CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Archeologisch vooronderzoek.pdf

1a.Commissie Ruimte Beeldvormend 14 juni 2023, gemeente aalsmeerBij agendapunt: Oosteindedriehoek; bestemmingsplan, exploitatieplan, besluit Wet geluidhinder, beeldkwaliteitplan en vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit11.947 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAAP-RAPPORT 5344

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer Gemeente Aalsmeer Archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Colofon Titel: Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek Versie: 20-08-2021 Auteur: dr. D. Peeters & A. Kuijt MA Projectcode: ALOE & ALOE2 Bestandsnaam: RAAPrap_5344_ALOE2_20210820 Autorisatie: drs. R.W. de Groot & ir. L.J. Keunen

ISSN: 0925-6229

RAAP Leeuwenveldseweg 5b

Telefoon: 0294-491 500

1382 LV Weesp

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 5069

Website: www.raap.nl

1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2021 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Samenvatting In opdracht van Kragten B.V. heeft RAAP in juli-augustus 2021 een archeologisch vooronderzoek (in de vorm van een bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer (gemeente Aalsmeer). Het onderzoek vond plaats in het kader van een nieuw bestemmingsplan. In het plangebied (fase 1) is de nieuwbouw van circa 800 -1.000 woningen voorzien. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 26,6 ha en is deels bebouwd en in gebruik voor de tuinbouw. Resultaten en advies archeologisch bureauonderzoek Op basis van het archeologisch bureauonderzoek zijn in het plangebied op geringe diepte onder het maaiveld mogelijk potentiële archeologische niveaus aanwezig. Indien in het plangebied kreekgeul - of kreekoeverafzettingen met een goeddeels intact bodemprofiel aanwezig zijn, bestaat voor deze betreffende lagen een middelhoge archeologische verwachting voor bewoningssporen uit het neolithicum. Voor lagen die in een lager gelegen, natter milieu zijn gevormd (wad -, getijde- en niet-gerijpte kwelderafzettingen), of op grotere afstand van kreekgeulen, bestaat een lage archeologische verwachting.

Op grotere diepte onder het maaiveld (vanaf circa 5,25 -6,25 m –mv) vormt de top van het dekzandlandschap een potentieel archeologisch niveau uit het paleolithicum-neolithicum, maar dit niveau zal naar verwachting niet door graafwerkzaamheden worden bereikt. Op basis van het historisch kaartmateriaal blijkt dat in de nieuwe tijd waarschijnlijk geen bewoning in het plangebied heeft plaatsgevonden, aangezien bewoning voornamelijk aan de zuid-/oostkant van de Legmeerdijk was gesitueerd en langs de Oosteinderweg (buiten het plangebied). Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied mogelijk archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bestemmingswijziging en bodemingrepen dieper dan de bouwvoor. Er wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Om de gespecificeerde verwachting aan te vullen en te verfijnen wordt een archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Een dergelijk vervolgonderzoek heeft tot doel de opbouw van de ondergrond en bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen en specifiek de aan-/afwezigheid van kreekgeul- en oeverafzettingen met een middelhoge archeologische verwachting in het plangebied te toetsen.

Aan de hand daarvan kan de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting worden getoetst en kunnen concrete gegevens worden verzameld over gaafheid en diepteligging van potentiële archeologische niveaus. Er wordt geadviseerd om 4 rijen boringen verspreid over het plange bied, maar gericht op onbebouwde zones, uit te voeren (zie de advieskaart, figuur 8). De onderlinge boorafstand dient niet meer dan 20 m te bedragen om mogelijk vrij smalle kreekgeulen en –oevers te kunnen opsporen. Er wordt op basis van deze spreiding geadviseerd 48 boringen tot circa 3 m –mv uit te voeren en iedere vijfde boring tot 4 m –mv door te zetten. Daarnaast wordt aangeraden om circa 8 boringen op voo rhand te reserveren om het boorgrid op locaties waar kreekgeulen/ -oevers aanwezig zijn te verdichten en deze geomorfologische eenheden beter in kaart te brengen. Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid , de gemeente Aalsmeer, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[3]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Resultaten en advies cultuurhistorisch onderzoek Het plangebied ligt in een in 1867 drooggemaakte veenplas. Kenmerken van dit droogmakerijlandschap zijn de rationele en regelmatige verkaveling, de diepe ligging van de landbouwpercelen, en de aanwezigheid van bebouwing in linten langs een beperkt aantal hoofdwegen. De Legmeerdijk is de oudste structuur in het gebied (ca. 1000-1200 na Chr.). De overige aanwezige landschapselementen (wegen, watergangen) dateren uit de periode waarin de polder is drooggemaakt. De oudste bebouwing bevindt zich op het adres Aalsmeerderweg 370. De woning (1920) en achtergelegen schuur (oudste deel vermoedelijk 1940-1944 dateert) vormen een karakteristiek ensemble. De overi ge bebouwing, waaronder diverse kassen, dateert uit de periode 1950-heden. In het gebied liggen geen beschermde monumenten. Uit de waardering van het landschap blijken de randen van het plangebied positief te scoren. Op de overgangen van de Aalsmeerderweg en Legmeerdijk naar de dieper gelegen polder is de historische ontwikkeling van het plangebied nog goed herkenbaar. In het centrum van de polder zijn veel verstoringen opgetreden (demping/nieuwe aanleg van sloten en koelbassins, bouw van grote moderne kass en) waardoor de rationele verkaveling hier niet goed herkenbaar meer is.

Uit de waardering van de landschapselementen blijkt dat de Aalsmeerderweg en de Legmeerdijk beide positief scoren. De Middentocht heeft waarde als een nog goed herkenbare hoofdwaterga ng in het watersysteem van de droogmakerij. Aanbevolen wordt om in de planontwikkeling de karakteristieke overgang tussen de hoger gelegen dijken/wegen (Aalsmeerderweg en Legmeerdijk) en het laaggelegen droogmakerijlandschap te behouden en te versterken. Daarnaast wordt behoud en versterking van de Middentocht als onderdeel van de oorspronkelijke hoofdwaterstructuur van de Oosteinderpoelpolder aanbevolen. Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan wordt geadviseerd om naar aanknopingspunten met de rati onele ordenings- en verkavelingsprincipes van het droogmakerijlandschap te zoeken. Tenslotte wordt nader onderzoek naar het ensemble op Aalsmeerderweg 370 aanbevolen alvorens tot sloop van de aangebouwde schuur (die in het plangebied ligt) over te gaan.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[4]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................ 3 Inhoud....................................................................................................................................... 5 1 Inleiding ................................................................................................................................. 6 1.1 Kader ....................................................................................................................................... 6 1.2 Administratieve gegevens .......................................................................................................... 8 1.3 Doel- en vraagstelling archeologisch bureauonderzoek ............................................................... 9 1.4 Doelstelling en werkwijze cultuurhistorisch onderzoek ............................................................... 10

2 Archeologisch bureauonderzoek ........................................................................................... 11 2.1 Methode .................................................................................................................................. 11 2.2 Aardkundige situatie ................................................................................................................ 11 2.3 Archeologische gegevens ......................................................................................................... 16 2.4 Historische situatie .................................................................................................................. 18 2.5 Huidige situatie ........................................................................................................................ 19 2.6 Toekomstige situatie ................................................................................................................ 21 2.7 Gespecificeerde archeologische verwachting ............................................................................ 22

