Bijlage 14 Niet gesprongen explosieven.pdf
Tekst van het document
Your safety is our concern
Risicoanalyse OO Aalsmeer Oosteindedriehoek
Kennis- en adviescentrum
Detectie
Vliegtuigberging
Historisch vooronderzoek
Benaderen en veiligstellen
Archeologie
Risicoanalyse
Offshore
Sanering
Pagina 2 van 63
Projectinformatie Datum:
04-08-2021
Versie:
1
Documentnummer:
210804_H1037_VOB_02
Opdrachtgever:
Kragten B.V.
Goedgekeurd door
Naam
Functie
Datum
Bodac B.V.
Dhr. L. (Luc) van Rooi
Historicus
04-08-2021
Bodac B.V.
Dhr. D (Dennis) Naumann
Senior Deskundige OOO
04-08-2021
Bodac B.V.
Dhr. R. (Roy) Maas
Projectleider
04-08-2021
Kragten B.V.
Dhr. P. (Peer) Kaasenbrood
Projectleider
04-08-2021
Handtekening
Distributielijst Kragten B.V. Bodac B.V.
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaand schriftelijke toestemming van de auteur. (Artikel 16 Auteurswet 1912). Het is de opdrachtgever toegestaan voor intern gebruik kopieën te maken zonder voorafgaande toestemming van de auteur.
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 3 van 63
Inhoudsopgave 1
Managementsamenvatting
5
2
Inleiding
6
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
3
Risicoanalyse OO in het Certificatieschema Wetgeving en beleid Doelstelling Onderzoeksmethode Kwalificatie onderzoeksteam
Projectscope 3.1 3.2
4
Motivatie Risicoanalyse OO Doelstelling project en werkzaamheden
6 7 7 7 8
9 9 9
Controle en analyse uitgevoerde onderzoeken
12
4.1 Inventarisatie eerder uitgevoerde Vooronderzoeken 4.2 Analyse vereist aanvullend onderzoek 4.3 Conclusie aanvullend Vooronderzoek 4.3.1 Horizontale afbakening 4.3.2 Verticale afbakening
12 14 14 14 15
5
Locatiespecifieke omstandigheden 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Beeldvergelijking Naoorlogse werkzaamheden Kwetsbare objecten en plaatsen Ondergrondse en bovengrondse infrastructuur Conclusie locatiespecifieke omstandigheden
17 17 21 21 21 22
6 Identificatie en uitwerking van invloedsfactoren, gevaarsfactoren, uitwerkingsfactoren en beoordeling van de risico’s 24 6.1 Identificatie invloedsfactoren 6.1.1 Beweging 6.1.2 Trillingen 6.1.3 Slag op/stoot op ontplofbare oorlogsresten 6.1.4 Brand/temperatuur 6.1.5 (Lucht/water)Druk 6.1.6 Blootstelling aan de buitenlucht 6.1.7 Statische elektriciteit 6.1.8 Akoestische signalen 6.1.9 Wijziging van de afwijking van het aardmagnetisch veld 6.2 Identificatie gevaarsfactoren 6.2.1 Voorgespannen slagpinveer 6.2.2 (gevoeligheid van) Explosieve Stoffen 6.2.3 Pyrotechnische brandladingen 6.2.4 Witte fosfor 6.2.5 Veroudering 6.2.6 Vertragingsinrichting 6.2.7 Anti storingsinrichting (valstrik) 6.2.8 Wapeningstoestand van de ontsteker 6.3 Identificatie uitwerkingsfactoren 6.3.1 Primaire scherfwerking www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
24 24 24 24 25 25 25 25 25 25 25 26 26 26 26 26 26 27 27 27 27
Pagina 4 van 63 6.3.2 Schokgolf 6.3.3 Luchtdrukwerking 6.3.4 Bubble jet 6.3.5 Camouflet (gaszak) 6.3.6 Kraterwerking 6.3.7 Hitte/brand/rook 6.4 Overzicht invloeds-, gevaars- en uitwerkingsfactoren met betrekking tot het werkgebied 6.5 Beoordeling van de risico’s 6.5.1 Risico(-kans)berekening 6.5.2 Schervengevarenzone
7
Conclusie en advies 7.1 7.2
8
Conclusies gekoppeld aan uit te voeren werkzaamheden Advies vervolgstappen
Leemten in kennis
28 28 28 28 28 28 29 30 30 31
35 35 36
37
Bijlage 1. OO-Bodembelastingkaart
38
Bijlage 2. Conclusie Risicoanalyse
40
Bijlage 3. Opsporingsmethoden
43
Bijlage 3.1 Verschillende detectietechnieken Bijlage 3.2 Uitvoeringsmethoden van detectiemethodes Bijlage 3.3 Verschillende vormen van detectie
43 44 45
Bijlage 4. Certificering
47
Bijlage 5. Uitgangspunten afbakening
48
Bijlage 6. Overzicht geraadpleegd bronnenmateriaal
56
Bijlage 7. Protocol Toevalstreffer OO
58
Bijlage 8. Hoofdgroepen van Ontplofbare Oorlogsresten
59
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 5 van 63
1
Managementsamenvatting
In opdracht van Kragten B.V. heeft Bodac B.V. een Risicoanalyse uitgevoerd ter plaatse van de Oosteindedriehoek te Aalsmeer, met kenmerk H1037. Naar aanleiding van de werkzaamheden, welke nodig zijn voor het voltooien van stedenbouwkundige ontwikkelingen, is een aanvraag gedaan voor deze bureaustudie. Naar aanleiding van voorliggende Risicoanalyse is vastgesteld dat het werkgebied en het op Ontplofbare Oorlogsresten (OO) verdacht verklaarde gebied elkaar overlappen. De locatie is gedeeltelijk verdacht op de aanwezigheid van afwerpmunitie van het kaliber 1000 lbs GP (General Purpose). Op basis van de vastgestelde naoorlogse grondroerende werkzaamheden, de locatiespecifieke omstandigheden en de toekomstige functie en bestemming van bedrijventerrein Oosteindedriehoek kan een beargumenteerde conclusie getrokken worden. Uit het contra-indicatieonderzoek blijkt dat er kleinschalige naoorlogse grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden in een deel van het werkgebied. De precieze werkzaamheden zijn nog niet bekend, aangezien het stedenbouwkundigproject in een aanbestedende fase zit. In deze VO-fase (voorlopig ontwerp) is nog niet bekend welke grondroerende werkzaamheden gepland zijn. Bodac B.V. heeft zodoende de doelstelling om alle niet-veilige locaties waar eventueel bodemingrepen kunnen plaatsvinden te inventariseren. Bodac B.V.
heeft de planontwikkeling gekoppeld aan de risico’s op het aantreffen en de eventuele ongecontroleerde uitwerking van explosieven. Deze risico’s tonen voor de planontwikkeling of nader onderzoek (detectie en opsporing) noodzakelijk is. Dit is aangegeven middels ‘conclusies I, II en III’, zoals opgenomen in het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CSVROO). Voor de planontwikkeling is de conclusie door Bodac B.V. als volgt bepaald. Een deel van het werkgebied waar zich het op afwerpmunitie verdachte gebied bevindt zullen opsporingswerkzaamheden noodzakelijk zijn tot een diepte van 12.50 m¹ minus maaiveld. Voor nadere informatie (en kaartmateriaal) wordt verwezen naar Hoofdstuk 7 Conclusies en advies. Uit de Risicoanalyse OO is naar voren gekomen dat binnen een deel van het werkgebied nadere opsporing noodzakelijk is om de veiligheid tijdens toekomstige werkzaamheden te kunnen waarborgen. Bodac B.V. kan deze werkzaamheden voor u uitvoeren.
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 6 van 63
2
Inleiding
In de Tweede Wereldoorlog alleen al is naar schatting twaalfduizend ton aan explosieve stof door vliegtuigen afgeworpen. Ervaringscijfers geven aan dat ongeveer tien tot vijftien procent van deze afgeworpen Ontplofbare Oorlogsresten om diverse redenen niet zijn gesprongen. Daarnaast zijn grote hoeveelheden munitie door grondgeschut en handvuurwapens verschoten, waarvan eveneens een deel niet of slechts gedeeltelijk is gedetoneerd. Vooral op locaties waar destijds zwaar gevochten is, komen nog veel van deze ‘blindgangers’ in de bodem voor. Bodac B.V. maakt gebruik van academisch geschoolde medewerkers en moderne opsporingsmethoden om de OO te vinden en te verwijderen. Zo zorgen wij ervoor dat een veilig te bewerken (bouw)terrein overgedragen kan worden aan onze opdrachtgever.
