CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Ophelialaan - Jac. P. Thijsselaan

1b. Commissie Ruimte Oordeelsvormend 31 oktober 2023, gemeente aalsmeerBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan ‘Ophelialaan - Jac. P. Thijsselaan’ en beeldkwaliteitsplan ‘De Hoeksteen’.28.729 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

figuur 1.1: projectgebieden Ophelialaan in Aalsmeer (rood omlijnd). Bron: Bing Map.

RPS is gevraagd een quickscan uit te voeren om te onderzoeken welke beschermde flora en fauna voorkomen binnen het projectgebied, waar het gebouw aangepast dient te worden, bijgebouwen worden gesloopt en groen wordt verwijderd. Bij alle ruimtelijke ingrepen moet worden getoetst of er sprake is van strijdigheid met de Wet natuurbescherming (bijlage 1). Voor het onderhavige project is daarom een quickscan uitgevoerd. De quickscan is gericht op het onderdeel ‘Soortenbescherming’.

1.2

Doel van het onderzoek

Het doel van de quickscan is inzicht te krijgen in de beschermde planten- en diersoorten die voorkomen of kunnen voorkomen binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden en wat de effecten zijn van de ingreep op deze soorten. De gegevens voortvloeiend uit de quickscan geven duidelijkheid of een aanvullend onderzoek en een daaruit volgende toetsing aan de Wet natuurbescherming (natuurtoets) noodzakelijk is.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 5 van 28

1.3

Onderzoeksvragen

Het slopen van verschillende gebouwen, renovatie van bestaande gebouwen en verwijderen van groen zoals struiken en bomen op Ophelialaan 230 in Aalsmeer kan gevolgen hebben voor de ter plaatse voorkomende beschermde flora en fauna. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. De onderzoeksvragen zijn als volgt: • Welke beschermde soorten zijn binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden aanwezig of op basis van de aanwezige biotopen niet uit te sluiten? • Is aanvullend soortgericht onderzoek noodzakelijk om te kunnen vaststellen of beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden aanwezig zijn? Zo ja, voor welke soorten? • Welke effecten ondervinden de aanwezige en te verwachten beschermde soorten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep, betreft het hier negatieve effecten die leiden tot overtreding van verbodsbepalingen? • Welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te voorkomen en daarmee overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen? • Welke maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te mitigeren of te compenseren? • Is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk?

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is de ligging van het projectgebied beschreven en de (mogelijke) werkzaamheden die uitgevoerd worden. In hoofdstuk 3 is de onderzoeksmethode beschreven. In hoofdstuk 4 wordt de soortenanalyse beschreven van de soorten die verwacht worden en welke soorten er gevonden zijn tijdens de quickscan. In hoofdstuk 5 wordt de effectanalyse besproken, in hoofdstuk 6 worden voorzorgsmaatregelen beschreven die noodzakelijk zijn om de werkzaamheden goed te laten verlopen en tot slot hoofdstuk 7 waar de conclusies beschreven zijn en worden de mogelijke vervolgonderzoeken beschreven die uitgevoerd dienen te worden in het kader van de Wet natuurbescherming.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 6 van 28

2

PROJECTOMSCHRIJVING

2.1

Projectgebied

Het projectgebied is gelegen in de gemeente Aalsmeer in de provincie Noord-Holland. De Amersfoortcoördinaten zijn 112-475. Rond het projectgebied liggen de volgende dorpen en steden; ten noorden Hoofddorp en Amstelveen, ten zuiden Kudelstaart, ten oosten stadscentrum van Aalsmeer en ten westen het dorp Rijsenhout. In figuur 2.1 is de ligging van de Ophelialaan in Aalsmeer weergegeven en in figuur 2.2 toont een luchtfoto van deze locatie.

figuur 2.1: overzicht (topografische kaart) van het projectgebied (rood omlijnd) Bron: CC-BY Kadaster.

Het projectgebied is gelegen in het noordwesten van Aalsmeer in een woonwijk. Ten oosten van het projectgebied is een begraafplaats aanwezig en ten westen en zuidwesten is een woonwijk gelegen. Rond het projectgebied zijn verschillende stukken groen in de vorm van solitaire bomen, laanbomen, struiken en grasvelden. Ten oosten van het schoolgebouw is een kleine watergang gelegen. Andere watergangen liggen buiten het projectgebied.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 7 van 28

figuur 2.2: overzicht van het projectgebied (rode omlijning). Bron: Bing Maps.

Afbeelding 2.1 toont een impressie van het projectgebied. Overige overzichtsfoto’s zijn bijgevoegd in bijlage 2.

afbeelding 2.1: impressie van locatie Ophelialaan 230 in Aalsmeer. 1) voormalig schoolgebouw 2) schoolplein met bijgebouw in projectgebied 3) groenstrook in projectgebied.

2.2

Werkzaamheden en planning

2.2.1

Werkzaamheden

Van het projectgebied is niet helemaal precies bekend welke werkzaamheden uitgevoerd gaan worden. Van de verschillende deellocaties binnen het projectgebied is bekend wat er precies gedaan gaat worden. Deze locaties zijn aangegeven in figuur 2.3.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 8 van 28

figuur 2.3: projectgebied met de verschillende onderdelen waar werkzaamheden worden uitgevoerd.

Donkerrood: te slopen noodlokalen. Lichtrood: sloop bijgebouwen van voormalige school en woongebouw langs de Jac. P. Thijsselaan. Oranje: het voormalige (hoofd)schoolgebouw wordt behouden, mogelijk renovatiewerkzaamheden aan binnen- en buitenzijde. Groen: groene buitenruimte met (gehele en gedeeltelijke) herontwikkeling in verband met de nieuwbouw. Voor het slopen van de gebouwen, renoveren van het voormalige schoolgebouw en het inrichten van het gebied voor nieuwbouw worden globaal de volgende werkzaamheden uitgevoerd: • Slopen verschillende gebouwen. • Verwijderen bomen, struiken en ander groen. • Verwijderen overig materiaal zoals speeltoestellen, tegels, enzovoorts. • Inrichten werkterrein en werkdepot. • Werkzaamheden nieuwbouw. • Renoveren voormalig schoolgebouw.

2.2.2

Planning

Ten tijden van het opstellen van dit document is niet bekend wanneer de werkzaamheden uitgevoerd worden.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 9 van 28

3

WERKWIJZE QUICKSCAN

Om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden, wordt een bureaustudie uitgevoerd naar bestaande, beschikbare verspreidingsgegevens. Daarnaast vindt een veldbezoek plaats. In dit hoofdstuk is de werkwijze van de quickscan beschreven.

