Plantoelichting BP Uiterweg Plasoevers 2021.Pdf.pdf
Tekst van het document
De genoemde landschappen zijn vanwege hun belangrijke natuur- en cultuurwaarden beschermd en vallen daarom onder het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de provincie. De provincie dient ervoor te zorgen dat in deze gebieden extensieve vormen van recreatie worden ontwikkeld, waarbij de bijzondere waarden van deze gebieden voorop staan. Met de vaststelling van de Provinciale Ruimtelijke Verordening op 3 februari 2014 zijn de nationale landschappen onder het regime van de bufferzones gebracht.
2.3.3.2 Landschapstypen Het gebied van de niet-verveende en hogere landen (Bovenlanden) rond de oude ontginningslinten van de Uiterweg en de (verdwenen) Westeinderdijk, tussen de kleine en de grote poel, zijn onderscheidende deelgebieden met een hoge cultuurhistorische waarde. Het Uiterweggebied is reeds in een vroeg stadium verkaveld. De ontginningen hebben plaatsgevonden vanaf opgehoogde kaden, waarlangs ook de woningen zijn gesitueerd. Loodrecht op de parallel aan de vroegere oever van de Haarlemmermeer lopende kaden liggen smalle, langgerekte kavels, met daartussen sloten voor de ontwatering. Door het baggeren van de sloten en afkalving van de randen, zijn relatief brede sloten ontstaan. De vele kopsloten tussen Ringvaart en Uiterweg enerzijds en tussen de poelen en de Uiterweg anderzijds vormen een kenmerkende landjesstructuur. Deze structuur is ook duidelijk aanwezig in het plangebied. Binnen de ‘kamstructuur’ van water en land zijn in het omliggende plassengebied ook enkele doorgaande waterverbindingen aanwezig tussen de poelen en Ringvaart. 2.3.3.3 Cultuurhistorische elementen Werelderfgoed (Stelling van Amsterdam)
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 31
Naar aanleiding van de Vestigingswet 1874 werden de verdedigingslinies van Nederland heringedeeld en op veel punten herzien. Eén van de voornaamste wijzigingen bestond uit de aanleg van de "Stelling van Amsterdam", een kring van permanente versterkingen rond de hoofdstad. De Stelling van Amsterdam had een tweeledig doel: een beschermingslinie rond de hoofdstad en een laatste verdedigingslinie (een nationaal reduit). De linie tussen de Westeinderplassen en de Drecht of Vuurlinie (ook wel: Vuurlijn) maakt deel uit van het zuidoostfront van de "Stelling van Amsterdam". De vuurlinie bestaat uit hoge dijken, die de noordelijke grens van de inundatieterreinen vormen, maar met een grillig verloop. Aan de westzijde sluit de Vuurlinie aan op de Westeinderplassen (de Grote Poel) en de Kleine Poel als natuurlijke barrière. In deze omgeving is ook het plangebied van dit bestemmingsplan gelegen. Vanwege de grote cultuurhistorische, landschappelijke en plaatselijk ook ecologische betekenis van de linie, is de Stelling van Amsterdam in zijn geheel geplaatst op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Het Fort Kudelstaart, gelegen buiten het plangebied, is tevens aangewezen als Rijksmonument. De ontvangkom en inlaatsluis direct ten noorden van het fort zijn aangewezen als Provinciaal monument.
Monumenten Naast de genoemde landschappen en erfgoederen is in de omgeving van het plangebied ook een aantal objecten en panden aanwezig met een grote cultuurhistorische waarde. De cultuurhistorische waarden van deze objecten en panden houdt verband met het agrarische verleden van het gebied. Het lint van de Uiterweg is het enige lint waar de zogenaamde langhuisboerderijen voorkomen. Het Rijk heeft een heel aantal van deze boerderijen aangewezen als Rijksmonument. Daarnaast zijn ketelhuizen met bijbehorende schoorstenen waardevolle objecten. De draaiplank en de ingangspartij, als onderdeel van de Uiterweg, alsmede de brug over de Aardbeiensloot, zijn aangewezen als gemeentelijk monument. De draaiplank en de ingangspartij zijn globaal gelegen ter hoogte van de Uiterweg 106 en ook de Aardbeienbrug is gelegen in de nabijheid van het plangebied. Daarnaast heeft ook een aantal woningen aan de Uiterweg en Stommeerweg de status van gemeentelijk monument, evenals een drietal gebouwen aan de Westeinderplas met een functie ten behoeve van de watersport. De onderstaande lijst geeft het volledige overzicht van monumenten in het plangebied: -
Rijksmonumenten
. Voormalige boerderij, Uiterweg 15; . Voormalige boerderij, Uiterweg 25; . Voormalige boerderij, Uiterweg 28-30; . Voormalige boerderij ‘Historische tuin’, Uiterweg 32 en 32A; . Voormalige boerderij, Uiterweg 34; . Voormalige boerderij, Uiterweg 106; . Voormalige boerderij, Uiterweg 174; . Voormalige boerderij, Uiterweg 183; . Woonhuis, schuren, walhok en kas, Uiterweg 207; . Voormalige boerderij, Uiterweg 228; . Voormalige dokterswoning met praktijkruimte en tuin, Stommeerweg 22; -
Provinciale monumenten
. Ontvangkom en inlaatsluis, Kudelstaartseweg nabij 96.
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 32
-
Gemeentelijke monumenten
. Woonhuis, Uiterweg 9; . Woonhuis, Stommeerweg 120; . Clubgebouw zeilvereniging Nieuwe Meer, Stommeerweg 2; . Clubgebouw Westerend, Stommeerweg 72D; . Kantoorpand Hilverda, Stommeerweg 4-6; . Woonhuis, Stationsweg 24; . Jachthavengebouw en restaurant, Kudelstaartseweg 226; . Woonhuis, Uiterweg 142-144; . Ophaalbrug ‘Aardbeienbrug’, Uiterweg nabij 106; . Woonhuis, Uiterweg 222. Beschermde dorpsgezichten Het doel van aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht is dat de identiteitsbepalende elementen en de hoofdstructuur van het gebied in stand blijft, en dat de functionele ontwikkeling in hoofdlijn blijft aansluiten op de historische ontwikkeling. Het doel van een aanwijzing is niet om het gebied te ‘bevriezen’ of ‘op slot te zetten’, maar wel om ruimtelijke ontwikkelingen en wijzigingen binnen het dorpsgezicht meer bewust te doen toetsen aan de historische karakteristieken van het (cultuur)historisch waardevolle gebied. De lokale cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning. De gemeente Aalsmeer heeft de afgelopen jaren de volgende gebieden aangewezen als beschermd dorpsgezicht. . Het Plassenlint, Stommeerweg 4 t/m 135; Kudelstaartseweg 14, 16; Zwarteweg 1; . De ontginningsbasis, Uiterweg 9, 13, 15, 20, 32, 34.
Begrenzing Het Plassenlint (2015)
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
Begrenzing De Ontginningsbasis (2013)
pagina 33
Het beschermde dorpsgezicht de Ontginningsbasis gaat over het begin van de Uiterweg. Het beschermde gedeelte vormt het begin van een lang lint van oorspronkelijk overwegend agrarische bebouwing met daarachter lange, smalle kavels tot aan het water dat aan weerszijden loopt: de Ringvaart aan de noordzijde en de plassen aan de zuidzijde. Met zijn lange, smalle kavels, de doorzichten naar de achterliggende waterpartijen, de sloot die nog aan één zijde langs de weg loopt, de vele eenduidige bruggetjes, de smalle berm en de overvloedige groene tuinen rond de vrijstaande bebouwing, veelal in de vorm van langhuisboerderijen, is het een karakteristiek stuk Aalsmeer. Dit deel is exemplarisch voor de lintbebouwing zoals die meer in Aalsmeer voorkomt. Het beschermde dorpsgezicht het Plassenlint is een langgerekt gebied langs de oostelijke oever van de Westeinderplas en de Kleine Poel. Het is een deel van het dorp waar sinds het begin van de twintigste eeuw een aantal centrale functies werden gerealiseerd die voor de gemeente Aalsmeer van grote cultuurhistorische en ruimtelijke betekenis zijn. De individuele bebouwing langs de oever gaat aan de zuidzijde van het beschermde gezicht over in een ruim zicht over de plas met aan het eind het karakteristieke beeld van de Aalsmeerse watertoren.
