CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting OED.pdf

1a.Commissie Ruimte Beeldvormend 14 juni 2023, gemeente aalsmeerBij agendapunt: Oosteindedriehoek; bestemmingsplan, exploitatieplan, besluit Wet geluidhinder, beeldkwaliteitplan en vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit28.181 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het verdient hierbij aanbeveling om nieuwe bebouwing op enige afstand van de Legmeerdijk te situeren om zijn vrije ligging en van oudsher dun bebouwde karakter te behouden; <0000> Behoud en versterk de Middentocht als onderdeel van de oorspronkelijke hoofdwaterstructuur van de Oosteinderpoelpolder; <0000> Zoek bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan naar aanknopingspunten met de rationele ordenings­ en verkavelingsprincipes van het droogmakerijlandschap, zoals ze in 1864 door Eskes zijn vertaald in het ontwerp voor de Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 45 van 68

Oosteinderpoelpolder. Deze principes kunnen als inspiratie dienen voor een nieuw ontwerp. In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met bovenstaande aspecten.

6.2 Bedrijven en milieuzonering

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon­ en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. De VNG­brochure wordt gebruikt als hulpmiddel (niet als blauwdruk) bij het opstellen van bestemmingsplannen met nieuwe milieugevoelige functies of nieuwe milieubelastende functies. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren, wel is het een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken. In de brochure zijn aan de verschillende bedrijfsactiviteiten, milieucategorieën en richtafstanden toegekend voor de aspecten gevaar, stof, geur en geluid. De afstanden zijn gebaseerd op een rustige woonwijk. Als sprake is van een gemengd gebied mag een afstandstrap minder worden gehanteerd. Relevantie plangebied Vooor het plangebied is door bureau Kragten een quickscan Bedrijven en milieuzonering uitgevoerd (zie bijlage 7).

Middels deze beoordeling is inzichtelijk gemaakt met welke richtafstanden bij de invulling van het plan rekening moet worden gehouden. De omgeving van het plangebied bestaat uit verschillende bestemmingen, waaronder wonen, bedrijf, agrarisch, detailhandel en maatschappelijk. Het plangebied en de directe omgeving daarvan kunnen daarom worden beschouwd als een gemengd gebied. Uit de beoordeling blijkt dat een deel van de woningen binnen het plangebied geprojecteerde zijn binnen de richtafstand van de gronden van de bestemming 'Agrarisch ­ Tuinbouw'. De woningen binnen het plangebied zijn niet gelegen binnen de richtafstanden van de gronden met overige relevante (bedrijfs)bestemmingen. Tevens zijn zowel de nieuwe woningen binnen het plangebied als bestaande woningen in de directe omgeving niet gelegen binnen de richtafstand van de beoogde basisschool. Voor bestemming 'Agrarisch – Tuinbouw', waarvan de richtafstanden reiken tot over een aantal woningen binnen het plangebied, is uitgegaan van milieucategorie 3.2 op basis van een champignonkwekerij met mestfermentatie. Deze gronden worden echter begrensd door bestaande woningen, waardoor op deze gronden geen sprake kan zijn van activiteiten in milieucategorie 3.2. Voor deze gronden kan dan ook worden uitgegaan van een maximale milieucategorie 2.

De geprojecteerde woningen binnen het plangebied liggen dan niet binnen de richtafstanden van de bestemming 'Agrarisch – Tuinbouw'. Een aanvaardbaar leefklimaat wordt hiermee gegarandeerd. Daarnaast worden de bestaande bedrijven c.q. (bedrijfs)bestemmingen niet in hun ontwikkelingen beperkt door realisering van dit plan.

6.3 Bodem 6.3.1 Beleid en regelgeving Het bodembeleid heeft tot doel een balans te vinden tussen bodemgebruik en bescherming van bodemfuncties. Met bescherming wordt bedoeld dat een bodemgebruik duurzaam, veilig en gezond is. Bescherming is niet alleen tegen verontreiniging gericht, maar in principe tegen elke aantasting die het gebruik benadeelt.

Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 46 van 68

Het beleid voor bodembescherming kent drie sporen. Het eerste spoor bestaat uit het oplossen van de knelpunten die zijn ontstaan door historische verontreinigingen. Hiervoor is een programmatische aanpak opgesteld, die in de Wet bodembescherming is opgenomen. Het tweede spoor richt zich op het voorkomen van nieuwe aantasting door het stellen van regels aan activiteiten in en op de bodem. De Wet milieubeheer vormt hiervoor de basis. Ook het Besluit bodemkwaliteit is hier onderdeel van. Het derde en laatste spoor is het ruimtelijke spoor (Wro) dat tot doel heeft te komen tot een ‘goede ruimtelijke ordening'. Dit gebeurt door nieuwe gebruiksfunctie (bv. wonen) alleen te bestemmen op gronden met voldoende bodemkwaliteit. Bij bestaand bodemgebruik worden natuurlijk momenten aangegrepen om de bodemkwaliteit zo nodig te verbeteren. Als ijkpunt kunnen de bodemnormen uit de Regeling bodemkwaliteit worden toegepast. In gebieden met intensief bodemgebruik is het niet altijd mogelijk om de juiste bodemkwaliteit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten te bereiken. Het Besluit bodemkwaliteit (Bkk) biedt dan de mogelijkheid om op projectniveau af te wijken van de generieke normen, mits op gebiedsniveau de kwaliteit niet vermindert en dit beleid door lokaal bestuur wordt vastgesteld. De 3 sporen komen te zijner tijd samen in de Omgevingswet.

De uitgangspunten worden dan vertaald in de omgevingsvisie en omgevingsplannen. Provinciale structuurvisie In de geactualiseerde Structuurvisie Noord­Holland 2040 (sept. 2015) is aandacht voor bodem onder het aspect milieukwaliteit. In de zogenaamde bodemvisie wordt via kaarten aandacht besteed aan elementen van duurzaam bodemgebruik. Provinciale milieuverordening De provincie beschermt aardkundig interessante gebieden, 'aardkundige waarden', die iets vertellen over manier waarop het landschap is ontstaan. In de provinciale milieuverordening zijn daarnaast grondwaterbeschermingsgebieden opgenomen en geluidscontouren van bedrijfsterreinen van regionaal belang. In het plangebied bevinden zich geen aardkundige monumenten of bijzondere aardkundige beschermingsgebieden. 6.3.2 Bodemsituatie en -kwaliteit plangebied Bodemopbouw De ligging van het plangebied is beschreven in § 1.2. De bodem bestaat hoofdzakelijk uit humeuze klei. Bodemkwaliteit De bodemkwaliteit is verdacht door de voormalige activiteiten van glastuinbouwbedrijven en de sloop van kassen en opstallen. De bodemkwaliteit is in 2006 globaal in beeld gebracht, maar dat was voor de sloop van diverse opstallen en zonder onderzoek naar asbest. Aangezien de sloop van de opstallen heeft plaatsgevonden ná 1993, geldt voor asbest in bodem, als gevolg van de sloop, de zorgplicht.

