Agendabundel
Tekst van het document
Omdat elk jaar de prijzen stijgen, worden alle bedragen gecorrigeerd met een uitkeringsfactor. De uitkeringsfactor wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld tot drie cijfers achter de komma. In 2020 is de factor 1,612. Voor de berekening: €5.083.777 x 1,612 = €8.195.049. Nu heeft dit helemaal niks met de bijdrage voor jeugdhulp te maken, maar hopelijk is het idee van de ingewikkelde berekening nu een beetje duidelijk. In het gemeentefonds zijn er maar liefst 85 van dit soort onderwerpen waarvoor de gemeente geld krijgt13. De officiële term voor zo’n onderwerp is trouwens ‘uitkeringsmaatstaf’. En per maatstaf is er dan weer per onderwerp (zoals jeugdhulp) een vergoeding. Gemeentefinanciën zijn complex. Echt.
12
Kosten en rijksbijdragen door de jaren vergelijken is financieel-technisch vanuit de BBV bijzonder complex gemaakt door wijzigingen door de jaren heen. In het rapport van It’s Public waarover in hoofdstuk 5 meer staat, zijn daar allerlei correcties gemaakt. Wie echt het naadje van de kous wil weten, verwijzen we daarheen. 13 Wie nu benieuwd is welke onderwerpen er zijn en hoeveel geld Aalsmeer daarvoor krijgt, kan even doorbladeren naar bijlage 2. Daar staan ze allemaal met de bedragen voor Aalsmeer erbij.
18
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
Voor de berekening van de rijksuitkering voor alleen nog maar jeugdhulp tellen niet minder dan 19 onderwerpen mee. De belangrijkste is logischerwijs het aantal inwoners in een gemeente onder de 18 jaar. Tweede is het aantal mensen met een andere uitkering dan bijstand. Daarna telt het aantal ouders met langdurig psychisch medicijngebruik het zwaarste mee. Volgende onderwerp is het aantal huishoudens met een ouder en dan een extra bedrag voor eenouderhuishoudens met meer dan een kind. Daarna volgen een heleboel kleine bedragen. Maar opvallend genoeg zijn er ook vier onderwerpen waarmee weer geld van de uitkering wordt afgetrokken. Leerlingen op basisscholen met een ‘laag leerlinggewicht’ zorgen voor aftrek. Ouders met een hoge opleiding geven hun kinderen een laag leerlinggewicht. En daarvoor krijgt de gemeente dus aftrek. Een nog veel grotere aftrek is er voor hoge inkomens. Op een rij ziet voor Aalsmeer het model er dan zo uit:
Bovenstaand model onthult waarom Aalsmeer zoveel minder krijgt dan omliggende gemeenten: betrekkelijk veel mensen met een hoog inkomen. En omdat mensen met een hoog inkomen vaak een hoge opleiding hebben, heeft Aalsmeer daarom nogal wat aftrek door kinderen met laag leerlinggewicht. Kort en goed: doordat in Aalsmeer betrekkelijk veel hoog opgeleide, goed verdienende mensen wonen krijgt Aalsmeer minder uit het gemeentefonds. De laatste stap om zeker te weten of het echt klopt dat inwoners van Aalsmeer zoveel verdienen en zo hoog zijn opgeleid, vergelijken we de 12 onderwerpen met gemiddeld Nederland. Dat ziet er zo uit:
19
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
Bovenstaande figuur toont dat Aalsmeer op de onderwerpen die geld opleveren veel lager scoort dan Nederland gemiddeld. Zo wonen er in Aalsmeer 72% minder bijstandontvangers dan in Nederland gemiddeld en daardoor krijgt Aalsmeer op dit onderwerp ook 72% minder dan gemiddeld. Op de onderwerpen die juist voor aftrek zorgen, scoort Aalsmeer steeds hoger. Zo is bij een hoger inkomen de aftrek in Aalsmeer 50% hoger omdat er zoveel meer rijkere gezinnen wonen. De rijksvergoeding aan gemeenten is zo samengesteld dat vooral gemeenten met veel arme gezinnen, bijstandsuitkeringen, kinderen met achterstand op school, ouders met psychische problemen en eenoudergezinnen extra geld krijgen. En die zijn er naar verhouding in Aalsmeer heel weinig. Het model trekt verder geld van de uitkering af als er veel gezinnen zijn met een hoog inkomen en een hoge opleiding. En daar heeft Aalsmeer er dan naar verhouding weer heel veel van. Kortom: Aalsmeer heeft weinig arme eenoudergezinnen met een uitkering en veel rijke, hoogopgeleide gezinnen en krijgt daarom naar verhouding minder geld dan gemeenten die dat wel hebben.
4.3 Hoe houdt de gemeente Aalsmeer de kosten in de gaten? De gemeente betaalde sinds 2015 dus een flink deel van de kosten voor jeugdhulp uit de eigen beurs omdat de rijksbijdrage uitgaat van lagere kosten vanwege de hoge inkomens en opleiding in Aalsmeer. Vervolgvraag is dan waarom de gemeente zoveel meer uitgeeft dan uit het gemeentefonds beschikbaar komt. Houd de gemeente de hand wel voldoende op de knip? Na de invoering van de methode ‘Spics’ in 2018 stegen de kosten aanzienlijk. Wanneer de kosten af worden gezet tegen het aantal inwoners en het aantal klanten geeft dat een dit beeld:
In 2015 gaf Aalsmeer per inwoner onder de 18 jaar €541 uit aan jeugdhulp. In 2020 steeg dat naar €1.028 per jeugdige inwoner. Een stijging van meer dan 90%. Omdat de rijksbijdrage in dezelfde periode met 17% steeg (zie p17) is het wel begrijpelijk dat Aalsmeer tekort komt op jeugdhulp. De kosten per klant stegen ook, van €6.289 naar €8.050. Toch is deze best behoorlijke stijging met 28% niet de belangrijkste reden van de totale kostenstijging. Ruwweg een derde van de kostenstijging komt doordat de behandelingen per kind duurder werden. De overige tweederde van de stijging komt dus doordat er meer kinderen jeugdhulp krijgen. Een sluitende analyse14 waarmee 14
Wat bedoelen we eigenlijk met een analyse? Een analyse is een sluitende cijfermatige verklaring van een verschil. Dus laten we als voorbeeld nemen de kosten voor jeugdhulp in 2017 en 2018. Die stegen van van €4,6m naar €6,3m. Een analyse zou dan zijn: de stijging van €1,7m komt voor €0,3m door extra jongeren, voor €1,0m doordat bestaande aanbieders meer factureerden voor hetzelfde aantal behandelingen en voor €0,4m uit nabetalingen van vorig jaar. LET OP: dit is een geheel verzonnen analyse. Maar iets dergelijks zou bij iedere afwijking, dus tussen jaren en tussen begroting en werkelijke cijfers, gemaakt moeten worden in de ogen van de Rekenkamer.
20
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
dit bevestigd wordt, kan de gemeente Aalsmeer helaas niet geven. Een terugkerend probleem is dat de betalingen van zorg en de kosten van zorg in twee verschillende IT-systemen staan. Deze op elkaar aansluiten is een tijdrovend proces en vertraagd de oplevering van rapportages. Sinds 2020 krijgt de raad van het college een dashboard over jeugdhulp. Hierin staan cijfers en overzichten van de stijgende kosten. Deze cijfers komen niet uit de boekhouding maar uit een ander systeem, waarin de behandelingen bij worden gehouden. Tussen de cijfers in de boekhouding en het dashboard zitten verschillen. Het bleek tijdens dit onderzoek onmogelijk met de cijfers uit het dashboard de stijging van de kosten inzichtelijk te krijgen. Zo is gevraagd naar een overzicht van de kosten van grote aanbieders. Wie krijgt wat en hoe ligt dat tussen 2015 en 2020. Is niet te maken. Waaraan werd in 2015 en 2020 het geld uitgegeven? Is niet sluitend te verklaren door de gemeente Aalsmeer. Nu was jeugdhulp in 2014 voor gemeenten nog gedeeltelijk nieuw. Daarom werd de begroting gemaakt door het bedrag dat vanuit het Rijk via gemeentefonds gaf voor jeugdhulp geheel over te nemen. In de jaren daarna werd duidelijk dat het bedrag van het gemeentefonds meer dan onvoldoende was en werd de begroting daarom maar verhoogd tot de kosten van het voorgaande jaar.
