Agendabundel
Tekst van het document
Besluit niet in betekenende mate [NIBM] bijdragen, en Regeling NIBM bijdragen In het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” en de daarop gebaseerde “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” is geregeld welke projecten niet meer getoetst hoeven te worden. Projecten, die maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10) bijdragen aan de lokale luchtkwaliteit, vallen onder de definitie van NIBM en hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wm. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen waarbij een besluit, aangaande een project, in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt. In de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” zijn categorieën projecten opgenomen die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. In de ‘Regeling NIBM bijdragen’ is onder meer opgenomen dat voor woningbouwlocaties van een bepaalde omvang sprake is van niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit ofwel dat het woningbouwproject geen aanmerkelijke negatieve invloed heeft op de luchtkwaliteit. Voor woningbouwprojecten is de regeling van toepassing op toelichting bestemmingsplan Ophelialaan Jac. P. Thijsselaan
34
woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat. Luchtkwaliteitssituatie plan(gebied) Het onderhavige plan omvat 22 woningen. Met dit aantal woningen zal het plan en project Herontwikkeling De Hoeksteen niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. Dit kan worden geconstateerd op grond van de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. Verder blijkt uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (cimlk.nl) dat de concentraties aan de luchtverontreinigende stoffen NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het onderhavige plangebied ruim onder de grenswaarden (voor jaargemiddelde concentraties) liggen, in zowel 2018, 2020 als 2030. Dit volgt uit het toets/rekenpunt van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (cimlk.nl) liggend vlakbij het plangebied (langs de Molenvlietweg). De huidige luchtkwaliteit ter plaatse van de onderhavige locatie is ruim voldoende zodat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Er is ten aanzien van het onderhavige plan sprake van 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. Met NIBM bijdragen wordt voldaan aan de eisen van de Wet milieubeheer.
Er is bij het plan en project Herontwikkeling De Hoeksteen geen relevant effect op de luchtkwaliteit. Tevens is de huidige luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied ruim voldoende. De luchtkwaliteit, of een geringe verandering daarvan, vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
6.6 Externe veiligheid Beleidskader en wettelijk kader Bij externe veiligheid gaat het om de vraag of de veiligheid van personen in de omgeving van een risicoopleverende activiteit met gevaarlijke stoffen voldoende is gewaarborgd. Het gaat hier met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen en de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de (hoofd)wegen, spoorwegen en waterwegen en door buisleidingen. De veiligheidskaders en normen zijn vastgelegd in respectievelijk het Besluit externe veiligheid inrichtingen, Besluit externe veiligheid transportroutes en Besluit externe veiligheid buisleidingen. De risicokaart (NoordHolland) geeft inzicht in de risico's in de woon en werkomgeving. Op de risicokaart staan meerdere typen risicobronnen en ongevallen. De gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincies en Rijk. Planspecifiek Het plangebied ligt niet binnen het invloedgebied van de dichtstbijzijnde hogedruk aardgasleiding. Er is geen LPGtankstation, Beviinrichting of route gevaarlijke stoffen in de buurt waarmee rekening moet worden gehouden. Wel ligt het plangebied binnen de LIB5 zone (zie paragraaf 6.10). Externe veiligheid is dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling die mogelijk gemaakt wordt met dit bestemmingsplan.
6.7 Natuur en Ecologie Wettelijk kader
toelichting bestemmingsplan Ophelialaan Jac. P. Thijsselaan
35
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van soorten en leefgebieden. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De Wet natuurbescherming beslaat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder de andere soorten vallen bijvoorbeeld de ringslang en grote modderkruiper. Gedeputeerde Staten kunnen in sommige gevallen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen voor de andere soorten. Met betrekking tot de gebiedsbescherming wordt hoofdzakelijk gekeken naar de Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Plangebied Soortenbescherming Op basis van eerder uitgevoerde quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming (RPS advies en ingenieursbureau bv, referentie NL202003918R20219 d.d.
