gemotiveerd worden afgeweken.
Toekomstige ontwikkelingen in dit gebied zouden er op gericht moeten zijn de ruigte van het Bovenland en de openheid van de polder te versterken. De doorzichten vanaf de Mr. Jac. Takkade naar de polder en af en toe in de ruigte van het bovenland zijn van belang om het contrast te kunnen beleven. De weg zelf moet zijn landelijk karakter behouden, waarbij het profiel sober en landelijk blijft, en bebording en markeringen ontbreken. Hekwerken in het landschap zijn onopvallend, eenvoudig, doelmatig en zo transparant mogelijk. Bebouwingsvoorstellen zullen worden beoordeeld op de wijze waarop deze zich door massa, oriëntatie, vormgeving en materiaalgebruik in het landschap voegen. Voorschriften voor de bebouwing en inrichting van het landschap aan het Beneden-Bovenland:
Nieuwe bebouwing dient zoveel mogelijk ontmoedigd te worden Nieuwe vrijstaande bebouwing dient zich qua maat, schaal en materiaalgebruik te voegen in het landschap door gebruik van éénduidige volumes en een horizontale expressie Bij renovatie van de bestaande bebouwing dienen natuurlijke materialen en gedekte kleuren toegepast te worden Woonhuizen en agrarische bebouwing mogen niet hoger zijn dan één laag met schuine kap Aanbevolen wordt om de aanplant van bomen en inrichting/onderhoud van het landschap zich te laten voegen naar de voor dit landschap typerende (cultuur)biotopen. Het landschap van de molenbiotopen dient zo veel mogelijk open te worden gehouden door het regelmatig kappen van opschot.
63
(Ontwikkelings)buitengebied Aalsmeerderweg (Gebied 22) Gebiedsbeschrijving Het gebied aan weerzijden van de Aalsmeerderweg is gevarieerd met grootschalige bedrijven achter en naast individuele woningbouw. Het gebied is aangewezen als ontwikkelingsgebied voor onder meer bedrijvigheid. Het gebied vormt grofweg een driehoek tussen Nieuw Oosteinde in het westen, de bebouwing van de Aalsmeerderweg in het noorden en de Legmeerdijk in het zuiden. Het gebied wordt gekenmerkt door individuele woningen langs de lintwegen en grote bedrijven waaronder een benzinestation / wasstraat, en het over meerdere percelen verdeelde tuincentrum “Het Oosten”. De woningen staan in de eerste lijn van het lint, liggen enigszins terug van de weg en hebben vaak ruime voortuinen. Woningen zijn met de voorgevel gericht naar de weg. Bedrijven liggen meestal in de tweede lijn. Bedrijven als tuincentrum “Het Oosten” hebben grote asfaltvlakken als voorerven die voor parkeren, opslag of laden en lossen worden gebruikt. De bedrijfsgebouwen hebben in het algemeen een alzijdige of naar binnen gekeerde oriëntatie. Rooilijnen van hoofdmassa’s volgen de weg of het slotenpatroon en verspringen. De woongebouwen zijn individueel en overwegend vrijstaand. Een enkel kort rijtje komt voor. De woningen hebben een eenvoudige opbouw met een onderbouw van een tot twee lagen en een kap die meestal de vorm heeft van een zadeldak.
De nokrichting loopt evenwijdig aan of staat haaks op de voorgevelrooilijn. Aan- en uitbouwen komen veel voor en zijn in het algemeen ondergeschikt en opgenomen in de hoofdmassa of vormgegeven als zelfstandig element. Gevels van de woningen zijn veelal helder geleed. Traditionele panden hebben voornamelijk staande ramen die horizontaal zijn gelijnd. De detaillering is eenvoudig en in het algemeen zorgvuldig, het kleurgebruik rustig. Bij traditionele panden zijn de raampartijen onderverdeeld door stijl- en regelwerk. Het materiaalgebruik van de woningen is overwegend traditioneel. Panden zijn meestal opgebouwd uit baksteen en soms deels afgedekt met houten beschot. Hellende daken zijn afgedekt met pannen. Kozijnen zijn meestal van hout en net als het overige houtwerk geschilderd. Bedrijfsbebouwing is afwijkend. De bedrijfsgebouwen hebben meestal een eenvoudige hoofdvorm van een laag en een zadel- of schilddak. De kop- of langsgevel is naar de weg gericht. De detaillering is sober en meestal zorgvuldig, het materiaalgebruik veelal eigentijds. Glas en geprofileerd metaalplaat komen regelmatig voor. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid Het gebied kenmerkt zich door grote contrasten in de bebouwing. Met name de hoofdstructuur is waardevol. De ingezette ontwikkeling van bedrijvigheid zal zich voortzetten.
Het beleid is gericht op behoud van de plaats van grote bedrijven achter een klein (woon)gebouw en het gebruik van terughoudende vormen en kleuren.
Aanvullend beleid Het trafohuisje gelegen aan het Schinkeldijkje en een woning gelegen aan de Aalsmeerderweg is aangewezen als gemeentelijk monument. Voor de lintbebouwing is het “Lintenbeleid” van toepassing. De gewenste eigenschappen van een bouwwerk staan in onderstaande criteria beschreven: Ligging het afwisselende karakter van de lintbebouwing in principe behouden · de bebouwing is met de voorgevel gericht op de weg per erf of kavel is er een hoofdmassa · rooilijnen lopen parallel aan de weg of haaks op het slotenpatroon rooilijnen van de hoofdmassa’s verspringen ten opzichte van elkaar bedrijfsgebouwen en bijgebouwen hebben een ondergeschikte positie en liggen terug · bij voorkeur geen opslag op het voorerf oriëntatie van de bebouwing bij voorkeur afstemmen op de richting van de kavel Massa hoofdgebouwen zijn individueel en afwisselend, hoofdvorm is eenvoudig hoofdgebouwen zijn opgebouwd uit een onderbouw tot twee lagen met bij voorkeur een zadeldak bedrijfsgebouwen hebben een onderbouw van een laag met zadeldak of platdak nokrichtingen lopen parallel aan of staan dwars op de voorgevelrooilijn op-, aan- en uitbouwen als erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking en detaillering is zorgvuldig en afwisselend, passend in de
omgeving en in samenhang met elkaar wijzigingen en toevoegingen in stijl, maat en schaal afstemmen op het hoofdvolume bebouwing in de tweede lijn is eenvoudiger maar net zo zorgvuldig gedetailleerd als het hoofdgebouw naar de weg gerichte gevels van bedrijfsgebouwen hebben een heldere ritmiek geen seriematige woningbouw Materiaal en kleurgebruik gevels en woningen zijn van baksteen, wit geschilderde of gestuukte gevels zijn toegestaan, eventueel met houten beschot 64
gevels van bedrijfsgebouwen zijn afgedekt met glas, geprofileerd plaatmateriaal of panelen die een structuur vormen hellende daken van woningen afdekken met pannen kozijnen, dakkapellen en daklijsten van woningen uitvoeren in hout, kunststof is toegestaan, mits goed gedetailleerd. het kleurgebruik is terughoudend, houtwerk is geschilderd reclame-uitingen van bedrijven zijn opgenomen in de architectuur
65
Traditionele bedrijven (Gebied 23) Gebiedsbeschrijvingen De bedrijventerreinen rond de kern van Aalsmeer zijn opgebouwd uit traditionele bedrijfsgebouwen langs een eenvoudige hoofdstructuur. Het grootste terrein ligt aan de oostkant van de Hornmeerpolder en wordt begrensd door het veilingterrein in het oosten en de Burgemeester Kasteleinweg in het westen. De Legmeerdijk begrenst het terrein in het zuiden en de woonbebouwing langs de Zwarteweg vormt de noordgrens. Ten noordoosten van de Zwarteweg, in de Stommeerpolder ligt een klein bedrijventerrein met traditioneel ogende bedrijfsbebouwing. Langs de Witteweg zijn nieuwe bedrijfspanden gerealiseerd met een representatieve uitstraling. Gebouwen zijn meestal vrijstaand en vormen een wand. Ze zijn veelal gericht op de weg en staan in een verspringende rooilijn die de weg volgt. Opslag vindt deels in het zicht plaats. De bebouwing is zowel opgebouwd uit eenvoudige hallen als uit gebouwen met meer representatieve functies als showrooms en kantoren. De gebouwen zijn in principe individueel en hebben een eenvoudige hoofdvorm. Gebouwen zijn meestal een tot twee lagen hoog. De gebouwen zijn in principe plat afgedekt, een enkel gebouw heeft deels een flauw hellend zadeldak. De voorgevels richten zich naar de weg en zijn veelal open. De overige gevels hebben een gesloten karakter.
