CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbestemmingsplan (toelichting, regels + bijlagen)_Optimized.pdf

1c.Commissie Ruimte en Economie - historie tot 10-03-2022 16 juni 2021, gemeente aalsmeerBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Uiterweg 116a- Marinapark, aanvullende welstandscriteria25.653 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

TOELICHTING

BESTEMMINGSPLAN

Uiterweg 116A - Marinapark Herziening Uiterweg Plasoevers 2005 - Uiterweg 116a

(ontwerp)

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 1

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Geldende bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer HOOFDSTUK 2 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE PLANGEBIED 2.1 Algemene beschrijving van het plangebied 2.2 Soorten van functies in het plangebied HOOFDSTUK 3 VISIE PLANGEBIED HOOFDSTUK 4 PLANOPZET 4.1 Algemeen 4.2 De bestemmingen 4.3 De planverbeelding HOOFDSTUK 5 BELEIDSKADER 5.1 Inleiding 5.2 Rijksbeleid 5.3 Provinciaal beleid 5.3.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening 5.4 Gemeentelijk beleid HOOFDSTUK 6 OMGEVINGSKWALITEIT 6.1 Water 6.2 Geluid 6.3 Luchtkwaliteit 6.4 Externe veiligheid 6.5 Flora en fauna 6.6 Archeologie 6.7 Bodem 6.8 Verkeer en parkeren 6.9 Bedrijven en milieuzonering 6.10 Vormvrije m.e.r-beoordeling HOOFDSTUK 7 UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Uiterweg 116A - Marinapark

3 3 3 3 4 6 6 6 8 11 11 11 13 15 15 15 17 17 20 27 27 30 31 32 33 34 36 37 38 39 42 42 42

pagina 2

HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doelstelling Voor de gronden van de voormalige jachthaven 'de Aardbei' aan de Uiterweg 116a in Aalsmeer bestaat een initiatief tot herontwikeling van het terrein voor (hoogwaardige) verblijfsrecreatie. In verband hiermee zal het van oudsher aanwezige jachthavenbedrijf plaatsmaken voor een recreatieterrein met maximaal negentig recreatieverblijven, een receptiegebouw, parkeervoorzieningen en aanlegplaatsen voor recreatievaartuigen. De beoogde ontwikkeling past niet in het vigerende bestemmingsplan 'Uiterweg-Plasoevers 2005', dat momenteel integraal wordt herzien. Daar de herontwikkeling van de gronden aan de Uiterweg 116a in een dermate gevorderd stadium is, kan niet worden gewacht totdat de integrale herziening van het bestemmingsplan is afgerond en wordt de beoogde ontwikkeling mogelijk gemaakt met het thans voorliggende bestemmingsplan.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het gebied van het bestemmingsplan (hierna: plangebied) heeft betrekking op de gronden aan de Uiterweg 116a, kadastraal bekend als AMR03, sectie H, nummers 821, 2150, 2153, 3342, 3343, 3380 en 3571. De gronden zijn gelegen achter het woonlint van de Uiterweg en worden aan de noordzijde begrensd door de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder. De west- en oostzijde van het plangebied wordt op natuurlijke wijze begrensd door de naastgelegen waterstroken. De keuze van deze plangrenzen is primair ingegeven door de begrenzing van het beoogde recreatieterrein, met inbegrip van het aangrenzende water en de als 'natuur' in te richten strook langs de Ringvaart. Bij de bepaling van de plangrenzen zijn de woningen nabij de toegang van het terrein, waaronder die aan de Uiterweg 116, buiten het plangebied gehouden. Deze woningen maken geen onderdeel uit van de planontwikkeling. De rijwegen die zijn bedoeld voor de ontsluiting en bereikbaarheid van de toekomstige recreatiepercelen, zijn wel binnen het plangebied gebracht.

1.3 Geldende bestemmingsplan Tot aan het moment dat het voorliggende bestemmingsplan in werking is getreden is binnen het plangebied het bestemmingsplan “Uiterweg Plasoevers 2005”, zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Aalsmeer op 18 december 2006 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland op 12 juni 2007 van kracht. Het bestemmingsplan is op 3 september 2008 bij uitspraak van de Raad van State onherroepelijk geworden.

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 3

Ligging plangebied in het geldende bestemmingsplan “Uiterweg Plasoevers 2005” De huidige bestemming is ‘Jachthaven I’ en ‘Agrarische doeleinden’. Het initiatief past niet binnen de bouw- en gebruiksmogelijkheden die mogelijk zijn op basis van dit bestemmingsplan. Om het initiatief mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

1.4 Leeswijzer

Na de inleiding in dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de beschrijving van de bestaande situatie gegeven. Hoofdstuk 3 beschrijft het ruimte gebruik voor de komende tien jaar. Hoofdstuk 4 bevat de juridische vertaling van de visie van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 en 6 komen de relevante beleidskaders en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan bod. Hoofdstuk 7 tot slot beschrijft de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief.

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 4

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 5

HOOFDSTUK 2 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE PLANGEBIED 2.1 Algemene beschrijving van het plangebied

De bestaande inrichting van het plangebied laat duidelijk de gebruiksporen zien van het voorheen aanwezige jachthavenbedrijf. De activiteiten van het bedrijf zijn inmiddels beëindigd. De zuidzijde van het plangebied wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van voormalige bedrijfsgebouwen in de vorm van boothuizen, loodsen en werkruimten. De tussengelegen gronden zijn grotendeels voorzien van oppervlakteverhardingen. Het overige deel van het plangebied bestaat uit enkele losse enclaves die door middel van loopbruggen over het water met elkaar zijn verbonden. Deze enclaves hebben een overwegend groene invulling met grasland en opgaande beplanting. Ook is diverse bebouwing aanwezig. De tussengelegen watergangen geven (mede) vorm aan de typische verkavelings- en slagenstructuur die kenmerkend is voor het gehele Uiterweggebied. Als jachthaven werd het plangebied bovendien gekenmerkt door de aanwezigheid van een groot aantal ligplaatsen voor pleziervaartuigen. Deze ligplaatsen met bijbehorende voorzieningen zijn inmiddels verwijderd. Het plangebied ligt langs de Uiterweg. De Uiterweg is één van de oudste linten in Aalsmeer met oorspronkelijk aan beide zijden een sloot en aan beide zijden bebouwing. De sloot aan de noordzijde is in 1949 gedempt.

De kavelsloten liggen haaks op de weg en de woonbebouwing wordt afgewisseld door voormalige boerderijen die veelal als rijksmonument zijn aangewezen. Het is het enige lint in de gemeente waar de zogenaamde langhuisboerderijen voorkomen. De Uiterweg wordt gekenmerkt door een diversiteit aan architectuur. De bedrijfsbebouwing achter de woonbebouwing bestaat voornamelijk uit kassen en loodsen.