Dit dorpsgezicht brengt verschillende kwaliteiten van Aalsmeer bij elkaar: landschappelijk schoon direct tegen het centrum van het dorp aan; belangrijke dorpse functies als station, kerk, klooster, begraafplaats, jachthaven, notabelenwoningen en watertoren; de bijzondere architectuur van de Aalsmeerse architect Berghoef; en het weidse uitzicht over de plas. Door zijn langgerekte karakter brengt dit beschermde dorpsgezicht al die functies en een diversiteit aan Aalsmeerse ruimtelijke bijzonderheden bij elkaar in een overzichtelijk kader. 2.3.4 Aardkundige waarden in het plangebied Aardkundige waarden vertellen ons iets over de manier waarop het landschap is ontstaan. Ze vormen ons aardkundig erfgoed. Het Actualisatie Intentieprogramma Bodembeschermingsgebieden van de provincie Noord-Holland geeft inzicht in de wijze van bescherming en behoud van verschillende gebieden met aardkundig erfgoed binnen de provincie. Een deel van de oeverlanden aan de westzijde van de Westeinderplassen behoort toe aan aardkundig waardevol gebied Westeinderplassen (62e). De Westeinderplassen zijn net als Meerzicht, Nieuwe Meer en De Poel gelegen op de stuwwalboog van het Bekken van Amsterdam en bestaan uit water en veenlandjes. Deze plassen zijn waarschijnlijk ontstaan na zanduitgraving en bestaan uit eutroof (zegge)rietveen en mosveen. De bodem is te classificeren als vlietveengrond.
De hydrologische situatie wordt gekenmerkt door een hoge grondwaterstand. Hierdoor zijgt het grondwater weg naar de omliggende gebieden. De ecologie van de gebieden bestaat uit diverse veensoorten, elzenbroekbos, veenmosrietlanden en zure, voedselarme rietlanden. De deelgebieden vallen onder de fysisch geografische eenheid niet veraard, niet gerijpt veen. Het gebied bestaat uit kenmerkende, weinig verscheiden, (tamelijk) gave vormen met geen genetische, maar wel ruimtelijke interne samenhang. Het fenomeen is niet zeldzaam, in de regio Waterland en Zaanstreek zijn diverse vergelijkbare gebieden aan te treffen. Het gebied heeft wel educatieve, maar geen wetenschappelijke waarde. De gebieden hebben allemaal te maken met een ernstige maaivelddaling en zijn dus gradatiegevoelig. Specifiek voor de Westeinderplassen geldt de jachthaven als een actuele aantasting van het gebied. Voor bescherming van de aardkundige waarden is het van belang dat er geen peilverlaging van het oppervlakte- en grondwater plaatsvindt. Daarnaast mag er geen gebiedsvreemd water worden ingelaten en mogen de gebieden, buiten de paden, niet betreden worden. In principe zijn groot- en
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 34
kleinschalige ingrepen, verblijfsrecreatie, intensieve dagrecreatie, stortplaatsen en boringen niet toegestane activiteiten. 2.3.5 Waterkeringen Binnen het plangebied ligt een regionale waterkering op en langs de Stommeerweg, Kudelstaartseweg en de Herenweg. Ter bescherming van deze kering zijn op de Legger van het Hoogheemraadschap kern- en beschermingszones aangegeven. Op grond daarvan is een aantal werkzaamheden verboden teneinde het waterkerende vermogen van de kering niet aan te tasten.
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 35
HOOFDSTUK 3 BELEID Voor de wettelijk voorgeschreven waardering van functies in het plangebied, waarvan de inventarisatie is weergegeven in hoofdstuk 2. van deze toelichting, is de bepaling van de randvoorwaarden waarbinnen die waardering moet plaatsvinden, noodzakelijk. Dit kader wordt gevormd door de ruimtelijke randvoorwaarden die de andere overheden dan de gemeente hebben gesteld. De randvoorwaarden worden onderscheiden in die welke zijn gesteld in het beleid voor de ruimtelijke ordening zelf, en die welke in andere sectoren van overheidsbeleid zijn gesteld.
A. BELEID VAN DE GEMEENTE Met de volgende randvoorwaarden vanuit het ruimtelijke beleid van de overheid, is bij het opstellen van het bestemmingsplan rekening gehouden.
3.1 Structuurvisie Uiterweg Zoals vastgesteld door de raad van de gemeente op 23 april 2015 Met deze structuurvisie heeft de gemeente zich ten doel gesteld om voor het gebied van de Uiterweg een toekomstbestendig ontwikkelperspectief te schetsen, waarbij ruimtelijke en duurzame kwaliteit en economisch welvaren hand in hand gaan. De structuurvisie onderkent dat de ambitie van Aalsmeer Waterdorp, zoals neergelegd in de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020, in toenemende mate onder grote druk komt te staan. Economische zowel als demografische ontwikkelingen hebben er toe geleid dat de watersport allang geen groeisector meer is. Onder meer de vergrijzing van de watersport is een belangrijk punt van zorg. Dit stelt de gemeente voor de opgave de jachthavenbedrijven in het gebied te faciliteren bij het zoeken naar nieuwe verdienmodellen. Ook op andere terreinen dient zich een problematiek aan die dringend om oplossingen en regie vraagt, waaronder die van de vrijkomende kweekgronden. Veel ondernemers in het gebied zien geen toekomst meer in de (glas)tuinbouw. Dat vraagt om ingrijpen, anders zal het landschap in de loop van de tijd verrommelen. Ook zal er ingegrepen moeten worden om de unieke eilandenstructuur in de Westeinderplassen te behouden. Veel van de voormalige akkers zijn slecht beschoeid en de landen zullen, als er niets wordt gedaan, steeds verder afkalven.
Daarnaast stelt de verdergaande economische neergang van de van oudsher aanwezige trekheestercultuur de gemeente voor de uitdaging nieuwe bestemmingen te vinden voor voormalige agrarische gronden. Maar de structuurvisie ziet ook kansen. Door ruimte te bieden aan differentiatie en specialisatie van de bedrijfsvoering kunnen jachthavenbedrijven in staat worden gesteld om nieuwe produkt-markt-combinaties aan te bieden. Daarnaast liggen er kansen om te profiteren van de sterke groei in de verblijfsrecreatie. Voor deze sector zijn er in de gemeente weinig mogelijkheden, waardoor kansen niet of nauwelijks worden benut. Door in te zetten op (met name) watergerelateerd verblijfsrecreatie heeft de gemeente met de Westeinderplassen een belangrijke troef in handen om de ambitie van Aalsmeer als levendig en toeristisch waterdorp te verwezenlijken en de lokale economie te versterken. De visie geeft ook de (stedenbouwkundige) kaders waarbinnen de doorontwikkeling van het Uiterweggebied mogelijk wordt gemaakt. Deze kaders worden behandeld in paragraaf 4.1.2.2 van deze toelichting. Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 36
3.2 Gebiedsvisie Aalsmeer 2020
Zoals vastgesteld door de raad van de gemeente op 26 november 2009 De Gebiedsvisie Aalsmeer 2020 beoogt de ambite van 'Aalsmeer Waterdorp' verder gestalte te geven en Aalsmeer als aantrekkelijke waterrecreatiegemeente op de kaart te zetten. Het bloemenimago van Aalsmeer is als gevolg van de ontwikkelingen in deze sector in de richting van de toerist aan het verbleken. Het gebied rond de Westeinderplassen moet de spil vormen van het toeristisch recreatief profiel. Daarvoor is een kwaliteitsimpuls nodig, zodat recreatie en toerisme als belangrijke pijlers van de economie beter benut kunnen worden. De Gebiedsvisie ziet hiervoor belangrijke kansen. Om de ambitie verder vorm en inhoud te geven zijn de Bovenlanden in de Gebiedsvisie, samen met de Westeinderplassen, als ontwikkelgebied aangewezen. De hierboven genoemde structuurvisie Uiterweg is de uitwerking hiervan, althans voor wat betreft het gebied rond de Uiterweg. De oostelijke Bovenlanden (rond de Oosteinderweg) zijn in deze structuurvisie buiten beschouwing gelaten.
