CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting.Pdf

1c.Commissie Ruimte en Economie - historie tot 10-03-2022 9 februari 2021, gemeente aalsmeerBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Parkmeer, besluit hogere waarden Wet geluid-hinder, aanvullende welstandscriteria19.259 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De aanvrager heeft recht op nadeelcompensatie van de gemeente wanneer de kosten onredelijk hoog zijn. Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. De volgende archeologische voorschriften worden in de wet genoemd: Het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; De verplichting tot het doen van opgravingen; Het werk laten begeleiden door een deskundige. De provincie of het rijk kunnen in plaats van de gemeente bevoegd zijn om beslissingen te nemen over terreinen met archeologische resten. Het gaat daarbij om vergunningen voor ontgrondingen en om vergunningen inzake beschermde archeologische monumenten die voorkomen op de monumentenlijst van het rijk. Aan deze vergunningen kunnen dezelfde archeologische voorschriften worden verbonden. Het rijk is ook het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen. Vondsten met archeologische waarde dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie Noord-Holland. Relevantie plangebied Het plangebied maakt deel uit van een poldergebied dat tussen 1650-1974 is drooggelegd.

Na onderzoek is gebleken dat de archeologische verwachting in het plangebied zeer laag is. Hiervoor gelden geen criteria met betrekking tot eventuele bodemverstoring. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

6.8 Verkeer en parkeren

Verkeer Voor de berekening van verkeersgeneratie kan gebruik worden gemaakt van de CROW-publicatie 317. De publicatie gaat in op parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie voor ongeveer honderd bestemmingen. Conform de CROW publicatie 317 is het gebied aan te merken als een niet stedelijk gebied/rest bebouwde kom. Op basis van deze typebepaling kan voor een woning worden uitgegaan van een verkeersgeneratie van ongeveer 7 motorvoertuigen per etmaal. Daarmee, bedraagt de extra verkeersgeneratie ten behoeve van de 10 woningen ongeveer 70 mvt/etmaal.

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

Gelet op het gegeven dat deze woningen hun eigen ontsluitingsweg hebben, de relatief geringe toename van het aantal extra verkeersbewegingen en het feit dat deze extra verkeersgeneratie zal opgaan in het bestaande verkeersbeeld ter plaatse zullen deze extra verkeersbewegingen niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Voor de bedrijven geldt dat bedrijven tot maximaal categorie 2 zijn toegestaan. Van deze gronden mag 6500 m2 worden bebouwd. Uitgaande van de norm uit de CROW voor bedrijfsverzamelgebouwen( matig stedelijk, schil centru) bedraagt het gemiddelde kencijfer voor de verkeersgeneratie op deze locatie 7,4 ritten per 100 m2 bvo op een gemiddelde weekdag. Bij 6500 m2 bvo bedrijven is dus sprake van 65 x 7,4 = 481 mvt/etm op een gemiddelde weekdag bij een maximale planologische invulling. De hiervoor weergegeven verkeersaantallen kunnen zonder probleem op het omliggende wegennet worden afgehandeld. Daarbij dient te worden bedacht dat er voorheen een glastuinbouwbestemming op deze gronden zat die ook de nodige verkeersbewegingen met zich bracht. Parkeren In de parkeerbehoefte wordt voor zowel de woningen als de bedrijven op geheel eigen terrein voorzien. Per woning worden minimaal 3 parkeerplaatsen aangelegd, waarmee wordt voldaan aan de uit de Nota Parkeernormen 2016 voortvloeiende vereisten.

Gelet op voorgaande bestaan er t.a.v. van de aspecten verkeer en parkeren geen belemmeringen in de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

6.9 Bedrijven en milieuzonering Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. De VNG-brochure wordt gebruikt als hulpmiddel (niet als blauwdruk) bij het opstellen van bestemmingsplannen met nieuwe milieugevoelige functies of nieuwe milieubelastende functies. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren, wel is het een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken. In de brochure zijn aan de verschillende bedrijfsactiviteiten, milieucategorieën en richtafstanden toegekend voor de aspecten gevaar, stof, geur en geluid. De afstanden zijn gebaseerd op een rustige woonwijk. Als er sprake is van een gemengd gebied mag er een afstandstrap minder worden gehanteerd.

Relevantie plangebied Het plangebied is, met uitzondering van de geluidszone van Schiphol-Oost, niet gelegen binnen een milieuzone van enig bedrijf. Daarnaast zijn er in het plangebied zelf geen bedrijven met een milieuzone aanwezig. Binnen de regels van het bestemmingssplan is gesteld dat de bedrijven, die zich mogen vestigen op het te ontwikkelen bedrijventerrein, een milieu categorie 1 of 2 mogen hebben. De grootste richtafstand tot woningen is bij categorie 2 is 30 meter. Het gebied kan worden gekenmerkt als gemengd gebied waardoor de richtafstanden met één stap mogen worden verlaagd. De grootste richtafstand tot woningen wordt dan 10 meter. Binnen het plan wordt aan deze afstand worden voldaan.