2.2 Soorten van functies in het plangebied In het plangebied vallen de volgende (groepen van) functies te onderkennen. 2.2.1 Bedrijven Op de gronden aan de Uiterweg 116a was een jachthavenbedrijf aanwezig (Jachthaven De Aardbei) met omstreeks 120 ligplaatsen. Het bedrijf is beëindigd met het oog op de herbestemming van de gronden voor verblijfsrecreatie. De voormalige bedrijfsgebouwen met een oppervlakte van ruim 3.200 m2 vierkante meter, zullen worden verwijderd ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling. Ook overige verharding zal worden verwijderd. 2.2.2 Groenvoorzieningen Binnen het plangebied is voornamelijk groen aanwezig voor de inrichting van het voorheen aanwezige jachthavenbedrijf. Met name het middendeel en het noordelijke deel van het plangebied heeft een groene invulling met grasland en opgaande beplanting. 2.2.3 Verkeersverbindingen en parkeerplaatsen Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 6

Ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer Het plangebied wordt voor gemotoriseerd verkeer ontsloten door twee in- en uitritten op de Uiterweg. De Uiterweg eindigt aan de westkant op de Ringvaart. Aan de oostzijde maakt de weg verbinding met het dorpscentrum van Aalsmeer en takt daar aan op de Van Cleeffkade/ Stationsweg. Ontsluiting voor langzaam verkeer Het plangebied wordt voor langzaam verkeer ontsloten door de Uiterweg. Met het oog hierop is de weg voorzien van een trottoir/loopstrook die varieert van 1,35 meter tot 2,00 meter, evenals een gemarkeerde fietsstrook aan weerszijden van de weg. Voor voetgangers en fietsers bestaat (in het zomerseizoen) de mogelijkheid om per voetveer naar de overzijde te worden gezet. Het overige verkeer moet ergens op de weg omkeren en via het dorpscentrum het gebied weer verlaten. Verkeersintensiteit De Uiterweg heeft een verhardingsbreedte van gemiddeld 5,50 meter, met uitzondering van smalle weggedeeltes ter hoogte van bruggen. Binnen de huidige vormgeving van de Uiterweg kunnen twee personenauto’s elkaar passeren, waarbij de eerder genoemde fietssuggestiestroken worden gebruikt om uit te wijken. De verkeersintensiteit op een gemiddelde werkdag bedraagt 3.856 motorvoertuigen per etmaal.

De verdeling van de verkeersintensiteiten over de uren van het etmaal is passend bij de mix van functies (wonen, werken en recreatie) die door de Uiterweg worden ontsloten. Het aandeel middelzwaar en zwaar verkeer is 1,7% en 0,9%. Om de verkeersbelasting van het zware verkeer, en het draaien daarvan op de Uiterweg, te verminderen is in 2010 een inrijverbod voor vrachtwagens ingesteld voor voertuigen met een lengte van 20 meter of meer. Bij nieuwe ontwikkelingen geldt als voorwaarde dat eventueel zwaar verkeer dient te (kunnen) keren op eigen terrein. Voor de Uiterweg geldt een maximumsnelheid van 50km per uur. De gereden snelheid op de Uiterweg is acceptabel. De gemiddelde snelheid ligt rond de 30km per uur. Uitgaande van een 30km weg ligt de bovengrens van de wegcapaciteit ongeveer op 6.000 motorvoertuigen per dag. Dit houdt in dat er voldoende restcapaciteit is voor een toename van het verkeer, ook rekening houdende met de autonome verkeersgroei van 2 procent. 2.2.4 Nutsvoorzieningen In het plangebied zijn geen inrichtingen en verbindingen (kabels en leidingen) aanwezig die deel uitmaken van een distributienet voor nutsvoorzieningen (elektriciteit, aardgas en water).

2.2.5 Watergangen en waterbergingen In en langs het plangebied bevindt zich een aantal watergangen die een belangrijke functie hebben bij de instandhouding van de typische slagenstructuur en verkavelingspatroon van het Uiterweggebied. De watergangen staan in verbinding met de Ringvaart en de Westeinderplassen en vervullen derhalve tevens een functie voor de pleziervaart, overigens zonder onderdeel uit te maken van een doorgaande route.

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 7

HOOFDSTUK 3 VISIE PLANGEBIED De gronden van het voormalige jachthavenbedrijf zullen worden (her-)ingericht ten behoeve van de verblijfsrecreatie. In dat verband zal de van oudsher aanwezige bedrijfsbebouwing plaatsmaken voor een nautisch recreatiepark (Marinapark Aalsmeer) met verschillende recreatiewoningen en -appartementen. De beoogde doorontwikkeling van jachthaven 'De Aardbei' naar watersportgerelateerde verblijfsrecreatie, conform de ontwikkelstrategie voor het toeristisch-economische profiel, levert het Uiterweggebied een belangrijke economische meerwaarde op. De plannen voorzien in een recreatiepark met (maximaal) 90 hoogwaardige recreatieverblijven, vooralsnog onderverdeeld in 26 'bootappartementen', '52 'bootsuites' en 12 vrijstaande 'lodges'. Deze accommodaties kunnen als volgt worden getypeerd. Bootappartementen: Maximaal 26 recreatieverblijven die bestaan uit anderhalve bouwlaag met een kap, aaneen gebouwd in rijvorm, met een bebouwd oppervlakte van circa 45 m2 per verblijf; Bootsuites: Maximaal 52 recreatieverblijven die bestaan uit anderhalve bouwlaag met een kap, aaneen gebouwd in blokken van minimaal vier en maximaal negen, met een gezamenlijk vloeroppervlak van maximaal 1.350 m2. Lodges: Maximaal 12 vrijstaande recreatieverblijven van anderhalve bouwlaag met een wisselende verschijningsvorm, met een oppervlakte tot maximaal 65 m2.

Receptiegebouw: Voorts wordt op de bestaande locatie (achter Uiterweg 114) een nieuw receptiegebouw gerealiseerd, uitgevoerd in twee bouwlagen met een kap en een oppervlakte van ongeveer 200 m2. Het gebouw zal mede dienst doen voor het gebruik van ondergeschikte horeca, uitsluitend ter ondersteuning van het recreatiebedrijf. Met het oog op de voorgenomen planontwikkeling zal de voormalige bebouwing van het jachthavenbedrijf worden gesloopt. Het betreft zowel de bebouwing aan de voorzijde (twee loodsen, een schuur en kantoorruimte) met een oppervlakte van 2.872 m2 en de bebouwing aan de achterzijde (tuinhuisjes, schuurtjes, e.d.) met een oppervlakte van 200 m2 . In totaal zal er een oppervlakte van 3.219 m2 aan bebouwing worden gesloopt.