Entreepartijen, kantoren of kantoorgedeelten en showrooms zijn vaak vormgegeven als accenten met glas. De detaillering is in het algemeen sober en bij representatieve elementen zorgvuldig. Het materiaalgebruik varieert van traditioneel tot modern. Veel panden hebben gevels die grotendeels zijn opgebouwd uit baksteen. Deze zijn soms aangevuld met kunststof panelen. Ook glazen puien en gevels van gevouwen staalplaat komen voor. Hellende daken zijn bij voorkeur afgedekt met pannen. Het kleurgebruik is veelal terughoudend. Bij een enkel pand springt het kleurgebruik in het oog door de opvallende kleurkeuze voor de huisstijl van het bedrijf.
Welstandsvrij regime Voor de sobere bebouwing langs een eenvoudige hoofdstructuur geldt een welstandsvrij regime. Traditionele bedrijven Voor de bouwwerken zijn geen nadere welstandscriteria opgenomen. Wel is voor deze gebieden de excessenregeling van toepassing.
Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De monofunctionele terreinen hebben een heldere opzet en eenvoudige bebouwing. Afhankelijk van de ouderdom van de bestaande bebouwing en de behoefte van de daarin gevestigde bedrijven zullen veranderingen gewenst zijn. Daarbij zal het voornamelijk gaan om het plaatsen van bijgebouwen en de vervanging van oudere hallen door gebouwen die aan de huidige eisen voldoen. Het beleid is gericht op een goed functioneren van de terreinen. Aanvullend beleid Voor de bedrijventerreinen in Hornmeer en Stommeer geldt geen aanvullend beleid.
66
Greenpark (Gebied 24) Gebiedsbeschrijvingen Met de verplaatsing van de N201 naar de Oosteinderpolder is dit verouderde glastuinbouwgebied een herontwikkelingslocatie waar voornamelijk bedrijven in de sierteeltsector een plaats zullen krijgen. Daarnaast is er ook ruimte voor lokale bedrijvigheid. Het gebied ligt tussen de Hogedijk in het noorden en de Legmeerdijk (N231) in het zuiden. Aan de westzijde wordt het gebied begrensd door het terrein van de huidige bebouwing van de bloemenveiling FloraHolland en de nieuw aan te leggen Noordvork die in de toekomst de Burgemeester Kasteleinweg met de Aalsmeerderweg verbindt. Aan de oostzijde wordt het gebied begrensd door de Machineweg. In het gebied is een aantal karakteristieke linten aanwezig met waardevolle bebouwing. Deze linten hebben een kleinschalig, dorpsachtig karakter en worden niet tot Green Park Aalsmeer gerekend, maar vallen onder Buitengebied-oost (Gebied 20). Green Park Aalsmeer bestaat uit een ruimtelijke hoofdstructuur van wegen, water en groen, het zogenaamde casco. Hierbinnen is een aantal bedrijvenkamers gelegen. Het casco is opgebouwd uit een zestal verschillende lijnen, de zgn. cascolijnen elk met een eigen functie en karakteristiek: de N201; de Middenweg; de Buffers; de Verlengde Meerlandenweg; de Bedrijvenstraten. Deze lijnen lopen langs en door de verschillende bedrijvenkamers.
Iedere cascolijn stelt specifieke uitgangspunten aan de aangrenzende kavels en bebouwing, zodat het karakter van de lijn wordt versterkt. Hierdoor zorgen de cascolijnen voor samenhang en continuïteit binnen het hele gebied. De bedrijvenkamers verschillen van elkaar wat betreft ligging, bereikbaarheid, kavelgrootte en bedrijfstype. Hierdoor is er binnen Green Park Aalsmeer ruimte voor uiteenlopende bedrijfssegmenten. De kamers GPA-midden, GPA-oost, Green Square en Bedrijvenbos zijn bestemd voor verschillende bedrijven in de sierteeltsector. GPA-midden en GPA-oost bieden ruimte aan sierteelt verwerkende bedrijven en specialistische handel. Het bedrijvenbos is geschikt voor bedrijfspaviljoens en innovatieve diensten in deze sector. Het Greensquare vormt het hart van Green Park Aalsmeer, het internationale knooppunt voor de handel, presentatie en kennisuitwisseling. De kamers “Hoeksteen” en “Tussen de linten” zijn bestemd voor lokale gemengde bedrijvigheid. De kamer VBA-oost biedt ruimte aan de toekomstige uitbreiding van de bloemenveiling. De ruimtelijke structuur en herkenbaarheid van het plan worden dus bepaald door zowel de cascolijnen als de afzonderlijke kamers. De positie van een kavel binnen dit netwerk van elkaar overlappende domeinen, is mede bepalend voor de architectonische karakteristiek van een afzonderlijk gebouw.
Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid Het Green Park Aalsmeer is een bedrijvenpark in ontwikkeling. Hierbij wordt gestreefd naar een beeldkwaliteit, waarbij samenhang bestaat tussen de sfeer en inrichting van de openbare ruimte en de uitstraling van de individuele bedrijfskavels en –gebouwen met een hoog ambitieniveau. In het ontwerp dient invulling gegeven te worden aan vier kernwaarden die er voor zorgen dat Green Park Aalsmeer uniek en herkenbaar is. Deze kernwaarden zijn: menselijke maat (aandacht voor mensen); verantwoord (met een meerwaarde voor de toekomst); communicatief (laten zien wat er gebeurt) en fris (innovatief, heel en schoon). Het Beeldkwaliteitsplan Greenpark Aalsmeer hanteert een 10-tal regiemiddelen die de communicatie omtrent het ontwerpproces structureren, deze regiemiddelen hebben tot doel de kernwaarden concreet te realiseren en moeten dan ook steeds in samenhang worden beschouwd. De karakteristieke linten met woonbebouwing in het gebied vragen om een zorgvuldige en verantwoorde inpassing van het bedrijvenpark. Hierbij spelen de aanwezigheid en inrichting van de buffers en andere groengebieden, zoals het machinepark rondom het Zwanemeer, een belangrijke rol.
Dit vanwege het visueel afschermende karakter van het groen, de afstand die het groen creëert tussen woningen en bedrijven en de recreatieve mogelijkheden die het groen biedt aan zowel werknemers en bezoekers van het bedrijvenpark als aan omwonenden. Aanvullend beleid Voor de herontwikkeling van dit gebied is het Masterplan Green Park Aalsmeer (juni 2005) opgesteld, waarin de ruimtelijke en programmatische hoofdopzet van het bedrijvenpark is beschreven. In aanvulling daarop is het beeldkwaliteitsplan Green Park Aalsmeer (versie 11, juli 2007) gemaakt, waarin zowel de gewenste beeldkwaliteit van de openbare ruimte als van de bedrijfskavels en –gebouwen wordt beschreven. De beeldkwaliteit van de bedrijfskavels en -gebouwen is beschreven aan de hand van algemene uitgangspunten voor het gehele gebied. Daarnaast zijn er per kamer aanvullende uitgangspunten voor de verschillende cascolijnen opgenomen. Bijzonder welstandsregime Voor het bedrijvenpark Green Park geldt een bijzonder welstandsregime. Hierbij wordt gestreefd naar een beeldkwaliteit, waarbij samenhang bestaat tussen de sfeer en inrichting van de openbare ruimte en de uitstraling van de individuele bedrijfskavels en –gebouwen met een hoog ambitieniveau. Kavels & Gebouwen De uitgangspunten ten aanzien van de gewenste beeldkwaliteit staan in onderstaande criteria beschreven.
