CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting.Pdf

1c.Commissie Ruimte en Economie - historie tot 10-03-2022 9 februari 2021, gemeente aalsmeerBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Parkmeer, besluit hogere waarden Wet geluid-hinder, aanvullende welstandscriteria19.259 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er wordt verder een aantal maatregelen getroffen ter verbetering van zelfredzaamheid, en hulpverlening. <0000> In het plangebied is de functie wonen en bedrijven gepland. De bewoners kunnen zichzelf en anderen over het algemeen goed redden. In het plangebied worden geen zeer kwetsbare objecten toegestaan. Dat zijn gebouwen voor minder redzame groepen, zoals kinderen, zieken en andere zorgbehoevenden. <0000> In het geval van calamiteiten worden burgers door de overheid zo snel mogelijk geïnformeerd hoe ze moeten handelen (b.v. via NL-Alert). De(rijks)overheid adviseert burgers in geval van een vliegtuigongeval het volgende: -Ga niet kijken. -Houd afstand bij brand vanwege de hitte en de giftige rook. -Houd afstand vanwege gevaarlijke stoffen die kunnen vrijkomen. -Bel 112 als dat nog niet gebeurd is. <0000> Nieuwe gebouwen beschikken over goede vluchtmogelijkheden. <0000> De wijk is goed ontsloten voor hulpdiensten. De brandweer zit in de nabijheid van de te ontwikkelen locatie. Bij het ontwerpen van de openbare ruimte is rekening gehouden met bereikbaarheid en vluchtmogelijkheden, opstelplaatsen en waterwinning.

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

5.3.4 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie

Het Noord-Hollandse landschap leeft en blijft zich voortdurend ontwikkelen. De provincie wil de kwaliteit en diversiteit van het Noord-Hollands landschap en de dorpen behouden en ontwikkelen. Het begrip 'ruimtelijke kwaliteit' heeft een belangrijke plek gekregen in de nieuwe Structuurvisie Noord-Holland 2040 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie. Nieuwe functies en eisen brengen met zich mee dat de inrichting en het gebruik van het stedelijke en landelijke gebied voortdurend moet worden aangepast. Nieuwe elementen en structuren worden aan het landschap toegevoegd terwijl oude verdwijnen. Soms gaan deze ontwikkelingen ten koste van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten, het 'gebiedseigene'. De Provincie Noord-Holland wil verantwoord met het verleden omgaan en tegelijkertijd ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen. De provincie wil de Noord-Hollandse landschappen optimaal gebruiken door hun kenmerkende kwaliteiten te koesteren en te benutten bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het basisuitgangspunt van het beleid is dan ook 'behoud door ontwikkeling'. Nieuwe ruimtelijke plannen moeten de ontwikkelingsgeschiedenis, de bebouwingskarakteristiek en de inpassing in de wijdere omgeving als uitgangspunt hanteren. Meetpunt hiervoor is deze beleidsnota, waarin de eisen voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit zijn vastgelegd.

Via artikel 15 van de PRV is de ruimtelijke kwaliteitseis geborgd in de provinciale regelgeving. Nieuw stedelijke ontwikkelingen dienen te voldoen aan de uitgangspunten zoals vermeld in deze Leidraad. Aalsmeer bevat een complex samenstel van droogmakerijenlandschap en veenpolderlandschap met plassen, ontginningslinten en restanten van het voormalige veenontginningslandschap (veenbovenlanden). Als gevolg van de nabijheid van Schiphol ontwikkelde zich rondom de bloemenveiling van Aalsmeer een ‘landschap’ van kassen en logistieke bedrijvigheid. De as Amsterdamse Bos-Westeinderplassen verbindt Amsterdam met het Groene Hart. De provinciale weg N201 loopt dwars door het ensemble, evenals de Stelling van Amsterdam. De bewoners van Aalsmeer zagen rond de 13e eeuw hun omgeving verdwijnen door de vervening, het afgraven en wegbaggeren van veengrond voor turf als brandstof voor de groeiende steden. Zo ontstonden de Oosteinderpoel, de Schinkelpoel, het Stommeer, Hornmeer, het Legmeer en de Westeinderplassen. Ook de Haarlemmermeer werd als gevolg van de afslag van het veenland aan de noord- een oostzijde steeds groter. In de 17e eeuw werd begonnen met het terugwinnen van landbouwgrond. Eerst werd het Stommeer drooggemaakt (1650) en daarna het Hornmeer (1674).

De historische kaart van omstreeks 1850 toont een groot uitgeveend plassengebied ten oosten van Aalsmeer waarin de Legmeerdijk de scheiding vormt tussen de Oosteinderpoel en het Legmeer. De Ringvaart van de Haarlemmermeer werd tussen 1839 en 1845 gegraven en in 1852 kwam het meer droog te liggen. Vijftig jaar later waren ook de Legmeer en de Oosteinderpoel ingepolderd. De Westeinderplassen bleven open. Het ontginningslint van Aalsmeer behoort tot een strook oorspronkelijk veenontginningslandschap met smalle kavels, het zogenoemde veenbovenland. De petgaten (langwerpige putten) in het gebied laten zien dat ook hier veen is gewonnen, maar het gebied is nooit opgeslokt door de groter wordende meren. Rond 1900 werd de Stelling van Amsterdam aangelegd. Hierbij maakte men gebruik van de in het gebied aanwezige dijken. De scheidingsdijk tussen de Noorder en Zuider Legmeerpolder werd ingericht als liniedijk. Aan deze liniedijk, hier Vuurlijn genaamd, werden drie vooruitgeschoven forten gekoppeld. Rond het ontginningslint van Aalsmeer ontwikkelde zich in de tweede helft van de 19e eeuw de bloementeelt. In reactie op de toegenomen macht van de tussenhandel, bundelden kwekers in Aalsmeer hun krachten en organiseerden ze in 1911 de eerste veiling. De bloemen- en plantenexport groeide explosief en profiteerde van de nabijheid van Schiphol.

In 1972 werd een nieuw veilingcomplex aan de Legmeerdijk in gebruik

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

genomen. Het centrale veilinggebouw had in 2007 een oppervlakte van rond de 860.000 m² en was daarmee het grootste overdekte handelsgebouw ter wereld. Ensemble Aalsmeer-Uithoorn staat hieronder beschreven aan de hand van drie provinciale kernwaarden: <0000> de landschappelijke karakteristiek: de landschapstype en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. <0000> openheid en ruimtebeleving: de beleving van de vrije open ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. <0000> de ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. Denk hierbij aan bebouwingslinten, bomenlanen en dijken.

