Agendabundel
Tekst van het document
Het doel is de belastingverordeningen voor het jaar 2026 aan te passen zodat er een wettelijke basis is om de vastgestelde opbrengsten in de Programmabegroting 2026 te realiseren. Prestatie
[.docx] 101/F105a/ICT
Pagina
2 van 8
1Het vaststellen van de voorgelegde belastingverordeningen 2026 zodat de aanslagen 2026 rechtmatig kunnen worden opgelegd met de nieuwe tarieven. Voorgeschiedenis en context
De voorgestelde tarieven van belastingen en rechten volgen uit de afspraken zoals vastgesteld in de Kadernota 2026 en de Programmabegroting 2026. Overwegingen die hebben geleid tot het voorgestelde besluit
Voorgestelde besluit I: Om de in de Programmabegroting 2026 vastgestelde belastingopbrengsten 2026 te realiseren dienen ook de daarbij behorende belastingtarieven 2026 te worden vastgesteld. Deze tarieven 2026 worden vastgesteld met de bij dit voorstel behorende belastingverordeningen 2026. Uitgangspunt is 2,84% voor belastingen en voor heffingen 2,39% waarbij voor heffingen het uitganspunt is kostendekkendheid. Woonlasten 2025-2026 De gangbare indicator voor de lokale lastendruk is het gemiddelde woonlastenbedrag volgens de jaarlijkse benchmark van het instituut COELO. Dit betreft de optelling OZB, de rioolheffing en de afvalstoffenheffing voor een meerpersoonshuishouden. De OZB woningen kent een inflatiecorrectie van 2,84%. De afvalstoffenheffing daalt met -9% en de rioolheffing stijgt met 2%. Voor woningeigenaren die in hun eigen woningen wonen dalen de gemiddelde woonlasten met -1,5%.
De belangrijkste wijzigingen per verordening zijn: 1. Onroerendezaakbelastingen In de paragraaf lokale heffingen, in de Programmabegroting 2026 is uitleg opgenomen over de totstandkoming van de OZB tarieven 2026. Bij de bepaling van het tarief voor de OZB zijn meegenomen; a. de inflatiecorrectie van 2,84% b. de afspraak in de Kadernota 2025 om de opbrengst OZB gebruikers nietwoningen, in 4 jaar, gefaseerd om te zetten naar de OZB eigenaren nietwoningen. Nadere toelichting gebruikte percentages. ad. a. De inflatiecorrectie voor belastingen is 2,84% en voor heffingen 2,39% (80% loon/20% prijs). Deze percentages zijn gelijk aan die in de Programmabegroting 2026. Ad. b Gefaseerde omzetting opbrengst OZB gebruikers niet-woningen naar de OZB eigenaren niet-woningen.
Pagina
3 van 8
In 2025 is een start gemaakt om in 4 jaar het tarief voor OZB gebruikers niet-woningen af te bouwen naar nul. Indien in de nog resterende 3 jaar gelijkmatig wenst te worden afgebouwd naar nul dan dient de gewijzigde opbrengst 2025 OZB gebruik niet-woningen als uitgangspunt te worden genomen als 75%. De begrote opbrengst OZB gebruik niet woningen 2026 dient dan te worden bepaald op € 2.189.000 zodat in de resterende jaren iedere keer verder 1/3 ad € 729.000 verder kan worden afgebouwd. In de programmabegroting 2026 heeft al een (budgetneutrale) verschuiving plaatsgevonden van de OZB gebruikers niet-woningen naar OZB eigenaren nietwoningen. Bij de bepaling hiervan is uitgegaan van een afname van 20%. Om in de resterende drie jaar echter tot nul te komen dient de geraamde opbrengst OZB gebruikers niet-woningen 2026 extra te worden verlaagd met € 166.000 waarbij deze dient te worden opgehoogd bij de OZB eigenaren niet-woningen. Deze verschuiving is budgetneutraal. (voorgestelde besluit. III)
2026 Afbouw OZBGNW in 4 jaar naar 0 jaar 0 opbrengst Mutatie
3.310
1ste
2de
3de
4de
5de
2025
2026
2027
2028
2029
2.918
2.189
1.460
731
392
729
729
0
0
Voor de vaststelling van de OZB-tarieven moet daarnaast rekening worden gehouden met de jaarlijks Waardering onroerende zaken (WOZ)-herwaardering van woningen en nietwoningen. Het tarief wordt zodanig aangepast aan de waardestijging dat de totale begrote OZB-opbrengst van woningen en niet-woningen ad. € 16 miljoen wordt gerealiseerd. Het OZB-tarief voor woningen en niet-woningen wordt apart vastgesteld. Hiervoor wordt een inschatting gemaakt van de gemiddelde waardedaling of stijging. De waardeontwikkeling van woningen en niet woningen verschilt sterk. In beginsel is uitgegaan van de waardestijgingen zoals geprognotiseerd in de meicirculaire. Voor woningen 10,5% en voor niet-woningen 2%. Op basis van de laatste prognoses van de eigen WOZ-hertaxatie wijkt de gemeente Aalsmeer hier iets vanaf. Dat is voor woningen lager en voor de niet woningen iets hoger dan de landelijke waardeontwikkeling. Begin oktober 2025 wordt voor de bepaling van het OZB-tarief 2026 uitgegaan van de geprognotiseerde waardestijging Aalsmeer voor woningen van 8% en voor niet woningen van 3%. De nu bekende mutaties op de WOZ-waarde zijn prognoses. Indien in een later stadium blijkt dat de waarde mutaties toch substantieel anders blijkt te zijn dan wordt dit middels een erratum op de OZB-tarieven 2026 gecorrigeerd.