3.1

Bureaustudie

Grote delen van Nederland zijn in de afgelopen jaren reeds onderzocht op aanwezige beschermde soorten. De gegevens afkomstig van deze onderzoeken worden grotendeels gepubliceerd in boeken (soortverspreidingsatlassen), rapportages of zijn op internet (o.a. Verspreidingsatlas NDFF) te raadplegen. Beschikbare gegevens in de Nationale databank Flora en Fauna (NDFF) zijn geraadpleegd. Door deze bestaande verspreidingsgegevens te raadplegen, wordt inzicht verkregen in de aanwezige beschermde soorten in of in de directe omgeving van het projectgebied. De beschikbare gegevens zijn beoordeeld op de bruikbaarheid. Verspreidingsgegevens van vissen, amfibieën, reptielen, zoogdieren, vogels, insecten en weekdieren mogen maximaal 5 jaar oud zijn, planten maximaal 10 jaar. Hierbij gelden echter enkele uitzonderingen waardoor verspreidingsgegevens van sommige soorten niet ouder dan 1 of 3 jaar mogen zijn. De bestaande gegevens worden veelal op uurhok- (5*5 km) of kilometerhokniveau (1*1 km) weergegeven. Een nadeel hiervan is dat dan nog niet met zekerheid bekend is of de betreffende planten- of diersoort ook daadwerkelijk in het projectgebied voorkomt en wat de functie van het gebied is voor deze soort. Daarnaast kan het voorkomen dat gebieden niet onderzocht zijn (of slechts op enkele soortgroepen), of dat de verspreidingsgegevens niet beschikbaar zijn gesteld.

3.2

Veldbezoek

Inzicht in het voorkomen van beschermde soorten wordt verkregen door het uitvoeren van een oriënterend veldbezoek. Het veldwerk is door een ecoloog van RPS uitgevoerd. In het onderstaande overzicht is weergegeven door welke ecoloog en op welke datum het veldbezoek heeft plaatsgevonden. Daarbij zijn voor de volledigheid ook de weersomstandigheden vermeld (bron: www.knmi.nl). tabel 3.1: uitgevoerd veldonderzoek met weersomstandigheden

Weersomstandigheden Datum 6 februari 2020

Temp. 7 °C

Windkracht 2-3 Bft

Bewolking

Onderzoeker

Onderzoeken

Ter zake kundige

Doel onderzoeken

Onbewolkt en zon Dhr. J. (Jasper) Willemsen

Quickscan

Het veldonderzoek is op basis van zicht- en geluidswaarnemingen uitgevoerd, vanaf het maaiveld. Waar dit mogelijk was, is een inspectiecamera gebruikt. Daarnaast is met het veldbezoek een beeld verkregen van de aanwezige biotopen en het landgebruik van het gebied. Met deze informatie wordt beoordeeld of de plantenen diersoorten die in de bestaande verspreidingsgegevens (zoals de NDFF) zijn genoemd, ook in het projectgebied kunnen voorkomen of verwacht kunnen worden. Daardoor is het mogelijk de quickscan in een periode van het jaar uit te voeren waarin niet alle soortgroepen aanwezig of actief zijn.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 10 van 28

3.3

Effectanalyse voorgenomen ingreep

Met de verzamelde gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is beoordeeld of de voorgenomen ingreep (voor zover bekend voor een deelgebied) leidt tot negatieve effecten op de aanwezige en/of te verwachten beschermde soorten en hun leefgebied. In hoeverre het mogelijk is om een complete effectanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en duidelijkheid over de uit te voeren werkzaamheden en uitvoeringsplanning. In deze analyse zijn de effecten zowel op de korte termijn (ten tijde van de werkzaamheden) als op de lange termijn (na afloop van de ingreep) meegenomen. Vervolgens is beoordeeld of overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming aan de orde is.

3.4

Maatregelen

Negatieve effecten op beschermde planten en dieren dienen zo veel mogelijk te worden voorkomen. Indien negatieve effecten door de voorgenomen effecten aan de orde zijn, worden in eerste instantie voorzorgsmaatregelen opgenomen om de negatieve effecten alsnog te voorkomen. Wanneer voorzorgsmaatregelen niet afdoende zijn om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen, dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen in een aparte natuurtoetsrapportage opgenomen te worden.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 11 van 28

4

AANWEZIGE EN TE VERWACHTEN SOORTEN

Hieronder is beschreven welke beschermde of bedreigde soorten in het gebied voorkomen of verwacht kunnen worden. Onderstaand is het resultaat van de bureaustudie en het veldonderzoek. Afhankelijk van in welke periode van het jaar het veldonderzoek heeft plaatsgevonden, is het mogelijk om per soort aan te geven wat de functie van het projectgebied is voor de soort (bijvoorbeeld leef-, voortplantings- en/of foerageergebied). In hoofdstuk 2 en bijlage 2 zijn enkele foto’s weergegeven van het projectgebied. Voor het projectgebied is per soortgroep eerst vermeld welke waarnemingen van soorten vermeld zijn vanuit de NDFF en de verspreidingsgegevens. Vervolgens is vermeld welke soorten (en/of sporen en geluiden) tijdens het veldbezoek zijn waargenomen. Op basis van de aanwezige biotopen wordt tot slot aangegeven voor welke soorten het projectgebied een functie heeft, bijvoorbeeld als voortplantingsbiotoop, winterbiotoop of onderdeel van een groter foerageergebied.

4.1

Vaatplanten

Waarnemingen NDFF: geen beschermde vaatplanten gemeld. Verspreidingsgegevens: geen beschermde vaatplanten gemeld. Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde vaatplanten waargenomen. Soorten die zijn waargenomen zijn gewone vlier, straatgras, groene naaldaar, kransgras en gewoon varkensgras. Dit zijn in Nederland algemeen voorkomende soorten. Daarnaast zijn meerder gecultiveerde soorten waargenomen zoals verschillende soorten (aangeplante) struiken en bomen en soorten zoals sneeuwbes, forsythia en roos (egelantier) Beschermde soorten worden niet verwacht op basis van afwezigheid van geschikt biotoop zoals kruidenrijke graslanden. De perken, straatkanten en tussen de tegels worden regelmatig schoongemaakt.

4.2

Mossen en korstmossen

Waarnemingen NDFF: geen beschermde mossen en korstmossen gemeld. Verspreidingsgegevens: geen beschermde mossen en korstmossen gemeld. Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde mossen en korstmossen waargenomen. Soorten zoals gewone citroenkorst, muurschotelkorst, bleek boomvorkje (figuur 4.1), heksenvingermos, gewoon purperschaaltje en fijn laddermos zijn waargenomen. Dit zijn algemeen in Nederland voorkomende soorten. Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor beschermde mossen en korstmossen is het voorkomen van beschermde mossen en korstmossen ook uitgesloten.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 12 van 28

figuur 4.1: bleek boomvorkje op aangeplante boom in projectgebied.

4.3

Grondgebonden zoogdieren

Waarnemingen NDFF: geen beschermde grondgebonden zoogdieren gemeld. Verspreidingsgegevens: egel, konijn, ree, vos, bosmuis, veldmuis, rosse woelmuis, bosmuis, hermelijn, wezel en bunzing. Tijdens het veldonderzoek zijn geen zoogdieren waargenomen. Ook zijn er geen sporen van grondgebonden zoogdieren waargenomen. Geschikt biotoop voor verschillende muizensoorten is aanwezig. Soorten zoals bosmuis, veldmuis en rosse woelmuis kunnen voorkomen in en rond het projectgebied door de aanwezigheid van grasvelden, ruigte, struiken, bomen en tuinen. Onder de bomen en struiken is een strooisellaag aanwezig waartussen muizen kunnen foerageren en verblijven. Daarnaast zijn houtstapels en andere objecten aanwezig wat ook geschikt is voor muizensoorten om zich in te verschuilen. Hierdoor is het niet uitgesloten dat verschillende algemene muizensoorten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden voorkomen. Voor egels is er geschikt leefgebied aanwezig. Rondom de verschillende gebouwen en voormalig schoolgebouw zijn ruigtes, houtstapels en strooisellagen aanwezig waar egels kunnen verblijven, foerageren en mogelijk overwinteren, zie afbeelding 4.1. In de omgeving van het projectgebied zijn ook geschikte omstandigheden voor egels aanwezig in particuliere tuinen.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 13 van 28

afbeelding 4.1: geschikte locatie voor egels (maar ook voor verschillende muizensoorten) om te foerageren, rusten en overwinteren. 1) onder en tussen struiken 2) strooisel laag langs heggen en struiken 3) rommelige hoekjes langs speelplaats met bladeren en hout.