5.4 Gemeentelijk beleid 5.4.1 Gebiedsvisie Aalsmeer 2020 Het actuele ruimtelijke beleid van de gemeente is neergelegd in de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020, zoals vastgesteld door de raad van de gemeente op 26 november 2009. De Gebiedsvisie heeft de status van structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening. In de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020 worden de ontwikkelingen die op basis van de Aalsmeerse Gebiedsvisie zijn ingezet als uitgangspunt genomen voor een analyse van de status quo en een aanduiding van de ontwikkelingskoers voor het komende decennium. Als gegeven in de ontwikkeling van Aalsmeer wordt inmiddels beschouwd de herontwikkeling van verouderde glastuinbouwgebieden, de bouw van een aantal grotere woonwijken, de ontwikkeling van het bedrijventerrein Green Park Aalsmeer langs de omgelegde N201 en de herontwikkeling van het oude tracé van de N201. Een belangrijk onderdeel van de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020 is het benoemen van de unieke cultuurhistorische en landschappelijke waarden die tezamen de ruimtelijke hoofdstructuur van Aalsmeer vormen en richting moeten geven aan de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling. Het betreft de specifieke natuur- en landschappelijke kwaliteiten van de Westeinderplassen en de Bovenlanden, de historische dorpskernen van Aalsmeer en Kudelstaart en de beeldbepalende lintstructuren in de Bovenlanden en in de polder.

Deze structurerende elementen, het zogenaamde dorpse karakter van Aalsmeer, dienen behouden en versterkt te worden. Desondanks mag in sommige gevallen voor meer stedelijke oplossingen als gestapeld bouwen worden gekozen. Volgens de Gebiedsvisie kan gestapeld bouwen in sommige gevallen wenselijk zijn om een goede invulling te geven aan herstructureringsopdrachten. Het gaat dan om het markeren van kruispunten en assen en om het creëren van aantrekkelijke woonmilieus in een groen-blauwe setting. De gemeente Aalsmeer heeft voor de “Gebiedsvisie Aalsmeer 2020” een uitvoeringsparagraaf en een uitvoeringsagenda opgesteld. Ze geven een integraal overzicht van alle uitgewerkte onderwerpen uit de Gebiedsvisie. Relevantie plangebied In de uitvoeringsagenda staat een overzicht van de ruimtelijke ontwikkelingen in Aalsmeer. Stommeerkade Oost, waar Parkmeer een onderdeel van is, is opgenomen als bouwlocatie. De voorgestelde planontwikkeling is in overeenstemming met deze uitgangspunten.

5.4.2 Aalsmeers Verkeer- en vervoerplan Aalsmeer zet voor de komende jaren sterk in op uitbreiding van de woningvoorraad en uitbreiding van het werkareaal. Ook vanuit de buurgemeenten worden vergelijkbare

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

initiatieven ontplooid (werkstad A4, bedrijventerreinen Uithoorn en Amstelveen). De omlegging van de N201 en realisatie van een busbaan over het oude tracé van de N201 hebben ruimtelijke consequenties in Aalsmeer. Gevoegd bij de bestaande knelpunten in de verkeersnetwerken levert dit een aantal concrete opgaven op, die bepalend zijn voor het functioneren van het (toekomstige) verkeer- en vervoersysteem in Aalsmeer. Deze opgaven zijn te herleiden tot de thema’s bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid. Eind 2009 is het Aalsmeers Verkeers- en Vervoersplan vastgesteld. Dit plan legt de uitgangspunten en randvoorwaarden zoals gesteld in de “kadernota verkeer en vervoer” (25 januari 2007) vast en heeft als doel om een evenwichtig infrastructureel netwerk in Aalsmeer te verkrijgen, waardoor functies in Aalsmeer middels verschillende modaliteiten goed bereikbaar zijn, de inrichting van het netwerk veilig is en dat overlast veroorzaakt door verkeer in Aalsmeer leefbaar is en blijft. Voor de bereikbaarheid van Aalsmeer is de aanleg van de ‘omgelegde N201’ van cruciaal belang. Het zorgt voor een complete verandering van (doorgaande) verkeersstromen. Veel van de opgaven voor de toekomstige verkeersstructuur zijn te herleiden tot het dilemma tussen het bereikbaar willen houden van de gemeente, zonder dat er te veel ongewenst verkeer door de kernen rijdt (leefbaarheid).

In het Aalsmeers Verkeer- en Vervoersplan zijn drie doelstellingen vastgelegd: <0000> Het verbeteren van de regionale en lokale bereikbaarheid met alle vervoerwijzen; <0000> Zorgen voor een verkeersveilige leefomgeving; <0000> Zorgen voor een leefbaar verblijfsklimaat. De kern Aalsmeer is voor autoverkeer via drie ‘invalswegen’ bereikbaar. Van daaruit komt men op de lokale hoofdstructuur van waaruit het verkeer wordt verdeeld over de kern. Op het lokale wegennet wordt het verkeer naar de meest geschikte routes geleid door aanpassing van de vormgeving van wegen (waardoor snelheid en capaciteit worden vergroot of juist verkleind). In het AVVP is een wegencategorisering voor autoverkeer opgenomen. De Burgemeester Kasteleinweg is daarin aangewezen als gebiedsontsluitingsweg (50 km/u) waarbij ter hoogte van de Ophelialaan een knip is voorzien.

Andere in het AVVP genoemde relevante maatregelen in de omgeving van het plangebied zijn de aanleg van de Burgemeester Hoffscholteweg (tussen Burgemeester Kasteleinweg en Ophelialaan-Stommeerkade), de aanleg van een twee-strooks rotonde op de kruising Burgemeester Kasteleinweg-Burgemeester Hoffscholteweg, het herinrichten van de Burgemeester Kasteleinweg door voor het wegvak vanaf de tweebaans rotonde tot aan de Aalsmeerderbrug twee rijbanen Aalsmeer uit en één rijbaan Aalsmeer in te realiseren en het wijzigen van het eenrichtingsverkeer van de 1e J.C. Mensinglaan, de 2e J.C. Mensinglaan en de Ophelialaan (tussen Cyclamenstraat en Burgemeester Kasteleinweg) in tweerichtingsverkeer. In het AVVP is ook gekeken naar routes voor goederenvervoer. Uitgangspunt is dat de werkgebieden en bedrijventerreinen goed toegankelijk moeten zijn voor vrachtverkeer zonder dat er sprake is van overlast in woon- en verblijfsgebieden. De wegen voor goederenvervoer moeten voldoende breed zijn en er geldt in principe een maximum snelheid van 50 km/uur. Nabij het plangebied zijn de Burgemeester Kasteleinweg (tussen Ringvaart en Nieuwe Aalsmeerderlaan) en de Burgemeester Hoffscholteweg aangewezen als hoofdontsluiting goederenvervoer (lokaal). Het netwerk goederenvervoer sluit aan op het Regionale Kwaliteitsnetwerk Goederenvervoer.