Deze criteria komen overeen met de uitgangspunten van het Beeldkwaliteitplan Green Park Aalsmeer.
67
De gewenste eigenschappen van een bouwwerk staan in onderstaande criteria beschreven:
Ligging er gelden uitgangspunten ten aanzien van de rooilijn, deze verschillen per cascolijn per erf of kavel is er een hoofdmassa door de onderlinge onbebouwde ruimte staan de gebouwen vrij op de kavel en is geen sprake van aaneengesloten bebouwing de voorgevel (meest representatieve gevel) is gericht op de belangrijkste cascolijn de entreepartij, het kantoorgedeelte of andere bijzondere functies worden vormgegeven als accenten, of als herkenbare volumes die zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte opslag is niet zichtbaar vanaf de openbare weg
de bedrijvigheid die zich in het gebouw afspeelt dient bij voorkeur (met architectonische middelen) aan de buitenzijde zichtbaar gemaakt te worden er is aandacht voor zorgvuldig materiaalgebruik en detaillering de installaties zijn onderdeel van de architectuur een eventuele aanpassing aan, of uitbreiding van een gebouw dient in dezelfde vormentaal te worden ontworpen als het hoofdgebouw, de reclame is integraal onderdeel van de architectuur en mee ontworpen door of in nauwe samenspraak met de architect de vormgeving en de typologie van de reclame dient te zijn afgestemd op de architectuur de reclame-uiting mag in principe niet hoger zijn dan 120 cm. Hiervan kan in bijzondere gevallen worden afgeweken als de reclame een bijzondere en integrale bijdrage levert aan de architectuur
Massa de gebouwen zijn in principe individueel en vrijstaand losse vrijstaande bijgebouwen zijn niet toegestaan het bebouwingspercentage dient minimaal 50% en maximaal 70% te bedragen met het oog op intensief ruimtegebruik dient in het ontwerp aandacht te worden besteed aan dubbel grondgebruik (stapelen van functies) parkeren in principe op of onder het gebouw Materiaal en kleurgebruik de materialen die worden toegepast voor de kavels en gebouwen zijn kwalitatief hoogwaardig voor de gebouwen mag alleen metselwerk worden toegepast indien dit gebeurt op bijzondere wijze (metselverband, type steen, formaat) grote doorgaande (dichte) gevelwanden van de bedrijfshallen moeten bestaan uit materialen met een structuur de bedrijfshallen moeten worden uitgevoerd in wit of lichtgrijs, bij de bijzondere functies als de entreepartij of het kantoorgedeelte dienen kleuraccenten te worden toegepast. Architectonische uitwerking de gebouwen hebben een hoogwaardige architectonische uitstraling bijzondere functies als de entreepartij of het kantoorgedeelte dienen zichtbaar gemaakt te worden door de toepassing van geledingen en gebouwaccenten hoekkavels en –gebouwen vragen om een bijzondere hoekoplossing de daken die worden toegepast zijn vogelonvriendelijk, dit betekent dat er geen grote aaneengesloten platte daken mogen worden gerealiseerd 68
Bloemenveiling (Gebied 25) Gebiedsbeschrijving De bloemenveiling is een grootschalig complex dat is opgebouwd uit samengestelde volumes en vrijstaande gebouwen. Het deel van het veilingcomplex dat bij Aalsmeer hoort ligt tussen de Legmeerdijk en de Zwarteweg. Schaal en vergroting van de efficiëntie hebben de veiling gemaakt tot een uitgebreid complex dat aan de overkant van de Legmeerdijk op Uithoorns grondgebied doorloopt en gekoppeld is aan de N231 en de N201. Het complex is monofunctionele en doelmatig ingericht. Hoofdvolume is een grote rechthoekige bouwmassa waarvan het dak dienst doet als parkeerdek. Overige bouwvolumes hebben eveneens eenvoudige hoofdvormen gericht op een goed functioneren. Deze volumes variëren in schaal, maat en vorm en zijn een tot vier lagen hoog met enkele hogere accenten en veelal platte daken. De gevels hebben in het algemeen een sobere en heldere geleding met rechte strokenramen. Hallen zijn in het algemeen voorzien van laad- en losmogelijkheden (laadperrons, grote deuren en sluizen). De detaillering is in het algemeen sober, terughoudend en doelmatig. Accenten in de vorm van reclame komen voor. De gebruikte materialen zijn in principe robuust en modern. Betonelementen, staal en geprofileerde platen vormen bij de hallen de boventoon. Kantoren zijn meestal afgewerkt met beton, baksteen en glas.
Opvallend is het deel van de veiling dat over de Legmeerdijk loopt en een verbinding legt tussen het veilingdeel van Aalsmeer en dat van Uithoorn. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid Het grootschalige veilingterrein heeft een doelmatige opzet met robuuste gebouwen. Het complex is industrieel, infrastructureel en bestaat uit een combinatie van hallen en kantoren. Aanvullend beleid Voor het bloemenveilingcomplex van Aalsmeer geldt geen aanvullend beleid. De uitbreiding van de bloemenveiling richting N201 is evenwel opgenomen in het “Masterplan Green Park Aalsmeer”. Dit Masterplan is een stedenbouwkundige visie dat samen met het bestemmingsplan een kader vormt voor de op termijn op te stellen gedetailleerde uitwerkingsplannen . Welstandsvrij regime Voor dit gebied gelden geen nadere welstandseisen. Bloemenveiling Voor de bouwwerken zijn geen nadere welstandscriteria opgenomen. Wel is voor dit gebied de excessenregeling van toepassing.
69
Greenpark / Bloemenveiling (Oost) (Gebied 26)
Gebiedsbeschrijving Met de ontwikkeling van Locatie Oost wordt een grootschalige uitbreiding van het procesgebied van FloraHolland vestiging Aalsmeer mogelijk gemaakt. De ruimte binnen het huidige areaal, dat bestaat uit Locatie Centrum en Locatie Zuid is niet meer toereikend voor toekomstige ontwikkeling. De voorziene uitbreiding past binnen het stedenbouwkundige raamwerk dat voor Greenpark Aalsmeer is ontwikkeld.
De kavel Locatie Oost heeft een oppervlakte van ca. 36.6 ha en zal gebruikt worden voor het ontwikkelen van bedrijfsruimte voor klanten van FloraHolland. De verwerkingsruimte en kantoorruimte zullen door derden worden gerealiseerd. FloraHolland realiseert de benodigde logistieke voorzieningen en infrastructuur. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid Bij de ontwikkelingen op Locatie Oost is een doelmatige en robuuste opzet en het goed en efficiënt functioneren van de bebouwing, de omliggende terreinen en infrastructuur van het grootste belang. De volgende kernwoorden zijn op de bebouwing en terreinen van Locatie Oost van toepassing: representatie schaal § eenheid uitstraling ritmiek Aanvullend beleid Voor het bedrijventerrein Locatie Oost is in opdracht van FloraHolland een Beeldkwaliteitsplan opgesteld, passend binnen de hier gestelde criteria. Dit plan bevat naast stedenbouwkundige en architectonische principes, regiemiddelen, voorschriften en verboden met betrekking tot materiaal- en kleurgebruik, reclame-uitingen, naamsaanduidingen en de vormgeving en uitstraling van losse elementen. Bijzonder welstandstoezicht Verwezen wordt naar het Beeldkwaliteitsplan Locatie-Oost waarin de algemene en aanvullende uitgangspunten ten aanzien van bedrijfskavels en gebouwen nader worden beschreven en toegelicht.
