Agendabundel
Tekst van het document
bedoelde onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.44 kap: de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm dan wel met een dakhelling; 1.45 kiosk: een paviljoenachtig, meestal houten gebouwtje, in een publieke ruimte, waar informatie kan worden verkregen en waar lectuur, bloemen, frisdranken en versnaperingen worden verkocht;
1.46 kunstwerk: civieltechnisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf; 1.47 landschappelijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet levende natuur; 1.48 langzaam verkeer: fiets-, ruiter- en/of voetverkeer of vaarverkeer, niet zijnde snelvaren; 1.49 ligplaats: een gedeelte van het openbaar water door een woonark of woonboot ingenomen of bestemd om door een woonark of woonboot met bijbehorende voorzieningen te worden ingenomen; 1.50 luchthavenindelingbesluit (LIB): AMvB op basis van de Wet luchtvaart waarin de ruimtelijke gevolgen van het gebruik van de luchthaven Schiphol zijn vastgelegd ten behoeve van de veiligheid en de geluidbelasting; 1.51 maatschappelijke voorzieningen: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen; 1.52 maaiveld: de bovenkant van het oorspronkelijke dan wel (verhoogd of verlaagd) aangelegd terrein waar een bouwwerk zal worden opgericht; 1.53 natuurwaarde: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische,
geomorfologische, hydrologische elementen, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang zoals beschreven in de Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN; 1.54 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van onder meer transport alarmeringssignalen, elektriciteit, telecommunicatie en water;
van
aardgas,
1.55 oever aan het water grenzende strook land bestaande uit een oevertalud en een horizontaal gelegen oever; 1.56 ondergronds bouwen: het bebouwen en in gebruik nemen van de ruimte onder het maaiveld (zoals kelders en parkeergarages); 1.57 onderkomens: voor verblijf geschikte – al dan niet aan hun oorspronkelijke bestemming en/of gebruik onttrokken – voertuigen, vaartuigen, woonschepen, toercaravans, stacaravans, tenten of gedeelten daarvan, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken; 1.58 openbaar toegankelijk gebied:
weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer; 1.59 opslag: het bedrijfsmatig opslaan, verhandelen of verpakken van goederen; 1.60 overkapping een bouwwerk dat geen gebouw is, voorzien van een gesloten dak en met ten hoogste aan één zijde een gesloten wand; 1.61 peil: a. voor een zich op een perceel bevindend bouwwerk, waarvan de gevel direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die gevel; b. voor een zich op een perceel bevindend bouwwerk in het talud van de dijk, waarvan de gevel niet direct aan de weg grenst en in alle andere gevallen: de hoogte van het bestaande aansluitende, afgewerkte maaiveld ter plaatse van de naar de dijk of weg gekeerde gevel, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende ophogingen anders dan noodzakelijk voor de bouw, buiten beschouwing blijven; c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil dan wel een ander plaatselijk aan te houden oppervlaktewaterpeil.
1.62 permanente bewoning: het gebruik van een kampeermiddel, woonark, recreatieverblijf of recreatiewoning door een persoon, gezin of andere groep van personen, op een wijze die ingevolge de Wet basisregistratie personen noopt tot inschrijving van bewoners(s) in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Aalsmeer, terwijl deze perso(o)n(en) niet aannemelijk kan/kunnen maken elders over een hoofdverblijf te beschikken; 1.63 pleziervaartuig een vaartuig, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie; 1.64 praktijkruimte: een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat door zijn inrichting en indeling geschikt is om te worden gebruikt door beoefenaren van vrije beroepen; onder vrije beroepen worden in dit plan verstaan (para)medische, juridische, therapeutische, ontwerptechnische, administratieve, kunstzinnige en daarmee gelijk te stellen beroepen; 1.65 reclame-uiting: een op enige wijze met een bouwwerk verbonden zijnde, openbare aanprijzing om de afzet of het gebruik van goederen of diensten te bevorderen.
Onder aanprijzing wordt mede begrepen de naam van de verkoper, dienstverlener etcetera; 1.66 recreatie: op het grondgebied van de gemeente Aalsmeer gerelateerde activiteiten gericht op ontspanning en vrijetijdsbesteding; 1.67 recreatief medegebruik: vormen van recreatie waarbij gronden met een niet recreatieve bestemming mede gebruikt worden voor recreatieve activiteiten; 1.68 recreatief nachtverblijf:
recreatie in ruimten welke zijn bestemd voor recreatief nachtverblijf, door personen die hun hoofdverblijf elders hebben; onder recreatief verblijf wordt niet verstaan het verblijf noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden of arbeid; 1.69 recreatief verblijf: het kortdurend verblijf van één of meerdere personen met of zonder overnachting die elders hun hoofdverblijf hebben, waarmee in ieder geval geen sprake is van permanente bewoning; 1.70 recreatiekavel: een individueel kavel ten behoeve van de dagrecreatie; 1.71 recreatieve bewoning: de bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie; 1.72 sanitair gebouw: gebouw ten behoeve van sanitaire voorzieningen zoals wasgelegenheden en toiletten; 1.73 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden.
Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.74 stacaravan: een kampeermiddel in de vorm van een caravan dat voor meerdere toeristische seizoenen op het recreatieterrein is geplaatst als verblijfsruimte ten behoeve van verblijfsrecreatie en dat niet als hoofdverblijf dient voor welke gebruiker dan ook van dat recreatiemiddel; 1.75 steiger een gebouwde of drijvende constructie langs een oever die tot aanlegplaats dient voor pleziervaartuigen; 1.76 straatmeubilair: de bij of op de weg behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder begrepen: abri´s, afvalbakken, (ondergrondse) afvalcontainers, alarmeringsinstallaties met bijbehorende antennes, bloemenof plantenbakken, brandkranen, draagconstructies voor reclame, fietsenrekken, gedenktekens, lichtmasten, parkeermeters, schakelkasten, speeltoestellen, straatverlichting, telefooncellen met bijbehorende antennes, urinoirs, verkeersborden, verkeersgeleiders, verkeerslichten, vitrines, voorwerpen van beeldende kunst, bewegwijzering en zitbanken; onder straatmeubilair worden niet begrepen verkooppunten voor motorbrandstoffen; 1.77 talud: het schuine vlak langs een weg, watergang of van een dijk; 1.78 tenthuisje een kampeermiddel van lichte constructie geschikt
om buiten het recreatieseizoen, zijnde tussen 1 april en 15 oktober, gedemonteerd te worden; 1.79 terras:
een buiten een gebouw gelegen gebied behorende bij een horecabedrijf waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of etenswaren verstrekt; 1.80 toeristisch bedrijf: economische bedrijfsactiviteiten gericht op het aantrekken van toeristen en bezoekers; 1.81 verblijfsrecreatie: het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats waarbij recreatief nachtverblijf centraal staat, anders dan met gebruikmaking van een hotel, pension of woning dan wel een vaartuig; 1.82 verdieping: een boven de begane grond gelegen bouwlaag; 1.83 voorgevel: de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel van een gebouw, of indien een perceel met meerdere zijden aan een weg grenst, de gevel die door de ligging, de situatie ter plaatse en/of de indeling van het gebouw als voorgevel moet worden aangemerkt; 1.84 voorgevelrooilijn: dit is de denkbeeldige lijn langs de voor- of zijgevel van een hoofdgebouw die naar een openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; 1.85 vrijstaande woning: een bouwmassa bestaande uit één vrijstaand hoofdgebouw; 1.86 waterberging: de tijdelijke opslag van een overmaat aan (oppervlakte) water in (oppervlakte) watersystemen.
Waterberging kan worden onderverdeeld in drie categorieën: <0000> natuurlijke overstroming (water dat buiten de beekbedding treedt zonder dat hier speciale voorzieningen zijn aangelegd); <0000> gestuurde overstroming (retentie) (water dat buiten de beekbedding treedt en waarvoor voorzieningen zijn aangebracht zodat dit met vooraf bepaalde frequentie wordt toegepast in gebieden die hiervoor zijn ingericht); <0000> noodoverloopgebieden (gebieden die met een zeer lage frequentie worden ingezet in geval van noodsituaties); 1.87 waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die het waterhuishoudingbelang dienen, zoals watergangen (sloten), kunstwerken, bruggen, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang en dergelijke; 1.88 waterkering: grondlichamen (dijk) of constructie met als functie bescherming van lager gelegen gebied (veelal polders) tegen water buiten dat gebied; 1.89 weg alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; 1.90 woning: een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding en daardoor is aan te merken als wooneenheid, niet zijnde een bijzondere
woonvorm, dan wel voor de huisvesting van niet meer dan drie personen naast de huishouding dan wel vier personen wanneer er daarnaast geen huishouding in het gebouw is ondergebracht; 1.91 woonark: een drijvend object, in algemene zin niet bestemd of ingericht om te varen, doorgaans bestaande uit een onderschip of een betonbak met vierkante of rechthoekige opbouw, waaronder begrepen een drijvende woning zowel ten behoeve van permanente bewoning als niet-permanente bewoning; 1.92 woonboot een drijvend of varend object dat herkenbaar is aan casco, romp en opbouw als een (van origine) varend schip zowel ten behoeve van permanente als niet-permanente bewoning. Indien een woonboot voldoet aan voorgeschreven maatvoering, geldt het bepaalde voor woonarken ook voor woonboten;
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 bebouwingspercentage het deel van het bouwvlak uitgedrukt in procenten dat bebouwd mag worden; 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3 de hoogte van een woonark vanaf de waterlijn tot aan het hoogste punt van het woonark, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.4 de dakhelling: de hoek, gemeten in graden, van een hellend dakvlak ten opzichte van een horizontaal vlak; 2.5 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q.