De waardeontwikkelingen leiden samen met de indexering en de overige genomen besluiten tot de tarieven zoals opgenomen in dit voorstel. Dit zijn ook de tarieven die corresponderen met de te realiseren OZB-opbrengst zoals geraamd in de begroting 2026. Onderstaand rekenvoorbeeld geeft inzicht op de wijze waarop de OZB tarieven zijn bepaald en de invloed hiervan op de aanslagen OZB 2026.
Pagina
(a)
(b)
(c)
(d)=b*c
Tarief OZB Omschrijving
Eig. Won.
WOZwaarde 2025
2025
Aanslag 2025
(e)=d* 2,84%
(F)=d* in vier jaar
Kadernota 2026 inflatie
Kadernota 2026 Afbouw OZBGN
2,84%
2025* 1/3 +2,84%
4 van 8
(g)=d+e+f
(h)
(i)=b+h
(j)=g/i
Aanslag
waarde stijging
WOZ-waarde
Tarief
Mutatie
stijging
2026
OZB
aanslag bedrag
2026
(k)=g/d
2025/2026 2026
613.000 0,09065%
€ 556
€ 16
€0
€ 571
8,0%
662.000
0,08632%
2,84%
1.000.000 0,31100%
€ 3.110
€ 88
€ 641
€ 3.840
3,0%
1.030.000
0,37279%
23,46%
Gebrg. Niet Won. 1.000.000 0,18710%
€ 1.871
€ 53
€ -641
€ 1.283
3,0%
1.030.000
0,12454%
-31,44%
Eig + Gebrk NW
€ 4.981
Eig. Niet Won.
€ 5.122
2,84%
Voor de woningwaarde wordt uitgegaan van de gemiddelde WOZ-waarde waarin in het COELO rapport 2025 vanuit wordt gegaan. Voor de WOZ-waarde van niet-woningen is uitgegaan van een fictieve waarde omdat de verschillende soorten niet woningen (kantoren, bedrijfsruimten, winkels etc) niet met elkaar zijn te vergelijken. 2. Afvalstoffenheffing Beleid is een tarief dat maximaal 100% kostendekkend is. In de Programmabegroting 2026 is vermeld dat het tarief 2026 zal worden verlaagd met 9% Omvang huishouden
2023
2024
2025
2026
%
Meerpersoonshuishouden
333,00
369,63
411,00
373,74
-9%
Eénpersoonshuishouden
267,00
296,37
329,00
299,17
-9%
3. Riool-en waterzorgheffing Uitgangspunt is dat met het vastgestelde tarief het rioolstelsel in meerjarenperspectief kostendekkend beheerd en in stand gehouden kan worden. De uitvoering hiervan is gebaseerd op het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2021-2026. Het tarief wordt in 2026 met 2% geïndexeerd. Deze indexatie volgt uit het GRP 2021-2026. Na dit voorstel bedraagt het tarief 2026 € 199,84. Rioolheffing
2023
2024
2025
2026
%
Tarief per object
180,63
187,93
195,92
199,84
2,00%
Om beter aan te sluiten bij de brede riool-waterzorg taak van de gemeente wordt de naam van de verordening overeenkomstig de standaard VNG verordening gewijzigd in de “Verordening op de heffing en invordering van riool- en waterzorgheffing” met als citeertitel “Verordening riool- en waterzorgheffing” Voor het afvoerrecht is de drempel voor het meerverbruik verhoogd van 400m³ naar 600m³ en de te heffen eenheden van 10m³ naar eenheden van 100m³. Doel van deze verandering is dat kleine aanslagen voor een zeer beperkt meerverbruik worden ontzien voor zeer kleine aanslagbedragen. 4. Forensenbelasting Deze belasting wordt geheven van personen die geen hoofdverblijf hebben in de gemeente Aalsmeer en voor zichzelf of hun gezin een gemeubileerde woonruimte beschikbaar houden. De opbrengsten forensenbelasting nemen in 2026 met 2,84% toe. Bij de bepaling van het tarief wordt rekening gehouden met de waardeontwikkeling van de woonruimte.