De gewenste eigenschappen van infrastructuur en omliggende terreinen staan in onderstaande criteria beschreven: Uitgangspunten Helderheid, herkenbaarheid en oriëntatie zijn sleutelbegrippen voor de infrastructuu
(rond)wegen worden ontworpen met zo weinig mogelijk bochten en obstakels. Daar waar mogelijk worden zichtlijnen geïntroduceerd. De hoofdbebouwing is gepositioneerd op een eenduidig verhard oppervlak, waarvan de rondwegen een integraal onderdeel uitmaken. Wegen rondom de gebouwen en de laadperrons vormen over het gehele areaal een eenheid Schaal van de vrachtwagen is dominant. Losse elementen en ondersteunde functies worden zoveel mogelijk opgenomen binnen het hoofdvolume. Dit geldt o.a. voor fietsenstallingen, nutsvoorzieningen.
Rooilijnen N201-zijde: De rooilijn is een rechte lijn die direct aansluit op de laadkuil Alle gevels staan in een lijn zodat de functionele helderheid in het beeld tot uitdrukking komt. Hornwegzijde: De rooilijn wordt bepaald in relatie tot de huizen aan de Hornweg. Er wordt een afstand van 140 m aangehouden van de gevel van de bebouwing op locatie Oost tot aan de zijkant van de Hornweg Legmeerdijk: De positie van de rooilijnen van de verwerkingsruimte is bepaald op basis van stedenbouwkundige principes en functionele criteria. Het kantoorvolume aan deze zijde vormt een uitzondering op deze regel. tussen Locatie Centrum en Locatie Oost: De rooilijn aan de Centrum-zijde is een rechte lijn. Zowel de hellingbaan van Waterdrinker als ook de gevels van de kavelkopers zijn in een lijn geplaatst, gevels kunnen niet terugliggen t.o.v. deze lijn. Water- en groenvoorzieningen Water- en groenvoorzieningen zijn afgestemd op de kaders in het Groenplan van FloraHolland. Nieuwe N201 – representatie: Er wordt een representatieve groen- en waterstrook ingericht met representatieve bloembedden, in aansluiting op de plannen van GPA. Legmeerdijk – representatie: De uitgangspunten voor de groen- / waterstrook langs de Legmeerdijk dienen nog opgesteld te worden in aansluiting op het Groenplan van FloraHolland en de representatieve zone langs de N201.
tussen Locatie Centrum en Locatie Oost: Parallel aan de hoofdontsluiting is een water- en groenvoorziening gepland. Het karakter van deze wateren groenvoorziening wordt nader bepaald. Hornweg – afscherming: Er wordt een groene buffer tussen het bedrijfsverzamelgebouw en de lintbebouwing van de Hornweg opgenomen. Deze zone vormt de overgang tussen de grootschalige 70
bedrijvigheid op Locatie Oost en de kleinschalige bebouwing aan de Hornweg. Uitgangspunt voor de beplanting is uniformiteit: een type boom, in groepen geplant. Daar waar nodig worden groengebieden aangevuld met velden gekleurde bloemen. Erfafscheidingen Kavelkopers passen geen (zichtbare) erfafscheidingen toe zodat de eenheid van het gebied benadrukt wordt. Materiaal en kleurgebruik Grondslag voor de materialisering is het maken van eenheid in de buitenruimte. Dit geldt o.a. voor wegen, groen, water, laadkuilen en parkeervoorzieningen. Verhardingen in de buitenruimte zijn grijs en zwart, materialen kunnen afhankelijk van de functie verschillen. Elementen in de openbare ruimte hebben een samenhangende vormgeving. Hieronder vallen o.a. straatmeubilair, verlichting, hekken.
Installaties maken onderdeel uit van de architectuur (gebouw)volume Indeling van de gevels is gebaseerd op de stramienmaat. Docks worden geclusterd in de gevel gepositioneerd.
/
het
Materiaal en kleurgebruik Alle gevels van bedrijfshallen worden gematerialiseerd volgens een industriële karakteristiek. Naamsaanduiding Naamsaanduidingen maken deel uit van de architectuur van het gebouw, extra toevoegingen buiten het architectonisch kader zijn niet toegestaan Er is een duidelijke samenhang tussen het maatsysteem en de ritmiek van het gebouw en de reclame-uitingen
De gewenste eigenschappen van gebouwen staan in onderstaande criteria beschreven: Ligging Zowel verladingsgevels beeldbepalend. Ook de behandeling.
als gevelvlakken zonder functie zijn ‘blinde’ gevels vragen een zorgvuldige
Massa De bebouwing op de kavel wordt zoveel mogelijk als een eenduidig volume vormgegeven. Dat betekent dat gebouwen van verschillende kavelkopers zonder tussenruimte gerealiseerd kunnen worden. Het hoofdvolume heeft zoveel mogelijk een vaste hoogte. Sheddaken worden terugliggend t.o.v. de gevels geplaatst. Gezien de positie en maat van het gebouw van Waterdrinker heeft dit ontwerp op deze punten een eigen standaard voor gevel- en dakhoogte. Architectonische uitwerking De wanden van de stedenbouwkundige ruimte die gevormd worden door de gevels van de gebouwen dienen een zekere robuustheid en grootschaligheid uit te stralen, gerelateerd aan de schaal van de aangrenzende regionale routes. Weinig detail in gevelvlakken. 71
TV Studio Aalsmeer (Gebied 27) Gebiedsbeschrijving In de kern van Aalsmeer ligt het complex van de voormalige TV-studio, gehuisvest in de oude bloemenveiling. Het complex ligt aan de oostkant, in de hoek tussen de Burgemeester Kasteleinweg en de Van Cleeffkade en bestaat uit meerdere gebouwen. De gebouwen langs de Van Cleeffkade en de Burgemeester Kasteleinweg zijn met de representatieve voorzijde naar de weg gekeerd en staan in een rooilijn die de weg volgt en verspringingen heeft. Het complex is op te delen in een oud deel aan de westkant en een nieuw deel aan de oostkant. Beide delen zijn opgebouwd uit meerdere gebouwen en volumes. Het oude deel heeft een duidelijk, samengesteld hoofdgebouw met een onderlaag in een laag en kappen met zadeldaken, vleugels van een tot twee bouwlagen met een plat of schilddak en bijgebouwen met een hoge bouwlaag en sheddaken. Het hoofdgebouw wordt geaccentueerd door een slanke toren. De gevels zijn vrij gesloten. Openingen van het hoofdgebouw zijn zorgvuldig vormgegeven met witgeschilderde houten kozijnen en daklijsten. De gevels zijn opgebouwd uit lichtbruine baksteen en de hellende daken gedekt met rode keramische pannen. Het meer recente deel vormt een contrast met de oudbouw en is opgebouwd uit rechthoekige, hoge volumes met platte daken. De gevels van de verschillende delen zijn vlak gedetailleerd.
Het materiaal- en kleurgebruik zijn in samenhang. Gevels zijn afgedekt met gelakte metaalplaten en licht spiegelend, donker getint glas. Ook betonplaten en staalaccenten komen voor. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid Het complex is een element dat in schaal afwijkt van de overige bebouwing in de kern en met het gezicht naar de weg gekeerd. Door de latere uitbreiding zijn er op korte termijn geen grootschalige ontwikkelingen te verwachten. Het beleid is gericht op een juist beheer van het gehele complex.
representatieve en openbare functies zijn naar de hoofdwegen gericht de rooilijnen kunnen verspringen ten opzichte van elkaar opslag vindt bij voorkeur uit het zicht plaats.