de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.6 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.7 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.8 de oppervlakte van een recreatiekavel de oppervlakte van het kadastrale perceel, of de percelen, exclusief de oppervlakte water; 2.9 vloeroppervlakte woning: de som van de oppervlakten van alle bouwlagen, deel uitmakende van het hoofdgebouw, daar onder begrepen kelderruimten en zolderruimten voor zover de vrije hoogte ten minste 1.50 meter bedraagt, en met uitzondering van: ruimten waar kleinere vrije hoogte dan 1.50 meter aanwezig is, alsmede balkons, bijgebouwen, gemeenschappelijke berg-, verkeers- en wasruimten en loggia's; 2.10 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen; 2.11 verticale diepte: de diepte van een gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer; 2.12 horizontale diepte: de lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel.
Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS
Artikel 3
Cultuur en ontspanning
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. culturele voorzieningen; b. horeca 1 als bedoeld in artikel 1.39 van deze regels; c. parkeren van fietsen, scooters en daarmee vergelijkbare vervoermiddelen; d. langzaamverkeer; e. verblijfsgebied, verblijfsvoorzieningen en straatmeubilair; f. groen en groenvoorzieningen; g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; h. erf- en terreinafscheidingen. met de daarbij behorende: i. bouwwerken; j. verhardingen. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. het bouwen van nieuwe gebouwen is niet toegestaan; b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak als aangegeven op de verbeelding worden gebouwd; c. de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' mag niet worden overschreden. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: d. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 meter bedragen. 3.3 Voorwaarden m.b.t.
het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 3.3.1 Parkeernormen Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 3.3.2 Laden en lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 3.3.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende
parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 3.3.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of; b. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 3.3.4 Afwijken van de regels voor laden en lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 3.3.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien. 3.3.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1. eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning; b.
het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens; c. het gebruik van onbebouwde gronden voor opslag van goederen met een hoogte van meer dan 2 meter; d. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel.
Artikel 4
Groen
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groen en groenvoorzieningen; b. verblijfsgebied en verblijfsvoorzieningen en straatmeubilair; c. speel- en sportvoorzieningen; d. vlonders en steigers; e. parkeren van fietsen, scooters en daarmee vergelijkbare vervoermiddelen; f. invalidenparkeren; g. waterhuishoudkundige voorzieningen; h. nutsvoorzieningen; i. kunstobjecten; met de daarbij behorende: j. bouwwerken; k. verhardingen. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 4.2.2 Andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. het bouwen van vlonders en steigers is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - steiger-1' met dien verstande dat het bouwen op een vlonder of steiger niet is toegestaan, met uitzondering van straatmeubilair; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen. c. de bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 6 meter; d. de bouwhoogte van palen en (licht)masten mag niet meer bedragen dan 10 meter; e. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 meter.
4.3 Specifieke gebruiksregels 4.3.1 Vlonders en steigers Voor het gebruik van vlonders en steigers gelden de volgende regels: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifiek vorm van groen- steiger-1' is in afwijking van 1.75 het gebruik van een vlonder of steiger voor het aanmeren van pleziervaartuigen niet toegestaan en is het gebruik voor verblijf, verblijfsvoorzieningen en openbare dagrecreatie wel toegestaan. 4.3.2 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend:
a. het gebruik van gronden als opslag-, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte beheer van de gronden; b. het gebruik van gronden als staan- of ligplaats, alsmede kampeerterrein; c. het gebruik van gronden voor het beproeven van voer- of vaartuigen, voor het beoefenen van auto- of motorsport of de (model) vliegsport en voor het houden wedstrijden met motorvoertuigen of bromfietsen; d. het gebruik van gronden voor sport- of wedstrijdterrein, parkeerterrein, landingsplaats, dagcamping dan wel voor de ruitersport.