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 8

Nieuwe bouwmogelijkheden (links) versus bestaande (te slopen) bebouwing

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 9

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 10

HOOFDSTUK 4 PLANOPZET 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. In het voorgaande hoofdstuk is beschreven welke ontwikkelingen in het plangebied plaatsvinden. In dit hoofdstuk wordt aangegeven welke juridisch-planologische instrumenten daarbij worden ingezet. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) die per 1 juli 2008 in werking is getreden, verplicht gemeenten tot het opstellen van een bestemmingsplan voor het gehele grondgebied. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. Deze onderdelen zijn bindend voor de burger. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De toelichting is niet juridisch bindend, maar wordt als handvat en beleidskader/interpretatiekader voor het bestemmingsplan gebruikt.

De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Aalsmeer. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan.

4.2 De bestemmingen 4.2.1 Bestemmingsregels Bestemmingen Na de inleidende regels (Hoofdstuk 1 van de regels) volgen in Hoofdstuk 2 van de regels de bestemmingsregels. Hierin zijn achtereenvolgens en in alfabetische volgorde de planregels opgenomen van de voorkomende enkelvoudige en dubbele bestemmingen. Het gaat in dit bestemmingsplan om de volgende bestemmingen: <0000> <0000> <0000>

'Natuur'; 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'; 'Water';

en de dubbelbestemmingen: <0000> <0000>

'Waarde - Archeologie 1'; 'Waarde - Archeologie 2';

Gebruiksregels De doeleinden van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden op grond van artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel “bestemmingsomschrijving”. Van het onderdeel “specifieke gebruiksregels” wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen, bouwaanduidingen en andere aanduidingen. Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 11

Bouwregels De bouwregels voor de bestemmingen en dubbelbestemmingen zijn overeenkomstig de SVBP 2012 telkens vervat in het tweede lid van de bestemmingsregels. Volgens de voorgeschreven plansystematiek dienen de bouwregels te worden gelezen in samenhang met de algemene bepalingen voor het toepassen van de bouwregels, als gegeven in het tweede inleidende artikel (wijze van meten). In het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de SVBP 2012 biedt om met behulp van bouw- en maatvoeringsaanduidingen aanwijzingen te geven over de wijze van bouwen en verschijningsvormen van bouwen. De in het plan gebruikte aanduidingen komen voor in de bij de SVBP 2012 opgenomen lijst van aanduidingen. Regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden In de planregels zijn regels opgenomen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Dit betreft de bestemmingen 'Natuur' en 'Water', alsmede de dubbelbestemmingen. Het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en de daarop gegeven uitzonderingen, als ook de voorwaarden waaronder een vergunning mag worden verleend, verschillen per (dubbel-)bestemming.

4.2.2 Overige regels De 'Inleidende regels', de 'Algemene regels' en de 'Overgangs- en slotregels' zijn op de volgende manier vorm en inhoud gegeven: Inleidende regels De inleidende regels in Hoofdstuk 1 van de regels kennen de volgende onderverdeling: Begrippen Het artikel 'Begrippen' verklaart de in de planregels voorkomende begrippen. Een aantal van de gegeven definities wordt bindend voorgeschreven in de SVBP 2012. In aanvulling op deze standaarden is een aantal begrippen toegevoegd waarvan een nadere definitie van belang is voor een juiste interpretatie van de planregels. Wijze van meten In het artikel 'Wijze van meten' worden naast de meetbepalingen die zijn overgenomen uit de SVBP 2012, eveneens meetbepalingen gegeven voor onder meer van de hoogte van een bouwwerk en de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk. Algemene regels Hoewel de SVBP 2012 wel de volgorde van de algemene regels bepaalt, laat deze de keuze vrij om de algemene regels in één artikel samen te nemen, of deze geordend per onderwerp in verschillende artikelen neer te leggen. Vanwege de grote verscheidenheid van zaken die in de algemene regels aan de orde komen, wordt in de gemeentelijke werkwijze de voorkeur gegeven aan de tweede variant, waarbij aan elk onderwerp een artikel wordt gewijd. De algemene regels in Hoofdstuk 3 van de regels kennen de volgende onderverdeling.

Anti-dubbeltelbepaling De 'anti-dubbeltelbepaling' betreft een standaardbepaling die als zodanig is voorgeschreven in artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening. Algemene bouwregels

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 12

In het artikel 'Algemene bouwregels' zijn de regels gegeven voor het toepassen van de bouwregels voor ondergeschikte bouwdelen Algemene gebruiksregels In het artikel 'Algemene gebruiksregels' zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening in samenhang met artikel 2.1, lid 1. onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Algemene aanduidingsregels In het artikel 'Algemene aanduidingsregels' zijn de in het plangebied voorkomende gebiedsaanduidingen opgenomen en van een passende regeling voorzien. Niet is de systematiek gevolgd, in het geval dat de aanduiding meerdere bestemmingsvlakken omvat, dat een gebiedsaanduiding in elk bestemmingsartikel wordt vermeld van de bestemming waarop die aanduiding ziet. Algemene afwijkingsregels In het artikel 'Algemene afwijkingsregels' wordt omschreven in welke gevallen afwijking kan worden verleend voor overschrijding van de bouwgrenzen, voor zover deze afwijkingen niet onder de regel “algemene bouwregels” vallen. Dit betreft bijvoorbeeld de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de voorgeschreven maten en percentages.

Algemene wijzigingsregels In het artikel 'Algemene wijzigingsregels' zijn geringe afwijkingen opgenomen, waarvoor Burgemeester en wethouders bevoegd zijn de bestemmingen in dit plan te wijzigen. Algemene procedureregels In het artikel 'Algemene procedureregels' staan de procedureregels vermeld voor het toepassen van de nadere eisen regeling. Overige regels In het artikel 'Overige regels' is bepaald dat de wettelijke regelingen, waarnaar in het bestemmingsplan wordt verwezen, gelden op het moment van de vaststelling van dit bestemmingsplan. Overgangs- en slotregels De planregels worden volgens de standaardopbouw in Hoofdstuk 4 afgesloten met de overgangs- en slotregels. Het overgangsrecht is wettelijk neergelegd in artikel 3.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening en als zodanig overgenomen. De slotregel bevat de namen van alle bestemmingsplannen welke geheel of gedeeltelijk worden vervangen met dit bestemmingsplan en de citeertitel van dit bestemmingsplan.

4.3 De planverbeelding In deze paragraaf wordt ingegaan op de systematiek van de planverbeelding in dit bestemmingsplan, voor zover die een aanvulling vormen of een geoorloofde afwijking van de SVBP 2012. 4.3.1 Uniek registratienummer De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatienummer gekregen: NL.IMRO.0358.NLIMRO.0358.09X-OW01

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 13

Ook voor de analoge verbeelding bevat de SVBP 2012 richtlijnen over de weergave van de inhoud van het bestemmingsplan. Het plangebied is op één kaartblad vervat met een schaal van 1 : 1.000. Als ondergrond is de BGT d.d. 24 november 2020 gebruikt. 4.3.2 Koppeling digitale planverbeelding met andere onderdelen De koppeling van de planverbeelding in de dataset met de andere planonderdelen heeft plaatsgevonden zoals voorgeschreven in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De dataset bestaat uit: <0000> het GML-bestand van de planverbeelding; <0000> het XML-geleideformulier; <0000> de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie; <0000> PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels.

