Agendabundel
Tekst van het document
3.4 Klimaatadaptatie 3.4.1 Toetsingskader Om Nederland te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering, is het nodig om verschillende soorten maatregelen te nemen, vanuit verschillende beleidsvelden. Klimaatadaptatie is een van de grote opgaven die overheden moeten aanpakken. De instrumenten van de Omgevingswet zijn hulpmiddelen om de opgave van klimaatadaptatie integraal met andere omgevingsopgaven aan te pakken. 3.4.2 Plangebied Wateroverlast voorkomen Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen geldt een waterbergingseis van 70 mm voor het te ontwikkelen gebied. Deze waterberging moet primair een plaats vinden in oppervlaktewater (minimaal 10% van het plangebied). De openbare ruimte en privaat terrein moeten zo zijn ontworpen en ingericht dat de resterende berging hier plaatsvindt en het water zonder schade kan worden vastgehouden, geborgen en afgevoerd. Dit moet worden aangetoond in het ontwerp. Hitte beperken ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
Bij nieuwbouwontwikkeling streeft de gemeente naar een zodanige inrichting van het gebied dat de gevoelstemperatuur binnen aanvaardbare normen blijft. Koele verblijfsplekken van minimaal 200 m2 zijn aanwezig op maximaal 300 m loopafstand om (de gevolgen van) hitte voor mens en natuur te beperken. Verblijfsplekken worden met minimaal 50% groen en 30% schaduw ingericht (bomen tellen voor beide). Daarbij is het van belang dat er rekening wordt gehouden met de bestaande Flora en Fauna en voor nieuwe beplanting keuzes worden gemaakt voor gebiedseigen Flora en Fauna Droogte <0000> Een gebied bij een nieuwbouwontwikkeling wordt neerslag bergend en afvoer vertragend ingericht. Zodanig dat bij droogte bomen, groen, (dak)tuinen of andere voorzieningen van water worden voorzien. Daarom wordt het principe van de verdringingsreeks gehanteerd: vasthouden, bergen en afvoeren. <0000> Maatregelen die schade door bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 30 jaar worden in het ontwerp opgenomen, zoals langdurige voorbelasting om restzetting te beperken. 3.4.3 Conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de wettelijke normen en vereisten, en aangesloten bij de gestelde duurzaamheidskaders. Zo wordt de woonark in ieder geval gasloos en als BENG gerealiseerd.
In het algemeen worden bewoners door de gemeente gestimuleerd en gefaciliteerd om een bijdrage te leveren aan klimaatadaptatie, zie Duurzaamheid | Gemeente Aalsmeer
3.5 Natuur 3.5.1 Toetsingskader Er moet ten allen tijde rekening gehouden worden met de flora en fauna om de natuur te beschermen. In artikel 5.1 van de Omgevingswet wordt geregeld dat er een omgevingsvergunning nodig is voor Natura 2000activiteiten en flora en faunaactiviteiten. Een Natura 2000activiteit is een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. Een flora en faunaactiviteit wordt omschreven als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Daarnaast bevat ook de provincie regels voor het beschermen van flora en fauna. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel en Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een 'flora en faunaactiviteit' is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten.
Gebiedsbescherming Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000gebied plaatsvinden, want een activiteit ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
buiten een Natura 2000gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels. Stikstofdepositie Veel Natura 2000gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot onevenredige toename van stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden. Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie. Zorgplicht Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt ten allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000gebieden zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een plek, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen.
Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier en plantensoorten te voorkomen 3.5.2 Plangebied Onderhavig initiatief ziet op de verplaatsing van een bestaande ligplaats van een woonark naar een bovengelegen perceel. De verplaatsing betreft enkele tientallen meters. Ten behoeve van de nieuwe ligplaats zal een afgraving plaatsvinden van circa 150 m2. Flora en faunaactiviteit De voorgenomen activiteit betreft een flora en faunaactiviteit, waardoor een quickscan flora en fauna is uitgevoerd om na te gaan of de ontwikkeling leidt tot significante negatieve gevolgen op beschermde flora en fauna. De rapportage van deze quickscan is opgenomen als Bijlage 2. Uit dit onderzoek blijkt het volgende. <0000>
<0000> <0000>
In verband met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken, verwijderen opgaand groen buiten broedseizoen). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Omgevingswet worden overtreden. Het voorkomen van en negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen en vogels met vaste rusten verblijfplaatsen wordt uitgesloten. Het voorkomen van overige beschermde soorten kan tevens worden uitgesloten. Door binnen en direct rond het plangebied geen waterplassen te laten ontstaan in de aanlegfase, kan vestiging van de rugstreeppad in de aanlegfase ook volledig worden uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden negatieve effecten op beschermde planten en diersoorten uitgesloten
Voor het verplaatsen van een woonark aan de Uiterweg 93 ws5 te Aalsmeer is geen vergunning flora en fauna activiteit vereist. De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor en gedurende de uitvoering dient hiermee rekening gehouden te worden. Stikstofdepositie Om te beoordelen wat de effecten op Natura 2000gebieden zijn, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied betreft "Botshol' en ligt op circa 11,5 kilometer afstand van het plangebied. Uit de berekeningen blijkt dat er door de gewenste ontwikkeling geen strijdigheden ontstaan met de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebied. Er vindt geen stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige Natura 2000gebieden. Het rapport, inclusief bijlagen, is opgenomen als bijlagen 3, 4, 5 en 6. 3.5.3 Conclusie Het aspect flora en fauna staat de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg.
3.6 Archeologie en cultureel erfgoed 3.6.1 Archeologie 3.6.1.1 Toetsingskader Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De Erfgoedwet is de opvolger van de vervallen Monumentenwet 1988 en andere regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De huidige juridische basis in de Nederlandse wetgeving wordt gevormd door de Erfgoedwet (hoofdstuk 5) en de Omgevingswet. De Omgevingswet en de Erfgoedwet zorgen samen voor een integrale bescherming van het cultureel erfgoed. De Erfgoedwet en Omgevingswet worden daarmee complementair aan elkaar. De onderdelen van de vervallen Monumentenwet 1988 die van toepassing zijn op de fysieke leefomgeving zijn naar de Omgevingswet overgeheveld. De Omgevingswet is van groot belang voor het cultureel erfgoed, omdat daarin een zorgvuldige omgang met het cultureel erfgoed en de fysieke leefomgeving is geborgd. De grondslag van de Omgevingswet is opgenomen in hoofdstuk 2 van de Omgevingswet. Voorts heeft de bescherming van (archeologische) monumenten, stads en dorpsgezichten en cultuurlandschappen een belangrijke plek gekregen in de Omgevingswet. De aanwijzing en bescherming van stads en dorpsgezichten is naar de Omgevingswet overgeheveld (artikel 2.34, lid 4 van de Ow). Het belang van de bescherming van stads en dorpsgezichten is en blijft hiermee geborgd.
Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl bevat instructieregels over cultureel erfgoed en werelderfgoed. Artikel 5.130 Bkl ziet op het behoud van cultureel erfgoed en 5.131 Bkl ziet op het behoud van werelderfgoed. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13). Archeologie gemeente Aalsmeer In sommige delen van Aalsmeer, is de kans op archeologische resten in de bodem klein, omdat de bodem in het verleden al is verstoord, bijvoorbeeld door inpoldering. In andere delen van Aalsmeer is de kans op archeologische waarden in de bodem juist groot. Bijvoorbeeld in de oude dorpskern en langs de dijken die al lang worden bewoond. Aalsmeer is daarom ingedeeld in archeologische verwachtingsgebieden. Deze archeologische verwachtingsgebieden zijn toegelicht in de ‘Beleidsnota Archeologie 2016’ en de ‘Beleidsnota Archeologiekaart’. ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
Uitsnede archeologiekaart met legenda Of een archeologisch onderzoek bij plannen is vereist is afhankelijk van de grootte en diepte van de bodemverstoring. Dit is bijvoorbeeld aangegeven in de legenda van de 'Beleidsnota Archeologiekaart'. Ter verduidelijking van de archeologiekaart: een archeologisch onderzoek is een vereiste bij plannen met bodemverstoring dieper dan 0,40 meter, tenzij de oppervlakte van (de bodemingreep ten behoeve van) het bouwwerk niet meer dan 50 m2 bedraagt. Ten tweede is een archeologisch onderzoek vereist bij plannen met bodemverstoring dieper dan 0,40 meter, tenzij de oppervlakte van (de bodemingreep ten behoeve van) het bouwwerk niet meer dan 500 m2 bedraagt. Ten derde is een archeologisch onderzoek vereist bij plannen met bodemverstoring dieper dan 0,40 meter, tenzij de oppervlakte van (de bodemingreep ten behoeve van) het bouwwerk niet meer dan 10.000 m2 bedraagt. Daarnaast zijn er nog twee categorieën waarin bij alle bodemroering archeologisch onderzoek vereist is en tot slot kent het archeologiebeleid de categorie ‘archeologievrij’. 3.6.1.2 Plangebied De projectlocatie heeft een dubbelbestemming met betrekking tot archeologie, te weten 'Waarde – Archeologie 2'.
Voor bodemingrepen met een diepte van meer dan 0,40 meter én bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 50 m2 dient in het belang van de archeologische waarde een rapport te worden overlegd waarin wordt aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn, de archeologische waarden niet worden verstoord of dat de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate worden veiliggesteld. Aangezien met de voorgenomen ontwikkeling de hiervoor genoemde vrijstellingsgrenzen worden overschreden, is door Bureau voor Archeologie in juli 2024 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als Bijlage ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
7. Het plangebied ligt op ongeveer 100 m afstand van de Uiterweg. Het is daardoor onwaarschijnlijk dat het plangebied bebouwd/bewoond is geweest. Nagenoeg het hele plangebied is in de 17e of 18e eeuw afgegraven, waarna het een periode ter hoogte van open water lag. Ongeveer halverwege de 20e eeuw komt het plangebied door ophoging weer droog te liggen. Mogelijk heeft in het noordelijke plandeel kort een kas gestaan. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen archeologische waarden bekend, doordat de bodem verstoord en/of opgehoogd is. Er is lokaal een intact veenpakket aangetroffen. Aangezien de ingrepen tot 150 cm diep plaatsvinden, zal dit alleen invloed hebben op de reeds verstoorde grond. Er worden naar verwachting geen archeologische resten verstoord. 3.6.1.3 Conclusie Het omgevingsaspect archeologie vormt geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. 3.6.2 Cultureel erfgoed Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke en provinciale monumenten en archeologische monumenten. PLangebied Binnen het plangebied zijn geen monumenten.
3.7 Geluid 3.7.1 Toetsingskader De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt, voor spoor en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen, zijn grondslag in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Omgevingswet, met betrekking tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel de gezondheid en het milieu te beschermen tegen te veel geluid. Hiervoor zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw is volgens de begripsbepalingen in bijlage 1, Bkl, onder andere een (deel van een) gebouw met een woonfunctie. Ook ligplaatsen voor woonschepen en standplaatsen voor woonwagens zijn aangewezen als geluidgevoelig. Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid vanwege de betreffende bron hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De grootte van het gebied is afhankelijk van de bron. De standaardwaarde is in het algemeen een aanvaardbaar geluidniveau.
In het omgevingsplan kan op basis van het type gebied een hogere of lagere standaardwaarde worden vastgesteld. Het omgevingsplan voorziet in een aanvaardbaar geluidsniveau van verkeer en industrie op een geluidgevoelig gebouw. Standaardwaarden en grenswaarden
ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
Geluidwaarden worden uitgedrukt in standaardwaarden en grenswaarden. De standaardwaarde is een aanvaardbaar geluidniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Een standaardwaarde kan bij omgevingsplan hoger of lager worden vastgesteld. Zo kan bijvoorbeeld in het omgevingsplan de standaardwaarde voor een bedrijventerrein verhogen en in het buitengebied verlagen. Als aan de standaardwaarde wordt voldaan, is geen nadere afweging of besluitvorming nodig. Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Een overschrijding van de grenswaarde op een geluidgevoelig gebouw is alleen bij uitzondering en in de in het Bkl genoemde gevallen mogelijk. Gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid Het gecumuleerd geluid is het geluid door de geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld met een correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Het gezamenlijk geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Bij zowel het bepalen het gecumuleerd geluid en het gezamenlijk geluid moet in ieder geval het geluid afkomstig van (spoor)wegen, industrieterreinen, luchtvaartverkeer, windturbines en schietbanen worden betrokken.