Zeker toen in 2018 het nieuwe inkoopmodel begon, stegen de kosten. Om een begroting te maken kan je uitgaan van de kosten van het vorige jaar en er dan wat bijdoen, of afdoen al naar gelang de politieke wind waait. Beter is echter het een zo zorgvuldig mogelijke inschatting te maken van de te verwachten kosten. Na een aantal jaren wist Aalsmeer immers welke behandelingen werden gegeven, hoeveel jeugdigen er zijn en hoeveel kosten dat zou geven. Wanneer je daarmee begint, gaat in het begin natuurlijk van alles mis. Maar al doende leert men. En wanneer je maandelijks of per kwartaal nauwgezet analyseert waar de verschillen door zijn veroorzaakt (zie de noot op de vorige pagina) dan word je steeds beter in begroten. De begroting wordt ook in 2021 nog steeds niet berekend door het verwachte aantal behandelingen te schatten op basis van ervaringscijfers van de afgelopen jaren, maar door de echte kosten te verhogen met een percentage dat in overleg door het college en de organisatie werd bepaald. Het percentage betreft effecten van indexatie, cliënt groei, soms zorgzwaarte en soms zijn er specifieke ontwikkelingen zoals projecten die worden (mee)begroot. Onder druk van de raad is meermaals in de meerjarenbegroting een teruggang van de kosten in de begroting gezet. Maar of dat komend jaar uitkomt, valt niet te voorspellen.
Uit het onderzoek blijkt dat de gemeente Aalsmeer geen plan heeft om de begroting op een andere manier te maken. Een inschatting van het aantal behandelingen op grond van ervaringen in vorige jaren en een voorspelling van het aantal jeugdigen maakt de gemeente niet. Het bedrag in de begroting is een geschat bedrag. Bij een begroting van bijna €9 miljoen is het de vraag of dat toereikend is. Het is mogelijk zijn een redelijk accurate begroting te maken. Zelfs op maandbasis. De werkelijke kosten kunnen daarnaast worden gezet en zo kan elke maand zichtbaar worden gemaakt waar de verschillen ontstaan. Een ander punt is de verplichtingenadministratie. Zodra de gemeente een beschikking afgeeft of een melding krijgt van zorg die door een arts of school is begonnen, ontstaat een financiële verplichting van de gemeente aan de zorgaanbieder. Je kunt dan ook een rekening verwachten, die komt zeker (zij het soms een beetje laat). Uit het onderzoek is gebleken dat voor de behandeling begint al best duidelijk is wat de zorg kost, of in totaal als Spic, of als maandelijks bedrag. Ook is gebleken dat bij Spics de gemeente vrijwel altijd het volle pond betaalt. En bij maandelijkse zorg zou je een grens kunnen opnemen, wat trouwens niet gebeurt. De gemeente weet eigenlijk al helemaal aan het begin en nog voor iemand zorg krijgt, en bijna precies hoeveel dat gaat kosten.
Wanneer je dat alvast in de administratie zet, weet je vooraf al wat je hebt uitgegeven. Hoe mooi is dat? Nu weet de gemeente dat pas als de rekening ook echt in de post zit. Dat is achteraf en soms ook heel erg achteraf. Uit het onderzoek bleek dat soms rekeningen een jaar te laat worden 21
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
opgestuurd. Die was de zorginstelling vergeten. Voordeel van de verplichtingenadministratie is dat op ieder moment duidelijk is hoeveel geld nog over is. En je kunt per maand overzichten maken van wat is verstrekt in plaats van welke rekeningen zijn betaald. Een nadeel van een verplichtingenadministratie is dat die ingericht moet worden en daarna zorgvuldig gebruikt. Iedere beschikking moet onmiddellijk worden geregistreerd zodat je direct weet hoeveel geld je uit hebt gegeven en nog over is. Het kost dus tijd.
4.4 Hoeveel gaf Aalsmeer uit aan de interne afdeling voor jeugdhulp? In Amstelveen voert de ambtelijke organisatie voor Aalsmeer en Amstelveen alle ambtelijke taken uit. Dat kost natuurlijk ook geld en de vraag is nu hoe die kosten in de afgelopen jaren zijn gelopen. In het eerste jaar werkten iets meer dan vier vaste voltijdsbanen voor de jeugdhulp in Aalsmeer. Wel werkten er toen veel uitzendkrachten. In 2019 werkten meer mensen in vaste dienst.
De kosten voor de eigen organisatie stegen van een half miljoen naar €1,6 mln. in 201915. Als we alle kosten voor jeugdhulp in Aalsmeer bij elkaar optellen, dus de kosten voor de eigen organisatie en de zorgaanbieders dan stijgen de kosten van €3,9 miljoen in 2015 naar €8,8 miljoen in 2021. Een verdubbeling van de kosten en een stijging die nog steeds door lijkt te gaan.
15
Tussen ambtelijk en bestuurlijk wederhoor kreeg de rekenkamer een mail die stelde dat de cijfers voor de eigen organisatie te hoog zijn. Wat de juiste cijfers over de drie getoonde jaren zijn, werd niet vermeld.
22
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
4.5 Wat zijn de belangrijkste punten in dit hoofdstuk?
23
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
5 - Jeugdhulp in Aalsmeer door de ogen van zorgaanbieders en raad Dit onderzoek naar jeugdhulp levert een aantal opvallende punten op die u heeft kunnen lezen. Na overleg met griffie en auditcommissie hebben we daarom extra onderzoek gedaan naar de uitvoering van de jeugdhulp in de ogen van de zorgaanbieders en artsen.
5.1 Hoe kijken aanbieders aan tegen jeugdhulp in de gemeente Aalsmeer? Uit dit onderzoek bleek al dat aanbieders veel vrijheid krijgen. Ze bepalen zelf het aantal behandelingen en krijgen volledig betaald ook als niet alle behandelingen zijn gegeven. De gemeente weet nauwelijks of de behandeling effect sorteert en bij de meeste verwijzingen door artsen is de gemeente geen gesprekspartner. En laat de artsen nu de meeste kinderen verwijzen. Daarom is dit onderzoek uitgebreid om ook hun kant van het verhaal op te tekenen.
5.1.1 Wat zegt de koepel van huisartsen - Hagro Aalsmeer Alle huisartsen in Aalsmeer zijn aangesloten bij de Hagro (huisartsengroep) Aalsmeer. In 2019 schreef de gemeente nieuw beleid voor de jeugdhulp, maar de huisartsen werden daar niet bij betrokken. Vanuit hun ervaring en expertise was het fijn geweest als de huisartsen hierbij wel betrokken worden. In buurgemeente Uithoorn schreven instellingen uit de eerste lijn, zoals huisartsen mee aan het beleid. Voordeel hiervan is dat de kennis van de huisartsen gebruikt wordt en gezamenlijke doelen opgesteld kunnen worden. De samenwerking tussen huisartsen en de gemeente Aalsmeer is goed. Indien nodig worden huisartsen bij projecten gevraagd mee te denken zoals bij “Jongeren op gezond gewicht”. Over verwijzingen van huisartsen naar externe zorgverleners is tussen gemeente en artsen geen contact. In de dagelijkse praktijk verwijzen artsen na één of meerdere consulten naar externe zorgverleners. Huisartsen hebben naast hun opleiding van 10 jaar en ervaring geen aparte opleiding gekregen voor jeugdhulp. Een huisarts verwijst een jongere naar zorg die hij of zij nodig acht. De kosten van externe zorg kent de arts niet dus dat weegt niet mee in de verwijzing. Voor huisartsen is het aantal verwijzingen of de kosten daarvan voor de gemeente niet van belang. Wel proberen ze zoveel mogelijk naar de basis GGZ te verwijzen.
De gemeente koppelt geen informatie aan de huisartsen terug over hun verwijsgedrag. In de ogen van de huisartsen is verbetering in de samenwerking tussen huisartsen en de gemeente nog wel mogelijk. Bestuurlijk heeft de gemeente twee keer per jaar overleg met bestuurders van de koepel. Dit gaat onder meer over zorg en welzijn. Over jeugdhulp is sinds 2019 niet meer met de wethouder uit Aalsmeer gesproken. Tussen gemeente en huisartsen is nooit bestuurlijk gesproken over de kosten van jeugdhulp en het verwijsgedrag van de artsen. De Hagro wijst nog wel op het in hun ogen grote probleem van de wachtlijsten. Belangrijk is dat de kinderen met name in een crisissituatie binnen 24 uur geholpen worden. Tot verbazing van de artsen stelt de gemeente bij de nieuwe aanbesteding dit jaar maar liefst 90 eisen waaronder een HKZ-certificaat. De Hagro voorziet dat kleinere aanbieders afhaken omdat de eisen hen boven het hoofd groeien. Daarmee blijven minder aanbieders over, terwijl er nu al wachtlijsten zijn. De logica hiervan ontgaat hen. Het is een voorbeeld van beleid dat de gemeente zonder overleg van de huisartsen opstelt. En in hun ogen onbegrijpelijk beleid. Sinds kort is de praktijkondersteuner GGZ-jeugd (POH-er) begonnen. Dit biedt twee voordelen. Als eerste kan de POH-er kinderen vrij snel zelf behandelen en daarmee een duurdere verwijzing voorkomen.