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 14

HOOFDSTUK 5 BELEIDSKADER 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke beleidskaders. Achtereenvolgens komt het relevante rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijk beleid aan bod. Het beleid en de wetgeving op milieugebied wordt behandeld in hoofdstuk 6.

5.2 Rijksbeleid Hieronder volgt het beleid van het rijk, waar indien relevant voor het plangebied rekening wordt gehouden in dit bestemmingsplan. 5.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Amvb Ruimte Op 12 februari 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het bij de structuurvisie behorende Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) was al op 30 december 2011 in werking getreden. In de structuurvisie staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. De nieuwe structuurvisie vervangt verschillende beleidsnota's, waaronder de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040 en de Nota Mobiliteit. In de structuurvisie zijn drie hoofddoelen geformuleerd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn tot 2028. Het gaat hierbij om de volgende doelstellingen: <0000> Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; <0000> Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; <0000> Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen voort die van nationaal belang zijn.

Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, worden daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de Amvb Ruimte. Deze Amvb is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Geen van de in het Barro geregelde onderwerpen heeft invloed op het onderhavige plangebied. De betreffende onderwerpen zijn niet aan de orde in het kader van dit bestemmingsplan. Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid 2 en 3 Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd. De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling.

Indien het bestemmingsplan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied dient tevens een motivering te worden opgenomen waarin

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 15

wordt onderbouwd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Volgens artikel 1.1.1, eerste lid onder i. van het Besluit ruimtelijke ordening, is een stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Het bestemmingsplan voorziet in de realisering van een recreatieterrein met een aantal recreatieverblijven, en is daarmee een ontwikkeling die kan worden toegerekend tot de categorie van "andere stedelijke voorzieningen". De beoogde ontwikkeling is derhalve getoetst aan de treden van de ladder (zie bijlage 1, Onderbouwing regionale behoefte inzake ladder duurzame verstedelijking, jachthaven De Aardbei/Rotteveel 21 september 2016. Uit dit onderzoek volgt dat de ontwikkeling van Marinapark Aalsmeer met vernieuwende accommodaties zorgt voor een interessant product voor zowel koper als huurder en een toevoeging gaat betekenen voor Aalsmeer en omgeving. Door de sterk groeiende vraag, zal deze ontwikkeling andere verblijfsrecreatieve functies niet onder druk zetten, maar zorgen voor innovatie en een betere spreiding van recreanten in de regio Amsterdam. Er is dus ruimte en behoefte in de markt voor nieuwe concepten.

De opzet van het recreatiepark is passend bij de trends en ontwikkelingen in de recreatiemarkt en zorgt voor de gevraagde vernieuwing. Het past binnen het recreatief profiel van Aalsmeer, waarin ingezet wordt op nieuwe verblijfsaccommodaties voor de (internationale) gast van nu. Op basis van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van duurzaam ruimtegebruik. 5.2.2 Luchthavenindelingbesluit Schiphol (2002) In het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Lib) dat hoort bij de Wet Luchtvaart zijn ruimtelijke maatregelen in verband met de luchthaven Schiphol opgenomen. Op gronden zoals bedoeld in artikel 2.2.1, 2.2.2, 2.2.2a en 2.2.3 van het Luchthavenindelingbesluit gelden in bepaalde gebieden rondom Schiphol aanvullende bepalingen met betrekking tot bebouwing en gebruik van bebouwing, bouwhoogten en functies met een vogelaantrekkende werking. Op 1 januari 2018 is een nieuwe versie van het LIB van kracht geworden. Gemeenten hebben daarin meer ruimte gekregen voor een afweging tussen enerzijds het beperkt houden van de hinder door luchtvaartgeluid en anderzijds woningbouw. De 20Ke-contour is nu ook in het LIB opgenomen als LIB 5-gebied. De regelwijziging ziet op een eigen bevoegdheid voor het lokaal bestuur om binnen bestaand stedelijk gebied woningen toe te voegen.

In het gebied binnen zone 4 blijft wel de grens van 25 woningen per bouwplan gehandhaafd. In het bestaand stedelijk gebied binnen de 20 Ke-contour gelden geen kwantitatieve beperkingen aan woningbouw. Relevantie plangebied Het plangebied is gelegen binnen zone 4 van het Luchthavenindelingbesluit (artikel 2.2.1c). Binnen het plangebied gelden beperkingen ten aanzien van de bouwhoogte, maar die liggen boven de in het plangebied toegelate bouwhoogten. In het plangebied zijn geen vogelaantrekkende functies toegestaan (artikel 2.2.3), zoals: industrie in de voedingssector met extramurale opslag of overslag, viskwekerijen met extramurale bassins, opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking, natuurreservaten of vogelreservaten, moerasgebieden of oppervlaktewater groter dan 3 hectare. Op het plangebied ligt een gebiedsaanduiding ten behoeve van deze hoogtebeperkingen (toets- en radarhoogten) en beperkingen voor vogelaantrekkende bestemmingen. Er mogen geen gebouwen of bouwwerken worden gerealiseerd die hoger zijn dan in de desbetreffende bijlagen bij de planregels is aangegeven, hier wordt aan voldaan. Tevens zijn binnen het plangebied geen bestemmingen aanwezig die een

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 16

vogelaantrekkende werking hebben. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het Luchthavenindelingbesluit.

5.3 Provinciaal beleid 5.3.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De "Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid" betreft een structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening. In de omgevingsvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en heeft zij tevens aangegeven hoe zij deze visie denkt te zullen realiseren. Het uitgangspunt van de omgevingsvisie is dat Noord-Holland een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau heeft. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. In de omgevingsvisie worden ambities genoemd op het gebied van de leefomgeving, het gebruik van de leefomgeving en de energietransitie. De ambities ten aanzien van de leefomgeving luiden als volgt: Een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland. In het kader van gezondheid en veiligheid, het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het vergroten van de biodiversiteit van Noord-Holland.

Voor het gebruik van de leefomgeving gelden de volgende ambities: Een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor, daardoor is er ruimte voor ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Verder wil de provincie vraag en aanbod van woon- en werklocaties beter afstemmen (kwantitatief en kwalitatief). Daarbij moet woningbouw, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends, vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden worden gepland. Duurzaamheid van de totale woningvoorraad is het uitgangspunt. De derde ambitie binnen deze categorie is het effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen van inwoners, bedrijven en producten van Noord-Holland, waarbij negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk worden meegewogen. Als laatste geldt het behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Voor energietransitie is de overkoepelende ambitie dat Noord-Holland in 2050 volledig klimaatneutraal is en gebaseerd op hernieuwbare energie. Daarom is er ruimte voor de noodzakelijke energietransitie en daarvoor benodigde infrastructuur. Dit alles rekening houdende met de ambities voor verstedelijking en landschap.