Tijdens het veldonderzoek zijn geen egels waargenomen. Het is niet uit te sluiten dat egels kunnen voorkomen in en rond het projectgebied. Voor kleine marterachtige is geen geschikt leefgebied aanwezig. Kleine marterachtige komen voor in open landschappen waar grasvelden, ruigtes en houtwallen aanwezig zijn. Het projectgebied Ophelialaan in Aalsmeer is gelegen in bebouwd gebied waardoor geen open jachtterrein aanwezig is voor de marters. Door de afwezigheid van geschikt biotoop kan het uitgesloten worden dat kleine marterachtigen in en rond het projectgebied kunnen voorkomen. Vossen komen voor in diverse biotopen. Geschikt leefgebied voor deze soort is aanwezig in en rond het projectgebied. Er zijn geen exemplaren waargenomen, evenals sporen en holen van deze soort. Het is echter niet uitgesloten dat deze soort incidenteel voorkomt in het projectgebied. Ten aanzien van zwaar beschermde en kritische grondgebonden zoogdieren is geen geschikt biotoop binnen of in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig. Soorten als waterspitsmuis en Noordse woelmuis worden dan ook niet verwacht.

4.4

Vleermuizen

Waarnemingen NDFF: gewone dwergvleermuis. Verspreidingsgegevens: laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, watervleermuis en ruige dwergvleermuis. Verblijfplaatsen Tijdens het veldonderzoek is geconstateerd dat er geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn in het projectgebied. Het voormalige schoolgebouw en de naastgelegen bijgebouwen hebben spleten, scheuren, gaten (figuur 4.2) en toegang tot spouwmuren. Het voorkomen van verblijfplaatsen in het projectgebied is niet uit te sluiten in zowel de slopen bijgebouwen als in het te renoveren voormalige schoolgebouw.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 14 van 28

figuur 4.2: gat in muur mogelijk geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.

In de te kappen bomen in de groenstroken zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen waargenomen. De bomen hebben geen spleten, gaten en loshangend schors waar vleermuizen in kunnen verblijven. Foerageergebied en vaste vliegroutes In en rond het projectgebied zijn verschillende elementen aanwezig welke geschikt zijn voor foeragerende en langsvliegende vleermuizen. De aanwezige bomen en struiken bieden geschikte omstandigheden voor foerageergebied. De watergang ten oosten van het projectgebied is geschikt voor verschillende insectensoorten die door vleermuizen gegeten kunnen worden. Zowel de watergang als de houtige vegetatie kunnen gebruikt worden als oriëntatie voor langs vliegende vleermuizen. Daarnaast staan langs de weg verschillende bomen in een rij. Deze bomen kunnen gebruikt worden door vleermuizen als vliegroute van en naar verblijfplaatsen (in en rond het projectgebied) naar foerageergebied. Het projectgebied kan een functie voor vleermuizen hebben ten aanzien van foerageergebied en/of ter oriëntatie op hun vliegroute tussen verblijfplaats en foerageergebied elders. In hoeverre de Ophelialaan in Aalsmeer een functie heeft als (essentieel) foerageergebied of (essentiële) vliegroute en welke vliegroutes precies worden gebruikt, is op basis van de quickscan niet te beoordelen.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 15 van 28

4.5

Vogels

4.5.1

Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats

Waarnemingen NDFF: huismus. Verspreidingsgegevens: buizerd, sperwer, slechtvalk, ransuil, roek, kerkuil, steenuil, ooievaar en gierzwaluw. Tijdens het veldonderzoek zijn geschikte leefgebieden voor verschillende vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats waargenomen. Het betreft soorten zoals buizerd, sperwer, slechtvalk, ransuil, kerkuil, huismus en gierzwaluw. Van soorten zoals huismus en gierzwaluw zijn in het projectgebied geschikte nestgelegenheden aanwezig. Van de overige vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats zijn geen nesten waargenomen in en rond het projectgebied. Buizerd Tijdens het veldonderzoek zijn geen nesten van deze soort waargenomen, ook zijn er geen vliegende exemplaren waargenomen. Deze soort broedt hoog in bomen waar ze individuele nesten maken in de toppen van een boom. De bomen zijn geschikt voor buizerds, omdat meerdere bomen hoog zijn. Buizerds broeden meer in landelijke omgevingen en niet in bewoonde gebieden zoals woonwijken en industriegebieden. Hierdoor is het uitgesloten dat buizerds in de toekomst gaan broeden in het projectgebied. Mogelijk maken buizerds gebruik van het projectgebied om te foerageren, als onderdeel van een groter foerageergebied. Sperwer Sperwers broeden in bosrijk gebied met hoge bomen waaronder struiken aanwezig zijn.

De soort maakt zowel nesten hoog in een boom als in aanwezige (dichte) struiken. In het projectgebied zijn geen geschikte nestlocaties voor sperwers waargenomen. De sperwer kan wel gebruik maken van het projectgebied om te foerageren, als onderdeel van een groter foerageergebied. Slechtvalk Slechtvalken broeden in hoge gebouwen zoals kerktorens, elektriciteitsmasten en watertorens. Geen van deze geschikte nestlocaties zijn aanwezig in en rond het projectgebied. Slechtvalken zijn niet waargenomen tijdens het veldonderzoek. Slechtvalken maken mogelijk gebruik van het projectgebied om te foerageren, als onderdeel van een groter foerageergebied. Ransuil Ransuilen broeden in bosrijk gebied met hoge bomen en maken gebruik van oude ekster- en zwarte kraainesten om in te broeden. Tijdens het veldonderzoek zijn geen nesten van ekster en/of zwarte kraai waargenomen, waardoor het uitgesloten is dat ransuilen broeden in en rond het projectgebied. Ransuilen kunnen gebruik maken van het projectgebied om te foerageren, als onderdeel van een groter foerageergebied. Kerkuil Kerkuilen broeden in nestkasten, door de mens geplaatst in de buurt van boerderijen en in schuren. In het projectgebied zelf zijn geen geschikte nestlocaties aanwezig. Huismus Huismussen broeden in de buurt van mensen, veelal onder dakpannen. In het projectgebied zijn mogelijk geschikte nestgelegenheden aanwezig.

Onder de dakpannen van het voormalige schoolgebouw zijn gaten en spleten aanwezig waar huismussen in kunnen broeden, zie figuur 4.3. De overige gebouwen zijn niet rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 16 van 28

geschikt omdat hier geen dakpannen aanwezig zijn. In de omgeving van het projectgebied zijn ook geschikte nestgelegenheden voor huismussen aanwezig, deze vallen buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. De houtige vegetatie in het projectgebied kan functioneren als essentieel leefgebied voor huismussen die in of in de directe omgeving van het projectgebied een verblijfplaats hebben.

figuur 4.3: mogelijk geschikte nestgelegenheden voor huismus onder dakpannen van voormalig schoolgebouw.

Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden net als huismussen in stedelijk gebied. Onder dakpannen worden de nesten gemaakt evenals onder de nok van woningen. In en in de directe omgeving van het projectgebied zijn geschikte nestlocaties aanwezig, onder de dakpannen van verschillende woningen en onder de dakpannen van het voormalige schoolgebouw, zie figuur 4.4. In de omliggende bebouwing van de woonwijken zijn geschikte nestlocaties aanwezig. Het projectgebied kan als onderdeel van een foerageergebied worden gebruikt.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 17 van 28

figuur 4.4: losliggende dakpannen welke mogelijk ruimtes bevatten waar gierzwaluwen in kunnen broeden.

4.5.2

Broedvogels

Waarnemingen NDFF: diverse struweel-, bos- en watervogels. Verspreidingsgegevens: diverse struweel-, bos- en watervogels. Tijdens het veldonderzoek zijn meerdere nesten van broedvogels waargenomen in en rond het projectgebied. Tijdens het veldonderzoek zijn geen bezette nestenwaargenomen. Het gaat om nesten van duiven en merels. Daarnaast zijn meerdere broedvogels waargenomen. Soorten zoals houtduif, koperwiek, koolmees, merel, stadsduif en pimpelmees. Dit zijn algemeen in Nederland voorkomende soorten. Het projectgebied is geschikt als leefgebied voor verschillende algemene broedvogels. In de verscheidene bomen en struiken kunnen struweelvogels voorkomen, alsmede rondom woningen waar nestkasten voor verschillende vogels aanwezig zijn.

4.6

Reptielen

Waarnemingen NDFF: geen beschermde reptielen gemeld. Verspreidingsgegevens: ringslang. Het projectgebied ligt in het bekende verspreidingsgebied van de ringslang. Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde reptielen zoals ringslang waargenomen. Ook zijn geen verblijfplaatsen van reptielen waargenomen zoals broeihopen. De watergang ten oosten van het projectgebied is ongeschikt voor ringslangen. In het water is veel flap en kroos aanwezig. Daarnaast is langs de watergang beschoeiing (figuur 4.5) aanwezig wat verhinderd dat rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 18 van 28

ringslangen vanuit het water het land op kunnen komen. De watergang heeft geen directe verbinding met andere watergangen in de buurt van het projectgebied. Hierdoor kan gesteld worden dat voor ringslang geen mogelijkheid is vanuit omliggend gebied het projectgebied te bereiken.

figuur 4.5: beschoeiing langs de watergang wat ringslangen bemoeilijkt in en uit het water te komen.

4.7

Amfibieën

Waarnemingen NDFF: geen beschermde amfibieën gemeld. Verspreidingsgegevens: bruine kikker, bastaardkikker, meerkikker, rugstreeppad en gewone pad. Tijdens het veldonderzoek zijn geen amfibieën waargenomen. De lucht-, bodem- en watertemperaturen zijn ten tijde van het veldbezoek te laag voor amfibieën om actief te zijn. Wel zijn in het projectgebied geschikte locaties waargenomen waar amfibieën kunnen voorkomen. Ten oosten van het projectgebied is een watergang aanwezig waar amfibieën in kunnen voorkomen, voortplanten en foerageren. Daarnaast zijn er geschikte omstandigheden zoals strooisellagen, snoeiafval, organisch materiaal en overig materiaal op de grond waaronder en waarin amfibieën kunnen overwinteren en verblijven. De watergang buiten het projectgebied kan als voortplantingswater gebruikt worden. Rugstreeppad In de huidige situatie is het projectgebied niet geschikt als leefgebied voor rugstreeppad. Ten tijde van de uitvoering van graafwerkzaamheden, waarbij goed vergraafbare grond aanwezig is, is het niet uit te sluiten dat rugstreeppad richting het projectgebied trekt tijdens het actieve seizoen (periode mei-september). Door het ontbreken van geschikt biotoop worden soorten zoals poelkikker, heikikker en kamsalamander niet verwacht in en rond het projectgebied.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 19 van 28

4.8

Vissen

Waarnemingen NDFF: geen beschermde vissen gemeld. Verspreidingsgegevens: geen beschermde vissen gemeld. Tijdens het veldonderzoek zijn geen vissen gevangen. De aanwezige watergang(en) aan de oostzijde van het projectgebied zitten vol met slib, zwerfafval en organisch materiaal. Het wateroppervlak is met kroos bedekt en op sommige plekken is flab en alg aanwezig, zie figuur 4.6. Het water is stilstaand en er is beschoeiing langs de waterkant. In het water zelf zijn geen waterplanten waargenomen. De sliblaag is zeer dik (>60 centimeter) en stinkt, wat duidt op een verminderde zuurstofhuishouding.

figuur 4.6: watergang met veel flap en kroos op het water. Zichtbaar is het zwerfafval in de watergang.

De watergang is geschikt voor algemeen voorkomende soorten zoals stekelbaars en baars. Door de afwezigheid van geschikte omstandigheden zoals niet stinkend slib, waterplanten en licht stromend water is de watergang ongeschikt voor beschermde vissoorten.

4.9

Ongewervelde diersoorten

Waarnemingen NDFF: geen beschermde ongewervelde diersoorten gemeld. Verspreidingsgegevens: geen beschermde ongewervelde diersoorten gemeld. Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde ongewervelde diersoorten waargenomen. Ook zijn er geen algemeen voorkomende soorten waargenomen, doordat de luchttemperatuur laag is waardoor ongewervelden niet actief zijn in de periode van het veldonderzoek.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 20 van 28

In een boom is een insectenhotel geplaatst, zie figuur 4.7. Tijdens het veldonderzoek kon niet geconcludeerd worden of dit hotel in gebruik is door verschillende insecten en andere ongewervelden. Door de afwezigheid van geschikt biotoop en de afwezigheid van geschikte waardplanten wordt het voorkomen van andere beschermde ongewervelde diersoorten ook uitgesloten in het projectgebied.

figuur 4.7: insectenhotel aanwezig is boom.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 21 van 28

5

EFFECTANALYSE

De voorgenomen ruimtelijke ingreep kan effecten hebben op aanwezige beschermde soorten. Indien negatieve effecten aan de orde zijn, zowel op de korte (tijdens de uitvoering) als op de lange termijn (na de uitvoering), zijn zij in dit hoofdstuk beschreven. De soortgroepen grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels, algemene amfibieën en rugstreeppad kunnen van de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten ondervinden. In dit hoofdstuk wordt beschreven welke negatieve effecten dit zijn. In hoofdstuk 6 zijn voorzorgsmaatregelen beschreven om negatieve effecten te voorkomen. De uit te voeren werkzaamheden in het projectgebied hebben te maken met het slopen van verschillende gebouwen, het renoveren van een voormalig schoolgebouw, het verwijderen van groen en kappen van verschillende bomen en vervolgens nieuwbouw. Wanneer en op welke wijze deze werkzaamheden worden uitgevoerd, in welke periode, is ten tijde van het schrijven niet bekend.