2.1
Risicoanalyse OO in het Certificatieschema
Naar aanleiding van de oorlogshandelingen, ten tijde van de Eerste en Tweede Wereldoorlog, bestaat er een mogelijkheid tot het spontaan aantreffen of toucheren van OO tijdens het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem. Hierdoor ontstaat een verhoogd veiligheidsrisico door het mogelijk ongewenst tot (uit)werking treden van dit militair wapentuig. Dergelijke ongecontroleerde uitwerkingsgevolgen kunnen dodelijk letsel en zware schade aan materiaal en omgeving tot gevolg hebben. Daarnaast kunnen spontane vondsten van OO resulteren in stagnatie en meerwerkkosten van de uitvoeringswerkzaamheden. Om bovenstaande situaties te voorkomen dient een werkgever de risico’s van de werkzaamheden vooraf te inventariseren en te evalueren. Deze zogenoemde risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) is zeker voor bouw gerelateerde activiteiten (werkzaamheden in of op de (water)bodem). 1 Tijdens het ontwerpen van het werk moeten de risico’s in beeld worden gebracht (V&G voorbereidingsfase), waaronder mogelijke OO in de bodem. Door de privatisering van het opsporen van OO, ontstond de behoefte aan normalisatie en regelgeving gericht op kwaliteit en veiligheid. Dit resulteerde uiteindelijk in de certificatieplicht in het Arbobesluit.
Deze plicht resulteerde allereerst in het Beoordelingsrichtlijn van het Procescertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (BRL-OCE) en vervolgens in het Werkveld Specifiek Certificatie Schema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE).2 De aspecten Vooronderzoek en Risicoanalyse maakten onderdeel uit van deze laatstgenoemde wet- en regelgeving. Voor de inhoud, omschrijving en uitvoering van een Risicoanalyse OO bestond er echter geen officieel vastgestelde en wettelijk verplichte of erkende methode. 3 Vanaf 2012 is de Commissie Vooronderzoek en Risicoanalyse ingesteld vanuit de Vereniging van Explosieven Opsporing (VEO) met vertegenwoordigers uit de branche en andere betrokken partijen. Het resultaat van deze commissie was een conceptmethode van een zogenoemde Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) welke als normeringdocument meegenomen zou worden in het WSCSOCE.4 Deze methode werd afgewezen door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aangezien het niet binnen de wettelijke certificatieplicht van de Arbowet zou vallen. Vanwege de aangekondigde wetswijziging trachtte de Stichting Certificering Vuurwerk en Explosieven, in samenwerking met de VEO en andere belanghebbende partijen, vanaf 2015 de kwaliteitsborging van certificering te benadrukken.
In deze wetswijzigingen werden het Vooronderzoek en de Risicoanalyse niet langer als noodzakelijk geacht om onder een wettelijke certificering te vallen. Een aangepast tekstvoorstel ‘Proceseisen Risicoanalyse CE’ werd opgezet om een onderzoeksproces te faciliteren welke gebaseerd was op
Zie voor meer informatie: www.explosievenopsporing.nl Tot 31 december 2020 was het WSCS-OCE opgenomen in Bijlage XII van de Arbeidsomstandigheden met oude eisen van de certificering. 3 In het WSCS-OCE stond onder 6.5.3. Uitsluitingen/onderzoeksbeperkingen enkel deze zin: ‘De verticale afbakening is in ieder geval vereist voor het uitvoeren van een Risicoanalyse voor het toekomstig gebruik van het verdachte gebied en deze maakt daar dan onderdeel van uit.’ 4 Vereniging van Explosieven Opsporing (VEO), ‘Concept methode projectgebonden risicoanalyse (PRA)’ notitie 3VEO-VOO.06137.V (7 juni 2013). 1 2
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 7 van 63 kwaliteit.5 Naast het wettelijk WSCS-OCE, werd dus het besluit gemaakt om een privaat schema te ontwikkelen waarin de werkzaamheden van Vooronderzoek CE en Risicoanalyse CE zijn opgenomen. Het behandelvoorstel en eindconcept werden in 2017 voorgelegd aan het CCvD-OCE.6 Vanwege de wijzigingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit op 28 november 2019 (waarin de term Conventionele Explosieven is vervangen door de term Ontplofbare Oorlogsresten) besloten de belanghebbende partijen om een vernieuwd certificatieschema aan het CCvD voor te leggen. Dit resulteerde in het ‘Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten’. 7 Deze vrijwillige certificering valt niet binnen een wettelijk kader en derhalve zal de inhoud en methode van een Risicoanalyse enigszins kunnen variëren. Per 1 januari 2021 is het nieuwe, wettelijk verplichte Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (opsporing) in werking getreden. Daarbij is eveneens het vrijwillige Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten ingegaan. 8 Bodac B.V. zal deze Risicoanalyse OO dan ook uitvoeren conform de meest recente versie van het Certificatieschema.
2.2
Wetgeving en beleid
In het geval dat een werkgebied als ‘verdacht' aangemerkt wordt, kan dit een (potentieel) risico vormen voor de Openbare Orde en Veiligheid. Volgens de wet- en regelgeving ligt de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de Openbare Orde en Veiligheid bij de burgemeester van de desbetreffende gemeente.9 Daarbij is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk geacht worden voor de handhaving van de openbare orde.10 In het geval van een oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is de burgemeester dan ook bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken.11 Wanneer (mogelijke) OO dus een bedreiging vormen voor de Openbare Orde en Veiligheid kan de burgemeester het besluit nemen om maatregelen te treffen tot het (preventief) opsporen van OO. Het wordt de opdrachtgever dan ook aangeraden om de betreffende gemeente (mits zij niet zelf de opdrachtgever is) te consulteren over de situatie van het projectgebied.
2.3
Doelstelling
Bodac B.V. zal voorliggende rapportage uitwerken conform het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO). Dit schema beschrijft de doelstelling van een Risicoanalyse: ‘De Risicoanalyse heeft tot doelstelling de risico’s van de in het werkgebied mogelijk aanwezige ontplofbare oorlogsresten vast te stellen en te beoordelen, met inachtneming van de toekomstige functie en bestemming van het werkgebied. Daartoe worden de risico’s op schade en letsel ten gevolge van een accidentele reactie van ontplofbare oorlogsresten geïnventariseerd en beoordeeld.’12 Verder is voorliggend document opgesteld conform het DO BMS, P01500 en ISO9001 kwaliteitssysteem.
2.4
Onderzoeksmethode
Leidraad voor het vaststellen van de onderzoeksmethode is het CS-VROO. Verder is voorliggend document opgesteld conform het DO BMS, P01500 en ISO9001 kwaliteitssysteem. Volgens de certificering dient de
Het VOMES was voorheen bekend als de Stichting Certificatie Vuurwerk & Explosieven (SCVE); zie Stichting Certificering Vuurwerk en Explosieven (SCVE), ‘Werktekst Risicoanalyse CE’ (4 april 2016). 6 SCVE, ‘7SCVE-SEC.11124.V’ (29 mei 2017). 7 VOMES, ‘Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten’ (8 februari 2021). 8 ‘Certificatie Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten’, < https://www.vomes.nl/certificatie/certificatie-vooronderzoek-en-risicoanalyse-oo/> [geraadpleegd op 8 april 2021]. 9 Artikel 172, lid 1: De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde. 10 Artikel 172, lid 3. 11 Artikel 175, lid 1. 12 VOMES, ‘Certificatieschema’ (8 februari 2021), 23. 5
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 8 van 63 analyse van de risico’s binnen een verdacht verklaard werkgebied te bestaan uit een aantal aspecten. De volgende onderdelen behoren toegelicht te worden: ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓
Projectscope (Hoofdstuk 3); Controle & analyse eerder uitgevoerde Vooronderzoeken & Risicoanalyses (Hoofdstuk 4); Vaststellen locatie specifieke omstandigheden (Hoofdstuk 5); Identificatie van invloedsfactoren (Paragraaf 6.1); Studie van gevaarsfactoren (Paragraaf 6.2); Identificatie van uitwerkingsfactoren (Paragraaf 6.3); Beoordeling van de risico’s (Paragraaf 6.4).
Tenslotte worden de uit te voeren werkzaamheden en de risico’s op elkaar afgestemd. Een afgewogen en beargumenteerde conclusie is het eindresultaat. Deze is te vinden in Hoofdstuk 7 Conclusie en advies.
2.5
Kwalificatie onderzoeksteam
De Risicoanalyse OO en alle ArcGIS Pro werkzaamheden zijn uitgevoerd door historicus dhr. L. (Luc) van Rooi (MA) en historica Mvr. A. (Anne) Backelandt (MA).13 Deze rapportage is in samenspraak en onder verantwoording van dhr. R. (Roy) Maas voltooid.
13
Dhr. Van Rooi en Mvr. Backelandt beschikken over de expertises Historisch onderzoek, Luchtfoto-interpretatie en Risicoanalyse.