De Burgemeester Kasteleinweg is verder aangewezen als route voor busvervoer en is onderdeel van een primaire fietsroute.

5.4.3 Nota parkeernormen Aalsmeer

Eind 2012 heeft het CROW (Landelijk kenniscentrum voor verkeer en vervoer) nieuwe parkeerkencijfers gepubliceerd. De 'oude' cijfers dateren van 2004 en dienden als basis

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

voor de parkeernormen zoals vastgesteld in het Aalsmeer Verkeer- en Vervoerplan (AVVP). In het AVVP zijn echter alleen normen opgenomen voor de categorie 'wonen'. De aanleiding voor deze Nota Parkeernormen Aalsmeer is als volgt: <0000> Naast de normen voor de categorie wonen zijn er nog geen parkeernormen vastgesteld voor Aalsmeer en Kudelstaart; <0000> De parkeernormen uit 2004 en uit het AVVP zijn niet meer actueel; <0000> De nieuwe kencijfers van het CROW zijn gebaseerd op de meest actuele en recente ervaringscijfers; <0000> Parkeernormen moeten vanaf 2018 zijn opgenomen in bestemmingsplannen. Door in toekomstige bestemmingsplannen via de regels een verwijzing op te nemen naar deze Nota Parkeernormen inclusief toepassingsregels wordt aan deze verplichting voldaan en geldt voor iedereen een eenduidig kader. Het vaststellen van parkeernormen en toepassingsregels is om diverse redenen belangrijk en nuttig. Door het parkeren nadrukkelijk te toetsen en de juiste parkeernorm zo vroeg mogelijk in een planproces te bepalen wordt parkeeroverlast voorkomen en wordt de verkeersveiligheid verbeterd. Indien een ontwikkelaar namelijk te weinig parkeerplaatsen realiseert op eigen terrein, gaan er ook mensen in de omgeving parkeren met mogelijk parkeeroverlast en verkeersonveilige situaties tot gevolg.

Voor burgers, bedrijven en ontwikkelaars is met deze nota duidelijk welke normen gehanteerd worden bij een aanvraag. Bovendien bevat de nota duidelijke toepassingsregels om uit te leggen hoe de parkeernormen gehanteerd moeten worden. Hierdoor zorgen we er als gemeente voor dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn en dat mogelijk verwachte parkeerproblemen vanaf het begin van het planproces worden voorkomen. Relevantie plangebied Middels een voorwaardelijke verplichting in de regels wordt gewaarborgd dat er voldoende parkeerplaatsen wordt gerealiseerd bij de woningen conform de Parkeernota van Aalsmeer.

5.4.4 Woonvisie Aalsmeer 2011-2020

Op 14 juli 2011 is de "Woonvisie Aalsmeer 2011-2020" vastgesteld door de gemeenteraad. De woonvisie kan gezien worden als uitwerking van de in 2009 vastgestelde Gebiedsvisie en geeft de visie van de gemeente weer op het gebied van Wonen. Deze missie luidt: “Het is goed wonen in Aalsmeer en dat willen we zo houden. Kwaliteit staat voorop. Die moet ook bereikbaar zijn voor mensen voor wie dat –vanwege bijvoorbeeld financiën of gezondheid- niet vanzelfsprekend is. We blijven groeien, maar slechts beheerst, en verleggen de aandacht naar het bestaande woonaanbod”. Het bouwprogramma voor de periode 2011 tot en met 2020 bedraagt per saldo maximaal 1.500 woningen (uitgaande van circa 1.650 nieuw te bouwen woningen). Deze nieuw te bouwen woningen zijn onderverdeeld in verschillende prijsklassen (variërend van goedkoop naar duur). Op 12 december 2019 is de Woonagenda 2020 vastgesteld. Dit actueel woonbeleid wordt ingezet ter bevordering van doorstroming op de vastgelopen woningmarkt. Dit betekent bouwen in verschillende gidscategorieën. Er wordt ingezet op de realisatie van gemengde wijken. Speciale aandacht voor de doelgroepen starters en senioren. Relevantie plangebied

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

Onderhavig initiatief sluit aan bij de uitgangspunten van de Woonvisie. De kleinschaligheid van het project en de hoogwaardige woningen sluiten aan bij het streven van de Woonvisie naar kwaliteit en een dorpse sfeer.

5.4.5 Beleidsnota Archeologie Aalsmeer

In de beleidsnota Archeologie gemeente Aalsmeer zijn voor het grondgebied van Aalsmeer diverse archeologiegebieden onderscheiden. Bij de beoordeling van omgevingsvergunningen voor ruimtelijke ingrepen wordt nagegaan of archeologische resten worden bedreigd. In het bestemmingsplan wordt, indien van toepassing voorgeschreven welke verplichtingen de aanvrager heeft op het gebied van archeologische monumentenzorg. Voor deze nota is een inventarisatie uitgevoerd. Relevantie plangebied Van alle gebieden in Aalsmeer met archeologische waarden is een beleidskaart opgesteld. Op deze kaart is te zien voor welke gebieden bij welke werkzaamheden onderzoek gedaan moet worden naar de archeologische waarden. Voor dit bestemmingsplan geldt echter dat deze archeologievrij is.