Pagina
5 van 8
Het tarief 2025, ad. 0,3246% is voor 2026 verhoogd met de prijsindexatie 2,84% naar 0,3091%. Bij de bepaling van het tarief is rekening gehouden met de gemiddelde waardestijging van woningen ad. 8%. Het minimumbedrag is verhoogd van € 335,- naar € 345,-. 5. Roerende zaakbelasting Het tarief van de roerende woon- en bedrijfsruimtebelasting moet gelijk zijn aan het tarief van de onroerendezaakbelastingen. 6. Verblijfsbelasting/ toeristenbelasting Toeristenbelasting wordt geheven bij overnachtingen binnen de Aalsmeer door personen die niet in de basisadministratie van de gemeente staan ingeschreven. Omdat het voor deze belastingen niet alleen om toeristen gaat wordt deze heffing in Aalsmeer in de verordening aangeduid als verblijfsbelasting. Op 3 juli 2025 heeft de gemeenteraad van Aalsmeer de Kadernota 2026 vastgesteld. Hierbij is besloten tot een verhoging van de inkomsten van deze belastingen te komen. Om te voorkomen dat minder dure verblijven hierdoor onevenredig zwaar zouden worden belast is daarnaast besloten niet meer per persoon per overnachting te gaan heffen maar over de overnachtingsprijs. Een verblijfbelasting gebaseerd op de verblijfsprijs wordt maatschappelijk gezien als eerlijker en rechtvaardiger. In het verleden was er daarom bijvoorbeeld altijd een substantieel lager tarief (-50%) voor campings.
Het voorstel is om met ingang van 2026 de verblijfsbelasting te bepalen op 6% van de kamerprijs exclusief BTW. De verordening is hierop aangepast overeenkomstig gemeenten waar de verblijfsbelasting al langere tijd wordt vastgesteld op basis van een percentage van de overnachtingsprijs 7. Waterverblijfbelasting / Watertoeristenbelasting Het gaat hierbij om iedereen die niet staat ingeschreven in de gemeente en betaalt voor een verblijf op een vaartuigen in wateren van de gemeente. Er kan geen waterverblijfsbelasting worden geheven van passerende bootjes en dagjes mensen die geen betaalde diensten afnemen. Het tarief voor de watertoeristenbelasting wordt verhoogt met 2,84% van € 2,95 naar € 3,03. De overige tarieven in de verordening worden overeenkomstig met 2,84% verhoogd. 8. Leges Uitgangspunt van de leges is dat deze kostendekkend zijn. Op basis van de globale planningen van de projecten wordt vooraf een inschatting gemaakt van het moment waarop de vergunningaanvragen worden ingediend en wanneer de bijbehorende legesopbrengsten kunnen worden verwacht. De ontwikkeling van de projecten verloopt echter gefaseerd. Dit betekent dat de legesopbrengsten niet in één jaar vallen, maar verspreid zijn over meerdere jaarschijven. Om die reden dient de sturing op kostendekkendheid eveneens over meerdere jaren plaats te vinden.
Aanpassing van de legesverordening gebeurt op basis van deze meerjarige kostendekkendheid en de inzichten die voortkomen uit het onderzoek van de projectgroep. Op basis de Programmabegroting 2026 worden de legestarieven voor 2026 met 2,39% verhoogd. Daarnaast is op een aantal plaatsen het basistarief voor een aanvraag verhoogd van € 145,30 naar € 250,00. De reden hiervoor is dat het oude basistarief op geen enkele wijze enigszins kostendekkend bleek te zijn. Dit geldt uiteraard niet voor de
Pagina
6 van 8
producten waarvoor een wettelijk tarief geldt. Alleen voor Verhuurvergunning opkoopbescherming en Omgevingsoverleg is het tarief gedaald van € 16.997 naar € 5.000 omdat er substantieel minder uren aan deze aanvragen werden besteed dan eerst ingeschat. Uit de betreffende paragraaf in de programmabegroting blijkt dat de leges (nog) niet kostendekkend zijn. 9. Lijkbezorgingsrechten / Grafrechten Uitgangspunt van de Lijkbezorgingsrechten / Grafrechten is dat deze kostendekkend zijn. Met de huidige kostendekkendheid is dit niet het geval. De kostendekkendheid is wel gestegen van 56% naar 58%. Het beheer en onderhoud van de begraafplaats wordt gefinancierd uit de inkomsten van de grafrechten. Aangezien de begraafplaats ook moet “concurreren” met omliggende begraafplaatsen en andere wijze van afscheid nemen moet voorzichtig worden omgegaan met tariefsverhogingen. De tarieven zijn gemiddeld verhoogd zodat de opbrengsten stijgen met het uitgangspunt voor 2026 van +2,39%. 10. Precario Precario wordt geheven voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. De tarieven voor precariobelasting zijn verhoogd met 2,84%. 11. Reclamebelasting De heffing van de reclamebelasting loopt naar tevredenheid van de ondernemersvereniging en gemeente.