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 9 van 63
3
Projectscope
In dit hoofdstuk wordt de projectlocatie en haar toekomstig gebruik toegelicht. Het werkgebied wordt omschreven met de projectnaam Aalsmeer Oosteindedriehoek. Het gebied is een deels braakliggend als industrieterrein tussen de Aalsmeerderweg en de Legmeerdijk. Op navolgende pagina is het desbetreffende onderzoeksgebied, ook wel werkgebied, inzichtelijk gemaakt (210728_H1037_WG_01).
3.1
Motivatie Risicoanalyse OO
Ter plaatse van het perceel, vanaf nu gehete ‘Oosteindedriehoek’, zijn grondroerende werkzaamheden gepland, namelijk de ontwikkeling van stedenbouw. Om inzicht te krijgen in de (mogelijke) risico’s heeft Kragten B.V. aan Bodac B.V. opdracht verleend tot het uitvoeren van een Risicoanalyse OO. Dit naar aanleiding van het Historisch Vooronderzoek ‘NGE-Risicokaart Aalsmeer’, waaruit is gebleken dat het werkgebied en het verdachte gebied elkander kruisen. De rapportage dat een deel van het werkgebied verdacht is op de aanwezigheid van afwerpmunitie, in het bijzonder 1000 lbs GP vliegtuigbommen. Zoals gecommuniceerd met de opdrachtgever, naast de door Bodac B.V. opgestelde offerte, zal deze bureaustudie het kenmerk H1037 betiteld als Aalsmeer Oosteindedriehoek krijgen.14 De opdrachtgever heeft documenten en tekeningen met Bodac B.V. gedeeld waarop de toekomstige het stedenbouwkundig plan inzichtelijk is gemaakt.
3.2
Doelstelling project en werkzaamheden
Ten behoeve van de huidige bureaustudie is het van belang het toekomstig gebruik in beeld te brengen en te inventariseren welke activiteiten en handelingen er op welke wijze in of op de bodem kunnen optreden. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen het toekomstig gebruik en de werkzaamheden welke nodig zijn om dit toekomstig gebruik te realiseren. De precieze werkzaamheden zijn nog niet bekend, aangezien het stedenbouwkundigproject in een aanbestedende fase zit. In deze VO-fase (voorlopig ontwerp) is nog niet bekend welke grondroerende werkzaamheden gepland zijn. Bodac B.V. heeft zodoende de doelstelling om alle niet-veilige locaties waar eventueel bodemingrepen kunnen plaatsvinden te inventariseren. Op pagina 10 van de voorliggende rapportage is een tekening toegevoegd waarin het toekomstige plan in beeld is gebracht.
Email correspondentie tussen dhr. P. Kaasenbrood (Kragten B.V.) en Mvr. A. Backelandt (Bodac B.V.) conform offerte met kenmerk 210120_C20472_OB_0 verzonden op 20 januari 2021 aan Mvr. B. Deckers-Simon (Kragten B.V.). 14
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
11 6100
11 6050
11 6000
11 5950
11 5900
11 5850
11 5800
11 5750
11 5700
11 5650
11 5600
11 5550
11 5500
11 5450
11 5400
11 5350
11 5300 47 7600
47 7600
47 7550
Esri Nederland, Community Maps Contributors 47 7550
47 7500
47 7500
47 7450
47 7450
47 7400
47 7400
47 7350
47 7350
47 7300
47 7300
47 7250
47 7250
47 7200
47 7200
47 7150
47 7150
Verklaring Werkgebied
Versiebeheer
47 7100
47 7100
Status
Nr.
Datum
1.
28-07-2021 210728_H1037_WG_01
Tekeningnaam
Actueel
2. 3. Maten in m, diameters en afm. bestratingsmaterialen in mm, hoogtematen in m t.o.v. NAP, tenzij anders aangegeven
0
47 7050
20
40
Opdrachtgever: Kragten
Schaal: 1:1.500
Project: H1037
7050 Coördinatenstelsel: RD 47
Tekening: Werkgebied
Tek.: L. van Rooi
Tekeningnaam: 210728_H1037_WG_01
Acc.: R. Maas
11 6100
11 6050
11 6000
11 5950
11 5900
11 5850
11 5800
11 5750
11 5700
11 5650
11 5600
11 5550
11 5500
11 5450
11 5400
11 5350
Esri Nederland, Community Map Contributors 11 5300
´
Meters Formaat: A2 60
Deelgebied 1 - geactualiseerde stedenbouwkundige visie
Pagina 12 van 63
4
Controle en analyse uitgevoerde onderzoeken
Dit hoofdstuk zal nagaan welke conclusies zijn getrokken in eerder uitgevoerde onderzoeken. De hoofdsoorten, subsoorten, verschijningsvormen en het aantal OO binnen het verdachte gebied gelden als scope voor de Risicoanalyse.
4.1
Inventarisatie eerder uitgevoerde Vooronderzoeken
Voor deze Risicoanalyse OO is navraag gedaan bij gemeente Aalsmeer/ProRail/Rijkswaterstaat/VEOBommenkaart. De volgende rapportages zijn geïnventariseerd en hebben betrekking op het werkgebied: Vooronderzoeken CE REASeuro B.V., Historisch Vooronderzoek Niet Gesprongen Explosieven, ‘NGE-Risicokaart Aalsmeer’, documentnummer: 72648/RO-170098 (20 november 2017). Het werkgebied is op de navolgende pagina in beeld gebracht (210728_H1037_VEO_01). ✓
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
11 8000
11 7000
11 6000
11 5000
11 4000
11 3000
11 2000
11 1000
11 0000
10 9000
10 8000
10 7000
10 6000
10 5000
10 4000
48 0000
47 9000
Esri Nederland, 9000 Community47 Maps Contributors
47 8000
47 8000
47 7000
47 7000
47 6000
47 6000
47 5000
47 5000
47 4000
47 4000
47 3000
47 3000
Verklaring
47 2000
47 2000
Werkgebied REASeuro B.V. 72648/RO-170098
Versiebeheer Nr.
Datum
Tekeningnaam
Status
1.
28-07-2021 210728_H1037_VEO_01
Actueel
2. 3.
47 1000
0
´
47 1000
Maten in m, diameters en afm. bestratingsmaterialen in mm, hoogtematen in m t.o.v. NAP, tenzij anders aangegeven
340
680
Meters Formaat: A2 1.020
Opdrachtgever: Kragten
Schaal: 1:25.000
Project: H1037
Coördinatenstelsel: RD
Tekening: Eerder uitgevoerd onderzoek
Tek.: L. van Rooi
Tekeningnaam: 210728_H1037_VEO_01
Acc.: R. Maas
11 8000
11 7000
11 6000
11 5000
11 4000
11 3000
11 2000
11 1000
11 0000
10 9000
10 8000
10 7000
10 6000
10 5000
10 4000
Esri Nederland, Community Map Contributors 47 0000
Pagina 14 van 63
4.2
Analyse vereist aanvullend onderzoek
Een Historisch Vooronderzoek OO conform het WSCS-OCE of CS-VROO formuleert een horizontale en verticale afbakening voor een op OO ‘verdacht’ gebied. Zoals in de rapportage staat vermeldt voldoet het Vooronderzoek enkel aan de eisen van het WSCS-OCE. In dit specifieke vooronderzoek zijn echter de verplichte aanvullende bronnen zoals vermeld in het CS-VROO ook geraadpleegd. Derhalve is aanvullend onderzoek niet vereist.
4.3
Conclusie aanvullend Vooronderzoek
Het onderzoek dat reeds is uitgevoerd door REASeuro B.V. is conform huidige wet- en regelgeving. Bodac B.V. gaat er vanuit dat het indicatieonderzoek gedegen is uitgevoerd en dat derhalve alle relevante literatuur, archieven en luchtfoto’s zijn geraadpleegd. Een Vooronderzoek conform het WSCS-OCE en/of het CS-VROO formuleert een horizontale en verticale afbakening voor een op CE/OO ‘verdacht’ gebied. REASeuro B.V. heeft een horizontale afbakening voor het verdachte gebied opgesteld conform het vigerende WSCSOCE/CS-VROO. Een verticale afbakening ontbreekt echter. Deze wordt in paragraaf 4.3.2 Verticale afbakening besproken. 4.3.1 Horizontale afbakening Voor de horizontale afbakening is een gedeelte van het werkgebied verdacht verklaard op afwerpmunitie. Op onderstaand figuur zijn de door REASeuro B.V. geïnterpreteerde kraters van afwerpmunitie te zien, op basis waarvan een verdacht gebied is afgebakend.