3.7.2 Plangebied Een woonark wordt beschouwd als een geluidsgevoelig gebouw, waardoor nagegaan of de locatie is gelegen in een geluidsaandachtsgebied of geluidsproductieplafond. De locatie is gelegen binnen de geluidszone industrielawaai van Schiphol. Voorts ligt het plan binnen de geluidzone van wegverkeer, namelijk van de Uiterweg. Ten aanzien van onderhavig initiatief is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 8, om te bepalen wat het geluid op de nieuwe ligplaats, voor zover deze wordt veroorzaakt door het relevante wegverkeer en luchtvaartgeluid. Uit het onderzoek blijkt het volgende: <0000>
<0000> <0000>
Het geluid vanwege het wegverkeer op de gemeenteweg ‘Uiterweg’ op de kavelgrens van de locatie voor het plaatsen van het woonschip, is ruim lager dan de standaardwaarde. Dit betekent dat het geluid vanwege de gemeenteweg geen belemmering vormt voor het realiseren van de nieuwe ligplaats voor woonschepen. Het geluid vanwege het luchtvaartlawaai bedraagt maximaal 55 dB. Hiervoor geld op dit moment geen verdere toetsing. Het gecumuleerde geluid vanwege het verkeer en luchtvaartlawaai bedraagt maximaal 61 dB. Ter indicatie: dit is ruim lager dan de grenswaarde zoals deze geldt ten gevolge van alleen de gemeentewegen en lijkt dus aanvaardbaar. Het gezamenlijke geluid bedraagt 55 dB. De gemeente moet het gezamenlijke geluid vastleggen in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsactiviteit.
3.7.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
3.8 Luchtkwaliteit 3.8.1 Toetsingskader De gemeente moet bij het toelaten van activiteiten in het omgevingsplan in een aantal situaties toetsen aan omgevingswaarden voor lucht. De Omgevingswet bepaalt dat bij evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid, zo bepaalt artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet (Ow). Hierbij houdt de gemeente rekening met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (art. 2.1 en 2.4 Ow).
ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
In paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels die de gemeente bij het opstellen van een omgevingsplan moet hanteren om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit houdt in dat het toelaten van activiteiten leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder. De standaardgevallen niet in betekenende mate De standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit staan onder artikel 5.54 (Bkl). Voor woonfuncties geldt: Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: <0000> één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of <0000> twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; 3.8.2 Plangebied Het betreft het verplaatsen van een woonark. Daarnaast wijzigt de Recreatie Jachthaven 2 bestemming naar Tuin. Er wordt geen extra woning toegevoegd. Hierdoor zullen het aantal verkeersbewegingen binnen het plangebied gelijk blijven, en is er geen sprake van een toename in verkeer. Gesteld kan worden dat het aantal extra voertuigbewegingen door onderhavig initiatief staat op 0 extra voertuigen.
Vanuit het Bkl gelden omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2 ), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De waarden van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit
3.8.3 Conclusie Het project voldoet aan artikel 5.54 Bkl en draagt "niet in betekende mate" bij aan de lucht verontreiniging. Het project kan worden beschouwd als een NIBMproject. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor een goed woon en leefklimaat op de planlocatie.
3.9 Geurhinder 3.9.1 Toetsingskader De gemeente moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet). Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: <0000> bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
<0000>
bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven De gemeente moet dus overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Woningen kunnen ook zelf geurhinder veroorzaken. Bijvoorbeeld als gevolg van hobbymatige activiteiten. Of het stoken van hout in kachels en open haarden. De instructieregels in het Bkl, paragraaf 5.1.4.6, gelden niet voor woningen. De gemeente is dus niet verplicht om in het omgevingsplan regels te stellen aan woningen die de geurhinder in de leefomgeving beperken. Wel kan de gemeente ervoor kiezen hier regels aan te stellen. Het gaat hier niet om woningen met een bedrijf aan huis. Als de geurhinder afkomstig is van de bedrijfsmatige activiteit, dan gelden de instructieregels uit het Bkl wel. 3.9.2 Plangebied In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen te vinden die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op het woon en leefklimaat. Anderzijds worden er dus ook geen veehouderijen belemmerd door de verplaatsing van de ark.
3.9.3 Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘geurhinder’ geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
3.10 Omgevingsveiligheid 3.10.1 Toetsingskader Productie, opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen moet veilig worden uitgevoerd. Daarom zijn er regels en vergunningen die daartoe verplichten. Als er toch een ongeval plaatsvindt, moet de omgeving tegen de gevolgen van een brand, explosie of gifwolk beschermd zijn. Hier richt Omgevingsveiligheid zich op door een balans te vinden tussen economische activiteiten met gevaarlijke stoffen en de inrichting van de omgeving. Algemene regels van het Rijk op het gebied van externe veiligheid staan in: <0000> het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) als het gaat om regels voor burgers en bedrijven <0000> Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) als het gaat om regels voor overheden Bij omgevingsveiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen bij bedrijven met risicovolle milieubelastende activiteiten, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, water en spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens.
Een viertal begrippen is van belang: Plaatsgebonden risico (PR), Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen of activiteiten, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Voorschriftengebieden ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
In het omgevingsplan worden aandachtsgebieden als voorschriftengebieden aangewezen, waardoor (bouwtechnische) maatregelen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gaan gelden voor nieuwe gebouwen. Groepsrisico Binnen de aandachtsgebieden kunnen zich ongewone voorvallen met gevaarlijke stoffen voordoen, waarbij afhankelijk van de bevolkingsdichtheid in het gebied meer of minder slachtoffers kunnen vallen. Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal tien mensen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan en leiden gecombineerd met elkaar tot een voldoende (en afgewogen) beschermingsniveau per functie en locatie. 3.10.2 Plangebied Een woonark betreft een kwetsbaar gebouw, zodat getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent omgevingsveiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: Signaleringskaart EV) Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 106 contour. Activiteiten In de directe nabijheid van het plangebied vinden geen omgevingsveiligheidrelevante activiteiten plaats, zodat er geen sprake is van een belemmering. Er zijn in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen EVrelevante inrichtingen gevestigd, zodat er wat dat betreft geen sprake is van een belemmering. Wél ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de EVrelevante inrichting luchthaven Schiphol, te weten LIB5. In navolgende alinea wordt hierop ingegaan. Voorts is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI, waardoor de ontwikkeling geen gevaar vormt voor de omgeving. ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
Rekenschap LIB-5 Het plangebied is gelegen binnen de LIB5. Het LIB5gebied is een planologische afwegingsruimte die voortvloeit uit de inmiddels vervallen Nota Ruimte. De regels binnen deze zone zijn erop gericht om enerzijds voldoende ruimte te laten voor de ontwikkeling van de mainport Schiphol en anderzijds om (woningbouw)ontwikkelingen mogelijk te maken. Het uitgangspunt is dat er zo min mogelijk over dichtbebouwd stedelijk gebied wordt gevlogen. Gelet hierop moet terughoudendheid betracht worden wat betreft woningbouwmogelijkheden op plaatsen waar dat uit een oogpunt van geluid en externe veiligheidsrisico's minder wenselijk is. Met onderhavig initiatief wordt geen nieuwe woning mogelijk gemaakt. Enkel de verplaatsing van een bestaande woonark wordt gerealiseerd. De kans op een vliegtuigongeval binnen het plangebied is klein te noemen. Het plangebied ligt niet direct in het verlengde van de baan. In de omgeving zijn verder geen gevaarlijke of ontplofbare objecten aanwezig waardoor een vervolgschade (kettingreactie of dominoeffect) zou kunnen ontstaan. Het plangebied is via ontsluitingswegen bereikbaar voor de hulpdiensten en is binnen de wettelijke opkomsttijd aan te rijden door de hulpdiensten. Onderhavig initiatief behelst de verplaatsing van een woonark. De nieuwe standplaats zal worden uitgegraven.