5.1

Grondgebonden zoogdieren

Bij het uitvoeren van de werkzaamheden kunnen grondgebonden zoogdieren tijdelijk negatieve effecten ondervinden. Delen van hun leefgebied worden tijdelijk dan wel blijvend ongeschikt en verstoord. Hierbij kunnen voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van algemene muizensoorten, egels en andere algemene grondgebonden zoogdieren vernield of beschadigd raken en individuen worden gedood. In hoeverre op de lange termijn weer geschikt leefgebied beschikbaar zal komen, is afhankelijk van de nieuwe inrichting van het terrein. Voor algemene grondgebonden zoogdieren (uitgezonderd kleine marterachtigen) geldt een vrijstelling van overtreding van verbodsbepalingen via een provinciale verordening van de provincie Noord-Holland. Mits voldaan wordt aan het naleven van de zorgplicht, is voor deze soorten een ontheffingsaanvraag niet nodig. Na de werkzaamheden ontstaat een nieuwe situatie waar grondgebonden zoogdieren kunnen voorkomen waardoor op lange termijn geen negatieve effecten verwacht worden op de soortgroep.

5.2

Vleermuizen

Foerageergebied en vaste vliegroutes Het kan niet uitgesloten worden dat vleermuizen in en rond het projectgebied de verschillende gebouwen, bomen en bosranden als vliegroute en foerageergebied gebruiken. Tijdens het veldonderzoek kon niet vast gesteld worden of het projectgebied onderdeel maakt van een mogelijk essentieel foerageergebied en vaste vliegroute. Omdat mogelijk verschillende bomen worden verwijderd en enkele gebouwen worden gesloopt is het mogelijk dat foerageergebied en vaste vliegroutes van vleermuizen wordt weggenomen. Om te achterhalen op welke manier het projectgebied gebruikt wordt door vleermuizen, wordt vervolgonderzoek geadviseerd. Verblijfplaatsen Tijdens het veldonderzoek is geconcludeerd dat de te slopen en te renoveren gebouwen gaten, spleten en losliggende dakpannen hebben waar vleermuizen mogelijk in kunnen verblijven. De sloop en renovatie leidt daardoor naar verwachting tot verstoring van vleermuizen, wegnemen van verblijfplaatsen en mogelijk doden van individuen. Aanvullend vleermuisonderzoek moet duidelijkheid geven over de functie van de rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 22 van 28

gebouwen binnen het projectgebied voor vleermuizen. Om te onderzoeken of de te slopen gebouwen verblijfplaatsen bevatten van vleermuizen wordt vervolgonderzoek geadviseerd.

5.3

Vogels

Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen In het projectgebied zijn mogelijk voortplantings- of verblijfplaatsen aangetroffen van vogels met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen. Voor soorten zoals huismus en gierzwaluw zijn mogelijk geschikte plaatsen aanwezig door ruimtes onder de dakpannen en losliggende dakpannen waarachter mogelijk ruimtes aanwezig zijn voor gierzwaluwen en huismussen. De sloop en renovatie en bijbehorende herinrichting van het terrein leidt mogelijk tot het wegnemen van vaste rust- en verblijfplaatsen, het verstoren van voortplanting en wegnemen van leefgebied. Aanvullend onderzoek naar de functie van het projectgebied voor huismus en gierzwaluw moet duidelijkheid geven over de functie van het projectgebied voor deze vogelsoorten. Geadviseerd wordt om vervolgonderzoek te doen naar de functie van het projectgebied voor huismus en gierzwaluw. Door het uitvoeren van de werkzaamheden en de nieuwe inrichting is het projectgebied minder geschikt als foerageergebied voor andere vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats. In de directe omgeving blijft voldoende foerageergebied beschikbaar, waardoor negatieve effecten op de lange termijn niet te verwachten zijn.

Broedvogels Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden is het mogelijk dat broedende vogels aanwezig zijn in het projectgebied en/of in de directe omgeving daarvan. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Deze verbodsbepaling geldt te allen tijde, ongeacht het jaargetijde. Om overtreding van deze verbodsbepaling te voorkomen, dienen voorzorgsmaatregelen te worden genomen (zie hoofdstuk 6).

5.4

Amfibieën

Algemene amfibieën De werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op amfibieën. De mate van verstoring is mede afhankelijk van de uitvoeringsperiode. De kwetsbare perioden betreffen de voortplantingsperiode (maartaugustus) en overwinteringsperiode (november-februari). In de omgeving van het projectgebied is voldoende alternatief leefgebied aanwezig waar volwassen exemplaren alternatief leefgebied kunnen vinden. Indien werkzaamheden ook in de aangrenzende watergang worden uitgevoerd, kunnen negatieve effecten op eieren, larven en parende amfibieën aan de orde zijn. Op korte termijn zijn negatieve effecten te verwachten, op lange termijn worden geen negatieve effecten verwacht voor de soortgroep. Voor algemene amfibieën geldt een vrijstelling van overtreding van verbodsbepalingen via een provinciale verordening van de provincie Noord-Holland. Mits voldaan wordt aan het naleven van de zorgplicht, is voor deze soorten een ontheffingsaanvraag niet nodig. Rugstreeppad Bij aanwezigheid van goed vergraafbare grond voor de werkzaamheden, in de periode mei-september, is het mogelijk dat de rugstreeppad het projectgebied koloniseert. Bij aanwezigheid van tijdelijke waterplassen kan de rugstreeppad het projectgebied gebruiken voor de voortplanting.

Binnen het projectgebied kan daarnaast land- en winterbiotoop ontstaan bij aanwezigheid van goed vergraafbare grond en/of onder stenen, puin en rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 23 van 28

ander materiaal wat een voldoende buffering biedt tegen weersinvloeden. Het wegnemen/vernielen van eieren en vernielen van voortplantingsplaats of rustplaatsen is niet toegestaan. Voorzorgsmaatregelen (zie hoofdstuk 6) dienen genomen te worden om negatieve effecten op rugstreeppad te voorkomen.

5.5

Conclusie effectanalyse

Tabel 5.1 toont een overzicht van de hierboven behandelde beschermde soorten en de effecten van de uitvoering van de werkzaamheden op die soorten. tabel 5.1: aangetroffen en te verwachten beschermde en/of bedreigde flora en fauna

Soort/soortgroep

Beschermingsregime*

Overtreding verbodsbepalingen

Vervolgstappen

Alg. grondgebonden zoogdieren

vernielen voortplantingsplaats of rustplaats en doden van individuen

voorzorgsmaatregelen nemen

Vleermuizen

AS, art 3.10 met/zonder vrijstelling vanuit provinciale verordening HRL, art 3.5

mogelijke verstoring/wegnemen van vliegroutes en foerageergebied. Mogelijk vernielen/wegnemen van vaste rust- en verblijfplaatsen

Advies vervolgonderzoek

Broedvogels

VRL, art 3.1

voorzorgsmaatregelen nemen ter voorkoming van overtreding verbodsbepalingen

Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats

VRL, art 3.1

Algemene amfibieën

AS, art. 3.10 met vrijstelling vanuit provinciale verordening

opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen mogelijke verstoring/wegnemen van leefgebied van huismus. Mogelijk vernielen/wegnemen van vaste rusten verblijfplaatsen van huismus en gierzwaluw doden van individuen, verstoring voortplanting