Figuur 1: Een beeldopname daterend van 23 februari 1945 met daarop twee kraters te zien. Deze kraters zijn, volgens het rapport van REASeuro B.V., afkomstig van het Amerikaanse bombardement op Schiphol op 13 december 1943.
Onderstaande tabel geeft de verwachte kalibers weer van afwerpmunitie die wordt verwacht in het werkgebied. Bij de horizontale afbakening van het verdachte gebied is Bijlage 2 van het CS-VROO als uitgangspunt gehanteerd. De indicaties uit Bijlage 2 en de conclusie van het eerder uitgevoerde onderzoek www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 15 van 63 zijn als uitgangspunt gehanteerd voor de conclusie van de horizontale afbakening van het verdachte gebied. De horizontale afbakening is inzichtelijk gemaakt in de OO-Bodembelastingkaart (zie Bijlage 1). Hoofdsoort Explosief:
Onderdeel wrak
Afwerpmunitie
Restant springput/explosie
X
Opgeslagen, Gedumpt, Begraven
Afwerpmunitie:
Verschoten, Gegooid, Gelegd, Weggeslingerd
Verschijningsvorm:
Afgeworpen
(Sub)soort en kaliber:
1000 lbs GP (genaral purpose) Type ontsteker: onbekend
Tabel 1: Overzicht van de mogelijk aan te treffen OO in het onderzoeksgebied.
4.3.2 Verticale afbakening De verticale afbakening van het verdachte gebied is afhankelijk van de verschijningsvorm OO welke in het onderzoeksgebied is geconstateerd. Bij het bepalen van de verticale afbakening dient rekening gehouden te worden met verschillende factoren, zoals bodemgesteldheid, bodemweerstand, vorm en diameter van de OO. Voor het merendeel van de (verschoten/weggeslingerde) munitieartikelen zijn de gegevens, zoals verwachte snelheid en inslaghoek, niet gevonden in het archiefonderzoek. Daarnaast heeft de maaiveldhoogte ten tijde van de Tweede Wereldoorlog invloed op de verticale afbakening. Het is echter niet altijd mogelijk met zekerheid de exacte maaiveldhoogten te achterhalen, waardoor de afbakening in dit opzicht als indicatief beschouwd dient te worden. REASeuro B.V. heeft geen verticale afbakening meegenomen in het eerder uitgevoerde onderzoek. Derhalve heeft Bodac B.V. een eigen verticale afbakening opgesteld. Bodemgegevens Om inzicht te krijgen in de mogelijke penetratiediepte van de te verwachten afwerpmunitie zal gebruik worden gemaakt van de zogenoemde 10MPa-laag. Deze laag zal als maximale penetratiediepte aangehouden worden voor het onderzoeksgebied. De stelregel is dat afwerpmunitie niet verder kan indringen in de bodem dan tot een massieve bodemlaag met een doorsnede van 1.00 m 1 en met een weerstand groter dan 10MPa.
Aangezien de diepte van deze laag wisselt per grondsoorten zullen sonderingen noodzakelijk zijn om deze gegevens te verkrijgen. Bodac B.V. heeft bij het DINO-loket de sonderinggegevens opgevraagd. Na raadpleging van het DINO-loket is gebleken dat de lithologie van de bodem in de nabijheid van het werkgebied voornamelijk bestaat uit kleigrond. Dit is vastgesteld op basis van een geologisch booronderzoek.15 De kleigrond gaat tot een diepte van +- 6.00 m¹ minus maaiveld. De maaiveldhoogte bedraagt op deze locatie – 4.30 m¹ t.o.v. NAP. Op kadasterkaarten uit de jaren ’30 en ’50 ligt de maaiveldhoogte op -4.10 m¹ t.o.v. NAP. Bodac B.V. stelt echter vast dat het verschil van 0.20 m¹ verwaarloosbaar is, aangezien de sondeergegevens van tegenwoordig accurater zijn dan die van 60 of 80 jaar geleden. Daarnaast zijn de maaiveldpunten van het oude kaartmateriaal qua afstand verder weg gelegen dan de sondeergegevens van het DINO-loket. De twee meest nabijgelegen sondeeronderzoeken geven aan dat een 10MPA-laag wordt bereikt op dieptes die fluctueren tussen 9.80 m¹ en 12.50 m¹ minus maaiveld. Vanwege de drassige ondergrond adviseert Bodac Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO), ‘Geologisch booronderzoek. Identificatienummer: B25D0781’, <https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens> [geraadpleegd op: 26 juli 2021]. 15
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 16 van 63 B.V. om een verticale afbakening van 12.50 m¹ minus maaiveld aan te houden voor het op afwerpmunitie verdachte gebied. Dit houdt in dat ter plaatse van het werkgebied de bodem (situationeel gezien) tot een diepte van -16.80¹ t.o.v. NAP verdacht is.
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 17 van 63
5
Locatiespecifieke omstandigheden
De voor de Risicoanalyse relevante locatiespecifieke omstandigheden worden in beeld gebracht. Daarbij wordt in ieder geval gekeken naar: ✓ ✓ ✓ ✓
Beeldvergelijking van naoorlogse luchtfoto’s; Naoorlogse werkzaamheden; Kwetsbare objecten en plaatsen (volgens de Atlas leefomgeving 16); Aanwezigheid van ondergrondse en bovengrondse infrastructuur.
Bij de analyse van de naoorlogse grondroerende werkzaamheden wordt redelijkerwijs aangenomen dat OO zijn geruimd. Aangezien het werkgebied slechts gedeeltelijk verdacht is op OO worden alleen aandacht besteed aan de locatiespecifieke omstandigheden binnen het verdachte gebied. De naoorlogse grondroerende werkzaamheden zijn getracht te achterhalen en te specificeren middels archiefonderzoek. Er zijn echter geen relevante archiefstukken gevonden in het Nood-Hollands Archief.
5.1
Beeldvergelijking
Als aanvulling op het schriftelijk inzichtelijk maken van de naoorlogse grondroerende werkzaamheden heeft Bodac B.V. enkele naoorlogse luchtfoto’s geselecteerd om deze werkzaamheden ook visueel inzichtelijk te maken. Deze luchtfoto’s zijn aangeleverd door de website www.dotkadata.nl. Middels georeferentie met behulp van ArcGIS Pro worden oude luchtopnamen op de huidige satellietfoto gelegd. Hierbij wordt rekening gehouden met een georeferentie-afwijking van 10 meter t.o.v. het actuele werkgebied. Er is gekozen om beeldfragmenten uit de jaren 1944, 1967, 1999, 2006 en 2021 te tonen. In Bijlage 6 staat een overzicht en motivatie van de geselecteerde beeldfragmenten. Op de navolgende pagina’s zijn de beeldvergelijkingen ingevoegd.
Sinds begin 2021 is de risicokaart van de Atlas voor de leefomgeving, waarin de Kwetsbare Objecten worden behandeld, aangepast. Deze risicokaart wordt via het portaal van ArcGIS Online gedeeld, waardoor Bodac B.V. via genoemd digitaal portaal wordt geraadpleegd. 16
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Luchtfoto 1945
Luchtfoto 1967 47 8000 11 6200
11 6000
11 5800
11 5600
11 5400
47 8000 11 5200
11 6000
11 5800
11 5600
11 5400
11 5200
11 6200
47 8000
47 8000
47 7800
47 7800
47 7800
47 7800
47 7600
47 7600
47 7600
47 7600
47 7400
47 7400
47 7400
47 7400
47 7200
47 7200
47 7200
47 7200
47 7000
47 7000
47 7000
47 7000
Esri Nederland, Community Maps Contributors
Versiebeheer Nr.
Datum
Tekeningnaam
Status
1.
30-07-2021 210730_H1037_BV_01_01
Actueel
2. 3. Maten in m, diameters en afm. bestratingsmaterialen in mm, hoogtematen in m t.o.v. NAP, tenzij anders aangegeven
120
Meters 180
Formaat: A3 47 6800
Opdrachtgever: Kragten
Schaal: 1:5.000
Project: H1013
Coördinatenstelsel: RD
Tekening: Beeldvergelijking 1945-1967
Tek.: L. van Rooi
Tekeningnaam: 210730_H1037_BV_01_01
Acc.: R. Maas
Esri Nederland, Community Map Contributors 11 6000
11 5800
11 5400
Verklaring Werkgebied
11 5600
47 6800
11 5200
11 6000
11 5800
11 5600
11 5400
11 5200
Esri Nederland, Community Map Contributors
11 6200
47 6800
47 6800
60
11 6200
0
´
Luchtfoto 1999
Luchtfoto 2006 47 8000
11 6200
11 6000
11 5800
11 5600
47 8000 11 5400
11 5200
11 6200
11 6000
11 5800
11 5600
47 8000 11 5400
11 5200
47 8000
47 7800
47 7800
47 7800
47 7600
47 7600
47 7600
47 7600
47 7400
47 7400
47 7400
47 7400
47 7200
47 7200
47 7200
47 7200
47 7000
47 7000
47 7000
47 7000
47 7800
Esri Nederland, Community Maps Contributors
Versiebeheer
Nr.