Haalbaarheid De haalbaarheid van een ruimtelijk plan kan onder druk komen te staan door de kosten van een noodzakelijke bodemsanering of noodzakelijk grondverzet ter bescherming van het toekomstige bodemgebruik. Dit kan leiden tot een negatief resultaat op de grondexploitatie.

Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 47 van 68

Bodemkwaliteit op planniveau In het rapport van het uitgevoerde vooronderzoek (water­)bodem, opgesteld door Bureau Kragten onder rapportnr. MIL21.113, d.d. 22 december 2021 (zie bijlage 8) wordt geadviseerd om voor het plangebied zowel een verkennend bodem­ als verkennend waterbodemonderzoek uit te voeren. Tevens wordt geadviseerd een verkennend asbestonderzoek uit te voeren. De geadviseerde verkennende onderzoeken zijn uitgevoerd door APS­Milieu B.V. en op 22 januari 2022 heeft zij daarover, onder projectcode R21­B900 een rapport uitgebracht (zie bijlage 9). Overigens zijn niet alle deelterreinen onderzocht. Uit het concept­rapport blijkt dat op diverse percelen asbest in de bodem aanwezig is, waarvoor in veel gevallen de zorgplicht geldt. Dit heeft een groot effect op de saneringsinspanning. Daarnaast zijn incidentele puntbronnen aangetroffen waarvoor een sanering noodzakelijk is om de bodem geschikt te maken voor de gewenste bestemming. Er is niet alleen sprake van historische verontreinigingen (ontstaan voor 1987), maar er zijn ook verontreinigingen ontsstaan ná 1987 of 1993 (asbest). In deze laatste gevalllen geldt het toetsingskader van de Circulaire bodemsanering niet en dient álle verontreiniging te worden verwijderd. In dit plangebied geldt dit met name voor asbest.

Tot slot blijkt dat de bovengrond (0­0.5 m­mv) voor een groot deel bestaat uit klasse industrie, veroorzaakt door voormalig gebruik van bestrijdingsmiddelen. Deze grond is niet zonder meer geschikt voor hergebruik binnen het plangebied en zorgt dat de ontgravingskaart uit de Nota bodembeheer niet kan worden toegepast. Uit de onderzoeken blijkt dat een grotere saneringsinspanning nodig is, dan op basis van een eerder rapport uit 2006 werd verondersteld. In het exploitatieplan is daarom in de totale kosten van de exploitatieopzet van ruim € 90 miljoen een bedrag van ruim € 1,3 miljoen opgenomen om de grond geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Op basis van de begrote opbrengsten kunnen onvoorziene kosten relatief eenvoudig worden opgevangen. Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodem de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

6.4 Duurzaam bouwen en energie

De kaders duurzaamheid Aalsmeer zijn vastgesteld door de gemeenteraad in december 2016. Hiermee heeft de gemeenteraad aangegeven dat Aalsmeer streeft naar duurzaam beleid in alle keuzes die zij maakt. Hierbij zijn drie focusgebieden benoemd: 1. Aalsmeer is fossielonafhankelijk in 2040; 2. Aalsmeer heeft een circulaire economie in 2040; 3. en iedereen kan meedoen in Aalsmeer (inclusieve stad). Voor nieuwe ontwikkelingen is met deze focusgebieden op verschillende wijzen rekening te houden. Een duurzaam gebouw verbruikt onder andere minder energie, is ecologisch verantwoord en maakt gebruik van duurzame materialen. Bij nieuwbouw is een belangrijk aandachtspunt, dat energiegebruik zoveel mogelijk wordt gereduceerd door o.a. isolatie en het efficiënt inzetten van installaties. Daarnaast is aandacht voor duurzame energie­opwek gewenst. Dit wordt door middel van het Bouwbesluit getoetst. De gemeente hecht er aan dat (toekomstige) bewoners de mogelijkheid wordt geboden zelf verdergaande maatregelen te treffen waarmee energieneutraliteit te bereiken is. Aansluiting op een collectieve WKO of een all­electric uitvoering van het plangebied door middel van individuele bodemenergiesystemen dragen bij aan het behalen van de ambitie fossielonafhankelijk. Binnen het plangebied zijn hiervoor geen belemmeringen

Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 48 van 68

voorzien. Het (wijzigings)besluit Bodemenergie en de Waterwet vormen bij toepassing van bodemenergie het wettelijk kader. Daarnaast stimuleert de gemeente het realiseren van duurzame en energiezuinige gebouwen door middel van de Gemeentelijke Praktijk Richtlijn voor duurzaam bouwen (GPR). GPR­gebouw is een digitaal instrument dat ontwerpgegevens omzet in prestatiegetallen per module. Aalsmeer streeft naar nieuwbouwontwikkelingen met een gemiddelde GPR van 7,5 met een score van 10 op de module energie. De gemeente stelt haar licentie beschikbaar aan ontwikkelaars waarmee zij op basis van een voorlopig ontwerp kunnen toetsen waar nog verbeteringen mogelijk zijn. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet met een berekening aangeven wat het duurzaamheidgehalte van het te realiseren bouwwerk is (artikel 5.9 het eerste en tweede lid van het Bouwbesluit 2012). Het thema milieu van de GPR voldoet aan de indieningsvereisten bepaald in het Bouwbesluit. Ten slotte kan, vanwege toename van warme periodes, een toenemende behoefte aan koeling ontstaan. Door middel van toepassing van groendaken in combinatie met goede isolatie is dit effect te verminderen. Bovendien dragen groene daken bij aan vertraagde afvoer van hemelwater.

6.5 Ecologie Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van soorten en leefgebieden. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De Wet natuurbescherming beslaat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder de andere soorten vallen bijvoorbeeld de ringslang en grote modderkruiper. Gedeputeerde Staten kunnen in sommige gevallen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen voor de andere soorten. Met betrekking tot de gebiedsbescherming wordt hoofdzakelijk gekeken naar de Natura 2000­gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De gemeente Aalsmeer adviseert om de gedragscodes van Stadswerk te gebruiken. Er is een code voor bestendig beheer en onderhoud en een code voor ruimtelijke ingrepen.