Relevantie plangebied De Omgevingsvisie NH2050 staat de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg.

5.3.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening De regels van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vloeien voort uit de Structuurvisie Noord-Holland 2040. Met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 hebben provincies de bevoegdheid gekregen een ruimtelijke verordening vast te stellen. In deze verordening kan de provincie regels stellen met betrekking tot de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen, Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 17

(tijdelijke) afwijkingsbesluiten en beheersverordeningen. Door middel van de PRV is de doorwerking naar gemeentelijke bestemmingsplannen geregeld. In de verordening is het provinciale beleid in regels vertaald. Het betreft regels voor de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen over onderwerpen binnen het gehele provinciale grondgebied (Hoofdstuk 2, artikelen 5a t/m 8a) en specifiek voor het landelijke gebied van Noord-Holland waarmee een provinciaal belang mee gemoeid is (Hoofdstuk 3, artikelen 13a t/m 18). Daarnaast worden er regels gesteld over thema's die betrekking hebben op de Groene Ruimte (Hoofdstuk 4), de Blauwe Ruimte (Hoofdstuk 5) en Energie (Hoofdstuk 6). Uitgangspunt is dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen (zoals gesteld in artikel 1.1.1, onder i. Bro) zoals woningbouw, aanleg van bedrijventerrein of kantoren in overeenstemming zijn met regionale afspraken (artikel 5a) Gedeputeerde Staten hebben op 28 februari 2017 nadere regels vastgesteld om deze regionale afspraken te concretiseren. Zoals is gebleken uit paragraaf 5.2 is de onderhavige ontwikkeling te zien als een nieuwe (overige)stedelijke ontwikkeling, die voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. T.a v. de PRV is tevens van belang dat er sprake is van een ontwikkeling binnen Unesco- erfgoederen, aangezien het plangebied gelegen is binnen het Stellingengebied van Amsterdam.

Artikel 22 van de PRV stelt in dat verband dat er uitsluitend mag worden voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies voorzover deze de kernkwaliteiten en/of Uitzonderlijke Universele Waarden van een Nationaal Landschap en werelderfgoed behouden of versterken. Ook mag er niet worden voorzien in een grootschalige stads- of dorpsontwikkelingslocaties of ontwikkelingen mogelijk maken die het erfgoed aantasten of doen verdwijnen. Voor de materiele invulling van deze uit de PRV voortvloeiende vereisten is naar de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie verwezen. Stelling van Amsterdam Deze structuur bestaat uit twee militaire verdedigingsgordels uit de laat-19e, vroeg-20e eeuw. De verdediging werd uniek vormgegeven, met gebruikmaking van de karakteristieken van het omringende landschap en door het onder water zetten (inundatie) van het land. Dit is de reden dat de linies tevens zijn opgenomen in de Werelderfgoedlijst van UNESCO. De waterlinies zijn van groter belang dan enkel als krijgskundig monument. Ze brengen ook op markante wijze landschappelijke samenhang tot expressie en zijn daarmee een verrijking van het cultuurlandschap. Naast hun cultuurhistorische en landschappelijke betekenis vormen de linies een 'stiltelandschap' waar openheid en rust te ervaren zijn. De verdedigingslinie was 135 kilometer lang en bestond uit 46 forten.

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Noord-Holland biedt een rijke variatie aan landschappen, kernen en cultuurhistorische monumenten. Er zijn wadden, duinen, polders, heidevelden, veenweiden en droogmakerijen. De provincie onderscheidt zich door zijn openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Elk deel heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis, die vaak nog goed afleesbaar is in het landschap. Het huidige landschap van Noord-Holland is een erfenis met een grote aantrekkingskracht op mensen die in de provincie wonen, werken en recreëren. De hoge kwaliteit ervan draagt bij aan het economische vestigingsklimaat in de provincie. Het landschap is echter een dynamische leefomgeving die al sinds mensenheugenis verandert en dat ook zal blijven doen. De provincie wil dan ook ruimte blijven bieden aan nieuwe ontwikkelingen, op een manier die bijdraagt aan de waarden en kwaliteiten van het landschap en waarbij de ontstaansgeschiedenis herkenbaar blijft. Nieuwe ruimtelijke plannen moeten de ontwikkelingsgeschiedenis, de bebouwingskarakteristiek en de inpassing in de wijdere omgeving als uitgangspunt hanteren. Meetpunt hiervoor is deze beleidsnota, waarin de eisen voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit zijn vastgelegd. Voor het plangebied is één

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 18

relevante structuur (Stelling van Amsterdam) en één relevant ensemble (Aalsmeer Uithoorn) beschreven. Ensemble Aalsmeer Uithoorn Het ensemble Aalsmeer-Uithoorn ligt ten zuidwesten van Amsterdam en tussen de ensembles Haarlemmermeerpolder en Amstelscheg. Dit ensemble bevat een complex samenstel van droogmakerijenlandschap en veenpolderlandschap met plassen, ontginningslinten en restanten van het voormalige veenontginningslandschap (veenbovenlanden). Het veenpolderlandschap reikt van Aalsmeer tot Amsterdam en bestaat uit een samenstel van het veenbovenland met ontginningslinten (Aalsmeer en Amstelveen), het grote open water van de (uitgeveende) Westeinderplassen en de Nieuwe Meer. Langs de ontginningslinten van Aalsmeer (Uiterweg, Oosteinderweg) liggen tuinderijen op de restanten veenbovenland en petgaten. Aan de westrand van het ensemble vormen de ringvaart en de ringdijk van de Haarlemmermeer samen een ruimtelijke drager. Aan de noordzijde van de Westeinderplas bevindt zich een langgerekt eilandenrijk van veenbovenlanden met verspringende kavels, waar het plangebied onderdeel van uitmaakt. Het bestaat uit een dubbele reeks eilanden in dezelfde zuidwest-noordoostrichting Deze vormen een aantrekkelijke (recreatieve) zone tussen Amsterdam en het Groene Hart.