Voor zover er gezinnen met kinderen in de woonark zullen wonen, wordt ervan uitgegaan dat de aanwezige ouders en begeleiders de kinderen zullen begeleiden in het geval van een noodsituatie. Er wordt uiteraard alles aan gedaan om het vliegverkeer zo veilig mogelijk te laten lopen. De (rijks)overheid stelt strenge eisen aan luchthavens, de verkeersleiding en luchtvaartmaatschappijen. De eisen zijn zowel ten aanzien van vliegtuigen (technische veiligheid), maar ook voor persoonlijke veiligheid. Er zijn regels voor bemanningen, voor mensen die op of in de buurt van de luchthaven werken en voor reizigers. De overheid controleert of de organisaties aan de gestelde eisen voldoen. 3.10.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid staat de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg.
3.11 Mobiliteit en parkeren 3.11.1 Toetsingskader Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming hebben we het over vervoer met de auto, het openbaar vervoer, de fiets, et cetera. Hiervoor zijn voorzieningen nodig, zoals wegen, fietspaden, openbaar vervoerverbindingen en parkeervoorzieningen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. Mobiliteit is verder een aspect dat in de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. De gemeente Aalsmeer heeft haar parkeernormen vastgelegd in de parkeernota ‘Nota Parkeernormen Aalsmeer 2016’. Deze nota is door de gemeenteraad van Aalsmeer vastgesteld op 22 september 2016. 3.11.2 Plangebied Verkeer Het aantal woningen zal niet toenemen met dit plan. Er blijft sprake van één woonark. De nieuwe woonark zal niet voor extra verkeer zorgen. Het plangebied wordt ontsloten via de naastgelegen Uiterweg. Onderhavig initiatief betreft de verplaatsing van een woonark. De nieuwe ligplaats bevindt zich enkele tientallen meters verderop. De ontsluiting zal plaatsvinden via dezelfde weg. Gezien er hier sprake is van enkel een
ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
verplaatsing, en geen toe of afname in wooneenheden, kan gesteld worden dat de huidige en toekomstige verkeersgeneratie gelijk blijft Parkeren auto Op basis van de Nota parkeernormen Aalsmeer 2016 kan inzicht worden verkregen in de nieuwe parkeersituatie. Voor een woning groter dan 140 m2 geldt een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woning. Voor de locatie geldt dan een parkeernorm van 3 parkeerplaatsen. Hierbij is rekening gehouden een woning. Ten behoeve van de woonark zullen op eigen terrein 3 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de Nota parkeernormen van de gemeente Aalsmeer.
Beoogde locatie parkeerplaatsen Fietsparkeren Op basis van de Nota parkeernormen Aalsmeer 2016 kan inzicht worden verkregen in de toekomstige fietsparkeersituatie. De Nota geeft voor rij en vrijstaande woningen een parkeernorm van 1 fietsparkeerplaats per kamer. De woonark heeft 2 aantal kamers. Hiermee komt de fietsparkeernorm voor onderhavig initiatief op 2 fietsparkeerplaatsen. Op het eigen terrein is voldoende ruimte voor de realisatie van deze fietsparkeerplaatsen.
ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
3.11.3 Conclusie Onderhavig planvoornemen kent geen belemmeringen met betrekking tot het aspect mobiliteit en parkeren.
3.12 Duurzaam bouwen en energie 3.12.1 Toetsingskader Aalsmeer zet in op duurzaamheid in brede zin: duurzame energie, circulaire economie én een kansrijke samenleving. Daarnaast heeft Nederland zich aangesloten bij het Klimaatakkoord in Parijs en heeft toegezegd dat onze energievoorziening in 2050 volledig duurzaam is. Aalsmeer streeft er in 2050 vrij te zijn van fossiele brandstoffen. Een toekomstbestendige economie is een circulaire economie, waarbij wordt ingezet op hergebruik van grondstoffen. De bouw biedt concrete kansen voor de circulaire economie. Er worden veel materialen gebruikt en de resultaten zijn tastbaar. Het is goed om in te zetten op: hergebruik van minerale grondstoffen; levensduurverlenging en hoogwaardig hergebruik. In Nederland maken we de overstap van fossiele naar duurzame energie, de zogeheten energietransitie. De energietransitie vraagt ruimte in de fysieke leefomgeving. Het gaat daarbij deels over fysieke ingrepen bovengronds, zoals de aanleg van windmolens, zonneparken of schakelstations. Maar de energietransitie heeft ook gevolgen voor de ondergrond. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van warmtenetten, geothermie of de ondergrondse opslag van warmte voor verwarming van gebouwen. 3.12.2 Plangebied Betreft het verplaatsen en vernieuwen van een woonark.
3.12.3 Conclusie De gemeente stimuleert en faciliteert bewoners om woningen te verduurzamen of zo duurzaam mogelijke te bouwen, zie Duurzaamheid | Gemeente Aalsmeer
3.13 Milieubelastende activiteiten 3.13.1 Toetsingskader De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Het gemeentelijke omgevingsplan is straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt. Het beleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Overal, maar voornamelijk ter plekke van bedrijven, kunnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk om voldoende afstand te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de activiteiten. Meestal is geluid de belangrijkste factor, maar ook geur kan de afstand tot gevoelige functies bepalen. Gemeenten kunnen binnen de bandbreedte die het rijk geeft zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluid of geurhinderniveaus zijn. Voor het bepalen welke activiteiten aanvaardbaar zijn, kan de VNG uitgave "Bedrijven en Milieuzonering 2009" worden geraadpleegd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden.
Niet meer met een vaste richtafstand per bedrijfstype, maar aan de hand van een concrete waarde per activiteit wordt het ruimtebeslag bepaald.
ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
3.13.2 Plangebied Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Onderhavig initiatief ziet op de verplaatsing van een bestaande ligplaats van een woonark naar een bovengelegen perceel. De verplaatsing betreft enkele tientallen meters. Een woonark is geen milieubelastende functie, maar wordt wel gezien als een gevoelig functie. De planlocatie ligt binnen de richtafstand van de bedrijfsscheepswerf van De Vries Westeinder. Daarom is ten behoeve van onderhavig initiatief een onderzoek uitgevoerd naar de milieuzonering in februari 2024. Naar aanleiding van het onderzoek komt men tot de volgende conclusie. Uit het onderzoek blijkt dat er in de onderzochte situatie voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, de maximale geluidsniveaus en de equivalente geluidsniveaus voor de indirecte hinder, ruim wordt voldaan aan de richtwaarden uit de VNGpublicatie en de geluidseisen uit het omgevingsplan van de gemeente Aalsmeer. Ter plaatse van de nieuwe ligplaats voor woonschepen is daarmee sprake van een goed woon en leefklimaat, vanwege de activiteiten op het terrein van De Vries Westeinder.
Daarnaast wordt De Vries Westeinder niet belemmerd in haar bedrijfsvoering door de komst van de nieuwe ligplaats voor woonschepen. Er wordt gesteld dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een nadere details wordt verwezen naar het onderzoek, opgenomen als bijlage 9. 3.13.3 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
DEEL 4 FINANCIËLE HAALBAARHEID 4.1 Financieel economische haalbaarheid Het plan ziet op de verplaatsing van een paar meter van een bestaande ligplaats voor woonarken voor permanente bewoning richting de Uiterweg. De huidige ligplaats wordt wegbestemd en circa 55 meter verderop wordt de nieuwe ligplaats geprojecteerd. Op de gronden van de oorspronkelijke ligplaats worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De bestemming Recreatie Jachthaven 2 krijgt een bestemming Tuin. Deze gronden zijn deels in handen van initiatiefnemer. Ook de eigenaren van de resterende gronden hebben ingestemd met de bestemmingswijziging. Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid van het plan is hiermee verzekerd.
4.2 Kostenverhaal De Omgevingswet (artikel 13.11 Ow en artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob)) verplicht gemeenten de gemaakte kosten te verhalen op de initiatiefnemer als deze nieuwe bouwactiviteiten en/of gebruiksactiviteiten uitvoert of wil uitvoeren die in het Omgevingsbesluit (‘Ob’) zijn aangewezen. Voorliggend bouwplan betreft geen bouwplan waarvoor deze verplichting geldt. Ligplaatsen voor woonschepen zijn geen bouwplannen als bedoeld in artikel 8.13 Ob. Voor het opstellen van het TAMomgevingsplan staan dekkende fondsen uit de algemene middelen van de gemeente ter beschikking.
4.3 Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie gaat over de schade die de gemeente rechtmatig veroorzaakt bij bijvoorbeeld vergunningverlening of uitvoering. De basisregeling voor nadeelcompensatie staat in titel 4.5 van de Awb. In deze titel staan grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over de toekenning van nadeelcompensatie. Omdat deze regeling niet zonder meer kan worden toegepast op besluiten uit de Omgevingswet voorziet de Omgevingswet in een regeling voor nadeelcompensatie in de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 15. Gelet op de geringe impact van deze ontwikkeling alsmede de medewerking van de overige eigenaren in het gebied aan de bestemmingswijziging van Recreatie Jachthaven 2 naar Tuin is de verwachting dat er geen nadeelcompensatie zal optreden.
ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
DEEL 5 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1 Participatie De betreffende woonark van initiatiefnemer wordt met circa 55 meter verplaatst. De omliggende gronden, die momenteel een bestemming Recreatie Jachthaven 2 krijgen een bestemming Tuin. De eigenaren van deze gronden hebben kunnen instemmen met de voorgenomen bestemmingswijziging en daarmee het planvoornemen.
5.2 Bestuurlijk vooroverleg Op grond van artikel 2.2. Omgevingswet houdt een bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zonodig met deze andere bestuursorganen af. T.a.v. het onderhavige planinitiatief heeft Rijnland in het voortraject aangegeven dat er voor de verplaatsting van de ark, het afgraven van gronden t.b.v. de nieuwe ligplaats met 155 m2 water en het dempen van de oude ligplaats (148 m2) geen vergunning benodigd is.
5.3 Vaststellingsprocedure Het ontwerp TAMomgevingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd van PM tot PM. Gedurende de termijn van ter inzage legging heeft eenieder de gelegenheid gekregen om schriftelijk zienswijzen kenbaar te maken. Er zijn wel/geen zienswijzen ingediend. In bijlage PM volgt een samenvatting van de zienswijzen en de reactie daarop van het college van burgemeester en wethouders.
ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
DEEL 6 Conclusie 6.1 Gezonde leefomgeving Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Toetsing De genoemde aspecten, voor zover van toepassing, zijn in hoofdstuk 3 nader gemotiveerd. Volledigheidshalve wordt hier dan ook naar verwezen. Uit de nadere motivering blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. Er is als gevolg van de ontwikkeling geen sprake van een onevenredige verslechtering van de fysieke leefomgeving. Conclusie Er is vanuit het oogpunt van gezondheid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.2 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Het plan voldoet aan de instructieregels van het Rijk en de Provincie, de visie en beleid van het Rijk, Waterschappen, Provincie en de gemeente. Verder voldoet het aan alle milieuaspecten. Het plan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
ontwerp toelichting TAM omgevingsplan hoofdstuk 22h Uiterweg 93ws5 pagina
PROJECT 15906 NADER BODEM- EN ASBESTONDERZOEK UITERWEG 93 (MIDDENTERREIN) TE AALSMEER
Project 15906
Titel
Nader bodem- en asbestonderzoek Uiterweg 93 (middenterrein) te Aalsmeer
Projectleider
Mevr. drs. S. Lauffer
Datum rapport
25 juli 2024 (versie 2)
Opdrachtgever
Familie P. de Vries Oosteinderweg 25 1432 AL Aalsmeer
Contactpersoon
Dhr. H. Achterberg
Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen die zijn opgesteld in de BRL SIKB 2000. Grondslag is door KIWA gecertificeerd voor het verrichten van “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” conform deze BRL. Grondslag BV is als opdrachtnemer onafhankelijk van de opdrachtgever. Tussen beide bestaat geen relatie als bedoeld in paragraaf 3.1.7 van de BRL SIKB 2000.
