Toelichting OED.pdf
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 27 van 68
<0000>
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegings proces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: <0000> Combineren boven enkelvoudig; <0000> Kenmerken & identiteit; <0000> Afwentelen voorkomen. Relevantie plangebied Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een NOVIgebied. Voorliggend plan voorziet in een nieuwe ruimtelijke kwaliteit op gedeeltelijk braakliggend terrein en draagt daarmee bij aan de woon en leefomgeving in Aalsmeer (sterke en gezonde steden en regio's).
5.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. Relevantie plangebied Bij de beoogde woningbouwontwikkeling zijn geen nationale belangen als beschreven in het Barro aan de orde. 5.2.3 Besluit ruimtelijke ordening In artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de toets aan de zogenoemde ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ (Laddertoets) verplicht gesteld. Dit artikel verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving op te nemen van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
De Laddertoets geldt dus alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. In artikel 1.1.1 lid 1 sub i Bro is een ‘stedelijke ontwikkeling’ gedefinieerd als “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling die een bestemmingsplan mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6 lid 2 Bro behelst, moet volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan. Ingevolge artikel 1.1.1 lid 1 sub h Bro wordt onder bestaand stedelijk gebied verstaan een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 28 van 68
voorzieningen, stedelijk groen en ten slotte infrastructuur. Volgens de Nota van toelichting bij het Bro hangt de beantwoording van de vraag of er sprake is van bestaand stedelijk gebied, af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Er dient volgens jurisprudentie te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt en of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Wanneer het voorgaande plan een zodanig samenstel van bebouwing mogelijk maakt, of het gebied als behorend bij zodanig bestaand stedenbouwkundig samenstel kan worden aangemerkt, ziet het nieuwe plan op een gebied dat als bestaand stedelijk gebied is aan te merken. Daaraan doet niet af dat de bebouwing waarin het voorgaande plan voorzag ten tijde van de vaststelling van het nieuwe plan nog niet was gerealiseerd. Relevantie plangebied De beoogde woningbouw en maatschappelijke voorzieningen vallen te kwalificeren als nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 en onder i Bro.
Kwantitatieve behoefte woningbouw In artikel 6.3 van de Omgevingsverordening (zie ook paragraaf 5.3.2) wordt bepaald dat een bestemmingsplan uitsluitend kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als deze ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Voor wat betreft de regionale afstemming is artikel 2 van de 'Uitvoeringsregeling regionale afspraken nieuwe stedelijke ontwikkelingen 2017' van toepassing. In de provinciale woningbouwmonitor plancapaciteit is het plangebied opgenomen als woningbouwlocatie met maximaal 1000 woningen. De locatie is bovendien door de Metropoolregio Amsterdam (MRA) opgenomen op de lijst van kansrijke locaties om te komen tot de beoogde versnelling van de woningbouwproductie in verband met de aanzienlijke opgave in de metropoolregio. Kwalitatieve behoefte woningbouw In de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020 (zie paragraaf 5.4.1) heeft de gemeente aangegeven wat betreft woningbouw de lijn van een beheerste bevolkingsgroei te volgen. Kwaliteit gaat voor kwantiteit. De centrale ambitie in de Woonagenda Aalsmeer 2020 (zie paragraaf 5.4.2) is in te willen spelen op de bestaande woonwensen en dat stelt de gemeente voor de opgave een grotere variatie in het woningaanbod te realiseren.
Uit de analyse blijkt dat, naast de blijvende grote vraag naar eengezinswoningen, zeker ook in specifieke woonbehoeften van jongeren, starters en ouderen moet worden voorzien. De sociale huurvoorraad vervult een belangrijke functie in het huisvesten van de aandachtsgroep. De gemeente ziet graag dat de omvang van de sociale huurvoorraad ook in de toekomst van voldoende omvang en kwaliteit moet zijn om de aandachtsgroep voldoende keuze te bieden. Voor de middeninkomens wordt ingezet op een betere bereikbaarheid van de koop en huuraanbod in het duurdere segment. De beoogde ontwikkeling van van het plangebied voorziet in appartementen, rijwoningen, tweeonderéénkap woningen en vrijstaande woningen. Een deel van de appartementen is bedoeld voor sociale huur. Ook de overige woningtypologie voorziet in een financieel divers aanbod. De voorgestane ontwikkeling van het plangebied voorziet in zowel een kwantitatieve als kwalitatieve behoefte. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Woningbouw buiten bestaand stedelijk gebied De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats buiten bestaand stedelijk gebied, nu het plangebied hoofdzakelijk een agrarische functie had ten behoeve van glastuinbouw en het op grond van het vorige plan ook niet als behorend bij een zodanig bestaand Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 29 van 68
stedenbouwkundig samenstel kan worden aangemerkt. Het plan wordt niet aan alle zijden planologisch gezien volledig omsloten door bestaand stedelijk gebied. Het vormt een van de laatst mogelijke uitbreidingslocaties binnen Aalsmeer.” Binnen Aalsmeer zijn verder geen woningbouwontwikkelingen van dit formaat meer mogelijk zonder dat dit ten koste gaat van andere stedelijke functies. De ontwikkeling sluit aan op het bestaande wegennet en in diverse visies, waaronder een op basis van de structuurvisie 'Gebiedsvisie Aalsmeer 2020' vastgestelde uitvoeringsparagraaf en uitvoeringagenda, is de locatie al benoemd als uitbreidingslocatie ten behoeve van woningbouw. Eveneens kan worden gewezen op de ‘Startnotitie Oosteindedriehoek deelgebied 1’ (vastgesteld door de raad d.d. 28 oktober 2021), de ‘Structuurvisie Landelijk Gebied Oost’ (vastgesteld door de raad d.d. 6 juli 2017) en het ‘Ruimtelijk Raamwerk AalsmeerOost’ (vastgesteld door de raad d.d. 28 maart 2019). Mede gezien de hierin genoemde gebiedskenmerken en de gewenste transformatie van het gebied is er geen locatie binnen het bestaand stedelijk gebied dat in de behoefte kan voorzien. Ook de kwantitatieve behoefte en kwalitatieve behoefte waar het plan in voorziet in samenhang genomen in dit plan, met een divers aanbod dat inspeelt op de bestaande woonwensen, is niet mogelijk te realiseren binnen bestaand stedelijk gebied.
Er kan bovendien niet in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Behoefte maatschappelijke voorzieningen Met de woningbouwontwikkeling in Oosteindedriehoek is spreiding van het basisonderwijs in AalsmeerOost van belang. Van de drie basisscholen, gehuisvest in schoolgebouw De Mikado aan CatharinaAmalialaan 66, gaat basisschool De Brug verhuizen naar de nieuwbouw in Oosteindedriehoek. In het voormalige schoolgebouw aan Machineweg 12 is kinderopvang Solidoe gehuisvest. Deze locatie maakt deel uit van een ontwikkellocatie in Greenpark. Voor beide instellingen is in het plangebied Oosteindedriehoek ruimtelijk rekening gehouden met de realisatie van een Integraal Kindcentrum (IKC) voor basisschool De Brug en kinderopvang Solidoe. Tevens komt in het IKC ruimte beschikbaar voor multifunctionele doeleinden. Voor het bewegingsonderwijs en het sporten in verenigingsverband wordt een sportzaal aan het gebouw toegevoegd.