3 Conclusies en advies Archeologie ......................................................................................... 24 3.1 Conclusies ............................................................................................................................... 24 3.2 Advies ..................................................................................................................................... 24 3.3 Tot slot .................................................................................................................................... 25

4 Cultuurhistorisch onderzoek en context ................................................................................. 26 4.1 Ontginning van Aalsmeer ......................................................................................................... 26 4.2 Waterscheiding, Legmeerdijk en Oosteinderweg ........................................................................ 26 4.3 Ontstaan van de Oosteinderpoel ............................................................................................... 28 4.4 Ontwikkeling van de Oosteinderpoelpolder ................................................................................ 34

5 Conclusies en advies Cultuurhistorie .................................................................................... 40 5.1 Inventarisatie ........................................................................................................................... 40 5.2 Waardering .............................................................................................................................. 40 5.3 Aanbevelingen ......................................................................................................................... 43

Literatuur ................................................................................................................................ 44 Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen ............................................................................... 46

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[5]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

1 Inleiding 1.1 Kader Aanleiding In opdracht van Kragten B.V. heeft RAAP in juli-augustus 2021 een archeologisch vooronderzoek (in de vorm van een bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer (gemeente Aalsmeer;figuur 1). Het onderzoek vond plaats in het kader van een nieuw bestemmingsplan. In het plangebied (fase 1) is de nieuwbouw van circa 800-1.000 woningen voorzien. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 26,6 ha en is deels bebouwd en in gebruik voor de tuinbouw. De diepte van de bodemingrepen is nog onbekend. Juridisch en beleidskader Het uitgangspunt voor dit onderzoek wordt gevormd door het wettelijk en beleidsmatig kader voor de ruimtelijke ordening en monumentenzorg. De gemeente is de bevoegde overheid die een besluit zal nemen over hoe om te gaan met de eventueel aanwezige archeologische waarden. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Aalsmeer ligt het plangebied in categorie 4 met een relatief geringe archeologische verwachting. Het beleid voor deze categorie schrijft voor dat bij bodemingrepen groter dan 10.000 m 2 en dieper dan 40 cm -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Deze voorschriften zijn verankerd in bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Oost’ (Waarde – Archeologie 2).

Hoewel de exacte diepte van de toekomstige ingrepen nog niet bekend is, zal de omvang van de ingrepen de vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek in het huidige bestemmingsplan overschrijden. Kwaliteitsborging De archeologische werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL4000, conform artikel 5.4 van de Erfgoedwet. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), is door de minister aangewezen als norm. RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van Eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems). Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde (archeologische) perioden.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[6]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 1. Aanduiding plangebied (rood kader). Inzet: ligging in Nederland (ster).

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[7]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

1.2 Administratieve gegevens Type onderzoek

Archeologisch bureauonderzoek en cultuurhistorisch onderzoek

Opdrachtgever

Kragten B.V.

Bevoegde overheid

Gemeente Aalsmeer

Plaats

Aalsmeer

Gemeente

Aalsmeer

Provincie

Noord-Holland

Centrumcoördinaten (X/Y)

115.725/477.325

Toponiem

Oosteindedriehoek

Kadastrale gegevens

Zie figuur 2

Oppervlakte plangebied

26,6 hectare

Afbakening onderzoeksgebied

Tijdens onderhavig onderzoek is het plangebied inclusief een zone van circa 500 m rondom het plangebied onderzocht

Onderzoeksperiode

Juli-augustus 2021

Uitvoerder

RAAP West

Projectleider Archeologie

dr. D. Peeters

Projectleider Cultuurhistorie

A. Kuijt MA

RAAP-projectcodes

ALOE & ALOE2

ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer

5096775100

Beheer en plaats documentatie

RAAP regio West te Leiden en op termijn het provinciaal Depot, ARCHIS en E-Depot.

Tabel 1. Administratieve gegevens.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[8]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 2. Kadastrale perceelnummers in het plangebied en de omgeving.

1.3 Doel- en vraagstelling archeologisch bureauonderzoek De doelstelling van het archeologisch vooronderzoek is het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein, dan wel de archeologische vindplaats. Daartoe wordt informatie verzameld over bekende en verwachte archeologische resten teneinde een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Hiertoe is een aantal onderzoeksvragen geformuleerd: 

Hoe ziet de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?

Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen in en rond plangebied zijn reeds bekend?

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[9]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Wat was het historisch landgebruik van het plangebied en wat is het landgebruik nu en wat is de invloed daarvan op de (verwachte) archeologie en (bodem)gaafheid?

Wat is de gespecificeerde verwachting ten aanzien van nog onbekende archeologische waarden in het gebied? En wat zijn hiervan de prospectiekenmerken?

Algemeen 

Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventuele archeologische resten?

Op welke wijze kan bij de planvorming met archeologische resten worden omgegaan?

Met de inzet van welke zoekmethoden kunnen verwachte resten systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)?

1.4 Doelstelling en werkwijze cultuurhistorisch onderzoek Waar het archeologische vooronderzoek zich vooral richt op de sporen onder het maaiveld, focust het cultuurhistorisch onderzoek op de bovengrondse sporen en structuren . Het doel van het cultuurhistorisch onderzoek is om de ontwikkelingsgeschiedenis van het onderzoeksgebied te beschrijven en de sporen en structuren die daarvan in de huidige situatie bewaard gebleven zijn te inventariseren en te waarderen. Tevens doet de voorliggende rapportage aanbevelingen hoe de vastgestelde cultuurhistorische waarden in het kader van de geplande ingrepen behouden of indien mogelijk versterkt kunnen worden. Bij de cultuurhistorische inventarisatie wordt een veel gehanteerde onderverdeling gebruikt van cultuurlandschap, landschapselementen en bouwkunst. Het cultuurlandsc hap wordt opgedeeld in landschapstypen en geeft inzicht in de wordingsgeschiedenis en ruimtelijke karakteristiek van het landschap op macroschaal. De cultuurhistorische landschapselementen zijn fysieke elementen die in het landschap voorkomen of inmiddels verdwenen zijn. De bouwkunst is geïnventariseerd door de beschermde objecten (monumenten) te verzamelen aan de hand van vigerende bestemmingsplannen en lijsten met beschermde monumenten, zoals Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten.

De bouwkunst zonde r beschermde status wordt geïnventariseerd aan de hand van de lijst met MIP -pers (Monumenten Inventarisatie Project), gemeentelijke lijsten (indien bij gemeenten aanwezig) en visuele inspectie. De geïnventariseerde objecten en structuren zijn voorzien van een waardering, waarbij is gelet op zaken als gaafheid, zeldzaamheid en ensemblewaarde.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[10]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

2 Archeologisch bureauonderzoek 2.1 Methode Het bureauonderzoek dient ervoor om – op basis van verschillende bronnen – inzicht te krijgen in de genese van het landschap, de bodemopbouw en de sporen die het menselijk gebruik in de loop van de tijd heeft achtergelaten. Met behulp van deze gegevens wordt een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Naast de conform de KNA verplichte bronnen is door de gebiedsexperts van RAAP een beredeneerde keuze gemaakt uit betrouwbare bronnen die voor de archeologische verwachting relevante informatie bevatten (zie bijlage 2 voor de motivering). Daarvoor is gebruik gemaakt van de landelijk en voor RAAP digitaal beschikbare archieven. Voor de beschrijving van de historische situatie is gebruik gemaakt van hiervoor relevante informatiedragers. Voor de actuele metadata van de verzamelde gegevens (gemeente, plaats, etc.) wordt verwezen naar het van toepassing zijnde data -archief.