17 maart 2020) is naar voren gekomen dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is ten aanzien van vleermuizen, huismus en gierzwaluw voor de gebouwen aan de Ophelialaan 230 en onderzoek naar vleermuizen voor het woonhuis aan de Jac. P. Thijsselaan. In 2020 is het aanvullend soortgericht onderzoek (RPS advies en ingenieursbureau bv, referentie NL202003918R20942 d.d. 23 november 2020) naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw uitgevoerd voor de Ophelialaan 230 en de Jac. P. Thijsselaan. Tijdens het vleermuizenonderzoek is een voortplantingsplaats van ransuil aangetroffen in een boom op het terrein van Ophelialaan 230. Daarom is ook een aanvullend onderzoek naar ransuil uitgevoerd. Andere beschermde natuurwaarden waarvoor aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag nodig zijn, anders dan vleermuizen, huismus, gierzwaluw en ransuil, zijn niet in het geding. Wel dienen de opgenomen voorzorgsmaatregelen opgevolgd te worden uit de quickscan rapportages. In onderhavig rapport worden de resultaten van het aanvullend onderzoek naar vleermuizen, huismus, gierzwaluw en ransuil behandeld met de effectanalyse. Ten behoeve van het verkrijgen van een ontheffing is het activiteitenplan opgesteld. Gebiedsbescherming Het meest dichtbij gelegen Natura 2000gebied is Botshol. Botshol ligt op circa 9,5 kilometer afstand.
De Nieuwkoopse Plassen & De Haeck liggen op 11,5 kilometer en KennermerlandZuid op 13,5 kilometer afstand. De verspreiding van emissies en de bijdrage aan de stikstofdepositie ten gevolge van het project De Hoeksteen is op 14 maart 2023 berekend met het rekenprogramma AERIUS Calculator (zie bijlage 4). Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase en bouwfase blijkt dat de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt; de uitvoerfiles (GML) zijn bijgevoegd. Het onderhavige plan zal afzonderlijk of in combinatie met andere plannen geen relevante significante cumulatieve effecten kunnen veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000gebieden. Conclusie Soortenbescherming Naar aanleiding van de aangetroffen en te verwachten beschermde soorten, de negatieve effecten op deze soorten en de daaraan gekoppelde voorzorgs en mitigerende maatregelen kan de volgende conclusie getrokken worden ten aanzien van de toetsing aan de Wet natuurbescherming: toelichting bestemmingsplan Ophelialaan Jac. P. Thijsselaan
36
<0000>
<0000>
Negatieve effecten op gewone dwergvleermuis zijn aan de orde doordat de uitvoering van de werkzaamheden leiden tot het verdwijnen van één zomer, paar en winterverblijfplaats. Dit leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Hiervoor zijn voorzorgs en mitigerende maatregelen opgenomen en er is een ontheffing aangevraagd. De ontheffing is verleend op 8 maart 2023 (zie bijlage 6). Negatieve effecten op ransuil zijn niet aan de orde omdat de enige nestplaats behouden blijft. Zowel de nestboom als de omringende (hogere) bomen worden behouden. Zo blijft er genoeg beschutting voor de ransuil. Tevens worden de werkzaamheden buiten de broedperiode, namelijk in de periode 1 september tot 15 februari, van de ransuil gepland. Het behoud van de boom wordt gewaarborgd doordat het de bestemming 'groen' krijgt en in eigendom van de gemeente blijft. Daarnaast wordt er voorzien in twee alternatieve nestplaatsen, zoals weergegeven in bijlage 3A van de ontheffing. Op deze manier is er voldoende aangetoond dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de ransuil. Dit betekent dat het verbod van artikel 3.1 lid 4 van de Wnb niet wordt overtreden.
Gebiedsbescherming Uit het stifstokstof depositieonderzoek blijkt dat de ontwikkeling 'De Hoeksteen' afzonderlijk of in combinatie met andere plannen geen relevante significante cumulatieve effecten kunnen veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000gebieden.
6.8 Cultuurhistorie en Archeologie In de beleidsnota Archeologie wordt aangegeven wat de archeologische verwachtingswaarde binnen de gemeente is en wanneer bij ruimtelijke ingrepen nader archeologisch onderzoek vereist is. Het plangebied is in de nota en de bijbehorende kaart gekwalificeerd als “archeologie vrij”, zodat bij nieuwe ontwikkelingen geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Ten behoeve van het bestemmingsplan zijn de cultuurhistorische waarden in het gebied in beeld gebracht. Het plangebied ligt in een beschermd Dorpsgezicht Berkenlaan, Jac. P. Thijsselaan en Kastanjelaan. Hiervoor is in de planregels dubbelbestemming opgenomen. Nader onderzoek naar cultuurhistorische waarden is niet noodzakelijk.