De reclamebelasting wordt geheven in twee winkelgebieden: winkelgebied Ophelialaan en het winkelgebied centrum Aalsmeer. De opbrengsten uit de reclamebelasting worden, na aftrek van de administratieve kosten, als subsidie uitgekeerd aan de door ondernemers opgerichte uitvoeringsorganisatie. De besteding van de gelden wordt door de ondernemers zelf bepaald. De heffing wordt voor 2026 gecontinueerd, het tarief wordt verhoogd met 2,84% van € 916,05 naar € 942,06. 12. Marktgelden Het beheer/uitvoering is uitbesteed aan de Meerlanden. Voor 2026 worden de tarieven verhoogd met 2,39%. Een overzicht van de wijzigingen is te raadplegen in de bijgevoegde "was/wordt tabel tarieven 2025/2026". Keuzemogelijkheden/alternatieven
Voor een alternatief is een heroverweging noodzakelijk van de afspraken zoals gemaakt in de kadernota 2026 en de programmabegroting 2026 Participatie
N.v.t. Kanttekeningen en risico’s
De nu bekende mutaties op de WOZ-waarde zijn prognoses. Indien in een later stadium blijkt dat de waarde mutaties toch substantieel anders blijken te zijn dan wordt dit middels een erratum op de OZB-tarieven 2026 gecorrigeerd. Financiën
De totale opbrengst uit lokale belastingen, leges en heffingen bedraagt afgerond € 28 miljoen en maakt daarmee zo’n 25% uit van de totale gemeentelijke baten. De programmabegroting geeft meer informatie over de samenstelling van dit bedrag.
Pagina
7 van 8
Vervolgstappen Uitvoering en procesplanning
De Tarievennota 2026 is opgesteld op basis van de Programmabegroting 2026 . In de gemeente Aalsmeer worden de OZB-tarieven half oktober opgesteld. De OZB tarieven zijn gebaseerd op een eerste inschatting van de uitkomsten van de WOZhertaxatie. Indien er als gevolg van nieuwe inzichten substantiële mutaties zijn in de nu bepaalde WOZ-waardestijgingen dan zal hierop een erratum aan de tarievennota voor de behandeling in december aan de raad worden toegezonden. Oogmerk is dat de OZBtarieven zo worden vastgesteld dat de begrote OZB-opbrengst zo nauwkeurig mogelijk kan worden gerealiseerd. Evaluatie
De tarievennota is onderdeel van de planning en control-cyclus. De belastingtarieven volgen direct voort uit de begroting. De resultaten worden indien van toepassing meegenomen in de tussenrapportages en afgesloten met de rekening/jaarstukken. Duurzaamheidsaspecten
Als gevolg van de huidige wettelijke systematiek lenen gemeentelijke belastingen en heffingen zich niet voor duurzaamheidsaspecten. Bijlagen
1 Verordening onroerendezaakbelastingen 2026 2 Verordening afvalstoffenheffing 2026 3 Verordening riool- en waterzorgheffing 2026 4 Verordening forensenbelasting 2026 5 Verordening roerende zaakbelasting 2026 6 Verordening verblijfsbelasting 2026 7 Verordening waterverblijfsbelasting 2026 8 Legesverordening 2026 8a. Bijlage 1 Tarieventabel legesverordening 2026 8b. Bijlage 2 Genormeerde leges 2026 8c Bijlage 3 Uniforme administratieve voorwaarden uitvoering werken en technische installatiewerken 2012 (UAV 2012) 9 Verordening lijkbezorgingsrechten 2026 10 Verordening precariobelasting 2026 11 Verordening reclamegelden 2026 12 Marktgeldverordening 2026 13 Was/wordt tabel 2025/2026
De secretaris,
De voorzitter,
drs. Sj. Vellenga
mr. G.E. Oude Kotte
Pagina
8 van 8
Dit document is elektronisch ondertekend. Zie de elektronische handtekening(en) rechtsboven op pagina 1.
{{signer1}}
Signed By: Hofland, Heleen 2025-12-12T10:28:43+01:00 ID: 063aee8c-0218-4831-abe6-b51b562ebcff Auth: Scribble
{{signer2}}
Signed By: Oude Kotte, G.E. (Gido) 2025-12-12T08:11:49+01:00 ID: 063aee8c-0218-4831-abe6-b51b562ebcff Auth: Scribble
RAADSBESLUIT
De raad van de gemeente Aalsmeer;
gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders, d.d. 22 oktober 2025, zaaknummer Z25-121455; gelet op artikel 216 e.v. van de Wet; Gemeentewet;
Besluit
I De volgende belastingverordeningen 2026 vast te stellen: 1.1 Verordening onroerendezaakbelastingen 2026 1.2 Verordening afvalstoffenheffing 2026 1.3 Verordening riool- en waterzorgheffing 2026 1.4 Verordening forensenbelasting 2026 1.5 Verordening roerende zaakbelasting 2026 1.6 Verordening verblijfsbelasting 2026 1.7 Verordening waterverblijfsbelasting 2026 1.8 Legesverordening 2026 1.9 Verordening lijkbezorgingsrechten 2026 1.10 Verordening precariobelasting 2026 1.11 Verordening reclamegelden 2026 1.12 Marktgeldverordening 2026 II. Ongewijzigd te laten doorlopen voor 2024 De Verordening kwijtschelding gemeentelijke belastingen Aalsmeer 2023 en de verordening Kadegelden III. De ramingen van de OZB-opbrengsten niet-woningen 1e tranche in de program-mabegroting 2026 aan te passen door een (budgetneutrale) verschuiving te maken voor de begrote opbrengst OZB gebruikers niet-woningen naar OZB eigenaren niet-woningen van € 166.000.