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

HOOFDSTUK 6 OMGEVINGSKWALITEIT 6.1 Bodem Wettelijk- en Beleidskader Het bodembeleid heeft tot doel een balans te vinden tussen bodemgebruik en bescherming van bodemfuncties. Met bescherming wordt bedoeld dat een bodemgebruik duurzaam, veilig en gezond is. Bescherming is niet alleen tegen verontreiniging gericht, maar in principe tegen elke aantasting die het gebruik benadeeld. Het beleid voor bodembescherming kent drie sporen. Het eerste spoor bestaat uit het oplossen van de knelpunten die zijn ontstaan door historische verontreinigingen. Hiervoor is een programmatische aanpak opgesteld, die in de Wet bodembescherming is opgenomen. Het doel, om in 2015 geen locaties meer te hebben waar acute gezondheidsrisico optreden, is in Aalsmeer bereikt. Het 2e spoor richt zich op het voorkomen van nieuwe aantasting door het stellen van regels aan activiteiten in en op de bodem. De Wet Milieubeheer vormt hiervoor de basis. Het 3e en laatste spoor is het ruimtelijke spoor (Wro) dat tot doel heeft te komen tot een ‘goede ruimtelijke ordening. Dit gebeurt door nieuwe gebruiksfunctie (bv. wonen) alleen te bestemmen op gronden met voldoende bodemkwaliteit. Bij bestaand bodemgebruik worden natuurlijk momenten aangegrepen om de bodemkwaliteit zo nodig te verbeteren. Als ijkpunt kunnen de bodemnormen uit de Regeling bodemkwaliteit worden toegepast.

In gebieden met intensief bodemgebruik is het niet altijd mogelijk om de juiste bodemkwaliteit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten te bereiken. Het Besluit bodemkwaliteit (Bkk) biedt dan de mogelijkheid om op projectniveau af te wijken van de generieke normen, mits op gebiedsniveau de kwaliteit niet verminderd en dit beleid door lokaal bestuur wordt vastgesteld. De 3 sporen komen te zijner tijd samen in de Omgevingswet. De uitgangspunten van de Nota bodembeheer worden dan vertaald in de omgevingsvisie en resp. omgevingsplannen. Provinciale milieuverordening De provincie beschermt aardkundig interessante gebieden, 'aardkundige waarden', die iets vertellen over manier waarop het landschap is ontstaan. Ze vormen ons aardkundig erfgoed. In de praktijk betekent dit dat alleen grond mag worden toegepast die voldoet aan de bodemchemische normen en die bodemfysisch vergelijkbaar is met de in het toepassingsgebied voorkomende grondsoort. Dit is vastgelegd in de Provinciale milieuverordening. Gebieden met aardkundige waarden dienen planologisch te worden beschermd. Relevantie plangebied Het plangebied betreft een oud kassenbouwgebied. Met voorliggend plan wordt dit gebied gereed gemaakt voor woningbouw en een bedrijventerrein. In 2007 is op de locatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Op de locatie is matige bodemverontreiniging aangetoond met minerale olie en asbesthoudende puinpartij in een funderingsbak. Om deze reden is in 2012 in opdracht van Parkmeer B.V. een bodemsanering uitgevoerd in het gebied. Ten behoeve van de planontwikkeling is nogmaals bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2, verkennend bodem- en asbestonderzoek Stommeerkade, BK Ingenieurs, 25 september 2019). Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd: Puinverharding

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

Het gehalte asbest in puin overschrijdt plaatselijk het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg ds) als gevolg van het aantreffen van een asbesthoudend fragment (fractie > 20 mm). Door middel van een nader onderzoek naar asbest conform de NEN 5897 dient vastgesteld te worden of de hergebruikswaarde van 100 mg/kg ds wordt overschreden. In de overige geanalyseerde puinmengmonsters is asbest aangetoond in een maximaal gehalte van 5,60 mg/kg ds. Het criterium voor nader onderzoek wordt hierbij niet overschreden. Op grond van voorgaande is voor het onderdeel asbest nader onderzoek verricht, zie bijlage 3, nader asbestonderzoek, BK Ingenieurs, 22 april 2020. Uit dit onderzoek blijkt het volgende. <0000> In de puinverharding (met beperkte omvang) zijn zes asbesthoudende fragmenten aangetroffen in de fractie > 20 mm. Het gewogen gehalte aan asbest in het puin betreft 34,78 mg/kg ds. Het gehalte overschrijdt de hergebruikswaarde van 100 mg/kg ds niet. De puinverharding wordt als niet verontreinigd met asbest beschouwd. <0000> In de onderzochte grond is analytisch asbest aangetoond in de fijne fractie (0,5- 20 mm.) in een gewogen gehalte van 1,28 mg/kg ds. De interventiewaarde voor asbest van 100 mg/kg ds wordt niet overschreden. De grond op de locatie wordt als niet verontreinigd met asbest beschouwd.

Er is derhalve geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Bodemkwaliteit Grond Algemene kwaliteit De onderzochte grond (0,0 – 2,0 m -mv) is maximaal licht verontreinigd met de parameters waarop is onderzocht. PFAS PFAS is in verhoogde gehalten gemeten, maar niet in gehalten waarbij sprake is van een ernstige verontreiniging. Asbest In de onderzochte grond is analytisch asbest aangetoond in een maximaal gehalte van 6,56 mg/kg ds. Het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg ds) wordt niet overschreden. Grondwater Algemene kwaliteit Het grondwater is maximaal licht verontreinigd met de geanalyseerde parameters. PFAS PFAS is in verhoogde gehalten gemeten, maar niet in gehalten waarbij sprake is van een ernstige verontreiniging in het grondwater Hergebruik grond (indicatief) Volgens de toetsing aan de normen van het Besluit bodemkwaliteit wordt de onderzochte bovengrond indicatief geclassificeerd als ‘industrie’. De onderzochte ondergrond wordt geclassificeerd als ‘wonen’ of ‘altijd toepasbaar’. Op basis van de gemeten gehalten aan PFAS voldoet alle onderzochte grond aan bodemfunctieklasse ‘wonen’, zowel volgens het landelijk handelingskader als het lokale beleid van Provincie Noord-Holland. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

6.2 Water

Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte. Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatste jaren ontwikkelt het grondwater zich tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Dit vormt een bijdrage aan de beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Efficiëntie van benutting is een van de redenen voor ruimtelijke ordening van de ondergrond. Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving.