3.3 Ander beleid van de gemeente 3.3.1 Cultuurhistorische nota "Gebroken landen, geheelde gronden" Zoals vastgesteld door de raad van de gemeente op 29 maart 2012 De cultuurhistorische nota “Gebroken landen, geheelde gronden”, geeft ter voorbereiding op nader cultuurhistorisch beleid een beschrijving en analyse van cultuurhistorisch onderscheiden deelgebieden en bevat een aantal beleidsaanbevelingen ten behoeve van het behoud en de bescherming van cultuurhistorische waarden. In de nota wordt het gebied van de niet-verveende en hogere landen rond de oude ontginningslinten van de Uiterweg, evenals de Oosteinderweg, Calslagen en Kudelstaart, als ook de (verdwenen) Westeinderdijk tussen de kleine en de grote poel, onderscheiden als deelgebied met hoge cultuurhistorische waarde. De essentiële kenmerken van het deelgebied leiden tot de volgende beleidsaanbevelingen: 1. behoud en versterking van de karakteristieke bebouwingslinten en het bijbehorende verkavelingspatroon en bebouwingskarakteristiek; 2. behoud van het profiel en aanzien van de oude wegen zoals de Uiterweg en de Oosteinderweg, inclusief de nog aanwezige wegsloten; 3. behoud, versterking of ontwikkeling om te komen tot een redelijk “groen” aanzien van de achterkanten van de kavels in zijn totaliteit; 4. maatregelen voor het fysieke behoud van met name eilanden van de Westeinderdijk.
3.3.2 Nota Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is aangegeven dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid. Het gemeentelijk beleid van Aalsmeer is vastgelegd in de Beleidsnota Archeologie Gemeente Aalsmeer d.d. 24 juni 2010 met bijbehorende beleidskaart. Volgens deze kaart geldt voor het plangebied een middelbare tot hoge archeologische verwachtingswaarde (zie verder paragraaf 2.3.2 van deze toelichting).
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 37
3.3.3 Nota Lintenbeleid Zoals vastgesteld door de raad van de gemeente op 22 december 2011 en laatstelijk herzien is op 18 juni 2020 Het doel van de op 22 december 2011 vastgestelde beleidsnota “Ruimtelijke beoordeling bouwen in de Linten van Aalsmeer” is om te komen tot een helder toetsingskader voor het beoordelen van ontwikkelingen in woonlinten. Inzet van het beleid is om bestaande lintenstructuur te behouden en te versterken. De linten van Aalsmeer hebben van oorsprong een hoge cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteit. De in het plangebied gelegen linten van de Uiterweg, Kudelstaartseweg/Stommeerweg en Herenweg worden in de beleidsnota alle gerekend tot de historische woonlinten van Aalsmeer. Om de lintenstructuur te beschermen zijn in het lintenbeleid verschillende ruimtelijke en architectonische uitgangspunten geformuleerd waarmee bij ontwikkelingen in de linten rekening gehouden dient te worden. Naast algemene ruimtelijke voor- waarden die aan ontwikkelingen binnenlinten worden gesteld, gelden voor de verschillende linten tevens specifieke voorwaarden afgestemd op het oorspronkelijke kenmerkende karakter van het betreffende lint. 3.3.4 Groenvisie Zoals vastgesteld door de raad van de gemeente op 2 oktober 2014 Op 2 oktober 2014 heeft de raad van de gemeente Aalsmeer een visie op groen, natuur en openluchtrecreatie vastgesteld.
Deze Groenvisie bestendigt voor het gebied van de Uiterweg het ontwikkelperspectief van landschappelijk aantrekkelijk recreatiegebied. Speerpunten zijn versterking van zichtbaarheid en toegankelijkheid van de plas, het behoud van de eilandenstructuur en verbetering van het recreatieve produkt. Kansen voor de versterking van natuur en recreatie doen zich vooral voor bij de ontwikkeling van de Groene As. In de beleidsdoelstellingen wordt onderscheid gemaakt tussen de eilanden langs de Westeinderdijksloot en de Westeinderplassen enerzijds en de Bovenlanden anderzijds. Voor de eilanden zet de Groenvisie in op behoud van de eilandenstructuur, behoud en ontwikkeling van natuur en versterking van het extensieve recreatieve gebruik van de eilanden. Voor de Bovenlanden richt het beleid zich op behoud en versterking van het halfopen landschap, behoud en versterking van natuurwaarden en verbetering van recreatiemogelijkheden, met een accent op waterrecreatie en onder gelijktijdige verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent dat recreatieve ontwikkelingen landschappelijk worden ingepast. 3.3.5 Aalsmeers Verkeer- en Vervoerplan Zoals vastgesteld door de raad op 26 november 2009 Op genoemde datum heeft de gemeenteraad van Aalsmeer de “Kadernota verkeer en vervoer” (hierna te noemen: kadernota) vastgesteld.
Hierin staan de uitgangspunten en randvoorwaarden voor dit Aalsmeers Verkeer en Vervoerplan (het AVVP.) De omlegging van de N201 en de nieuwe invulling van het voormalige tracé van de N201 hebben ruimtelijke consequenties in Aalsmeer. Gevoegd bij de bestaande knelpunten in de verkeersnetwerken levert dit een aantal concrete opgaven op, die bepalend zijn voor het functioneren van het (toekomstige) verkeer- en vervoersysteem in Aalsmeer. Deze opgaven zijn te herleiden aan de thema's bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid. Voor de bereikbaarheid van Aalsmeer is de aanleg van de 'omgelegde N201' van cruciaal belang. Het zorgt voor een complete verandering van (doorgaande) verkeersstromen. Veel van de opgaven voor de toekomstige verkeersstructuur zijn te herleiden tot het dilemma tussen het bereikbaar willen houden van de gemeente,
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 38
zonder dat er te veel ongewenst verkeer door de kernen rijdt (leefbaarheid). Ook de lange gestrekte wegen (linten) binnen de gemeente maken een heldere keuze tussen de functie, vormgeving en het gebruik van de weg, noodzakelijk. Van belang daarbij is uiteraard het feit dat de Uiterweg een doodlopende weg betreft die uitsluitend een functie heeft voor het bestemmingsverkeer. De opties voor functie en gebruik zijn daardoor beperkt. Openbaar vervoer De gemeente Aalsmeer wil het regionale openbaar vervoer de komende jaren verbeteren. Er wordt onder andere een HOV-verbinding gerealiseerd in oost-westrichting via de bestaande N201. De lijnen 171 en 172 tussen Aalsmeer en Amstelveen blijven in principe gehandhaafd en worden zo hoogwaardig mogelijk uitgevoerd (snelheid, frequentie). Waar nodig en mogelijk worden op kruispunten en wegvakken aanvullende (optimaliserings)maatregelen getroffen. Daar waar de buslijnen elkaar kruisen is een nieuw busstation in Aalsmeer langs het tracé van de voormalige N201 (Burgemeester Kasteleinweg) voorzien. Fietsverkeer Op korte afstanden (< 7,5 kilometer) moet de fiets een serieus alternatief vormen voor de interne autoverplaatsingen. Aalsmeer moet daarom een herkenbare fietsinfrastructuur krijgen, waarbij - naast veiligheid - comfort en snelheid uitgangspunten zijn.