5.2.4 Luchthavenindelingbesluit Schiphol (2002)
Het oorspronkelijke Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) stamt uit 2002, en is op 31 augustus 2004 gewijzigd in werking getreden. Het LIB is een Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB), die gebaseerd is op artikel 8.4 van de Wet luchtvaart. Met het LIB wordt in kaartmateriaal een zogenaamd beperkingengebied vastgesteld. Het LIB bevat voor dat beperkingengebied regels waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bebouwing en het gebruik van gronden, voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidsbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven Schiphol. Per 4 november 2015 is een wijziging van het Luchthavenindelingbesluit (LIB) in werking getreden. Doel van deze wijziging is om de vliegveiligheid rondom Schiphol in afdoende mate te borgen. Hiervoor zijn de zogenaamde toetshoogtes in de omgeving van Schiphol aanzienlijk verlaagd. Bestemmingsplannen dienen deze verlaagde toetshoogtes in acht te nemen. Gebouwen hoger dan de toetshoogtes kunnen alleen worden toegestaan, indien het Rijk hiervoor een verklaring van geen bezwaar (vvgb) heeft afgegeven of een positief radar advies heeft afgegeven. Het instrument "radar advies" is een nieuw instrument naast het reeds bestaande vvgb. Voor de radartoets gelden afzonderlijke toetshoogtes; deze zijn opgenomen in een nieuwe kaart in bijlage 4a bij het LIB.
De procedures voor een vvgb en een radaradvies gelden allebei afzonderlijk van elkaar, maar kunnen ook samenvallen wanneer verschillende toetsvlakken worden doorsneden. De genoemde beperkingen betreffen:
Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 30 van 68
<0000> <0000> <0000> <0000>
de bestemming en het gebruik van grond in verband met het externeveiligheidsrisico vanwege het luchthavenverkeer; de bestemming en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer; de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer; een bestemming die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer.
Bij de eerste twee van de bovengenoemde typen beperkingen zijn in ieder geval gronden aangewezen die niet gebruikt dan wel bebouwd mogen worden ten behoeve van woningen, of andere in het besluit aangewezen gebouwen. Op 1 januari 2018 is het LIB gewijzigd in werking getreden. De regelwijziging ziet op een eigen bevoegdheid voor het lokaal bestuur om binnen bestaand stedelijk gebied woningen toe te voegen. In het gebied binnen zone 4 blijft de grens van 25 woningen per bouwplan gehandhaafd en mogen bestaande geluidgevoelige gebouwen vervangen worden door een nieuw geluidgevoelig gebouw. In het bestaand stedelijk gebied tussen de grens van zone 4 en de 20 Kecontour gelden nu en ook onder het regime van het nieuwe LIB geen kwantitatieve beperkingen aan woningbouw. Relevantie plangebied Het voorliggende plan valt niet binnen het beperkingengebied van het LIB, maar aan maximaal toegelaten bouwhoogten zijn grenzen gesteld. Op grond van artikel 2.2.2, eerste lid (maatgevende toetshoogte) en artikel 2.2.2a (maatgevende toetshoogte radar) van het LIB zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaarten in bijlage 4 en 4a bij het besluit geen objecten toegestaan die hoger zijn dan de op de kaarten aangegeven maximale waarden. De hoogtes zijn gerelateerd aan het N.A.P. In het kader van het LIB geldt hier een toets bouwhoogte oplopend van 21 meter tot 41 meter.
Voor de toetshoogte radar geldt een hoogte van 33 meter tot 36 meter. In onderhavig bestemmingsplan worden geen bouwhoogtes toegestaan die boven de maximale hoogtes van het LIB uitkomen. Tenslotte ligt het plangebied binnen de zone waar geen nieuwe vogelaantrekkende functies (zoals viskwekerijen) zijn toegestaan (artikel 2.2.3 van het LIB). Het bestemmingsplan maakt dergelijke functies niet mogelijk.
5.3 Provinciaal en regionaal beleid 5.3.1 Omgevingsvisie NH2050 De "Omgevingsvisie NH2050 Balans tussen economische groei en leefbaarheid" is op 19 november 2018 door Provinciale Staten van NoordHolland vastgesteld en is een structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening. In de Omgevingsvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en heeft zij tevens aangegeven hoe zij deze visie denkt te zullen realiseren. Het uitgangspunt van de omgevingsvisie is dat NoordHolland een relatief hoog welvaarts en welzijnsniveau heeft. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. In de omgevingsvisie worden ambities genoemd op het gebied van de leefomgeving, het gebruik van de leefomgeving en de energietransitie. De ambities ten aanzien van de leefomgeving luiden als volgt. Een klimaatbestendig en waterrobuust NoordHolland. In het kader van gezondheid en veiligheid, het behouden
Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 31 van 68
en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het vergroten van de biodiversiteit van NoordHolland. Voor het gebruik van de leefomgeving gelden de volgende ambities. Een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor, daardoor is er ruimte voor ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Verder wil de provincie vraag en aanbod van woon en werklocaties beter afstemmen (kwantitatief en kwalitatief). Daarbij moet woningbouw, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends, vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden worden gepland. Duurzaamheid van de totale woningvoorraad is het uitgangspunt. De derde ambitie binnen deze categorie is het effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen van inwoners, bedrijven en producten van NoordHolland, waarbij negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk worden meegewogen. Als laatste geldt het behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Voor energietransitie is de overkoepelende ambitie dat NoordHolland in 2050 volledig klimaatneutraal is en gebaseerd op hernieuwbare energie. Daarom is er ruimte voor de noodzakelijke energietransitie en daarvoor benodigde infrastructuur.