Relevantie plangebied Gebiedsbescherming Natura­2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Op grond van de Wet natuurbescherming zijn Natura­2000­gebieden beschermd tegen significant negatieve effecten, waaronder de gevolgen van stikstofdepositie. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natura­2000 gebied. Het dichtstbijzijnde beschermde natuurgebied "Botshol" is gelegen ten zuidoosten van het plangebied. De afstand tot aan dit Natura­2000 gebied is circa 7 kilometer. Uit onderzoek naar de stikstofdepositie ten gevolge van de uitvoering van dit

Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 49 van 68

bestemmingsplan, is gebleken dat sprake is van een stikstofdepositie (afgerond op twee decimalen) van 0,00 mol/ha/jaar ter plaatse van het stikstofgevoelige Natura 2000­gebied Botshol (zie bijlage 10). Hieruit wordt geconcludeerd dat geen significant negatieve effecten zijn te verwachten op Botshol ten gevolge van de in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkeling. Derhalve is inzake stikstofdepositie geen sprake van vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Het plangebied maakt voorts geen onderdeel uit van en is niet gelegen in de directe nabijheid van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) of andere beschermde natuurgebieden. Soortenbescherming Voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied is een verkennend flora­ en faunaonderzoek uitgevoerd door bureau Kragten, rapportnummer: 20230413­RSD002­RAP­FF­2.0, d.d. 13 april 2023 (zie bijlage 11). Uit dit onderzoek is gebleken dat: <0000> in het plangebied geen beschermde plantensoorten voorkomen; <0000> in het plangebied de aanwezigheid van algemeen voorkomende muizensoorten en egel niet kan worden uitgesloten; <0000> bij de uitvoering van de plannen mogelijk negatieve effecten zijn te verwachten op broedvogels, amfibieën en reptielen; <0000> op de overige soorten groepen geen negatief effect op beschermde soorten of functies wordt verwacht.

Algemeen voorkomende muizensoorten en egel Voor deze soorten bieden de struiken en ruigtes binnen het plangebied geschikt leefgebied. Het doden van individuen van deze soorten is verboden, maar in de provinciale verordening is het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten vrijgesteld van ontheffing. Hiervoor geldt de zorgplicht. Broedvogels Het is niet uit te sluiten dat vogels in aanwezige struiken en begroeiingen rondom het gebied broeden. Het is verder niet uit te sluiten dat in de periode tot aan en tijdens de werkzaamheden alsnog vogels gaan broeden in één van de aanwezige bomen langs het onderzoeksgebied. Voorkomen moet worden dat nesten van vogels vernield en/of verstoord worden bij de werkzaamheden aan de randen van het onderzoeksgebied. Daarom dient te worden gewerkt buiten het broedseizoen, dat globaal duurt van half maart tot half juli. Indien dit niet mogelijk is, kan door middel een broedvogelschouw worden onderzocht of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn. Amfibieën en reptielen Zodra bouwactiviteiten worden uitgevoerd of als er voorbelasting wordt opgebracht, kan leefgebied voor de Rugstreeppad ontstaan. Dit kan worden voorkomen door bijvoorbeeld voorafgaand aan de werkzaamheden het gebied uit te rasteren met amfibieënschermen of het ontstaan van (tijdelijke) poelen te voorkomen door het gebruik van bijvoorbeeld rijplaten.

Voor de algemeen voorkomende amfibieën geldt de zorgplicht. Aangetroffen individuen bij graafwerkzaamheden bijvoorbeeld dienen te worden verjaagd of gevangen en moeten worden vrijgelaten in aanliggend gebied buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Broeihopen van ringslang zijn niet in het gebried aangetroffen. Een incidenteel individu kan aanwezig zijn. Door te werken volgens een passende gedragscode kan verstoring en of het doden van de ringslang worden voorkomen.

Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 50 van 68

Met het oog op de planning van de werkzaamheden, het tegengaan van de vestiging van de rustreeppad en de invulling van de zorgplicht is een werkprotocol opgesteld (zie bijlage 12). Met inachtneming van de daarin opgenomen maatregelen zijn significant nadelige gevolgen voor het milieu door de invloed op natuurwaarden en biodiversiteit uitgesloten.

6.6 Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Aalsmeer gaat het met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen in de omgeving van het bedrijf. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG­tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10­6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties. Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen in werking getreden. Deze wet vervangt de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.

Het doel van Basisnet is om gevaarlijke stoffen te kunnen vervoeren tussen de belangrijkste industriële plaatsen in Nederland en in het buitenland en de risico's voor omwonenden langs de routes binnen de wettelijke grenzen te houden. Het systeem Basisnet heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over grote vaarwegen, spoorwegen en autowegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel.

Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 51 van 68

Relevantie plangebied Quickscan Externe Veiligheid Voor het plangebied is een quickscan Externe Veiligheid uitgevoerd door bureau Kragten (zie bijlage 13). Hieruit is gebleken dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgasleiding, route vervoer gevaarlijke stoffen, lpg­tankstation of een andere inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Binnen het plangebied is een risicovolle inrichting aanwezig, maar die wordt ten gevolge van de planvorming geamoveerd. Nader onderzoek naar het groepsrisico of plaatsgebonden risico is derhalve niet nodig. Niet gesprongen explosieven (NGE) In de gemeente Aalsmeer hebben verschillende oorlogshandelingen plaatsgevonden, waaronder diverse bombardementen, de aanleg van verdedigingswerken en mijnenvelden en het dumpen van munitie. Enkele oorlogshandelingen hebben geleid tot het afbakenen van NGE­risicogebieden waarbinnen een verhoogd risico geldt door mogelijke aanwezigheid van NGE in de bodem. Uit de ‘NGE­Risicokaart Aalsmeer’ blijkt dat een deel van het plangebied verdacht is op de aanwezigheid van afwerpmunitie, in het bijzonder 1000 lbs GP vliegtuigbommen. Daarom is door het bureau Bodac een 'Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten' uitgevoerd (zie bijlage 14).

Uit deze analyse komt naar voren dat voor een deel van het plangebied, waar zich het op afwerpmunitie verdachte gebied bevindt, opsporingswerkzaamheden noodzakelijk zijn tot een diepte van 12.50 meter minus maaiveld.

Figuur 14: verdacht gebied, blauw gearceerd

In de regels van het bestemmingsplan is geborgd dat, voordat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden afgegeven, de opsporingswerkzaamheden worden uitgevoerd.

Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 52 van 68

Het aspect externe veiligheid staat derhalved niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.