Project 15906
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING EN DOEL
1
2
TERREINGEGEVENS 2.1 Afbakening onderzoekslocatie 2.2 Huidige situatie 2.3 Historie 2.4 Voorgaand onderzoek 2.5 Toekomstige situatie 2.6 Hypothese en onderzoeksopzet
1 1 1 1 2 2 3
3
VELDWERK 3.1 Uitvoering 3.2 Resultaten
4 4 4
4
CHEMISCHE ANALYSES 4.1 Toetsingskader 4.2 Chemische analyse grond 4.3 PFAS
5 5 5 6
5
ASBESTANALYSES 5.1 Toetsingskader asbest 5.2 Analyseresultaten nader asbestonderzoek
7 7 7
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1 Conclusies 6.2 Opmerkingen en aanbevelingen
9 9 9
BIJLAGEN BIJLAGE I BIJLAGE II BIJLAGE III BIJLAGE IV BIJLAGE V BIJLAGE VI
: Kaartmateriaal : Boorbeschrijvingen en foto’s : Toetsingstabellen en rekentabellen asbest : Analysecertificaten : Risico beoordeling : Verklarende woordenlijst
1
1
Project 15906
INLEIDING EN DOEL Door dhr. H. Achterberg is namens de heer P. de Vries aan Grondslag BV opdracht verleend voor het uitvoeren van een aanvullend bodemonderzoek en nader asbestonderzoek. De aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen verplaatsing van twee woonarken en een aanvraag van een omgevingsvergunning. Ten behoeve van de verplaatsing is het nodig dat aan de zuidwestzijde van de legakker twee vlakken worden uitgegraven. Het doel van het bodemonderzoek is het vastleggen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het nader en aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd omdat bij eerder onderzoek in 2018 was aangetoond dat op de legakker plaatselijk asbest boven de interventiewaarde voorkomt. Het asbest is heterogeen aangetroffen waardoor het hoogste gehalte geldt voor de gehele locatie (240 mg/kg d.s.). Naast de asbest verontreiniging komt tussen de twee ontgravingsvlakken een sterke verontreiniging voor met zware metalen die niet geheel is afgeperkt. Het doel van het nader asbestonderzoek is het vaststellen of er binnen de ontgravingsvlakken eveneens een asbestverontreiniging aanwezig is. Het doel van het nader bodemonderzoek is in beeld brengen van de omvang van de verontreiniging met zware metalen.
Het bodemonderzoek is verricht volgens de richtlijnen voor nader onderzoek (NTA 5755 (‘strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging’). Het nader onderzoek asbest volgt de richtlijnen uit de NEN 5707+C1 (Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond).
2
TERREINGEGEVENS Voorafgaand aan het bodemonderzoek dient een vooronderzoek conform NEN 5725 te worden verricht. Omdat deze ook in 2018 is uitgevoerd zijn de relevante resultaten hieronder samengevat. In aanvulling hierop is specifiek naar eventuele dempingen gekeken.
2.1
Afbakening onderzoekslocatie De onderzoekslocatie bestaat uit de twee toekomstige ontgravingsvlakken en het tuindeel hier tussen. De ontgravingsvlakken bevinden zich op het middendeel van de legakker achter het woonhuis Uiterweg 93 te Aalsmeer. Kadastraal betreft het de percelen Aalsmeer, H, nummers 3964 (locatie 1), en 4005 en 4006 (locatie 2). De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 600 m². De begrenzing van de onderzoekslocatie is weergegeven op de tekening in bijlage I.
2.2
Huidige situatie De onderzoekslocatie bestaat grotendeels uit gazon. Aan de zuidzijde is een zomerhuis gevestigd. Aan de oostzijde van de onderzoekslocatie is een verhard pad aanwezig. Ten noorden van de locatie is een woonhuis aanwezig, ten oosten van de locatie zijn woonarken aanwezig. Aan de westzijde wordt de locatie begrensd door water (Aardbeiensloot).
2.3
Historie Uit historisch kaartmateriaal kan worden opgemaakt dat er een kas of open teelt aanwezig is geweest op het noordelijk deel van de legakker (buiten de onderzoekslocatie). Tevens is op te maken dat in het verleden (voor 1952) de legakker veel smaller was en het
2
Project 15906
middendeel uit water bestond (zie fig. 1). Op basis hiervan is op te maken dat ter plaatse van de onderzoekslocatie sprake moet zijn van een demping. Het is onbekend waarmee gedempt is. Fig. 1 Historisch kaartmateriaal
Uit voorgaand onderzoek is bekend dat er tijdens de bouw van het woonhuis aan de straatzijde nr. 93 asbest is aangetoond. Rond de te ontgraven vallen is bij eerder onderzoek ook asbest aangetroffen. 2.4
Voorgaand onderzoek In 2008 en 2009 (P&J Milieu Service BV) heeft onderzoek plaatsgevonden. Hierbij is vastgesteld dat asbest aanwezig is in de grond rond het woonhuis op het noordelijke deel van het perceel. In 2018 is door Grondslag een aanvullend bodemonderzoek en verkennend en nader onderzoek asbest uitgevoerd op de percelen 3946 en 4005 en 4006 (project 15906). Asbest De locatie is onderzocht op asbest doormiddel van 10 sleuven en twee ruimtelijke eenheden (RE’s). In beide RE’s is in één sleuf asbest aangetroffen boven de interventiewaarde (I: 100 mg/kg d.s). In RE1 is in sleuf SL02 een (gewogen) asbestgehalte > I berekend en in RE2 is in sleuf SL06 een (gewogen) asbestgehalte > I berekend. Volgens de regels van de NEN 5707 geldt bij een heterogene verontreiniging het hoogste gehalte aan asbest voor de gehele RE. SL02 ligt ten noorden van ontgravingvlak 1 en SL06 ligt binnen ontgravingsvlak 2. De ligging van deze sleuven is aangegeven op de boorpuntenkaart in bijlage I. Zware metalen Met het onderzoek is vastgesteld dat er een sterke verontreiniging voorkomt met koper en zink bij boring 104 en het omliggende gebied; boring 201, 202 (gelegen tussen de twee ontgravingsvlakken in). De verontreiniging is niet volledig afgeperkt. Het is onbekend of de sterke verontreiniging doorloopt binnen de te ontgraven vlakken.
2.5
Toekomstige situatie Men is voornemens om twee woonarken in te graven. De wens is om met de uitgegraven grond de oude ligplaatsen te dempen.
3
2.6
Project 15906
Hypothese en onderzoeksopzet Nader bodemonderzoek Bij voorgaand onderzoek zijn plaatselijk bijmengingen aangetroffen. Plaatselijk komen sterke verontreinigingen voor. Er is geen eenduidige relatie met de mate van bijmenging. De hypothese is dat de sterke verontreiniging heterogeen voorkomt. Het is niet uitgesloten dat de sterke verontreiniging ook in de ontgravingsvlakken voorkomt. Naar aanleiding van het aantreffen van een sterke verontreiniging aan zink en/of koper bij boring 104, 201 en 202 worden rond deze boringen aanvullende boringen geplaatst. Monsters worden minimaal onderzocht op zink en koper. In verband met het aantreffen van een slakkenlaag in de ondergrond tijdens het veldwerk is de onderzoeksopzet uitgebreid. Ter plaatse van de slakkenlaag is de ondergrond verdacht voor verhogingen aan zware metalen. Er wordt een monster van de ondergrond aanvullend onderzocht. Nader asbestonderzoek De onderzoeksopzet is gebaseerd op de "NEN 5707 Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond". Deze norm is van toepassing voor de bepaling van asbest in bodem en grond met een volumepercentage van minder dan 50% bijmenging aan bouw- en sloopafval.