Aldus besloten in de openbare vergadering van 11 december 2025. De griffier,
De voorzitter,
H.R.E. Hofland
mr. G.E. Oude Kotte
Dit document is elektronisch ondertekend. Zie de elektronische handtekening(en) rechtsboven op pagina 1.
[.docx] 101/F105/ICT
Signed By: Hofland, Heleen 2025-12-12T10:28:43+01:00 ID: 063aee8c-0218-4831-abe6-b51b562ebcff Auth: Scribble
Signed By: Oude Kotte, G.E. (Gido) 2025-12-12T08:11:49+01:00 ID: 063aee8c-0218-4831-abe6-b51b562ebcff Auth: Scribble
Besluit van de raad van de gemeente Aalsmeer tot vaststelling van de Verordening onroerendezaakbelastingen 2026
Zaaknummer: Z25-121455
De raad van de gemeente Aalsmeer; gelet op artikel 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de: Verordening onroerendezaakbelastingen 2026 Artikel 1 Belastingplicht 1. Onder de naam "onroerendezaakbelastingen" worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. 2. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b.
het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Pagina
2 van 4
Artikel 2 Belastingobject 1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het tijdvak waarbinnen het in artikel 1 bedoelde kalenderjaar valt. 2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, 19, eerste lid, onderdelen b en c, tweede lid, onderdelen b en c, 20, tweede lid, en 22, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 4 Vrijstellingen 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij het bepalen van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.
ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g.
waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste
Pagina
2.
3.
3 van 4
van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; n. onbebouwde terreinen, die in beheer zijn bij een sportvereniging en voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor het beoefenen van een sport. o. gronden met de bestemmingsomschrijving “Cultuur en Ontspanning – Kinderboerderij”. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 5 Belastingtarieven 1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. bij de gebruikersbelasting 0,12454%; b. bij de eigenarenbelasting 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,08632 %; 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,37279%. 2. Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. 3. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen roerende zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door een automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven in dat geval moeten de aanslagen worden betaald in negen opeenvolgende gelijke, met uitzondering van kleine afrondingsverschillen, maandelijkse termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later; 3. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van onroerendezaakbelasting eigenaren wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening onroerendezaakbelastingen 2025" van 12 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
Pagina
2. 3. 4.
4 van 4
verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening onroerendezaakbelastingen Aalsmeer 2026.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 december 2025.
De griffier,
De voorzitter,
H.R.E. Hofland
mr. G.E. Oude Kotte
Dit document is elektronisch ondertekend. Zie de elektronische handtekening(en) rechtsboven op pagina 1.
Signed By: Hofland, Heleen 2025-12-12T10:28:43+01:00 ID: 063aee8c-0218-4831-abe6-b51b562ebcff Auth: Scribble
Signed By: Oude Kotte, G.E. (Gido) 2025-12-12T08:11:49+01:00 ID: 063aee8c-0218-4831-abe6-b51b562ebcff Auth: Scribble
Besluit van de raad van de gemeente Aalsmeer tot vaststelling van de Verordening afvalstoffenheffing 2026
Zaaknummer: Z25-121455
De raad van de gemeente Aalsmeer; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b Gemeentewet en artikel 15.33 Wet milieubeheer; besluit vast te stellen de: Verordening afvalstoffenheffing 2026 Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder ‘gebruik maken’: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit 1. Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; 2. de afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt; 3. onder perceel wordt gelijkgesteld een stacaravan, een woonboot, een woonwagen en een demontabel zomer – of vakantiehuisje. Artikel 3 Belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt: a.
degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van het perceel; b. ingeval een gedeelte van een perceel ten gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte ten gebruik heeft afgestaan.
Pagina
2 van 3
Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De heffing bedraagt per perceel € 299,17 indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar, of indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon. 2. De heffing bedraagt per perceel € 373,74 indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar, of indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door twee of meer personen; 3. Voor een perceel dat niet permanent mag worden bewoond en bestemd is voor en gebezigd wordt als verblijf voor vakantie en andere recreatieve doeleinden bedraagt het tarief 50% van het tarief zoals vermeld in lis 1 en lid 2 van dit artikel 4. De belasting als bedoeld in lid 1 of lid 2 wordt vermeerderd voor het op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, in bruikleen hebben van een extra (= boven hetgeen volgens de gemeentelijke afvalstoffenverordening aan het perceel is verstrekt): a. per extra container van 80 liter bestemd voor restafval € 81,51 b. per extra container van 140 liter bestemd voor restafval € 142,61 c. per extra container van 180 liter bestemd voor restafval € 184,38 d. per extra container van 240 liter bestemd voor restafval € 245,84 e.
1ste extra container bestemd voor groente-, fruit- en tuinafval € 00,00 f. per extra container, boven de 1ste extra container, bestemd voor groente-, fruit- en tuinafval € 81,51 5. Voor het op aanvraag ophalen van grof huishoudelijk afval (zoals bankstellen, huishoudelijke apparaten etc).: - Het laten ophalen van grofvuil is tot 3 m³ per kalenderjaar is gratis. - Hierboven bedraagt het tarief per m³ € 96,67 6. Het omwisselen van een rolcontainer van groot naar klein is gratis. Het tarief voor het omwisselen van een rolcontainer van klein naar groot bedraagt € 26,48 7. Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. 8. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen hondenbelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting bedoeld in artikel 4 lid 1, lid 2 en lid 3, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.