Massa gebouwen bestaan bij voorkeur uit een samengestelde hoofdmassa de opbouw en compositie van de gebouwen is zorgvuldig entreepartijen en kantoorgedeelten zijn vormgegeven als accenten of als zelfstandige volumes Architectonische uitwerking de detaillering is verzorgd · gevels hebben een heldere compositie accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk bij wijzigingen aan de oudbouw, oorspronkelijke detaillering behouden Materiaal en kleurgebruik gevels van de oudbouw zijn opgebouwd uit lichtgele baksteen grote vlakken van het recente deel bestaan uit gelakt metaalplaat en donker getint glas, met accenten in beton en staal hellende daken van het oude hoofdgebouw zijn voorzien van rode keramische panne kozijnen en daklijsten van de oudbouw zijn van hout en geschilderd in wit het kleurgebruik is terughoudend en per deel in onderlinge samenhang materiaal- en kleurgebruik van aanbouwen is afgestemd op het hoofdvolume
Aanvullend beleid Het complex wordt genoemd in het beeldkwaliteitplan Aalsmeer-Dorp, de oudbouw is geplaatst op de gemeentelijke monumentenlijst. Ten aanzien van reclamevoering zijn de criteria van toepassing die gelden voor een Evenementencentrum. Bijzonder welstandstoezicht Voor de bebouwing geldt een bijzonder welstandsregime met als doel behoud van de zorgvuldige uitvoering en de representatieve randen. De gewenste eigenschappen van een bouwwerk staan in onderstaande criteria beschreven: Ligging 72
Schinkelbos (Gebied 28) Gebiedsbeschrijving In het Schinkelbos staat enige vrijstaande en gevarieerde bebouwing waaronder boerderijen, in een groene omgeving. Het Schinkelbos ligt in het noordelijk deel van de Schinkelpolder, tussen de Ringvaart in het noorden en de Grote Tocht in het zuiden. De westgrens wordt bepaald door de Mr. Jac. Takkade, de oostgrens door de Bosrandweg. De bebouwing in dit gebied staat aan de randen langs de omringende wegen. De rest van het gebied bestaat uit opgaand groen en waterpartijen. De bebouwing ligt een eind terug ten opzichte van de weg en staat in een rooilijn die verspringt en het slotenpatroon volgt. De hoofdgebouwen zijn wisselend met de top- of langsgevel gericht naar de weg. De bebouwing heeft veelal een agrarische- en een woonfunctie en is geclusterd op een erf. Het hoofdgebouw staat vooraan, gevolgd door bijgebouwen achter de voorgevelrooilijn. Het hoofdgebouw, meestal de woning, heeft een eenvoudige hoofdvorm met een onderbouw van een laag en een kap, die in verschillende vormen voorkomt. De gevel van het hoofdgebouw is vaak representatief en helder geleed met staande ramen die horizontaal zijn gelijnd. Zijgevels hebben meestal kleinere ramen hoog in de gevel. De detaillering is bij de meeste hoofdgebouwen zorgvuldig en hier en daar rijk. Elementen als gootklossen onder geprofileerde daklijsten en windveren met makelaars komen voor.
Ook ramen met een fijne roedeverdeling komen voor. Het materiaalgebruik is overwegend traditioneel. Gevels zijn meestal opgebouwd uit bruine baksteen en een enkele keer wit geschilderd. Een deel van de gevels is soms afgedekt met houten delen. De daken zijn meestal afgedekt met keramische pannen. Kozijnen zijn in principe uitgevoerd in hout en geschilderd. Achter de hoofdgebouwen staan de agrarische bijgebouwen. Ze hebben een eenvoudige hoofdvorm van een bouwlaag en een veelal flauw hellend zadeldak of plat dak. Deze stallen en hallen zijn in principe eenvoudig gedetailleerd. De onderbouw is meestal opgebouwd uit baksteen of afgedekt met geprofileerd plaatmateriaal of houten beschot. Daken zijn meestal afgedekt met geprofileerde platen. Aanvullend beleid Een deel van de Mr. Jac. Takkade is aangewezen als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht, zie gebied 21. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De bebouwing rond het Schinkelbos is gevarieerd en vormt een informeel randje. De Mr. Jac. Takkade vormt samen met de molen “De Zwarte Ruiter” een cultuurhistorisch waardevol element. Ontwikkelingen zijn met name bij bijgebouwen te verwachten. Ook zijn er plannen een hotel te bouwen op de hoek Ringvaart/Bosrandweg.
Bijzonder welstandsregime Voor de bebouwing in het Schinkelbos geldt een bijzonder welstandsregime, gericht op behoud van de individuele, zorgvuldig gedetailleerde hoofdgebouwen en onderhoud van de agrarische bijgebouwen. De gewenste eigenschappen van een bouwwerk staan in onderstaande criteria beschreven: Ligging een heldere ordening van verschillende gebouwen op het erf is belangrijk · hoofdgebouwen zijn met de voorgevel gericht naar de weg per erf of kavel is er een hoofdmassa rooilijnen lopen parallel aan de sloten rooilijnen van hoofdmassa’s verspringen ten opzichte van elkaar bedrijfsgebouwen en bijgebouwen hebben een ondergeschikte positie en liggen achter de voorgevelrooilijn oriëntatie van de bebouwing afstemmen op de richting van de kavel Massa gebouwen zijn vrijstaand, individueel en afwisselend de hoofdvorm is in principe eenvoudig hoofdgebouwen bestaan uit een onderbouw van een bouwlaag met een kap bedrijfsgebouwen hebben een onderbouw tot twee lagen met zadeldak of plat dak aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume zijgevels hebben vensters nokrichtingen lopen parallel aan of staan dwars op de voorgevelrooilijn op-, aan- en uitbouwen als erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa.
Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking en detaillering is zorgvuldig en afwisselend, passend in de omgeving en in samenhang met elkaar wijzigingen en toevoegingen in stijl, maat en schaal afstemmen op het hoofdvolume ramen in het woongedeelte van het hoofdgebouw zijn hoofdzakelijk verticaa traditionele Hollandse houten profileringen vormen het uitgangspunt voor kozijnen, kunststof is toegestaan, mist goed gedetailleerd bij wijzigingen aan de hoofdgebouwen oorspronkelijke detaillering behouden bijgebouwen als hallen en schuren zijn eenvoudiger maar net zo zorgvuldig gedetailleerd als de hoofdmassa 73
geen seriematige woningbouw
Materiaal en kleurgebruik gevels en hoofdgebouwen zijn van baksteen, wit geschilderde of gestuukte gevels zijn toegestaan, eventueel met houten beschot hellende daken zijn bij voorkeur van keramische pannen bij bedrijfsgebouwen grote vlakken opbouwen uit materialen met een structuur zoals bijvoorbeeld baksteen, of gevouwen staalplaat het kleurgebruik is terughoudend, houtwerk is geschilderd
74
Sport en Recreatie (Gebied 29) Gebiedsbeschrijving Aalsmeer heeft aan de randen van de kernen sportcomplexen liggen en aan de zuidwestpunt van de Westeinderplassen een grote jachthaven. Samen vormen ze het belangrijkste sport- en recreatieareaal van de gemeente. De complexen verschillen in grootte en bebouwing. De meeste gebouwen staan vrij op het veld. De complexen zijn in het algemeen opgebouwd uit een hoofdgebouw en een of meerdere bijgebouwen. Dit hoofdgebouw heeft bijvoorbeeld de functie van clubhuis of kantine. Ook overkoepelende sporthallen zijn te vinden. In de bijgebouwen bevinden zich vaak de kleedruimten. De hoofdgebouwen zijn meestal tot twee lagen hoog met een plat dak en ook wel een kap. De hallen kunnen boogdaken hebben en hebben vaak een hoge bouwlaag. Hoewel de gebouwen verschillen van het uiterlijk is de hoofdvorm meestal helder en de architectuur eenvoudig. De gevels van de hallen zijn veelal gesloten. Het materiaalgebruik is in principe eenduidig en eenvoudig. Gevels zijn vaak opgebouwd uit baksteen, of, net als de meeste hellende daken, afgedekt met gevouwen plaatmateriaal. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De sportcomplexen en de jachthaven zijn eenvoudig qua opzet en bebouwing. De sportterreinen hebben een groen karakter. Er zijn geen cultuurhistorische waarden. Het beleid is terughoudend en gericht op beheer.