Dit alles rekening houdende met de ambities voor verstedelijking en landschap. Relevantie plangebied Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. Het gaat om een nieuwe woonwijk die aansluit op bestaand verstedelijkt gebied, waarbij veel aandacht is voor water en groen. Daarmee sluit het plan aan bij de ambities klimaatbestendig en waterrobuust NoordHolland en de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. 5.3.2 Omgevingsverordening NH 2020 De provincie heeft, voor de doorwerking van het in de structuurvisie vastgelegde beleid, diverse juridische instrumenten tot haar beschikking waaronder een provinciale ruimtelijke verordening. In deze Omgevingsverordening NH2020 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. De Omgevingsverordening NH2020 geldt vanaf 17 november 2020. Door middel van de Omgevingsverordening is de doorwerking naar gemeentelijke bestemmingsplannen geregeld. In de verordening is het provinciale beleid in regels vertaald. Relevantie plangebied De omgevingsverordening is t.a.v. de voorgestane planontwikkeling op de volgende onderdelen relevant.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling In artikel 6.3 van de Omgevingsverordening wordt bepaald dat een bestemmingsplan uitsluitend kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als deze ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Zoals is gebleken uit paragraaf 5.2.3, is de onderhavige ontwikkeling te zien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, die voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Werkingsgbied Landelijk gebied (artikel 6.59 lid 2 Omgevingsverordening NH2020) De ruimtelijke kwaliteitseis uit artikel 6.59 van de Omgevingsverordening regelt de juridische doorwerking van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Dit artikel vormt daarmee de opvolger van artikel 15 van de Provinciale Ruimtelijke verordening juni 2019 (hierna: PRV). Bij omzetting van de PRV in de Omgevingsverordening heeft de provincie geen verzwaring van de ruimtelijke kwaliteitseisen beoogd. De Leidraad uit 2018 is bij vaststelling van de Omgevingsverordening zelf ook niet gewijzigd. Leidraad Landschap en cultuurhistorie
Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 32 van 68
Voor het plangebied is het ensemble AalsmeerUithoorn en de provinciale structuren (Bebouwings) linten en Stelling van Amsterdam van toepassing. Het ensemble bevat een complex samenstel van droogmakerijenlandschap en veenpolderlandschap met plassen, ontginningslinten en restanten van het voormalige veenontginningslandschap (veenbovenlanden). Als gevolg van de nabijheid van Schiphol ontwikkelde zich rondom de bloemenveiling van Aalsmeer een ‘landschap’ van kassen en logistieke bedrijvigheid. De as Amsterdamse BosWesteinderplassen verbindt Amsterdam met het Groene Hart. De provinciale weg N201 loopt dwars door het ensemble, evenals de Stelling van Amsterdam. De algemene ambitie volgens de Leidraad voor dit ensemble is om ruimtelijke ontwikkelingen: <0000> bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek; <0000> bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. Deze ambities en de bijbehorende ontwikkelprincipes zijn vertrekpunt bij het streven naar ruimtelijke kwaliteit. Artikel 6.59 van de Omgevingsverordening bepaalt tevens dat GS de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) om advies kunnen vragen inzake de locatieafweging of de ruimtelijke inpassing. Op 31 augustus 2021 is in dat kader het plan in de ARO behandeld.
Het verslag daarvan is opgenomen in bijlage 3. De ARO geeft aan zich in hoofdlijnen in de opzet van het stedenbouwkundige plan te kunnen vinden en geeft daarbij adviezen die de kwaliteit van het plan verder kunnen verbeteren. Een aantal van deze adviezen wordt meegenomen bij de inrichting van het gebied. Uit voorgaande blijkt dat de Omgevingsverordening de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat. 5.3.3 Woonagenda 2020-2025 In april 2020 is de Woonagenda provincie NoordHolland 20202025 vastgesteld. Doelstelling van de woonagenda is dat de provincie NoordHolland wil zorgen voor voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen. De speerpunten van het provinciale woonbeleid zijn een woning voor iedereen, productie op peil: aanjagen woningbouwproductie, gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen in een aantrekkelijke provincie en een kwalitatief, betaalbaar en divers woningaanbod. Deze speerpunten zijn vertaald in de Regionale Actieprogramma's. Relevantie plangebied De ontwikkeling, waarbij kwalitatief hoogstaande woningen worden gerealiseerd, is passend binnen de doelstellingen van het provinciaal woonbeleid. Er wordt een divers woningaanbod gerealiseerd met veel groen en water. Daarnaast sluit het aan bij de ambitie van de provincie en gemeente om duurzame woningen te bouwen.
5.3.4 Regionaal Actieprogramma Wonen Voor de regio AmstellandMeerlanden wordt de groei van de woningbehoefte in de periode 20172027 geraamd op 65.560 woningen. Hier staat een harde plancapaciteit van bijna 56.410 woningen tegenover, waardoor een tekort aan harde plannen van 9.150 woningen bestaat. Uit de confrontatie van vraag en aanbod blijkt dat op korte termijn een tekort aan harde plannen is. Daarnaast geldt nog een risico dat een aantal locaties later dan gepland, of zelfs niet tot ontwikkeling komt (planuitstel/uitval). Voor AmstellandMeerlanden is het volgende te concluderen: tekorten in vrijwel alle marktsegmenten met name tekort aan betaalbare huurwoningen en koopwoningen in het middeldure en betaalbare segment en een iets groter aanbod stedelijke appartementen en dure huurwoningen dan vraag. Het totale woningbouwprogramma voor deze regio past zowel kwantitatief als kwalitatief binnen de woningbehoefte bij een doorkijk naar de Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 33 van 68
komende 10 jaar. Dit op basis van de provinciale prognose 2017, het WiRA 2015 en de monitor plancapaciteit 2017. Onlangs is het RAP vervangen door het Woonakkoord Amstelland Meerlanden. Dit Woonakkoord is een bestuurlijk akkoord tussen de Provincie NoordHolland en de zes gemeenten in de regio AmstellandMeerlanden (afgekort ‘AM’; gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Haarlemmermeer, OuderAmstel, Uithoorn). In dit akkoord is de ontwikkeling van Oosteindedriehoek specifiek benoemd. Relevantie plangebied Met de bouw van de woningen in het plangebied wordt het regionale woningentekort verminderd. De woningbouwprogramma is regionaal afgestemd, zie paragraaf 5.2.3.
5.4 Gemeentelijk beleid 5.4.1 Gebiedsvisie Aalsmeer 2020 Voor het gehele grondgebied van de gemeente Aalsmeer is, samen met bewoners, bedrijven en instellingen, de “Gebiedsvisie Aalsmeer 2020” opgesteld. Deze visie is op 26 november 2009 door de gemeenteraad vastgesteld en heeft in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de status van structuurvisie. Daarmee is de Gebiedsvisie een strategisch beleidsdocument waarin het integrale ruimtelijke beleid van de gemeente vastligt. In de Gebiedsvisie is aangegeven dat het beleid nader uitgewerkt moet worden aan de hand van gebieden en thema’s. Op 18 december 2014 heeft de raad een uitvoeringsparagraaf en uitvoeringagenda vastgesteld en daarbij tevens de Gebiedsvisie expliciet aangeduid als structuurvisie. Uit de gebiedsvisie volgt voor het plangebied een aantal thema's die in het kader van de kwaliteit van de leefomgeving aandacht behoeven. Ruimtelijk karakter Voor Aalsmeer zijn er goede mogelijkheden in een ontwikkelingsrichting die uitgaat van het besef dat de gemeente Aalsmeer over unieke cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten beschikt. De ruimtelijke structuren zoals de Westeinderplassen, de Bovenlanden, de historische dorpskernen en de lintstructuren, vertellen gezamenlijk het verhaal van de ontstaansgeschiedenis van de gemeente.