2.2 Aardkundige situatie Landschappelijke ontwikkeling De landschappelijke basis waarin (waarop) de holocene ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, wordt gevormd door pleistoceen dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). De top van deze door de wind afgezette zanden ligt in de omgeving rond 9,5-11 m -NAP (Riezebos & Du Saar, 1969; DINO-loket, zie beneden). De hoogteligging van en het reliëf binnen dit dekzandoppervlak zijn echter slechts globaal bekend. Het dekzandlandschap was bewoonbaar gedurende het laat paleolithicum en mesolithicum, totdat het, als gevolg van de stijgende zeespiegel, vernatte en geleidelijk overgroeid raakte met veen (Basisveen Laag van de Formatie van Nieuwkoop). De eerste mariene afzettingen die het gebied kent, bestaan uit een enkele decimeters dikke kleilaag die over het Basisveen is afgezet (de Velsen Laag, onderdeel van het Laagpakket van Wormer, Formatie van Naaldwijk). Deze afzettingen bevinden zich, indien deze niet zijn geërodeerd door getijstromen, op minstens 10 tot 12 m -NAP (De Gans e.a., 1995). De overgang van een ‘open’ terugschrijdende kustlijn naar een ‘gesloten’ uitbouwende kustbarrière in combinatie met een minder snel stijgende zeespiegel vanaf het Subboreaal, maakte het ontstaan van strandwallen mogelijk (Berendsen, 2004).

Op de zandige wadplaten ontstonden, parallel aan de kustlijn, de eerste strandwallen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Zandvoort). Achter de door strandwallen gesloten kust kon zich veen vormen (Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop). Door de aanwezigheid van strandwallen kon het zeewater rond 5.800 voor Chr. alleen via lokale openingen in de kustlijn het achterland binnendringen - de zogenaamde zeegaten. In grote delen van West-Nederland ontstond hierdoor een uitgestrekt wadden - en kweldersysteem. Het plangebied was ook onderdeel van zo’n wadden- en kweldergebied (figuur 3) dat via het Zeegat van Hoofddorp in verbinding stond met de zee. De sedimenten werden niet in één keer afgezet, maar in verschillende fasen (in het verleden aangeduid als Calais -I, -II, -III en -IV; Riezebos & Du Saar, 1969). Van de oudste getijdenafzettingen in de (ca. 6 .000-4.300 voor Chr., ‘Calais-I’) zijn naar wordt aangenomen nog slechts enkele erosieresten aanwezig. Afzettingen uit de hierop volgende periode (4.300-3.300 voor Chr., ‘Calais-Il’) komen daarentegen wel op grote schaal voor (in de Haarlemmermeer vanaf het maaiveld). Deze afzettingen zijn in een rustig milieu ontwikkeld als wadsedimenten.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[11]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 3. Het plangebied op de paleogeografische reconstructies van Vos & De Vries (2013).

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[12]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Op enkele plaatsen was het land hoger opgeslibd en waren k welders ontstaan die alleen bij extreem hoog water (springtij/stormvloed) overstroomden. De kwelderafzettingen kenmerken zich door kalkarme en vaak goed gerijpte, zware klei. In dit landschap ontbreekt een uitgebreid geulenstelsel. Dit geldt niet voor de afzettingen uit de volgende perioden (3.300-2.700 en 2.700-2.000 voor Chr., respectievelijk ‘Calais-III en -IV’). In deze perioden ontstonden wijdvertakte geulenstelsels met oeverwallen. De oeverwallen en de verlande getijdengeulen bestaan uit sterk zandig materiaal. In deze periode gaat de westwaartse uitbouw van de kust relatief snel en zullen de oeverwallen langs de kreken en geulen geschikt zijn geweest voor bewoning. Op basis van de gaande paleogeografische reconstructies waren in/nabij het plangebied geen grote getijde(inbraak)geulen aanwezig. Op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voor de gemeente Amstelveen zijn hoger li ggende getijinversieruggen wel circa 1,7 km ten oosten van het plangebied te reconstrueren (Wink, 2016). De aanwezigheid van zandige lagen in een DINOboring in het plangebied illustreert echter mogelijk de aanwezigheid van een kreekgeul of ander type geul (wadgeul; zie beneden).

De afzettingen die in deze periode in het getijden-/waddenmilieu zijn gevormd worden gerekend tot de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer. Na de ontwikkeling tot een gesloten kustlijn en het sluiten van het Zeegat van Hoofddorp rond 3.000 voor Chr. nam de mariene invloed in de omgeving aanzienlijk af, waardoor een pakket veen, dat voorheen alleen in lage natte gebieden groeide, onder invloed van de zeespiegel - en grondwaterstijging kon worden gevormd (Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop ; figuur 3b-d). Plaatselijk bereikte het veen een dikte van meer dan 4 m (Haans, 1954). Door dit veengebied liepen enkele veenstroompjes. Slechts een aantal kleine plekken bleef open water: het Spieringmeer in het noorden, het Haarlemmermeer in het midden en het Leidse Meer in het zuiden. Door voortdurende oeverafslag verbonden deze meren zich met elkaar en ontstond in de loop van de middeleeuwen één groot meer (figuur 3d-f). Het verslagen veen werd door het Spaarne en het IJ afgevoerd. Om verdere uitbreiding van het Haarlemmermeer tegen te gaan en om te voorkomen dat het meer met de oostelijk gelegen veenplasse n tot één grote watervlakte zou uitgroeien, werd de Haarlemmermeer in 1852 drooggelegd. De droog te leggen meren werden omgeven door een ringdijk, waarna he t water werd uitgemalen op de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder.

Het plangebied ligt buiten de Haarlemmermeerpolder in de Oosteinderpolder. Op deze locatie was eveneens een grote waterpartij (plas) aanwezig, die voornamelijk door maaivelddaling als gevolg van de ontginning van het veenlandschap en turfafgravingen is ontstaan (hoofdstuk 3.3). Vooral het veen in de nabijheid van het plangebied en de waterscheiding tussen Amstelland en Rijnland (veenmosveen) was van een goede kwaliteit om te verbranden (Wink, 2016). De Oosteinderpolder is in de periode 1866-1868 drooggelegd (hoofdstuk 3.4). Geologische-, geomorfologische- en bodemkaart Het grootste deel van het plangebied ligt op de geologische overzichtskaart van Nederland in een zone waar (mogelijk) nog veen op zeeklei en –zand aanwezig is (Ni2; Hollandveen op Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer; figuur 4). Volgens deze kaart bestaat de bodemopbouw in de rest van het plangebied uit zeeklei en –zand met inschakeling van veen (Na17; Laagpakket van Wormer/Formatie van Nieuwkoop). Het plangebied ligt op de geomorfologische kaart in een vlakte van getij -afzettingen (2M72). Een strook van circa 30 m langs de Legmeerdijk, die het plangebied aan de zuidoostkant begrenst, staat niet op de geomorfologische kaart. De Legmeerdijk zelf betreft echter een veenrestdijk.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[13]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

De bodem in het plangebied is geclassificeerd als (gerijpte) Warmoezerijgrond (AWg). Zulke gronden zijn grotendeels antropogeen gevormd, kunnen sterk in opbouw variëren en komen vaak voor in gebieden waar glastuinbouw is/werd bedreven. De bovengrond is vaak tot circa 30-60 cm dik en bestaat waarschijnlijk uit humeuze klei.