De Bovenlanden en de Westeinderplassen vormen een belangrijke ecologische en recreatieve verbinding tussen Amsterdam en het Groene Hart. Het zichtbaar houden van de Westeinderplas en het vergroten van de toegankelijkheid van het water is een belangrijk speerpunt uit de Leidraad. Met de provincie Noord-Holland, als siteholder van de Stelling van Amsterdam, zijn samenwerkingsafspraken gemaakt (vastgelegd in een Plan van Aanpak en Uitvoeringsovereenkomst) op het terrein van o.a: Vergroten van de zichtbaarheid en bekendheid van het werelderfgoed; Verbeteren van het toeristisch en recreatief potentieel Als Unesco-erfgoed staat het behoud van de waarde van de stelling voorop. In het algemeen is het zaak de waarden van de stelling te behouden en/of te versterken. De strategie is verder gericht op versterking van cultuurhistorische patronen en objecten door een (bescheiden) toevoeging van nieuwe functies en landschapselementen. Het accent ligt op combinaties met het blauwgroene en toeristisch-recreatieve programma in aansluiting op de stad. Ook kleinschalige stedelijke functies, zoals maatschappelijke en culturele voorzieningen en woon/werkmilieus in zeer lage dichtheden, kunnen hierbinnen een plek krijgen. NNN-gebied Artikel 19 van de PRV geeft regels voor het behoud en de ontwikkeling van Natuurnetwerk Nederland (NNN) en natuurverbindingen.

Het plangebied is gelegen in de nabijheid van het NNN-gebied, maar maakt hier geen onderdeel van uit, zoals de onderstaande afbeelding laat zien:

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 19

NNN-gebied Resumerend kan gelet op voorgaande gesteld worden dat met de beoogde herontwikkeling de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam niet aangetast worden en zelfs verbeteren. Het onderhavige initiatief levert daarbij een bijdrage aan het toeristisch-recreatieve programma. Geconcludeerd wordt dat er vanuit het provinciale ruimtelijke beleid geen belemmeringen bestaan voor de beoogde herontwikkeling.

5.4 Gemeentelijk beleid 5.4.1 Structuurvisie Uiterweg Met deze structuurvisie heeft de gemeente zich ten doel gesteld om voor het gebied van de Uiterweg een toekomstbestendig ontwikkelperspectief te schetsen, waarbij ruimtelijke en duurzame kwaliteit en economisch welvaren hand in hand gaan. De structuurvisie onderkent dat de ambitie van Aalsmeer Waterdorp, zoals neergelegd in de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020, in toenemende mate onder grote druk komt te staan. Economische zowel als demografische ontwikkelingen hebben er toe geleid dat de watersport allang geen groeisector meer is. Onder meer de vergrijzing van de watersport is een belangrijk punt van zorg. Dit stelt de gemeente voor de opgave de jachthavenbedrijven in het gebied te accommoderen bij het zoeken naar nieuwe verdienmodellen. Ook op andere terreinen dient zich een problematiek aan die dringend om oplossingen en regie vraagt, waaronder die van de vrijkomende kweekgronden. Veel ondernemers in het gebied zien geen toekomst meer in de (glas)tuinbouw. Dat vraagt om ingrijpen, anders zal het landschap in de loop van de tijd verrommelen. Ook zal er ingegrepen

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 20

moeten worden om de unieke eilandenstructuur in de Westeinderplassen te behouden. Veel van de voormalige akkers zijn slecht beschoeid en de landen zullen, als er niets wordt gedaan, steeds verder afkalven. Daarnaast stelt de verdergaande economische neergang van de van oudsher aanwezige trekheestercultuur de gemeente voor de uitdaging nieuwe bestemmingen te vinden voor voormalige agrarische gronden. Maar de structuurvisie ziet ook kansen. Door ruimte te bieden aan differentiatie en specialisatie van de bedrijfsvoering kunnen jachthavenbedrijven in staat worden gesteld om nieuwe produkt-markt-combinaties aan te bieden. Daarnaast liggen er kansen om te profiteren van de sterke groei in de verblijfsrecreatie. Voor deze sector zijn er in de gemeente weinig mogelijkheden, waardoor kansen niet of nauwelijks worden benut. Door in te zetten op (met name) watergerelateerd verblijfsrecreatie heeft de gemeente met de Westeinderplassen een belangrijke troef in handen om de ambitie van Aalsmeer als levendig en toeristisch waterdorp te verwezenlijken en de lokale economie te versterken. Relevantie plangebied De planontwikkeling voorziet in de transformatie van een jachthaven naar een nautisch recreatiepark.

Een dergelijke ontwikkeling past in de doelstelling van de structuurvisie om het toeristisch recreatieve profiel van de Uiterweg te verbreden en aansluiting te zoeken bij de moderne watersportbeleving, waarbij niet het 'bezit' maar het 'gebruik' centraal staat ("watersport zonder gedoe"). In dit verband kiest het initiatief voor een interessante mix van verblijfsrecreatie en watersportfaciliteiten. In de plannen zijn de recreatieverblijven nadrukkelijk georiënteerd op het water en voorzien van een aanlegplaats. Ook elders in het park wordt veelvuldig aansluiting gezocht met het water door middel van steigers, vlonders, ligplaatsen en andersoortige watercontactpunten. De natuurlijke en waterrijke uitstraling versterken het nautische karakter van het park. Met de plannen voor watersportgelieerde verblijfsrecreatie wordt geïnvesteerd in de ambitie om het Uiterweggebied duurzaam te transformeren naar een hoogwaardig watersportrecreatiegebied. Daarnaast biedt de ontwikkeling ook een duidelijke economische meerwaarde. Niet alleen vanwege de financiële investering als zodanig, maar zeker ook door het aanbieden van recreatief nachtverblijf. Het langer 'vasthouden' van bezoekers zal immers leiden tot meer bestedingen in het gehele Uiterweggebied. De recreatieverblijven zullen op de landtongen, aan de achterzijde van het terrein, worden gebouwd als verspreid liggende lodges.

De bootsuites en -appartementen zijn voorzien aan de voorzijde van het terrein. Hierdoor komt ook het zwaartepunt van de bebouwing aan de voorzijde te liggen, overeenkomstig het uitgangspunt van de roodgroene gradiënt, zoals gegeven door de structuurvisie. De recreatieverblijven zullen worden gebouwd met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 5 en 7 meter. In het voorheen geldende bestemmingplan "Uiterweg Plasoevers 2005" mocht bedrijfsbebouwing worden opgericht met een maximale gooten bouwhoogte van respectievelijk 6 en 9 meter. Dit betekent dus een inperking van de toegestane bouwhoogte. Met de maximale goot- en bouwhoogte van 5 en 7 meter wordt een bouwvorm mogelijk gemaakt die bestaat uit 'anderhalve' bouwlaag met een kap. Dit principe wordt ook voor de lintbebouwing van de Uiterweg gehanteerd, zij het dat daar thans veelal een (hogere) bouwhoogte is toegestaan van 8,5 tot 9 meter. Voorts zullen de gevels van de recreatieverblijven evenwijdig, dan wel haaks, op de bestaande verkavelingsstructuur worden gepositioneerd. Daarmee voldoen de recreatieverblijven aan de gegeven randvoorwaarden van de structuurvisie.