Dit betekent naast directe en veilige routes ook goede en voldoende stallingvoorzieningen bij de belangrijkste (publiekstrekkende) bestemmingen. Het gaat dan om zowel onbewaakte als (gratis) bewaakte stallingen. De aanleg van ontbrekende schakels in de regionale en lokale hoofdroutes heeft de hoogste prioriteit, omdat hiervan het meeste effect wordt verwacht. Onder ontbrekende schakels vallen ook kortsluitingen naar haltes van openbaar vervoer. Verbetering van recreatieve fiets- en wandelroutes heeft een lagere prioriteit en wordt daarom in combinatie met andere werken of onderhoud uitgevoerd. Parkeren Het beleid van de gemeente Aalsmeer is erop gericht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voldoende parkeervoorzieningen te realiseren, conform de vastgestelde Nota Parkeernormen 2016. Deze normen zijn gebaseerd op de landelijke parkeerkentallen van de CROW. Het parkeren ten behoeve van bedrijfsfuncties, met name die op bedrijventerreinen, dient in principe op eigen terrein plaats te vinden. 3.3.6 Intergemeentelijk ruimtelijk beleid De gemeente heeft geen regeling gesloten op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen. In het bestemmingsplan hoeft daarom geen afstemming plaats te vinden met intergemeentelijk ruimtelijk beleid. De Herenweg gaat in het westen over in de Burgemeester Bakhuizenlaan gelegen in de gemeente Kaag en Braassem.
Percelen aan de noordzijde hiervan strekken zich over beide gemeenten uit. In die zin is er een samenhang omdat er bijvoorbeeld één jachthaven op het grondgebied van beide gemeenten wordt geexploiteerd. Het bestemmingsplan zoekt in dit geval aansluiting bij de beleidsdoelstellingen van het geldende bestemmingsplan 'Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude' van de gemeente Kaag en Braassem.
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 39
3.3.7 Raadsmotie Integraal Lintenbeleid Op 18 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Aalsmeer de 'motie integraal lintenbeleid' aangenomen, waarin zij het college oproept zo spoedig mogelijk een integrale samenhangende visie voor alle gebieden ten aanzien van de Linten te ontwikkelen. Naar aanleiding van deze motie wordt separaat aan dit bestemmingsplan een werkwijze ontwikkeld die kijkt naar de regels en voorschriften die gelden voor de linten. Het doel is door middel van een “ja, mits” benadering (langlopende) handhavingszaken af te handelen. Deze benadering kan mogelijk leiden tot andere inzichten met betrekking tot bestaand beleid en regelgeving, o.a. ten aanzien van het bewonen en gebruiken van (bij)gebouwen, maar ook ten aanzien van verhardingen, steigers en recreatief gebruik. Uitgangspunt van deze benadering zal zijn dat bij (brand)onveilige situaties altijd direct handhaving zal plaatsvinden. Naar aanleiding en ter afdoening van deze motie heeft het college een aantal denkrichtingen uiteengezet om wonen achter de Linten van Aalsmeer mogelijk te maken. Hiermee wordt een volgende stap gezet in de denkrichting naar definitieve oplossingen.
Deze oplossingen worden gegeven in de vorm van procesvoorstellen voor (paraplu)bestemmingsplannen met de legalisatiemogelijkheid voor noodwoningen (1) en met het tijdelijk legaliseren van woonsituaties onder het persoonsgebonden overgangsrecht (2). Daarnaast heeft het college een beleidsregel vastgesteld omtrent mantelzorgwoningen (20 juli 2021) en is in het kader van de handhaving een beleidslijn Maatwerkregeling 'handhaving' woonsituaties Aalsmeer 2021 (20 juli 2021) vastgesteld (zie ook paragraaf 7.4 Het doel is om de procesvoorstellen voor de twee (paraplu)bestemmingsplannen in de komende periode tot uitvoering te brengen. Dit zal afhankelijk van de voortgang van de uitwerking onder de huidige wet of de Omgevingswet gebeuren.
B. BELEID VAN ANDERE OVERHEDEN Met de volgende randvoorwaarden vanuit het sectorale beleid van de regio, de provincie en het rijk is bij de opstelling van het bestemmingsplan rekening gehouden.
3.4 Beleid van de regio De gemeente maakt onderdeel uit van een plusregio als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen. In het bestemmingsplan is daarom afstemming met het volgende regionale beleid tot uitdrukking gekomen. Ook is rekening gehouden met het beleid van het samenwerkingsverband binnen Greenpoort Aalsmeer. 3.4.1 Regionale Agenda 2014-2018 Stadsregio Amsterdam Zoals vastgesteld door de Stadsregio Amsterdam op 9 december 2014 De gemeente Aalsmeer maakt deel uit van de Stadsregio Amsterdam, een samenwerkingsverband van 16 gemeenten in de regio Amsterdam. De Stadsregio Amsterdam werkt aan verbetering van de bereikbaarheid, de leefbaarheid en de ruimtelijke ontwikkeling van dit gebied. Het meerjarenbeleid ten aanzien van de diverse beleidsterreinen is vastgelegd in de Regionale Agenda, welke eens in de vier jaar bij de start van een bestuursperiode wordt vastgesteld. In deze Regionale Agenda zijn de volgende relevante ambities uitgesproken: <0000> zorgen voor de aanleg en herstructurering van bedrijventerreinen; <0000> het versterken van Schiphol, Haven en Greenport;
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 40
<0000> <0000> <0000> <0000>
stimuleren van de creatieve kenniseconomie; verbeteren van de onderwijs- en kennisinfrastructuur, verbeteren van het regionaal toeristisch product; aantrekken van meer internationale evenementen.
Om deze ambities te realiseren dient ervoor te worden gezorgd dat toeristen die naar Amsterdam komen ook activiteiten buiten de stad Amsterdam bezoeken door het continueren van ‘Amsterdam Bezoeken, Holland Zien’, onder meer door het versterken van de regionale bereikbaarheid (OV, toeristische fietsroutes).
3.5 Beleid van de provincie In het bestemmingsplan is afstemming met het volgende beleid van de provincie Noord-Holland tot uitdrukking gekomen.
3.5.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 Zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018 De "Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid" is op 19 november 2018 door Provinciale Staten van Noord-Holland vastgesteld. De Omgevingsvisie NH2050 betreft een structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening. In de Omgevingsvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en heeft zij tevens aangegeven hoe zij deze visie denkt te zullen realiseren. Het uitgangspunt van de omgevingsvisie is dat Noord-Holland een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau heeft. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. In de omgevingsvisie worden ambities genoemd op het gebied van de leefomgeving, het gebruik van de leefomgeving en de energietransitie. De ambities ten aanzien van de leefomgeving luiden als volgt. Een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland. In het kader van gezondheid en veiligheid, het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het vergroten van de biodiversiteit van Noord-Holland.