Ten aanzien van het ruimtelijk karakter wordt er voor gekozen het accent te leggen op het behoud en versterken van het dorpse karakter. Groen en water De gebiedsvisie richt zich op het creëren van een duidelijke hoofdstructuur en het verkrijgen van meer kwaliteit op het gebied van groen en water op wijkniveau. Door de schaarse ruimte zijn de mogelijkheden daarvoor echter beperkt en is daarom maatwerk gewenst. Behoud en herstel van bestaande structurele water en groenelementen zijn daarom belangrijke doelen in de gebiedsvisie. Deze doelen kunnen op hoofdlijn worden bereikt door op gemeenteniveau: <0000> de Westeinderplassen en Bovenlanden aan te wijzen als structuurdragers van het groenblauw netwerk; <0000> de gebieden die deel uitmaken van het Groene Hart en de sloopzone (veiligheidscontour Schiphol) aan te wijzen als kansrijke zoeklocaties voor verdere structuurversterking van groen en water; <0000> de parken als de groene parels van Aalsmeer te beschouwen. En op wijkniveau: <0000> aandacht voor de aanwezigheid van groen en water in en nabij nieuwe en bestaande woongebieden. Wonen
Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 34 van 68
Op het gebied van wonen wil de gemeente de accenten verleggen en meer aandacht besteden aan de kwaliteit van de woonomgeving. Maar tegelijkertijd wil Aalsmeer ook het woningaanbod op peil houden en in de toekomst geschikte woningen kunnen blijven aanbieden, passend bij de vraag en het karakter van Aalsmeer. De volgende aspecten zijn daarbij van belang: meer differentiatie in het woningbouwprogramma, aandacht voor de woonomgeving, duurzaam bouwen en duurzame energie, herstructurering en het op peil houden van het woningaanbod. Bereikbaarheid en infrastructuur Het evenwicht tussen de groei van de woningbouw, bedrijvigheid en recreatie en de capaciteit van het wegennetwerk ontbreekt. Aalsmeer ziet het als een noodzaak om het evenwicht te herstellen en de wegenstructuur van Aalsmeer te optimaliseren. Ook zijn ingrepen in het lokale wegennet noodzakelijk, om de bereikbaarheid van wijken en de verkeersveiligheid te kunnen verbeteren. Een verdere druk op de linten kan indirect worden voorkomen, door in de linten geen (nieuwe) grootschalige, verkeers aantrekkende functies toe te staan. Groen-rode identiteit Oosteinde en Kudelstaart In de Gebiedsvisie is voor de vijf meest belangrijke ontwikkelingsgebieden een nadere uitwerking gemaakt. Het plangebied valt binnen het ontwikkelingsgebied 'Groenrode identiteit Oosteinde en Kudelstaart'.
Figuur 12: Groenrode identiteit Oosteinde
Uitvoeringsparagraaf Gebiedsvisie Op 18 december 2014 heeft de gemeenteraad de uitvoeringsparagraaf met uitvoeringsagenda van de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020 vastgesteld. Hierin worden verschillende strategische beleidsvoornemens uitgewerkt in concrete acties. Aangegeven wordt hoe deze activiteiten financieel gedekt worden en op welke termijn deze worden gerealiseerd. De activiteiten en maatregelen worden uitgesplitst in doe, denk en droomplannen. Doeplannen kenmerken zich door een hoogste prioriteit waarmee met beperkte middelen snel resultaat kan worden geboekt. Hiermee kan direct aan de slag worden gegaan. Denkplannen hebben ook een hoge prioriteit maar vragen meer onderzoek. Hier dienen vooral kansen benut te worden zodra ze zich voordoen. Tot slot dragen de droomplannen bij aan de ontwikkeling van Aalsmeer maar zijn deze niet op korte termijn realiseerbaar. Het plangebied is in de uitvoeringsagenda opgenomen als toekomstige woningbouwlocatie (locaties 35 en 36). 5.4.2 Woonagenda 2020
Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 35 van 68
Op 12 december 2019 heeft de gemeenteraad de Woonagenda 2020 vastgesteld. De woonagenda verwoordt het woonbeleid van de gemeente voor de komende periode. Op hoofdlijnen worden de volgende opgaven geformuleerd: Een passende woningvoorraad Er zijn groepen woningzoekenden voor wie het op de huidige woningmarkt moeilijk is om passende woonruimte te vinden. Voor huishoudens met een laag of middeninkomen, jongeren en starters, senioren, spoedzoekers en kwetsbare inwoners is het een hele opgave om een passende woning te vinden. Wij willen de kans voor Aalsmeerse woningzoekenden op het vinden van een passende woning vergroten. Toekomstbestendige woningen Naast de zorg voor de huidige inwoners zien wij het als onze taak om zorg te dragen voor toekomstige generaties. Woningen moeten in 2040 CO2neutraal, aardgasvrij en circulair zijn. Daarnaast moet de woningvoorraad levensloopbestendig worden en aansluiten bij de toekomstige woningbehoefte Leefbare buurten Buurten moeten fysiek en sociaal zo worden ingericht dat het voor mensen nu en in de toekomst prettig is om er te wonen. Relevantie plangebied Het woonbeleid is vertaald in een woningbouwprogramma. Dit programma sluit aan bij de gewenste aandacht voor betaalbaarheid. Daarnaast is er een grote variatie van het woonaanbod voor de verschillende doelgroepen. De woningen worden aardgasvrij gebouwd met aandacht voor de duurzaamheid.
In het stedenbouwkundig plan is veel aandacht besteed aan de diverse factoren die een prettige leefomgeving garanderen. 5.4.3 Verordening doelgroepen woningbouw Aalsmeer 2019 De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt gemeenten de mogelijkheid om per deelgebied in bestemmingsplannen te eisen dat een bepaald percentage van categorieën woningen wordt gerealiseerd in nieuwbouwplannen. Dit kan voor de categorieën sociale huur, middeldure huur, sociale koop en particulier opdrachtgeverschap. De doelgroepenverordening vormt daarmee de wettelijke basis voor het doorvoeren van gemeentelijk woonbeleid in bestemmingsplannen. Sinds 1 juli 2017 kan de gemeente sturen op toevoeging van de categorie middeldure huurwoningen. Om de doelgroepenverordening toe te passen moet dit in het betreffende bestemmingsplan worden vastgelegd. In de verordening is de maximale aanvangshuurprijs voor sociale middeldure huurwoningen vastgelegd. De doelgroepenverordening regelt tevens voor welke doelgroepen de te bouwen huurwoningen zijn bedoeld. De doelgroepen worden bepaald aan de hand van inkomensgrenzen. Ook regelt de verordening dat de huurwoningen gedurende een bepaalde periode beschikbaar moeten blijven voor de daarvoor aangewezen doelgroepen. Dit zijn de instandhoudingstermijnen.