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

6.10 Vormvrije m.e.r-beoordeling Op 1 april 2017 is het Besluit m.e.r. aangepast. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het gewijzigde besluit is op 7 juli 2017 in werking getreden en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er toch een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met een oppervlakte van 100 hectare of meer of als de ontwikkeling een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat is er een beoordelingsplicht. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben.

De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn en hierover een separaat besluit nemen. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: <0000> belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; <0000> belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een plan-MER. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Toetsing Het plan blijft, met 10 woningen, 13.000 m2 aan bedrijventerrein (waarvan maximaal 6500 m2 bebouwd) en bijbehorende (parkeer)voorzieningen, ruim beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.

(kolom 2-'gevallen' in de D-lijst). In categorie D11.2 is voor "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject", een drempelwaarde van 100 hectare of meer, of 2.000 of meer woningen opgenomen. In het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is getoetst aan het Besluit m.e.r. (zie bijlage 10, Vormvrije m.e.r.-beoordeling Stommeerkade Aalsmeer, BK Advies, 27 september 2019). In deze vormvrije m.e.r.-notitie is de impact van de voorgenomen realisatie van bedrijfs- en woonkavels aan de Stommeerkade te Aalsmeer omschreven. Uit het onderzoek dat in het kader van dit bestemmingsplan is uitgevoerd is gebleken dat de planontwikkeling niet tot significante nadelige effecten zal leiden. Omvangrijke negatieve milieueffecten zijn hierdoor uitgesloten, waardoor het opstellen van een plan-m.e.r. niet nodig is. Het college heeft hiertoe op PM een besluit genomen. Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

HOOFDSTUK 7 UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid Grondexploitatie De gemeente is op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening verplicht om bij het mogelijk maken van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, een exploitatieplan vast te stellen ten behoeve van het verhalen van de door de gemeente te maken kosten, tenzij voorafgaand aan de vaststelling van de bestemmingswijziging een overeenkomst tot stand is gekomen waarin dit kostenverhaal is verzekerd. Voorliggend project voorziet in de bouw van een 10 woningen en 6.500 m2 bvo bedrijven. Op grond van artikel 6.2.1 sub b van het Bro betreft het derhalve een bouwplan waarvoor in principe een exploitatieplan dient te worden opgesteld. De gemeente heeft met de aanvrager, ten behoeve van onderhavige grondexploitatie, een anterieure overeenkomst gesloten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald op aanvrager. Het is niet nodig een tijdvak of fasering of regels danwel een uitwerking van regels publiekrechtelijk op te leggen. Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is derhalve niet noodzakelijk.

Planschade 'Planschade', is de schade die iemand lijdt doordat hij of zij in een planologisch nadeliger situatie is gekomen als gevolg tussen de nieuwe (onvoorziene) planologische situatie en de bestaande/ oude situatie. De kans op planschade wordt in het onderhavige geval gering geacht. De 'oude' bestemming bedrijven wordt omgezet naar een woonbestemming, die bovendien geringere bouwmogelijkheden kent. Ten behoeve van het aspect planschade is bovendien een overeenkomst met de ontwikkelaar gesloten, die evt. planschadekosten voor zijn/ haar rekening neemt. Het aspect planschade staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 Bro-partners In het kader van het wettelijk vooroverleg op grond van het Besluit op de ruimtelijke ordening is het voorontwerp van het bestemmingsplan toegezonden aan de hieronder genoemde provinciale en rijksdiensten en andere instanties op PM. De toezending is gedaan met het verzoek om binnen 4 weken te reageren en met de mededeling, dat indien niet binnen die termijn zal zijn gereageerd, wordt aangenomen, dat het voorontwerp geen aanleiding heeft gegeven tot het maken van opmerkingen. 1. 2. 3. 4. 5.

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland Hoogheemraadschap Rijnland Gasunie Luchthaven Schiphol Group Brandweer Amstelland

Alleen de brandweer heeft middels een advies gereageerd op het voorontwerpbestemmingsplan. In de bijlage 11 Nota van Beantwoording artikel 3.1.1. Bro-reacties bij deze toelichting is een samenvatting opgenomen van de ingekomen reactie en het antwoord daarop van het college van burgemeester en wethouders.

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

7.2.2 Zienswijzen Het bestemmingsplan heeft de procedure als bedoeld in afdeling 3.2a van de Wet ruimtelijke ordening doorlopen. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Tijdens de termijn van terinzagelegging is PM zienswijzen ingekomen. Deze zienswijze, die is samengevat en beantwoord in een Nota van Beantwoording zienswijze heeft geleid tot een aanpassing in de toelichting van het van het wijzigingsplan. Ook is de verbeelding ambtshalve aangepast. De Nota van Beantwoording zienswijzen evenals de ambtshalve aanpassingen opgenomen als bijlage bij het vaststellingsbesluit.

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=867c940e-17aa-45e0-bf54-dadd3e51c3f4