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 21

De planontwikkeling laat de bestaande land- en waterstructuren in het plangebied, waaronder het slagenlandschap en de verkavelingstructuur, ongemoeid. Ook de overige gebiedskwaliteiten die in de structuurvisie zijn benoemd, zoals de zichlijnen langs de watergangen en de visuele relatie met de Ringvaart, worden niet aangetast. Voor de realisering van de plannen behoeft er niet of nauwelijks water te worden gedempt, zodat de noodzaak van watercompensatie achterwege blijft. De verschillende enclaves in het plangebied zullen onderling met elkaar worden verbonden door steeds maximaal één brug. De bruggen zullen op een afstand komen te liggen van ten minste 100 meter, gerekend vanaf de Uiterweg. Eveneens in lijn met de structuurvisie zal een strook grond met een breedte van 20 meter langs de Ringvaart worden ingericht als een onbebouwde, groene zoom. Voorts zijn de plannen erop ingericht om het parkeren zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken. Geconcludeerd kan worden dat de plannen van Marinapark passen in het beleid van de structuurvisie Uiterweg en kunnen worden toegerekend aan de ontwikkelstrategie van het ‘tweede kwadrant’. In dat verband wordt specifiek de doorontwikkeling van jachthavens als voorbeeld genoemd, conform de basisstrategie voor het toeristisch-economisch profiel.

Door de geringe kwalititatieve meerwaarde kan de planontwikkeling niet worden gerekend tot de buitencategorie van het vierde kwadrant (topstrategie). Dat neemt niet weg dat de planontwikkeling voldoet aan het hierboven genoemde ontwikkelperspectief, als ook aan de overige uitgangspunten van de structuurvisie. 5.4.2 Gebiedsvisie Aalsmeer 2020 De Gebiedsvisie Aalsmeer 2020 beoogt de ambitie van 'Aalsmeer Waterdorp' verder gestalte te geven en Aalsmeer als aantrekkelijke waterrecreatiegemeente op de kaart te zetten. Het bloemenimago van Aalsmeer is als gevolg van de ontwikkelingen in deze sector in de richting van de toerist aan het verbleken. Het gebied rond de Westeinderplassen moet de spil vormen van het toeristisch recreatief profiel. Daarvoor is een kwaliteitsimpuls nodig, zodat recreatie en toerisme als belangrijke pijlers van de economie beter benut kunnen worden. De Gebiedsvisie ziet hiervoor belangrijke kansen. Relevantie plangebied Om de ambitie verder vorm en inhoud te geven zijn de Bovenlanden in de Gebiedsvisie, samen met de Westeinderplassen, als ontwikkelgebied aangewezen. De hierboven genoemde structuurvisie Uiterweg is de uitwerking hiervan, althans voor wat betreft het gebied rond de Uiterweg. De oostelijke Bovenlanden (rond de Oosteinderweg) zijn in deze structuurvisie buiten beschouwing gelaten.

5.4.3 Ander ruimtelijk beleid van de gemeente In het bestemmingsplan is afstemming met het volgende andere beleid van de gemeente tot uitdrukking gekomen. 5.4.3.1 Cultuurhistorische nota "Gebroken landen, geheelde gronden" De cultuurhistorische nota “Gebroken landen, geheelde gronden”, geeft ter voorbereiding op nader cultuurhistorisch beleid een beschrijving en analyse van cultuurhistorisch onderscheiden deelgebieden en bevat een aantal beleidsaanbevelingen ten behoeve van het behoud en de bescherming van cultuurhistorische waarden. In de nota wordt het gebied van de niet-verveende en hogere landen rond de oude ontginningslinten van de Uiterweg, evenals de Oosteinderweg, Calslagen en

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 22

Kudelstaart, als ook de (verdwenen) Westeinderdijk tussen de kleine en de grote poel, onderscheiden als deelgebied met hoge cultuurhistorische waarde. De essentiële kenmerken van het deelgebied leiden tot de volgende beleidsaanbevelingen: 1. behoud en versterking van de karakteristieke bebouwingslinten en het bijbehorende verkavelingspatroon en bebouwingskarakteristiek; 2. behoud van het profiel en aanzien van de oude wegen zoals de Uiterweg en de Oosteinderweg, inclusief de nog aanwezige wegsloten; 3. behoud, versterking of ontwikkeling om te komen tot een redelijk “groen” aanzien van de achterkanten van de kavels in zijn totaliteit; 4. maatregelen voor het fysieke behoud van met name eilanden van de Westeinderdijk. Het voorliggende initiatief is niet in strijd met de uitgangspunten van de Nota. 5.4.3.2 Nota Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is aangegeven dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid. Het gemeentelijk beleid van Aalsmeer is vastgelegd in de Beleidsnota Archeologie Gemeente Aalsmeer d.d. 24 juni 2010 met bijbehorende beleidskaart. Volgens deze kaart geldt voor het plangebied een middelbare tot hoge archeologische verwachtingswaarde (zie verder paragraaf 6.6 van deze toelichting).

5.4.3.3 Nota Lintenbeleid Het doel van de op 22 december 2011 vastgestelde beleidsnota “Ruimtelijke beoordeling bouwen in de Linten van Aalsmeer” is om te komen tot een helder toetsingskader voor het beoordelen van ontwikkelingen in woonlinten. Inzet van het beleid is om bestaande lintenstructuur te behouden en te versterken. De linten van Aalsmeer hebben van oorsprong een hoge cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteit. Op grond van de beleidsnota wordt de in de nabijheid van het plangebied gelegen lint van de Uiterweg gerekend tot één van de historische linten. Om de lintenstructuur te beschermen zijn in het lintenbeleid verschillende ruimtelijke en architectonische uitgangspunten geformuleerd waarmee bij ontwikkelingen in de linten rekening gehouden dient te worden. Naast algemene ruimtelijke voorwaarden die aan ontwikkelingen binnen worden gesteld, gelden voor de verschillende linten tevens specifieke voorwaarden afgestemd op het oorspronkelijke kenmerkende karakter van het betreffende lint. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk in de linten, zodat het bestemmingsplan daarmee niet raakt aan de doelstellingen van het lintenbeleid. 5.4.3.4 Groenvisie Op 2 oktober 2014 heeft de raad van de gemeente Aalsmeer een visie op groen, natuur en openluchtrecreatie vastgesteld.