Indien de belastingplicht, zoals bedoeld in artikel 4 lid 1, lid 2 en lid 3, in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht, zoals bedoeld in artikel 4 lid 1, lid 2 en lid 3, in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt. 5. De belasting zoals bedoeld in artikel 4 lid 4 en lid 5 is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening. Artikel 8 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag
Pagina
2.
3.
3 van 3
van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door een automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven in dat geval moeten de aanslagen worden betaald in negen opeenvolgende gelijke, met uitzondering van kleine afrondingsverschillen, maandelijkse termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later; De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 9 Kwijtschelding Een verzoek tot kwijtschelding van de afvalstoffenheffing moet worden ingediend bij de invorderingsambtenaar van de gemeente. Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening afvalstoffenheffing 2025" van 12 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening afvalstoffenheffing Aalsmeer 2026. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 december 2025.
De griffier,
De voorzitter,
H.R.E. Hofland
mr. G.E. Oude Kotte
Dit document is elektronisch ondertekend. Zie de elektronische handtekening(en) rechtsboven op pagina 1.
Signed By: Hofland, Heleen 2025-12-12T10:28:43+01:00 ID: 063aee8c-0218-4831-abe6-b51b562ebcff Auth: Scribble
Signed By: Oude Kotte, G.E. (Gido) 2025-12-12T08:11:49+01:00 ID: 063aee8c-0218-4831-abe6-b51b562ebcff Auth: Scribble
Besluit van de raad van de gemeente Aalsmeer tot vaststelling van de verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing Aalsmeer 2026
Zaaknummer: Z25-121455
De raad van de gemeente Aalsmeer; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de: Verordening Riool- en Waterzorgheffing Aalsmeer 2026 Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt: a. onder gemeentelijke riolering verstaan: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of onderhoud bij de gemeente, alsmede het voor de openbare dienst bestemde gemeentewater; b. onder water verstaan: huishoudelijk afvalwater of bedrijfsafvalwater (water en stoffen die worden afgevoerd via de gemeentelijke riolering), hemelwater of grondwater; c. onder eigendom verstaan een roerende of een onroerende zaak; d. onder verbruiksperiode verstaan de periode waarop de afrekening van het waterleidingbedrijf betrekking heeft; e. onder het ‘variabele bedrag’ wordt begrepen het voor een eigendom verschuldigde bedrag wegens het direct dan wel indirect afvoeren van afvalwater boven een hoeveelheid van zeshonderd (600) kubieke meters per jaar; f. onder het ‘vaste bedrag’ wordt begrepen het verschuldigde bedrag per eigendom; g. onder bedrijfsverzamelgebouw wordt verstaan een eigendom waar meerdere bedrijven in gevestigd zijn dan wel gevestigd kunnen worden.
Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
Pagina
a. b.
2 van 4
de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3 Belastbare feit en belastingplicht 1. De belasting als bedoeld onder art 2, wordt geheven van: a. degene die op 1 januari van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een eigendom verder te noemen: eigenarendeel b. degene die het gebruik heeft van een eigendom verder te noemen: gebruikersdeel. 2. Met betrekking tot het eigenarendeel wordt, ingeval het eigendom een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3. Met betrekking tot het gebruikersdeel wordt als gebruiker aangemerkt: a. degene die naar omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van het eigendom; b. ingeval een gedeelte van een eigendom ter gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte ter gebruik heeft afgestaan. 4. In afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel b juncto het derde lid wordt voor de heffing van de belasting als bedoeld in artikel 2, in de gevallen dat het een bedrijfsverzamelgebouw betreft waarbij er sprake is van één watermeter, als gebruiker aangemerkt, de eigenaar van het eigendom.
Artikel 4 Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld deel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belastingen geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. Artikel 5 Maatstaf van de heffing 1. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, wordt geheven naar een vast bedrag per eigendom. 2. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, wordt geheven naar een variabel bedrag voor het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd voor zo ver dat meer bedraagt dan zeshonderd (600) kuub. Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het eigendom is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de gebruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 3. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a.
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien de vaststelling van hoeveel opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 4. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of gepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd. 5. Indien een eigendom niet is voorzien van een door het waterleidingbedrijf verstrekte watermeter en/of een pompinstallatie als bedoeld in artikel 5, derde lid, en door vergelijking met soortgelijke eigendommen het vermoeden bestaat dat meer dan zeshonderd (600)
Pagina
6.
7.