Figuur 4. Het plangebied op de geologische overzichtskaart van Nederland.

Maaiveldhoogte en grondwaterstand De maaiveldhoogte in het plangebied ligt veelal rond 4,2 en 4,5 m –NAP (https://www.ahn.nl/ahn-viewer). Het maaiveld ligt iets hoger ter plaatse van landbouwwegen en enkele (opgehoogde?) percelen, terwijl ook locaties aan de voet van de Legmeerdijk hoger gelegen zijn (figuur 5). De grondwaterstand in het plangebied is geclassificeerd als trap IV. De gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt hierbij dieper dan 40 cm –mv en de gemiddelde laagste grondwaterstand tussen 80 en 120

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[14]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

cm –mv. Eventueel aanwezige organische (archeologische) resten zullen vanaf de gemiddelde laagste grondwaterstand in het algemeen goed bewaard zijn gebleven.

Figuur 5. Maaiveldhoogten (AHN) en benoemde DINOboringen.

Boringen in/nabij het plangebied: DINOloket In het DINOloket zijn twee boringen opgenomen, die binnen de grenzen van het plangebied zijn uitgevoerd (figuur 5): 

Boring B25D0780 is in het oostelijk deel van het plangebied gezet (schijnbaar nabij de Middentocht; maaiveld op 4,3 m -NAP). Tot 6 m –mv zijn hier afzettingen aanwezig, die aan het Laagpakket van Wormer zijn toegeschreven. Tot 2,7 m –mv zijn kleiige lagen aange-

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[15]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

troffen. De bovenste 35 cm zijn matig humeus en sterk siltig, waaronder zandige klei aanwezig is. Tussen 2,7 en 5 m –mv is een pakket uiterst fijn zand aangeboord, met hieronder tot 6 m –mv zwak siltige klei. Op 6 m –mv is een 35 cm dikke veenlaag aanwezig, die aan het Basisveen is toegeschreven. Vanaf 6,35 m –mv (vanaf 10,65 m –NAP) is zeer fijn dekzand aangeboord (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). 

Boring B25D0781 bevindt zich in de noordwestelijke hoek van het plangebied ter plaatse van Aalsmeerderweg 344 (maaiveld eveneens op 4,3 m –NAP). De diepteligging van het Basisveen (vanaf 5,9 m –mv) en dekzand (vanaf 6,15 m –mv/10,45 m -NAP) zijn vergelijkbaar met de vorige boring. Opvallend is wel dat in het hierboven gelegen pakket afzettingen van het Laagpakket van Wormer geen laag zand (maar hoogstens sterk zandige klei (tussen 2,5 en 4 m –mv) aanwezig is.

In boringen B25D0783 (ten noorden van het plangebied) en B25D0787 (ten oosten) is zijn geen zandige pakketten in het Laagpakket van Wormer aangetroffen. De top van het dekzand in deze boringen is echter wat variabeler en ligt respectievelijk hoger in B25D0 787 (5,55 m –mv/9,75 m -NAP) en op ongeveer dezelfde hoogte dan in het plangebied B25D0783 (6,35 m –mv/10,45 m –NAP). In beide boringen wordt het dekzand afgedekt door een dunne laag Basisveen.

2.3 Archeologische gegevens Archeologische Monumentenkaart (AMK) Circa 280 m ten noordwesten van het plangebied ligt een terrein met een hoge archeologische waarde op de AMK (monumentnummer: 14553; figuur 6). Het betreft de historische kern van het gehucht Oosteinde, waarin archeologische resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd worden verwacht. Archeologisch onderzoek in de omgeving van het plangebied (Archis3) Voor de Legmeerdijk is achtereenvolgens een archeologisch bureauonderzoek en archeologische begeleiding uitgevoerd in het kader van de voorziene wijzigingen van de N231 (Archis-zaaknummers: 4038030100 en 4645264100). Op basis van het bureauonderzoek is geadviseerd om bodemingrepen aan de noordzijde van de Legmeerdijk vrij te geven van archeologisch vervolgonderzoek. Aan de zuidzijde van deze weg lijkt op basis van historische kaarten echter bebouwing te zijn ontstaan langs deze ontginningsas, op basis waarvan een karterend booronderzoek is geadviseerd (Fens & Tolsma, 2017). Tijdens de archeologische begeleiding van een van de planlocaties langs de Legmeerdijk is circa 550 m ten zuiden van het plangebied slechts één spoor aangetroffen. Het betreft een kuil met aardewerk uit de 17-18e eeuw, die mogelijk tot een erf uit de nieuwe tijd behoort.

Daarnaast is in ophogingslagen aardewerk uit de late middeleeuwen en 18e-19e eeuw aangetroffen, dat vermoedelijk als afval is opgebracht. Aangezien de werkzaamheden slechts tot 100 cm –mv reikten kon de natuurlijke/ongeroerde bodemopbouw op deze locatie niet goed worden bestudeerd (Mol & Rebergen, 2019).

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[16]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 6. Archeologische gegevens uit de omgeving van het plangebied.

Aan de oostzijde van de N231 zijn ter hoogte van het plangebied meerdere archeologische booronderzoeken uitgevoerd. Ter hoogte van Legmeerdijk 154 bestaat de natuurlijke bodemopbouw binnen 5 m – mv uit Hollandveen op wadafzettingen (4677705100). Aan het maaiveld zijn ophogingslagen aanwezig. Het ongeroerde veen is alleen in het westelijk deel van het plangebied vanaf 1,6-1,9 m –mv (vanaf 4,34,4 m –NAP) aangetroffen. Op basis van historische kaarten vanaf de 17e eeuw was geen bebouwing in het plangebied aanwezig, maar de rommelige veenlagen in vier van de boringen boven het ongeroerde veen illustreren mogelijk bewoning of andere vormen van activiteit, zoals akkerbouw, waarbij in de late middeleeuwen-nieuwe tijd een cultuurlaag is gevormd. De in Archis gemelde ‘vondst’ betreft deze mogelijke cultuurlaag met daarin enkele kleibrokjes, zandbijmenging en een spikkel baksteenpuin (Conradi, 2019). Zuidelijker, ter hoogte van Legmeerdijk 160, zijn aan de basis van de boringen (vanaf circa 4,5 m –NAP) lagen relatief slappe, sterk gelaagde (zandlaagjes) klei aangetroffen (4030968100).