Rugstreeppad

HRL, art 3.5

mogelijk doden van individuen, verstoring van voortplanting en vernielen voortplantingsplaats of rustplaats

voorzorgsmaatregelen nemen

Advies vervolgonderzoek

voorzorgsmaatregelen nemen

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 24 van 28

6

VOORZORGSMAATREGELEN

Negatieve effecten op beschermde dieren dienen zo veel mogelijk te worden voorkomen. In dit hoofdstuk zijn de voorzorgsmaatregelen opgenomen ter voorkoming van verstoring of schade aan beschermde natuurwaarden. Verschillende gebouwen worden gesloopt, het voormalige schoolgebouw wordt gerenoveerd, aanwezige houtige vegetatie zoals bomen en struiken worden verwijderd met vervolgens nieuwbouw. In dit hoofdstuk worden de voorzorgsmaatregelen beschreven die genomen dienen te worden in de minst kwetsbare periode. Het nemen van de onderstaande opgenomen voorzorgsmaatregelen is noodzakelijk om een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van grondgebonden zoogdieren, broedvogels, algemene amfibieën en rugstreeppad te voorkomen. Voor de soortgroepen vleermuizen en vogels met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen is een soortgericht vervolgonderzoek geadviseerd naar mogelijke verblijfplaatsen, nesten, leefgebied, foerageergebied en vliegroutes.

6.1

Zorgplicht

Voor alle soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving of niet, geldt te allen tijde de zorgplicht waarbij eenieder voldoende zorg in acht dient te nemen voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

6.2

Broedvogels

Het verstoren van broedende vogels en het wegnemen of vernielen van eieren is niet toegestaan onder de Wet natuurbescherming. Een vaste broedperiode of -seizoen bestaat niet, de periode en duur van het broeden zijn afhankelijk van de vogelsoort en de weersomstandigheden. Om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen, dienen de volgende voorzorgsmaatregelen te worden nageleefd: • Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden moet het terrein gecontroleerd worden op de aanwezigheid van broedende vogels. • Indien broedende vogels aanwezig zijn, zal in overleg met een ter zake kundige ecoloog worden bepaald welke afstand tot de broedlocatie aangehouden moet worden. • Wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn, kan het projectgebied ongeschikt worden gemaakt door het verwijderen van de aanwezige vegetatie. • Wanneer verstoring van broedende vogels en wegnemen of vernielen van eieren niet voorkomen kan worden, dient het werk uitgesteld te worden tot de jonge vogels zijn uitgevlogen en het nest niet meer gebruikt wordt.

6.3

Rugstreeppad

Wanneer zanderig terrein met plassen water tijdens de werkzaamheden niet afgeschermd of opgeruimd wordt, is het mogelijk dat de rugstreeppad dit gebied zal bevolken. Het creëren van geschikt voortplantingsgebied kan voorkomen worden door vorming van plassen (regen)water, in de periode mei-september, in het projectgebied te voorkomen.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 25 van 28

Daarnaast kan voorkomen worden dat rugstreeppad het gebied kan gaan gebruiken door zo min mogelijk tijdens de werkzaamheden zandhopen, goed vergraafbare grond aan te brengen en /of opslag van materialen direct op de grond. Dit kan voor rugstreeppadden functioneren als geschikt landbiotoop en voor de overwinteringslocatie. Afhankelijk van de werkwijze en de inrichting kan ervoor gekozen worden om voorafgaand aan de werkzaamheden een geschikt amfibieënscherm te plaatsen, zodanig dat zekerheid kan worden geboden dat rugstreeppadden niet binnen het terrein aanwezig zijn, ten tijde van de bouwwerkzaamheden. Indien rugstreeppad ten tijde van de uitvoering toch wordt aangetroffen, dienen de werkzaamheden stil te worden gelegd en dient de begeleidende ecoloog aan te geven welke vervolgstappen (met mogelijke ontheffingsaanvraag) moeten worden genomen.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 26 van 28

7

CONCLUSIES EN VERVOLONDERZOEK

7.1

Conclusies

Ten behoeve van de voorgenomen werkzaamheden (sloop, renovatie, verwijderen groen en nieuwbouw) aan het voormalige schoolgebouw en de overige panden langs de Ophelialaan 230 in Aalsmeer is een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Uit deze quickscan komt het volgende naar voren: • Beschermde vaatplanten, mossen en korstmossen, reptielen, vissen en ongewervelde diersoorten zijn niet aanwezig of worden in de huidige situatie niet verwacht op basis van het ontbreken van geschikt biotoop. • Beschermde soorten die verwacht worden in het projectgebied zijn verschillende soorten vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, algemene amfibieën, rugstreeppad, vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats en algemene broedvogels. • Ten tijde van de uitvoering van mogelijke grondwerkzaamheden is het mogelijk dat rugstreeppad het projectgebied koloniseert. Dit is aan de orde bij aanwezigheid van goed vergraafbare bodem en aanwezigheid van tijdelijke waterplassen in de periode mei-september. Binnen het projectgebied kan daarnaast land- en winterbiotoop ontstaan bij aanwezigheid van goed vergraafbare grond en/of onder stenen, puin en ander materiaal wat een voldoende buffering biedt tegen weersinvloeden. • De geplande werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op broedende vogels.

• Voor de soortgroepen vleermuizen en vogels met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen (huismus en gierzwaluw) wordt vervolgonderzoek geadviseerd. • Voor de overige soortgroepen behoeft geen vervolgonderzoek uitgevoerd te worden. • Om negatieve effecten op algemene grondgebonden zoogdieren, algemene amfibieën, rugstreeppad en broedende vogels te voorkomen dienen werkzaamheden uitgevoerd te worden zoals beschreven in hoofdstuk 6.

7.2

Vervolgonderzoek

Vleermuizen Het vervolgonderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd in verschillende periodes. In de verschillende periodes wordt onderzocht of zowel de gebouwen als het groen voor vleermuizen onderdeel vormen van een mogelijk (essentieel) foerageergebied,(essentiële) vliegroute en vaste rust- en verblijfplaatsen. De onderzoeksperiode betreft 15 mei tot en met eind september, met 5 onderzoeksrondes. Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats Het onderzoek naar gierzwaluw en huismus wordt uitgevoerd respectievelijk in de periode 15 mei-15 juli en april- eind juni, met meerdere onderzoeksrondes conform de onderzoeksmethodes welke zijn opgenomen in de kennisdocumenten van BIJ12.

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 27 van 28

8

BRONNEN

Geraadpleegde internetpagina’s: • ndff-ecogrid.nl • www.verspreidingsatlas.nl • www.ravon.nl • www.vleermuis.net • www.bij12.nl • www.wilde-planten.nl • www.blwg.nl

rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 28 van 28

Bijlage 1. Natuurwetgeving Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Al enige jaren is sprake van decentralisatie op het gebied van de diverse ‘groene taken’. Met de Wet natuurbescherming is de tendens van decentralisatie formeel bekrachtigd en zijn enkele nieuwe instrumenten toegevoegd. De Wet natuurbescherming moet op termijn (2018) opgaan in de Omgevingswet. De bepalingen en instrumenten uit de Wet natuurbescherming zijn hier al (grotendeels) op voorbereid. Het bevoegd gezag gaat over naar de provincie. Ten aanzien van projecten op nationale schaal blijft de Rijksdienst van Ondernemend Nederland bevoegd gezag. Voor de Wet natuurbescherming zijn ten aanzien van de Soortenbescherming twee richtlijnen en een nationaal beschermingsregime van toepassing: • Vogelrichtlijn; • Habitatrichtlijn; • Nationale soorten. Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn is een Europese richtlijn die in 1979 is vastgesteld en is gericht op de bescherming van vogelsoorten binnen de Europese Unie (EU). De richtlijn verplicht de lidstaten tot de instandhouding van de in het wild levende vogelsoorten op hun grondgebied en heeft betrekking op de bescherming van vogels, hun eieren, nesten en leefgebieden.