Een tweede voordeel is dat de POH-er de kinderen bij de juiste zorgverlener kan krijgen omdat de kennis van alle zorgverleners en mogelijke wachtlijsten bij haar of hem bekend is. Bij een verwijzing is de huisarts altijd betrokken. De Hagro en gemeente maakten afspraken over de doelen van de nieuwe functie, het dienstverband en de kosten. De gemeente heeft de POH-er in dienst en detacheert die bij de huisartsen. De aanstelling liet op zich wachten door het maken van de afspraken en de tijd die het kostte om mensen te vinden. Zorgpersoneel is schaars.
24
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
5.1.2 Wat zegt een aanbieder in het ‘B-segment’? Deze aanbieder krijgt 85% van de verwijzingen naar hun praktijk van artsen en de rest van de gemeente. De gemeente stuurt de behandelaar een uitgebreid ‘Perspectiefplan’ terwijl de arts een briefje van maximaal vier regels met informatie over het kind stuurt. Dat verschilt dus nogal. Toch heeft de behandelaar een voorkeur voor de korte verwijzing. De informatie in een Perspectiefplan is vaak niet relevant en wordt meestal niet gebruikt. Alleen bij gezinnen met meerdere kinderen in zorg heeft het waarde. Een verwijzing door een huisarts heeft nog een ander voordeel: het is veel sneller. Het opstellen van een Perspectiefplan neemt tijd en uit dit onderzoek bleek al dat dit tot een maand kan duren. Een vierregelig briefje is natuurlijk ook veel sneller klaar. Voor de ouders is dit vaak een belangrijk punt en de zorgverlener hoorde van ouders dat ambtenaren van de gemeente aan ouders adviseren bij haast het kind niet bij de gemeente maar bij de huisarts aan te melden. De verwijzing is dan vrijwel direct beschikbaar. De aanbieder schrijft in overleg met ouders en kind een behandelplan en stuurt dat naar de gemeente. Dit accepteert de gemeente altijd. Vragen over aantal behandelingen of kosten heeft de gemeente nog nooit gesteld. Als de behandeling eenmaal van start gaat, is er geen contact meer met de gemeente over de inhoud daarvan.
Behalve als de ambtenaar van de gemeente zelf betrokken is en opbelt. Dat gebeurt vooral als meerdere kinderen uit een gezin hulp krijgen. Over de hulp die na een verwijzing van een huisarts wordt gegeven, heeft de gemeente nog nooit een inhoudelijke vraag gesteld. Als de behandeling klaar is, controleert de gemeente de resultaten niet. Ook worden de doelen uit het Perspectiefplan niet gecontroleerd. Maar goed, die werden toch al niet overgenomen. De zorgverlener spreekt zelf wel met de ouders en kind over het resultaat. Door dit naast het behandelplan te leggen, gaat de behandelaar na of de hulp effect had. Maar deze informatie krijgt de gemeente niet. De huisarts wel. Kinderen vallen op allerlei plekken af, dat gebeurt nu eenmaal in de jeugdhulp. De ouders en het kind hebben een beschikking voor de start van het traject. En als ze na het eerste gesprek niet meer komen, sluit de behandelaar af, maar stuurt geen eindfactuur. De gemeente hoort niet dat ouders en kind zijn afgehaakt. De huisarts wel. Deze aanbieder vindt het volstrekt normaal om in dit soort gevallen geen eindfactuur te versturen, maar het is kinderlijk eenvoudig dat wel te doen. Hierop is volgens deze aanbieder geen controle door de gemeente.
5.1.3 Hoe kijkt een aanbieder uit het ‘C-segment’ tegen jeugdhulp in Aalsmeer aan? Bij deze aanbieder van segment C komt de verwijzing vrijwel altijd via de gemeente. De aanbieder start het traject altijd met een schone lei, maar het perspectiefplan van de gemeente bevat veel informatie. In het gesprek met de ouders ontstaat een beeld of de aanbieder passende zorg kan geven. Vooraf maakt de aanbieder een plan dat besproken wordt in het gesprek met ouders, de gemeente en de hulpverlener. De aanbieder heeft korte lijntjes met de gemeente. Het overleg met de gemeente over het behandelplan gaat over de inhoud, maar niet over dat het goedkoper moet of kan. De aanbieder signaleert soms zelf dat een SPIC omlaag kan en neemt dan op eigen initiatief contact met de gemeente. De gemeente belt of mailt ook niet met vragen over de noodzaak van de voortzetting van de maandelijkse behandelingen. Er is wel overleg met de gemeente over gezinnen die meer zorg nodig hebben, dat zijn dan situaties met een forse overschrijding. In dat geval gaat de aanbieder in overleg met de gemeente vaak Spics stapelen. Aan het eind van de looptijd van de beschikking van maximaal twee jaar is er overleg met de ouders. Van dit gesprek maakt de aanbieder een verslag, maar dat krijgt de gemeente niet. De gemeente houdt zelf een enquête maar de resultaten krijgt deze aanbieder niet.
Hoe de gemeente de kwaliteit van de zorg beoordeelt, weten ze niet. De aanbieder wil graag een vast aanspreekpunt bij de gemeente.
5.2 Hoe kijkt de raad tegen de jeugdhulp aan? Op 15 juni heeft de rekenkamer de bevindingen gedeeld met de woordvoerders Jeugd. De woordvoerders herkenden veel bevindingen, maar nieuw was voor velen het totaalbeeld. Het antwoord op de vraag waarom de gemeente Aalsmeer relatief zo weinig geld uit het Gemeentefonds ontvangt voor Jeugd vonden woordvoerders verhelderend. Met name het aspect 25
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
dat op basis van de maatstaven van het gemeentefonds het geld vooral is bedoeld voor sociaal zwakkere gezinnen. De rekenkamer sprak met de woordvoerders ook over preventie, een belangrijk doel van de Jeugdwet. Preventie zou grotere problemen voorkomen en daarmee kosten besparen.16 Nu valt preventie bij jeugdigen deels onder de Wet publieke gezondheid en deels onder de Jeugdwet, zoals jeugdwelzijnswerk. Maar de woordvoerders waren het erover eens dat de verantwoordelijkheid in de eerste plaats bij de ouders van de kinderen ligt. En dat ze eerst hun eigen sociale netwerk en familie in moeten zetten voor ze naar de gemeente kijken. In het gesprek werd duidelijk dat preventie kan betekenen dat je vroeg problemen ziet en aanpakt voor het groter wordt. Maar preventie is ook voorlichten en adviseren zodat ook geen kleine problemen ontstaan. En voorlichting en advies is in de ogen van raad een manier om dat te doen. De raad heeft de vrijheid hier geld voor vrij te maken. Enige tijd stonden de raadsleden stil bij de tijd die het kost vanaf de aanmelding tot de start van de behandeling en de beëindiging daarvan. Aangegeven werd dat een systematische aanpak om de kwaliteit van iedere behandeling te controleren, zonder tot een overdreven administratie te komen, in de ogen van de woordvoerders nodig is.
Hiermee controleert de gemeente dan gelijk ook de kwaliteit van het proces en het resultaat van de behandeling. De tevredenheid van cliënten zou ook breder gemeten moeten worden dan de beperkte 21% van de populatie nu, zo vinden raadsleden. En gaven ze aan dat zorg niet nodeloos door moeten lopen. Tot slot is er ook gesproken over de inzet van de eigen organisatie. De eigen organisatie verleent met name preventieve en licht ambulante jeugdhulp. Dit is o.a. gezinsondersteuning bij opvoeden.
5.3 Wat zijn de belangrijkste punten in dit hoofdstuk?
16
Preventie in de Jeugdwet | Loketgezondleven.nl
26
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
6 - Lessen uit landelijk onderzoek en de bevindingen in Aalsmeer Met de Jeugdwet wilde het kabinet de jeugdhulp verbeteren en de kosten verlagen. Inmiddels is bekend dat die lagere kosten vooral voor de rijksoverheid gelden, de gemeenten betalen veel meer dan de vergoeding van het rijk. En omdat de bedragen inmiddels oplopen tot €1,7 miljard per jaar is dat voor de gemeenten een hard gelag. Aalsmeer is een van die gemeenten die tekort komt. In de laatste jaren is landelijk, bij andere gemeenten en ook bij Aalsmeer zelf onderzocht wat daaraan kan worden gedaan. Dit hoofdstuk zet de belangrijkste aanbevelingen uit die onderzoeken hoe de kosten te lijf kunnen worden gegaan op een rij.