In verband met het aantreffen van een asbestgehalte boven de 100 mg/kg ds in sleuf SL02 en SL06 worden binnen de ontgravingsvlakken extra sleuven gegraven volgens de strategie voor een nader onderzoek bepaling gemiddeld gehalte per RE. Elk ontgravingsvlak oppervlaktes kleiner dan 500 m2 is een RE. Omdat de oppervlaktes kleiner zijn dan 1000 m2 kan volstaan worden met minder dan vijf sleuven. Hierbij geldt dat alleen de bovengrond met sporen aan bijmengingen (geroerde grond) verdacht is voor een verontreiniging met asbest. Algemeen Opgemerkt dient te worden dat een bodem- en asbestonderzoek volgens een steekproefsgewijze opzet wordt uitgevoerd. Tevens dient het bodemonderzoek beschouwd te worden als een tijdelijk vastgestelde status van de bodemkwaliteit ter plaatse. Derhalve kan in bepaalde situaties (bijvoorbeeld bij een toekomstige bestemmingswijziging of aanvraag van een omgevingsvergunning) de geldigheidsduur van het onderzoek beperkt zijn.
4
3
VELDWERK
3.1
Uitvoering
Project 15906
De verrichtingen zijn uitgewerkt in onderstaande tabel: Tabel 3.1: Uitgevoerde werkzaamheden Verrichting
Datum
Persoon
Geldend protocol
Verrichten boringen
22 mei 2024
dhr. M. de Hoog
2001
Graven sleuven nader asbestonderzoek
22 mei 2024
dhr. M. de Hoog
2018
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn drie boringen verricht (nrs. 401 t/m 403). De boringen zijn op circa 10 meter van boring 104 geplaatst. Alle boringen zijn uitgevoerd tot een minimale diepte van 1,0 m-mv. Ten behoeve van het nader asbestonderzoek zijn in totaal vijf sleuven gegraven (SL11 t/m SL15). De sleuven hebben een omvang van 2,0 m lang x 0,30 m breed x 1,0 m-mv. De ligging van de boringen en sleuven zijn weergegeven in bijlage I. In bijlage II zijn foto’s opgenomen van de sleuven. 3.2
Resultaten Bodemopbouw Vanaf het maaiveld tot de maximale boordiepte van 1,2 m-mv bestaat de bodem uit veen. De boorprofielen zijn weergegeven in bijlage II. Zintuiglijke waarnemingen In de bovengrond zijn bijmengingen aan baksteen, slakken, metaal, kolen en/of glas aangetroffen. Deze bijmengingen kunnen verhogingen aan zware metalen veroorzaken. In boring 403 is een slakkenlaag aangetroffen van 0,4 tot 0,7 m-mv. Asbest Plaatselijk is asbest verdacht materiaal (avm) aangetroffen (SL11 en SL14). In sleuf 11 zijn 35 stukjes avm aangetroffen (nat gewicht 6.156 gram). In sleuf 14 is in totaal 19 stukjes aangetroffen (nat gewicht 1.356 gram). De slakkenlaag geldt niet als asbestverdacht.
5
4
Project 15906
CHEMISCHE ANALYSES De analyses en bewerkingen zijn uitgevoerd door een RvA-geaccrediteerd laboratorium.
4.1
Toetsingskader De analyseresultaten van grond worden getoetst aan de normwaarden uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Regeling Bodemkwaliteit 2022 (Rbk). In onderstaand figuur zijn de kwaliteitsklassen weergegeven. Op basis van een volledig verkennend bodemonderzoek kan een uitspraak worden gedaan over de kwaliteit ter plaatse. Voor eventueel later te ontgraven grond geeft de klasse-indeling een indicatie van de verwachte kwaliteit voor toepassing. Analyseresultaten van grondwater worden getoetst aan de normwaarden uit bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het toetsingskader is bijgevoegd in bijlage V. Voor de toetsing wordt gebruik gemaakt van de toetsingsmodules BoToVa van Rijkswaterstaat. Ten tijde van de rapportage zijn de toetsingsmodules op basis van de Omgevingswet (per 1 januari 2024) echter nog niet beschikbaar. Daarom is er gebruik gemaakt van de bestaande toetsingsprogramma’s van voor deze datum. In de toetsingstabellen in de bijlage is derhalve de oude benaming weergegeven. Kwaliteitsklassen voor landbodem en grond Landbouw / Natuur (L/N)
Wonen
Industrie
Matig verontreinigd
Sterk verontreinigd
Niet toepasbaar (<interventiewaarde)
Niet toepasbaar (>interventiewaarde)
Oude benaming Altijd toepasbaar
Wonen
Industrie
Interventiewaarde
4.2
Chemische analyse grond In verband met de eerdere vastgestelde sterke verontreiniging (gehaltes boven de interventiewaarde) met zink en koper zijn monsters geanalyseerd op zink en koper. Daarnaast is een monster van de bodem onder de slakkenlaag geanalyseerd op het pakket 9-metalen + vanadium. In verband met de mogelijke afvoer is een mengmonster van de ondergrond geanalyseerd op het NEN-pakket en de bovengrond op PFAS. De concentraties aan PFAS zijn getoetts aan de normen uit het Handelingskader. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage IV, de toetsing aan de normwaarden in bijlage III. De klasse indeling is gebaseerd op de gehaltes aan zware metalen en de resultaten van het verkennend onderzoek uit 2018. De resultaten zijn samen met de resultaten van het voorgaande onderzoek opgenomen in tabel 4.1.
Tabel 4.1: Overschrijdingstabel grond Code
Boring (diepte, m-mv)
Waarneming
Analyseparameters
Toetsoordeel parameters (>L/N) Wonen
Industrie Matig
Sterk(>Iw)
Toetsoordeel monster
Verkennend onderzoek (2018) 1.
102 (0,00-0,40) 103 (0,00-0,50) 105 (0,00-0,50) 107 (0,00-0,50)
Glas+, baksteen+ Baksteen+ Glas+, baksteen+ Glas+, baksteen+
NEN-g
2.
104 (0,00-0,50)
Slakken+, Glas+, baksteen+
NEN-g
Industrie
Zn , Cu, Pb sterk verontreinigd
Parameter >Tw en <Iw*
6
Code
3.
