CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

3.Raad (besluitvormend) 14 november 2024, gemeente aalsmeer17.621 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Deze vorm houdt in dat inwoners van de gemeente of lokale maatschappelijke partijen de gemeente kunnen verzoeken om de feitelijke uitvoering van een taak van de gemeente over te nemen als zij denken deze taak beter en goedkoper te kunnen uitvoeren. Samenwerkingsrecht Onder uitdaagrecht wordt ook het zogenaamde samenwerkingsrecht begrepen, want er is geen werkelijk onderscheid tussen deze twee begrippen. Ruimte voor initiatieven van inwoners en lokale maatschappelijke partijen Het is van wezenlijk belang dat decentrale overheden ruimte bieden voor initiatieven van onderop en dat aan de samenleving een grote rol wordt toebedeeld bij het ontwikkelen van initiatieven voor algemene voorzieningen. Inwoners kennen hun buurt en hun gemeente, weten wat er leeft en spelen daarop in. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met het gegeven dat de primaire verantwoordelijkheid voor de uitvoering van gemeentelijke taken bij het gemeentebestuur zelf berust. Een maatschappelijk initiatief is een voorstel of idee van een groep bewoners van een wijk om bijvoorbeeld de sociale samenhang in de buurt te versterken of om een stukje openbaar groen te verfraaien of te onderhouden. Vaak wordt daarvoor een budget beschikbaar gesteld waarmee de bewoners zelf hun idee kunnen uitvoeren.

Taken burgemeester en wethouders Bij het overnemen van gemeentelijke taken, na een succesvolle ‘uitdaging’, gaat het in de regel om de feitelijke uitvoering van een taak van burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders – als de verantwoordelijken voor de uitvoering van de betreffende taak of taken – beslissen naar aanleiding van een verzoek of ‘uitdaging’ of de feitelijke uitvoering van die taak of taken aan inwoners of de lokale maatschappelijke partij kan worden gelaten.

Nota van Toelichting bij Participatieverordening Aalsmeer 2024

Pagina

3 van 6

Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader toegelicht. Artikel 1.1 Definities Beleidsvoornemen Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd. Maatschappelijk initiatief Bij het maatschappelijk initiatief is er sprake van een voorstel of idee van een groep bewoners van een wijk om bijvoorbeeld de sociale samenhang in de buurt te versterken of om een stukje openbaar groen te verfraaien of te onderhouden. Vaak wordt daarvoor een budget beschikbaar gesteld waarmee de bewoners zelf hun idee kunnen uitvoeren. Het maatschappelijk initiatief staat ook bekend als bewonersinitiatief. Echter omdat deze term zeer vergelijkbaar is met burgerinitiatief en daardoor voor verwarring kan zorgen kiezen we in de verordening voor de term maatschappelijk initiatief. Participatie Bij de omschrijving van participatie is aangesloten bij de tekst van het ontwerpwetsvoorstel Wet versterking participatie op decentraal niveau waarbij een wijziging van artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet is voorzien.

Hierin is bepaald dat de raad een verordening vaststelt waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid worden betrokken. Het huidige artikel 150 van de Gemeentewet omvat inspraak bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid; bij participatie wordt dit uitgebreid met uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid. De omschrijving van participatiegerechtigden (ingezetenen en belanghebbenden) vloeit rechtstreeks voort uit de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Het begrip belanghebbende is in artikel 1:2 van de Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb, zoals deze verordening. Uitdaagrecht Bij de omschrijving van het begrip uitdaagrecht is aangesloten bij de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wet versterking participatie op decentraal niveau. Het uitdaagrecht berust bij ingezetenen en lokale maatschappelijke partijen.

In de begripsomschrijving is ‘lokale’ ter verduidelijking van de tekst van het ontwerpwetsvoorstel toegevoegd in aansluiting op de memorie van toelichting, waarin is toegelicht dat afhankelijk van de lokale omstandigheden het bijvoorbeeld kan gaan om lokale verenigingen of stichtingen, buurtcomités, woongroepen, vrijwilligersorganisaties, een maatschappelijke organisatie, sociale bedrijven zonder winstoogmerk of een georganiseerd collectief van inwoners die geen formele rechtsvorm hebben. Hoofdstuk 2 Artikel 2.1 Onderwerp en reikwijdte van participatie Eerste lid In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluit of participatie mogelijk is. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1.1 onder c van deze verordening en in artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Het begrip omvat in elk geval raad en college. Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen beleidsvoornemens aan participatie onderwerpen, of niet. Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als participatie geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij beeldvormende commissie vergaderingen van de raad, blijft door de formulering van het eerste lid de mogelijkheid bestaan dat voor

Nota van Toelichting bij Participatieverordening Aalsmeer 2024

Pagina

4 van 6

bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze van het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden wordt geregeld.

Artikel 2.2 Procedure participatie Eerste lid In artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet is bepaald dat inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, voor zover in de verordening niet anders is bepaald. Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaard op de participatie. In de artikelen 3:11 tot en met 3:17 van de Awb is de participatieprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. Tweede lid Als het bestuursorgaan de procedure van afdeling 3.4 van de Awb niet passend acht voor een specifiek beleidstraject, kan op grond van het tweede lid een andere procedure worden gevolgd. Zevende lid Binnen de bevoegdheid van de raad zijn meerdere mogelijkheden waarin de raad participatie zelf initieert.