Datum
Tekeningnaam
Status
1.
30-07-2021 210730_H1037_BV_02_01
Actueel
2. 3. Maten in m, diameters en afm. bestratingsmaterialen in mm, hoogtematen in m t.o.v. NAP, tenzij anders aangegeven
47 6800
120
Meters 180
47 6800
11 6000
Coördinatenstelsel: RD H1013 Op het gebruikProject: van deze data en services zijn van toepassing de Esri Nederland Terms of Use. U dient hiervan voor gebruik van de data en services kennis te Tekening: Beeldvergelijking 1999-2006 Tek.: L. van Rooi nemen. Zodra u de data of services gebruikt of downloadt stemt u in met deze 210730_H1037_BV_02_01 Acc.: R. Maas Terms of Use.Tekeningnaam: De tiled services van deze (historische) luchtfoto kaarten zijn vrij te gebruiken onder vermelding van bron: Kadaster.; Esri Nederland, Community Map Contributors 11 5800
11 5600
Verklaring Werkgebied
Formaat: A3 Schaal: 1:5.000
Opdrachtgever: Kragten
11 5400
11 5200
11 6200
Esri Nederland, Community Map Contributors 11 6000
11 5800
11 5600
47 6800
11 5400
11 5200
47 6800
60
11 6200
0
´
11 6200
11 6100
11 6000
11 5900
11 5800
11 5700
11 5600
11 5500
11 5400
11 5300
11 5200
Luchtfoto 2021 47 7600
47 7600
Esri Nederland, Community Maps Contributors
47 7500
47 7500
47 7400
47 7400
47 7300
47 7300
47 7200
47 7200
Verklaring Werkgebied Versiebeheer
Nr.
Datum
Tekeningnaam
Status
1.
30-07-2021 210730_H1037_BV_03_01
Actueel
2.
47 7100
Maten in m, diameters en afm. bestratingsmaterialen in mm, hoogtematen in m t.o.v. NAP, tenzij anders aangegeven
0
30
Meters 90
60
Formaat: A3
Opdrachtgever: Kragten
Schaal: 1:2.500
Project: H1013
Coördinatenstelsel: RD
Tekening: Beeldvergelijking 2021
Tek.: L. van Rooi
Tekeningnaam: 210730_H1037_BV_03_01
Acc.: R. Maas 47 7000 11 6200
Esri Nederland, beeldmateriaal.nl 11 6100
11 6000
11 5900
11 5800
11 5700
11 5600
11 5500
11 5400
11 5300
11 5200
47 7000
´
47 7100
3.
Pagina 21 van 63 1944 Zoals te zien op deze luchtfoto is het werkgebied bijna compleet braakliggend en kende het een agrarische bestemming. Alleen in het noorden is sprake van de aanwezigheid van een boerderij. Opvallend is ook de aanwezigheid van twee kraters van afwerpmunitie in het noordwesten van het werkgebied. Dit zijn de krater ten grondslag liggen aan het op afwerpmunitie afgebakende verdachte gebied, zoals voortgekomen uit eerder uitgevoerd onderzoek. 1967 Op de zelfde plek als waar eerder kraters werden waargenomen is in dit jaar sprake van bebouwing. Waarschijnlijk zijn hier kassen gebouwd. Ook in het overige deel van het werkgebied is situationeel sprake van kasbouw. Verder blijft het overgrote deel van het werkgebied een braakliggend terrein. 1999 De kassen die eerder (1967) stonden op de locatie waar zich ook de kraters van afwerpmunitie bevonden zijn in dit jaar afgebroken. Dit deel van het werkgebied heeft wederom een agrarische bestemming. Verder is er in de rest van het werkgebied nu sprake van een uitbreiding van de bedrijvigheid. Meer dan ¾ van het werkgebied is bebouwd. 2006 Het verschil ten opzichte van de vorige beeldopname (1999) is minimaal. Wat betreft het deel waar zich het verdachte gebied bevind zijn geen veranderingen waargenomen.
2021 Een kleine kas die zich in de vorige beeldopname (2006) bevond binnen het verdachte gebied is tegenwoordig afgebroken. Op het perceel direct ten westen van deze voormalige kas is een woning gebouwd. Het verdere deel van het verdachte gebied kent geen veranderingen. Ook de rest van het werkgebied kent geen veranderingen qua bebouwing/bestemming ten opzichte van de vorige beeldopname.
5.2
Naoorlogse werkzaamheden
Om specifiekere data te vergaren voor de geconstateerde naoorlogse grondroerende werkzaamheden, heeft Bodac B.V. gepoogd enkele archieven te raadplegen. Uit de inventarisatie bleken geen relevante archieven
5.3
Kwetsbare objecten en plaatsen
Op de locatie van het onderzoeksgebied zijn wel kwetsbare objecten aanwezig.17 Binnen een straal van 500.00 m¹ bevinden zich een grote opslag (loods) en een groot winkelcentrum. Bij een ongecontroleerde explosie zouden deze constructies (ernstige) schade kunnen oplopen. Mochten er bij opsporingswerkzaamheden explosieven worden aangetroffen, dan dienen de autoriteiten op de hoogte te zijn van de aanwezige kwetsbare objecten in de nabije omgeving.
5.4
Ondergrondse en bovengrondse infrastructuur
Normaliter vraagt Bodac B.V., voor een overzicht van de ondergrondse infrastructuur, een KLIC-Melding aan bij het Kadaster. Een KLIC-Melding (Kabels en Leidingen Informatie Centrum) bevat gegevens over de ligging van kabels en leidingen in het werkgebied. Het Kadaster bundelt de tekeningen van de netbeheerder tot één pakket. Bij het leggen van kabels en leidingen in ongeroerde grond zijn mogelijkerwijs explosieven uit de Tweede Wereldoorlog opgevallen en weggenomen. Afhankelijk van de diepte van de werkzaamheden voor
Sinds begin 2021 is de risicokaart van de Atlas voor de leefomgeving, waarin de Kwetsbare Objecten worden behandeld, aangepast. Deze risicokaart wordt via het portaal van ArcGIS Online gedeeld, waardoor Bodac B.V. via genoemd digitaal portaal wordt geraadpleegd. 17
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 22 van 63 het leggen van kabels en leidingen gaat Bodac B.V. er redelijkerwijs vanuit dat de bodem vrij is van explosieven. Aangezien er geen aanvullende gegevens zijn gevonden over de diepteligging van de kabels en leidingen houdt Bodac B.V. een algemene diepteligging aan van 0.60 m1. Over de breedte van het talud lopen maten dikwijls uiteen. Bodac B.V. heeft besloten om maximaal een breedte van 0.30 m1 aan te houden. Daarnaast heeft Bodac B.V. een beroep gedaan op het Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN). Hieruit is gebleken dat de bodem sinds de oorlog niet aantoonbaar geroerd is. Uit het raadplegen van de AHN-viewer is gebleken dat de maaiveldhoogte fluctueert tussen -4.30 m¹ NAP en -4.45 m¹ NAP binnen het werkgebied. Op kaartmateriaal van het Kadaster uit de Tweede Wereldoorlog - waarop maaiveldhoogtes zijn weergeven – wordt een maaiveldhoogte van -4.10 m¹ NAP genoemd in de nabijheid van het werkgebied. Het verschil in maaiveldhoogte op de AHN-viewer en op het kaartmateriaal van het Kadaster is dermate klein dat er geen aantoonbare sprake is van bodemverlaging. Derhalve gaat Bodac B.V. er vanuit dat de bodem dezelfde maaiveldhoogte kent als ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.
5.5
Conclusie locatiespecifieke omstandigheden
Bodac B.V. heeft informatie gevonden over naoorlogse grondroerende werkzaamheden. Deze veranderingen hebben effect op de conclusie van de horizontale afbakening (toegelicht in Paragraaf 4.2). Daar waar daadwerkelijk graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden kan redelijkerwijs worden aangenomen dat OO destijds zijn opgemerkt en weggenomen. Aangezien er een mogelijkheid bestaat dat deze OO nog aanwezig zijn in de onbewerkte bodem, is het noodzakelijk om de naoorlogse grondroerende werkzaamheden inzichtelijk te maken. De diepte van de werkzaamheden zijn niet feitelijk aantoonbaar. Wat wel feitelijk aantoonbaar is binnen de contouren van het verdachte gebied zijn de aanwezigheid van kassen (tuinbow) gedurende de naoorlogse periode en enkele kabels en leidingen. De gebouwde kassen zijn echter in de tussentijd ook weer afgebroken. Vandaag de dag zijn hier geen sporen meer van. Als laatste is binnen het werkgebied in de tussentijd nog één woning gebouwd binnen het verdachte gebied. Voor de precieze locatiespecifieke omstandigheden wordt verwezen naar kaart 210802_H1037_LSO_01, te vinden op de navolgende pagina.