6.9 Milieueffectrapportage (m.e.r.) Het instrument en de procedure milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in (samenhang met) het Besluit milieueffectrapportage. Voor alle plannen en projecten waarbij de activiteit is opgenomen in (Bijlage D van) het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) moet door het bevoegd gezag worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Via een m.e.r.beoordeling worden de milieueffecten van de gewenste ontwikkeling onderzocht. Op basis hiervan wordt beoordeeld en beslist of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Volgens onderdeel D 11.2 van de Bijlage bij het Besluit mer dient er voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen een m.e.r.beoordeling te worden gedaan.
toelichting bestemmingsplan Ophelialaan Jac. P. Thijsselaan
37
Relevantie onderhavige plan Het onderhavige plan betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject of een andere activiteit opgenomen in het (Bijlage D van) het Besluit milieueffectrapportage. Daarom hoeft voor het onderhavige plan geen m.e.r.beoordelingsbesluit te worden genomen. Er hoeft in beginsel niet te worden beoordeeld of voor het onderhavige plan dan wel planologisch besluit een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Wel dient te worden beoordeeld of vanwege het plan 'belangrijke nadelige milieugevolgen' zijn te verwachten. Er zijn geen 'belangrijke nadelige milieugevolgen' vanwege het onderhavige plan te verwachten, zoals blijkt uit alle beschreven relevante milieuaspecten in hoofdstuk 6. Derhalve hoeft er geen milieueffectrapport te worden gemaakt voor het onderhavige bestemmingsplan. Het merbeoordelingsbesluit hierover is genomen op 22 maart 2023 (zie bijlage 5).
6.10 Luchthaven Schiphol 6.10.1 Wettelijk kader - Luchthavenindelingbesluit (LIB) Schiphol Het oorspronkelijke Luchthavenindelingbesluit (LIB) Schiphol is op 31 augustus 2004 gewijzigd in werking getreden. Met het LIB wordt in kaartmateriaal een zogenaamd beperkingengebied vastgesteld. Het LIB bevat voor dat beperkingengebied regels waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bebouwing en het gebruik van gronden, voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidsbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven Schiphol. Per 4 november 2015 is een wijziging van het Luchthavenindelingbesluit (LIB) in werking getreden (zie Staatsblad met nr. 389). Doel van deze wijziging is om de vliegveiligheid rondom Schiphol in afdoende mate te borgen. Hiervoor zijn de zogenaamde toetshoogtes in de omgeving van Schiphol aanzienlijk verlaagd. Bestemmingsplannen dienen deze verlaagde toetshoogtes in acht te nemen. Gebouwen hoger dan de toetshoogtes kunnen alleen toegestaan worden indien het Rijk hiervoor een verklaring van geen bezwaar (vvgb) heeft afgegeven of een positief radar advies heeft afgegeven. Het instrument "radar advies" is een nieuw instrument naast het reeds bestaande vvgb. Voor de radartoets gelden afzonderlijke toetshoogtes; deze zijn opgenomen in een nieuwe kaart in bijlage 4a bij het LIB.