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[17]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

De top van dit pakket is iets steviger (matig slap) en deze klei is als kwelderafzetting geïnterpreteerd. Hierboven is een pakket ongeroerd en veraard veen aanwezig (top op circa 3,45-4,05 m –NAP). De top van het veen is vrij rommelig van aard en in één boring zijn vier scherven roodbakkend geglazuurd aardewerk (mogelijk 16e eeuw) aangetroffen. Ook voor dit plangebied zijn op historische kaarten geen gebouwen weergegeven en betreffen de aangetroffen lagen en resten mogelijk sporen van agrarisch landgebruik (Van der Zee, 2017). Op het perceel van Legmeerdijk 166 was volgens historische kaarten wel kans op de aanwezigheid van bebouwingsresten. In de hier uitge voerde boringen was echter geen intact veen meer aanwezig en is de top van de onderliggende kleiige afzettingen mogelijk ook omgewerkt. Deze kleiige afzettingen zijn tijdens dit veldonderzoek als getijdeafzettingen geïnterpreteerd (Haaring & Moerman, 2011). Het archeologisch bureauonderzoek dat voor de locatie Hornweg -Palingstraat in Archis door IDDS is aangemeld (2322807100) is nog niet afgemeld en in Archis of DANS/EASY is geen rapport aanwezig. Sweco heeft voor een zone van circa 35 ha ten zuiden van de Legmeerdijk een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (4875645100). Net als voor het huidige plangebied is hier woningbouw voorzien.

Op basis van het bureauonderzoek bleek het karakter van de afzettingen behorende tot het Laagpakket van Wormer (specifiek de aan-/afwezigheid van kreekruggen) lastig vast te stellen. De archeologische verwachting voor de periode neolithicum-vroege middeleeuwen en periode van veenvorming is als laag gesteld. In het uiterste westen van het plangebied kunnen echter resten uit de 15e eeuw en later aanwezig zijn. Op basis van dit bureauonderzoek is geadviseerd om twee raaien van boringen (in totaal 100 boringen met een onderlinge spreiding van 20 m) uit te voeren om de aanwezigheid van kreeksystemen in de ondergrond te toetsen (Ouwerkerk, 2021). Ten noorden van het plangebied zijn diverse archeologische bureauonderzoeken uitgevoerd (4859891100, 4606376100 en 2432781100). Langs de Oosteinderweg en Hogedijk zijn bebouwingsresten uit de periode late middeleeuwen-nieuwe tijd te verwachten, terwijl voor de kleiige afzettingen onder het veen respectievelijk een middelhoge archeologische verwachting voor het vroeg en midden neolithicum (Huisman, 2020) en een lage archeologische verwachting is opgesteld op basis van de verwachting dat het wadafzettingen betreft (De Boer, 2018). Ten zuidoosten van de katholieke kerk aan de Oosteinderweg zijn 4 boringen uitgevoerd (4933673100). Binnen de maximale boordiepte van 4 m is uitsluitend veen met hierboven een ophoogpakket aangetroffen.

In dit ophoogpakket is een scherf roodbakkend, Rijnlands aardewerk uit de 18e eeuw gevonden (Van Dasselaar, 2021). Noordelijker is op het perceel van Oosteinderweg 431 onder een ophogingspakket een mogelijke akkerlaag in de top van het veen aangetroffen (2469289100). In deze akkerlaag zijn spikkels baksteenpuin, kachelslik, mortel en een enkel fragment aardewerk uit de nieuwe tijd aangetroffen. Aan de basis van de boringen zijn vanaf circa 4,4 m –NAP wadafzettingen aanwezig, die bestaan uit matig slappe klei met zandlagen (Warning, 2015).

2.4 Historische situatie Op basis van historische kaarten kan inzicht worden verkregen in het historisch gebruik van een gebied van na de late middeleeuwen tot begin 20e eeuw. In die periode was men veel meer dan nu gebonden aan de (on)mogelijkheden die het natuurlijke landschap bood voor bewoning en andere vormen van landgebruik. Het historisch gebruik zegt daarmee iets over de archeologische potentie van het gebied. Daarnaast kan het informatie leveren over eventuele bodemverstoringen die in het verleden hebben plaats gevonden.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[18]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

In de 11e eeuw luidde bevolkingsgroei en de daarmee samenhangende behoefte aan meer landbouwareaal de grootschalige ontginning van de Hollandse en Utrechtse veengebieden in. Aangenomen wordt dat vanuit de ‘overbevolkte’ geest- en zandgronden van Kennemerland en Utrecht kolonisten de veengebieden zijn binnengetrokken die later Amstelland en Rijnland zouden gaan heten. Amstelland waterde af via de Amstel en is op initiatief vanuit Utrecht ontgonnen. Het gebied van Rijnland is in de loop der tijd gaan afwateren via het Haarlemmermeer en het IJ en is ontgonnen vanuit het Hollandse Kennemerland. De waterscheiding tussen deze twee gebieden liep door het plangebied en markeerde tevens de grens tussen de Hollandse en de Utrechtse veenontginningen (zie hoofdstuk 3). Om de veengronden agrarisch bruikbaar te maken, moesten ze eerst worden ontwaterd. Daartoe werden vanaf natuurlijke of vooraf gegraven waterlopen haaks o p de natuurlijke helling van de veenkussens parallel aan elkaar gelegen, afwateringssloten gegraven, in de richting van de waterscheiding, de latere landscheiding. Hierdoor ontstonden op de afwateringsrichting georiënteerde strokenverkavelingen. Rondom de ontginningen werden voor-, zij- en achterkades opgeworpen. Zo werden zij beschermd tegen overstromingen vanuit de veenrivieren en wateroverlast vanuit het nog niet ontgonnen veen.

De ontginning van het veengebied had grote gevolgen voor de landschapsontwikkeling. De ontwatering leidde tot oxidatie en inklinking van het veen en had een maaivelddaling tot gevolg. Al in de 12e eeuw zal hierdoor de natuurlijke afwatering van de ontginningen op basis van het oorspronkelijke hoogteverschil problematisch zijn geworden. Een tweede effect van de maaivelddal ing was dat de laaggelegen gebieden kwetsbaar werden voor overstromingen vanuit de zich vormende Zuiderzee en het IJ. Dit was zeker het geval op locaties waar turfafgravingen plaatsvonden. Vooral het veen in de nabijheid van het plangebied en de waterscheiding tussen Amstelland en Rijnland (veenmosveen) was van een goede kwaliteit om te verbranden. Overstromingen tastten het veen verder aan en plaatselijk ontstonden meren, zoals het Nieuwe Meer en het Haarlemmermeer bij Amstelveen. Men heeft getracht deze problemen te ondervangen door de aanleg van nieuwe waterlopen, dijken, dammen en sluizen.