Relevantie plangebied In dit bestemmingsplan wordt in de regels voorgeschreven dat minimaal 25% van de woningen in het sociale segment en minimaal 5% van de woningen dienen te worden gerealiseerd als middeldure huurwoning. De sociale huurwoningen en de middeldure huurwoningen dienen gedurende een termijn van tenminste 20 jaar na de eerste ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven. 5.4.4 Kadernota huisvesting arbeidsmigranten 2018 Op 13 december 2018 heeft de gemeenteraad van Aalsmeer de "Kadernota huisvesting arbeidsmigranten 2018" (hierna Kadernota) vastgesteld. Deze Kadernota stelt de uitgangspunten vast voor een integraal beleidskader (kleinschalige) huisvesting voor arbeidsmigranten en geeft een uitwerking voor een realistisch beheer voor dit Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 36 van 68
beleidskader. Deze Kadernota vervangt de Kadernota "Ruimte voor huisvesting arbeidsmigranten" welke op 14 maart 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld en op 2 oktober 2014 door de gemeenteraad op bepaalde punten is verduidelijkt en gewijzigd. Uit evaluatie blijkt dat het systeem zoals dat in 2013 is ingevoerd werkt. Het toezicht is uitgevoerd conform het handhavingsbeleid en de op basis daarvan vastgestelde uitvoeringsprogramma’s. In het algemeen is de naleving goed. Dat komt doordat veel voorzieningen worden beheerd door professionele huisvesters die aangesloten zijn bij het keurmerk voor de huisvesting van arbeidsmigranten (SNFkeurmerk). Bij overtredingen is conform het handhavingsbeleid handhavend opgetreden. Wel zijn er locaties in de gemeente waarbij een clustering van voorzieningen is ontstaan. Ruimtelijk gezien, vooral vanuit het oogpunt van een goede leefomgeving, is dit een ongewenste ontwikkeling. Voldoende huisvesting is afhankelijk van de ruimte die daarvoor beschikbaar is. Ten aanzien van een goede huisvesting heeft de gemeente hier een primaire rol in. Dit houdt in dat de gemeente aangeeft waar bepaalde vormen van huisvesting van arbeidsmigranten plaats mogen vinden en onder welke voorwaarden. Dit voorziet in de behoefte van duidelijkheid voor huisvesters, werkgevers, werknemers en omwonenden.
Hierbij spelen niet alleen de kwaliteit en veiligheid van de huisvesting voor arbeidsmigranten zelf een rol, maar eveneens de invloed op de woonomgeving en het woongenot van de omwonenden. In de Kadernota heeft de gemeente aangegeven waar binnen haar grenzen kwalitatieve huisvesting voor arbeidsmigranten mogelijk is. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen kamergewijs langdurig verblijf in woonwijken en tijdelijk verblijf (logies) op bedrijventerreinen. De gemeentelijke bestemmingsplannen vormen het primaire kader voor de huisvesting van arbeidsmigranten. De gemeente kan met een bestemmingsplan regelen waar ze verschillende woonvormen zoals het huisvesten van arbeidsmigranten, wel en niet willen toestaan. Relevantie plangebied De gehanteerde beleidslijn, die ook is doorgevoerd in dit bestemmingsplan, is dat een woning niet alleen door één huishouden behoeft te worden bewoond. Ook een huishouden plus maximaal drie overige bewoners wordt als passend binnen de woonfunctie gezien. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de regelgeving uit het Bouwbesluit waar onderscheid wordt gemaakt tussen de 'gewone woonfunctie' en de 'woonfunctie voor kamergewijze verhuur'. Onder een 'gewone woonfunctie' wordt verstaan: 1. huisvesting van één huishouden; 2. huisvesting van één huishouden + 3 mensen zonder onderlinge band; 3. huisvesting van 4 mensen zonder onderlinge band.
In de planregels is deze definitie van 'wonen/ woning' vastgelegd. Indien niet aan de voorwaarden zoals gesteld in het bestemmingsplan wordt voldaan dient een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te worden aangevraagd. Deze wordt getoetst aan de Kadernota. Voor huisvesting van arbeidsmigranten in woonwijken zijn in de Kadernota de volgende voorwaarden opgenomen: <0000> er is sprake van kamergewijs, langdurig verblijf gerelateerd aan wonen (geen shortstay of logies); <0000> het dient te gaan om bedrijfsmatige huisvesting; <0000> het is enkel toegestaan in legale in het bestemmingsplan als zodanig bestemde woningen; Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 37 van 68
<0000> <0000>
<0000> <0000> <0000> <0000> <0000>
er zijn maximaal 6 personen per woning toegestaan in de woonkernen en maximaal 8 personen per woning in de woonlinten zoals omschreven in het Lintenbeleid; een nieuwe omgevingsvergunningplichtige voorziening voor kamergewijs gebruik voldoet aan een afstandscriterium. Namelijk: een omgevingsvergunningplichtige voorziening voor kamergewijs gebruik ligt niet in een straal van 100 meter van een al bestaande voorziening voor kamergewijs gebruik waarvoor al een omgevingsvergunning is verleend, gemeten vanuit het midden van de voorgevel; op grond van het Bouwbesluit dient er sprake te zijn van minimaal 12 m2 gebruiksoppervlakte per persoon; er dient voldoende parkeergelegenheid in de nabije omgeving of op het eigen perceel te zijn (conform vastgesteld gemeentelijk parkeerbeleid); inschrijving van de bewoners in de basisregistratie personen is verplicht; de huisvesting van arbeidsmigranten dient te voldoen aan de huisvestingsnormen van de Stichting Normering Flexwonen; de huisvester van de arbeidsmigranten is geregistreerd bij de Stichting Normering Flexwonen.
De huisvesting van arbeidsmigranten is niet toegestaan in: <0000> woningen bestemd voor mantelzorg; <0000> woningen bestemd voor bijzondere woonvormen; <0000> bedrijfswoningen; <0000> woningen bestemd voor woonvormen die op basis van de overgangsbepalingen uit het geldende bestemmingsplan zijn toegestaan; <0000> woonarken; <0000> de huisvesting van arbeidsmigranten in woningen is niet toegestaan binnen LIB zone III. 5.4.5 Mobiliteitsagenda Op 27 januari 2022 heeft de gemeenteraad de Mobiliteitsagenda Aalsmeer vastgesteld. Dit is een update van het verkeer en vervoerplan Aalsmeer uit 2009. De update was noodzakelijk, omdat allerlei nieuwe ontwikkelingen op Aalsmeer afkomen. Het doel is dat Aalsmeer duurzaam bereikbaar, leefbaar en verkeersveilig is voor iedereen, zowel nu al in de (nabije) toekomst. Dit geldt voor het transport van personen en goederen.