Artikel 5
Natuur
5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurwaarden en landschappelijke waarden; b. beperkt extensief recreatief medegebruik, in de vorm van wandelen, vissen, natuuren landschapsbeleving of andere niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten; met de daarbij behorende: c. natuurlijke oevers en oeverbeschoeiingen; d. (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen; e. water, waterlopen, waterpartijen; f. bouwwerken; g. wandelpaden, observatiepunten en informatieborden; h. infrastructurele voorzieningen met het oog op het beheer van de bestemming; met daaraan ondergeschikt: i. speelvoorzieningen; j. openbare nutsvoorzieningen. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. 5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van wegbewijzeringsborden, aanduidingsborden en dergelijke mag niet meer dan 2,50 meter bedragen; b. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen 3 meter; c. overkappingen en gebouwde terrein- en erfafscheidingen zijn niet toegestaan.
5.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van: a. de waterhuishouding; b. de brandveiligheid en rampenbestrijding; c. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend bebouwingsbeeld en de landschappelijke inrichting en inpassing; d. de aanwezige natuurwaarden; e. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken. 5.4 Specifieke gebruiksregels 5.4.1 Strijdig gebruik
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik voor agrarische doeleinden; b. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning; c. het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens; d. het gebruik van onbebouwde gronden als opslag-, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte beheer van de gronden; e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; f. het gebruik van gronden voor het beproeven van voer- of vaartuigen, voor het beoefenen van auto- of motorsport of de (model) vliegsport en voor het houden wedstrijden met motorvoertuigen of bromfietsen; g. het gebruik van gronden voor sport- of wedstrijdterrein, parkeerterrein, landingsplaats, dagcamping dan wel voor de ruitersport. 5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.5.1 Verboden werkzaamheden Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het dempen, graven, vergroten of herprofileren van watergangen en waterpartijen; b.
het aanleggen van dammen, dijken of andere taluds, of het vergraven dan wel ontgraven van bestaande dammen, dijken en taluds; c. het ontginnen, verlagen van de bodem, afgraven, ophogen of egaliseren dan wel anderszins aanbrengen van wijzigingen in het maaiveld; d. het vellen of rooien van houtgewas en/of rietgewas; e. het permanent opslaan van goederen; f. het aanbrengen van drainagesystemen, tenzij het de vervanging van een bestaande drainage betreft; g. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen. 5.5.2 Toegestane werkzaamheden Het in lid 5.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b. noodzakelijk zijn in verband met het op de betreffende bestemming gerichte beheer of gebruik van de gronden, waaronder het snijden van riet; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning of krachtens een in het kader van de Natuurbeschermingswet vastgesteld beheersplan; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
5.5.3 Voorwaarden voor omgevingsvergunning De in lid 5.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door die werken of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de in 5.1 genoemde doeleinden dan wel waarden van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind. 5.5.4 Advies over omgevingsvergunning Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheid als bedoeld in 5.5.1 van dit artikel wint het bevoegd gezag advies in van de natuur- en landschapsdeskundige omtrent de vraag als bedoeld in
5.5.3 van dit artikel. Indien de waterhuishouding en/of de waterafvoer in het geding is, dient het Hoogheemraadschap van Rijnland daaromtrent te worden gehoord.
Artikel 6
Recreatie
6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. openbare dagrecreatie; b. recreatieve voorzieningen; c. speel- en sportvoorzieningen; d. ter plaatse van de aanduiding 'horeca 1' tevens horeca 1, al dan niet als onderdeel van een kiosk; e. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 2' en 'specifieke vorm van recreatie - steiger-2' tevens horeca 1 en 2; f. terrassen ten behoeve van de horecavoorzieningen; g. vlonders en steigers; h. verblijfsgebied, verblijfsvoorzieningen en straatmeubilair; i. parkeren van fietsen, scooters en daarmee vergelijkbare vervoermiddelen; j. parkeren; k. groen en groenvoorzieningen; l. waterhuishoudkundige voorzieningen; m. nutsvoorzieningen; n. kunstobjecten; met de daarbij behorende: o. bouwwerken; p. verhardingen. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Gebouwen a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak als aangegeven op de verbeelding worden gebouwd; b. het bouwvlak mag voor maximaal 60% worden bebouwd; c. onverminderd het bepaalde onder b mag ten hoogste 60 m² van het bouwvlak worden bebouwd ten behoeve van horeca 1, als bedoeld in lid 6.1 onder d en lid 1.39van deze regels; d. onverminderd het bepaalde onder b mag ten hoogste 900 m² van het bouwvlak worden bebouwd ten behoeve van horeca 2 als bedoeld in lid 6.1 onder e en lid 1.40 van deze regels; e.