De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009 – 2015. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is zelfbindend voor het Rijk. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Voor de organisatie van het waterbeheer bevat het Waterbesluit de toedeling van oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk en regels over het verstrekken van informatie met betrekking tot

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

het waterbeheer. Ook regelt het Waterbesluit procedurele en inhoudelijke aspecten van het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren en enkele inhoudelijke aspecten van de plannen in verband met implementatie van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico's. Voorts bevat het besluit bepalingen over de wijze waarop de aanvraag om een watervergunning wordt gedaan, waaronder de gevallen waarin een elektronische aanvraag wordt ingediend. De Waterregeling bevat regels over de organisatie van het waterbeheer, een aantal kaarten over de toedeling van beheer, de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en de aanwijzing van de drogere oevergebieden, alsmede regels voor gegevensverstrekking aan het Rijk op grond van Europese verplichtingen. Verder regelt de Waterregeling een enkel inhoudelijk aspect van het regionaal waterplan en de beheerplannen. In de Waterwet is gekozen voor een systeem waarin iedere bestuurslaag haar beleid formuleert en dit vastlegt in plannen. De plannen geven aan wat iedere bestuurslaag wil doen in een bepaalde planperiode om de doelstellingen van het waterbeheer te halen. Deze plannen zijn bindend voor de eigen bestuurslaag. De Waterwet sluit op dit punt zoveel mogelijk aan bij de sturingsvisie van de Wet ruimtelijke ordening.

Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: <0000> heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; <0000> beheersbaar programma voor de waterkeringen; <0000> doelmatig beheer van de waterketen, <0000> werkzaamheden slim combineren; <0000> het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Provinciale Watervisie 2016-2021 De Provinciale Watervisie is van kracht sinds 23 december 2015 en geldt tot 2021. Het plan geeft duidelijkheid over de strategische waterdoelen tot 2040 en de acties tot 2021. De volgende doelen worden nagestreefd: waarborgen van voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen overstromingsrisico’s; <0000> zorgen voor schoon en voldoende drinkwater; <0000> kader stellen voor regionale waterkeringen; <0000> beoordelen versterkingsplannen primaire waterkeringen en bevorderen ruimtelijke kwaliteit; <0000> waterrobuust inrichten bevorderen; <0000> bijdragen aan schoon en voldoende oppervlaktewater; <0000> Zorgen voor schoon en voldoende grondwater.

Een belangrijk middel voor het realiseren van deze waterdoelen is het via integrale gebiedsontwikkeling proactief zoeken naar kansrijke combinaties met veiligheid, economie, recreatie, landbouw, milieu, landschap, cultuur en natuur. Het Waterplan heeft voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie op basis van de Wro. Beleidsregels Keur 2017 De Keur van hoogheemraadschap van Rijnland is op 1 september 2017 in werking getreden. De keur is een verordening waarin Rijnland regels stelt die nodig zijn om binnen het beheergebied waterveiligheid, droge voeten, voldoende oppervlaktewater en schoon oppervlaktewater te bieden.

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

Het belangrijkste onderdeel van de keur is hoofdstuk 3. In dit hoofdstuk heeft Rijnland vastgelegd op welke wijze handelingen die invloed hebben op het functioneren van het watersysteem worden gereguleerd. Het gaat hierbij om regulering via een zorgplicht, algemene regel, vergunningplicht of een absoluut verbod. Dit houdt in dat handelingen in het watersysteem in eerste instantie via de zorgplicht gereguleerd worden. Bij handelingen waarop de zorgplicht van toepassing is, zijn er geen of nagenoeg geen nadelige effecten op het functioneren van het watersysteem te verwachten. De zorgplicht is dit vangnet. Op basis van deze zorgplicht krijgt eenieder de verplichting om bij het uitvoeren van handelingen voldoende zorg voor het functioneren van het watersysteem in acht te nemen. In de keur is aangegeven welke randvoorwaarden hierbij in acht moeten worden genomen. Gemeentelijk rioleringsplan Aalsmeer (GRP) 2015-2020 De gemeente stelt zich tot doel om tot een doelmatige invulling van de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater te komen. Aan de rioleringszorg liggen vijf hoofddoelen ten grondslag. Dit zijn: duurzame bescherming volksgezondheid, voorkomen van wateroverlast, duurzame bescherming van natuur en milieu, voorkomen van hinder en toekomstgerichte (afval)waterketen en grondwatersysteem.

De belangrijkste wettelijke verplichtingen en bevoegdheden van gemeenten op het gebied van de afvalwaterketen en de grondwaterzorgplicht kunnen als volgt worden samengevat: <0000> gemeenten zijn verplicht een (verbreed) GRP op te stellen. Dit plan vormt het kader voor de invulling van de zorgplichten op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater; <0000> de gemeente heeft de bevoegdheid voor het heffen van een belasting ter bekostiging van de genoemde zorgplichten; <0000> de gemeente heeft de mogelijkheid om bij verordening regels te stellen met betrekking tot het lozen van afvloeiend hemelwater en grondwater; <0000> bestuursorganen (in het bijzonder gemeenten en waterschappen) moeten bij opstellen en uitvoeren van beleid met betrekking tot afvalwater rekening houden met een in de wet vastgestelde voorkeursvolgorde. Relevantie plangebied Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Rijnland. De Stommeerkade, binnen het plangebied gelegen, is een regionale waterkering (boezemkade). Ter bescherming van deze waterkering zijn door Rijnland een kernzone, een beschermingszone en een buitenbeschermingszone vastgesteld. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de waterkerende functie van de Stommeerkade.

De beschermingszone van de waterkering betreft 40 meter aan weerszijden van de Stommeerkade en heeft in het bestemmingsplan de bestemming 'Waterstaat- Waterkering' gekregen. De oppervlaktewateren in Rijnland zijn onderverdeeld in twee typen: hoofdwatergangen en overige watergangen. In dit plangebied liggen de overige watergangen. Dempingen van meer dan 100 m² vragen, ook in overige watergangen, een maatwerkafweging. De grote omvang van de demping kan namelijk aanzienlijke beperking van de aan- en afvoer van water opleveren. Bij deze maatwerkafweging zijn de locatie van de demping en de locatie van de ontgraving ten opzichte van het afvoerende gemaal, van belang. Vanwege deze maatwerkafweging is een vergunningplicht noodzakelijk. Voor het vergroten van een bestaande watergang volstaat een algemene regel. Het graven van het water moet worden gemeld.