Voor het gebruik van de leefomgeving gelden de volgende ambities. Een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor, daardoor is er ruimte voor ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Verder wil de provincie vraag en aanbod van woon- en werklocaties beter afstemmen (kwantitatief en kwalitatief). Daarbij moet woningbouw, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends, vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden worden gepland. Duurzaamheid van de totale woningvoorraad is het uitgangspunt. De derde ambitie binnen deze categorie is het effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen van inwoners, bedrijven en producten van Noord-Holland, waarbij negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk worden meegewogen. Als laatste geldt het behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Voor energietransitie is de overkoepelende ambitie dat Noord-Holland in 2050 volledig klimaatneutraal is en gebaseerd op hernieuwbare energie. Daarom is er ruimte voor de
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 41
noodzakelijke energietransitie en daarvoor benodigde infrastructuur. Dit alles rekening houdende met de ambities voor verstedelijking en landschap. Conclusie Gelet op de geformuleerde ambitities wordt in dit plangebied geinvesteerd in het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving waarbij de landschappelijk en cultuurhistorische context als een dragende pijler wordt beschouwd. Vooral de Structuurvisie Uiterweg geeft aanknopingspunten voor een verdere (door)ontwikkeling van haar economische kansen. Deze zijn gericht op innovatief ruimtegebruik, intensiveren, herstructureren, kwaliteitsverbetering van recreatief aanbod en tuinbouwen watergerelateerde functies in combinatie met het uitbouwen van het Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen. 3.5.1.1 Behoud en ontwikkeling van natuurgebieden De Provincie stelt zich ten doel om ook in de toekomst een groen, aantrekkelijk en toegankelijk Noord-Holland te waarborgen. Dit doet zij door het realiseren van een provinciale groenstructuur voor mensen, dieren en planten. Bij het realiseren van deze groenstructuur zoekt de Provincie actief naar mogelijkheden om aanleg en financiering van natuur te koppelen aan andere ontwikkelingen. Hierbij wordt gezocht naar koppelingen met landbouw in het gebied voor gecombineerde landbouw, waterberging, landschapsbescherming en in sommige gevallen woningbouwontwikkeling.
Een belangrijk onderdeel van de provinciale groenstructuur is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN, waar ook natuurbruggen en natuurverbindingen deel van uitmaken, vormt een samenhangend netwerk van (inter-)nationaal belangrijke, duurzaam te behouden ecosystemen. Dit netwerk bestaat voor een groot deel uit reeds bestaande natuurgebieden en grote wateren. Daarnaast worden nieuwe natuurgebieden gerealiseerd. Het NNN wordt in de periode tot en met 2027 gerealiseerd. Het NNN wordt beschermd op grond van onze Provinciale Ruimtelijke Verordening. Een groot deel van het NNN is ook onderdeel van Natura2000, het Europese natuurnetwerk dat op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt beschermd. De Provincie Noord-Holland is in veel gevallen bevoegd gezag om een afweging te maken, als sprake is van ruimtelijke ontwikkelingen die strijdig zijn met de bijzondere kenmerken en waarden van het natuurgebied. Doorgaans zijn dergelijke ontwikkelingen niet toegestaan. Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen, die een negatief effect hebben op natuurgebieden, toch moeten doorgaan vanwege een groot maatschappelijk belang en gebrek aan alternatieve locaties, wordt de schade aan de natuur zoveel mogelijk gemitigeerd en gecompenseerd.
3.5.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening Zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Holland op 3 september 2019 In de provinciale ruimtelijke verordening is het ruimtelijke beleid in regels vertaald. Het betreft regels omtrent de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen over onderwerpen in zowel het landelijke als het bestaand stedelijk gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Onderwerpen van provinciaal belang zijn onder meer volumineuze detailhandel op bedrijventerreinen, grootschalige (perifere) detailhandel, locaties voor bedrijventerreinen en kantoorlocaties binnen bestaand stedelijk gebied, het bouwen van woningen of bedrijventerrein in landelijk gebied, 'groene ruimten' zoals nationale landschappen en rijksbufferzones, 'blauwe ruimten' zoals waterkeringen en energie (zoals de bouw van windmolens).
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 42
Op 3 september 2019 hebben Provinciale Staten de meest recente wijziging van de PRV vastgesteld. In deze wijziging zijn onder andere regels voor glastuinbouwconcentratiegebieden aangepast en is de formele naamswijziging van Ecologische Hoofdstructuur naar Natuurnetwerk Nederland doorgevoerd. Op 16 november 2020 is de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. Deze verordening volgt de PRV op. Artikel 12.2 voorziet in een overgangsbepaling. Op dit bestemmingsplan is de overgangsbepaling 12.2 lid 1 onder b. van toepassing. Het ontwerp van dit plan is onder de werkingssfeer van de PRV ter inzage gelegd en is vastgesteld binnen 2 jaar nadien. De regels uit de PRV zijn daarom van toepassing op dit plan. 3.5.2.1 Regels voor het gehele grondgebied Het uitgangspunt is dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals bedoeld in artikel 1.1.1, onder i. van het Besluit ruimtelijke ordening, in overeenstemming zijn met regionale afspraken (artikel 5a). Daarnaast stelt de PRV regels voor detailhandel (art. 5b), kleinschalige ontwikkelingen (art. 5c), transformatie van glastuinbouw (art. 5d) en woningen binnen de 20 Ke-zone (art. 5e). Gedeputeerde Staten hebben op 28 februari 2017 nadere regels vastgesteld om deze regionale afspraken te concretiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de toevoeging van een stedelijke ontwikkeling. Binnen het plangebied ligt een aardkundig waardevol gebied.
Artikel 8 van de PRV stelt dat in de toelichting van een bestemmingsplan dient te worden aangegeven in hoeverre rekening gehouden wordt met deze bijzondere waarden zoals deze zijn beschreven in het bijlage-rapport Actualisatie Intentieprogramma Bodembeschermingsgebieden (11 mei 2004, Provincie Noord-Holland). Paragraaf 2.3.4 van deze toelichting geeft inzicht in de aardkundige waarden. Paragraaf 2.5 beschrijft in hoeverre hier rekening mee wordt gehouden. Het plan is dan ook niet in strijd met artikel 8. Bestaand stedelijk gebied/Landelijk gebied De PRV maakt onderscheid tussen bestaand stedelijk gebied (BSG) en Landelijk gebied. Tot BSG wordt gerekend het gebied als bedoeld in artikel 1.1.1 onder h. van het Besluit ruimtelijke ordening: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het BBG/BSG wordt ook niet langer aangeduid op een illustratieve kaart bij de PRV. In beginsel worden er binnen BSG geen regels gesteld met betrekking tot verstedelijking. Enkel als het gaat om het vestigen van detailhandel op bedrijven- of kantoorlocaties (art. 5b). In ieder geval is er altijd een regionale afstemming nodig bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen.
Dit is anders voor het landelijk gebied waar verschillende vormen verstedelijking in principe worden tegengegaan. 3.5.2.2 Regels voor het Landelijk Gebied De provincie Noord-Holland wil de kwaliteit en diversiteit van het Noord-Hollands landschap en de dorpen daarin behouden en ontwikkelen. Het uitgangspunt 'behoud door ontwikkeling' en 'ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit' heeft een belangrijke plek gekregen in de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Daarmee wil de provincie met haar beleid ten aanzien van cultuurhistorie en landschap aansluiting zoeken bij het gedachtengoed zoals dat aanvankelijk in de Nota Belvedère (1999) is vastgelegd. Artikel 15 van de PRV bepaalt dat voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied, ofwel buiten het bestaande stedelijke gebied, dient te worden voldaan aan een ruimtelijke kwaliteitseis. Deze kwaliteitseis is beschreven in de Leidraad
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 43
Landschap en Cultuurhistorie, zoals beschreven in paragraaf 3.5.3 van deze toelichting. Dergelijke nieuwe ontwikkelingen dienen rekening te houden met (afwijken is mogelijk, maar moet goed woren gemotiveerd): a. de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble, en; b. de ambities en ontwikkelprincipes van de toepasselijke provinciale structuren. Hierbij moeten worden betrokken (aandacht besteden aan, maar het heeft geen bijzondere of verzwaarde status in de belangenafweging): a. de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; b. de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van de toepasselijke ensembles, en; c. de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van de toepasselijke provinciale structuren. De toelichting van een bestemmingsplan dient aan te geven op welke wijze met de bovengenoemde aspecten rekening is gehouden of op welke wijze hieraan aandacht is besteed. Het gebied maakt deel uit van het ensemble 'Aalsmeer-Uithoorn' en binnen het plangebied ligt de 'Stelling van Amsterdam' als Provinciale structuur. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ruimtelijke stedelijke ontwikkelingen mogelijk binnen het Landelijk gebied, zodat een specifieke toets aan deze uitgangspunten achterwege kan blijven.