De procedures in het kader van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een vvgb en een radaradvies gelden allebei afzonderlijk van elkaar maar kunnen ook samenvallen wanneer verschillende toetsvlakken worden doorsneden. De genoemde beperkingen betreffen: <0000> de bebouwing en het gebruik van grond in verband met het externeveiligheidsrisico vanwege het luchthavenverkeer; <0000> de bebouwing en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer; <0000> de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer; <0000> bebouwing die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer. Op 1 januari 2018 is het LIB gewijzigd in werking getreden. De regelwijziging ziet op een eigen bevoegdheid voor het lokaal bestuur om binnen bestaand stedelijk gebied woningen toe te voegen. In het gebied binnen zone 4 (van de kaart van bijlage 3 LIB) blijft wel de grens van 25 woningen per bouwplan gehandhaafd. In het bestaand stedelijk gebied tussen de grens van zone 4 en de 20 Kecontour gelden nu en ook onder toelichting bestemmingsplan Ophelialaan Jac. P. Thijsselaan
38
het regime van het nieuwe LIB geen kwantitatieve beperkingen aan woningbouw. In het landelijk gebied zijn volgens het LIB nieuwe woningbouwlocaties niet toegestaan. 6.10.2 Situatie plan(gebied) en relevantie onderhavige plan Het onderhavige plangebied ligt binnen het beperkingengebied geluidsgevoelige gebouwen, betreffende nummer 4 van bijlage 3 van het LIB Schiphol. Voor dit 'zone 4' gebied geldt als beperking dat maximaal 25 woningen per bouwplan is toegestaan binnen bestaand stedelijk gebied. Het onderhavige plan omvat maximaal 22 woningen, en voldoet daarmee aan artikel 2.2.1c van het LIB. Het onderhavige plangebied valt binnen het beperkingengebied voor hoogtes van het LIB. De algemene bouwhoogtebeperking voor de planlocatie betreft 26 meter ten opzichte van NAP. De bouwhoogtebeperking in verband met radar voor de planlocatie betreft 40 tot 41 meter ten opzichte van NAP. De onderhavige bouwplannen en bebouwing kennen een maximale bouwhoogte van 9 meter ten opzichte van het peil en circa 6 meter ten opzichte van het NAP. De onderhavige bouwwerken kennen een bouwhoogte die voldoet aan de toegestane bouwhoogtes van het LIB. Alle bebouwing van het plan voldoet aan de toegestane bouwhoogtes van het LIB. Het onderhavige plan betreft geen bebouwing en functie die een vogelaantrekkende werking heeft.
Rekenschap geven: externe veiligheid Het onderhavige plangebied ligt binnen het afwegingsgebied geluid en externe veiligheid ofwel binnen de 20 Kecontour, betreffende nummer 5 van bijlage 3 van het LIB Schiphol. De kans op een vliegtuigongeval binnen het plangebied is zeer klein te noemen. Deze is in ieder geval kleiner dan 1 op de 1 miljoen per jaar, gelet op de ligging buiten de LIB 3 zone. Een dergelijke kans wordt in het algemeen (bij andere risicobronnen) als zo gering gezien dat het risico aanvaardbaar wordt geacht. Er wordt uiteraard alles aan gedaan om het vliegverkeer zo veilig mogelijk te laten verlopen. De (rijks)overheid stelt strenge eisen aan luchthavens, de verkeersleiding en luchtvaartmaatschappijen. De eisen gelden voor vliegtuigen (technische veiligheid) maar ook voor persoonlijke veiligheid. Er zijn regels voor bemanningen, voor mensen die op of in de buurt van een luchthaven werken en voor reizigers. De rijksoverheid controleert of de organisaties aan de gestelde eisen voldoen. De gemeente kan geen maatregelen treffen om ongelukken met vliegverkeer te voorkomen (bronmaatregelen). Beschrijving maatregelen 1. De noord en hulpdiensten treden in het geval van een vliegtuigongeval volgens het hiervoor geldende protocol op. De kwaliteit van de nood en hulpdiensten wordt door intensieve monitoring steeds verbeterd.