Daarnaast heeft men waarschijnlijk de nederzettingen naar de hogere en drogere terreindelen in het gebied verplaatst: voor zover de nederzettingen niet al direct bij d e (secundaire) ontginningen aan de Veendijk, de Legmeerdijk en de Kleine Noorddijk zijn gesitueerd, heeft men ze daar onder invloed van de maaivelddaling in een later stadium naar toe verplaatst (Van de Ven, 1993; Besteman, 1994 & 1997; Haartsen & Brand, 2005). Voor een uitgebreide historisch geografische ontwikkeling van het plangebied en de omgeving op basis van historisch en topografisch kaartmateriaal wordt verwezen naar he t cultuurhistorisch onderzoek (hoofdstuk 3). In de nieuwe tijd was het plangebied deel van een grote waterpartij (plas), die voornamelijk door maaivelddaling als gevolg van de ontginning van het veenlandschap en turfafgravingen is ontstaan. De Oosteinderpolder, inclusief het plangebied, is in de periode 1866-1868 drooggelegd. Op basis van de Molendatabase en de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) zijn geen historische of verdwenen molens of resten van militair erfgoed in het plangebied te verwachten. Op een RAF luchtfoto uit 1944 zijn ook geen sporen van loopgraven of andere defensieve structuren te zien (zie figuur 19). Het plangebied is grotendeels onbebouwd en de perceelvlakken in deze periode zijn overeenkomstig met de huidige (hoewel in de tussentijd veel sloten zijn gedempt).

2.5 Huidige situatie Aan de hand van actuele gegevens van recente luchtfoto’s, Google Street View, locatiebezoek en navraag bij de opdrachtgever zijn de onderstaande zaken over de huidige situatie te melden.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[19]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Huidig grondgebruik

Deels bebouwd, agrarisch (tuinbouw)

Hoogteligging maaiveld

Rond 4,2-4,5 m –NAP (https://www.ahn.nl/ahn-viewer)

Grondwatertrap of -stand

Trap IV

Milieutechnische condities

- Aalsmeerderweg 340-354: lichte verontreiniging van bovengrond.

(Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied)

- Aalsmeederweg 358: enkel nikkel boven streefwaarde. - Aalsmeerderweg naast 364: geen ernstige verontreiniging, alleen de ondergrond is niet multifunctioneel toepasbaar. - Aalsmeerderweg 368: geen overschrijding van tussenwaarde. - Aalsmeerderweg 374: geen overschrijding van tussenwaarde. - Legmeerdijk 141: nader onderzoek deellocatie A (minerale olie ondergrond nabij tank) - Legmeerdijk 147: Zink, kwik en koper boven streefwaarde (mogelijk opbrengen baggerslib). Onderlaag niet verontreinigt, grondwater licht verontreinigt. - Legmeerdijk (tracé wegverharding): overschrijding streef-/achtergrondwaarden PFOS en PFOA. Lichte verontreiniging, in zuidelijk deel sterke verontreiniging met PAK en matige verontreiniging met lood.

Aanwezige constructies (funderingen, kelders e.d.)

Deels bebouwd met kassen (figuur 7)

Locatie en diepte van kabels/leidingen

Zie figuur 7, waarschijnlijk grotendeels binnen 0,7 m –mv

Tabel 2. Overzicht van de huidige situatie van het plangebied.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[20]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 7. Luchtfoto plangebied en ligging kabels en leidingen (KLIC).

2.6 Toekomstige situatie Uit navraag bij de opdrachtgever is het volgende gebleken over de toekomstige situatie: Aard, omvang en diepte

Het plangebied (fase 1) is de nieuwbouw van circa 800-1.000 woningen en een hiermee samenhangende bestemmingsplanwijziging voorzien. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 26,6 ha en is deels bebouwd en in gebruik voor de tuinbouw. De diepte van de bodemingrepen is nog onbekend.

Invloed op maaiveld en grondwater

Onbekend

Toekomstig gebruik

Woonwijk

Toekomstige gebruiker

Bewoners

Tabel 3. De toekomstige situatie.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[21]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

2.7 Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verzamelde gegevens is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Deze geeft inzicht in de aard en de ouderdom (inclusief omvang en uiterlijke kenmerken), (diepte)ligging, en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten. Aard en ouderdom Het verspreidingspatroon van archeologische vindplaatsen is voor een groot deel gerelateerd aan de fysieke eisen die de mens stelde aan de leef- en woonomgeving. Het meest markant zijn de verschillen tussen jager-verzamelaars enerzijds en landbouwers anderzijds. Jager-verzamelaars In de steentijd (paleolithicum t/m neolithicum) leefden de mensen voornamelijk van de jacht, visvangst en het verzamelen van eetbare planten en vruchten. Deze zogenaamde jager -verzamelaars trokken door het landschap en verbleven alleen tijdelijk op een plek. Uit een ruimtelijke analyse blijkt dat hun kampementen in vrijwel alle gevallen waren gesitueerd op de overgang van nat naar droog. Nabij dergelijke gradiëntzones waren namelijk de meeste voedselbronnen voorhanden en was (drink)water bereikbaar.

Voor landschappelijke zones met een sterke (ecologische) gradiënt – zoals dekzandruggen - geldt (bij een intact bodemprofiel) een hoge archeologische verwachting voor nederzettingsterreinen uit het paleolithicum-mesolithicum (langdurig gebruikte of hergebruikte nederzettingsterreinen; palimpsesten). Voor overige zones (vlakkere delen, of kleine kopjes binnen het dekzandlandschap) geldt een middelhoge archeologische verwachting voor kleinere, eenfasige nederzettingslocaties. Wel kunnen plaatselijk kleine (jacht-)kampementjes of specifieke vindplaatstypen voorkomen (graven, rituele deposities, e.d.). Landbouwers Met de introductie van de landbouw (vanaf het neolithicum) werd de mate waarin gronden geschikt waren om te beakkeren een steeds belangrijker factor in de locatiekeuze van de mens en. De eerste akkergronden werden aangelegd op de van nature vruchtbaarste gronden. Bovendien moes ten de gronden goed ontwaterd zijn. Na een fase van veenvorming en de aanwezigheid van een lager gelegen getijdenlandschap ontstond rond 3.300-3.000 voor Chr. in het plangebied en de omgeving mogelijk een hoger liggend (kwelder)landschap met hierin een wijdvertakt stelsel van kreekgeulen en mogelijk vrij smalle oeverwallen.

Indien zulke kreekgeulen en aanliggende oevers met een goeddeels intacte bodemopbouw aanwezig zijn (inclusief ontkalkte, goed gerijpte en/of humeuze lagen), bestaat voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor bewoningssporen of ander intensive vormen van landgebruik uit het neolithicum. Voor sedimenten die in een lager gelegen milieu of op enige afstand van deze geulen zijn gevormd (wad-, getijde- en niet goed gerijpte kwelderafzettingen) bestaat een lage archeologische verwachting. Op basis van het bronnenonderzoek bestaat voor het plangebied weinig tot geen informatie over de aan-/afwezigheid van kreekgeul- en kreekoeverafzettingen. Zulke lagen met een middelhoge archeologische verwachting voor het neolithicum kunnen dus in het plangebied aanwezig zijn.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[22]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Door veenafgraving en latere erosie en de vorming van de plas in het plangebied zullen potentiële archeologische niveaus uit de periode van veenvorming (laat neolithicum/bronstijd-vroege middeleeuwen) niet meer in het plangebied aanwezig zijn. Mogelijk is in delen van het plangebied wel nog de basis van het oorspronkelijke veenpakket aanwezig. Op basis van het historisch kaartmateriaal blijkt dat er in de nieuwe tijd waarschijnlijk geen bewoning in het plangebied heeft plaatsgevonden, aangezien bewoning voornamelijk aan de zuid -/oostkant van de Legmeerdijk was gesitueerd en langs de Oosteinderweg (buiten het plangebied). Het plangebied was deel van een grote plas, die in de periode 1866-1868 is drooggelegd. (Diepte)ligging Potentieel archeologisch interessante lagen kunnen in het plangebied direct onder de bouwvoor (of anderszins verstoorde lagen) voorkomen in de vorm van kreekgeul - en kreekoeverafzettingen uit het neolithicum. Mogelijk worden deze lagen nog afgedekt door een laag Hollandveen. De top van het dekzandlandschap in het plangebied is waarschijnlijk vanaf circa 9,75 -10,45 m –NAP aanwezig (vanaf circa 5,25-6,25 m –mv. Het dekzand wordt waarschijnlijk afgedekt door een dunne laag Basisveen.