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

Kabels en leidingen ter plaatse van watergangen hebben een geringe invloed op het watersysteem en kunnen daarom zonder regels, maar met zorgplicht, worden aangebracht. Een deel van de buitenbeschermingszone van de waterkering valt zoals hiervoor reeds is aangegeven binnen het plangebied. Watercompensatie In geval van een toename van verharding dient er op basis van de Keur in voorkomende geval met water gecompenseerd te worden. Voor Parkmeer is een berekening gemaakt hoeveel water er gecompenseerd moet worden. Berekening Parkmeer Bestaande situatie: Totale (reeds verwijderde) verharding Nieuwe situatie: Totale verharding

=18.690 m2 =17.828 m2

De verharding neemt in de nieuwe situatie af t.o.v. de bestaande situatie. Daarnaast is er bij het verwijderen van bestaande kassen en bedrijfsbebouwing en het bouwrijp maken van het gebied reeds 3000 m2 nieuw water aangelegd/extra gegraven. Conclusie is dat er voldoende water in het plangebied aanwezig is. Voor de ingrepen die de planvorming in het watersysteem met zich brengt heeft Hoogheemraadschap aan initiatiefnemer een watervergunning verleend, zie bijlage 4. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar voor het aspect water. Klimaateffecten - adaptatie In verband met de verandering van het klimaat is het noodzakelijk om na te gaan in hoeverre hierop kan worden geanticipeerd. Dit is vastgelegd in het Deltaprogramma. Het kennisportaal Ruimtelijke Adaptatie gaat uit van vier elementen van klimaateffecten: overstromingsrisico, wateroverlast, droogte en hittestress. De kans op overstromingen van het plangebied is zeer beperkt: het gebied wordt beschermd door de primaire waterkering van Dijkring 19, maar ook door de regionale kering rondom (o.a. de Stommeerkade). Wateroverlast wordt voorkomen door de aanleg van extra water. Hemelwater wordt afgekoppeld en het gebied wordt van een gescheiden riolering voorzien. Van de private eigenaren wordt verwacht dat zij hun water zoveel mogelijk op eigen terrein verwerken.

Nadelige droogte-effecten worden niet verwacht, omdat in het gebied geen landbouwgewassen worden geteeld en geen natuurgebied is voorzien.Particuliere eigenaren kunnen het afgekoppelde hemelwater bergen, bijvoorbeeld in een regenton, en hergebruiken. Hittestress wordt niet voorzien, omdat het hier niet gaat om een stedelijke omgeving met veel verharding en weinig groen.

6.3 Geluid Beleidskader In het algemeen maakt een bestemmingsplan de aanwezigheid van geluidproducerende bronnen, zoals industrie en wegverkeer, ruimtelijk mogelijk. Ook worden bestemmingen mogelijk gemaakt die een zekere mate van rust behoeven, zoals woningen en ziekenhuizen. Wet geluidhinder De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor- en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de Wet geluidhinder en voor vliegverkeerlawaai in de Wet luchtvaart en het bijbehorende

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

Luchthavenindelingbesluit. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon- en leefklimaat. In de Wet geluidhinder zijn voorkeursgrenswaarden vastgesteld. Als daar niet aan voldaan kan worden, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen. De gemeenteraad van Aalsmeer heeft de "Deelnota Hogere Waarden" vastgesteld. In deze nota is de procedure uitgewerkt om de hogere waardenprocedure te doorlopen. In het hogere waardenbeleid is een aantal aspecten opgenomen die bij de afweging van een hogere waarde een rol speelt. Deze aspecten zijn: 1. het heersende geluidsniveau; 2. het toetsingskader om af te wijken van het heersende geluidsniveau; 3. cumulatie en compensatie. Industrie algemeen Voor de kleinere bedrijfsterreinen waarvoor zonering niet verplicht is geven de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (VROM 1998) en de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', richtlijnen over de wijze waarop met het aspect geluid in bestemmingsplannen moet worden omgegaan. De Handreiking geeft onder meer, ter voorkoming van geluidshinder bij geluidsgevoelige bestemmingen, streefwaarden. Voor de grote industrieterreinen, spoor- en verkeerswegen is in de Wet geluidhinder (Wgh) een wettelijk kader ontwikkeld voor geluidzonering gekoppeld aan een systeem van grenswaarden.

Wegverkeer Tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan moet inzicht worden gegeven in de geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die gesitueerd worden binnen de zone van een weg. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg zal ook de geluidsbelasting veroorzaakt door verkeer op de nieuwe weg op de bestaande geluidgevoelige bestemmingen in beeld moeten worden gebracht. Luchtverkeer Bij de ingebruikname van de vijfde baan van Schiphol (Polderbaan) op 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit (Lib) in werking getreden. Hiermee zijn nieuwe beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. Naast het luchthavengebied is een beperkingengebied aangegeven. In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat om o.a. een geluidssloopzone en een beperkingen geluidszone. Deze bepalingen moeten in de bestemmingsplannen worden verwerkt. Relevantie plangebied De nieuw te bouwen woningen zijn gelegen binnen de in de Wet geluidhinder (Wgh) vastgelegde geluidszones van de Burgemeester Hoffscholteweg, de Aalsmeerderweg, de Ophelialaan, de Oosteinderweg en de Molenvlietweg. Dit betekent dat op grond van de Wgh akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd en moet worden getoetst aan de normen uit deze wet.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens de geluidbelasting als gevolg van de Stommeerkade berekend. Tevens is het plangebied gelegen binnen het zonebesluit Schiphol Oost vanwege het aspect industrielawaai. Ook bevindt de locatie zich binnen beperkingengebied van de luchthaven Schiphol voor het luchtvaartlawaai. De gemeente Aalsmeer heeft hogere grenswaarden beleid. In dat beleid zijn voorwaarden opgenomen waaronder een hogere grenswaarde kan worden vastgesteld. In dit rapport wordt, indien vaststelling van hogere waarden noodzakelijk is, eveneens getoetst aan dit beleid.

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

Ten behoeve van het bestemmingsplan is akoestisch onderzoek verricht, zie bijlage 5, Kuiper Compagnons, Akoestisch onderzoek Parkmeer, 6 februari 2020 en een aanvullend onderzoek, zie bijlage 6. Wegverkeerslawaai Uit het onderzoek volgt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de Burgemeester Hoffscholteweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. De geluidbelasting bedraagt maximaal 54 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwe woningen en een bestaande (geprojecteerde) weg, wordt niet overschreden. Het verkeer op de overige in het onderzoek betrokken wegen veroorzaakt geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Ten behoeve van het vigerende bestemmingsplan “Stommeerkade Oost” van 9 september 2010 is door Adviesbureau IJmeer B.V. de onderzoeksnotitie “Geluidsbelasting industrielawaai op uit e werken woongebieden in het plan Stommeerkade Oost, Aalsmeer” van 17 mei 2010 opgesteld. Deze onderzoeksnotitie gaat in op de geluidsbelastingen als gevolg van het voor geluid gezoneerde industrieterrein Schiphol Oost, waarvan de juridische zone sindsdien niet gewijzigd is, zodat de in deze onderzoeksnotitie gepresenteerde geluidsbelastingen als actuele geluidsbelastingen beschouwd kunnen worden. De maximale geluidbelasting in het plangebied is 52 dB(A). Hierdoor wordt de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) overschreden.