De richtlijn draagt tevens zorg voor de extra bescherming van broed- en trekvogels die: • met uitsterven worden bedreigd; • gevoelig zijn voor veranderingen in de leefomgeving; • als bijzonder zeldzaam beschouwd worden; • bescherming nodig hebben vanwege de eisen die ze aan hun habitat stellen. Verbodsbepalingen Artikel 3.1 Lid 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Lid 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Lid 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Lid 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

Habitatrichtlijn De Europese Habitatrichtlijn is complementair aan de Vogelrichtlijn en richt zich op de bescherming van bijzondere planten- en diersoorten (uitgezonderd vogels) en hun leefgebieden. Deze richtlijn is inclusief het Verdrag van Bern (bijlage II) en het Verdrag van Bonn (bijlage I). De in de Habitatrichtlijn genoemde maatregelen zijn gericht op: • het behoud van natuurlijke habitat en ecosystemen; • de bescherming van leefgebieden van bepaalde dieren en planten. Met de richtlijn wordt getracht een Europees ecologisch netwerk tot stand te brengen (Natura 2000), zodat migratie van planten- en diersoorten binnen de EU mogelijk wordt gemaakt. In bijlage I van de Habitatrichtlijn wordt de beschermde habitat genoemd. In bijlage II zijn de planten- en diersoorten genoemd, waarvan de habitat beschermd moet worden om deze soorten in stand te houden. Een aantal van deze soorten heeft een prioritaire status, wat inhoudt dat niet alleen de soort, maar ook de leefomgeving hiervan als beschermd beschouwd moet worden. In bijlage IV worden de soorten genoemd die strikte bescherming genieten. Het is verboden deze soorten te doden, te vangen, te verontrusten of hun habitat aan te tasten. Veel soorten uit bijlage IV zijn ook genoemd in bijlage II. Verbodsbepalingen Artikel 3.5 Lid 1.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Lid 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Lid 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Lid 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Lid 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationale soorten De nationale soorten betreffen een bescherming van een lijst met zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers (onderdeel A) en planten (onderdeel B). Het betreffende bevoegd gezag stelt in een verordening vast voor welke van deze soorten de verbodsbepalingen onverminderd gelden en voor welke soorten een vrijstelling geldt.

Verbodsbepalingen Artikel 3.10 Lid 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde "houtopstanden").

Het verbod op het geheel of gedeeltelijk vellen van houtopstanden is niet van toepassing op: • Houtopstanden binnen de grenzen van de bebouwde kom; • Houtopstanden op erven of in tuinen; • Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • Naaldbomen, bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan 20 jaar; • Kweekgoed; • Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs watergangen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • Dunnen van een houtopstand; • Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa welke ten minste eens per tien jaar worden geoogst. En bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid als aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 meter en aangelegd na 1 januari 2013. De herplantplicht van houtopstanden geldt niet voor maatregelen ten behoeve van natuurontwikkelingen (in het kader van het halen van instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden en opgelegde mitigatie of compensatie in het kader van vergunningen of ontheffingen) en het creëren of onderhouden van brandgangen. Provincies kunnen vrijstellingsregels of nadere regels voor een ontheffing voor herplantplicht opstellen. Rode lijsten Op Rode lijsten staan soorten die worden bedreigd in hun voortbestaan.

In Nederland is inmiddels voor negen soortgroepen een Rode lijst gepubliceerd in de Staatscourant: • vogels; • dagvlinders; • zoogdieren; • reptielen en amfibieën; • paddenstoelen; • libellen; • krekels en sprinkhanen; • korstmossen; • zoetwatervissen.

De Rode lijsten komen voort uit het Verdrag van Bern. Dit verdrag vraagt bijzondere aandacht voor soorten die met uitsterven worden bedreigd en kwetsbaar zijn. Rode Lijst soorten genieten geen wettelijke bescherming. Provinciale en gemeentelijke overheden en terreinbeherende instanties worden geacht rekening te houden met de Rode lijsten bij het uitvoeren van beheer en het formuleren van beleid.

Bijlage 2. Foto’s projectgebied

Postbus 75 4140 AB Leerdam Prins Mauritsstraat 17 4141 JC Leerdam T +31 88 99 04 800

NATUURTOETS WET NATUURBESCHERMING Aanvullend onderzoek vleermuis – Jac. P. Thijsselaan 2 Aalsmeer

Ref.: NL202003918.006-R20-942 23 november 2020

Gemeente Amstelveen

RPS advies- en ingenieursbureau bv

Contactpersoon

Mevr. Kegge

Auteur

F. Reijngoudt

Adres

Laan Nieuwer-Amstel 1

Projectleider

J. Janse

1182 JR AMSTELVEEN

Gecontroleerd door

K. Maartense

Projectreferentie Versie

NL202003918.006-R20-942 concept

Totaal aantal pagina’s

13

Handtekening

Handtekening

Akkoord Floor Reijngoudt Adviseur ecologie

Akkoord Jan Janse Projectleider

Dit rapport is vertrouwelijk. Geen enkel deel van dit rapport mag aan derden openbaar worden gemaakt zonder schriftelijke toestemming van RPS advies- en ingenieursbureau bv of van de opdrachtgever. Alleen aan het originele complete rapport kunnen rechten worden ontleend. Dit rapport mag UITSLUITEND in zijn geheel worden gereproduceerd.

rps.nl Ref.: NL202003918.006-R20-942 | 23 november 2020 Pagina 2 van 13

INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3 1.4

INLEIDING ................................................................................................................................... 4 Aanleiding ..................................................................................................................................... 4 Doel van het onderzoek ............................................................................................................... 4 Onderzoeksvragen ....................................................................................................................... 4 Leeswijzer .................................................................................................................................... 4

2 2.1 2.2

PROJECTOMSCHRIJVING ........................................................................................................ 5 Plangebied ................................................................................................................................... 5 Ingreep ......................................................................................................................................... 6

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

METHODE ................................................................................................................................... 7 Opzet en uitvoering ...................................................................................................................... 7 Nadere analyse: geluidsopnamen ................................................................................................ 8 Effectanalyse voorgenomen ingreep............................................................................................ 8 Voorzorgsmaatregelen ................................................................................................................. 8 Advies vervolgtraject .................................................................................................................... 8

4 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.2

RESULTATEN VLEERMUISONDERZOEK ................................................................................ 9 Gewone dwergvleermuis .............................................................................................................. 9 Rosse vleermuis ......................................................................................................................... 10 Laatvlieger .................................................................................................................................. 11 Analyse effecten en consequenties ten aanzien van Wet natuurbescherming ......................... 11

5

CONCLUSIE .............................................................................................................................. 12

6

BRONNEN ................................................................................................................................. 13

BIJLAGEN 1. 2.