6.1 Landelijk onderzoek laat een jaarlijks gat van €1,7 miljard zien In opdracht van de ministeries van VWS, BZK, Financiën en Veiligheid & Justitie heeft het bureau Andersson Elffers Felix samen met het Verwey - Jonker Instituut onderzocht hoe het met de jeugdhulp gaat17. Nou niet zo goed, jaarlijks steken de gemeenten samen €1,7 miljard meer geld in de jeugdhulp dan de rijksbijdrage. Hoe kan dat? Voor Aalsmeer zijn deze punten van belang18: 1.
2.
3.
4.
Het aantal klanten is sinds 2015 met 16% gestegen. Vooral ambulante zorg is flink gestegen. In Aalsmeer is de stijging een stuk groter: 27% of 58%, net welk cijfer je gebruikt. Dat van het CBS of uit de jaarrekening van Aalsmeer. De kosten stijgen flink doordat klanten niet snel genoeg uitstromen. Zorg begint wel maar de gemeente en zorgverlener geven de klanten langer zorg dan vroeger. Dit speelt ook in Aalsmeer. Wanneer een kind zorg krijgt met een maandelijkse vergoeding dan spreekt de gemeente doorgaans geen specifieke einddatum af. Hierdoor duurt de zorg automatisch twee jaar. Na een jaar neemt de jeugdhulpverlener van het team Jeugd doorgaans wel contact met de aanbieder op. Naast meer klanten, nemen ook de kosten per klant toe. In heel Nederland stijgen de kosten met 16% per klant. Ook in Aalsmeer stijgen de kosten per kind, maar met 11%. Volgens het onderzoek kan dit komen doordat het aantal behandelingen van klanten toeneemt. Aanbieders zouden hogere intensiteiten kiezen om niet tekort te komen. Het gemiddelde inkomen van gezinnen met jeugdhulp stijgt. Niet alleen kinderen uit gezinnen met lage inkomens zoeken hulp via de gemeente. De gezinnen met hogere inkomens weten de gemeente nu ook te vinden. Het onderzoek laat verder zien dat de zorg bij armere gezinnen niet is toegenomen.
Dit is opmerkelijk omdat verwacht werd dat de gemeente beter dan de provincie weet wat bij de inwoners speelt. Ook in Aalsmeer is zichtbaar dat ouders de gemeente gemakkelijker weten te vinden voor lichte opvoedproblemen.
Het rapport geeft ook een aantal oplossingen die tot lagere kosten in gemeenten hebben geleid en dus bij gemeenten die de maatregelen nog niet hebben genomen mogelijkheden geven. Wat is voor Aalsmeer interessant: 19? 1.
2.
Een praktijkondersteuner bij de huisartsen kan landelijk meer dan €62 miljoen besparen en nu is Aalsmeer hiermee begonnen, dus dat belooft een besparing. Fijne bijkomstigheid is dat uit het onderzoek blijkt dat ouders en kinderen deze steun positief ervaren. Sommige kinderen vallen ook onder de Wet langdurige zorg en die betaalt de gemeente niet. Als de gemeente de informatie op orde heeft kan ze meehelpen om die indicatie rond te krijgen en zelf zo besparen. De besparing is landelijk minimaal €59 miljoen en
17
Het rapport is hier op te vragen. Een onderzoek naar de financiële tekorten in de jeugdhulp, AEF, december 2020, pagina 12-16. 19 Een onderzoek naar de financiële tekorten in de jeugdhulp, AEF, december 2020, pagina 25--31. 18
27
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
3.
vergelijkbaar met de praktijkondersteuner. Aalsmeer doet dit nu niet systematisch, maar als de jeugdhulpverlener denkt dat de jeugdige valt onder de doelgroep van de WLZ, wordt ouders geadviseerd een aanvraag bij het CIZ te doen. Indien dit systematisch wordt aangepakt is hier misschien nog een besparing mogelijk. Opmerkelijk is de suggestie kinderen van medisch kinderdagverblijven naar de reguliere kinderopvang over te plaatsen. Dit bespaart landelijk jaarlijks minimaal €49 miljoen doordat ouders hier verplicht aan meebetalen. Bij het rijk leidt dit tot extra kosten maar vermoedelijk vindt niemand bij gemeenten dat een groot probleem. Aalsmeer doet dit nu nog niet. Kanttekening hierbij is dat deze groep kinderen doorgaans niet worden toegelaten door de reguliere kinderopvang (commerciële sector) waardoor één op één overplaatsen niet aan de orde is. Wel wenst Aalsmeer in de toekomst een experiment te starten rondom de BSO+ om dit soort overplaatsing te bevorderen.
Het onderzoek legt ook bloot dat veel gemeenten tegen verdergaande maatregelen aanhikken. Politieke keuzes worden bij jeugdhulp niet vaak gemaakt maar gezien de hoge kosten zijn hier wel mogelijkheden, ook voor Aalsmeer: 20 1.
2.
3.
20
Voer een discussie over het maximale niveau van jeugdhulp. De lokale politiek zal zich ten lange leste toch uit moeten spreken hoeveel geld de gemeente overheeft voor het welzijn van gezinnen met kinderen. Dit raakt ook het punt dat in Aalsmeer al werd gemaakt: ‘moet het een Ferrari zijn of is een Fiat Panda ook goed?’ Uit het onderzoek blijkt dat vroegsignalering en preventie niet tot lagere kosten leidt maar juist tot hogere kosten. Dat is tegen de alom aanwezige gedachte dat je ‘er niet vroeg genoeg bij kunt zijn’. In Aalsmeer is ook gebleken dat door het verlagen van de drempel voor jeugdhulp de verwijzingen toe zijn genomen en de kosten ook behoorlijk. De onderzoekers suggereren meer te ‘normaliseren, demedicaliseren en uit te gaan van eigen kracht’. De Jeugdwet zou hiervoor aanknopingspunten bieden maar die gebruiken weinig gemeenten nog. Aalsmeer kan op dit punt ook aan de slag zo bleek eerder.
Een onderzoek naar de financiële tekorten in de jeugdhulp, AEF, december 2020, pagina 25--31.
28
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
6.2 Bijna alle gemeenten komen tekort aan de rijksbijdrage voor jeugdhulp Op 30 maart 2021 publiceerde It’s Public een rapport21 waarin voor alle Nederlandse gemeenten is berekend hoeveel ze over hielden of tekort kwamen aan de rijksbijdrage voor jeugdhulp. Nou, in Nederland houden maar 11 gemeenten iets over en alle andere gemeenten komen eraan tekort. We hebben dit rapport bestudeerd en contact opgenomen met het bureau. Hoe komt Aalsmeer uit deze benchmark:
Van de 352 Nederlandse gemeenten komt Aalsmeer op plek 36 met een tekort van 64% op de bijdrage van het rijk. Heel Nederland heeft een tekort van 30%. Aalsmeer doet het dus ongeveer twee keer zo slecht als Nederland gemiddeld. Opvalt dat Amstelveen ook hoog in deze lijst staat. Maar deze gemeente heeft vrijwel dezelfde uitvoering van jeugdhulp dus gek is dat niet.
6.3 Is nog wat te leren van andere gemeenten? Veel gemeenten laten onderzoeken wat de oorzaak van de kostenstijgingen is en wat ze eraan kunnen doen. Die kunnen we hier natuurlijk niet allemaal op een rij zetten. Maar we willen enkele aanbevelingen die we kennen om de kostenstijgingen te temmen u niet onthouden: 1.
2.
3.
4.
5.
21
De gemeente Culemborg zet in de contracten met de zorgaanbieders dat zij nooit meer zorg mogen geven dan nodig. De contracten hebben prikkels om zorg niet te lang door te laten lopen. In Aalsmeer is geen mechanisme om langdurige zorg te beperken. Hierdoor is dat een interessante gedachte. De gemeente Weststellingwerf gaat de begroting maken met de ervaringscijfers van de afgelopen jaren in plaats van het verhogen van het bedrag van vorig jaar. Hierbij kan ook rekening worden gehouden met de afname van het aantal kinderen. Dit speelt ook in Aalsmeer waar geen schatting van zorg wordt gemaakt voor de begroting. De gemeente Opsterland overlegt met zorgaanbieders zodra die de maximale intensiteit kiezen en overleggen of minder ook kan. Dit doen ze nu twee jaar en het bespaart iedere maand rond de €100.000. De gemeente Ooststellingwerf geeft de raad elk kwartaal een overzicht van de werkelijke kosten vergeleken met de begroting. Afwijkingen worden geanalyseerd en verklaard. Daarmee maken ze een prognose voor het hele jaar. De gemeente Utrecht waar hulpverleners ouders vaker stimuleren om zelf oplossingen te zoeken. De insteek is problemen in opvoeden horen erbij en in eerste instantie voorlopig
Zie hier.