Aanvullend beleid Voor de sportcomplexen en de jachthaven geldt geen aanvullend beleid. De voormalige Bloemenveilig “Bloemenlust”’, is aangewezen als Rijksmonument. Welstandsvrij regime Voor dit gebied gelden geen nadere welstandseisen. Wel is voor dit gebied de excessenregeling van toepassing.
75
6.Hoofdstuk 6 Objectgerichte welstandscriteria Toelichting In deze paragraaf worden de objectgerichte welstandscriteria genoemd voor bouwwerken die zo specifiek zijn dat ze, ongeacht het gebied waarin ze worden geplaatst, een eigen serie welstandscriteria vergen. De opzet van deze objectgerichte beoordelingskaders is vergelijkbaar met de gebiedsgerichte beoordelingskaders. Ook hierbij gaat het steeds om “relatieve” welstandscriteria. De bouwplannen worden altijd aan de CRK voorgelegd, die bij de beoordeling de criteria interpreteert in het licht van het concrete bouwplan (dit in tegenstelling tot de criteria voor kleine bouwplannen in de volgende paragraaf, die vrijwel “absoluut” zijn, waardoor ambtelijke beoordeling mogelijk is). Ook voor de specifieke bouwwerken is het vaststellen van het welstandsniveau van belang. Het moet aansluiten bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. In theorie zijn voor de specifieke bouwwerken vier welstandsniveaus mogelijk: de beschermde objecten, dat wil zeggen de door het Rijk, de provincie of de gemeente aangewezen monumenten, de bijzondere welstandsobjecten waarbij extra inspanning ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit gewenst is, de “kan”-bepaling welstandsobjecten waarbij de basiskwaliteit moet worden gehandhaafd en de welstandsvrije objecten.
76
Woonarken (Object 1 ) Objectbeschrijving Aan de oevers van de Westeinderplassen en de Ringvaart liggen woon- en recreatiearken. Door hun ligging in het relatief open landschap bepalen zij mede het beeld, zowel vanaf het water als vanuit het land. Onder woonarken wordt de drijvende bebouwing verstaan die van oorsprong een woonfunctie heeft. Bij de woonarken is de woonfunctie duidelijk afleesbaar. De hoofdvorm is eenvoudig en helder geleed.
Een hoofdbouwmassa Bijgebouwen in vorm, afmetingen en detaillering ondergeschikt aan hoofdgebouw, en alleen als de ruimte dit toelaat
Kapvorm Plat, licht gebogen in dwarsrichting, of hellend Kaprichting Langsrichting, afwijkingen in de vorm van accenten mogelijk
Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid Woonarken zijn mede bepalend voor het beeld van de plassen en vaarten waarin zij liggen en de directe omgeving. Hoofdvormen vragen soms de aandacht en de kleur en materiaalgebruik is niet altijd afgestemd op de omgeving. Het beleid is gericht op inpassing door onder meer een zorgvuldig materiaal- en kleurgebruik.
Gevelopbouw Samenhangend en evenwichtig, minimaal 15% transparant
Aanvullend beleid Voor de woonarken is een Beeldkwaliteitsplan opgesteld.
Plasticiteit Vrij
Bijzonder welstandsregime Voor de woonarken, met hun heldere geleding en beeldbepalende ligging geldt een bijzonder welstandsregime. Er zal onder meer worden getoetst op een zorgvuldig kleur- en materiaalgebruik.
Buitenruimte Daktuin/terrras toegestaan op het dak van de eerste verdieping (mits die niet tot de maximale hoogte is opgetrokken) Erfscheidingen bij voorkeur in de vorm van inheemse hagen.
Beeldkwaliteitsplan In het Beeldkwaliteitsplan worden, aanvullend aan de maximale afmetingen die zijn gesteld in het bestemmingsplan, kwaliteitseisen opgenomen aan woonarken en de bijbehorende kavels en bouwwerken om een betere inpassing in het landschap te realiseren.
Materiaalkeuze Gevel: hout, glas, zink, aluminium, sierpleister, kunststof (mits goed gedetailleerd) Dak: rubberoid, bitumen, mos-sedum, zink Kozijnen: hout FSC-keur/aluminium, kunststof Ondergeschikte bouwdelen: Glas, staal, hout, kunststof en beton Toepassing van zonnepanelen mogelijk Materialisering bijgebouwen aansluitend bij woonark
Zonering op basis van ruimte en ecologische woonvormen In het beeldkwaliteitplan wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende deelgebieden: Zone A, Binnen Bestaand Bebouwd Gebied, (stedelijk gebied) Zone B, Buiten Bestaand Bebouwd Gebied, (landelijk gebied)
Gevelbekleding Vrij
Zone A Woonschepen Binnen Bestaand Bebouwd Gebied (stedelijk gebied): Voor wat betreft woonschepen in stedelijk gebied geldt, dat voorop staat dat het woonschip past binnen het stedelijk weefsel. Deze woonschepen dienen aan te sluiten op de stedelijke omgeving, hetgeen een grote variëteit in materialisatie, kleurgebruik en architectuur rechtvaardigt omdat in het bestaand stedelijk gebied al sprake is van een relatief divers karakter. Bouwmassa 77
Materiaalkleur Gevel en dak: natuurlijke materiaalkleur (bij hout, glas, zink) of geschilderd (geen felle of neonkleuren) Keimen, schilderen of stucen in lichte kleur toestaan; Kozijnen geen primaire of neonkleuren Detaillering Dakoverstek toepassen Detaillering in overeenstemming met sfeerbeeld Schoorstenen e.d. integreren in totaalbeeld Zone B, Woonschepen Buiten Bestaand Bebouwd Gebied (landelijk gebied): Voor het landelijk gebied geldt dat het woonschip te gast is en moet aansluiten bij, of zelfs moet opgaan in het landschap. Dit rechtvaardigt een minder grote variëteit in materialisatie, kleurgebruik en architectuur. De factor duurzaamheid moet in de vormgeving en functioneren worden meegenomen. Technieken en materialen die tot een duurzamere bouw, verschijningsvorm of gebruik (energie/water) leiden moeten zo veel mogelijk worden benut.