Boring (diepte, m-mv)
Waarneming
102 (0,40-0,90) 103 (0,50-1,00) 104 (0,70-1,10) 106 (0,70-1,20) 107 (0,50-1,00)
-
Analyseparameters
Project 15906
Toetsoordeel parameters (>L/N) Wonen
NEN-g
Industrie Matig
Sterk(>Iw)
Zn, Cu
Toetsoordeel monster
Parameter >Tw en <Iw*
Industrie
Aanvullend onderzoek fase 1 (2018) 4.
201 (0,00-0,50)
Baksteen+, beton+, kolen+
9-metalen
Cu, Zn
sterk verontreinigd
5.
202 (0,00-0,50)
Baksteen+
9-metalen
Cu, Zn
sterk verontreinigd
Ni
6.
203 (0,20-0,50)
-
9-metalen
Hg
7.
204 (0,00-0,50)
Glas+, baksteen+
9-metalen
Hg, Pb
Pb
Zn
Aanvullend onderzoek fase 2 2024 m8
401 (0-50)
-
Cu, Zn
Cu, Zn
-
Industrie
m9
402 (0-50)
-
Cu, Zn
Cu
Zn
Sterk verontreinigd
m10
403 (0-40)
baksteen +
Cu, Zn
m13
403 (70-120)
-
9-metalen
V, Mo, Hg, Co
NEN Gr
Cd, Hg, Zn Pb, Ni, PAK
Cu, Zn Cd, Pb
Industrie Cu, Ni, Zn
Sterk verontreinigd
Algemene kwaliteit ondergrond 2024 mm12 Sl11 (60-110) Sl12 (50-100) Sl13 (50-100) Sl14 (50-100) Sl15 (50-100)
-
Industrie
waarneming: + (sporen/zwak), ++ (matig), +++ (sterk), ++++ (uiterst), - geen bijmenging Tw* : gehalte is groter dan tussenwaarde maar kleiner dan interventiewaarde, waarbij Tw = 0,5 * (grenswaarde L/N + Iw). Een verhoging t.o.v. Tw kan aanleiding vormen voor aanvullend onderzoek.
In monster m9 (bovengrond boring 402) en m13 (ondergrond boring 403; laag direct onder een slakkenlaag) is een overschrijding van de interventiewaarde aangetoond. In de andere twee monsters van de bovengrond (m8 (401) en m10 (403)) zijn lichte verhogingen aangetoond (klasse Industrie). In het mengmonster mm12 van de ondergrond zijn geen overschrijdingen aangetoond ten opzichte van de interventiewaarden. 4.3
PFAS In verband met de mogelijke afvoer van grond is er aanvullend geanalyseerd op PFAS. De concentratie PFAS zijn getoetst aan het landelijk handelingskader PFAS. De normen uit het handelingskader zijn opgenomen in de bijlage. In onderstaande tabel is de toetsing weergegeven. Aangezien het gehalte organisch stof groter is dan 10%, vindt er een bodemtypecorrectie plaats. Tabel 4.2: Toetsing PFAS aan Handelingskader Code
Boringen met diepte (m-mv)
Waarneming
Organisch stof (%)
Indicatief toetsoordeel op landbodem
Indicatief toetsoordeel In oppervlaktewater
m11
Sl11 (0-50) Sl12 (0-50) Sl13 (0-50) Sl14 (0-50) Sl15 (0-50)
baksteen +, glas +, slakken +, metaal+, aardewerk+
19,5
Landbouw/natuur
Niet toepasbaar
Pb
7
5
Project 15906
ASBESTANALYSES De analyses zijn uitgevoerd door een daartoe gecertificeerd laboratorium.
5.1
Toetsingskader asbest Voor asbest in grond geldt een interventiewaarde van 100 mg/kg ds gewogen, zoals opgenomen in bijlage 1 van de ‘Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013’. Gewogen betekent dat de toetswaarde op de volgende manier wordt berekend: toetswaarde = gehalte serpentijn (chrysotiel) + 10 x gehalte amfibool (crocidoliet, amosiet, etc)
Wanneer de interventiewaarde voor asbest in de bodem wordt overschreden, dient conform de Wet bodembescherming een uitspraak te worden gedaan over de risico’s van de verontreiniging bij het huidig en toekomstig gebruik, op basis van een milieuhygiënisch saneringscriterium. Voor asbest geldt hiervoor het ‘Protocol Asbest’, opgenomen als bijlage in de hierboven genoemde circulaire. Voor asbest in grond geldt geen achtergrondwaarde. De interventiewaarde voor asbest ligt op het niveau van verwaarloosbaar risico. De interventiewaarde is 100 mg/kg ds. Grond met een asbestgehalte kleiner dan de interventiewaarde kan worden beschouwd als niet asbestverontreinigd. 5.2
Analyseresultaten nader asbestonderzoek Grove fractie Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Tijdens de visuele inspectie van de opgegraven grond is in de sleuven SL11 en SL14 asbestverdacht materiaal > 2 cm aangetroffen. In de overige sleuven is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De asbestverdachte materialen zijn per sleuf verzameld en gewogen. Bij sleuf 11 is maximaal circa 1 kg avm geanalyseerd om de soort asbest en percentage vast te stellen. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage IV. In de rekentabellen is rekening gehouden met het totaal gewicht aan asbestplaatmateriaal wat in de sleuf SL 11 is aangetroffen (droog gewicht: 5.414 gr) en het percentage (chrysotiel: 12,5%). De resultaten zijn weergegeven in tabel 5.1. Fijne fractie Voor het onderzoek van de fijne fractie is per RE één mengmonster van de grond samengesteld: RE1Aff: Sl11 (0-60) Sl12 (0-50) Sl13 (0-50): verdachte bovengrond noordelijk vlak RE2Aff: Sl14 (0-50) Sl15 (0-50):
verdachte bovengrond zuidelijk vlak
De mengmonsters zijn geanalyseerd op asbest < 2 cm. Het analysecertificaat is opgenomen in bijlage IV. De resultaten zijn weergegeven in tabel 5.1. Totaalresultaat Voor het totaalresultaat dienen de resultaten van de grove fractie en de fijne fractie te worden opgeteld. De rekentabellen voor de bepaling van het asbestgehalte zijn opgenomen in bijlage III. Voor RE2A geldt dat er sprake is van een heterogene verontreiniging (hoogste gehalte geldt voor gehele RE) en voor RE1A is er volgens de rekenregels sprake van een homogene verontreiniging (gemiddeld gehalte telt). In tabel 5.1 zijn de voor de toetsing relevante analyseresultaten weergegeven, alsmede het totaalgehalte voor de betreffende RE.