29
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
niet meteen onderzoek doen. Het beleid is “normaliseren en de-medicaliseren”, waardoor het aantal beschikkingen en verwijzingen voor specialistische zorg significant is gedaald. Maar ook omdat de gemeente Utrecht voor een aanbieder koos voor de basis jeugdhulp en voor reflecteren en leren van casuïstiek.
6.4 Wat zijn de belangrijkste punten in dit hoofdstuk?
30
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
7 - Conclusies en aanbevelingen Dit rapport sluit af met conclusies uit het onderzoek en stelt aanbevelingen aan uw raad voor.
7.1 Conclusies Vraag van dit onderzoek is: “In hoeverre is de uitvoering van de jeugdhulp in Aalsmeer doeltreffend en efficiënt ingericht en hoe krijgt de raad greep op de kaderstellende en controlerende taak daarbij?”. De gemeente Aalsmeer voert de jeugdhulp beperkt doeltreffend en doelmatig uit en de raad kan zijn kaderstellende en controlerende taken niet volledig uitvoeren. De rekenkamer baseert deze uitspraken op vier conclusies: Aalsmeer geeft veel meer aan jeugdhulp uit dan ze van het rijk krijgt en dat gat stijgt snel Sinds 2015 zijn de kosten voor jeugdhulp in Aalsmeer bijna verdubbeld, een stijging die de rijksbijdrage niet bij kan houden. Sinds Aalsmeer zelf de jeugdhulp uit ging voeren is zo €9,9m meer uitgegeven dan er binnenkwam. Dit geld komt uit andere middelen en reserves. De rijksbijdrage voor jeugdhulp is zo laag omdat hierin rekening wordt gehouden met het relatief hoge inkomen van gezinnen en de hoge opleiding van de ouders van de kinderen in Aalsmeer. Omdat Aalsmeer weinig kinderen in gezinnen met een bijstandsuitkering of psychische problemen heeft, is de bijdrage ook lager dan gemiddeld in Nederland. Ouders vragen steeds gemakkelijker naar jeugdhulp en de gemeente maakt dat mogelijk Omdat Aalsmeer ‘vroeg wil signaleren en doen wat nodig is’ vragen vaker dan voor 2015 ouders met lichte opvoedproblemen om hulp.
Sinds de gemeente hulpverleners naar scholen stuurt, is dat om hulp vragen gemakkelijker geworden. In de gesprekken met ouders attendeert de gemeente hen er niet op dat ze ook zelf jeugdhulp trajecten mogen regelen. Gezien de hoge opleiding en inkomens in Aalsmeer lijkt daarvoor wel ruimte aanwezig. Ambtenaren zijn betrokken en steeds wat kostenbewuster, maar controleren nog weinig Wanneer ouders met een probleem bij de gemeente aankloppen, zoekt de gemeentelijke hulpverlener naar een passende behandeling. Hulpverleners zijn betrokken en hebben korte lijnen met aanbieders. Sinds twee jaar kent de hulpverlener hiervan de kosten maar die zijn geen overweging bij de keuze voor een behandeling. De externe aanbieder van de zorg bepaalt zelf het aantal behandelingen en dat controleert de gemeente niet. Bij maandelijkse zorg spreekt de gemeente geen termijn af, waardoor dit op 24 maanden uitkomt. Als de gemeente een beschikking voor zorg stuurt, worden de kosten niet als verplichting in de financiële administratie vastgelegd. Dat gebeurt als de rekening achteraf binnenkomt. De hulpverlener controleert achteraf niet of het kind alle behandelingen volgt en of de behandeling het gewenste effect heeft gehad. De gemeente krijgt alleen algemene informatie en enquêtes. Hierdoor weet de gemeente onvoldoende of de verwijzing het gewenste resultaat heeft gehad en of de aanbieder effectief is.
Omdat de gemeente niet zelf vaststelt of de zorg is geleverd moet de externe accountant verklaringen van de zorgaanbieders opvragen. Deze dure en trage omweg is zeven jaar geleden pragmatisch ingeslagen maar wordt nog steeds gebruikt. De hulpverleners maken perspectief plannen en stoppen daar veel tijd in. De aanbieder die de rekenkamer heeft gesproken in het B segment gebruik dit plan niet. De verwijzingen via artsen en andere instellingen houdt de gemeente niet in de gaten De verwijzingen door een arts of instelling gaan buiten de gemeente om. Ook van deze behandelingen legt de gemeente geen verplichting in de financiële administratie vast. Controle op gebruik van de behandelingen gebeurt ook hier niet en als het kind deels of geheel niet op komt dagen, betaalt de gemeente wel de hele rekening indien de aanbieder die stuurt. Achteraf
31
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
controleren of een behandeling zin had, doet de gemeente niet. De gemeente overlegt met de koepel van artsen en hieruit is de aanstelling van een ‘praktijkondersteuner’ voortgekomen.
7.2 Aanbevelingen Het Rijk wil misschien eenmalig of structureel meer aan de gemeenten betalen voor jeugdhulp, tot wel meer dan 1 miljard22. Aalsmeer krijgt dan vast ook meer geld. Of het genoeg is, valt niet te zeggen maar de rekenkamer heeft toch vier aanbevelingen: 1 - geef alleen zorg aan kinderen en gezinnen die dat zelf niet kunnen regelen Stel met het college beleid op waarbij zorg vooral op jeugd met ernstige problemen is gericht. Betrek ook de koepel van huisartsen bij het opstellen van het beleid. Bij minder ernstige problemen beveelt de rekenkamer aan de ouders in overweging te geven zelf hulp te regelen bij aanbieders. Beperk de hulpverlening door de gemeente tot het hoognodige en laat opvoedproblemen bij de ouders. Betrek bij de wettelijke term ‘eigen kracht’ ook de eigen financiële kracht van een gezin. Aalsmeer heeft veel hoogopgeleide gezinnen met een hoog inkomen. 2 - zorg voor een sluitende financiële en zorgadministratie en ga altijd na of de hulp zin had Vraag het college een verplichtingenadministratie op te zetten waarmee de uitputting van het budget dagelijks bij wordt gewerkt. Maak daarmee een begroting die gebaseerd is op verwachte zorg.
Laat na de laatste behandeling van een kind de gemeente altijd contact opnemen met de ouders en de zorgaanbieder om na te gaan of de zorg zinvol was, de aanbieder voldeed en of alle behandelingen zijn gegeven en bezocht door de cliënt. Leg dit vast zodat de gemeente aan kan tonen de zorg te hebben verleend, voor de accountantscontrole. En evalueer de zorgaanbieders hiermee. Probeer met die informatie het aantal aanbieders te beperken tot de beste. In andere gemeenten is hiermee al begonnen. Minder aanbieders blijkt beter voor de beheersbaarheid en het overleg. Het kwaliteitscertificatie met 90 eisen is een grote administratieve last voor met name kleine aanbieders. Heroverweeg of de 90 eisen echt nuttig en noodzakelijk zijn om de kwaliteit in de jeugdhulp te waarborgen. Voer hierover overleg van de koepel van huisartsen. 3 - overleg regelmatig met andere verwijzers en stel samen beleid op wie hulp krijgt Vraag het college met de externe verwijzers een gezamenlijk beleid op te zetten dat aansluit bij de twee eerste aanbevelingen en overleg twee keer per jaar inhoudelijk over de voortgang. De POH-er die net is begonnen, biedt hiervoor een aanknopingspunt. Gemeente en artsen werken hierdoor nauw samen. Door samen doelen, het beleid en de voortgang te volgen, kan de effectief van de hulp aan jeugd verbeteren.
Overweeg externe verwijzers te betrekken bij de evaluatie per zorgtraject. Houd bij welke artsen en instellingen moeite lijken te hebben met het beperken van de verwijzingen en ga daarover met hen in gesprek. 4 - beperk de taken van de raad tot kaders stellen en controleren van jeugdhulp De afgelopen jaren raakte de raad steeds meer betrokken bij de details van de uitvoering van de jeugdhulp. Door de oplopende kosten ging de raad steeds meer zich verdiepen in de uitvoering. Als de gemeente het beleid zo aanpast dat alleen hoognodige hulp wordt gegeven en de administraties beter op elkaar aansluiten waarmee reële begrotingen gemaakt worden, dan kan de raad terugkeren naar zijn eigen taken. En dat is kaders stellen bij beleid en begroting en controleren gedurende het jaar. Wij bevelen het ‘dashboard’ te beperken tot enkele indicatoren: wachttijd zorg, tevredenheid cliënten en resultaat behandeling, uitputting begroting per segment en periode, beoordeling aanbieders en een prognose van de kosten. Dit past op een enkel A4 en zou hooguit twee keer per jaar naar de raad hoeven te worden gestuurd.