Aalsmeer wordt in dit kader geconfronteerd met: <0000> een groei qua inwoners en arbeidsplaatsen <0000> de bouw van nieuwe woningen en nieuwe werkruimte <0000> een stijging van de gemiddelde leeftijd van de inwoners <0000> nieuwe mobiliteitsontwikkelingen en concepten De Mobiliteitsagenda kent drie uitgangspunten: Uitgangspunt 1: Aalsmeer via alle modaliteiten bereikbaar <0000> Wanneer we werken aan de bereikbaarheid van Aalsmeer, doen we dat met een regionale blik vanuit alle modaliteiten samen; <0000> We maken lopen aantrekkelijker en veiliger, onder meer door verbetering van de bestaande routes en aanleg specifieke routes; <0000> We versterken de rol van de (e)fiets in de bereikbaarheid van Aalsmeer; <0000> We werken aan een regionaal en lokaal bereikbaar Aalsmeer per openbaar vervoer voor iedereen; <0000> De bereikbaarheid per auto blijft op orde, tegelijkertijd verleiden we automobilisten om vaker via de andere vervoerwijzen te reizen en de spits te mijden; <0000> We werken aan slimmer, efficiënter en schoner vrachtvervoer om de doorstroming te verbeteren en de overlast te beperken. Uitgangspunt 2: Aalsmeer verkeersveilig en toegankelijk <0000> Iedereen moet deel kunnen nemen in het verkeer en we streven naar nul dodelijke verkeersslachtoffers in 2050; Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 38 van 68
<0000>
Bij wegwerkzaamheden zorgen we voor goede (alternatieve) routes voor alle vervoerswijzen.
Uitgangspunt 3: Aalsmeer innovatief, duurzaam bereikbaar <0000> Ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit worden vroegtijdig in de planvorming aan elkaar gekoppeld; <0000> We kijken naar slimme vormen van mobiliteit; <0000> Bij mobiliteitsvraagstukken kijken we naar het beter benutten van de bestaande infrastructuur en naar gedragsbeïnvloeding van inwoners en werknemers; <0000> We houden de ontwikkeling van de bereikbaarheid van Aalsmeer goed in de gaten; <0000> Duurzame mobiliteit draagt bij aan een schoon, gezond en leefbaar Aalsmeer. Relevantie plangebied De voorgestane bouw van de nieuwe woonwijk in de Oosteindedriehoek wordt in de Mobiliteitsagenda genoemd als één van de woningbouwprojecten die zorgen voor nieuwe bereikbaarheidsvraagstukken: bereikbaarheid voor de woningen zelf en de directe omgeving, maar in totaal ook voor heel Aalsmeer. Met de ontwikkeling van het plangebied zal de intensiteit op bestaande wegen toenemen, waardoor bij de planvorming rekening moet worden gehouden met de wijkontsluiting. Ten aanzien van het aspect verkeer wordt nader verwezen naar paragraaf 6.10.1. 5.4.6 Nota Parkeernormen Aalsmeer 2016 Eind 2012 heeft het CROW (Landelijk kenniscentrum voor verkeer en vervoer) nieuwe parkeerkencijfers gepubliceerd. De 'oude' cijfers dateren van 2004 en dienden als basis voor de parkeernormen, zoals vastgesteld in het Aalsmeer Verkeer en Vervoerplan (AVVP).
In het AVVP zijn echter alleen normen opgenomen voor de categorie 'wonen'. De aanleiding voor deze Nota Parkeernormen Aalsmeer is als volgt: <0000> Naast de normen voor de categorie wonen zijn er nog geen parkeernormen vastgesteld voor Aalsmeer en Kudelstaart; <0000> De parkeernormen uit 2004 en uit het AVVP zijn niet meer actueel; <0000> De nieuwe kencijfers van het CROW zijn gebaseerd op de meest actuele en recente ervaringscijfers; <0000> Parkeernormen moeten vanaf 2018 zijn opgenomen in bestemmingsplannen. Door in toekomstige bestemmingsplannen via de regels een verwijzing op te nemen naar deze Nota Parkeernormen inclusief toepassingsregels wordt aan deze verplichting voldaan en geldt voor iedereen een eenduidig kader. Het vaststellen van parkeernormen en toepassingsregels is om diverse redenen belangrijk en nuttig. Door het parkeren nadrukkelijk te toetsen en de juiste parkeernorm zo vroeg mogelijk in een planproces te bepalen wordt parkeeroverlast voorkomen en wordt de verkeersveiligheid verbeterd. Indien een ontwikkelaar namelijk te weinig parkeerplaatsen realiseert op eigen terrein, gaan er ook mensen in de omgeving parkeren met mogelijk parkeeroverlast en verkeersonveilige situaties tot gevolg. Voor burgers, bedrijven en ontwikkelaars is met deze nota duidelijk welke normen gehanteerd worden bij een aanvraag.
Bovendien bevat de nota duidelijke toepassingsregels om uit te leggen hoe de parkeernormen gehanteerd moeten worden. Hierdoor zorgen we er als gemeente voor dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn en dat mogelijk verwachte parkeerproblemen vanaf het begin van het planproces worden voorkomen. Relevantie plangebied Voor het bepalen van de parkeereis dient het aantal benodigde parkeerplaatsen vastgesteld te worden op basis van de normen uit de nota.(Voor functies die niet in de nota zijn opgenomen en niet in de CROWpublicatie dient maatwerk te worden geleverd). Uitgangspunt hierbij is dat de parkeereis in het plangebied wordt opgelost, waarbij ook rekening wordt gehouden met het dubbelgebruik van de betreffende parkeerplaatsen. Dit gebeurt op basis van de aanwezigheidspercentages (zie bijlage 3 van de nota parkeernormen Aalsmeer 2016). Voor het oplossen van de benodigde parkeerplaatsen op Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 39 van 68
eigen terrein kan ook gedacht worden aan het realiseren van een parkeerkelder of een parkeerdek. Bij parkeerplaatsen op eigen terrein gelden specifieke rekenregels over hoe eigen opritten en garages meetellen in de berekening van het aantal parkeerplaatsen. Deze staan in bijlage 2 van de nota parkeernormen Aalsmeer 2016. Ook voor eventuele bezoekers dient parkeergelegenheid beschikbaar en toegankelijk te zijn als onderdeel van de parkeereis. Zie voor een nadere uitwerking van het aspect parkeren paragraaf 6.10.2. 5.4.7 Groenvisie Op 2 oktober 2014 heeft de gemeenteraad van Aalsmeer de Groenvisie 'Groen en blauw voor jou' voor de periode 20142024 vastgesteld. De visie geeft inzicht in de koers voor beleid, inrichting en beheer van het groen voor heel Aalsmeer. Een doel van de groenvisie is het verbeteren van de ruimtelijke structuur door samenhang van groen en water te bevorderen. Op de eerste kaart, betreffende de status van het groen in de gemeente, is voor de Oosteindedriehoek geen aanduiding opgenomen. Daarmee valt de groen op de locatie onder 'overig groen'. Het overig groen valt buiten de hoofdgroenstructuur. Op de tweede kaart, betreffende de landschappelijke / cultuurhistorische betekenis, wordt de Oosteindedriehoek aangemerkt als onderdeel van de jonge droogmakerij met grootschalige verkaveling.