Artikel 2.4 Eindverslag participatie Eerste lid Er is hier niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 van de Awb. In artikel 3:17 van de Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een verslag wordt opgemaakt van hetgeen tijdens de procedure mondeling naar voren is gebracht. Tweede lid , onder a Het bedoelde overzicht dient in ieder geval informatie te bevatten inzake het feitelijk verloop van de procedure, de toepassing van afdeling 3.4 van de Awb en de datum van terinzagelegging van het betreffende beleidsvoornemen. Tweede lid, onder b Het eindverslag dient een volledig overzicht te bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke participatiereacties. In het eindverslag kan worden volstaan met een korte, zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht. De schriftelijke participatiereacties kunnen aan het eindverslag worden gehecht. Tweede lid, onder c Als het sluitstuk van de participatie wordt voorgeschreven dat het bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan. Derde lid De bekendmaking van de resultaten van de participatieprocedure is uitermate belangrijk. Dit rondt de participatieprocedure daadwerkelijk af. Het ligt voor de hand om degenen die hebben geparticipeerd een exemplaar van het eindverslag te sturen.

Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden gepubliceerd in de krant en op de gemeentelijke website. Als het aantal participanten omvangrijk is, kan worden gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Het is belangrijk om aan het begin van de participatieprocedure al duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen. Hoofdstuk 3 Artikel 3.1 Onderwerp van uitdaagrecht

Nota van Toelichting bij Participatieverordening Aalsmeer 2024

Pagina

5 van 6

Eerste lid In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen taken besluit of het uitdaagrecht mogelijk is. Het zal hier meestal gaan om taken van burgemeester en wethouders als in de regel het verantwoordelijke bestuursorgaan voor de uitvoering van gemeentelijke taken (artikel 160, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet). Derde lid In het derde lid is opgenomen voor welke taken het niet mogelijk is om de uitvoering van het gemeentebestuur over te nemen. Er kan ten aanzien van deze taken dus geen uitdaagrecht worden toegepast. Derde lid, onder a Onder lopende uitvoeringstrajecten vallen ook taken die al zijn aanbesteed of gecontracteerd. Derde lid, onder e Als de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde uitkomt, geldt dat in die gevallen aanbesteding is vereist. Artikel 3.2 Procedure uitdaagrecht Eerste lid Het in het eerste lid genoemde bestuursorgaan betreft het bestuursorgaan dat de betreffende taken uitvoert. Meestal zijn dat burgemeester en wethouders en een verzoek om overname van hun taken dient dus bij hen te worden ingediend. Vierde lid De gemeente zorgt voor een vaste contactpersoon die de verzoekers gedurende het gehele uitdaagproces begeleidt. Hoofdstuk 4 Maatschappelijk initiatief Artikel 4.1 Indiening maatschappelijk initiatief Eerste lid Maatschappelijke initiatieven kunnen op diverse wijzen worden ingediend bij het college.

Dit staat beschreven op de website van de gemeente. Artikel 4.2 Verlening ondersteuning Eerste t/m vierde lid De initiatievenmakelaar begeleidt de indieners van maatschappelijke initiatieven; deze geeft informatie over mogelijkheden tot bijvoorbeeld subsidieaanvragen, verwijst naar andere inhoudelijke vakcollega’s en andere vormen van ondersteuning. Artikel 4.3 Weigering ondersteuning De beperkingen die dit artikel stelt aan de inhoud van een maatschappelijk initiatief vloeien vooral voort uit doelmatigheidsoverwegingen. Het is bijvoorbeeld weinig efficiënt om het college te belasten met de beraadslaging over een onderwerp waarover deze geen beslissende bevoegdheid heeft of die in strijd is met het algemeen belang. Een vraag of klacht over gemeentelijk beleid kan ook geen onderwerp van een maatschappelijk initiatief zijn. Ook moet voorkomen worden dat een maatschappelijk initiatief andere procedures zoals de bezwaar- of de klachtprocedure doorkruist. Met het oog hierop kan worden bepaald dat het initiatief geen bezwaar tegen een genomen besluit of een klacht over een gedraging van het college kan inhouden. Nota van Toelichting bij Participatieverordening Aalsmeer 2024

Pagina

6 van 6

Hoofdstuk 5 Artikel 5.1. Evaluatie en monitoring Eerste lid De evaluatie van de werking van deze verordening in de praktijk is wenselijk. Daarom wordt de uitvoering van deze verordening eenmaal per jaar geëvalueerd. Er wordt een participatie verslag aan de raad verzonden. Tweede lid Over de in het tweede lid genoemde gegevens verzamelen burgemeester en wethouders systematisch informatie. Artikel 5.2 Inwerkingtreding verordening Met deze bepaling wordt de bestaande Participatie- en inspraakverordening gemeente Aalsmeer 2010 ingetrokken. Er wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude verordeningen vervalt, is de datum waarop de Participatie Verordening participatie Aalsmeer 2024 in werking treedt (met uitzondering van het in artikel 6.3 beschreven overgangsrecht).

Nota van Toelichting bij Participatieverordening Aalsmeer 2024

Tekst van de regeling Registratienr. 2010/2071-BO De raad van de gemeente Aalsmeer; gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders met registratienummer 2010/2062; overwegende dat: het gemeentebestuur van Aalsmeer streeft naar een verbetering van de inbreng van burgers, organisaties en bedrijfsleven in de politieke besluitvorming; een open houding en mentaliteit van bestuur en werkorganisatie en het actief informeren van de samenleving noodzakelijke en zeer belangrijke, voorwaarden zijn en er bij het bestuur en de werkorganisatie voldoende draagvlak voor de inbreng van burgers moet bestaan; de participatie van burgers daarbij hoge prioriteit krijgt en het gemeentebestuur het belangrijk vindt zo veel als mogelijk burgers bij hun eigen bestuur (beleidsvorming) te betrekken; gelet op artikel 150 van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding en uitvoering van gemeentelijk beleid worden betrokken (Algemene inspraaken participatieverordening Aalsmeer 2010). Artikel 1 begripsomschrijvingen De verordening verstaat onder a. inspraak: het ten aanzien van gemeentelijke beleidsvoornemens kenbaar maken van een zienswijze en daarover zo mogelijk van gedachten te wisselen met het betreffende bestuursorgaan; b.

participatie; het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding of uitvoering van gemeentelijk beleid; c. procedure: de wijze waarop de inspraak of participatie gestalte wordt gegeven. d. beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid; e. randvoorwaarden: aan de inspraak of participatie ten grondslag liggende feiten, waarop het bestuursorgaan geen invloed heeft, dan wel door het college van Burgemeester en Wethouders van Aalsmeer aan inspraak of participatie meegegeven kaders; f. college: het college van Burgemeester en Wethouders van Aalsmeer; g. bestuursorgaan: zoals gedefinieerd in artikel 1:1, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Het omvat de gemeenteraad, het college en de Burgemeester.