22
Zier hier voor het bericht op Rijksoverheid.nl.
32
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
Bestuurlijke reactie
33
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
34
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
35
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
36
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
Nawoord Wij danken het college voor zijn bestuurlijke reactie waaruit het belang voor de jeugdhulp blijkt en de urgentie om dit in Aalsmeer te verbeteren. Het college nuanceert de conclusies en aanbevelingen in dit rapport. Hier reageren we kort op: Het college maakt zich zorgen over de stijgende kosten voor jeugdhulp en het oplopende verschil tussen inkomsten uitgaven hiervoor. In onze ogen is dit de essentie van de problemen: Aalsmeer krijgt door de opbouw van de bevolking relatief weinig geld voor jeugdhulp terwijl het gebruik snel toeneemt. De opbouw van de bevolking kan het college lastig veranderen maar ander beleid kan de kosten wel matigen. Door kosten nauwgezet te begroten en te volgen, krijgt de gemeente meer houvast om in gesprek te gaan over de kosten met andere verwijzers en zorgverleners. Dat jeugdhulp een openeinderegeling is, moet de belangrijkste reden zijn om zorgvuldig met de uitgaven te zijn. De gemeente kan immers geen ‘nee verkopen’ dus zou telkens gedetailleerd na moeten gaan wie hulp nodig heeft. De rekenkamer beveelt het afschaffen van preventie niet aan. Wel de wijze waarop die nu wordt uitgevoerd. Zeker als die vorm van preventie leidt tot meer jeugdhulp voor lichte opvoedproblemen. Het onderzoek ging niet na wat jeugdhulp maatschappelijk en financieel heeft opgeleverd. Dit viel buiten de vraagstelling van dit onderzoek.
Maar gezien de beperkte evaluatie van zorg door de gemeente is de rekenkamer het met het college eens dat nader onderzoek hier nodig is. Wellicht kan de raad hierover nadenken. De rekenkamer weet dat de jeugdhulp geen eigen bijdrage kent. En Aalsmeer kan de wet niet veranderen. Wel kan de gemeente in gesprekken met ouders aangeven wat zij zelf kunnen doen. Dat gebeurt nu niet en is geen eigen bijdrage vragen, maar mensen erop wijzen dat ze een eigen verantwoordelijkheid hebben. Gezien de samenstelling van de bevolking in Aalsmeer geen onmogelijke vraag. Dat zien we immers ook terug in de rijksbijdrage voor jeugdhulp. De rekenkamer is verheugd dat het college een verplichtingenadministratie gaat voeren. Het evalueren van alle zorg lijkt ons noodzakelijk en doenbaar, per werkdag beschikt de gemeente circa vijf zorgtrajecten. Een aantal dat wel is te behappen. Dit kan met een enkel telefoontje, maar dan wel goed vastleggen. Bij duurdere zorg is een persoonlijk gesprek wellicht passender. Het college schrijft dat meer controle en sturing geld kost. Doel is natuurlijk dat de kosten dalen. Dit lijkt in tegenspraak. Maar de rekenkamer denkt dat met gerichte sturing de kosten op termijn dalen. Het gevaar bestaat dat de begroting geen ruimte geeft om de controle en sturing te vergroten omdat al het geld aan jeugdhulp opgaat. Dit is te voorkomen door de begroting tijdelijk te verhogen.
Dit geld komt later terug. De rekenkamer vindt investeringen in betere sturingsmogelijkheden op kwaliteit, uitstroom en doelmatigheid van het aanbod, om de grip op de kosten te krijgen en te houden, essentieel.
37
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
Bijlage 1 Bronnen Geïnterviewden Ter verdieping van dit onderzoek zijn twaalf interviews gehouden. De gespreksverslagen van deze interviews zijn ter verificatie aan de gesprekspartners voorgelegd en geaccordeerd. De verslagen dienen als achtergrondinformatie voor de Nota van Bevindingen. De lijst van geïnterviewde personen is bekend bij de Rekenkamer. wethouders beleidsmedewerkers sociaal domein aanbieders segment B en C vertegenwoordiger koepel huisartsen
Van de gemeente Aalsmeer Begroting 2020 Jaarrekening en jaarverslag Waar Aalsmeer voor staat, 2013 Integrale nota sociaal domein, 2019-2023 Wmo-nota 2015-2018 Collegeprogramma Aalsmeer 2018-2022 Raadsbrief college uitvoeringsprogramma 2018-2022 Uitvoeringsprogramma 2018-2022 Spoorboekje sociaal domein, 15 jan. 2020 Raadsprogramma Aalsmeer 2018-2022 Beleidsplan Jeugdhulp 2015-2018 Beleidsplan Wmo 2015-2018 Raadsbrief vol vertrouwen vooruit, termijn agenda 2019-2022 Locale kadernota gezondheid op peil 2010-2014 Verordening re-integratie Participatiewet, 2015, Gemeente Aalsmeer 2018 Verordening Maatschappelijke ondersteuning, 2017, gemeente Aalsmeer 2017 Verordening jeugdhulp, 2018, Gemeente Aalsmeer Evaluatie sociale teams, b&W advies, 20 dec. 2016 Eindrapport evaluatie sociale teams, verwey jonker, 2016 Evaluatie Jeugd- en Gezinsbeleid, Aalsmeer 2015 Tussentijdse evaluatie Wmo nota Aalsmeer, aug. 2016 Uitvoeringsagenda sep. 2016 Visiedocument kernteam preventie thema’s 201-2020, versie 4, Raadsbrief evaluatie Wmo-beleid (over 2015), 20 sept. 2016 raadsvoorstel Wmo en verordening Wmo 2015, 2 okt. 2014 Kadernota participatiewet, 2015-2018, 28 okt.
2014 Raadsbrief inzake Beleid Sociaal Domein 2019-2022, sept 2018 Raadsbesluit Strategie SD 2019-2023, richtinggevend kader, 20 aug 2019 Infographic nota SD 2019-2023, Aalsmeer Raadsbrief, gunning Wmo hulpmiddelen, juli 2018 Raadsbrief van de adviesraad CEO Wmo, nov. 2018 CEO over 2017, mei 2018 Raadsbrief CEO, 13 nov. 2018 Raadsbesluit wijziging abonnementstarief wmo, feb 2019 Raadsbrief bijlage onderzoek per aanbieder Wmo toezicht, juli 2018
raadsbrief inzake Wmo toezicht, juli 2019 Raadsbrief wmo hulpmiddelen 29 okt. 2019 Raadsbrief inzake rapportage aanvraag ontwikkeling wmo na invoering abonnementstarief, 19 nov. 2019 Memo schriftelijke vragen HAC verordening jeugdhulp 2018, 23 jan. 2018 Raadsbrief jaarrapportage 2017 Advies en klachtenbureau jeugd, 10 april 2018 Memo beantwoording jeugdhulp vragen, mei 2018 Memo kostensoort stijging jeugd, 17 mei 2018 Memo budget jeugdhulp, 24 juli 2018 Raadsbrief jeugdbescherming van JB Aalsmeer 3 aug 2018 Raadsbrief specialistische jeugdhulp, 20 sep. 2018 raadsbijeenkomst specialistische jeugdhulp, 2 okt. 2018 Infographic jeugdhulp maart 2018 Memo specialistische jeugdhulp 16 okt. 2018 raadsbrief specialistische jeugdhulp 30 okt. 2018 B&W besluit inzake mandaat voor jeugdhulp, 11 dec. 2018 Raadsbrief tekort jeugdhulp, 13 dec. 2018 Raadsbrief specialistische jeugdhulp 2018, 19 dec. 2018 Raadsbrief ontschot gezinsbudget, 18 dec. 2018 Raadsbrief jeugdwerk vanaf 2020, 9 april 2019 Brief aan de Auditcommissie, 16 april 2019 Dashboard, medio 2019 Raadsbrief, halfjaarrapportage veilig thuis eerste helft 2019 Raadsbrief jeugdwerk 2020, 8 okt. 2019 Raadsbrief jeugdhulpaanbieder Kenter, 15 okt. 2019 Raadsbrief stelsel jeugdhulp 31 okt.