6.7 Geluid Wet geluidhinder De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag, voor spoor­ en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen, in de Wet geluidhinder en voor vliegverkeerlawaai in de Wet luchtvaart en het bijbehorende Luchthavenindelingbesluit. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon­ en leefklimaat. In de Wet geluidhinder zijn voorkeursgrenswaarden vastgesteld. Als daar niet aan voldaan kan worden, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen. De gemeenteraad van Aalsmeer heeft de "Deelnota Hogere Waarden" vastgesteld. In deze nota is de procedure uitgewerkt om de hogere waardenprocedure te doorlopen. In het hogere waardenbeleid is een aantal aspecten opgenomen die bij de afweging van een hogere waarde een rol speelt. Deze aspecten zijn: 1. het heersende geluidsniveau; 2. het toetsingskader om af te wijken van het heersende geluidsniveau; 3. cumulatie en compensatie. Industrie algemeen Voor de kleinere bedrijfsterreinen waarvoor zonering niet verplicht is geven de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (VROM 1998) en de VNG­uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', richtlijnen over de wijze waarop met het aspect geluid in bestemmingsplannen moet worden omgegaan.

De Handreiking geeft onder meer, ter voorkoming van geluidshinder bij geluidgevoelige bestemmingen, streefwaarden. Voor de grote industrieterreinen, spoor­ en verkeerswegen is in de Wet geluidhinder (Wgh) een wettelijk kader ontwikkeld voor geluidzonering gekoppeld aan een systeem van grenswaarden. Wegverkeer Tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan moet inzicht worden gegeven in de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige bestemmingen die gesitueerd worden binnen de zone van een weg. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg zal ook de geluidbelasting veroorzaakt door verkeer op de nieuwe weg op de bestaande geluidgevoelige bestemmingen in beeld moeten worden gebracht. Luchtverkeer Bij de ingebruikname van de vijfde baan van Schiphol (Polderbaan) op 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit (Lib) in werking getreden. Hiermee zijn nieuwe beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. Naast het luchthavengebied is een beperkingengebied aangegeven. In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat om o.a. een geluidsloopzone en een beperkingen geluidzone. Deze bepalingen moeten in de bestemmingsplannen worden verwerkt. Gemeentelijk geluidbeleid De gemeente Aalsmeer hanteert de ‘Deelnota Hogere Waarden – Beleidsnota geluid’.

Hierin is vastgelegd dat het heersende geluidsniveau in beginsel behouden dient te worden. Bij nieuwe situaties is echter geen sprake van een heersend geluidsniveau. Ten aanzien van de gecumuleerde geluidsbelasting is aangegeven dat een afweging dient plaats te vinden, alvorens een hogere waarde wordt vastgesteld. Bij deze beoordeling wordt een gecumuleerde geluidsbelasting geaccepteerd van de ten hoogst te verlenen hogere waarde +3 dB en dienen compenserende factoren beschouwd te worden.

Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 53 van 68

Relevantie plangebied Het bestemmingsplan maakt, behalve het IKC, geen nieuwe geluidbronnen mogelijk. Wel worden nieuwe geluidgevoelige objecten (woningen en school) aan het plangebied toegevoegd. Ten aanzien van dit aspect is specifiek akoestisch onderzoek verricht, zie bijlage 15, bureau Kragten, rapportnr.: 20230516­RSD002­RAP­AKO­4.0, d.d. 16 mei 2023. Uit dit onderzoek blijkt het volgende. Industrielawaai Het plangebied ligt binnen de geluidzone van het industrieterrein Schiphol­Oost.

Figuur 15: ligging gezoneerd industrieterrein Schiphol en geluidzone

De geluidbelasting vanwege het industrieterrein Schiphol­Oost wordt bepaald door het proefdraaien van vliegtuigmotoren op verschillende locaties op het Schiphol terrein. Het proefdraaien vindt niet alleen in de dagperiode plaats maar ook in de avond­ en nachtperiode. Voor de nachtperiode gelden een aantal beperkende voorwaarden, waardoor het aantal proefdraaisessies op hoog vermogen nadrukkelijk is beperkt. Het geluid van proefdraaien wordt gekenmerkt door het optreden van hogere geluidniveaus tijdens het proefdraaien op maximaal vermogen. Het plangebied ligt buiten de 55 dB(A) contouren, zoals die zijn vastgelegd in de verschillende vergunningen voor het proefdraaien van vliegtuigen op Schiphol. Via een hogere waarde procedure kan onder voorwaarden ontheffing worden verleend tot een maximum van 55 dB(A). De geluidbelasting binnen het plan bedraagt, afhankelijk van de locatie, minimaal 51 dB(A) en maximaal 53 dB(A) etmaalwaarde. Voor het het gehele plangebied wordt een hogere grenswaarde vastgesteld van 53 dB(A). Bij het vaststellen van deze hogere waarde moeten de woningen en het schoolgebouw wel altijd aan het binnenniveau van 35 dB(A) voldoen. Door de in het Bouwbesluit voorgeschreven standaard geluidisolatie van 20 dB is dit het geval.

Wegverkeerslawaai Legmeerdijk (50km/uur) De geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de Legmeerdijk bedraagt ter plaatse van met name de 1e­lijnsbebouwing (zowel woningen als appartementen) aan deze weg meer dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 59 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Op noordgevels van de woningen en appartementen, alsmede ter plaatse van de overige woningen en appartementen en de gereserveerde gronden voor het IKC in het plangebied wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden.

Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 54 van 68

Mogelijk te treffen maatregelen die de geluidsbelasting kunnen reduceren (tot de voorkeursgrenswaarde) zijn onderzocht. Deze zijn onvoldoende doeltreffend en/of stuiten op overwegende bezwaren. Aalsmeerderweg (50 km/uur) De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Aalsmeerderweg bedraagt ter plaatse van de twee woningen nabij de toegangsweg tot het plangebied en de 1e­lijnsbebouwing (met name op de verdiepingen van de woningen) ten zuiden van de Aalsmeerderweg meer dan de voorkeursgrenswaarde an 48 dB. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 57 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Op de zuidgevels van de woningen en op de begane grond van de 1e­ lijnsbebouwing, alsmede ter plaatse van de overige woningen en de appartementen en de gereserveerde gronden voor het IKC in het plangebied wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. Mogelijk te treffen maatregelen die de geluidsbelasting kunnen reduceren (tot de voorkeursgrenswaarde) zijn onderzocht. Deze zijn, met uitzondering van het toepassen van een stille wegdekverharding, onvoldoende doeltreffend en/of stuiten op overwegende bezwaren. Marshallsingel De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Marshallsingel bedraagt ter plaatse van alle woningen niet meer dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 43 dB.