Artificel 2 onderwerp van inspraak of participatie Het college is bevoegd te besluiten of participatie of inspraak of geen van beide wordt verleend bij de voorbereiding of uitvoering van beleid van de gemeente. 2. Inspraak of participatie wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht. 3. Geen inspraak of participatie wordt verleend: o a. ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; o b. indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; o c. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; o d. inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; o e. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; o f. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving; o g. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van handhaving van de openbare orde en veiligheid. 1.

Artikel 3 inspraak- of participatiegerechtigden 1. Inspraak of participatie wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden. 2. Het college stelt vast aan welke kring van ingezetenen en belanghebbenden inspraak of participatie wordt verleend met inachtneming van hetgeen hierover bij wet, provinciale of gemeentelijke verordening is voorgeschreven. Artikel 4 procedure inspraak 1. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. 2. Het college kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure vaststellen. Artikel 5 eindverslag inspraak 1. Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag op. 2. Het eindverslag bevat in elk geval; a. een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure; b. een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;

c. een reactie op de deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt overgegaan. 3. Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar. 4. De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn burgerjaarverslag. Artikel 6 procedure participatie • • •

•

•

•

1. Het college stelt voor elk onderwerp waarop participatie wordt verleend een procedure vast. Het college maakt daarbij, indien gewenst, een keuze uit de participatietreden informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren of meebeslissen. 2. De participatieprocedure bevat in elk geval: o a.het onderwerp van participatie, zoals bedoeld in artikel 2; o b.een aanduiding van de kring van belanghebbenden, zoals bedoeld in artikel 3; 3. In aanvulling op lid 2 bevat deze procedure voor zover mogelijk: o a. de toepasselijke participatietrede; o b. de randvoorwaarden, zoals bedoeld in artikel 1 onder e; o c. de wijze van vormgeving van het participatieproces; o d. een tijdpad met termijnstelling, waarbij rekening wordt gehouden met vakantieperiodes; o e. een communicatieplan; o f. een financiële paragraaf. 4. voor adviesraden, buurtpanels, klankbordgroepen en platforms kan de participatieprocedure, in overleg met hen, voor'(on)bepaalde tijd in een apart besluit of in een convenant worden vastgelegd; 5. Het college kan de procedure wijzigen in die gevallen waarin de vaststelling van het beleidsvoornemen zulks vereist Het college geeft hiervan overeenkomstig het gestelde in artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk kennis.

Artikel 7 voorbereiding participatie •

•

1. Het college informeert voorafgaand aan de participatie de kring van ingezetenen en belanghebbenden die participatiegerechtigd zijn hierover op geschikte wijze. Volstaan kan worden met vermelding van de zakelijke inhoud; 2. Het college draagt er zorg voor dat de kring van ingezetenen en belanghebbenden die participatiegerechtigd zijn voldoende tijd en informatie krijgt voor een goede voorbereiding.

Artikel 8 vastlegging participatie • •

1. Het college draagt zorg voor verslaglegging van door haar in het kader van participatie gehouden bijeenkomsten; 2. Deze verslagen worden aan alle aanwezigen bij de in lid 1 bedoelde bijeenkomsten toegezonden;

•

•

3. Een weergave van de opbrengst van participatie en de wijze waarop met die opbrengst is omgegaan maakt deel uit van het voorstel dat ter besluitvorming wordt aangeboden; 4. Na besluitvorming krijgen alle deelnemers tijdig het voorstel en besluit ter informatie zo mogelijk digitaal beschikbaar gesteld.

Artikel 9 inwerkingtreding en overgangsbepaling • • •

1. Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking. 2. Op deze dag vervalt de "Inspraakverordening Aalsmeer", registratienummer 2007/14472-VBG; 3. inspraakprocedures waarmee, vóór de inwerkingtreding van deze verordening een begin is gemaakt, worden afgehandeld overeenkomstig de "Inspraakverordening Aalsmeer”.

Artikel 10 citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene inspraak- en participatieverordening Aalsmeer 2010. Ondertekening Aldus besloten in de openbare vergadering van 1 april 2010 , voorzitter , griffier

Toelichting Algemene inspraak- en participatieverordening Aalsmeer 2010 Artikelgewijze toelichting Artikel 1 begripsomschrijvingen •

a. en b. Inspraak en participatie: Er zijn veel omschrijvingen mogelijk voor de wijze waarop belanghebbenden betrokken kunnen worden bij de totstandkoming van beleid: informatie, communicatie, inspraak, interactieve beleidsvorming etc. Omwille van eenduidigheid is gekozen voor de termen inspraak en participatie. Bij de in dit artikel opgenomen formulering van de begrippen inspraak en participatie is zoveel mogelijk aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak en participatie maken onderdeel uit van de voorbereiding en uitvoering van het beleid van de gemeente en hebben een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan ingezetenen en belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens en - uitvoering kenbaar te maken. Anderzijds biedt het bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding en -uitvoering noodzakelijke belangenafweging.

•

c. Procedure: De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over de wijze waarop burgers bij de voorbereiding of uitvoering van gemeentelijk beleid worden betrokken ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de raad.

•

d. Beleidsvoornemen: Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd.

•

e. Randvoorwaarden: Dit begrip is bedoeld om de ruimte voor inspraak of participatie af te bakenen, om bijvoorbeeld te voorkomen dat deze zich richt op onderdelen waarover het college geen beslissingsbevoegdheid heeft of waarover het bestuursorgaan reeds heeft besloten.