Materiaalkeuze Gevel: Hout, glas, zink, aluminium Dak: Aluminium, zink, rubberoid, mos-sedum Kozijnen: hout FSC-keur/aluminium Ondergeschikte bouwdelen: Glas, staal, hout en beton Toepassing van zonnepanelen Materialisering bijgebouw(en) aansluitend bij woonark. Materiaalkleur Gevel en dak: natuurlijke materiaalkleur Kozijnen: ingetogen kleuren, geen primaire of neonkleuren Detaillering Dakoverstek toepassen Detaillering in overeenstemming met sfeerbeeld Schoorstenen e.d. integreren in totaalbeeld
Bouwmassa Een hoofdbouwmassa Bijgebouwen in vorm, afmetingen en detaillering ondergeschikt aan hoofdgebouw, en alleen als de ruimte dit toelaat Kapvorm Plat, licht gebogen in dwarsrichting, of flauw hellend Kaprichting Langsrichting, afwijkingen in de vorm van accenten mogelijk Gevelopbouw Samenhangend en evenwichtig, minimaal 15% transparant Gevelbekleding Horizontaal Plasticiteit Gering Buitenruimte Daktuin/terras toegestaan op het dak van de eerste verdieping (mits die niet tot de maximale hoogte is opgetrokken) Oeverafwerking zo veel mogelijk ecologisch (helling in plaats van wand), geen damwanden. 78
Warmteopslagtanks en silo’s (Object 2) Objectbeschrijving Verspreid in het buitengebied en kassengebied van Aalsmeer staan een aantal omvangrijke warmwateropslagtanks en (water)silo’s voor opslag van water en warmte. Warmwateropslagtanks zijn een onderdeel van warmtekrachtkoppelingsinstallaties die bij moderne glastuinbouw worden gebruikt. Ook watersilo’s worden bij de glastuinbouw gebruikt. De vrijstaande bouwwerken zijn functioneel van aard. Ze komen alleen voor in combinatie met andere bedrijfsgebouwen. Warmwateropslagtanks en (water)silo’s zijn cilindrisch van vorm. Silo’s komen vooral voor bij agrarische bedrijven en staan door middel van een stellage vrij van het maaiveld. Watersilo’s hebben een diameter tot 15 meter, staan op het maaiveld en bestaan uit een enkele onderlaag tot 3 meter van geprofileerd plaatmateriaal. Ze liggen veelal achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw. Deze watersilo’s horen bij de glastuinbouw evenals de warmwateropslagtanks. Deze warmwateropslagtanks zijn horizontaal of verticaal geplaatst. De horizontale tanks hebben een doorsnede tot circa 4 meter en een wisselende lengte. De warmwateropslagtanks liggen veelal in dezelfde zone als de watersilo’s. Bij grotere bedrijven zijn de warmteopslagtanks ook wel verticaal geplaatst.
Deze hebben een doorsnede tot circa 10 meter en een hoogte van 11 tot soms 15 meter (afhankelijk van het bestemmingsplan). Deze liggen veelal verder naar achter op de kavel. De kleuren van deze bouwwerken zijn gedekt. De beplating van grondgebonden (water)silo’s is donkergroen of aluminiumkleurig of zijn door groenblijvende beplanting omgegeven. De detaillering van de bouwwerken is direct en weinig nadrukkelijk.
De gewenste eigenschappen van een bouwwerk staan in onderstaande criteria beschreven: Ligging de warmwateropslagtanks en (water)silo’s zijn vrijstaand warmwateropslagtanks en (water)silo’s staan niet op de voorgrond en bij voorkeur achter de hoofdmassa (water)silo’s en warmteopslagtanks dienen achter de rooilijn te liggen warmwateropslagtanks en (water)silo’s staan zoveel mogelijk uit het zicht Massa
warmwateropslagtanks en (water)silo’s hebben een cilindrische vorm
Architectonische uitwerking de detaillering is eenvoudig en zorgvuldig Matriaal- en kleurgebruik grote vlakken uitvoeren in een soort materiaal warmwateropslagtanks en (water)silo’s zijn terughoudend van kleur en aangepast aan de omgeving
Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De waarde van de warmteopslagtanks en (water)silo’s is vooral gelegen in hun functioneren. Ze vertegenwoordigen geen cultuurhistorische waarde, maar vervullen een rol in de uitoefening van het agrarische bedrijf en daarbij behorende functies. Gezien de steeds verder voortschrijdende schaalvergroting van de agrarische bedrijven zullen er aanvragen komen voor de plaatsing van nieuwe warmwateropslagtanks en (water)silo’s. Het beleid richt zich op het inpassen van deze objecten in het landschap. Zorgvuldige plaatsing, terughoudende vormgeving en kleurstelling zijn gewenst. Aanvullend beleid Voor warmteopslagtanks en silo’s geldt geen aanvullend beleid. “Kan”-bepaling welstandsregime (Water)silo’s en warmwateropslagtanks vallen onder het “Kan”- bepaling welstandsregime. Er zal met name worden beoordeeld op een terughoudende hoofdvorm en een rustig kleurgebruik. 79
Blokhutten (Object 3 ) Objectbeschrijving Met name op de (recreatie)eilanden en naast woonarken komen houten blokhutten voor die veelal dienst doen als bijgebouw. De blokhutten staan meestal aan de achterzijde van een kavel. Kenmerkend voor de bijgebouwen zijn de massief houten wandbalken die horizontaal zijn aangebracht en op de hoeken uitsteken. De wanden bakenen meestal een eenvoudige, rechthoekige hoofdvorm af, die uit een lage bouwlaag bestaat en wordt afgedekt door een flauw hellend, symmetrisch of asymmetrisch zadeldak. De gevelgeleding is eenvoudig. Deuren bevinden zich precies onder de daknok en raamopeningen zijn liggend en met de bovenzijde net onder de bovenzijde van de deurpost uitgelijnd. De raamopeningen hebben een onderverdeling door houten roeden. Het materiaalen kleurgebruik van de blokhutten is samenhangend en eenduidig. De wanden zijn opgebouwd uit houten balken in een messing en groefverbinding. Daken zijn in principe gedekt met rubberoid singles. Een uitzondering op de eenvoudige rechthoekige blokhut is de achtkantige blokhut, afgedekt met een rieten, kegelvormig dak.
Massa blokhutten hebben in principe een eenvoudige, rechthoekige en eventueel achthoekige hoofdvorm blokhutten bestaan uit een lage bouwlaag met zadeldak of lessenaarsdak en eventueel een puntdak Architectonische uitwerking blokhutten hebben een heldere gevelindeling deuren zijn recht onder de nok geplaatst houtverbindingen zijn zorgvuldig gedetailleerd Materiaal- en kleurgebruik gevels zijn opgebouwd uit massief houten, horizontaal geplaatste balken daken zijn gedekt met singles of met riet bewerkt hout is geschilderd of gebeitst in terughoudende samenhangende kleuren
Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De blokhutten kenmerken zich door hun veelal eenvoudige hoofdvorm en terughoudende maar samenhangend materiaalgebruik. Ontwikkelingen op het niveau van de blokhut zijn met name te verwachten op het gebied van kleurgebruik. Het beleid is terughoudend en onder meer gericht op plaatsing op een bescheiden plek en een rustig kleurgebruik. Aanvullend beleid Voor de blokhutten geldt geen aanvullend beleid. “Kan”-bepaling welstandsregime Voor de blokhutten geldt het “kan”- bepaling welstandsregime, gericht op eenvoud en een terughoudend, samenhangend materiaal- en kleurgebruik. De gewenste eigenschappen van een bouwwerk staan in onderstaande criteria beschreven: Ligging blokhutten zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw blokhutten staan vrij en bij voorkeur achter het hoofdgebouw of op een recreatie-eiland op recreatie eilanden niet op de koppen van eilanden en zoveel mogelijk uit het zicht 80
7.Hoofdstuk 7 Criteria voor de standaard ingrepen 7.1. Veel voorkomende standaard ingrepen In dit hoofdstuk worden de welstandscriteria gegeven voor de “loketcriteria” van enkele categorieën veel voorkomende kleine bouwwerken: 1. aan- en uitbouwen 2. bijgebouwen en overkappingen 3. dakkapellen 4. dakramen 5. gevelwijzigingen 6. erfscheidingen 7. reclames 8. steigers en terrassen aan het water 9. antennes 10. rolhekken, luiken en rolluiken 11. zonneschermen en markiezen 12. zonnecollectoren en –panelen In tegenstelling tot al eerder beschreven relatieve welstandscriteria gaat het in dit hoofdstuk om vrijwel absolute, objectieve criteria die de planindiener vooraf maximale duidelijkheid geven. De wijze waarop deze loketcriteria worden gebruikt is afhankelijk van het welstandsniveau van het gebied dan wel het object. 7.2. “Kan”bepaling welstandsgebieden Binnen de “Kan”bepaling en welstandsluwe welstandsgebieden kunnen de genoemde bouwwerken binnen bepaalde randvoorwaarden vergunningsvrij zijn. Binnen de regeling uit Bijlage II van het Bor zijn ook de welstandseisen vervallen voor bepaalde typen bouwwerken. Dat betekent dat een deel van deze plannen (met name kleine bouwwerken) niet preventief, dus vooraf, wordt getoetst aan redelijke eisen van welstand.