Natuurwetgeving Verspreidingskaarten onderzoekrondes 1, 2, 3, 4 en 5

rps.nl Ref.: NL202003918.006-R20-942 | 23 november 2020 Pagina 3 van 13

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

De gemeente Amstelveen is voornemens om meerdere gebouwen te herontwikkelen op het schoolplein van voormalige basisschool De Hoeksteen aan de Ophelialaan 230 in Aalsmeer. Het voormalige hoofdgebouw zal gerenoveerd en aangepast worden en de aangrenzende bijgebouwen worden gesloopt voor de ontwikkeling van nieuwbouw. Verschillende groenstroken worden verwijderd en een woonhuis langs de Jac. P. Thijsselaan wordt gesloopt. Bij alle ruimtelijke ingrepen moet worden getoetst of er sprake is van strijdigheid met de Wet natuurbescherming (bijlage 1). Voor dit project is door RPS een quickscan uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (NL202003918-R20-219). Hieruit is gebleken dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is ten aanzien van vleermuizen. In dit rapport worden de resultaten van het vleermuizenonderzoek beschreven en is aangegeven of door de werkzaamheden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden en of een ontheffing noodzakelijk is. De aanvullende soortgerichte onderzoeken voor de hoofd- en bijgebouwen en groenstroken aan de Ophelialaan 230 in Aalsmeer worden in een aparte rapportage behandeld, (RPS, 2020, NL202003918.005R20-860).

1.2

Doel van het onderzoek

Het doel van het onderzoek is inzicht te krijgen in het voorkomen van vleermuizen binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden en wat de effecten zijn van de ingreep op deze soorten. De gegevens voortvloeiend uit de natuurtoets geven duidelijkheid of de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is

1.3

Onderzoeksvragen

Het slopen van het gebouw kan gevolgen hebben voor de ter plaatse voorkomende beschermde vleermuissoorten. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. De onderzoeksvragen zijn als volgt: 1. Komen vleermuizen voor binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden en welke functies heeft het plangebied voor deze soorten? 2. Welke effecten ondervinden de aanwezige vleermuizen van de voorgenomen ruimtelijke ingreep, betreft het hier negatieve effecten? 3. Welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te voorkomen en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen? 4. Moeten maatregelen genomen worden om negatieve effecten te mitigeren of te compenseren? 5. Is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk?

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 zijn de ligging van het plangebied en de voorgenomen werkzaamheden en planning daarvan beschreven. In hoofdstuk 3 is de onderzoeksmethode beschreven. Hoofdstuk 4 beschrijft de resultaten van de aanvullende onderzoeken en de effectanalyse. Tot slot zijn in hoofdstuk 5 de conclusies opgenomen.

rps.nl Ref.: NL202003918.006-R20-942 | 23 november 2020 Pagina 4 van 13

2

PROJECTOMSCHRIJVING

2.1

Plangebied

Het plangebied is gelegen in de gemeente Aalsmeer in de provincie Noord-Holland. De Amersfoortcoördinaten zijn 112-475. Rond het plangebied liggen de volgende dorpen en steden; ten noorden Hoofddorp en Amstelveen, ten zuiden Kudelstaart, ten oosten stadscentrum van Aalsmeer en ten westen het dorp Rijsenhout. In figuur 2.1 is de globale ligging van de Jac. P. Thijsselaan in Aalsmeer weergegeven en figuur 2.2 toont een luchtfoto van het plangebied.

figuur 2.1: overzicht (topografische kaart) van het plangebied (rood omlijnd) Bron: pdok.nl/viewer

Het plangebied betreft een woonhuis aan de Jac. P. Thijsselaan 2 in Aalsmeer. Het woonhuis heeft een schuin dak met dakpannen. Aan de noordkant is een groenstrook. Daarnaast zijn rondom het woonhuis ook veel bomen aanwezig. Langs de Jac. P. Thijsselaan staan lantarenpalen en aan de oostkant van de weg is ook een groenstrook met aan de zuidkant woonhuizen aanwezig.

rps.nl Ref.: NL202003918.006-R20-942 | 23 november 2020 Pagina 5 van 13

figuur 2.2: overzicht van het plangebied (rood omlijnd). Bron: pdok.nl/viewer

2.2

Ingreep

Voor het slopen van het gebouw worden globaal de volgende werkzaamheden uitgevoerd: • Slopen gebouw. • Verwijderen bomen, struiken en ander groen. • Verwijderen overig materiaal tegels enzovoorts. • Inrichten werkterrein en werkdepot. Ten tijde van het opstellen van dit document is niet bekend wanneer de werkzaamheden uitgevoerd worden.

rps.nl Ref.: NL202003918.006-R20-942 | 23 november 2020 Pagina 6 van 13

3

METHODE

Om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden is nader onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van vleermuizen en de functie van het plangebied. De inventarisatie is uitgevoerd volgens het Vleermuisprotocol 2017. Dit protocol is het resultaat van een evaluatie van het Vleermuisprotocol 2013 door deskundigen van Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. In de laatste versie van het protocol zijn de meest recente ecologische inzichten verwerkt. Werken volgens dit protocol geeft een grote mate van zekerheid dat het onderzoek van voldoende kwaliteit is om een eventuele ontheffingsaanvraag te onderbouwen. Deze manier van onderzoeken betreft een steekproef gebaseerd op momentopnames. Daarom kan niet uitgesloten worden dat soorten en/of functies niet waargenomen zijn tijdens de inventarisaties of soorten op een ander tijdstip wel aanwezig zijn in en rondom het plangebied. Deze manier van onderzoek doen is aanvaardbaar in termen van de Wet natuurbescherming, omdat de methode en inspanning voldoende invulling geven aan de zorgplicht (artikel 1.11). De initiatiefnemer heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.

3.1

Opzet en uitvoering

Onderzoek is uitgevoerd tijdens het kraam- en paarseizoen van vleermuizen. Het plangebied is in vijf rondes onderzocht door één vleermuisdeskundige (zie tabel 3.1). Op grond van ligging en aard van het plangebied is het noodzakelijk onderzoek te doen in de volgende perioden: • Kraamperiode: 15 mei – juli: vaststellen aanwezigheid kraam- en zomerverblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. • Paarperiode: augustus – september: vaststellen paarverblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Gedurende zowel de kraamperiode als de paarperiode zijn de locaties door één persoon geïnventariseerd op aanwezigheid van vleermuizen met behulp van een batdetector (type: Anabat Walkabout) en warmtebeeldcamera. Het plangebied is gedurende de kraamperiode tweemaal ’s avonds en eenmaal ’s ochtends geïnventariseerd. Tussen deze bezoeken is een tussenperiode van 10 – 30 dagen gehanteerd. Tijdens de paarperiode is het plangebied tweemaal ’s avonds, ruim na zonsondergang, geïnventariseerd. Tussen deze bezoeken is een tussenperiode van 10 – 20 dagen gehanteerd. Met deze onderzoeksinspanning kan een voldoende duidelijk beeld worden verkregen van de aanwezigheid van vleermuizen. De onderzoekrondes zijn alleen uitgevoerd wanneer het weer daartoe voldoende geschikt is (voldoende hoge temperatuur, geen neerslag en/of harde wind).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=4d190719-eea3-432e-8958-3dff8b19567d