3.5.2.3 Regels voor de Groene ruimte Artikel 19 van de PRV geeft regels voor het behoud en de ontwikkeling van Natuurnetwerk Nederland (NNN) en natuurverbindingen. Het plangebied kent grote oppervlakten die tot het NNN behoren, zoals de zuidelijk gelegen rietlanden, het water van de Westeinderplassen en de centraal gelegen eilanden. Voorts komen langs de Ringvaart nog versnipperde percelen voor die zijn aangewezen als NNN. Daarnaast bevindt zich in het plangebied een natuurverbinding, voorheen ecologische verbindingszone. Deze loopt in zuidwestelijke richting over de Kleine Poel naar de Grote Poel. Een andere ecologische verbindingszone is gelegen over de Haarlemmer Ringvaart. Deze verbindingszone is gelegen in de gemeente Haarlemmermeer, en dus buiten het plangebied. De toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te geven van de kenmerken en waarden van de NNN en de natuurverbindingen (zie paragraaf 2.3.1.2), de wijze waarop deze kenmerken en waarden beschermd worden en hoe negatieve effecten kunnen worden voorkomen (zie paragraaf 2.3.1.3). 3.5.2.4 Regels voor de Blauwe Ruimte Artikel 30 van de PRV geeft regels voor de aanwezige regionale waterkeringen. De waterkerende functie dient in het bestemmingsplan beschermd te worden door middel van een vrijwaringszone.
Het opnemen van de vrijwaringszone in een bestemmingsplan is vooral bedoeld om het overleg tussen waterbeheerder en gemeenten te faciliteren. Binnen het plangebied worden de Aalsmeerderdijk/Leimuiderdijk (noordzijde) en Stommeerweg/Herenweg/Kudelstaartseweg (oost-/zuidzijde) aangemerkt als een regionale waterkeringen. 3.5.2.5 Recreatiewoningen Artikel 18 van de PRV bepaalt onder meer dat een bestemmingsplan niet mag voorzien in de mogelijkheid van permanente bewoning van recreatiewoningen en stacaravans. Voorts dient het bestemmingsplan regels te stellen ter waarborging van een bedrijfsmatige exploitatie. Een bestemmingsplan dat - na toepassing van artikel 5a of artikel 5c (PRV) - de oprichting van een nieuw complex van recreatiewoningen mogelijk maakt, stelt regels
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 44
ter waarborging van een bedrijfsmatige exploitatie van het complex en het voorkomen van permanente bewoning van de recreatiewoningen. 3.5.2.6 Stelling van Amsterdam Het plangebied is gelegen binnen een als zodanig door UNESCO aangewezen erfgoed van uitzonderlijke universele waarden (Stelling van Amsterdam). Op grond van artikel 21 van de PRV dienen in het bestemmingsplan regels opgenomen te worden ten behoeve van het behoud of versterking van de geldende kernkwaliteiten, zoals omschreven in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Een bestemmingsplan mag uitsluitend voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies binnen de door UNESCO aangewezen gebieden voor zover deze de kernkwaliteiten van de erfgoederen behouden of versterken, als bedoeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. 3.5.3 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland op 10 april 2018 Noord-Holland biedt een rijke variatie aan landschappen, kernen en cultuurhistorische monumenten. Er zijn wadden, duinen, polders, heidevelden, veenweiden en droogmakerijen. De provincie onderscheidt zich door zijn openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Elk deel heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis, die vaak nog goed afleesbaar is in het landschap.
Het huidige landschap van Noord-Holland is een erfenis met een grote aantrekkingskracht op mensen die in de provincie wonen, werken en recreëren. De hoge kwaliteit ervan draagt bij aan het economische vestigingsklimaat in de provincie. Het landschap is echter een dynamische leefomgeving die al sinds mensenheugenis verandert en dat ook zal blijven doen. De provincie wil dan ook ruimte blijven bieden aan nieuwe ontwikkelingen, op een manier die bijdraagt aan de waarden en kwaliteiten van het landschap en waarbij de ontstaansgeschiedenis herkenbaar blijft. Nieuwe ruimtelijke plannen moeten de ontwikkelingsgeschiedenis, de bebouwingskarakteristiek en de inpassing in de wijdere omgeving als uitgangspunt hanteren. Meetpunt hiervoor is deze beleidsnota, waarin de eisen voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit zijn vastgelegd. Voor het plangebied is één relevante structuur (Stelling van Amsterdam) en één relevant ensemble (Aalsmeer - Uithoorn) beschreven. Stelling van Amsterdam Deze structuur bestaat uit twee militaire verdedigingsgordels uit de laat-19e, vroeg-20e eeuw. De verdediging werd uniek vormgegeven, met gebruikmaking van de karakteristieken van het omringende landschap en door het onder water zetten (inundatie) van het land. Dit is de reden dat de linies tevens zijn opgenomen in de Werelderfgoedlijst van UNESCO.
De waterlinies zijn van groter belang dan enkel als krijgskundig monument. Ze brengen ook op markante wijze landschappelijke samenhang tot expressie en zijn daarmee een verrijking van het cultuurlandschap. Naast hun cultuurhistorische en landschappelijke betekenis vormen de linies een 'stiltelandschap' waar openheid en rust te ervaren zijn. De verdedigingslinie was 135 kilometer lang en bestond uit 46 forten. Fort Kudelstaart is onderdeel van de Stelling van Amsterdam. Bij de doorsnijdingen van de linie en op zichtafstand van elkaar werden forten gebouwd, van waar ook de geïnundeerde vlakte onder vuur genomen kon worden. Naastgelegen forten konden elkaar flankerend vuur geven. In de schootsvelden van de forten golden dan ook 'verboden kringen' (300, 600, 1000 m) als zones met beperkingen ten aanzien van bebouwing en beplanting. Van belang voor het plangebied is het vergroten van de herkenbaarheid van de forten. Het contrast tussen de front- (aarde, water) en de keelzijde (beton, staal) is een belangrijk
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 45
onderdeel hiervan. Daarnaast dient er historisch verantwoorde beplanting gebruikt te worden op de forten. Uit onderzoek is gebleken dat de forten een vaste beplantingsstructuur hadden. Aalsmeer Uithoorn Het ensemble Aalsmeer-Uithoorn ligt ten zuidwesten van Amsterdam en tussen de ensembles Haarlemmermeerpolder en Amstelscheg. Dit ensemble bevat een complex samenstel van droogmakerijenlandschap en veenpolderlandschap met plassen, ontginningslinten en restanten van het voormalige veenontginningslandschap (veenbovenlanden). Het veenpolderlandschap reikt van Aalsmeer tot Amsterdam en bestaat uit een samenstel van het veenbovenland met ontginningslinten (Aalsmeer en Amstelveen), het grote open water van de (uitgeveende) Westeinderplassen en de Nieuwe Meer. Langs de ontginningslinten van Aalsmeer (Uiterweg, Oosteinderweg) liggen tuinderijen op de restanten veenbovenland en petgaten. Aan de westrand van het ensemble vormen de ringvaart en de ringdijk van de Haarlemmermeer samen een ruimtelijke drager. Aan de noordzijde van de Westeinderplas bevindt zich een langgerekt eilandenrijk van veenbovenlanden met verspringende kavels. Het bestaat uit een dubbele reeks eilanden in dezelfde zuidwest-noordoostrichting Deze vormen een aantrekkelijke (recreatieve) zone tussen Amsterdam en het Groene Hart.