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
11 5580
11 5560
11 5540
11 5520
11 5500
11 5480
11 5460
11 5440
11 5420
11 5400
11 5380
11 5360
11 5340
11 5320
11 5300
11 5280 47 7440
47 7440
Esri Nederland, Community Maps Contributors 47 7420
47 7420
47 7400
47 7400
47 7380
47 7380
47 7360
47 7360
47 7340
47 7340
Verklaring Werkgebied
47 7320
47 7320
Verharding (weg) Voormalige bebouwing Huidige bebouwing 47 7300
Kabels- en Leidingen
47 7300
Versiebeheer
Nr.
Datum
Tekeningnaam
Status
1.
02-08-2021 210802_H1037_LSO_01
Actueel
2. 3.
0
47 7260
10
20
Meters 30
Formaat: A3
Opdrachtgever: Kragten
Schaal: 1:750
Project: H1037
Coördinatenstelsel: RD
Tekening: Locatiespecifieke omstandigheden Tek.: L. van Rooi
47 7260
Acc.: R. Maas 11 5560
Esri Nederland, Community Map Contributors 11 5540
11 5520
11 5500
11 5480
11 5460
11 5440
11 5420
11 5400
11 5380
11 5360
11 5340
11 5320
11 5300
Tekeningnaam: 210802_H1037_LSO_01 11 5280
´
47 7280
Maten in m, diameters en afm. bestratingsmaterialen in mm, hoogtematen in m t.o.v. NAP, tenzij anders aangegeven
11 5580
47 7280
Pagina 24 van 63
6
Identificatie en uitwerking van invloedsfactoren, gevaarsfactoren, uitwerkingsfactoren en beoordeling van de risico’s
Om een conclusie te kunnen trekken voor deze Risicoanalyse OO zijn de invloedsfactoren, gevaarsfactoren en uitwerkingsfactoren van belang. Invloedsfactoren zijn alle factoren die van buitenaf tot een accidentele werking van OO kunnen leiden. Gevaarsfactoren kunnen daarentegen ook tot een accidentele werking van de munitieartikelen leiden. Deze hebben enkel betrekking op de oorlogsresten zelf. Uitwerkingsfactoren vinden plaats nadat het oorlogstuig in werking is getreden. Vervolgens zal – op basis van de verzamelde gegevens - een inschatting gemaakt worden of er een verhoogd risico bestaat bij het afgaan van mogelijk aanwezige OO.
6.1
Identificatie invloedsfactoren
Binnen een Risicoanalyse wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende invloedsfactoren:
✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓
Beweging; Trillingen; Slag op / stoot op de ontplofbare oorlogsresten; Brand/temperatuur; (Lucht/water))Druk; Blootstelling aan de buitenlucht; Statische elektriciteit; Akoestische signalen; Wijziging van de afwijking van het aardmagnetisch veld.
6.1.1 Beweging Met beweging wordt een ongewenste positieverandering van OO bedoeld, waardoor ontstekingsinrichtingen in werking kunnen worden gesteld. Het bewegen van explosieven kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door grondverplaatsing, graafwerkzaamheden of contact van een funderingspaal of damwandplank tijdens drukken, heien of trillen. Tot de toekomstige werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied behoren graafwerkzaamheden en grondverplaatsing. Tijdens de werkzaamheden moet met de mogelijke gevolgen van het bewegen van OO rekening worden gehouden. 6.1.2 Trillingen Bij bepaalde OO, zoals afwerpmunitie of geschutmunitie, is het mogelijk dat deze door trillingen worden geactiveerd, waardoor de kans op ongewilde werking ernstig toeneemt. Bij weg- en spoorwegverkeer en uit te voeren hei- en bouwwerkzaamheden wordt de uitvoerende partij door de commandant EOD-ruimploeg van informatie voorzien met betrekking tot de afstanden waarbinnen dergelijk verkeer en dergelijke werkzaamheden mogen plaatsvinden. Normaliter is het noodzakelijk om na te gaan of trillingen relevant zijn voor de aan te treffen explosieven wanneer de trillingen die bij werkzaamheden geproduceerd worden groter zijn dan 1,00 m¹/s². Binnen het werkgebied is het aantreffen van afwerpmunitie mogelijk.
De aan te treffen kalibers zijn gevoelig voor de trillingen die geproduceerd worden bij de uit te voeren werkzaamheden. 6.1.3 Slag op/stoot op ontplofbare oorlogsresten Bij een slag of stoot op een ontplofbaar oorlogsrestant kan de ontsteking van het object in werking treden met een explosie als gevolg. Met het oog op de toekomstige grondroerende werkzaamheden zal deze Risicoanalyse meer duidelijkheid scheppen over tot welke diepte het projectgebied vrij is van OO. De grondlagen die hier niet toe behoren
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 25 van 63 dienen met grote voorzichtigheid te worden bewerkt vanwege een mogelijke slag of stoot op het stuk munitie. 6.1.4 Brand/temperatuur Het is niet toegestaan het ontplofbare oorlogstuig aan brand en/of extreme hitte bloot te stellen. Om dit te voorkomen dienen OO van (directe of indirecte) verhitting door de zon te worden beschermd. Het ontstaan van hitte, bijvoorbeeld door wrijving, dient te worden tegengegaan en maatregelen t.a.v. algemene brandpreventie moeten worden toegepast. 6.1.5 (Lucht/water)Druk Het is mogelijk dat ontplofbare oorlogsresten zijn voorzien van een barometrisch ontstekingssysteem. Middels het principe van hoge en lage druk kan het voor komen dat de blokkering van een voorgespannen slagpin door het samendrukken van een balg wordt opgeheven. Als gevolg hiervan vindt er een ontsteking van de springstoflading plaats. Er bestaan geen brandbommen of geschutmunitie met een barometrisch ontstekingssysteem. (Lucht/water)Druk heeft zodoende geen invloed op de mogelijk aan te treffen OO. 6.1.6 Blootstelling aan de buitenlucht Explosieven waarin witte fosfor is opgenomen kunnen spontaan tot ontbranding komen, wanneer deze in aanraking komen met zuurstof (uit de buitenlucht). Dergelijk contact kan ontstaan bij graaf- of baggerwerkzaamheden.
Indien de munitieartikelen van een springstoflading zijn voorzien kan het contact van de witte fosfor met zuurstof tot een ongewenste explosie leiden. De fosfor kan vervolgens over tientallen meters worden verspreid. Gezien de toekomstige grondroerende werkzaamheden kunnen OO blootgesteld worden aan de buitenlucht. Tijdens de uit te voeren werkzaamheden moet met de mogelijke gevolgen van blootstelling aan de buitenlucht van OO rekening worden gehouden. 6.1.7 Statische elektriciteit Munitie kan in werking treden door statische elektrische ladingen. Hierbij wordt een elektrische slagpijp geïnitieerd, waardoor de explosieve stof in werking treden. In de praktijk zijn er slechts weinig OO die een dergelijke elektrische lading bezitten. Over het algemeen zijn dit elektrische springladingen of moderne munitieartikelen met elektrische ontstekers. Binnen het werkgebied bestaat geen kans op het aantreffen van afwerpmunitie die bij invloeden van statische elektriciteit in werking treden. 6.1.8 Akoestische signalen Sommige explosieven detoneren bij akoestische signalen. Het gaat hierbij vaak om akoestische mijnen die hydrofone ontstekers bevatten. Dit onderdeel initieert akoestische signalen in elektriciteit waardoor oorlogstuig in werking gesteld kan worden. Mijnen met dergelijke ontstekers komen alleen voor op zee.
Aangezien het werkgebied alleen bestaat uit landbodem en er bij de horizontale afbakening geen sprake was van het aantreffen van (zee)mijnen hoeft geen rekening gehouden te worden met deze invloedsfactor. 6.1.9 Wijziging van de afwijking van het aardmagnetisch veld Veel munitieartikelen hebben een eigen magnetisch veld. Explosieve stoffen kunnen in werking treden wanneer dit magnetisch veld veranderd of bijzonder afwijkt van conventionele magnetische velden. Binnen het werkgebied bestaat geen kans op het aantreffen van OO die door een afwijking van het aardmagnetisch veld in werking treden.