De maximaleontheffingswaarde van 55 dB(A) wordt niet overschreden. Het treffen van bron- en/of overdrachtsmaatregelen is vanwege de grote afstand tussen het industrieterrein en het plangebied niet mogelijk. Er dient een hogere waarde aangevraagd te worden. Omdat er slechts circa tien woningen worden gebouwd in het plangebied, wordt er voldaan aan de eis van het LIB 4 om minder dan 25 woningen per ontwikkeling binnen het ‘beperkingenbied geluidsgevoelige gebouwen’ te realiseren. De geluidcontouren uit 2016 tonen aan dat de geluidbelasting vanwege de luchtvaart binnen het plangebied varieert van 58 tot 60 dB. Voorluchtvaartlawaai gelden geen grenswaarden maar er dient op grond van het LIB Schiphol wel met het luchtvaartlawaai rekening te worden gehouden. Gelet op de overschrijding van de voorkeursgrenswaarden voor weg- en industrielawaai is onderzocht of maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn. De onderzochte bron- en overdrachtsmaatregelen stuiten op bezwaren van verkeerskundige, stedenbouwkundige en financiële aard. Maatregelen tegen het vliegtuiglawaai zijn niet mogelijk. Hogere waarden Omdat bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk en doelmatig zijn gebleken, kunnen burgermeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer overwegen hogere waarden vast te stellen (inclusief correctie ex artikel 110g Wgh).

In het hogere waarden beleid van de gemeente Aalsmeer is geregeld dat burgemeester en wethouders alleen een hogere waarde zullen vaststellen indien de gevoelige bestemming tenminste 1 geluidsluwe zijde heeft. Ten opzichte van het wegverkeerslawaai wordt aan deze voorwaarde voldaan. Cumulatie Indien een geluidgevoelige bestemming waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld in de zone van meerdere geluidbronnen ligt, dient inzichtelijk gemaakt te worden hoe hoog de gecumuleerde geluidsbelasting is. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidsbelasting. Een wettelijke toets aan een grenswaarde is niet aan de orde.

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

In het gemeentelijk geluidsbeleid, zoals vastgelegd in de rapportage ‘Deelnota Hogere Waarden Beleidsnota geluid’ van Regio Amstelland-Meerlanden van maart 2007, is geregeld dat, in geval van cumulatie, de maximaal mogelijk te verlenen ten hoogste toelaatbare waarde niet meer dan +3 dB verhoogd mag worden. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ter plaatse van de geprojecteerde woningen is sprake van cumulatie van weg-, industrie- en luchtvaartlawaai. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt 65 t/m 66 dB. Op basis van deze gecumuleerde geluidsbelastingen is het akoestisch klimaat ter plaatse van deze woningen als “slecht” te kwalificeren. Als compensatie zullen er geluidsisolerende maatregelen aan de gevelconstructie worden aangebracht. Ter plaatse van de verblijfsruimten in dewoningen is het akoestisch klimaat derhalve als “goed” te kwalificeren Geluidwering van de gevel Voor de gevels met een gecumuleerde geluidsbelasting vanwege het weg-, industrieen luchtvaartlawaai, dient bij de aanvraag van een bouwvergunning met behulp van een gevelgeluidweringsonderzoek te worden onderzocht of de te projecteren woningen aan de wettelijke geluidgrenswaarde voor het binnenniveau kunnen voldoen.

Aanvullend onderzoek In het aanvullende onderzoek is ingegaan op de te verwachten geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeer, de industrie en het luchtverkeer, ter plaatse van de gevels van de indicatieve verkaveling van het plan Parkmeer te Aalsmeer. Voor de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat is van belang in hoeverre de geluidsbelasting binnen/buiten de woning voldoet aan de wettelijke grenswaarden. Van belang hierbij zijn de optredende geluidsbelastingen ten gevolge wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai en de combinatie van deze bronnen in relatie tot de normstelling. Van een goed woon- in leefklimaat is sprake indien door (aanvullende) maatregelen kan worden voldaan aan de normstelling op basis van gezondheidsnormen. Uit dit onderzoek blijkt dat door het (extra) isoleren van de woningen het mogelijk is binnen de woningen zorg te dragen voor een goed woon- en leefklimaat. Om een goed woon- en leefklimaat buiten de woningen te waarborgen kan een buitenruimte worden gerealiseerd in de vorm van een (afsluitbare) serre/tuinkamer met een geluidsisolatie van minimaal 15 dB voor luchtvaartlawaai. Conclusie Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat realisatie van de woningen mogelijk is binnen de kaders van de Wet geluidhinder. Er dient een procedure hogere grenswaarde doorlopen te worden voor weg- en industrielawaai.

Aanvullend zijn er in de regels een 2-tal voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ter borging van een goed woon- en leefklimaat voor toekomstige bewoners, namelijk een verplichting om gevels met een bepaalde geluidwerendheid te realiseren enerzijds en tevens een verplichting dat er een afsluitbare buitenruimte wordt gerealiseerd met een aantoonbare gevel- en dakisolatie van minimaal 15 dB. Het ontwerp besluit heeft gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegen. Belanghebbenden hebben de mogelijkheid gekregen om een zienswijze in te dienen tegen het ontwerp besluit hogere grenswaarde. Er zijn wel/ geen zienswijzen ingediend. Het college heeft op PM een besluit hogere grenswaarde genomen. Zie bijlage 7 voor het besluit.

6.4 Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: <0000> er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; <0000> een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; <0000> een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; <0000> een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSL-projecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen.

Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: <0000> de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3; <0000> voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; <0000> de 24-uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); <0000> voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, zijn ook grenswaarden vastgesteld. Deze zijn niet strenger dan de huidige norm voor daggemiddelde concentraties van PM10. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' - zoals een school of kinderopvang - in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Binnen dit bestemmingsplan bevinden zich geen gevoelige bestemmingen.

Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig. Relevantie plangebied De ontwikkeling van voorgestelde woningbouwlocatie is ingevolge de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen' aangewezen als een categorie die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Als NIBM-categorie is aangewezen een woningbouwontwikkeling van maximaal 1500- woningen met één ontsluitingsweg. Met

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

dit bestemmingsplan worden maximaal 10 woningen mogelijk gemaakt en 6500 m2 aan bedrijven in categorie 1 en 2, een luchtkwaliteitonderzoek is daarom niet nodig. Bovendien laat het zogenoemde monitoringstool prognoses zien voor 2015 en 2020, waaruit blijkt dat ter plaatse voldaan wordt aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof. Ook is In het kader van het bestemmingsplan Stommeerkade Oost een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd. De conclusie was dat de beoogde ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Bovendien vinden nu geen overschrijdingen van de luchtkwaliteitgrenswaarden plaats in het plangebied en is de prognose dat dat ook in de toekomst niet zal gebeuren. Dit blijkt uit het zogenoemde monitoringstool. Luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de planontwikkeling.

6.5 Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Aalsmeer gaat het met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen in de omgeving van het bedrijf. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties. Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen inwerking getreden. Deze wet vervangt de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.

Het doel van Basisnet is om gevaarlijke stoffen te kunnen vervoeren tussen de belangrijkste industriële plaatsen in Nederland en in het buitenland en de risico's voor omwonenden langs de routes binnen de wettelijke grenzen te houden. Het systeem Basisnet heeft

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over grote vaarwegen, spoorwegen en autowegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Relevantie beschrijving plangebied Opslag gevaarlijke stoffen In de nabije omgeving van het plangebied bevindt zich maar één locatie waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Dit is een verffabriek aan de Oosteinderweg 32 met een richtafstand van 200 m. De meest nabijgelegen woning ligt op ongeveer 250 meter afstand. Het plangebied ligt buiten het risicogebied van de verffabriek en zal dus geen invloed hebben op de uitvoering van de gewenste ontwikkeling t.a.v. het aspect externe veiligheid. Transport gevaarlijke stoffen Op de wegen rondom het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. In het plangebied en de nabije omgeving zijn ook geen buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen gelegen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van de ontwikkeling.

Buisleidingen Buiten het plangebied is een regionale aardgastransportleiding (12 inch 40 bar) aanwezig. Voor deze leiding geldt een vrijwaringszone. Het plangebied valt niet binnen deze (groen weergegeven) zone zoals onderstaande afbeelding laat zien.

Luchthavenindelingbesluit Zoals reeds uit paragraaf 5.2.2. en 5.3.3. blijkt dient binnen het plangebied in de bestemming ' Bedrijventerrein' rekening te worden houden met bijlage 5 van het LIB, beperking aantrekking vogels. De aanvaringen van vogels en luchtvaartuigen vormen een gevaar voor de luchtvaart. Het vogelaanvaringsgevaar wordt onder andere veroorzaakt door de aanwezigheid van gebieden met een sterke vogelconcentratie in de nabijheid van de luchthaven. Vogelaantrekkende functies worden uitgesloten binnen dit bestemmingsplan. Daarnaast worden er 10 geluidsgevoelige gebouwen, zijnde woningen, gerealiseerd binnen het beperkingsgebied. Met oog op externe veiligheid is er in dit ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

beperkingengebied op grond van de LIB beperkingen gesteld ten aanzien van de hoogte van gebouwen. Aangezien ruimschoots onder de maximaal toegestane bouwhoogtes wordt gebleven en het bestemmingsplan geen vogelaantrekkende functies mogelijk maakt als bedoeld in artikel 2.2.3 LIB zijn er vanwege het LIB geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen vanuit het aspect externe veiligheid.

6.6 Flora en fauna

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van soorten en leefgebieden. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Gedeputeerde Staten kunnen in sommige gevallen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder andere soorten vallen onder andere de ringslang en de grote modderkruiper. De gemeente Aalsmeer adviseert om de gedragscodes van Stadswerk te gebruiken. Er is een code voor bestendig beheer en onderhoud en een code voor ruimtelijke ingrepen. Relevantie plangebied Ten behoeve van het initiatief is een quick scan ecologie uitgevoerd (zie bijlage 8, NIPA Milieutechniek B.V., quick scan Flora en Fauna Parkmeer, 27 september 2019).

Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van het plangebied Parkmeer aan de Stommeerkade/het Bielzenpad te Aalsmeer, blijkt dat de locatie mogelijk een foerageergebied vormt voor vleermuizen. De locatie is echter geen essentieel foerageergebied, in de omgeving zijn voldoende alternatieven beschikbaar. Bij de bouw dient voorkomen te worden dat bouwlampen voor lichtverstoring voor foeragerende vleermuizen zorgen. Indien de aanwezige wilgen binnen het plangebied gerooid dienen te worden, dienen deze buiten het broedseizoen gerooid te worden, omdat niet uit te sluiten is dat in de kroon nesten aanwezig kunnen zijn. Op grond van het onderzoek kunnen effecten op beschermde planten- en diersoorten worden uitgesloten. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen Natura 2000 gebieden met stikstofgevoelige habitats aanwezig. De afstand tussen het plangebied en het meest dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Botshol is dermate groot (9 km) dat negatieve effecten in dit Natura 2000-gebied vrijwel uitgesloten kunnen worden. Ter onderbouwing hiervan is een quick scan, op basis van een berekening met AERIUS 2019 uitgevoerd (zie bijlage 9, BK Milieuadvies, beoordeling stikstofdepositie Stommeerkade Aalsmeer). De berekening laat zien dat er geen negatieve effecten op de genoemde natuurgebieden optreden.

De Wet natuurbescherming staat de uitvoering van het initiatief niet in de weg.

6.7 Archeologie Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt, te weten: bescherming van het archeologische

ontwerp toelichting Bestemmingsplan Parkmeer

pagina

erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld. Kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Verder wordt het verrichten van opgravingen aan de markt overgelaten. Door de wet heeft de gemeente een nieuwe wettelijke taak gekregen: bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het bestemmingsplan kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied. De aanvrager van een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten moet zelf de kosten dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, uitgaande van het principe 'De verstoorder betaalt'.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=867c940e-17aa-45e0-bf54-dadd3e51c3f4