•

f en g. Deze behoeven geen nadere toelichting.

Artikel 2 onderwerp van inspraak of participatie In het eerste lid is bepaald dat het college beslist of inspraak en of participatie of geen van beide wordt verleend bij de voorbereiding of uitvoering van beleid van de gemeente. Deze

bevoegdheid wordt bij het college neergelegd. Hiermee wordt gevolg gegeven aan het advies van de werkgroep Bestuurlijke Vernieuwing om praktisch en doelmatig te opereren. Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als inspraak /participatie geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze van inspraak/participatie wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak of participatie te verlenen is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertegeh kan dus bezwaar worden gemaakt. In het tweede en derde lid is opgenomen wanneer wel of geen inspraak of participatie wordt verleend. Artikel 3 inspraak- of participatiegerechtigden De omschrijving van inspraak- of participatie gerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Het begrip 'belanghebbende' is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb. Artikel 3 legt de verantwoordelijkheid voor de keuze van bij inspraak of participatie te betrekken ingezetenen en belanghebbenden neer bij het college, afhankelijk van de wettelijke regelingen die van belang kunnen zijn.

Vanwege het open karakter van dit artikel vraagt dit in concrete gevallen om een bewuste afweging, rekening houdend met o.a. aard, schaal en reikwijdte van het onderwerp. Artikel 4 procedure inspraak In het eerste lid is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaard op de inspraak. In de artikelen 3:10 tot en met 3:17 Awb is de inspraakprocedure te vinden (zie bijlage). Na de terinzagelegging en de bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan op grond van het tweede lid de inspraakprocedure worden aangepast. Het is mogelijk een (of meer) standaardprocedure(s) te ontwikkelen die wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet. Het kan zijn dat bijvoorbeeld de genoemde termijn van zes weken door het college te lang wordt bevonden. Deze termijn kan op grond van het tweede lid door het college worden aangepast. Artikel 5 eindverslag inspraak In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb, waarin slechts wordt bepaald dat een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is gebracht.

Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage gelegd enz.?

Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In het verslag kan worden volstaan met een korte zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht. Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan. In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de gebruikelijke wijze, bij voorkeur digitaal, openbaar maakt. De bekendmaking van de resultaten van de inspraak is uitermate belangrijk. Het ligt voor de hand om degenen die hebben ingesproken bij voorkeur een exemplaar van het eindverslag digitaal beschikbaar te stellen. Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden gepubliceerd op de gemeentelijke website. Als het aantal insprekers omvangrijk is, kan worden gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Het is belangrijk om tijdens de inspraakavond al duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen. Artikel 6 procedure participatie Ondanks het open en flexibele karakter van participatie dient omwille van de duidelijkheid hiervoor ook een procedure te worden opgesteld.

Deze dient in ieder geval onderwerp en participatiegerechtigden aan te geven, en voor zover in de fase van gedachtevorming al mogelijk is de overige elementen, zoals bedoeld in lid 3. Het kan gewenst zijn om participatie aan een trede van de participatieladder op te hangen. Dit is niet altijd het geval. De participatietreden maken deel uit van de participatieladder, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de mate waarin deelnemende partijen ruimte hebben om eigen visies en ideeën in te brengen en de mate van invloed die ze hebben op de beleidsvorming. D trede 1 = informeren: hier is geen sprake van ruimte of invloed. De gemeente geeft informatie of voorlichting over beleid, maar betrekt burgers niet bij de beleidsvorming. D trede 2 = raadplegen: hier raadpleegt de gemeente burgers en instellingen over beleid en luistert naar wat zij hierover te zeggen hebben. De gemeente hoeft de ingebrachte suggesties en ideeën echter niet te gebruiken. D trede 3 = adviseren: hier vraagt de gemeente advies aan burgers en instellingen over beleid. De gemeente kan alleen goed gemotiveerd afwijken van een gegeven advies. D trede 4 = coproduceren: hier wordt, zonodig binnen taakstellende kaders, bij de beleidsvorming samengewerkt tussen gemeente en burgers of instellingen. D trede 5 = meebeslissen: waar burgers meebeslissen over beleid is sprake van de grootst mogelijke invloed.

De ruimte en invloed, die aan participanten geboden wordt, is in de eerste trede het kleinst en in trede 5 het grootst. Het is niet altijd mogelijk een duidelijke grens tussen de treden te leggen. Er zijn in feite twee uitersten, informeren en meebeslissen. Voor adviesraden, buurtpanels, klankbordgroepen en platforms kan de participatieprocedure, in overleg met hen, voor (on)bepaalde tijd wordt vastgelegd in een aparte verordening of in een convenant worden neergelegd. De verordening is kaderstellend voor deze participatieprocedure. Uit het vijfde lid volgt dat ook in geval van participatie het college de procedure, indien noodzakelijk, kan wijzigen. De participatiegerechtigden worden hierover geïnformeerd. Aan het eind van iedere participatieprocedure kan formele inspraak worden georganiseerd volgens de regeling van deze verordening. In spoedeisende gevallen kunnen inspraak en participatie tegelijkertijd plaatsvinden. Artikel 7 voorbereiding participatie In dit artikel zijn enkele richtlijnen ten aanzien van de voorbereiding opgenomen. In tegenstelling tot inspraak is voor participatie geen minimale voorbereidingstijd van zes weken opgenomen, teneinde de flexibiliteit van participatie niet te beperken. Afhankelijk van het onderwerp dient in concrete gevallen en bij voorkeur in overleg met belanghebbenden bepaald te worden wat voldoende voorbereidingstijd is.