Wel kan de gemeente bij een vergunningsvrij bouwwerk achteraf ingrijpen als dit in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand (dit gebeurt op grond van de excessenregeling, zie hoofdstuk 8). Daarom wordt aanbevolen ook bij vergunningsvrije bouwwerken kennis te nemen van de loketcriteria. Vergunningsvrije bouwwerken die voldoen aan de loketcriteria zijn uiteraard nooit excessief. Indien een bouwwerk dat valt onder de bovengenoemde categorieën niet vergunningsvrij is, moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. In dat geval treedt het bestemmingsplan in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als het bestemmingsplan geen bezwaar oplevert wordt
het bouwplan door een door het college gemandateerde ambtenaar getoetst aan de loketcriteria. Voldoet het plan aan deze criteria dan geeft deze ambtenaar namens het college het positieve welstandsoordeel. Voldoet het bouwplan niet aan deze criteria of is er sprake van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt het bouwplan aan de CRK (dan wel een namens haar gemandateerd lid) voorgelegd, die bij de beoordeling tevens gebruik maakt van de gebiedsgerichte, de objectgerichte en de algemene welstandscriteria. 7.3. Bijzondere welstandsgebieden en bij karakteristieke of beeldbepalende panden en beschermde dorpsgezichten Ook in de bijzondere welstandsgebieden en bij karakteristieke of beeldbepalende panden en beschermde dorpsgezichten zijn de genoemde bouwwerken binnen bepaalde randvoorwaarden vergunningsvrij. Net als in de “Kan” bepaling gebieden betekent dit dat alleen repressief welstandstoezicht mogelijk is. Het spreekt voor zich dat de excessenregeling in de bijzondere welstandsgebieden en bij de karakteristieke of beeldbepalende panden en beschermde dorpsgezichten eerder van toepassing zal zijn dan in de “Kan”bepaling welstandsgebieden omdat deze gebieden en objecten gevoeliger zijn voor aantasting van de ruimtelijke kwaliteit.
Daarom wordt met klem aanbevolen bij vergunningsvrije bouwwerken in bijzondere welstandsgebieden of bij karakteristieke of beeldbepalende panden en beschermde dorpsgezichten kennis te nemen van de loketcriteria. Vergunningsvrije bouwwerken die voldoen aan de loketcriteria zijn uiteraard nooit excessief. Indien een bouwwerk dat valt onder de bovengenoemde categorieën niet vergunningsvrij is, moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Net als in de reguliere gebieden treedt het bestemmingsplan in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als het bestemmingsplan geen bezwaar oplevert, wordt het bouwplan door de CRK (dan wel een namens haar gemandateerd lid) getoetst aan de loketcriteria. Voldoet het plan aan deze criteria dan volgt een positief welstandsadvies. Voldoet het bouwplan niet aan deze criteria of is er sprake van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt het bouwplan beoordeeld op grond van de gebiedsgerichte-, de objectgerichte- en de algemene welstandscriteria.
81
7.4. Vergunningsvrij voor de activiteit bouw Er zijn twee gevallen waarvoor geen welstandseisen gelden: 1. 2.
Krachtens artikel 2, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) categorieën gevallen waarin voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist; Krachtens artikel 3, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) categorieën gevallen waarin voor bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist.
In bovengenoemde regeling is het mogelijk om meer typen bouwwerken omgevingsvergunningvrij te maken door het afschaffen van de welstandeisen voor deze bouwwerken. Om maximale ruimte te geven zijn voor die typen bouwwerken genoemd in de artikel 2 en 3 van bijlage II van het Bor de welstandseisen afgeschaft. Voor- en achtererfgebied In het verlengde van de systematiek van het “Besluit omgevingsrecht” wordt bij de loketcriteria onderscheid gemaakt in het voor- en achtererfgebied. Achtererfgebied Erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw. Voorerfgebied Erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied Excessenregeling In de welstandsnota legt de gemeente vast waaraan het uiterlijk van gebouwen en andere bouwwerken moet voldoen. Vergunningvrije bouwwerken hoeven niet te voldoen aan redelijke eisen van welstand. Wel geldt de zogenoemde ‘excessenregeling’ die het een gemeente mogelijk maakt op te treden indien het uiterlijk van bouwsels ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’.
82
Aan- en uitbouwen (Kleine plannen 1) Beschrijving en uitgangspunten welstandsbeleid Een aan- of uitbouw is een grondgebonden toevoeging van een bouwlaag aan een bestaande woning of een bestaand woongebouw die strekt tot het vergroten van het woongenot. Een aanbouw is een toevoeging van een nieuwe ruimte en een uitbouw is een vergroting van een bestaande ruimte. Aan- en uitbouwen worden in grote hoeveelheden gerealiseerd. Als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. Daarom streeft de gemeente in gebieden met een eenvormige bouwstijl naar een herhaling van uniforme exemplaren die passen bij het karakter van de gebouwen en de straat. Belangrijk is dat de contouren en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw of bouwblok zichtbaar blijven en dat de aan- of uitbouw qua uitstraling en volume ondergeschikt is aan het oorspronkelijke gebouw. Voorbeeldplan Een aan- of uitbouw voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als deze identiek is aan een voor het betreffende bouwblok of in de betreffende straat eerder verleende vergunning met een door de CRK goedgekeurd plan.
Omgevingsvergunningvrij Vergunningsvrij voor de activiteit bouwen en planologische gebruiksacitivteiten Een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. voor zover op een afstand van niet meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: 1°. 4 m, 2°. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en 3°. het hoofdgebouw, b. voor zover op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: 1°. niet hoger dan 3 m, 2°. de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken binnen een afstand van 1 m van een naburig erf niet meer dan 10 m2, 3°. als gevolg van het bijbehorende bouwwerk de totale oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw niet meer dan 30 m2, en 4°. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw,
c. d. e.
f.
op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte, het bij het oorspronkelijk hoofdgebouw behorende achtererfgebied als gevolg van het bijbehorende bouwwerk voor niet meer dan 50% bebouwd, en niet aan of bij: 1°. een woonwagen, 2°. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat het slechts voor een bepaalde periode in stand mag worden gehouden, of 3°. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden;
Vergunningsvrij voor de activiteit bouwen Een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits niet hoger dan 5 m. Welstandsvrij Voor bouwwerken die voldoen aan de overige hier genoemde criteria gelden geen redelijke eisen van welstand. Conclusie Uitsluitend bijbehorende bouwwerken hoger dan 5 meter zullen individueel beoordeeld worden door de CRK. Er zijn hiervoor dus geen loketcriteria nodig.
83
Loketcriteria voor een aan- of uitbouw aan de voorkant in beschermde situaties Als er geen standaardplan is, voldoet een aan- of uitbouw aan de voorkant in een door het Rijk, provincie of gemeente aangewezen monument in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als aan onderstaande criteria wordt voldaan: Maat en plaats gebouwd aan: de oorspronkelijke voorgevel op meer dan 1 meter van de weg of het openbaar groen, of een naar de weg of het openbaar groen gekeerde oorspronkelijke zijgevel op meer dan 3 meter van het voorerf en meer dan 3 meter van het naburige erf
materiaal- en kleurgebruik van de zichtbare delen overeenkomstig het hoofdgebouw detaillering overeenkomstig het hoofdgebouw, ontwerpaandacht voor de details