Fysieke kwaliteit Aangezien potentieel interessante lagen zich op geringe diepte onder het maaiveld kunnen bevinden zijn deze lagen mogelijk deels verstoord of in de bouwvoor opgenomen. Indien kreekgeul - en oeverafzettingen met een middelhoge archeologische verwachting worden afgedekt door een laag intact Hollandveen is mogelijk sprake van een goede conservering van archeologische sporen of resten.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[23]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

3 Conclusies en advies Archeologie 3.1 Conclusies Op grond van de onderzoeksresultaten en onder verwijzing naar de doelstellingen, kunnen de volgende uitspraken worden gedaan: Op basis van het archeologisch bureauonderzoek zijn in het plangebied op geringe diepte onder het maaiveld mogelijk potentiële archeologische niveaus aanwezig. Indien in het plangebied kreekgeul - of kreekoeverafzettingen met een goeddeels intact bodemprofiel aanwezig zijn, bestaat voor deze betreffende lagen een middelhoge archeologische verwachting voor bewoningssporen uit het neolithicum. Voor lagen die in een lager gelegen, natter milieu zijn gevor md (wad-, getijde- en niet-gerijpte kwelderafzettingen) bestaat een lage archeologische verwachting. Op grotere diepte onder het maaiveld (vanaf circa 5,25-6,25 m –mv) vormt de top van het dekzandlandschap een potentieel archeologisch niveau uit het paleolithicum-neolithicum, maar dit niveau zal naar verwachting niet door graafwerkzaamheden worden bereikt. Op basis van het historisch kaartmateriaal blijkt dat in de nieuwe tijd waarschijnlijk geen bewoning in het plangebied heeft plaatsgevonden, aangezien bewoning voornamelijk aan de zuid /oostkant van de Legmeerdijk was gesitueerd en langs de Oosteinderweg (buiten het plangebied). Vermoedelijk was bewoning in de late middeleeuwen ook op locaties buiten het plangeb ied gefocust.

Het plangebied was deel van een grote plas in een voormalig veengebied, die vrij recent in de periode 1866-1868 is drooggelegd.

3.2 Advies Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied mogelijk archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bestemmingswijziging en bodemingrepen dieper dan de bouwvoor. Er wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Om de gespecificeerde verwachting aan te vullen en te verfijnen wordt een archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Een dergelijk vervolgonderzoek heeft tot doel de opbouw van de ondergrond en bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen en specifiek de aan-/afwezigheid van kreekgeul- en oeverafzettingen met een middelhoge archeologische verwachting in het plangebied te toetsen. Aan de hand daarvan kan de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting worden getoetst en kunnen concrete gegevens worden verzameld over gaafheid en diepteligging van potentiële archeologische niveaus. Er wordt geadviseerd om 4 rijen boringen verspreid over het plangebied, maar gericht op onbebouwde zones, uit te voeren (figuur 8). De onderlinge boorafstand dient niet meer dan 20 m te bedragen om mogelijk vrij smalle kreekgeulen en –oevers te kunnen opsporen.

Er wordt op basis van deze spreiding geadviseerd 48 boringen tot circa 3 m –mv uit te voeren en iedere vijfde boring tot 4 m – mv door te zetten. Daarnaast wordt aangeraden om circa 8 boringen op voorhand te reserveren om het boorgrid op locaties waar kreekgeulen/-oevers aanwezig zijn te verdichten en deze geomorfologische eenheden beter in kaart te brengen.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[24]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 8. Advieskaart Archeologie: verkennend archeologisch booronderzoek.

3.3 Tot slot Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid , de gemeente Aalsmeer, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit.

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[25]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

4 Cultuurhistorisch onderzoek en context 4.1 Ontginning van Aalsmeer In de vroege middeleeuwen (450-1050 na Chr.) werd het veengebied, waarin later Aalsmeer is ontstaan, niet of nauwelijks door mensen bewoond. De bodem was te drassig voor intensieve landbouw en nederzettingen met akkers waren geconcentreerd op de ho gere en drogere geest- en zandgronden van Kennemerland en Utrecht. Het veengebied was hoogstens in gebruik zijn voor extensief landgebruik, zoals jacht, visserij en het verzamelen van hout en riet.In de 11e eeuw kwam verandering in deze situatie. Bevolkingsgroei en de daarmee samenhangende behoefte aan meer landbouwareaal luidde de grootschalige ontginning van de Hollandse en Utrechtse veengebieden in. Aangenomen wordt dat vanuit de ‘overbevolkte’ geest- en zandgronden van Kennemerland en Utrecht kolonisten de veengebieden van west-Nederland zijn binnengetrokken (Wink, 2016). Volgens De Bont (2009) is het veen van Aalsmeer in twee of drie fases ontgonnen. Bij ontginning werd het veen ontwaterd waardoor de grond geschikt werd voor landbouw. De ontginners legden vermoedelijk een ‘basis’ (afwateringskanaal) aan langs de oever van het toen nog veel kleinere Haarlemmermeer en groeven vanaf daar rechte sloten in zuidoostelijke richting.

Na de eerste fase van ontginning werd deze nog één of tweemaal uitgebreid, totdat de ontginners uiteindelijk de Hollandse Waterscheiding, die door het plangebied liep, bereikten.

Figuur 9. Ontginning van Aalsmeer vanaf de Haarlemmermeer tot aan de Hollandse Waterscheiding (blauwe lijn rechtsonder) (De Bont, 2009).

4.2 Waterscheiding, Legmeerdijk en Oosteinderweg Het plangebied ligt volgens bovenstaande theorie in de laatste fase van de ontginning van Aalsmeer. De Hollandse Waterscheiding loopt door het plangebied en was oorspronkelijk een lange doorlopende veenrug die de natuurlijke begrenzing vormde tussen de westelijk gelegen venen van Kennemerland (waar de ontginning van Aalsmeer in lag) en de oostelijke venen van Waterland en Amstelland (De Bont, 2009). Nadat de gebieden aan weerszijden van de veenrug wa ren ontgonnen, bleef een wetering over: de waterscheiding (op kaarten ook wel aangeduid als lantscheiding). Deze vormde de grens tussen het grondgebied van Aalsmeer en Amstelveen, en daarmee in de middeleeuwen tussen de macht van de graven van Holland en dat van de bisschop van Utrecht (Vinkenoog, 2010).