3 van 4
kubieke meters afvalwater wordt afgevoerd, stelt de in artikel 231 Gemeentewet bedoelde ambtenaar de hoeveelheid afgevoerd afvalwater vast. Het bepaalde in artikel 5, vierde lid, lijdt uitzondering indien de gebruiker van een daar bedoeld eigendom een door burgemeester en wethouders goedgekeurde meetinstallatie aanbrengt, waarvan het waterverbruik kan worden afgelezen. In dat geval is artikel 5, tweede lid, van toepassing, met dien verstande dat de verbruiksperiode wordt gesteld op de aan het belastingjaar voorafgaande periode 1 januari tot en met 31 december. Indien de hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water in een voor een belastingjaar relevante verbruiksperiode niet, of onvoldoende, met toepassing van artikel 5, tweede lid, kan worden vastgesteld, stelt de heffingsambtenaar de hoeveelheid afgevoerd afvalwater vast.
Artikel 6 Belastinggrondslag en tarief 1. Het recht voor het eigenarendeel, als bedoeld in artikel 3, lid 1 letter a, bedraagt per perceel € 199,84 per jaar. 2. Het recht voor het gebruikersdeel, als bedoeld in artikel 3, lid 1 letter b, bedraagt € 105,57 per elke honderd m³, 100m³, of gedeelte daarvan, dat boven de hoeveelheid van zeshonderd m³, 600 m³, afvalwater per jaar op de gemeentelijke riolering is afgevoerd. 3. Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. 4. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen rioolrechten of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Vrijstelling 1.
Met uitzondering van een eigendom, roerend of onroerend, dat dient tot wonen, bestemd zijn om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen, wordt geen belasting geheven van eigendommen waarvan de waarde, die aan de ruimte dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen, € 50.000,00 of minder bedraagt, een en ander met uitzondering van die percelen waarvoor bij de waardebepaling met toepassing van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken de waarde buiten aanmerking wordt gelaten. 2. In afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste lid betreft deze vrijstelling niet die percelen die op 1 januari van het belastingjaar in aanbouw zijn, zoals bedoeld in artikel 17 lid 4 van de Wet waardering onroerende zaken, terwijl de voor het perceel vast te stellen waarde bij gereedkomen van het in aanbouw zijnde perceel het bedrag van € 50.000,00 naar verwachting zal overstijgen. Artikel 10 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. Ten aanzien van de verschuldigde belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a juncto artikel 5, eerste lid (vast bedrag) geldt dat de belasting verschuldigd is bij het begin van het belastingjaar. 2.
Ten aanzien van de verschuldigde belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b juncto artikel 5, tweede lid (variabel bedrag) geldt dat: a. de belasting verschuldigd is bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. b. indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Pagina
c.
4 van 4
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 11 Termijnen van betaling en invordering 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan minder is dan € 10.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door een automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven in dat geval moeten de aanslagen worden betaald in negen opeenvolgende gelijke, met uitzondering van kleine afrondingsverschillen, maandelijkse termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later; 3. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. 4. Bij de invordering van rioolheffing wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel 1.
De “Verordening rioolheffing 2025” van 12 december 2024 en de eventuele wijzigingen hierop wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026 4. Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening Riool- en Waterzorgheffing Aalsmeer 2026”.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 december 2025.
De griffier,
De voorzitter,
H.R.E. Hofland
mr. G.E. Oude Kotte
Dit document is elektronisch ondertekend. Zie de elektronische handtekening(en) rechtsboven op pagina 1.
Signed By: Hofland, Heleen 2025-12-12T10:28:43+01:00 ID: 063aee8c-0218-4831-abe6-b51b562ebcff Auth: Scribble
Signed By: Oude Kotte, G.E. (Gido) 2025-12-12T08:11:49+01:00 ID: 063aee8c-0218-4831-abe6-b51b562ebcff Auth: Scribble
Besluit van de raad van de gemeente Aalsmeer tot vaststelling van de Verordening forensenbelasting 2026
Zaaknummer: Z25-121455
De raad van de gemeente Aalsmeer; gelet op artikel 223 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de: Verordening forensenbelasting 2026 Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet. Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam "forensenbelasting" wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. 2. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Artikel 3 Vrijstellingen Niet belastingplichtig is degene die ter tijdelijk waarneming van een openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een vertegenwoordigend openbaar lichaam, waarvan hij het lidmaatschap bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft. Artikel 4 Maatstaf van heffing 1. De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen zoals die voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt, voor het tijdvak waarbinnen het belastingjaar valt, is vastgesteld. 2.
In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven naar de waarde, indien de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld met toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken.
Pagina
3. 4.
5.
2 van 3
In geval geen heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de waarde. De vaststelling van de waarde bedoeld in het tweede en derde lid geschiedt overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 220d van de Gemeentewet, met dien verstande dat daarbij artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken niet wordt toegepast. In afwijking van het in de vorige leden bepaalde wordt tevens een belasting geheven van caravans met een vaste standplaats voor meerdere jaren.