Artikel 8 verslaglegging van participatie Deze richtlijnen zijn bedoeld ter bevordering van de duidelijkheid, herkenbaarheid en transparantie van de verwerking van de opbrengst van participatie. De artikelen 3:10 tot en met 3:17 van de Algemene wet bestuursrecht Afdeling 3.4 Uniforme openbare voorbereidingsprocedure Artikel 3:10 •

1. Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald;

•

2. Tenzij bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan anders is bepaald, is deze afdeling niet van toepassing op de voorbereiding van een besluit inhoudende de afwijzing van een aanvraag tot intrekking of wijziging van een besluit;

•

3. Afdeling 4.1.1 is mede van toepassing op andere besluiten dan beschikkingen, indien deze op aanvraag worden genomen en voorbereid overeenkomstig deze afdeling.

Artikel 3:11 •

1. Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage

•

2. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan;

•

3. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten verstrekt het bestuursorgaan afschrift van de ter inzage gelegde stukken;

•

4. De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn.

Artikel 3:12 •

1. Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.

•

2 Indien het een besluit van een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan betreft, wordt de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant geplaatst, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

•

3. In de kennisgeving wordt vermeld o

a. waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;

o

b. wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen;

o

c.

op welke wijze dit kan geschieden; o

d. indien toepassing is gegeven aan artikel 3:18, tweede lid: de termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.

Artikel 3:13 •

1. Indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, zendt het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

•

2. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:14 •

1. Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe relevante stukken en gegevens.

•

2. Artikel 3:11, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.

Artikel 3:15 •

1. Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

•

2. Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze naar voren te brengen 3. Indien het een besluit op aanvraag betreft, stelt het bestuursorgaan de aanvrager zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen.

•

4. Indien het een besluit tot wijziging of intrekking van een besluit betreft, stelt het bestuursorgaan degene tot wie het te wijzigen of in te trekken besluit is gericht zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen.

Artikel 3:16 •

1. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen van adviezen als bedoeld in afdeling 3.3, bedraagt zes weken, tenzij bij wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald.

•

2. De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.

•

3. Op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen zijn de artikelen 6:9 en 6:10 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:17 Van hetgeen overeenkomstig artikel 3:15 mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt. Participatiewijzer gemeente Aalsmeer Participatie is het deelnemen door burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven aan beleidsprocessen gericht op de publieke zaak bij de voorbereiding, bepaling, uitvoering en/of evaluatie van beleid. De onderwerpen die voor participatie in aanmerking komen zijn zeer gevarieerd, maar als vuistregel kan worden gezegd dat alle plannen, projecten die de gemeente Aalsmeer ontwikkelt en die direct van belang zijn voor de burger, voor participatie van de burger in aanmerking komen. In de regel komen de volgende concrete beleidsterreinen direct in aanmerking voor participatie: welzijn, onderwijs, openbare ruimte, stadsvernieuwing, milieu, Wmo en volksgezondheid. Voor een goede participatie is het van belang al in het begin van het beleidsproces na te denken over de vraag of het onderwerp geschikt is voor participatie. Denk daarbij ook aan het betrekken van de diverse adviesraden en aan met name jongeren bijvoorbeeld via de middelbare scholen. Onderstaande punten maken duidelijk of een onderwerp zich wel of niet leent voor participatie. Wel participatie In de volgende situaties kies je voor een interactief proces: •

1.

Er zijn grote belangen van burgers mee gemoeid en het is een politiek en maatschappelijk gevoelig onderwerp. Zorgvuldigheid is voor het proces belangrijker dan snelheid. •

2. Het gaat om een ingewikkeld onderwerp dat geleidelijk ontrafeld moet worden. We hebben onvoldoende inzicht in de problematiek en/of oplossingsmogelijkheden en hebben de burgers nodig om tot beter inzicht te komen.

•

3. We moeten ingrijpen in de directe leefomgeving van burgers. Bij de keuze welke maatregelen het beste zijn, betrekken we de betrokken bewoners.

•

4. We hebben partners nodig om het beleid tot een succes te maken, zowel organisaties als burgers of vooral organisaties. Dan is het verstandig om samen met de partners het beleid voor te bereiden (zorgen voor draagvlak).

•

5. Er is een goede kans dat burgers de kwaliteit van de beleidsvoorstellen beter kunnen maken, bijvoorbeeld omdat ze meer creativiteit kunnen aanboren.

•

6. Bestuurders willen graag in contact treden met de burgers, zijn bereid daar tijd in te investeren en het onderwerp leent zich daar goed voor.

Wel een interactief proces volgen, betekent: burgers en organisaties betrekken bij de beleidsvoorbereiding. Dat hoeft niet altijd heel uitgebreid, er zijn ook simpele vormen van interactie en situaties die zich daarvoor lenen. Geen participatie In de volgende situaties kies je niet voor participatie: •

1. De kaders zijn zo beperkend dat er geen werkelijke ruimte is voor de inbreng en invloed van burgerparticipanten.

•

2. Het probleem is helder en de oplossing ligt voor de hand: gewoon daadkrachtig besturen.

•

3.

Er is niet voldoende tijd en geld om een interactief proces op een zorgvuldige manier te doen. De nadelen van uitstel van het beleid zijn groter dan de nadelen van het niet betrekken van de burgers bij de voorbereiding (onder andere voldoende tijd en geld). •

4. De beleidskeuzes zijn in feite al gemaakt, het besluit is voorspelbaar. Er zijn echter vaak nog onderdelen waarbij je burgers wel invloed kunt geven bij de voorbereiding.

•

5. Het gaat niet lukken om het onderwerp transparant en open te bespreken. Er is geen ruimte voor professionele en/of onafhankelijke procesbegeleiding terwijl de situatie daar wel om vraagt.