Deze Groenvisie bestendigt voor het gebied van de Uiterweg het ontwikkelperspectief van landschappelijk aantrekkelijk recreatiegebied. Speerpunten zijn versterking van zichtbaarheid en toegankelijkheid van de plas, het behoud van de eilandenstructuur en verbetering van het recreatieve product. Kansen voor de versterking van natuur en recreatie doen zich vooral voor bij de ontwikkeling van de Groene As. In de beleidsdoelstellingen wordt onderscheid gemaakt tussen de eilanden langs de Westeinderdijksloot en de Westeinderplassen enerzijds en de Bovenlanden anderzijds. Voor de eilanden zet de Groenvisie in op behoud van de eilandenstructuur, behoud en ontwikkeling van natuur en versterking van het

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 23

extensieve recreatieve gebruik van de eilanden. Voor de Bovenlanden richt het beleid zich op behoud en versterking van het halfopen landschap, behoud en versterking van natuurwaarden en verbetering van recreatiemogelijkheden, met een accent op waterrecreatie en onder gelijktijdige verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent dat recreatieve ontwikkelingen landschappelijk worden ingepast. 5.4.3.5 Aalsmeers Verkeer- en vervoerplan (AVVP) Op genoemde datum heeft de gemeenteraad van Aalsmeer de “Kadernota verkeer en vervoer” (hierna te noemen: kadernota) vastgesteld. Hierin staan de uitgangspunten en randvoorwaarden voor dit Aalsmeers Verkeer en Vervoerplan (het AVVP.) De omlegging van de N201 en de nieuwe invulling van het voormalige tracé van de N201 hebben ruimtelijke consequenties in Aalsmeer. Gevoegd bij de bestaande knelpunten in de verkeersnetwerken levert dit een aantal concrete opgaven op, die bepalend zijn voor het functioneren van het (toekomstige) verkeer- en vervoersysteem in Aalsmeer. Deze opgaven zijn te herleiden aan de thema's bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid. Voor de bereikbaarheid van Aalsmeer is de aanleg van de 'omgelegde N201' van cruciaal belang. Het zorgt voor een complete verandering van (doorgaande) verkeersstromen.

Veel van de opgaven voor de toekomstige verkeersstructuur zijn te herleiden tot het dilemma tussen het bereikbaar willen houden van de gemeente, zonder dat er te veel ongewenst verkeer door de kernen rijdt (leefbaarheid). Ook de lange gestrekte wegen (linten) binnen de gemeente maken een heldere keuze tussen de functie, vormgeving en het gebruik van de weg, noodzakelijk. Van belang daarbij is uiteraard het feit dat de Uiterweg een doodlopende weg betreft die uitsluitend een functie heeft voor het bestemmingsverkeer. De opties voor functie en gebruik zijn daardoor beperkt. Openbaar vervoer De gemeente Aalsmeer wil het regionale openbaar vervoer de komende jaren verbeteren. Er wordt onder andere een HOV-verbinding gerealiseerd in oost-westrichting via de bestaande N201. De lijnen 171 en 172 tussen Aalsmeer en Amstelveen blijven in principe gehandhaafd en worden zo hoogwaardig mogelijk uitgevoerd (snelheid, frequentie). Waar nodig en mogelijk worden op kruispunten en wegvakken aanvullende (optimaliserings)maatregelen getroffen. Daar waar de buslijnen elkaar kruisen is een nieuw busstation in Aalsmeer langs het tracé van de voormalige N201 (Burgemeester Kasteleinweg) voorzien. Fietsverkeer Op korte afstanden (< 7,5 kilometer) moet de fiets een serieus alternatief vormen voor de interne autoverplaatsingen.

Aalsmeer moet daarom een herkenbare fietsinfrastructuur krijgen, waarbij - naast veiligheid - comfort en snelheid uitgangspunten zijn. Dit betekent naast directe en veilige routes ook goede en voldoende stallingvoorzieningen bij de belangrijkste (publiekstrekkende) bestemmingen. Het gaat dan om zowel onbewaakte als (gratis) bewaakte stallingen. De aanleg van ontbrekende schakels in de regionale en lokale hoofdroutes heeft de hoogste prioriteit, omdat hiervan het meeste effect wordt verwacht. Onder ontbrekende schakels vallen ook kortsluitingen naar haltes van openbaar vervoer. Verbetering van recreatieve fiets- en wandelroutes heeft een lagere prioriteit en wordt daarom in combinatie met andere werken of onderhoud uitgevoerd. Parkeren Het beleid van de gemeente Aalsmeer is erop gericht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voldoende parkeervoorzieningen te realiseren, conform de landelijke

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 24

parkeerkengetallen van de CROW. Het parkeren ten behoeve van bedrijfsfuncties, met name die op bedrijventerreinen, dient in principe op eigen terrein plaats te vinden.

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 25

Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 26

HOOFDSTUK 6 OMGEVINGSKWALITEIT 6.1 Water Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte. Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatste jaren ontwikkelt het grondwater zich tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Dit vormt een bijdrage aan de beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Efficiëntie van benutting is een van de redenen voor ruimtelijke ordening van de ondergrond. Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving.

De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009 – 2015. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is zelfbindend voor het Rijk. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Voor de organisatie van het Uiterweg 116A - Marinapark

pagina 27

waterbeheer bevat het Waterbesluit de toedeling van oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk en regels over het verstrekken van informatie met betrekking tot het waterbeheer. Ook regelt het Waterbesluit procedurele en inhoudelijke aspecten van het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren en enkele inhoudelijke aspecten van de plannen in verband met implementatie van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico's. Voorts bevat het besluit bepalingen over de wijze waarop de aanvraag om een watervergunning wordt gedaan, waaronder de gevallen waarin een elektronische aanvraag wordt ingediend. De Waterregeling bevat regels over de organisatie van het waterbeheer, een aantal kaarten over de toedeling van beheer, de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en de aanwijzing van de drogere oevergebieden, alsmede regels voor gegevensverstrekking aan het Rijk op grond van Europese verplichtingen. Verder regelt de Waterregeling een enkel inhoudelijk aspect van het regionaal waterplan en de beheerplannen. In de Waterwet is gekozen voor een systeem waarin iedere bestuurslaag haar beleid formuleert en dit vastlegt in plannen. De plannen geven aan wat iedere bestuurslaag wil doen in een bepaalde planperiode om de doelstellingen van het waterbeheer te halen. Deze plannen zijn bindend voor de eigen bestuurslaag.

De Waterwet sluit op dit punt zoveel mogelijk aan bij de sturingsvisie van de Wet ruimtelijke ordening. Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: <0000> heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; <0000> beheersbaar programma voor de waterkeringen; <0000> doelmatig beheer van de waterketen, <0000> werkzaamheden slim combineren; <0000> het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Provinciale Watervisie 2016-2021 De Provinciale Watervisie is van kracht sinds 23 december 2015 en geldt tot 2021. Het plan geeft duidelijkheid over de strategische waterdoelen tot 2040 en de acties tot 2021. De volgende doelen worden nagestreefd: waarborgen van voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen overstromingsrisico’s; <0000> zorgen voor schoon en voldoende drinkwater; <0000> kader stellen voor regionale waterkeringen; <0000> beoordelen versterkingsplannen primaire waterkeringen en bevorderen ruimtelijke kwaliteit; <0000> waterrobuust inrichten bevorderen; <0000> bijdragen aan schoon en voldoende oppervlaktewater; <0000> Zorgen voor schoon en voldoende grondwater.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=4da13b2b-781b-490b-95d9-a4eed2073492