Artikel 5 Belastingtarief 1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt 0,3091% met dien verstande dat het te betalen bedrag minimaal € 345,00 zal bedragen. 2. Bij een heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 4 lid 5 of als er geen waarde bekend is bedraagt het tarief € 345,-. Artikel 6 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 7 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld De belasting is verschuldigd op het moment dat de gemeubileerde woning meer dan 90 dagen in het belastingjaar beschikbaar is gehouden als bedoeld in artikel 2. Artikel 9 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag worden betaald in één termijn welke vervalt op de laatste dag van de eerste maand volgende op die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voorzover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag. 3.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door een automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven in dat geval moeten de aanslagen worden betaald in negen opeenvolgende gelijke, met uitzondering van kleine afrondingsverschillen, maandelijkse termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later; 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijn. Artikel 10 Aanmeldingsplicht 1. De belastingplichtige als bedoeld in artikel 2, die voor de eerste maal een gemeubileerde woning in de zin van artikel 1 beschikbaar houdt, is verplicht om dat binnen een maand na de aanvang van het beschikbaar houden, te melden aan de heffingsambtenaar. 2. De verplichting als bedoeld in het voorgaande lid geldt niet voor de belastingplichtige die met betrekking tot het jaar voorafgaand aan het belastingjaar in de heffing van de forensenbelasting betrokken is. Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van de forensenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Pagina
3 van 3
Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening forensenbelasting 2025" van 12 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening forensenbelasting Aalsmeer 2026. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 december 2025.
De griffier,
De voorzitter,
H.R.E. Hofland
mr. G.E. Oude Kotte
Dit document is elektronisch ondertekend. Zie de elektronische handtekening(en) rechtsboven op pagina 1.
Signed By: Hofland, Heleen 2025-12-12T10:28:43+01:00 ID: 063aee8c-0218-4831-abe6-b51b562ebcff Auth: Scribble
Signed By: Oude Kotte, G.E. (Gido) 2025-12-12T08:11:49+01:00 ID: 063aee8c-0218-4831-abe6-b51b562ebcff Auth: Scribble
Besluit van de raad van de gemeente Aalsmeer tot vaststelling van de Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2026
Zaaknummer: Z25-121455
De raad van de gemeente Aalsmeer; gelet op artikel 221 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de: Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2026 Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. ruimte: een roerende woon- of bedrijfsruimte, welke duurzaam aan een plaats gebonden is en dient tot permanente bewoning of permanent gebruik; b. woonruimte: een ruimte waarvan de vastgestelde waarde in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de ruimte die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden; c. bedrijfsruimte: een ruimte die niet kan worden aangemerkt als woonruimte. Artikel 2 Belastingplicht 1. Onder de naam "belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten" worden terzake van binnen de gemeente gelegen ruimten twee directe belastingen geheven: a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een bedrijfsruimte, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. 2. Met betrekking tot de gebruikersbelasting wordt: a.
gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; b. het ter beschikking stellen van een bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld.
Pagina
3.
4.
2 van 4
Degene die een in het vorige lid, onder b bedoelde bedrijfsruimte in gebruik heeft gegeven of ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die ruimte of deel daarvan in gebruik is gegeven of ter beschikking is gesteld. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig bekend staat als gerechtigde tot een stand- of ligplaats, tenzij blijkt dat de gerechtigde op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 3 Belastingobject Als één ruimte wordt aangemerkt: a. binnen de gemeente gelegen ruimte; b. een gedeelte van een onder a genoemde ruimte dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt; c. een samenstel van twee of meer onder a genoemde ruimten of onder b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; d. het binnen de gemeente gelegen deel van een onder a genoemde ruimte, van een onder b bedoeld gedeelte daarvan of van een onder c bedoeld samenstel. Artikel 4 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de ruimte dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een bedrijfsruimte, met uitzondering van ruimten die zijn ingeschreven in het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het eerste lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met: a. de aard en de bestemming van de ruimte; b.
de sedert de stichting van de ruimte opgetreden technische en functionele veroudering waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. 3. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een ruimte in aanbouw bepaald op de vervangingswaarde, bedoeld in het tweede lid. Onder een ruimte in aanbouw wordt verstaan een roerende zaak of gedeelte daarvan waarvoor een bouwvergunning in de zin van de Woningwet is afgegeven en dat door bouw nog niet geschikt is voor gebruik overeenkomstig de beoogde bestemming. 4. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een woonruimte dat deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden bepaald met inachtneming van een veronderstelde verplichting om het landgoed gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen anders dan volgend de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Ruimten die dienstbaar zijn aan de woonruimte worden geacht deel uit te maken van die woonruimte. 5. Met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel d, wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde die dient te worden toegekend aan de gehele ruimte. Artikel 5 Vrijstellingen 1.
In afwijking van artikel 4 wordt bij het bepalen van de maatstaf van heffing in elk geval buiten aanmerking gelaten de waarde van: a. glasopstanden, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit cultuurgrond die bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd ten behoeve van de land- of bosbouw. Onder cultuurgrond wordt mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
Pagina
3 van 4
b.
2.
3.
ruimten die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; c. ruimten die ten behoeve van waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige ruimten die dienen als woning; d. ruimten die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige ruimten die dienen als woning; e. werktuigen die van een ruimte kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als ruimten zijn aan te merken; f. bedrijfsruimten voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige roerende bedrijfsruimten die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; g. ruimten voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning.
De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel f van het eerste lid bedoelde ruimten geldt niet voor de eigenarenbelasting voor zover de gemeente van die ruimten niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de bedrijfsruimte die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.