Indien van toepassing wordt bij punt 3 en 5 het college geïnformeerd. Geen interactief proces volgen, betekent: eerst het beleidsvoorstel of beleidsplan uitwerken en daarna vrijgeven voor inspraak. Dat betekent niet dat burgers dan pas geconfronteerd worden met de plannen. Het blijft belangrijk om tussentijds te communiceren. Houd burgers op de hoogte van de voortgang, nadat je vooraf hebt duidelijk gemaakt wat het proces zal zijn. Zeker als daarmee de problemen scherper in beeld komen. Kom je er met bovenstaande punten niet uit dan kun je ter verduidelijking nog de volgende vragen stellen: 1. Raakt het onderwerp voldoende aan de belevingswereld van burgers? Als belanghebbenden het onderwerp niet hip of interessant genoeg vinden om erover mee te praten en mee te denken, is het beter ze niet om een mening te vragen en de normale democratische route te volgen. 2. Levert het eindresultaat van het participatieproces een voor de burger merkbaar effect op? Als het te maken plan of beleid niet of nauwelijks van invloed zal zijn op de beleving, woonomstandigheden en het leven van de burgers, dan heeft het weinig zin om ze mee te laten praten. Participatie moet wat opleveren, het moet waard zijn om je ervoor in te zetten. 3.

Is het onderwerp begrijpelijk (te maken) voor burgers? Onderwerpen waar veel achtergrondkennis of een technische achtergrond voor nodig is, zijn niet geschikt voor participatie. 4. Is er de verwachting dat burgerparticipatie tot een hogere kwaliteit, draagvlak, bondgenootschap en een versterkt imago zal leiden? Concreet betekent dit dat er zicht moet zijn op een plan of besluit aan het eind van het proces, dat beter aansluit bij de wensen van de inwoners en de gemeente dan wanneer er geen participatieproces wordt gehouden.

5. Roept het onderwerp klachten en bezwaarschriften op? Dan is het bij uitstek geschikt om een participatieproces mee door te lopen. 6. Hoe vaak is deze groep burgers al met participatie geconfronteerd? Wanneer te vaak dezelfde groep burgers wordt gevraagd te participeren, dreigt participatiemoeheid. Participatieprocessen die de hele gemeente aangaan, zouden in de regel niet vaker dan 1, maximaal 2 keer per jaar voor mogen komen. In wijken is het afhankelijk van het onderwerp of participatiemoeheid een obstakel kan zijn 7. Is er voldoende capaciteit en budget om het proces op een adequate manier in te vullen? Zo nee, niet doen. 8. Is er voldoende tijd voor participatie? Sommige projecten zijn onderworpen aan een grote tijdsdruk, opgelegd door rijk, provincie of andere partijen. 9. Kunnen de verwachtingen die bij aanvang van het proces worden gewekt wel waargemaakt worden? Zo nee, niet doen. Het is overigens niet zo dat alle vragen met ja beantwoord hoeven te worden. De keuze voor participatie is ook een politieke afweging. Participatieladder Bij interactief werken is het belangrijk om te bepalen hoeveel invloed de gemeente de participanten van het interactieve proces wil geven. Hiervoor is de participatieladder een geschikt instrument. In deze participatieladder is een aantal participatievarianten opgenomen. Hoe hoger op de ladder, des te groter de invloed.

Bij de treden 3 t/m 5 is sprake van interactieve beleidsvorming. •

1. Informeren: op deze trede stelt de gemeente de inwoner op de hoogte van haar plannen.

• •

Men kan vragen stellen, maar de gemeente vraagt niet om een mening. Bij alle hogere treden is dit wel het geval. 2. Raadplegen: op deze trede wil de gemeente graag de mening horen van de Aalsmeerders.

• •

Wat leeft er, zijn er nieuwe ideeën? De gemeente is niet verplicht de ideeën over te nemen of de plannen aan te passen, maar houdt er wel zoveel mogelijk rekening mee. 3. Adviseren: bij de derde trede krijgen de inwoners alle gelegenheid om problemen en oplossingen aan te dragen. Hun mening speelt een volwaardige rol bij de ontwikkeling van beleid. College en raad moeten goede argumenten hebben om hun adviezen niet op te volgen.

•

4. Coproduceren: bepaalde op de eerste drie treden de politiek de inhoud, hier hebben alle betrokkenen samen de touwtjes in handen. De partijen zoeken samen met de gemeente naar oplossingen. Het college houdt zich aan deze oplossingen. De gemeenteraad neemt de uiteindelijke beslissing.

•

5. Meebeslissen: op deze trede is de invloed van betrokkenen het grootst. De gemeente laat het maken van keuzes - binnen de gestelde kaders - aan de betrokken partners (zoals bewonersorganisaties) over. De ambtenaren hebben een adviserende rol. College en raad doen deze besluitvorming niet nog eens over.

Het is niet gewenst om een vaste procedure voor inspraak/ interactief werken door het gemeentebestuur op te zetten. Er moet per situatie, per voornemen of per project kunnen worden bepaald of men (op onderdelen) interactief wil werken. Er moet maatwerk geleverd worden. Wanneer interactieve beleidsontwikkeling wordt toegepast en wanneer niet, is sterk afhankelijk van de aard en omvang van het beleidsvoornemen. In onderstaande tabel zijn de vijf treden van de participatieladder aangegeven en daaraan gekoppeld per trede de in te zetten communicatie-instrumenten. participatieladder.rtf (versie geldig sinds: 26-08-2010; RTF-bestand; grootte: 1.42 MB)

Aan de voorzitter van de gemeenteraad.

Recent zijn inwoners wederom opgeschrikt door een verkeersongeluk op een van de rotondes van de Burgemeester Kasteleinweg. Telkens weer roepen dergelijke incidenten gevoelens op van schrik, boosheid en verontwaardiging en wordt de vraag publiekelijk gesteld wanneer de gemeente eindelijk iets gaat doen aan deze onveilige situaties. Met begrip voor de complexiteit van de verkeersstromen en wellicht wijzen de cijfers uit dat het relatief wel meevalt met de incidentie maar dit laat onverlet dat de gemeente, in casu het college, zich gedwongen zou moeten voelen om ook tussentijds naar de inwoners een toelichting te geven over de stand van zaken. Wat is die stand van zaken? Wat zijn de plannen? En op welke wijze vindt monitoring plaats? Om deze reden wordt op grond van art. 38a van het Reglement van Orde verzocht een ingelast debat te houden om een gedachtewisseling aan te gaan met het college over dit maatschappelijk actuele onderwerp.