de goot- en bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' mag niet worden overschreden; f. de gebouwen dienen te worden voorzien van een kap, waarvan de helling niet minder dan 15° en niet meer dan 50° mag bedragen. 6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. het bouwen van vlonders en steigers is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van recreatie - steiger-2' en 'specifieke vorm van recreatie - steiger-3'' met dien verstande dat het bouwen op een vlonder of steiger niet is toegestaan, met uitzondering van straatmeubilair; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen. 6.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van:
a. de waterhuishouding; b. de brandveiligheid en rampenbestrijding; c. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend bebouwingsbeeld en de landschappelijke inrichting en inpassing; d. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken. 6.4 Voorwaarden m.b.t. het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 6.4.1 Parkeernormen Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 6.4.2 Laden en lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
6.4.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 6.4.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of; b. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 6.4.4 Afwijken van de regels voor laden en lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 6.4.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien. 6.4.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 6.5 Specifieke gebruiksregels
6.5.1 Vlonders en steigers Voor het gebruik van vlonders en steigers gelden de volgende regels: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - steiger-2' is in afwijking van 1.75 het gebruik van een vlonder of steiger voor het aanmeren van pleziervaartuigen niet toegestaan en is het gebruik voor verblijf, verblijfsvoorzieningen, openbare dagrecreatie en horeca(terras) wel toegestaan. 6.5.2 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning; b. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor recreatief nachtverblijf; c. het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens, anders dan ten behoeve van dagrecreatie; d. het gebruik van onbebouwde gronden als opslag-, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte beheer van de gronden; e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; f. het gebruik van gronden voor het beproeven van voer- of vaartuigen, voor het beoefenen van auto- of motorsport of de (model) vliegsport en voor het houden wedstrijden met motorvoertuigen of bromfietsen; g.
het gebruik van gronden voor landingsplaats, dagcamping dan wel voor de ruitersport. 6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.6.1 Verboden werkzaamheden Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het dempen, graven, vergroten of herprofileren van watergangen en waterpartijen; b. het aanleggen van dammen, dijken of andere taluds, of het vergraven dan wel ontgraven van bestaande dammen, dijken en taluds; c. het ontginnen, verlagen van de bodem, afgraven, ophogen of egaliseren dan wel anderszins aanbrengen van wijzigingen in het maaiveld; d. het permanent opslaan van goederen; e. het aanbrengen van drainagesystemen, tenzij het de vervanging van een bestaande drainage betreft; f. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen. 6.6.2 Toegestane werkzaamheden Het in lid 6.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b. noodzakelijk zijn in verband met het op de betreffende bestemming gerichte beheer of gebruik van de gronden; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning of krachtens een in het kader van de Natuurbeschermingswet vastgesteld beheersplan; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
6.6.3 Voorwaarden voor omgevingsvergunning De in lid 6.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door die werken of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen
de in 6.1 genoemde doeleinden dan wel waarden van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind. 6.6.4 Advies over omgevingsvergunning Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheid als bedoeld in 6.6.1 van dit artikel wint het bevoegd gezag advies in van de natuur- en landschapsdeskundige omtrent de vraag als bedoeld in 6.6.3 van dit artikel. Indien de waterhuishouding en/of de waterafvoer in het geding is, dient het Hoogheemraadschap van Rijnland daaromtrent te worden gehoord.
Artikel 7
Verkeer
7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen, straten en paden ten behoeve van het wegverkeer; b. parkeren en parkeervoorzieningen; c. parkeren van fietsen, scooters en daarmee vergelijkbare vervoermiddelen; d. in- en uitritten; e. kiss and ride-strook; met de daarbij behorende: f. bouwwerken; g. standplaatsen, conform standplaatsenbeleid; h. (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen; i. bruggen en viaducten en andere kunstwerken; j. bermen, taluds en andere groenvoorzieningen; k. openbare nutsvoorzieningen; l. geluidwerende voorzieningen. m. straatmeubilair; n. infrastructurele voorzieningen met het oog op het beheer van de bestemming. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van lichtmasten, bewegwijzering en verkeersregulering mag niet meer dan 10 meter bedragen; b. de bouwhoogte van reclame-uitingen en kunstwerken, zowel civiel als cultureel, mag niet meer dan 6 meter bedragen; c. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 1 meter bedragen; d.
de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer dan 3 meter bedragen. 7.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van: a. de sociale veiligheid; b. de verkeersveiligheid; c. de waterhuishouding; d. de brandveiligheid en rampenbestrijding; e. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, en de landschappelijke inrichting; f. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; g. de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluitingen op (structurele) groenen waterelementen.
7.4 Specifieke gebruiksregels 7.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van de gronden voor de opslag van goederen; b. het gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting.