Dit zijn na 1800 drooggemaakte polders die een relatief grootschalige verkaveling kennen. Uit de derde kaart, aangaande de functionele betekenis en recreatieve routes, blijkt dat aan het plangebied geen betekenis is toegekend. Dat geldt eveneens voor kaarten 4 en 5 betreffende de bomenstructuur en de ecologische structuur. De hoofdkoers van de gemeente met betrekking tot groen is waardevol groen behouden en de functionaliteit van groen te versterken. Om groene functionaliteit te versterken staan twee doelen centraal: <0000> het verbeteren van de ruimtelijke structuur door groeneblauwe samenhang aan te brengen en verbindingen te leggen; <0000> het verbeteren van de toegankelijkheid en beleefbaarheid van het groen en water voor omwonenden en recreanten. In Aalsmeer kunnen vier verschillende typen woongebieden worden onderscheiden: het oude dorpscentrum, de klassieke uitbreidingen, de moderne uitbreidingen en de bebouwingslinten. Binnen elk gebied zijn specifieke groenkwaliteiten te vinden. Het groenbeleid is erop gericht die specifieke kwaliteiten te versterken. Relevantie plangebied Zoals in paragraaf 2.2.2.2 is uiteengezet is in het plan veel aandacht besteed aan het groenblauwe raamwerk. Dit raamwerk is geborgd op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan.
5.4.8 Beeldkwaliteitplan In aanvulling op het stedenbouwkundig plan is een beeldkwaliteitplan opgesteld (zie bijlage 4). In dit plan is de beoogde beeldkwaliteit voor de verschillende buurten van het stedenbouwkundig plan beschreven en vertaald in toepasbare criteria ten aanzien van de typologie van nieuwe bebouwing en de inrichting van de buitenruimte. Deze criteria zijn enerzijds een inspiratiebron voor de architecten van de woningen en de ontwerpers van de openbare ruimte en anderzijds het toetsingskader voor het kwaliteitsteam bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de bouwplannen voor de aanvraag omgevingsvergunning. De ontwikkeling en realisatie van het bestemmingsplan zal meerdere jaren in beslag nemen. Voor de continuïteit en betrokkenheid zal voor de beoordeling en toetsing van bouwplannen een kwaliteitsteam worden samengesteld. Dit kwaliteitsteam beoordeelt of de bouwplannen voldoen aan ‘redelijke eisen van welstand’. Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 40 van 68
De welstandscommissie is vertegenwoordigd in dit kwaliteitsteam. Op deze manier wordt de totale beeldkwaliteit van de wijk gedurende de ontwikkeling bewaakt. Het beeldkwaliteitplan wordt door de gemeenteraad, tegelijkertijd met het voorliggende bestemmingsplan, vastgesteld als aanvulling op de Welstandsnota Aalsmeer. Het beeldkwaliteitsplan dient specifiek voor dit project aldus als kader voor welstandstoetsing.
Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 41 van 68
HOOFDSTUK 6 OMGEVINGSKWALITEIT 6.1 Archeologie en cultuurhistorie 6.1.1 Archeologie Wet op de archeologische monumentenzorg De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Voorbeelden daarvan zijn de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de vergunningverlening voor het verstoren van archeologische rijksmonumenten. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het bestemmingsplan kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta) uit 1992. Dit gaat uit van de bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening.
Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld. Kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt”, dat ervan uitgaat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten zelf de kosten moet dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, worden meer archeologische resten in situ behouden. Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. De volgende archeologische voorschriften worden in de wet genoemd: <0000> het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; <0000> de verplichting tot het doen van opgravingen; <0000> het werk laten begeleiden door een deskundige. Het rijk is het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen (paragraaf 5.4 Erfgoedwet).
Vondsten met archeologische waarde zijn eigendom van de provincie NoordHolland en dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie NoordHolland. Modernisering Monumentenzorg (MoMo) Op 1 januari 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd waarbij onder meer artikel 3.1.6 vijfde lid onder a van het Bro is aangevuld. Deze wijziging houdt in dat een bestemmingsplan een paragraaf moet bevatten met "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden”. Naast archeologische waarden zullen hiermee ook cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk moeten worden meegewogen bij de voorbereiding van bestemmingsplannen. Vergelijkbaar met de huidige regelgeving voor beschermde stadsen dorpsgezichten dient in ieder bestemmingsplan een afweging gemaakt te worden over de wijze waarop met de cultuurhistorische belangen wordt omgegaan. Het opnemen van cultuurhistorie in het proces van de ruimtelijke ordening past binnen de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg uit 2009. In lijn met de Belvedèregedachte wordt in de beleidsbrief aangegeven dat het belang van cultuurhistorie vroegtijdig in het planproces moet worden ingebracht. Inzet is een meer generieke borging van cultuurhistorie vooraf in het
Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 42 van 68
proces van de ruimtelijke ordening, waarmee vermindering van sectorale regelgeving achteraf mogelijk is. Beleidsnota Archeologie Aalsmeer De Beleidsnota Archeologie zet uiteen op welke wijze de gemeente Aalsmeer verantwoordelijkheid neemt voor het eigen bodemarchief. Door bij het ontwikkelen van nieuwe of het aanpassen van bestaande bestemmingsplannen archeologische waarden en verwachtingen op te nemen en in de toelichting te verwijzen naar het gemeentelijk archeologiebeleid kunnen de kosten van eventueel archeologisch onderzoek worden verhaald op de verstoorder van het bodemarchief. In het bestemmingsplan wordt ook voorgeschreven welke verplichtingen de vergunningaanvrager heeft op het gebied van de archeologische monumentenzorg. Relevantie plangebied Van alle gebieden in Aalsmeer met archeologische waarden is een beleidskaart opgesteld. Op deze kaart is te zien voor welke gebieden bij welke werkzaamheden onderzoek gedaan moet worden naar de archeologische waarden. Voor het plangebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde. Bij bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld en met een oppervlakte groter dan 10.000 m2, is archeologisch vooronderzoek noodzakelijk voorafgaand aan ruimtelijke planvorming. Hoewel de exacte diepte van de toekomstige ingrepen nog niet bekend is, zal de omvang van de ingrepen de vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek overschrijden.
Daarom is een archeologisch vooronderzoek, in de vorm van een bureauonderzoek, en cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd. Op 20 augustus 2021 heeft RAAP B.V., onder nr. RAAPrap_5344_ALOE2_20210820, een rapport uitgebracht over het door haar uitgevoerde archeologisch vooronderzoek en cultuurhistorisch onderzoek (zie bijlage 5). In dit vooronderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied mogelijk archeologische resten worden bedreigd door de voorgenomen bestemmingswijziging en bodemingrepen dieper dan de bouwvoor. Om de gespecificeerde verwachting aan te vullen en te verfijnen is een archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Een dergelijk vervolgonderzoek heeft tot doel de opbouw van de ondergrond en bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen en specifiek de aan/afwezigheid van kreekgeul en oeverafzettingen met een middelhoge archeologische verwachting in het plangebied te toetsen. Op 17 november 2021 heeft RAAP B.V., onder nr. RAAPrap_5510_ALOE3_20211117, een rapport uitgebracht over het door haar uitgevoerde vervolgonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek (zie bijlage 6). Op basis van dit rapport wordt geconcludeerd dat in het plangebied geen archeologische resten worden bedreigd. Het terrein kan daarom worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling.