Namens Absoluut Aalsmeer Werner Koster Danielle Prent Bouten

Signed By: Oude Kotte, G.E. (Gido) <gido.oudekotte@aalsmeer.nl 12/11/2024 20:24:36 CET ID: ac738385-7f55-42c9-ae9c-aa230d9d7cde Auth: Scribble

Signed By: Vellenga, Sj. (Sjoerd) <sjoerd.vellenga@aalsmeer.nl> 12/11/2024 20:20:55 CET ID: ac738385-7f55-42c9-ae9c-aa230d9d7cde Auth: Scribble

Registratienr. Aan Afkomstig van Datum Afschrift aan

Betreft

leden raad Burgemeester en wethouders 12 november 2024 college, griffie, voorlichting

Beantwoording schriftelijke vraag fractie FlorAalsmeer inzake veiligheid rotondes

Op 25 oktober 2024 heeft de fractie FlorAalsmeer ons, op grond van artikel 39 Reglement van orde voor de raad van Aalsmeer 2022, een schriftelijke vraag gesteld over de veiligheid op de rotondes. In deze brief gaan wij in op de door u gestelde vraag (cursief) met daaronder onze beantwoording. Vandaag werden wij wederom geconfronteerd met een ongeluk op de Burgemeester Kasteleinweg ter hoogte van de rotonde bij de Dorpsstraat. Dit is het zoveelste ongeluk bij een van de rotondes en wat ons betreft een te veel. Eventuele aanpassingen aan de rotondes kunnen wij pas verwachten na het vaststellen van het verkeerscirculatieplan (VCP). Onze fractie vindt dit te lang duren, de verkeersveiligheid van onze inwoners is hiervoor te belangrijk. Wat kan en gaat het college op korte termijn aan de gevaarlijke situaties doen los van het VCP, en kan dit onderdeel hieruit getild worden om te voorkomen dat er nog meer ongelukken met wellicht ernstigere afloop te voorkomen? Het college maakt onderscheid tussen het verkeerscirculatieplan en de nazorg voor de Burgemeester Kasteleinweg. Dit zijn momenteel al twee verschillende projecten. Na oplevering van een herinrichting wordt altijd onderzocht of, en zo ja in welke mate, er nog aanpassingen nodig zouden zijn om datgene wat is opgeleverd zo optimaal mogelijk te laten functioneren. Ook voor de rotondes aan de Burgemeester Kasteleinweg geldt dit.

Om een beter inzicht te krijgen in de huidige situatie wil het college graag een cameraonderzoek houden, om een gerichter beeld te krijgen van de verkeerssituaties op de rotondes. Per rotonde kan dan worden onderzocht of, en zo ja welke maatregelen er nodig zouden zijn om ongevallen zoveel als mogelijk te voorkomen. Een uitgebreide toelichting vind u tot slot in de raadsbrief van 7 november, die in zijn geheel gewijd is aan de ongevallen op de Burgemeester Kasteleinweg. Wij gaan er vanuit u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd, Burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer, de secretaris, de burgemeester, drs. Sj. Vellenga

mr. G.E. Oude Kotte

Dit document is elektronisch ondertekend. Zie de elektronische handtekening(en) rechtsboven op pagina 1.

[.docx] 101/F126/ICT

Uw contact S. Aarts T

(020) 540 42 05

F

(020) 540 45 59

info@aalsmeer.nl

AAN De leden van de gemeenteraad Aalsmeer

Postbus 253, 1430 AG Aalsmeer Vermeld bij reactie ons kenmerk en datum van deze brief

{{signer1}} 12/11/2024 20:24:45 CET

Signed By: Oude Kotte, G.E. (Gido) <gido.oudekotte@aalsmeer.nl ID: aba25cd2-873b-4121-a9d4-1a179e94570a Auth: Scribble

{{signer2}} 12/11/2024 20:20:27 CET

Signed By: Vellenga, Sj. (Sjoerd) <sjoerd.vellenga@aalsmeer.nl> ID: aba25cd2-873b-4121-a9d4-1a179e94570a Auth: Scribble

Datum

12 november 2024

{{signer3}}

{{signer4}} Betreft

Ongevallen rotondes Aalsmeer, Burgemeester Kasteleinweg

Geachte leden van de raad, Hierbij informeren wij u over de stand van zaken met betrekking tot de ongevallen op de rotondes van de Burgemeester Kasteleinweg te Aalsmeer. Inrichting van de rotondes In 2021 is de Burgemeester Kasteleinweg heringericht. Waar de weg vroeger dwars door Aalsmeer het dorp splitste, moest de nieuwe inrichting zorgen voor meer verbinding tussen de woonwijken. Bijna alle kruispunten werden ingericht als rotonde, uitgezonderd de kruising met de 1e en 2e Mensinglaan. Rotondes staan immers bekend als veilige kruispuntvorm, omdat de naderingssnelheid van gemotoriseerd verkeer laag is, verkeer op een rotonde altijd voorrang heeft en het verkeer kan blijven doorstromen omdat deze bijvoorbeeld niet hoeft te wachten voor een rood verkeerslicht (bron: SWOV, factsheet rotondes en andere kruispunten, juni 2022, zie bijlage 1). Bussen kregen hun route recht over de rotonde heen, zodat er zo min mogelijk sprake zou zijn van reistijdverliesuren voor R-netreizigers. Bij de rotonde Dorpsstraat hoefden deze bussen bovendien niet te wachten: zij kregen automatisch wit licht als zij aan kwamen rijden.