30 km/uur­wegen In het kader van een goede ruimtelijke ordening en op grond van het gemeentelijke geluidbeleid zijn tevens de geluidbelastingen vanwege de nabijgelegen 30 km/uur­wegen en de gecumuleerde geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai inzichtelijk gemaakt. De geluidbelastingen ten gevolge van de 30 km/uur­wegen bedraagt ter plaatse van woningen nabij de toegangswegen die aansluiten op de bestaande wegenstructuur tot circa 51 dB. De voorkeursgrenswaarde (die enkel voor gezoneerde wegen van toepassing is) wordt overschreden. Op de gevels die niet georiënteerd zijn op de toegangswegen, de woningen die niet direct aan deze wegen zijn gelegen en ter plaatse van de gereserveerde gronden voor het IKC bedraagt de geluidbelasting niet meer dan 48 dB. Vanwege wegverkeer is geen sprake van relevante cumulatie. De woningen waarop geluidbelastingen van meer dan de voorkeursgrenswaarde optreden, zijn niet gelegen in de zone c.q. nabijheid van beide wegen. De gecumuleerde geluidbelasting (exclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder) bedraagt maximaal 63 dB). Luchtvaartlawaai Het plangebied is niet gelegen binnen het afwegingsgebied voor geluid en externe veiligheid (LIB 5), noch binnen het beperkingsgebied voor geluidsgevoelige gebouwen (LIB 4) op grond van bijlage 3 van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol.

Er zijn vanuit akoestisch oogpunt geen planologische beperkingen van kracht. De geluidbelasting ten gevolge van de luchthaven bedraagt daarnaast ook ruim minder dan de cumulatieve geluidbelasting van 65dB ten gevolge van wegverkeer en industrie. Het luchtvaartlawaai heeft dan ook geen relevante invloed op de berekende cumulatieve geluidbelasting en derhalve ook niet op de akoestische leefkwaliteit. Geluidbeleid en hogere waarden Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 55 van 68

Na afweging van de aspecten uit de gemeentelijke Deelnota Hogere Waarden is besloten om voor de betreffende woningen hogere waarden vast te stellen. Dit zowel vanwege verkeer op de Aalsmeerderweg en de Legmeerdijk, alsmede het gezoneerd industrieterrein Schiphol­Oost. Hierbij wordt aangegeven dat voldaan wordt c.q. kan worden aan ontheffingscriterium uit het geluidbeleid van de gemeente Aalsmeer ten aanzien van cumulatie en compensatie. Uit een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels zal moeten blijken of de karakteristieke geluidwering van de gevels (GA;k) voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012. Bij het bepalen van de vereiste gevelgeluidwering dient rekening gehouden met de geluidbelasting exclusief (5 dB) aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder. De maatgevende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai (exclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder) ter plaatse van de relevante woningen bedragen maximaal 62 dB (ter plaatse van woningen nabij de Aalsmeerderweg) en maximaal 64 dB (ter plaatse van woningen en appartementen nabij de Legmeerdijk). Uitgaande van deze geluidbelasting dient te worden voldaan aan een geluidwering van minimaal 29 dB(A) en 31 dB(A) voor de betreffende (gevels van de) woningen en appartementen aan c.q. nabij respectievelijk de Aalsmeerderweg en de Legmeerdijk.

In de regels van het bestemmingsplan is geborgd dat bij de aanvraag om afgifte van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt getoetst of aan deze norm wordt voldaan. Het besluit tot vaststelling van de benodigde hogere grenswaarden is bij deze toelichting opgenomen als bijlage 16. Het aspect geluid staat derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.

6.8 Kabels en leidingen

In de 'Notitie K&L inventarisatie knelpunten' is door bureau Kragten een analyse opgesteld van bestaande kabels en leidingen die betrokken zijn bij de ontwikkeling van het plangebied (zie bijlage 17) In de ondergrond van het plan liggen diverse kabels en leidingen. Het betreft voornamelijk huisaansluitingen van KPN, Liander, Stedin Netbeheer, PWN Waterleidingbedrijf Noord­Holland en het gemeentelijk riool die deels verlegd, verwijderd of beschermd moeten worden. De ligging hiervan is thans voldoende bekend. Planologisch beschermde kabels of leidingen zijn niet aanwezig en worden ook niet aangelegd.

6.9 Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: <0000> er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; <0000> een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; <0000> een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; <0000> een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als

Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 56 van 68

onderbouwing bij plannen voor de NSL­projecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen. Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: <0000> de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3; <0000> voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; <0000> de 24­uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); <0000> voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, zijn ook grenswaarden vastgesteld. Deze zijn niet strenger dan de huidige norm voor daggemiddelde concentraties van PM10. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' ­ zoals een school of kinderopvang ­ in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10.

Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig. Volksgezondheid Ultrafijnstof zijn zeer kleine deeltjes die in de lucht zweven, afkomstig van verbrandingsprocessen in met name de industrie, de luchtvaart en het verkeer. Ultrafijnstof is een benaming voor deeltjes in de lucht met een diameter kleiner dan 100 nanometer (0,1 micrometer). Ultrafijnstof wordt ook wel PM0,1 genoemd en is onderdeel van fijnstof, dat is gedefinieerd op basis van de massa (μg/m3) van in de lucht zwevende deeltjes met een diameter kleiner dan 2,5 micrometer (PM2,5) of kleiner dan 10 micrometer (PM10).

Op dit moment zijn er luchtkwaliteitsnormen voor fijnstof (PM10 en PM2.5). Voor ultrafijnstof is dit niet het geval. Vergeleken met andere componenten van luchtverontreiniging is er nog weinig bekend over de gezondheidsaspecten van blootstelling van mensen aan ultrafijnstof. Wel is duidelijk dat de ultrafijnstofconcentratie sterk is verhoogd in de buurt van verbrandingsemissies. Naast wegverkeer en vliegverkeer dragen onder andere de scheepvaart, de industrie, mobiele werktuigen (zoals aggregaten en graafmachines) en houtverbranding bij aan de uitstoot van ultrafijnstof. Uit onder meer een RIVM­rapport getiteld ‘Gezondheidseffecten van ultrafijnstof van vliegverkeer rond Schiphol’ uit 2022 volgt dat er in de nabijheid van Schiphol (waaronder Aalsmeer) relatief hoge concentraties ultrafijnstof worden gemeten. Uit dit en ander onderzoek blijkt verder dat er indicaties zijn voor volksgezondheidseffecten als gevolg van ultrafijnstof. Nader onderzoek is evenwel noodzakelijk om met meer zekerheid te Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 57 van 68

kunnen vaststellen of een bepaald effect wel of niet direct het gevolg is van blootstelling aan ultrafijnstof. Er zijn door onder meer de minister en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat reeds brongerichte maatregelen getroffen en in voorbereiding om de uitstoot van ultrafijnstof te beperken. Mogelijke volksgezondheidseffecten moeten met het oog op een goede ruimtelijke ordening worden meegewogen bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Voor zover de effecten onzeker zijn, en nader onderzoek nodig is, mogen bestuursorganen ertoe besluiten om uit voorzorg bepaalde ontwikkelingen niet toe te staan. Het beoordelen van een voor de maatschappij al dan niet aanvaardbaar risico is primair een bestuurlijke taak. Deze beleidsruimte geeft bestuursorganen de ruimte om vanwege mogelijke gezondheidsrisco’s van een activiteit, uit voorzorg die activiteit planologisch niet toe te laten. Er zijn geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de gezondheidseffecten als gevolg van ultrafijnstof. Voor ultrafijnstof’ zijn in de wet­ en regelgeving (bijlage 2 van de Wet milieubeheer) geen aparte grenswaarden opgenomen. Daarnaast zijn er geen (gezondheidskundige) advieswaarden beschikbaar. Zie in bevestigende zin (onder meer): <0000> Brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d.