2019 Raadsbrief AM, 9 jan 2018 Raadsbrief evaluatie regionaal werkbedrijf groot Amsterdam, 3 april 2018 Raadsbrief jaarstukken AM match, 12 juni 2018 met bijlagen Raadsbrief Schuldhulpverlening 2018, 23 okt. 2018 Memo schriftelijke raadsvragen website Participatie, 20 nov. 2018 Raadsbrief vergroting aanmeldingen Match en beschut werk, 4 dec. 2018 Raadsbrief inzake jaarstukken match met bijlagen, 28 mei 2019 Raadsbrief stavaza minimabeleid en schuldhulpverlening, 11 juni 2019 Raadsbrief evaluatie jeugdhulp 2015-2018, dec. 2017 Raadsbrief inzake evaluatie wmo beleid, 20 sep. 2016 Raadsbrief inzake evaluatie Werkplein AA en CEO, 27 juni 2017 Stapelingsmonitor Aalsmeer Motie Jeugdhulp, 1 november 2018 Motie Plan van Aanpak jeugdhulp, 25 juni 2020
Overige bronnen Bruggen slaan, Regeerakkoord VVD-PvdA, 29 oktober 2012 VNG drie decentralisaties
38
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
Bijlage 2 De onderwerpen in de uitkering van het gemeentefonds Onderwerp
Aantal Aalsmeer
Vergoeding
Bedrag
Bedrag na correctie
inwoners
31.728
160,23
5.083.777
8.195.049
kernen met 500 of meer adressen ozb-waarde van de niet-woningen gedeeld door 1.000.000 inwoners jongeren jonger dan 18 jaar inwoners ouderen 65 jaar en ouder
2 817 7.038 5.830
60.229,04 380,05 720,42 100,55
120.458 310.596 5.070.316 586.207
194.178 500.681 8.173.349 944.965
inwoners ouderen 75 t/m 84 jaar huishoudens met laag inkomen lage inkomens met drempel bijstandsontvangers loonkostensubsidie uitkeringsontvangers minderheden minderheden met drempel eenpersoonshuishoudens eenouderhuishoudens huishoudens klantenpotentieel lokaal klantenpotentieel regionaal leerlingen (V)SO leerlingen VO achterstandsleerlingen met drempel
1.904 3.191 1.865 219 9 1.228 1.460 0 3.790 960 13.447 25.330 4.050 0 0 0
26,44 30,58 687,83 2.147,98 1.954,21 86,12 323,01 325,13 51,23 820,42 90,60 45,99 23,62 230,78 370,50 2.312,25
50.342 97.581 1.282.528 469.692 17.588 105.727 471.595 0 194.162 787.603 1.218.298 1.164.927 95.661 0 0 0
81.151 157.300 2.067.435 757.143 28.352 170.431 760.210 0 312.989 1.269.616 1.963.897 1.877.862 154.206 0 0 0
inwoners jongeren jongeren dan 18 jaar, jaar 2010
6.775
extra groei jongeren
0
249,86
0
0
leerlingen VO, jaar 2010
0
extra groei leerlingen VO land land *bodemfactor gemeente binnenwater buitenwater oppervlakte bebouwing woonkernen oppervlakte bebouwing buitengebied oppervlakte bebouwing woonkernen * bodemfactor woonkernen oppervlakte bebouwing buitengebied*bodemfactor buitengebied oppervlakte bebouwing woonruimten woonruimten * bodemfactor woonkernen opp. historische kernen, <40 ha opp. historische kernen, 40-64 ha opp. historische kernen, >64 ha historische waterwegen bewoonde oorden bewoonde oorden met historische kernen investeringsbudget stedelijke vernieuwing (a) investeringsbudget stedelijke vernieuwing (b) omgevingsadressendichtheid (oad) omgevingsadressendichtheid met drempel oeverlengte * bodemfactor gemeente (oeverlengte+2*veen/klei veengebied)*bf.gemeente*dh.factor meerkernigheid meerkernigheid * bodemfactor buitengebied bedrijven vast bedrag voor iedere gemeente vast bedrag voor Utrecht vast bedrag voor Den Haag vast bedrag voor Rotterdam vast bedrag voor Amsterdam vast bedrag voor Baarle-Nassau vast bedrag Waddengemeenten wadden, t/m 2500 inwoners wadden, van 2501 t/m 7500 inwoners wadden, vanaf 7501 inwoners jeugdigen in gezinnen met armoederisico basisonderwijs leerlingen met leerlinggewicht 0.3 basisonderwijs leerlingen met leerlinggewicht 1.2 gemiddeld gestandaardiseerd inkomen (particuliere hh) gemiddeld gestandaardiseerd inkomen (hh met kinderen) ouders met langdurig
psychisch medicijngebruik eenouderhuishoudens met 2 of meer kinderen bijstands huishoudens met minderjarige kinderen eenouderhuishoudens die bijstand ontvangen uitkeringsontvangers minus bijstandsontvangers wajongeren
0 2.005 2.406 1.223 0 222 61 280 69 283 13.264 16.713 0 0 0 0 1.605 0 0,000223 0,000125 12.282 0 4.200 94.335 3 3 4.451 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 450 164 100 10.602 3.278 202 341 80 60 1.009 270
220,56 41,07 26,89 38,00 22,97 2.284,96 1.921,87 3.089,49 1.525,03 588,37 57,11 50,79 3.200,28 6.928,07 15.081,92 15,58 31,39 85,74 6.087.306,96 3.736.019,31 58,64 23,72 11,72 5,82 9.071,77 14.878,30 75,07 249.626,63 30.708.535,84 51.002.420,84 64.491.778,38 104.966.340,63 249.626,63 150.164,11 201,79 132,44 33,62 239,24 -1.590,82 -2.497,07 -121,96 -477,26 3.521,32 1.246,12 642,34 1.701,30 1.053,96 857,94
0 82.345 64.697 46.474 0 507.261 117.234 864.192 105.120 166.509 757.507 848.835 0 0 0 0 50.381 0 1.355 469 720.244 0 49.224 549.028 27.215 50.437 334.137 249.627 0 0 0 0 0 0 0 0 0 107.761 -260.894 -249.707 -1.293.031 -1.564.630 709.630 424.927 51.601 102.078 1.063.446 231.644
0 132.741 104.292 74.916 0 817.705 188.981 1.393.078 169.454 268.412 1.221.101 1.368.322 0 0 0 0 81.214 0 2.184 756 1.161.033 0 79.349 885.034 43.871 81.305 538.628 402.398 0 0 0 0 0 0 0 0 0 173.711 -420.562 -402.528 -2.084.366 -2.522.184 1.143.924 684.982 83.181 164.550 1.714.274 373.410
39
Rapport van rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Aalsmeer - 2021
medicijngebruik met drempel re-integratie klassiek inwoners jonger dan 65 jaar inwoners ouderen 65 t/m 74 jaar inwoners ouderen 85 jaar en ouder eenpersoonshuishoudens 65 t/m 74 jaar eenpersoonshuishoudens 75 t/m 84 jaar eenpersoonshuishoudens 85 jaar en ouder
4.049 0,16 25.898 3.213 713 584 660 358
370,70 334.300,78 4,06 0,18 0,18 15,80 63,21 110,61
1.501.093 53.154 105.146 578 128 9.227 41.719 39.598
2.419.762 85.684 169.495 932 207 14.874 67.250 63.833
huishoudens met laag inkomen 65 t/m 74 jaar huishoudens met laag inkomen 75 t/m 84 jaar huishoudens met laag inkomen 85 jaar en ouder gemiddeld gestandaardiseerd inkomen 65 t/m 74 jaar gemiddeld gestandaardiseerd inkomen 75 t/m 84 jaar
274 189 72 635 436
123,78 494,75 864,63 112,93 451,77
33.966 93.267 61.989 71.665 196.953
54.753 150.346 99.926 115.524 317.489
gemiddeld gestandaardiseerd inkomen 85 jaar en ouder bedden
166 36.773
790,59 0,82
131.081 30.154
211.302 48.608
40
5 Vaststelling kaders veranderopgave inburgering (VOI) 1 Dossier 246 voorblad.pdf
2.Commissie Maatschappij en Bestuur Dossiernummer
246
Vertrouwelijk
Nee
Vergaderdatum
2 september 2021
Agendapunt
5
Omschrijving
Vaststelling kaders veranderopgave inburgering (VOI)
Geagendeerd
Vergaderdatum
2.Commissie Maatschappij en
2 september 2021
Bestuur
1 Raadsvoorstel Kadernota veranderopgave inburgering VOI Aalsmeer.docx
RAADSVOORSTEL
Raadsvoorstel nr
Z21-002544
Datum B&W-besluit
Portefeuillehouder
20 juli 2021
Afdeling
wethouder drs. W.B. AlinkScheltema
Werk en Inkomen
Behandelend ambtenaar (voor technische vragen) Voor de vergadering van raad d.d.