6.2
Identificatie gevaarsfactoren
Binnen een Risicoanalyse wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende gevaarsfactoren: www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 26 van 63 ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓
Voorgespannen slagpinveer; (gevoeligheid van) Explosieve stoffen; Pyrotechnische of brandladingen; Witte fosfor; Veroudering; Vertragingsinrichting; Anti storingsinrichting (valstrik); Wapeningstoestand van de ontsteker.
6.2.1 Voorgespannen slagpinveer Een slagpin is een onderdeel van een vuurwapen dat een ontstekingsproces in gang zet. Een voorgespannen slagpinveer is een slagpin die onder veerdruk staat en op het moment dat de veer kan ontspannen, een explosie in gang zal zetten. Binnen het werkgebied wordt met de aanwezigheid van OO met een voorgespannen slagpinveer geen rekening worden gehouden. De (mogelijk) aanwezige ontstekers beschikken namelijk niet over dit mechanisme. 6.2.2 (gevoeligheid van) Explosieve Stoffen Explosieve stoffen zijn stoffen waarin een chemische reactie plaatsvindt wanneer deze aan hitte, schokken, wrijving of andere geschikte aanvangsimpulsen worden blootgesteld, met een explosie als gevolg. Deze stoffen dienen niet aan schokken of ruwe behandeling te worden blootgesteld, of tegen grote hitte. Vanwege de in de loop der jaren ontstane erosie of corrosie kunnen OO onstabiel geworden zijn. Hiermee moet tijdens de werkzaamheden rekening worden gehouden. 6.2.3 Pyrotechnische brandladingen Er zijn OO die een explosieve stof of mengsel bevatten die de productie van rook, warmte, licht, geluid, gas of een combinatie van dergelijke verschijnselen als uitwerking hebben. Dit gebeurt aan de hand van zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties. Pyrotechnische of brandladingen worden gebruikt voor meerdere typen OO.
In het werkgebied kunnen geen brandbommen met pyrotechnische brandladingen aanwezig zijn. 6.2.4 Witte fosfor Witte fosfor is een gele of witte chemische, wasachtige stof die ontbrandt wanneer deze in aanraking komt met lucht. Witte fosfor wordt gebruikt in brandbommen, rookbommen en als doelwitmarkering. In het werk gebied kunnen geen OO aanwezig zijn die witte fosfor bevatten. 6.2.5 Veroudering Bij verouderde munitieartikelen kan een ontstekingsmechanisme, bijvoorbeeld een veiligheidspin van een (geschut/hand)granaat doorgeroest zijn, waardoor het explosief alsnog op scherp komt te staan. Door beweging of trilling kunnen explosieven in werking treden. In het onderzoeksgebied kunnen verouderde OO liggen. Tijdens de werkzaamheden moet hiermee rekening worden gehouden. 6.2.6 Vertragingsinrichting Het is mogelijk dat ontstekers van oorlogstuig zijn voorzien van een vertragingsinrichting. Zodra de ingestelde vertragingstijd is verlopen treedt dergelijke munitie in werking. Er zijn korte of lange vertragingsinrichtingen. Bij korte vertragers wordt middels een pyrotechnische vertragingslading (kruitkoekje) de hoofdlading ontstoken. Bij lange vertragers wordt de voorgespannen slagpin opgeheven door een langlopend mechanisch uurwerk, waarbij de slagpin in het slaghoedje slaat. In het geval van de chemische
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 27 van 63 vertrager wordt door middel van een zuur dat het veiligheidsplaatje zacht maakt en/of oplost de voorgespannen slagpin opgeheven. Het is niet bekend of er chemische lange vertragers aanwezig zijn bij de mogelijk aan te treffen OO. 6.2.7 Anti storingsinrichting (valstrik) Munitie met een anti storingsinrichting hebben een ontstekingsmechanisme die bij een onschuldige handeling van (in de regel) het slachtoffer in werking worden gezet. Dergelijke munitietechnieken werden voornamelijk als valstrik gebruikt en bezitten voornamelijk druk- of trekontstekers. Voor deze Risicoanalyse is het niet relevant om te kijken naar OO met anti storingsinrichtingen. 6.2.8 Wapeningstoestand van de ontsteker De wapeningstoestand van een ontsteker wordt in de regel bepaald door de krachten die worden uitgeoefend op een ontsteker tijdens het verschieten, werpen, afwerpen of plaatsen van munitie. Tijdens het zogenaamde wapenen van een ontsteker worden alle explosieve stoffen en/of mechanische componenten in één lijn gebracht waardoor het explosief in werking kan treden. Het wapenen van OO kan als gevolg van een explosie gebeuren. De explosie kan het gevolg zijn van vernietigingswerkzaamheden of een ongecontroleerde explosie. Er kan gesteld worden dat explosieven voorzien van gewapende ontstekers gevaarlijker zijn dan explosieven waarvan de ontstekers niet gewapend zijn.
In de regel kunnen ontstekers altijd in een toestand van bewapening komen door ongecontroleerde handelingen. Hiermee moet tijdens de toekomstige werkzaamheden rekening worden gehouden.
6.3
Identificatie uitwerkingsfactoren
Binnen een Risicoanalyse wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende uitwerkingsfactoren: ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓
Primaire scherfwerking; Schokgolf; Luchtdrukwerking; Bubble jet; Camouflet (gaszak); Kraterwerking; Hitte/brand/rook.
In deze paragraaf worden de uitwerkingsfactoren van de verwachte OO per hoofd-/subsoort (ontsteker/kaliber) en aantal parameters bepaald. 6.3.1 Primaire scherfwerking Scherfwerking (fragmentatie) ontstaat wanneer de omhulling van munitieartikelen door een explosie verscherft en door de drukwerking met een bepaalde snelheid wordt weggeblazen. Bij primaire scherfwerking draait het om de scherven die van de omhulling, of lichaam, afkomen. Naast primaire scherven zijn er ook secundaire scherven. Deze komen van het omringende medium, zoals puin en glasscherven. Primaire en secundaire scherfwerking kunnen dodelijk letsel veroorzaken in de directe omgeving van het detonatiepunt. Voor het gebied rond het detonatiepunt, waar een gerede kans bestaat dat men door scherven van het explosief of secundaire scherven wordt getroffen (de schervengevarenzone), zijn richtlijnen opgesteld door de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) en de EOD. Des te dieper een explosief onder het maaiveld gelegen is bij een detonatie hoe meer de scherfwerking wordt gehinderd door omgevingsfactoren. Dit kunnen bijvoorbeeld de wanden van een bouwkuip of damwand zijn. Afhankelijk van de locatie binnen het werkgebied neemt de kans op secundaire scherfwerking toe of af.
De diepteligging van de OO bepaald de gevolgen voor onder- en bovengrondse infrastructuur bij een eventuele situatie. www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 28 van 63 6.3.2 Schokgolf Bij een schokgolf ontstaat een heftige trilling die zich voortplant door omringende materie. Hoe dichter deze materie, hoe verder de schokgolf zich zal voortplanten. Op grote afstand kunnen daardoor leidingen, funderingen en fundamenten beschadigd raken. Binnen het werkgebied bevinden zich verschillende soorten bekabeling, leidingen en fundamenten. Afhankelijk van de soort OO is de mate van schokgolfwerking te bepalen. Zwaardere OO richten uiteraard meer schade aan dan kleine/lichte OO. 6.3.3 Luchtdrukwerking Luchtdrukwerking is een direct gevolg van de uitwerking van een snelle uiteenzetting van de hete, gasvormige reactieproducten die worden gevormd tijdens de explosie. Luchtdruk heeft een effect op het menselijk lichaam en kan in de directe omgeving van het detonatiepunt grote schade aanrichten, zoals constructies laten instorten en tot op grote afstand ruiten laten springen. In de nabije omgeving van het werkgebied bevinden zich gebouwen die bij een eventuele detonatie van OO gepaard gaan met kans op schade. 6.3.4 Bubble jet Van een bubble jet is sprake wanneer er onder water een explosie van munitieartikelen plaatsvindt. Door de explosie komen stoffen vrij welke vanwege hun aard naar boven drijven. Wanneer de kracht die vrijkomt bij een onderwaterexplosie vrij baan heeft naar de oppervlakte ontstaat een waterkolom.