1 juli 2022, ‘Onderzoek naar het halen in 2030 van de WHO­advieswaarden voor luchtkwaliteit’, p. 4; <0000> Brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 17 februari 2022, ‘Feitelijke vragen advies Gezondheidsraad ultra fijnstof’, antwoorden 12 en 13; <0000> RIVM, ‘Gezondheidseffecten van ultrafijn stof van vliegverkeer rond Schiphol,’ 2022, p. 25; <0000> Gezondheidsraad, ‘Blootstelling aan ultrafijnstof’, nr. 2021/38­A2, Den Haag, 15 september 2021, p. 4 en 7; <0000> RIVM, ‘Onderzoek naar de gezondheidseffecten van kortdurende blootstelling aan ultrafijn stof rond Schiphol’, 2019, p. 38; <0000> RIVM, ‘Metingen en berekeningen van ultrafijn stof van vliegverkeer rond Schiphol. Voor onderzoek naar de gezondheid van omwonenden’, 2019, p. 25. Relevantie plangebied Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: <0000> de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; <0000> de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM­project ; <0000> de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; <0000> projectsaldering kan worden toegepast. Op de toetsing van de bijdrage van het voorgenomen project aan de luchtkwaliteit zijn de regels uit het Besluit NIBM en Regeling NIBM van toepassing.

De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging. De effecten van NIBM­projecten zijn betrokken bij de berekening van de trendmatige ontwikkeling van de achtergrondconcentraties in Nederland. Wanneer een project NIBM is, kan worden geconcludeerd dat nader onderzoek naar de effecten op de luchtkwaliteit niet nodig is. Voorschrift 3A.2 uit de Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuwe woningbouwlocatie in ieder geval NIBM is. Voor woningbouwlocaties is dit ≤1.500 met één ontsluitingsweg en ≤ 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen. Het voorgenomen project blijft ruim onder deze grens en draagt dus maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bij aan de huidige concentraties fijnstof of stikstofdioxide. Uit de Monitoringstool NSL blijkt dat de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) in 2020 langs wegen nabij het plangebied tussen 15,5 en 17,5 µg/m³ lag en de jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) tussen de 15 en 16,5 µg/m³. De Europese grenswaarde voor beide stoffen is 40 µg/m³. Aangezien het project NIBM bijdraagt aan Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 58 van 68

de luchtkwaliteit en de concentraties nog verder afnemen naarmate een locatie verder van de weg ligt krijgen de huidige en toekomstige bewoners niet te maken met een slechte(re) luchtkwaliteit. Ten aanzien van het Besluit gevoelige bestemmingen wordt opgemerkt dat de nieuwe school op een (veel) grotere afstand dan 50 meter van de Legmeerdijk (N231) is voorzien. Wat betreft de mogelijke volksgezondheidseffecten als gevolg van ultrafijnstof, het volgende. Alles overziend – bij de huidige stand van zaken in de wetenschap en bij gebreke van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten – is er geen aanleiding om louter uit voorzorg vanwege het aspect ultrafijnstof, de ontwikkelingen die het plan beoogt mogelijk te maken, planologisch niet toe te laten in het plangebied. Volksgezondheid en eventuele in dat verband te nemen maatregelen (uit voorzorg) is een mee te wegen belang bij de besluitvorming, maar het belang van de ontwikkelingen die dit plan mogelijk maakt weegt in dit geval zwaarder. Daarbij wordt betrokken dat wordt voldaan aan de relevante normstelling voor fijnstof en dat eventueel te treffen maatregelen met name brongerichte maatregelen betreffen waarop de gemeente Aalsmeer en/of initiatiefnemers geen of beperkte invloed hebben.

Met dit plan wordt voorzien in een lokale behoefte en zoals reeds opgemerkt in paragraaf 5.2.3 van de plantoelichting is dit een van de laatst mogelijke uitbreidingslocaties binnen Aalsmeer. Een andere locatie – die mogelijk minder gevolgen ondervindt van ultrafijnstof – is niet mogelijk om deze lokale behoefte in te vullen. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgestane ontwikkeling voldoet aan de luchtkwaliteitseisen zoals gesteld in de Wet milieubeheer. Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

6.10 Verkeer en parkeren 6.10.1 Verkeer Dit bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van het gebied naar een nieuwe woonwijk. Er worden verkeersaantrekkende functies aan het plangebied toegevoegd en ook wordt er voorzien in een toename van het aantal parkeerplaatsen. Deze ontwikkelingen hebben effect op de verkeerssituatie van de omliggende wegen. De Legmeerdijk en de Aalsmeerderweg worden, gelet op de verkeerintensiteiten, gezien als gebiedsontsluitingswegen met een capaciteit van respectievelijk 20.000 mvt/etmaal en 15.000 mvt/etmaal. De nieuwe woonwijk, Oosteindedriehoek, zal aansluiten op deze gebiedsontsluitingwegen en zal een verhoging van de verkeerintensiteiten op deze wegen tot gevolg hebben. In april 2023 heeft Goudappel in aanvulling op diverse verkeerskundige (ontsluitings)onderzoeken een verkeerskundige analyse voor het plan uitgevoerd. Het plangebied sluit aan de ene zijde aan op de Aalsmeerderweg voor al het verkeer, waar fietsers via een aangrenzend vrijligggend fietspad de weg kunnen vervolgen langs de Aalsmeerderweg. Het plangebied ontsluit aan de andere zijde op de Legmeerdijk, waar al het verkeer een aansluiting krijgt op de bestaande, verkeerslichten geregelde, kruising op de Legmeerdijk/Marshallsingel.