In voorliggend bestemmingsplan is dan ook geen dubbelbestemming archeologie opgenomen. 6.1.2 Cultuurhistorie De Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie NoordHolland geeft een overzicht van waardevolle landschappelijke en cultuurhistorische elementen en structuren. NoordHolland biedt een rijke variatie aan landschappen, kernen en cultuurhistorische monumenten. Er zijn wadden, duinen, polders, heidevelden, veenweiden en droogmakerijen. De provincie onderscheidt zich door zijn openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Elk deel heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis, die vaak nog goed afleesbaar is in het landschap. Het huidige landschap van NoordHolland is een erfenis met een grote aantrekkingskracht op mensen die in de provincie wonen, werken en recreëren. De hoge kwaliteit ervan draagt bij aan het economische vestigingsklimaat in de provincie. Het landschap is een dynamische leefomgeving die al sinds mensenheugenis verandert en dat ook zal blijven doen. De provincie wil ruimte blijven bieden aan nieuwe ontwikkelingen, op een manier die bijdraagt aan de waarden en kwaliteiten van het landschap en waarbij de Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 43 van 68
ontstaansgeschiedenis herkenbaar blijft. Inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap is maatwerk. Sommige gebieden hebben unieke of kwetsbare cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten, terwijl andere tegen een stootje kunnen of waar ruimtelijke dynamiek het landschap juist kan versterken. Het is de uitdaging om bij nieuwe ontwikkelingen de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk te houden en bij voorkeur te versterken. De Leidraad is daarbij ook bedoeld om inzichtelijk te maken welke landschappelijke en cultuurhistorische waarden van belang zijn. Aansluitend op de uitgangspunten van de Provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie, bestaat ook in Aalsmeer de wens de kenmerkende kwaliteiten, de diversiteit en identiteit van de gemeente te koesteren en te benutten bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Verschillende ruimtelijke analyses en beleidsnota's van de gemeente Aalsmeer (bijv. Lintenbeleid en cultuurhistorische analyse 'Gebroken landen, geheelde gronden') biedt hier een goed startpunt toe. De meest karakteristieke objecten, die ons doen herinneren aan vroeger tijden, zijn aangewezen als monument of beschermd gezicht. Voor grotere landschappelijke structuren die karakteristiek zijn voor de gemeente kunnen ruimtelijke plannen als bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen en structuurplannen als beoordelingskader gebruikt worden.
Op basis van de 'Cultuurhistorische analyse Gebroken landen, geheelde gronden' is voor het grondgebied van Aalsmeer een onderverdeling gemaakt van gebieden met specifieke cultuurhistorische waarden en met daarbij beleidsaanbevelingen om de specifieke landschapskarakteristiek te behouden. Voor de Oosteindedriehoek is het deelgebieden 'jonge droogmakerijen' van toepassing.
Figuur 13: Kaart Cultuurhistorische analyse Gebroken landen
Toelichting bestemmingsplan Oosteindedriehoek
pag 44 van 68
Het deelgebied 'jonge droogmakerijen', ter plaatse van het plangebied, betreft de Oosteinderpoelpolder, een grootschalige droogmakerij uit de tweede helft van de 19e eeuw. Voor het deelgebied 'jonge droogmakerijen' zijn de volgende aanbevelingen opgenomen: <0000> behoud en eventueel versterking van de ruimtelijke hoofdindeling behorend bij jonge droogmakerijen; <0000> behoud van de bebouwingslinten met hun bebouwingskarakteristieken en variatie zoals die met name in de Oosteinderpoelpolder zichtbaar zijn; <0000> behoud van de aanwezige cultuurhistorische objecten, structuren en samenhangen; het beleid voortzetten van aan de oude huizentypen en stijl aangepaste nieuwbouw; handhaven en eventueel versterken van de historisch bepalende spoorwegtracés, wegen, dijken en kaden, zo nodig met inbegrip van hoogte, profiel en groene uitstraling; behoud van historisch waardevolle molens en gemalen, inclusief hun ruimtelijke context (waterlopen, etc.); <0000> behoud van nog bestaande schoorstenen (en bijbehorende ketelhuizen). Relevantie plangebied De inhoud van het eerdergenoemde rapport van RAAP B.V. (zie bijlage 5) sluit aan bij bovengenoemde bevindingen. Binnen de grenzen van het plangebied is één landschapstype te onderscheiden. Het ontstaan van dit type, het droogmakerijlandschap, is exact te dateren in 1867.
Kenmerken van dit type landschap zijn de rationele en regelmatige verkaveling, de diepe ligging van de landbouwpercelen, en de aanwezigheid van bebouwing in linten langs een beperkt aantal hoofdwegen. De geïnventariseerde landschapselementen (wegen en watergangen) dateren hoofdzakelijk uit de periode waarin de polder is drooggemaakt. Ook zijn enkele verdwenen structuren in kaart gebracht (sloten en spoorlijn). De bebouwing dateert hoofdzakelijk uit de periode 1950heden. In het gebied liggen geen beschermde monumenten. De oudste bebouwing bevindt zich op het adres Aalsmeerderweg 370. De woning (1920) en achtergelegen schuur (oudste deel vermoedelijk 19401944 dateert) vormen een karakteristiek ensemble. In het rapport van Raap wordt een nader onderzoek aanbevolen naar dit ensemble, alvorens tot sloop van de aangebouwde schuur wordt overgegaan. De schuur is echter niet aangewezen als monument en heeft dan ook geen beschermde status. Geruime tijd gelegen is in samenwerking met de Lokale Erfgoedcommissie een inventarisatie gemaakt van alle gebouwen en objecten die voor aanwijzing tot gemeentelijk monument in aanmerking zouden komen. Naar aanleiding van deze inventarisatie is het aantal gemeentelijke monumenten aanzienlijk uitgebreid. Het ensemle aan de Aalsmeerderweg 370 komt niet voor op deze lijst, omdat er geen monumentale waarde aan werd toegekend.
Bovendien is de schuur gelegen op een locatie waar nu een deel van de nieuwe woonwijk is geprojecteerd. Indien deze schuur behouden zou blijven heeft dit zeker gevolgen voor de ruimtelijke opzet en samenhang van het gebied en het aantal woningen dat gebouwd kan worden. Gezien de naar verwachting geringe monumentale waarde van de schuur en de ruimtelijke consequenties voor het plangebied wordt geen nader vervolgonderzoek ingesteld. Het is van belang om bij de invulling van het plangebied de karakteristieke (landschappelijke) kenmerken van de omgeving te respecteren, teneinde de identiteit van het gebied te bewaren: <0000> Behoud en versterk het hierboven omschreven karakter van de overgang tussen de hoger gelegen dijken/wegen (Aalsmeerderweg en Legmeerdijk) en het laaggelegen droogmakerijlandschap. In deze zones kan ondanks de voorgenomen plannen de historische opbouw van het gebied toch inzichtelijk gehouden worden.