De kracht van een onderwaterexplosie kan serieuze gevolgen hebben voor scheepvaart dat erboven voert. Van deze uitwerkingsfactor is geen sprake bij het onderzoeksgebied. 6.3.5 Camouflet (gaszak) Een camouflet ontstaat wanneer in de bodem een explosie van een explosieve stof plaatsvindt, waarbij de kracht niet wegvloeit naar het aardoppervlak. De gassen en stoffen die vrijkomen blijven in de bodem. Bij graafwerkzaamheden kunnen deze stoffen vrijkomen en een gevaar voor de omgeving teweeg brengen. Bij de in de toekomst uit te voeren werkzaamheden hoeft geen rekening gehouden te worden met camoufletvorming (gaszakvorming). 6.3.6 Kraterwerking Bij kraterwerking is een ontplofbaar oorlogsrestant geëxplodeerd in de bodem. De kracht welke vrij is gekomen heeft een weg naar de oppervlakte gevonden, waardoor de structuur van de bodem zich heeft verplaatst. Hoe dieper de explosie heeft plaatsgevonden en hoe groter het oorlogsrestant, hoe groter de massa van de grondverplaatsing zal zijn. Kraterwerking kan voor veel schade aan het aardoppervlak of objecten in de nabijheid van het aardoppervlak zorgen. Daarnaast kunnen personen door opspringende aarde bedolven worden. Bij de toekomstige werkzaamheden in de (aard)bodem moet rekening gehouden worden met kraterwerking bij het accidenteel exploderen van OO.
6.3.7 Hitte/brand/rook Bij detonatie van explosieve stoffen ontstaan sterke temperatuurtoenames, afhankelijk van het soort springstof. De hete gassen die ontstaan veroorzaken een vuureffect bij contact met zuurstof in de lucht. De scherven die door de scherfwerking ontstaan zijn extreem heet en vormen een risico voor brandgevoelige infrastructuur. Daarnaast kan er rook (fosfor) vrijkomen die voor schade kan zorgen. Binnen het werkgebied bevinden zich verschillende soorten ondergrondse bekabeling. Bij eventuele ruiming van explosieven dient hier rekening mee te worden gehouden.
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 29 van 63
6.4
Overzicht invloeds-, gevaars- en uitwerkingsfactoren met betrekking tot het werkgebied
Vanwege de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten, welke tot een maximale diepte van 12.50 m1 onder het maaiveld van de Tweede Wereldoorlog aangetroffen kunnen worden, dient rekening gehouden te worden met meerdere invloeds-, gevaars- en uitwerkingsfactoren van munitieartikelen. Onderstaande tabel geeft de factoren weer waarmee rekening gehouden moet worden per aan te treffen OO. Hoofdsoort explosief:
(Sub)soort en kaliber:
Afwerpmunitie
1000 lbs GP
Invloedsfactoren:
✓ ✓ ✓ ✓
Beweging Slag op/stoot op OO Blootstelling buitenlucht Trillingen
Brand/temperatuur (Lucht.water)druk Statische elektriciteit Akoestische signalen Wijziging afwijking aardmagnetisch veld
Tabel 2: Relevante invloeds-, gevaars- en uitwerkingsfactoren voor het werkgebied.
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Gevaarsfactoren:
✓ ✓ ✓ ✓ ✓
Explosieve stiffen Pyrotechnische brandladingen Veroudering Wapeningstoestand ontsteker Vertragingsinrichting
Voorgespannen slagpinveer Witte fosfor Anti storingsinrichting
Uitwerkingsfactoren:
✓ Primare ✓ ✓ ✓ ✓
(en secundaire) scherfwerking Schokgolf Luchtdrukwerking Kraterwerking Hitte/brand/rook
Bubble jet Camouflet
Pagina 30 van 63
6.5
Beoordeling van de risico’s
Op basis van de voorgaande stappen worden de risico’s beoordeeld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans dat OO ongewenst tot uitwerking komen ten gevolge van activiteiten/handelingen ten behoeve van het toekomstige gebruik (aanleg/realisatie), alsmede de daaruit volgende uitwerkingsfactoren (onder- en bovengrondse explosies). Bodac B.V. heeft daarnaast een procedure opgesteld waarin een semikwantitatieve inschatting wordt gegeven van de gevolgen (economisch of persoonlijk) en het optreden van uitwerkingsfactoren. Deze semi-kwantitatieve inschatting is opgesteld met een kansberekening. Deze kansberekening, in combinatie met toekomstige werkzaamheden en gebruik, resulteert in een conclusie die Bodac B.V. gebruikt voor aanbevelingen aan de opdrachtgever. 6.5.1 Risico(-kans)berekening Om de mogelijke risico’s in te schalen hanteert Bodac B.V. een mathematische berekening. Deze kans is gebaseerd op de aanwezigheid van OO in het werkgebied (K), vermenigvuldigd met de kans op het ongecontroleerd in werking treden van een eventueel aanwezig explosief (B); vermenigvuldigd met het gevolg van het ongeval (G). De K-waarde wordt bepaald aan de hand van het Vooronderzoek. De B-waarde wordt bepaald aan de hand van de eerder genoemde gevaars- en invloedsfactoren. De G-waarde wordt bepaald aan de hand van de uitwerkingsfactoren in relatie tot de locatie-specifieke omstandigheden.
De uitkomst, een risicowaarde, dient als toevoeging bij het geven van advies over eventuele vervolgstappen. Hierbij wordt rekening gehouden met lichamelijke en materiële schade. Uitgedrukt in een simpele formule ziet de berekening er als volgt uit: Risico = Aanwezigheid explosief (K) x Kans ongecontroleerde werking (B) x Gevolg (G) Uitgeschreven, met de door Bodac B.V. geselecteerde waarden, zien gegevens er als volgt uit: K-waarde:
Kans aanwezigheid explosief:
10
Kan worden verdacht, bijna zeker (80 – 100%)
6
Goed mogelijk (20 – 80%)
3
Ongewoon, maar mogelijk (10 – 20%)
2
Onwaarschijnlijk, grensgeval (5 – 10%)
1
Denkbaar, maar zeer onwaarschijnlijk (1 – 5%)
0.2
Praktisch onmogelijk (0.1 – 1%)
0.1
Bijna niet denkbaar (<0.1%)
Tabel 3: K-waarden welke Bodac B.V. gebruikt voor berekening van de risicowaarde.
G-waarde:
Gevolg van het ongeval:
100
Desastreus
40
Ramp, verschillende doden
15
Zeer ernstig, één dode
7
Aanzienlijk, ernstige verwondingen
3
Belangrijk, werkonderbreking, letsel met verzuim
www.bodac.nl Risicoanalyse OO - Aalsmeer Oosteindedriehoek
Pagina 31 van 63 1
Betekenisvol, BHV kan nodig zijn, letsel zonder verzuim of hinder
Tabel 4: G-waarden welke Bodac B.V. gebruikt voor berekening van de risicowaarde.
B-waarde:
Kans ongecontroleerde werking:
10
Kan worden verwacht, bijna zeker (80 – 100%)
6
Goed mogelijk (20 – 80%)
3
Ongewoon, maar mogelijk (10 – 20%)
2
Onwaarschijnlijk, grensgeval (5 – 10%)
1
Denkbaar, maar zeer onwaarschijnlijk (1 – 5%)
0.5
Praktisch onmogelijk (<1%)
Tabel 5: G-waarden welke Bodac B.V. gebruikt voor berekening van de risicowaarde.
Risicowaarde (K x B x G):
Risiconiveau:
Aard van de te nemen maatregelen:
>320
V
Zeer hoog risico, overweeg stopzetting activiteiten
160 – 320
IV
Hoog risico, onmiddellijk maatregelen vereist
71 – 160
III
Wezenlijk risico, maatregelen zijn noodzakelijk
20 – 70
II
Mogelijk ernstig risico, maatregelen gewenst
<20
I
Zeer licht risico, is waarschijnlijk aanvaardbaar
Tabel 6: Te nemen maatregelen aan de hand van de risicowaarde.
Risicowaarden | Met al het feitenmateriaal wat geïnventariseerd is heeft Bodac B.V. de Risicoanalyse de nodige input gegeven om te komen tot een goed onderbouwde inschatting. In onderstaande tabel (Tabel 7) zijn de individuele risicowaarden voor de werkzaamheden op de verdachte locaties opgesomd. Nr.:
Werkzaamheden:
1
Ontwikkelen werkgebied
K-waarde: 1
G-waarde: 100
B-waarde: 1
Risicowaarde 100 (Risico III)
Tabel 7: Hoogte van risicowaarden gekeken naar de uit te voeren werkzaamheden.
Zoals uit de hierbovenstaande tabel valt te lezen is de kans op het aantreffen denkbaar, maar zeer onwaarschijnlijk. De gevolgen van een ongeval zijn echter desastreus. De kans op een ongecontroleerde werking zijn denkbaar, maar zeer onwaarschijnlijk. Zeker wanneer specialisten het gebied op een veilige manier de opsporing uitvoeren. 6.5.2 Schervengevarenzone Gezien de roering van de bodem ter plaatse van naoorlogse werkzaamheden dient er op deze locaties geen vervolgonderzoek plaats te vinden. Ook bij werkzaamheden zoals het ophogen en aanvullen van grond, dient er geen vervolgonderzoek plaats te vinden. Mochten er toch munitieartikelen aangetroffen worden dan