Op dit moment ligt er voor het langzame verkeer langs de Legmeerdijk een vrijliggend fietspad en zijn er op meerdere locaties langs de Legmeerdijk oversteeklocaties voorzien met opstelruimte, zodat het langzame verkeer in twee keer kan oversteken. Ter hoogte van de Jane Adamslaan/Snoekbaarsstraat kan het langzaam verkeer via een rotonde, waar fietsers in de voorrang zitten, op een veilige en snelle manier oversteken. Het kruispunt Legmeerdijk/Marshallsingelwordt omgevormd van een kruispunt met een verkeersregelinstallatie naar een rotonde, waarbij fietsers en voetgangers voorrang

Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 59 van 68

krijgen op al het verkeer. Dit verbetert de oversteekbaarheid van de Legmeerdijk voor fietsers en voetgangers. De rotonde wordt vergelijkbaar ingericht met de rotonde op de Jane Adamslaan/Legmeerdijk/Snoekbaarsstraat, waardoor de Legmeerdijk een herkenbare inrichting krijgt, wat de verkeersveiligheid ten goede komt. In de eerste fase van de bouw worden 256 woningen en een IKC gerealiseerd in buurt 1. Aan het einde van deze fase wordt de hoofdontsluiting op de Legmeerdijk (N231) gerealiseerd. Dit betekent dat de eerste fase volledig op de Aalsmeerderweg wordt ontsloten. In het rapport 'Notitie ontsluiting Oosteinderdriehoek fase 1' (zie bijlage 18) heeft Goudappel BV geconcludeerd dat de ontwikkeling van de eerste fase goed inpasbaar is met een enkele aansluiting op de Aalsmeerderweg. Het creëren van deze nieuwe aansluiting heeft geen negatieve impact op de doorgaande verkeersafwikkeling. In de regels van het bestemmingsplan is geborgd dat, voordat omgevingsvergunningen voor de bouw van meer woningen kunnen worden verleend, de hoofdontsluiting in de vorm van een rotonde op de Legmeerdijk moet zijn aangelegd en in gebruik moet zijn genomen. De omliggende wegen van het plangebied kunnen het verkeer autonoom en met toename van verkeer door Oosteindedriehoek goed afwikkelen binnen de grenswaarden voor de wegtypes.

Voor de wegen Beneluxbaan, Legmeerdijk en Snoekbaarsstraat is een extra analyse gedaan middels een wegenscan, omdat daar de grenswaarden worden overschreden. Uit de aanvullende analyse komt naar voren dat met name de Snoekbaarsstraat een aandachtspunt is qua verkeersveiligheid, zowel autonoom als met planeffect. Dit effect lijkt vooral op te treden door de vertraging op de Legmeerdijk, waardoor verkeer alternatieve routes gaat zoeken. In het kader van studie Zuidlob zal de gemeente een integraal onderzoek doen naar de Legmeerdijk, waar dit effect in meegenomen moet worden. Doel is namelijk niet om dit verkeer goed te faciliteren op de Snoekbaarsstraat, maar te voorkomen dat sluipverkeer hier plaatsvindt. De Legmeerdijk heeft een hogere grenswaarde doordat er een vrijliggend fietspad aanwezig is en valt daarmee binnen de grenswaarde. De Beneluxbaan valt ook buiten de grenswaarde. D aar is echter geen langzaam verkeer in het profiel aanwezig en zijn de oversteken geregeld. De verkeersveiligheid en doorstroming worden daarom bepaald op de omliggende kruispunten. De ontsluiting van de Oosteindedriehoek op de Aalsmeerderweg (voorrangskruispunt) heeft een goede verkeersafwikkeling. De rotonde­ontsluiting op de Legmeerdijk/Marshallsingel krijgt een matige verkeersafwikkeling op de zuidwesttak van de rotonde, vanwege de fietsoversteek.

De omliggende VRI’s op de Legmeerdijk met de Aalsmeerderweg en Beneluxbaan zullen naar waarschijnlijkheid een knelpunt zijn. Tot slot is de Legmeerdijk/Jane Addamslaan in autonome situatie overbelast en neemt dit door de planbijdrage van de Oosteindedriehoek toe. Ook de kruispuntafwikkeling wordt in het integraal onderzoek van de Zuidlob meegenomen. In de Metropoolregio Amsterdam (MRA) is de ambitie uitgesproken om tot 2040 circa 250.000 nieuwe woningen te realiseren en vele hectares nieuwe werkruimte te creëren. Ook Aalsmeer gaat, weliswaar minder snel dan groeigemeenten in de MRA, groeien qua inwoners en arbeidsplaatsen. Dit leidt tot allerlei vragen over de bereikbaarheid van Aalsmeer. Er komen ook nieuwe mobiliteitsontwikkelingen op Aalsmeer en de regio af. Er worden steeds meer elektrische fietsen en auto’s verkocht, er zijn experimenten met deelmobiliteit, de logistiek wordt slimmer en digitaal en er wordt steeds meer naar de totale mobiliteit gekeken. Op basis van de verschillende ontwikkelingen heeft de gemeente Aalsmeer op 27 januari 2022 de mobiliteitsagenda vastgesteld. Hierin zijn acties geformuleerd en wordt met name vanuit een regionale blik naar de ontwikkeling van alle modaliteiten gekeken.

Bij deze aanpak wordt de rol van de (e­)fiets verstrekt, de lokale bereikbaarheid met openbaar vervoer versterkt, automobilisten worden verleid om spitsdrukte te vermijden en we werken aan slimmer, efficiënter en schoner vrachtvervoer. Daarnaast is het doel om Aalsmeer veilig en toegankelijk te houden en zetten we in op innovatieve en duurzame bereikbaarheid. Deze aanpak moet er toe Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 60 van 68

leiden dat we het profiel van de bereikbaarheid van Aalsmeer en haar directe omgeving in 2040 zo beïnvloeden dat de capaciteit van het wegennet lokaal en in de regio grotendeels nog volstaat. Er wordt dus niet ingezet op grootschalige uitbreiding van de infrastructuur in Aalsmeer, maar op versterking van de modaliteiten fiets en Openbaar Vervoer en beïnvloeding van gedrag. In de Zuidlob onder Amsterdam wordt met de provincie Noord­Holland, vervoerregio Amsterdam en de gemeenten Amstelveen, Uithoorn, Ouderkerk aan de Amstel en Aalsmeer samengewerkt aan het verbeteren en optimaliseren van de mobiliteit. In de bereikbaarnheidsagenda van de Zuidlob staat dat bij alle ontwikkelingen wordt ingezet op een mobiliteitsprogramma van eisen (MPvE) en benadering via de STOMP werkwijze. STOMP staat voor Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, MaaS (Mobility as a Service, met o.a. deelmobiliteit) en Privé­auto. Bij het STOMP­principe geven we de S de meeste prioriteit, gevolgd door de T, de O, de M en dan pas de P. Zo vormt de mens het startpunt. In de Oosteindedriehoek wordt vooral ingezet om het gebruik van de e­fiets te stimuleren, waardoor het makkelijker wordt om de e­fiets te pakken in plaats van de auto, onder meer door het verbeteren van stallingsfaciliteiten bij appartementengebouwen. Het ontwerpen van de openbare ruimte zal zich richten op het stimuleren van beweging.