Artikel 8
Water 1
8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; b. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurwaarden en landschappelijke waarden; c. groen en groenvoorzieningen; d. openbare dagrecreatie; e. recreatieve voorzieningen; f. verblijf en verblijfsvoorzieningen en straatmeubilair; g. watersport en -recreatie; h. vlonders en steigers; met de daarbij behorende: i. bouwwerken; j. verhardingen. 8.2 Bouwregels 8.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. het bouwen van vlonders en steigers is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van water - steiger-1' en 'specifieke vorm van water steiger-3'' met dien verstande dat het bouwen op een vlonder of steiger niet is toegestaan, met uitzondering van straatmeubilair; b. het bouwen ten behoeve van watersport en -recreatie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'sport'; c. de bouwhoogte van palen, (licht-)masten en kunstwerken mag niet meer dan 6 meter bedragen; d. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 3 meter bedragen; e. bootoverkappingen zijn niet toegestaan.
8.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van: a. de sociale veiligheid; b. de verkeersveiligheid; c. de doorvaart; d. de waterhuishouding; e. de brandveiligheid en rampenbestrijding; f. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, en de landschappelijke inrichting; g. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; h. de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluitingen op (structurele) groenen waterelementen.
8.4 Specifieke gebruiksregels 8.4.1 Vlonders en steigers Voor het gebruik van vlonders en steigers gelden de volgende regels: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - steiger-1' is in afwijking van 1.75 het gebruik van een vlonder of steiger voor het aanmeren van pleziervaartuigen niet toegestaan en is het gebruik voor verblijf, verblijfsvoorzieningen en openbare dagrecreatie wel toegestaan. b. Ter plaatse van de aanduiding ‘sport’ zijn ten behoeve van watersport en -recreatie drijvende steigers en ander daarmee vergelijkbaar drijftuig toegestaan, tot een maximale oppervlakte van 25 m2. 8.4.2 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik ten behoeve van drijvende steigers en ander daarmee vergelijkbaar drijftuig, anders dan bedoeld in 8.4.1 onder b; b. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als aanlegplaats of aanlegsteiger voor bedrijfsschepen; c. het gebruiken of laten gebruiken als ligplaats voor woonarken ten behoeve van permanente bewoning; d. het gebruiken of laten gebruiken als ligplaats voor woonarken ten behoeve van verblijfsrecreatie; e.
het plaatsen of geplaatst hebben van objecten, zijnde voorwerpen of vaartuigen die in, op of boven water zijn aangebracht of afgemeerd en die niet behoren tot enig andere in dit artikel genoemde categorieën (woonarken, pleziervaartuigen en bedrijfsschepen).
Artikel 9
Wonen
9.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen in een woning, al dan niet in combinatie met uitoefenen van een aan-huis-verbonden beroep of aan-huis-gebonden bedrijf; b. tuinen en erven; met de daarbij behorende: c. bouwwerken; d. waterhuishoudkundige voorzieningen; e. natuurlijke oevers, groenvoorzieningen of oeverbeschoeiingen; f. ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en andere verhardingen ten dienste van de bestemming. 9.2 Bouwregels Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: 9.2.1 Hoofdgebouwen a. per bouwvlak als aangegeven op de verbeelding is ten hoogste één woning toegestaan; b. het hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak als aangegeven op de verbeelding worden gebouwd; c. de goot- en bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' mag niet worden overschreden; d. de dakhelling van een hoofdgebouw mag niet meer dan 60° bedragen. Deze contouren gelden voor ten minste twee dakvlakken; e. bij woningen mag een dakkapel worden gerealiseerd, met dien verstande dat: 1. voor zover gelegen op het dakvlak aan de straatzijde of op het dakvlak aan de zijde van de zijtuin, de dakkapel niet breder mag zijn dan de helft van de breedte van het dakvlak van het hoofdgebouw; 2.