Sinds de Bijlmerramp zijn de lokale rampenplannen verbeterd. Lokale bestuurders zijn en worden getraind in het leiding geven tijdens crisissituaties. 2. Voor een snelle en adequate hulpverlening in geval van een ramp is het van belang dat de locatie voor hulpdiensten goed bereikbaar is en dat mensen de mogelijkheid hebben om te vluchten. Het plangebied is voor hulpdiensten goed bereikbaar voor gemotoriseerd verkeer. Daar komt bij dat de uitrijpost van brandweer en ambulance hemelsbreed op nog geen kilometer afstand van de locatie ligt. Hulpdiensten kunnen daardoor zeer snel ter plaatse zijn. 3. De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door veel openheid. Het Seringenpark, de begraafplaats en het sportpark zijn open gebieden waar inwoners in geval van een ramp naartoe kunnen vluchten dan wel opgevangen worden. Bijkomend voordeel is dat zowel in het park als aan de rand van de begraafplaats zich oppervlaktewater bevindt. In geval van een ramp kan dit gebruikt worden als bluswater. toelichting bestemmingsplan Ophelialaan Jac. P. Thijsselaan
39
4. Door de type bebouwing in de Ophelialaan en de Jac. P. Thijsselaan en de aanwezigheid van de onbebouwde gebieden wordt de omgeving van het plangebied gekenmerkt door een lage bebouwingsdichtheid. Ook het bouwplan zelf is bescheiden van aard. Het gaat om 22 woningen. Daardoor zijn er in het gebied relatief weinig mensen woonachtig. Ook dit verkleint de kans op dodelijke slachtoffers op de grond in geval van een vliegtuigongeluk. Gelet op de ligging van de woningen nabij de uitrijpost van hulpdiensten, (blus)water en groen, het lage woningaantal in combinatie met de zeer lage kans op een groen, het lage woningaantal in combinatie met de zeer lage kans op een vliegtuigongeval, wordt deze ontwikkeling aanvaardbaar geacht. Belangenafweging geluidbelasting vs. noodzaak tot woningbouw In juli 2016 is er tussen regio, Rijk en luchtvaartsector een akkoord bereikt binnen het onderdeel “wonen en vliegen” van het SMASHtraject. Met dit akkoord is met het oog op de leefbaarheid en vitaliteit en in verband met de woningbouwopgave in de metropoolregio meer afwegingsruimte voor woningbouw overeengekomen voor het lokaal bestuur. Per 1 januari 2018 is conform deze afspraken het Luchthaven indelingbesluit gewijzigd. Tevens is het beleid voor het gebied binnen de 20 Kecontour in het Lib verankerd.
In samenhang met de vergroting van de lokale afwegingsruimte dienen gemeenten de afspraken na te komen die zijn gemaakt om te voorkomen dat de luchtvaartsector voor extra kosten komt te staan door nieuwe woningbouwontwikkelingen. Kern van deze afspraken is het rekenschap geven van vliegtuiggeluid in ruimtelijke plannen, mede met het oog op objectieve en vroegtijdige informatievoorziening van (toekomstige) bewoners. In samenspraak met de gemeenten in de regio is een handreiking opgesteld hoe op transparante wijze de afspraak over rekenschap geven in te vullen. Deze handreiking is in een provinciale beleidsregel vertaald. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen zal de provincie aan deze regel toetsen. Conform deze regel dient in ruimtelijke plannen een aantal stappen te worden doorlopen om te kunnen concluderen dat aan de afspraak over rekenschap geven is voldaan: a. een weergave en beschrijving van de exacte ligging van de woningbouwlocatie in het beperkingengebied; b. een beschrijving van de huidige geluidssituatie op die woningbouwlocatie; c. een beschrijving van verwachte toekomstige ontwikkelingen die kunnen zorgen voor een verandering van de huidige geluidssituatie op de woningbouwlocatie; d.