Dat betekent dat voetgangers, fietsers en mogelijk ook deelmobiliteit een meer centrale plek krijgen in het ontwerp. Daarnaast is de focus op het realiseren van enkele snelle maar veilige doorgaande fietsverbindingen, zowel in noord­zuid richting als in oost­west richting. In de Zuidlob staat het versterken van openbaar vervoer: Amsteltram, HOVASZ, de HOV route op de N231 en mobiliteitshubs hoog in het vaandel. Ook staat in de Zuidlob op de agenda het verstevigen van de OV verbinding Amstelveen Zuid­Schiphol en dat heeft ook een rol voor de Oosteindedriehoek. Dit zal op korte termijn nog niet realistisch zijn, omdat OV in zwaar weer is beland en nu het hoofd boven het water gehouden moet worden. Daarnaast is het wenselijk om buslijn 171 op te waarderen en wordt een haltevoorziening aan de Aalsmeerderweg gerealiseerd, nabij de ontsluiting van het gebied op de Aalsmeerderweg. Tenslotte staat geagendeerd dat er een integraal onderzoek zal gaan plaatsvinden naar (een visie op) het toekomstig functioneren van de provinciale wegen waar de vier Amstelland­gemeenten op aangehaakt zijn, waaronder de routes als de N231 en de N521. 6.10.2 Parkeren Het beleid van de gemeente Aalsmeer is erop gericht om in nieuwe woon­ en werkgebieden voldoende parkeerplaatsen aan te leggen.

Voor de toepassing van de parkeernormen in het plangebied wordt verwezen naar het, op het moment van vergunningverlening, vastgestelde beleid rondom parkeernormen (conform vastgesteld in de startnotitie). Voor nu betekent dit dat er wordt gekeken naar “Nota Parkeernormen Aalsmeer 2016”. De Nota Parkeernormen is gebaseerd op landelijke richtlijnen en wordt in de gehele gemeente gehanteerd. Door middel van een parkeerbalans wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid in het plangebied. Voor de geprojecteerde woningbouw in het plangebied gelden op basis van bruto vloeroppervlak de volgende parkeernormen:

Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 61 van 68

Tabel 2: parkeernormen woningen

Voor de overige voorzieningen in het gebied wordt verwezen naar het vastgestelde beleid rondom parkeernormen, de Nota Parkeernormen 2016, ook met betrekking tot normering voor fietsparkeerplaatsen. Er wordt gekeken naar het, op het moment van vergunningverlening, vigerende beleid omtrent parkeernormen. De planontwikkeling richt zich op de toekomst. Dit betekent dat duurzame mobiliteit door initiatiefnemers moet worden meegenomen in de planvorming. Laadpalen worden, daar waar mogelijk, bij woningen op eigen terrein gesitueerd. Het percentage openbare parkeerplaatsen dat wordt voorzien van een publieke oplaadpunt is 2%, waarbij 1 laadpaal is voorzien van 2 aansluitpunten. Ook wordt de mogelijkheid geboden om, indien dit middels een besluit van burgemeesters en wethouders is vastgesteld, deelmobiliteit toe te passen in buurten 2 en 3 van de planontwikkeling. De volgende richtlijnen worden hiervoor meegegeven: <0000> Eén deelauto staat equivalent voor 5 parkeerplaatsen; <0000> Van de totale parkeerbalans, kan een maximum van 5 procent worden toegeschreven naar deelmobiliteit. Een keuze voor deelmobiliteit in het plangebied moet worden onderbouwd en vastgesteld door B&W.

6.11 Vormvrije m.e.r-beoordeling

Het plan blijft, met maximaal 853 woningen en bijbehorende voorzieningen, ruim beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. (kolom 2­'gevallen' in de D­lijst). In categorie D11.2 is voor "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject", een drempelwaarde van 100 hectare of meer, of 2.000 of meer woningen opgenomen. Aangezien de diverse drempelwaarden niet worden overschreden, geldt voor dit plan geen m.e.r.­plicht, maar een vormvrije m.e.r.­beoordelingsplicht. Getoetst moet worden of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Deze vormvrije m.e.r.­beoordeling kan tot twee conclusies leiden: <0000> belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: een m.e.r.(­beoordeling) is niet noodzakelijk; <0000> belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(beoordeling) plaatsvinden. Toetsing Op 18 januari 2022 hebben burgemeester en wethouders besloten dat de ontwikkeling van Oosteindedriehoek niet leidt tot significant nadelige gevolgen voor het milieu. Dit besluit was gebaseerd op de aanmeldnotitie van 29 december 2021. Aan deze notitie liggen diverse (milieu)onderzoeken ten grondslag. Nu een aantal onderzoeken is geactualiseerd, is de aanmeldnotitie daarop aangepast.

Het eerdergenoemde besluit van 18 januari 2022 is daardoor gebaseerd op een achterhaalde aanmeldnotitie. Op 23 mei 2023 hebben burgemeester en wethouders daarom het besluit ingetrokken en een nieuw besluit (bijlage 21) genomen op basis van de geactualiseerde aanmeldnotitie (bijlage 20). Uit de beoordeling blijkt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden als gevolg van dit plan, waardoor een m.e.r.(beoordeling) niet noodzakelijk is. Het aspect m.e.r.­beoordeling vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

6.12 Water Beleid en regelgeving

Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek

pag 62 van 68

Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte. Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatste jaren ontwikkelt het grondwater zich tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Dit vormt een bijdrage aan de beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Efficiëntie van benutting is een van de redenen voor ruimtelijke ordening van de ondergrond. Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water leidt, samen met de dochterrichtlijn Grondwater tot een verbetering en bescherming van de kwaliteit van het oppervlakte­ en grondwater in de lidstaten. De Kaderrichtlijn voorziet in drie planperiodes. Momenteel is de 2e planperiode, de uitvoering van de 2e generatie stroomgebiedsbeheerplannen door alle lidstaten ter hand genomen. In 2022 start de 3e en laatste planperiode die in 2027 afloopt.

De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, hemelwaterverwerking, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijk beleid. Er worden in 2022 opnieuw voor de 3e en laatste planperiode, ecologische en fysisch­chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016­2021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009 – 2015. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016­2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=e3fd37d0-09aa-4f05-9157-e8608a41d7c8