voor zover gelegen op het dakvlak aan de achtertuinzijde, de zijkanten van de dakkapel op meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak van het hoofdgebouw worden gerealiseerd; 3. de bovenzijde van de dakkapel ten minste 0,5 meter onder de noklijn van het dakvlak wordt gerealiseerd; 4. de onderzijde van de dakkapel ten minste 0,5 meter en niet meer dan 1 meter boven de gootlijn van het dakvlak wordt gerealiseerd; 5. per dakvlak meerdere dakkapellen zijn toegestaan indien de dakkapellen op dezelfde bouwlaag worden gerealiseerd en deze dakkapellen tezamen voldoen aan de hiervoor opgenomen breedte- of afstandsmaten. f. gebouwde parkeervoorzieningen onder het hoofdgebouw zijn niet toegestaan; g. de regels onder a. tot en met f. vinden toepassing met inachtneming van het bepaalde in artikel 14.1 van deze regels. 9.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken van het hoofdgebouw gelden de volgende regels: a. behoudens vergunningvrije bouwwerken conform de thans geldende regelgeving ten aanzien van vergunningvrij bouwen, zijn geen bijbehorende bouwwerken toegestaan. Indien de regelgeving ten aanzien van vergunningvrij bouwen
gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels; b. de regel onder a. vindt toepassing met inachtneming van het bepaalde in artikel 14.1 van deze planregels. 9.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn niet meer dan 1 meter mag bedragen; b. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen 3 meter; c. het bepaalde onder a. vindt toepassing van het bepaalde in artikel 14.1 van deze planregels. 9.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van: a. de sociale veiligheid; b. de verkeersveiligheid; c. de waterhuishouding; d. de brandveiligheid en rampenbestrijding; e. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, en de landschappelijke inrichting; f. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken. 9.4 Voorwaarden m.b.t.
het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 9.4.1 Parkeernormen Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 9.4.2 Laden en lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 9.4.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 9.4.1omgevingsvergunning verlenen indien: a.
de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of; b. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid.
9.4.4 Afwijken van de regels voor laden en lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 9.4.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien. 9.4.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 9.5 Specifieke gebruiksregels 9.5.1 Aan-huis-gebonden beroep en of -bedrijf Het uitoefenen van een aan-huis-verbonden beroep en/of aan-huis-gebonden bedrijf is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft; b. het bruto-vloeroppervlak voor de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep danwel het aan-huis-gebonden bedrijf niet groter is dan 30% van de woning inclusief bijbehorende bouwwerken; c. het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie ter plaatse; d. geen gebruik wordt gemaakt van gevelreclame; e. het beroep alleen door de bewoner(s) wordt uitgeoefend; f.
er geen horeca-activiteiten en geen detailhandel plaatsvinden; g. er geen buitenopslag plaatsvindt, noch beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in de openbare ruimte rond de woning, met uitzondering van in- en uitladen. 9.5.2 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning; b. het plaatsen of geplaatst hebben van onderkomens; c. het opslaan van goederen, stoffen, producten of materialen en materieel, waarvan de aanwezigheid voor de realisering of handhaving van de in lid 1 genoemde bestemming niet noodzakelijk is, dan wel kan worden geacht noodzakelijk te zijn; d. het gebruik van gronden en bebouwing als parkeergelegenheid voor reizigers die reizen vanaf de luchthaven Schiphol; e. het gebruik ten behoeve van het kamperen; f. het gebruik ten behoeve van detailhandel; g. het gebruik ten behoeve van horeca; h. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
Artikel 10
Waarde - Archeologie 2 en 4
10.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 2 en 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. 10.2 Bouwregels Op de in lid 10.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van overige aan deze gronden toegekende bestemmingen worden gebouwd indien deze bouwwerken voldoen aan de volgende regels: a. ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' reiken de bodemingrepen niet verder dan een maximale diepte van 0,40 meter, tenzij de oppervlakte van (de bodemingreep ten behoeve van) het bouwwerk niet meer dan 50 m2 bedraagt; b. ter plaatse van de aanduiding dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' reiken de bodemingrepen niet verder dan een maximale diepte van 0,40 meter, tenzij de oppervlakte van (de bodemingreep ten behoeve van) het bouwwerk niet meer dan 10.000 m2 bedraagt; c. het bepaalde onder a. en b is niet van toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
10.3 Afwijken van de bouwregels 10.3.1 Afwijkingsbevoegdheid Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van het bepaalde in lid 10.2 a. en b. voor het bouwen ten behoeve van een overige aan deze gronden toegekende bestemming indien de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat: a. op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; of; b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord, of; c. dat de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate worden veiliggesteld. 10.3.2 Voorwaarden Indien uit het onder 10.3.1 van dit artikel genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning zullen of kunnen worden aangetast, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende voorwaarden verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
10.3.3 Beoordelingscriteria De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 10.3.2 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgelegd. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen wordt een provinciale archeoloog, of een hiermee gelijk te stellen archeologische deskundige om advies gevraagd. 10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 10.4.1 Verboden werkzaamheden Het is verboden op of in de als Waarde - Archeologie bestemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; b. het bodemverlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingvergunning is vereist, waartoe ook gerekend wordt woelen en draineren; c. het bebossen van gronden; d. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; e. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; f.