De Bovenlanden en de Westeinderplassen vormen een belangrijke ecologische en recreatieve verbinding tussen Amsterdam en het Groene Hart. Het zichtbaar houden van de Westeinderplas en het vergroten van de toegankelijkheid van het water is een belangrijk speerpunt uit de Leidraad. Door niet direct langs het water te ontwikkelen en de oevers in te richten als openbare ruimte kan het zicht op de plas vanaf de Kudelstaartseweg en de Herenweg behouden blijven.
3.6 Beleid van het Rijk In het bestemmingsplan is afstemming met het volgende ruimtelijk beleid van het rijk tot uitdrukking gekomen.
3.6.1 Structuurvisie(s) van het rijk 3.6.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de structuurvisie is aangegeven dat het Rijk drie hoofddoelen heeft: 1. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; 2. het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; 3. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen voort die van nationaal belang zijn. 3.6.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, worden daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 46
ordening (Barro), de Amvb Ruimte. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts dertien nationale belangen De Amvb is gericht op doorwerking van deze belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Vertrouwen in medeoverheden is de basis voor het decentraliseren van beslissingsbevoegdheid. Om die reden bevat de SVIR een beperkter aantal nationale belangen dan voorheen en bevat de Amvb Ruimte minder regels dan eerder was voorgenomen. Het Rijk gaat er vanuit dat de nationale ruimtelijke belangen die via weten regelgeving aan andere overheden opgedragen worden door hen goed worden behartigd. Waar de Amvb Ruimte bepalingen bevat aangaande gemeentelijke bestemmingsplannen gaat het Rijk er vanuit dat deze doorwerking krijgen. Het Rijk zal de bestemmingsplannen dan ook niet (tijdens de vaststellingsprocedure) toetsen op een correcte doorwerking van nationale ruimtelijke belangen. Wel zal het Rijk door middel van systeem- of themagerichte onderzoeken achteraf nagaan of bestemmingsplannen aan nationale wet- en regelgeving voldoen. Geen van de in het Barro geregelde onderwerpen heeft betrekking op het plangebied en de ruimtelijke ontwikkeling die daar is voorzien.
Het bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met de doelstellingen die vanuit het rijksbeleid zijn gesteld. 3.6.2 Luchthavenindelingbesluit Schiphol Het plangebied is gelegen in de nabijheid van de luchthaven Schiphol en daardoor gelegen in het beperkingengebied van het Luchthavenindelingbesluit (LIB). Het LIB legt beperkingen op aan ruimtelijke ontwikkelingen. Het betreft daarbij beperkingen met betrekking tot bouwhoogtes en beperkingen met betrekking tot functies. Het oorspronkelijke Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) is op 31 augustus 2004 gewijzigd in werking getreden. Met het LIB wordt in kaartmateriaal een zogenaamd beperkingengebied vastgesteld. Het LIB bevat voor dat beperkingengebied regels waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bebouwing en het gebruik van gronden, voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidsbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven Schiphol. Per 4 november 2015 is een wijziging van het Luchthavenindelingbesluit (LIB) in werking getreden (zie Staatsblad met nr. 389). Doel van deze wijziging is om de vliegveiligheid rondom Schiphol in afdoende mate te borgen. Hiervoor zijn de zogenaamde toetshoogtes in de omgeving van Schiphol aanzienlijk verlaagd. Bestemmingsplannen dienen deze verlaagde toetshoogtes in acht te nemen.
Gebouwen hoger dan de toetshoogtes kunnen alleen toegestaan worden indien het Rijk hiervoor een verklaring van geen bezwaar (vvgb) heeft afgegeven. Het instrument 'radar advies' is een nieuw instrument naast het reeds bestaande vvgb. Voor de radartoets gelden afzonderlijke toetshoogtes; deze zijn opgenomen in een nieuwe kaart in bijlage 4a bij het LIB. De procedures - in het kader van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een vvgb en een radaradvies gelden allebei afzonderlijk van elkaar maar kunnen ook samenvallen wanneer verschillende toetsvlakken worden doorsneden. De hierboven genoemde beperkingen betreffen: <0000> de bebouwing en het gebruik van grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchtverkeer (artikel 2.2.1, 2.1.1b); <0000> de bebouwing en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchtverkeer (artikel 2.2.1a, 2.2.1c);
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 47
<0000> <0000>
de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchtverkeer (artikel 2.2.2, 2.2.2a); bebouwing die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchtverkeer (artikel 2.2.3).
Op 1 januari 2018 is het gewijzigde LIB in werking getreden. De regelwijziging ziet op een eigen bevoegdheid voor het lokaal bestuur om binnen bestaand stedelijk gebied woningen toe te voegen. In het gebied binnen zone 4 blijft wel de grens van 25 woningen of 3 woningen binnen lintbebouwing per bouwplan gehandhaafd. In het bestaand stedelijk gebied tussen de grens van zone 4 en de 20 Ke-contour gelden nu en ook onder het regime van het nieuwe LIB geen kwantitatieve beperkingen aan woningbouw (artikel 2.2.1d). In het landelijk gebied zal een verbod op nieuwe woningbouwlocaties worden verankerd in het LIB. Conclusie Een groot deel van het plangebied is gelegen binnen zone 4 van het Luchthavenindelingbesluit (artikel 2.2.1c). Daarnaast is een deel van het plangebied gelegen binnen zone 5 van het Luchthavenindelingbesluit (artikel 2.2.1d). Binnen het plangebied gelden beperkingen ten aanzien van hoogte variërend van 23 tot maximaal 134 meter (artikel 2.2.2). In het overgrote deel van het plangebied zijn geen vogelaantrekkende functies toegestaan (artikel 2.2.3), zoals: industrie in de voedingssector met extramurale opslag of overslag, viskwekerijen met extramurale bassins, opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking, natuurreservaten of vogelreservaten, moerasgebieden of oppervlaktewater groter dan 3 hectare.
Op het plangebied ligt een gebiedsaanduiding ten behoeve van deze hoogtebeperkingen (toets- en radarhoogten) en beperkingen voor vogelaantrekkende bestemmingen. Er mogen geen gebouwen of bouwwerken worden gerealiseerd die hoger zijn dan op bijlage 5 en 6 van de planregels staat aangegeven, hier wordt aan voldaan. Tevens zijn binnen het plangebied geen bestemmingen aanwezig die een vogelaantrekkende werking hebben. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het luchthavenindelingbesluit. 3.6.3 Nota Belvedère In 1999 is de Nota Belvedère verschenen. Doel van de nota is de cultuurhistorische identiteit meer richtinggevend te laten zijn voor de inrichting van de ruimte. Uitgangspunt van deze nota is behoud door ontwikkeling. Het programma heeft gedraaid tot en met 2009. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Stichting Erfgoed Nederland werken nu verder aan de ontwikkeling in het denken over erfgoed en ruimte. De beleidsdoelen zijn voortgezet en geborgd in de Modernisering van de Monumentenzorg en de Beleidsvisie Erfgoed en Ruimte (2011) van het Ministerie van OC&W als aanvulling op de SVIR. Delen van de gemeente Aalsmeer vallen binnen het Belvedère-gebied Stelling van Amsterdam. De Stelling van Amsterdam is daarnaast in 1996 op de Lijst van het Werelderfgoed van de Unesco geplaatst en tevens als Nationaal Landschap aangewezen.