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[26]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Op enige afstand ten oosten van de waterscheiding is de Legmeerdijk aangelegd, die in eerste instantie waarschijnlijk fungeerde als achterkade van de ontginningen in de huidige Amstelveense Legmeerpolder. Misschien is al direct bij de ontginning bewoning aan deze dijk gesitueerd, maar meer waarschijnlijk is dit pas in een later stadium gebeurd (De Bont, 2009). De bewoning werd in de veenontginningen gesitueerd in naast elkaar gelegen boerderijen op de afzonderlijke percelen. Hierdoor ontstonden lineaire nederzettingen die haaks op de verkavelingsrichting waren georiënteerd (Wink, 2016). Het vroegst ontgonnen noordoostelijk deel van Aalsmeer is in latere eeuwen volledig ‘verdronken’ in het Haarlemmermeer; waa r de oudste bebouwingslinten precies lagen, is daardoor onbekend. De Oosteinderweg is één van de oudste nog bestaande nederzettingslinten in Aalsmeer. Deze komt voor op de vroegst bekende (16e-eeuwse) kaarten van Aalsmeer.

Figuur 10. Kaart van het hoogheemraadschap van Rijnland, Oosteinde Aalsmeer van Floris Balthasars en Balthasar Florisz. van Berckenrode (1615). Op de kaart zijn de dicht bebouwde Oosteinderdijk, de ‘Landscheidinghe’ (waterloop) en de Legmeerdijk (vrijwel onbebouwd) reeds aanwezig (Hoogheemraadschap Rijnland).

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[27]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

4.3 Ontstaan van de Oosteinderpoel Behalve de uitdijende Haarlemmermeer waren er twee andere factoren die de landbouwgronden van Aalsmeer bedreigden. De ontwatering van het veen zorgde voor inklinking en oxidati e, waardoor de bodem zakte en vernatting optrad. De grond werd daardoor voor minder functies bruikbaar; men moest in de veengebieden doorgaans van akkerbouw overgaan op veeteelt. Vervolgens werd er op veel plaatsen overgegaan tot vervening, waaronder in het plangebied. Bij vervening of turfwinning werd de veenbodem afgegraven, gedroogd en als brandstof verkocht. Vervening vond in Aalsm eer eeuwenlang plaats, van de 14e tot de 19e eeuw. Het economisch klimaat daarvoor was gunstig, onder meer omdat Floris V de Aalsmeerders de turf tolvrij liet vervoeren (Visser, 2012). In eerste instantie gebeurde het turfsteken ‘droog’ (boven de grondwaterstand), na de uitvinding van de baggerbeugel in de 16 e eeuw kon het veen ook onder water gewonnen worden. De bagger werd te drogen gelegd op smalle legakkers, die naderhand door erosie vaak verdwenen. Uiteindelijk kwam door dit proces de Oosteinde rpoel bijna geheel onder water te staan. Alleen langs de (gedeeltelijk bewoonde) randen bleven (schier)eilandjes over.

Figuur 11. Nieuwe Kaart van het Baljuwschap van Amstelland Ter Ophelderinge van den Tegenwoordigen Staat der Vereenigde Nederlanden van Isaak Tirion (1749). De Oosteinderpoel en veel omliggende gronden zijn grotendeels verveend. Lands de randen liggen nog tal van schiereilandjes (Stadsarchief Amsterdam).

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[28]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 12. Kadastrale opmeting van de Oosteinderpoel (1811 -1832). Het grootste deel van het gebied bestaat uit water; de bebouwing is gesitueerd op schiereilandjes langs de Oosteinderweg (boven) (Noord-Hollands archief).

Figuur 13. Het plangebied op de Topografische Militaire Kaart (1850).

RAAP-rapport 5344 / versie 20-08-2021

[29]

Plangebied Oosteindedriehoek (OED) te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer ; archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) en cultuurhistorisch onderzoek

Oosteinderpoelpolder: een verveningspolder Zoals veel andere (veen)plassen in West-Nederland is de Oosteinderpoel uiteindelijk drooggemaakt en opnieuw als landbouwgrond in gebruik genomen. De bevolkingsgroei in Europa was in het midden van de 19e eeuw groot en dat betekende ook voor Nederland een grote vraag naar voedsel en landbouwareaal. Het droogmaken van plassen was een interessant investeringsproject. De polders die hieruit voortkwamen worden gekenmerkt door hun planmatige geometrische verkaveling en diepe ligging: het was tenslotte de bodem van de oude waterplas. De droogmaking van de Oosteinderpoel geschiedde in 1866-1867 op initiatief van jonkheer Jan Willem Rutgers van Rozenburg. Rutgers van Rozenburg was advocaat en bekleedde diverse prominente politieke en waterstaatkundige posities; hij was onder meer lid van de Tweede Kamer en heemraad van de Haarlemmermeer. Zijn familie was zeer rijk en investeerde ook in andere droogmakerijen, waaronder die in de Wijkermeer en Lutkemeer. Na de aanleg verkocht Rutgers van Roozenburg de percelen, overigens niet voordat hij de kwaliteit van de bodem door het za aien van koolzaad (dat als bodemverbeteraar werkte) had geoptimaliseerd. Zo kon hij de maximale winst uit het project halen. Voor het droogmaken van de Oosteinderpoel kreeg Rutgers van Rozenburg van het rijk en de provincie een subsidie van 40.000 gulden (Giebels, 1997).

Anders dan bij de ontginning in de middeleeuwen kon het droogmaken van de 600 ha grote Oosteinderpoel grotendeels aan de techniek overgelaten worden. Daarvoor moest eerst een aangesloten ringdijk aangelegd worden. Achter de percelen ten zuiden van de Oosteinderweg is de Hogedijk hiervoor aangelegd. Verder werd gebruik gemaakt van de bestaande Legmeerdijk in het zuiden en Stommeerkade in het westen (Van der Hoeve, 1993). Op de hoek van de Hogedijk en de Machineweg kwam een kolengestookt stoomgemaal te staan dat het water uit de poel omhoog pompte in de richting van het hoger gelegen boezemwater van de ringvaart van de Haarlemmermeer. Dit gemaal is nog steeds in gebruik om het peil te beheersen en is verschillende keren gemoderniseerd. In 1933 kreeg het een dieselmotor waarbij het ketelhuis en de schoorsteen werden gesloopt. Sinds 1943 werkt het gemaal op elektriciteit. De kaart met daarop het ontwerp voor de Oosteinderpoelpolder uit 1864 is rechtsonder voorzien van de naam van H.P Eskes. Over Eskes is weinig bekend, behalve dat hij in de 19e eeuw als kaartenmaker voor de Dienst Publieke Werken in Amsterdam werkte en dat hij in diezelfde stad in 1845 financieel opzichter was van Stadswaterstaat. In die periode werd hij ook aangetrokken als expert bij dijkwerkzaamheden in de Anna Paulownapolder (Bremer, 1997).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=2d9837cf-ede4-4361-b9e6-aace37cc0cec