het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten; g. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; h. het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; i. voor de onder a t/m h genoemde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig wanneer sprake is van: 1. grondbewerkingen dieper dan 0,40 meter, tenzij de oppervlakte van de werkzaamheden niet meer bedraagt dan 50 m2 binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'; 2. grondbewerkingen dieper dan 0,40 meter, tenzij de oppervlakte van de werkzaamheden niet meer bedraagt dan 10.000 m2 binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. 10.4.2 Toegestane werkzaamheden Het onder 10.4.1 bedoelde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. het normale onderhoud betreffen; b. op archeologisch onderzoek gericht zijn; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit bestemmingsplan. 10.4.3 Toetsingscriteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.4.1 kan worden verleend indien de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat: a. op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; of b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord, of;
c. dat de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate worden veiliggesteld. 10.4.4 Voorwaarden Indien uit het onder 10.4.3van dit artikel genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning zullen of kunnen worden aangetast, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende voorwaarden verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 10.4.5 Beoordelingscriteria De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 10.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgelegd. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen wordt een archeologische deskundige om advies gevraagd.
10.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan met toepassing van artikel 3.6 lid 1, sub a Wro te wijzigen door de bestemming 'Waarde-Archeologie' te wijzigen in een ander regime, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat in de betreffende gronden een hogere of lagere archeologische verwachting aanwezig is. 10.6 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering en de inrichting van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Toepassing van deze bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik.
Artikel 11
Waarde - Cultuurhistorie Gemeente
11.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde- Cultuurhistorie Gemeente' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud en/of herstel van het gemeentelijk beschermd dorpsgezicht in overeenstemming met de redengevende omschrijving Bijlage 3 bij de toelichting. 11.2 bouwregels Op de in lid 11.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van overige aan deze gronden toegekende bestemmingen worden gebouwd, met inachtneming van de bescherming en het behoud en/of herstel van het gemeentelijk beschermd dorpsgezicht in overeenstemming met de redengevende omschrijving Bijlage 3 bij de toelichting. 11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 11.3.1 Verboden werkzaamheden Het is verboden op of in de als 'Waarde - Cultuurhistorie Gemeente' bestemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden, waarbij de hoogte van het maaiveld met meer dan 30 cm wordt gewijzigd; b. het bodemverlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingvergunning is vereist, waarbij de hoogte van het maaiveld met meer dan 30 cm wordt gewijzigd; c.
het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 30 cm, waartoe ook gerekend wordt woelen en draineren; d. het bebossen van gronden; e. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten; h. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; i. het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem. 11.3.2 Toegestane werkzaamheden Het onder 11.3.1 bedoelde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit bestemmingsplan. 11.3.3 Voorwaarden voor omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.3.1 kan worden verleend indien er een positief advies ligt van de gemeentelijke Erfgoedcommissie.
11.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 11.4.1 Sloopverbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de tot het beschermde dorpsgezicht aangewezen aanwezige (onderdelen van) bouwwerken te slopen. 11.4.2 Omgevingsvergunning De omgevingsvergunning kan niet worden verleend indien: a. niet is aangetoond dat de bouwkundige staat van de bouwwerken gevaar oplevert voor de directe leefomgeving; b. er geen omgevingsvergunning is verleend ten behoeve van de ter plaatse geprojecteerde vervangende nieuwbouw.
Artikel 12
Waterstaat - Waterkering
12.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de waterhuishouding door middel van dijken, dijksloten en kaden. Indien deze bestemming samenvalt met andere bestemmingen, zijn deze andere bestemmingen ondergeschikt aan de bestemming waterkering. 12.2 bouwregels 12.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Op of in deze gronden mogen ten behoeve van de primaire bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. 12.2.2 Verhouding tot samenvallende bestemmingen Op de grond met de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' mag ten behoeve van andere, daarmee samenvallende bestemmingen slechts worden gebouwd, indien en voor zover de belangen van de waterkering hierdoor niet worden geschaad. Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen, dient de aanvrager (vooraf) een watervergunning aan te vragen bij de Waterbeheerder, waaruit blijkt dat de door de voorgenomen bouwactiviteiten het water(staats)belang niet wordt geschaad en omtrent de eventueel te stellen voorwaarden. 12.3 afwijken van de bouwregels 12.3.1 Afwijken voor bebouwing Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van het bepaalde in lid 12.2.1 voor bebouwing toegestaan in de samenvallende bestemmingen.
12.3.2 Voorwaarden voor afwijken De in lid 12.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de waterkering. Alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning dient de aanvrager (vooraf) een watervergunning aan te vragen bij de Waterbeheerder.