een beschrijving van de belangen die met de beoogde woningbouw zijn gemoeid gelet op de leefbaarheid en de lokale vitaliteit, de kwaliteit van de locatie en/of de regionale woningbouwmarkt en woningbouwopgave; e. een slotconclusie over de bevindingen naar aanleiding van de onderwerpen bedoeld in a., b., c. en d. Ad a: De ligging in het beperkingengebied De planlocatie is gelegen binnen de 20 Ke contour. Ad b: de huidige geluidssituatie Gegevens over de actuele geluidbelasting vanwege vliegtuigverkeer kunnen worden ontleend aan de geluidbelastingkaarten die elke vijf jaar volgens de Europese richtlijn omgevingslawaai worden opgesteld en de informatie op de website van het Bewonersaanspreekpunt Schiphol. In het kader van de Europese richtlijn omgevingslawaai karteren gemeenten de geluidsbelasting van een luchthaven als die groter of gelijk is aan 55 dB Lden of 50 dB Lnight. De huidige geluidbelastingkaarten dateren van juni 2017. Volgens deze kaarten ondervindt de planlocatie een geluidbelasting van meer dan 55 dB Lden en 50 dB Lnight. Conform het Bouwbesluit 2012 bedraagt de minimale karakteristieke geluidwering van de gevel 20 dB bij een binnenniveau van 33 dB in de woningen. Voor de bepaling van de karakteristieke geluidwering van de gevels dient uitgegaan te worden van de toelichting bestemmingsplan Ophelialaan Jac. P. Thijsselaan
40
gecumuleerde geluidbelasting op de gevels. Ad c: toekomstige ontwikkeling De huidige operatie op Schiphol benaderde (voor de corona pandemie) het maximale scenario van 500.000 vluchten. De beschreven actuele geluidbelasting benadert daarmee de geluidbelasting die op basis van het maximale aantal van 500.000 vluchten gerealiseerd zal worden. Afhankelijk van de specifieke weersomstandigheden zal dan de geluidbelasting per jaar enigszins kunnen verschillen. Gezondheidsrisico’s van geluidoverlast worden vooral in verband gebracht met slaapverstoring. Van belang in dit verband is dat de Aalsmeerderbaan in beginsel ’s nachts is gesloten. De nacht duurt van 23.00 uur tot 06.00 uur. De sluiting van de Aalsmeerderbaan in de nacht staat voor zover nu bekend ook in de toekomst niet onder druk. ad d: het belang van woningbouw Het gaat in dit geval om een vrijgekomen locatie waarvoor een passende invulling moet worden gevonden. Daarnaast voorziet woningbouw op deze locatie in een actuele behoefte, (zie paragraaf 5.2.4). Daarin wordt geconcludeerd dat deze behoefte voor deze woningbouwregio in ruime mate aanwezig is. Sterker nog, er dreigt een tekort aan locaties waarbinnen de grote behoefte kan worden ingelost. Dit vertaald zich o.a. in het door het Rijk uitgedragen beleid dat woningbouw binnen de 20 Kecontour, mits binnen BSG, hier een bijdrage aan kan leveren.
Een zoektocht naar een geschikte locatie buiten de 20 Kecontour is dus nu niet aan de orde omdat voor deze specifieke locatie een herstructureringsopgave ligt die vanuit het oogpunt van leefbaarheid dient te worden opgepakt. Transformatie naar een andere kostendrager dan wonen is niet passend in het karakter van de directe omgeving, namelijk woningbouw. Ad e: slotconclusie Het wijzigen van de maatschappelijke bestemming (voormalige school) in het gebied en een herinvulling met woningbouw levert een kwaliteitsverbetering op. Wonen is, gezien het karakter van de omgeving, de enige voor de hand liggende bestemming. Hiertegen bestaan vanuit de afweging van de geluidbelasting vanwege vliegtuiggeluid geen zwaarwegende bezwaren. Geconcludeerd kan worden dat er groot belang aan het realiseren van de woningbouw wordt gehecht en dat daarbij de aanwezige geluidshinder zorgvuldig en transparant is meegewogen. De woningen dienen conform het Bouwbesluit te worden gebouwd zodat het geluidsniveau in de woning niet hoger zal zijn dan 33 dB. Afhankelijk van persoonlijke omstandigheden kan vliegtuiglawaai voor hinder zorgen. Om deze reden is het van belang open en transparant te informeren over de mogelijkheid van vliegtuiglawaai. Door vroegtijdig te informeren over geluidhinder van vliegtuigen kan hinderbeleving worden voorkomen.
Informatievoorziening over vliegtuiggeluid valt buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan. In het kader van het bouwproject wordt op een deugdelijke informatievoorziening van de toekomstige bewoners ingezet. 6.10.3 Conclusie Het beperkingengebied van Schiphol vormt geen belemmering voor het onderhavige plan. Er wordt tevens afdoende rekening gehouden met het geluid vanwege het vliegverkeer van Schiphol.