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 48
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 49
HOOFDSTUK 4 PLANINHOUD
Na de formele beschrijving van het bestemmingsplan en het onderzoek naar de functies in het plangebied, vindt in dit hoofdstuk de verantwoording van de met dit bestemmingsplan gemaakte keuze van bestemmingen plaats. Deze zogenaamde waardering van functies vindt plaats door de thans aanwezige functies te confronteren met het ruimtelijke beleid dat de gemeente voor het plangebied voorstaat. Het kader van deze matching wordt gevormd door het technische onderzoek binnen het plangebied en de hiervoor genoemde ruimtelijke randvoorwaarden.
A. PLANVISIE In de volgende paragrafen wordt het ruimtelijke beleid beschreven dat de gemeente voor het plangebied voorstaat (de zogenaamde planvisie). Tot het beleid van de gemeente wordt tevens beleid van andere overheden gerekend dat door het gemeentebestuur als zodanig is overgenomen.
4.1 Algemeen Zoals beschreven in paragraaf 1.1 van deze toelichting heeft het bestemmingsplan primair als doel om het plangebied te voorzien van een actueel planregime. Vanuit deze conserverende doelstelling zullen de bestaande functies in het plangebied in beginsel positief worden bestemd. Voorts heeft afstemming plaatsgevonden met het nieuwe ruimtelijke beleid dat de gemeente voor het plangebied voor ogen heeft. Dit betreft het beleid dat jonger is dan de datum van de voorheen geldende bestemmingsplannen. Naast het conserverende en nieuwe beleid wordt ook een doorzicht beschreven van de toekomstige planontwikkeling die de gemeente voorstaat. Deze planontwikkeling is gebaseerd op het nieuwe beleid voor het plangebied maar wordt nog niet in dit bestemmingsplan geregeld. Tenslotte heeft in het bestemmingsplan afstemming plaatsgevonden met de actuele wet- en regelgeving. 4.1.1 Conserverend beleid Het (conserverend) bestemmen van de bestaande functies in het plangebied is overwegend gebaseerd op: 1. het beleid dat ten grondslag lag aan de voorheen vigerende bestemmingsplannen, met name de bestemmingsplannen "Uiterweg Plasoevers 2005" en "Woonarken"; 2. het beleid dat de motivering (ruimtelijke onderbouwing) vormde van de vrijstellingen en ontheffingen waarmee in het verleden van dit bestemmingsplan is afgeweken.
4.1.2 Nieuw beleid Het nieuwe ruimtelijke beleid voor het plangebied kan worden onderscheiden in de volgende onderdelen. Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 50
4.1.2.1 Algemeen Specifiek voor woonbebouwing in de linten heeft de gemeenteraad op 18 juni 2020 de beleidsnota "2e herziening Ruimtelijke beoordeling bouwen in de Linten van Aalsmeer" vastgesteld. Deze beleidsnota geeft regels voor de gewenste bebouwingsmassa en verschijningsvorm van de woningen langs een aantal linten binnen de gemeente. Deze beleidsnota heeft, voor zover het dit bestemmingsplan betreft, vooral betrekking op het woonlint van de Uiterweg. De nota lintenbeleid is reeds beschreven in paragraaf 3.3 van deze toelichting. De andere in deze paragraaf beschreven beleidsnota's hebben als bouwsteen gediend voor de structuurvisie Uiterweg. Deze structuurvisie wordt behandeld in de navolgende paragraaf. Naast de relevente beleidsnota's heeft in het bestemmingsplan ook afstemming plaatsgevonden met de 'Beleidsregels planologische afwijkingen'. Deze beleidsregels hebben vooral betekenis voor de planologische regeling van dakkapellen, erkers en het vestigen van een bed and breakfast. Het laatstgenoemde thema heeft ook betekenis voor jachthavens. 4.1.2.2 Structuurvisie Uiterweg Doelstelling van de structuurvisie Het nieuwe ruimtelijke beleid voor het plangebied is hoofdzakelijk neergelegd in de structuurvisie Uiterweg, zoals vastgesteld door de raad van Aalsmeer op 23 april 2015.
Deze visie is als ruimtelijke randvoorwaarde reeds aan de orde gekomen in paragraaf 3.1 van deze toelichting en heeft betrekking op het gehele plangebied met uitzondering van de Grote Poel en de plasoevers. Zoals gememoreerd heeft de gemeente zich met de visie ten doel gesteld om voor het gebied van de Uiterweg een toekomstbestendig ontwikkelperspectief te schetsen, waarbij ruimtelijke en duurzame kwaliteit en economisch welvaren hand in hand gaan. De visie maakt duidelijk waar de gemeente met het gebied naartoe wil en geeft daarvoor de kaders en de spelregels. Deze zijn onder meer beschreven als ontwikkelstrategieën en stedenbouwkundige randvoorwaarden. Voor een deel zijn deze verder uitgewerkt op het niveau van de verschillende deelgebieden van het Uiterweggebied (gebiedspaspoorten). Het beleid van de structuurvisie is ontwikkeld vanuit het besef dat de gemeente volledig afhankelijk is van de grondeigenaren en initiatiefnemers in het gebied om de ambitie voor de toekomst te verwezenlijken. De gemeente nodigt hen daarom ook uit om met concrete plannen te komen voor de verdere ontwikkeling van hun bedrijven en de transformatie van gronden en gebouwen. Het is aan de gemeente om richting te geven en binnen de grenzen van het aanvaardbare, daarin te faciliteren. De structuurvisie biedt uitdrukkelijk geen blauwdruk voor de toekomst, maar zet een stip op de horizon.
De uitdagingen voor het gebied zijn immers te groot en de samenleving te zeer in beweging, om tot in detail ontwikkelingen te kunnen voorspellen, uitwerken en vastleggen. De structuurvisie is dan ook vooral een kompas. Het biedt duidelijkheid over de speelruimte voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is een koers- en inspiratiedocument voor investeringen in het fysieke domein op het gebied van onder meer wonen, werken, natuur, sport en recreatie. Een document dat private partijen uitdaagt om initiatieven te nemen en te realiseren. De visie legt niet aan de voorkant alles vast, maar biedt - binnen kaders - ruimte voor dynamiek en maatwerk.
Vastgesteld Toelichting Uiterweg Plasoevers 2021
pagina 51
Ontwikkelstrategieën De ruimtelijke ambities die de structuurvisie nastreeft zijn doorvertaald in een aantal ontwikkelstrategieën. Deze vallen uiteen in een basisstrategie en een topstrategie. De basisstrategie richt zich op een aantal acute problemen en knelpunten dat het gebied in zijn greep houdt. De strategie streeft naar een vitaal plassengebied met een ruimtelijke basiskwaliteit. De oplossing wordt gevonden in initiatieven die een kwalitatieve of een economische meerwaarde opleveren. Wanneer we deze twee dimensies in een schema plaatsen, ontstaan vier kwadranten. Het eerste kwadrant heeft betrekking op kleinschalige initiatieven die nauwelijks enige meerwaarde opleveren. Aan dergelijke initiatieven wordt in principe geen medewerking verleend. Het tweede kwadrant heeft betrekking op initiatieven met enkel een economische meerwaarde. Een voorbeeld hiervan is de doorontwikkeling van jachthavens conform de basisstrategie voor het toeristisch-economische profiel. De nadruk ligt daarbij meer op de consumptieve bestedingen en de totaal-beleving van verblijf en waterrecreatie. Ontwikkelingen van het tweede kwadrant mogen in beginsel rekenen op medewerking. Het derde kwadrant faciliteert ontwikkelingen die louter een kwalitatieve meerwaarde opleveren. Een voorbeeld hiervan is de transformatie van vrijkomende kweekgronden naar groen en natuur. Dit gaat uiteraard niet vanzelf.