Jose de Jong en Inez van der Bijl
16 september 2021 Behandelen in de raadscommissie op
Maatschappij en Bestuur
2 september 2021
Onderwerp
Vaststelling kadernota veranderopgave inburgering (VOI) Gevraagd besluit
1. De volgende kaders uit de ‘Kadernota veranderopgave inburgering (VOI)’ vast te stellen: a. Alle statushouders zijn zoveel mogelijk zelfredzaam; b. Zoveel mogelijk statushouders zijn duurzaam aan het werk; c. Aanbod alleen aan asielmigranten en hun partners (nareizigers en na uitstroom kostwinners); d. Maatschappelijke begeleiding alleen wettelijke taak – te weten hulp bij praktische zaken – en een vooraf overeengekomen periode; e. De onderwijsroute is voor jonge inburgeraars tot 28 jaar preferent; f. Trajecten inburgering BI zijn zoveel mogelijk duaal en gericht op de praktijk (werkvloer); g. De Zelfredzaamheidsroute is gericht op het vergroten van het doenvermogen in eigen leefomgeving. Incidenteel voor 2021: 2. Een budget voor uitvoeringskosten en ondersteuning beschikbaar stellen van €137.000. 3. Een budget voor inkoop van trajecten voor de ondertussengroep beschikbaar stellen van € 13.000. 4. Dit bedrag te dekken ten laste van: a. de reservering 2021 (stelpost taakmutaties) van via het gemeentefonds toegekende middelen voor uitvoeringskosten ad. € 30.000 en middelen voor de ondertussengroep ad €13.000; b. het via budgetoverheveling 2020/2021 in 2021 beschikbare budget ondertussengroep ad. € 40.000; c. te ontvangen middelen 2021 voor ondertussengroep en programmakosten inburgering (SPUK-uitkering) en hiervoor een bedrag op te nemen van €67.000 5.
Besluiten 2, 3 en 4 te verwerken in de tweede Bestuursrapportage 2021. Structureel vanaf 2022: 6. Een budget voor uitvoeringskosten beschikbaar te stellen van €152.000 per jaar. Dit bedrag te dekken uit: a. de structurele reservering (stelpost taakmutaties) van via het gemeentefonds toegekende middelen voor uitvoeringskosten ad. € 113.000 in 2022, € 117.000 in 2023, € 115.000 in 2024 en € 113.000 vanaf 2025. b. de Rijksvergoeding (SPUK-uitkering) tot een bedrag van € 39.000 in 2022, € 35.000 in 2023, € 37.000 in 2024 en vanaf 2025 € 39.000.
[.docx] 101/F105a/ICT
Pagina
2 van 6
7. Een budget voor inkoop beschikbaar te stellen van €210.000 jaar. Dit bedrag te dekken uit de Rijksvergoeding (SPUK-uitkering) programmakosten inburgering. 8. Een budget voor de ondertussengroep beschikbaar te stellen van € 8.000 in 2022, € 5.000 in 2023, € 3.000 in 2024 en € 1.000 vanaf 2025. Dit bedrag te dekken uit de structurele reservering (stelpost taakmutaties) van via het gemeentefonds toegekende middelen voor de trajecten ondertussengroep. 9. Besluiten 6, 7 en 8 te verwerken in de Begroting 2022. WAT WILLEN WE BEREIKEN EN WAT GAAN WE DAARVOOR DOEN Wat willen we bereiken (effectindicatoren)
We willen bereiken dat inburgeraars en in het bijzonder statushouders in Aalsmeer zo snel mogelijk participeren, liefst via betaald werk. Ook willen we bereiken dat zoveel mogelijk statushouders zelfredzaam en maatschappelijk betrokken zijn. Statushouders beheersen de taal voldoende om op eigen kracht een goede toekomst in Nederland op te bouwen. De arbeidsmarktpositie en de maatschappelijke participatie van deze statushouders is verbeterd. We willen bereiken dat de gemeente de inburgering efficiënter, effectiever en doelmatiger maakt: 1. Efficiënter: stroomlijnen van de dienstverlening en ketensamenwerking. 2. Effectiever: meer mensen die zelfredzaam en maatschappelijk betrokken zijn. 3. Doelmatiger: meer statushouders aan het werk. Wat gaan we daarvoor doen (prestatie-indicatoren)
In aanloop naar de invoering van de Wet inburgering (1 januari 2022) en gedurende het eerste jaar gaan we (praktijk-)ervaring opdoen die we zorgvuldig gaan monitoren. In deze periode regi streren we de resultaten van de nieuwe werkwijze. Dat wordt een nulmeting. Op basis hiervan kan in de toekomst een ‘harde’, meetbare prestatiedoelstelling inburgering en participatie van status houders vastgesteld worden. Om het gewenste effect te halen gaan we: Ons richten op de wettelijke taken (aanbod alleen aan de asielmigrant en diens partner en de maatschappelijke begeleiding terugbrengen tot de wettelijke taak) waardoor we optimaal invulling geven van de regierol en taak die bij de Wet bij gemeenten word neergelegd. De uitvoering van de Wet inburgering organiseren via het Werkplein. Voor alle asielmigranten een lokale introductie op het Werkplein organiseren en bieden we een verlengde intake. Voor de onderwijsroute aansluiten op inkoop Amsterdam. Voor de inburgeringsroutes (B1 en Z) waar mogelijk aansluiten op inkoop Amsterdam, aanvullend kopen we zelf lokaal in. De onderwijsroute is voor jonge inburgeraars tot 28 jaar preferent. Trajecten inburgering B1 zoveel mogelijk duaal en gericht op de praktijk (werkvloer) vormgeven. De zelfredzaamheidsroute richten op het vergroten van het doenvermogen in de eigen leefomgeving.
De statushouders zoveel mogelijk maatschappelijk betrekken door een integrale samenwerking met de gemeentelijke initiatieven en plannen gericht op integratie, emancipatie, de inzet van sleutelpersonen, het integraal taalbeleid en de verbetering van de gezondheid van statushouders. De klankbordgroep statushouders formaliseren en uitbreiden met statushouders en oudinburgeraars zodat naast belangenbehartigers ook en vooral de mensen uit de doelgroep zelf betrokken worden met de wijze waarop we de dienstverlening en uitvoering van inburgering gaan vormgeven in de praktijk.
Pagina
3 van 6
ACHTERGROND EN OVERWEGINGEN Programma (speerpunt)
Programma 1 Sociaal Domein. Aanleiding
Concrete aanleiding voor dit voorstel is de Veranderopgave inburgering (VOI) en de invoering van de nieuwe Wet inburgering per 1 januari 2022. De Veranderopgave inburgering (VOI) geeft uitvoering aan de voornemens in het regeerakkoord. De uitwerking hiervan is opgenomen in de brief ‘Hoofdlijnen veranderopgave inburgering’ (2018). In het huidige inburgeringsstelsel zijn alle inburgeringsplichtigen (ook statushouders) zelf verantwoordelijk voor de inburgering. In de veranderopgave inburgering wordt de regierol (weer) bij ge meenten gelegd. Gemeenten worden verplicht om een passend traject te bieden aan de meest kwetsbare inburgeringsplichtigen: de asielmigranten ofwel statushouders. De komende periode vindt de voorbereiding plaats op de nieuwe Wet inburgering. In de kadernota worden de kaders voor de veranderopgave inburgering vastgelegd en de uitgangspunten beschreven waarbinnen de gemeente Aalsmeer uitvoering gaat geven aan inburgering. Argumenten
De nieuwe inburgeringswet is niet alleen een kans om de effectiviteit van de inburgering te verhogen. De gemeente Aalsmeer wil het stelsel ook benutten om de kansen van inburgeraars op een volwaardige deelname in onze samenleving te vergroten:
De combinatie van inburgering en participatie biedt statushouders de beste kansen om een nieuw bestaan op te bouwen. De arbeidsmarktpositie van statushouders verbetert, omdat inburgering en participatie niet langer parallelle of volgtijdelijke trajecten zijn. Langdurige inactiviteit en uitkeringsafhankelijkheid wordt zoveel mogelijk voorkomen en het risico op armoede vermindert. De positie van vrouwen en laaggeletterde statushouders is minder kwetsbaar, omdat de zelfredzaamheidsroute handvatten biedt om lokaal je weg te vinden en mee te doen. Het waren met name deze groepen die na een ontheffing uitvielen en niet konden slagen voor het inburgerings-examen, nu krijgen ze de begeleiding naar zelfredzaamheid. De lokale introductie versnelt de integratie en maakt dat mensen sneller een netwerk kunnen opbouwen met andere inburgeraars en meteen kennismaken met mensen, organisaties en werkgevers die zich bezig houden met de ondersteuning, dienstverlening of trajectbegeleiding van statushouders. Integreren, participeren en maatschappelijk betrokken zijn is goed voor de statushouder en goed voor de lokale samenleving in Aalsmeer.