Monitoring 2022 In 2022 bleek echter dat er sprake was van een ongewenste situatie: auto’s reden soms over de busbaan en op de Witteweg werd de bocht in de Witteweg voor verkeer wat van de Mensinglaan via de Witteweg naar de rotonde van de Zwarteweg wilde, afgesneden doordat gemotoriseerd verkeer soms gebruik maakte van het fietspad. Daarnaast is een bus dwars over de rotonde heen geen standaardinrichting van een rotonde. Het externe onderzoeksbureau DTV-consultants werd ingehuurd om met behulp van camera’s te monitoren hoe het verkeer zich gedroeg op de nieuwe rotondes. De rotondes van de Dorpsstraat, de Oosteinderweg en de Zwarteweg zijn hierbij geanalyseerd met een situatiebeschrijving en een verkeersveiligheidsanalyse. Per rotonde volgden er aanbevelingen uit dit rapport, zoals steeds een keuze maken of er een één- of tweerichtingenfietspad gewenst was, aanpassen van de vorm van de rotondes op de Oosteinderweg en de Dorpsstraat, zodat deze meer snelheidsremmend zouden werken en de bus mee laten rijden met overige verkeer de rotondes op en de busbaan opheffen. Allen Gemeentehuis Raadhuisplein 1 1431 EH Aalsmeer T

(0297) 38 75 75

www.aalsmeer.nl IBAN NL28 BNGH 0285 0000 12 Reist u met het OV: plan uw reis op www.9292.nl

[]

Pagina 2 van 3

maatregelen die wellicht op de lange termijn te realiseren zouden zijn. Op de korte termijn kon eerder gedacht worden aan het verwijderen van begroeiing op de oostelijke tak van de rotondes, het aanpassen van markering en het steiler maken van plateaus bij de oversteekplaatsen met fietsers in tweerichtingen. De gemeente is niet de enige belanghebbende bij de rotondes. Ook de Provincie NoordHolland (eigenaar van de busbaan), de Vervoerregio Amsterdam en Connexxion zijn belanghebbenden. Na afloop van het DTV-rapport is daarom contact opgenomen met deze partners om te onderzoeken welke quickwins snel te realiseren zouden zijn. Eerste serie maatregelen Er werden verschillende zaken aangepast. De kans dat auto’s al dan niet foutief op de busbaan zouden belanden werd verkleind door de kleur van het asfalt anders uit te voeren en door belijning toe te voegen. Groen op de oostelijke tak van de rotondes verwijderd, en op het fietspad van de Witteweg nabij de rotonde van de Zwarteweg werd een paaltje geplaatst zodat het voor gemotoriseerd verkeer infrastructureel onmogelijk werd gemaakt om over het fietspad te rijden. Ook de situatie waarbij de bus op de rotonde van de Dorpsstraat niet hoefde te wachten en altijd rechtdoor over de rotonde kwam rijden, werd een aantal maanden later veranderd.

In het voorjaar van 2023 volgde namelijk de nodige ongevallen met bussen, met een dieptepunt eind maart-begin april 2023, toen er drie ongevallen in tien dagen tijd plaatsvonden. Een eerste analyse leerde dat buschauffeurs vaak met hoge snelheden over de rotonde bij de Dorpsstraat reden, omdat zij wisten dat zij zowel in een rechte lijn door konden steken als automatisch wit licht kregen. Vanaf 1 juni 2023 bestaat daarom wachtstand rood op deze rotonde. Sinds deze datum moet een bus altijd eerst volledig tot stilstand komen voordat deze de rotonde op mag rijden. Momenteel kunnen wij voorzichtig stellen dat dit effect heeft gehad: het aantal aanrijdingen tussen een bus en een andere verkeersdeelnemer is sinds dit moment gedaald. Tweede serie maatregelen Ook na het voorjaar van 2023 waren er echter nog altijd op de gehele Burgemeester Kasteleinweg, ook op andere locaties zoals de rotonde op de Oosteinderweg-Van Cleeffkade ongevallen. Het aantal fietsers en e-bikes nam toe, evenals het aantal ongevallen met fietsers en e-bikes. In maart 2024 volgde, na opnieuw overleg met de partners, een volgende serie maatregelen die als belangrijkste doel had routering voor alle soorten verkeer te verduidelijken.

Zo kregen fietsers op bepaalde rotondes rechtdoorpijlen op het asfalt, werden fietsers vanaf de Aalsmeerderbrug gedwongen af te remmen wanneer zij rechtsaf de rotonde van de Dorpsstraat op wilden rijden, en werd het woord ‘LIJNBUS’ aangebracht op de rotonde bij de Ophelialaan, om er voor te zorgen dat motorvoertuigen niet onverhoopt op de busbaan zouden belanden. Zelfs een ‘derde fase maatregelen’ waarbij de bus met het overig verkeer mee gaat rijden op de rotondes en pas na de rotonde weer de eigen baan op gaat, is ondertussen met de partners besproken, en ligt als een van de volgende mogelijkheden achter de hand. Huidige situatie Momenteel is het nog te vroeg om harde uitspraken te kunnen doen over de vraag of deze tweede serie maatregelen al dan niet effect hebben gehad. Echter moeten we helaas wel concluderen dat we nog lang niet zijn waar we willen zijn. Ieder ongeval is er één te veel, en het recente ongeval van eind oktober ligt bij een ieder nog vers in het geheugen. Een tot op het cijfer nauwkeurig overzicht van hoeveel ongevallen er nu sinds de herinrichting hebben plaatsgevonden kan echter niet gegeven worden omdat niet alle ongevallen worden gemeld. Ook bijna-ongevallen komen niet in de data terug.

Het college wil daarom op korte termijn nóg gedetailleerder inzicht, en daarom gaan we opdracht geven voor een verkeersmonitoring op iedere rotonde apart door middel van camera’s, opnieuw uitgevoerd door DTV-consultants, zodat we een gerichter beeld kunnen vormen van de huidige

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=6c038a80-8154-4dd1-bea3-2f20cc2044d9