6.11 Bezonningsstudie
In het kader van deze ontwikkeling is er een bezonningsstudie uitgevoerd (zie bijlage 8). Er is getoetst aan de lichte TNOnorm. De lichte TNOnorm is een gebruikelijke methode om de bezonning van woningen in een stedelijk gebied te beoordelen. In een stedelijke omgeving kunnen minder hoge eisen aan de bezonning worden gesteld en moet er mee toelichting bestemmingsplan Ophelialaan Jac. P. Thijsselaan
41
rekening worden gehouden dat bebouwing van invloed kan zijn op de bezonning. Om die reden is de lichte TNOnorm toegepast in plaats van de ‘strengere’ zware TNOnorm. Er wordt voldaan aan de lichte TNOnorm als de zon minimaal 2 uur per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van de woonkamer valt, gedurende de periode 19 februari t/m 21 oktober. Uit deze bezonningsstudie blijkt dat de bezonning voor de omliggende gebouwen, waarbij rekening is gehouden met hetgeen wat het nieuwe bestemmingsplan planologisch maximaal mogelijk maakt, voldoet aan de lichte TNOnorm.
toelichting bestemmingsplan Ophelialaan Jac. P. Thijsselaan
42
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 quickscan Wnb Bijlage 2 aanvullend onderzoek Wnb Bijlage 3 verkennend (water)bodemonderzoek Bijlage 4 Rapport stikstofdepositie De Hoeksteen Bijlage 5 mer beoordelingsbesluit Bijlage 6 ontheffing Wnb Bijlage 7 beeldkwaliteitsplan de Hoeksteen Bijlage 8 bezonningsstudie Bijlage 9 akoestisch onderzoek Bijlage 10 nota van beantwoording
Postbus 75 4140 AB Leerdam Prins Mauritsstraat 17 4141 JC Leerdam T +31 88 99 04 800
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING Extra gebouwen Ophelialaan 230 Aalsmeer
Ref.: NL202003918-R20-219 17 maart 2020
Gemeente Amstelveen - Aalsmeer
RPS advies- en ingenieursbureau bv
Contactpersoon
de heer J. Koch
Auteur
Dhr. J. Willemsen
Adres
Laan Nieuwer-Amstel 1
Projectleider
Dhr. T. Denayère
1182 JR AMSTELVEEN
Gecontroleerd door
Mw. S. Tummers
Projectreferentie Versie
NL202003918-R20-219 Concept
Totaal aantal pagina’s
28
Handtekening
Handtekening
Akkoord Tom Denayère Projectleider
Akkoord Sanne Tummers Adviseur Ecologie
Dit rapport is vertrouwelijk. Geen enkel deel van dit rapport mag aan derden openbaar worden gemaakt zonder schriftelijke toestemming van RPS advies- en ingenieursbureau bv of van de opdrachtgever. Alleen aan het originele complete rapport kunnen rechten worden ontleend. Dit rapport mag UITSLUITEND in zijn geheel worden gereproduceerd.
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 2 van 28
INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING ................................................................................................................................... 5 Aanleiding ..................................................................................................................................... 5 Doel van het onderzoek ............................................................................................................... 5 Onderzoeksvragen ....................................................................................................................... 6 Leeswijzer .................................................................................................................................... 6
2 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2
PROJECTOMSCHRIJVING ........................................................................................................ 7 Projectgebied ............................................................................................................................... 7 Werkzaamheden en planning ...................................................................................................... 8 Werkzaamheden .......................................................................................................................... 8 Planning ....................................................................................................................................... 9
3 3.1 3.2 3.3 3.4
WERKWIJZE QUICKSCAN ...................................................................................................... 10 Bureaustudie .............................................................................................................................. 10 Veldbezoek ................................................................................................................................. 10 Effectanalyse voorgenomen ingreep.......................................................................................... 11 Maatregelen ............................................................................................................................... 11
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.5.1 4.5.2 4.6 4.7 4.8 4.9
AANWEZIGE EN TE VERWACHTEN SOORTEN .................................................................... 12 Vaatplanten ................................................................................................................................ 12 Mossen en korstmossen ............................................................................................................ 12 Grondgebonden zoogdieren ...................................................................................................... 13 Vleermuizen ............................................................................................................................... 14 Vogels ........................................................................................................................................ 16 Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats .................................. 16 Broedvogels ............................................................................................................................... 18 Reptielen .................................................................................................................................... 18 Amfibieën ...................................................................................................................................
19 Vissen ......................................................................................................................................... 20 Ongewervelde diersoorten ......................................................................................................... 20
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
EFFECTANALYSE .................................................................................................................... 22 Grondgebonden zoogdieren ...................................................................................................... 22 Vleermuizen ............................................................................................................................... 22 Vogels ........................................................................................................................................ 23 Amfibieën ................................................................................................................................... 23 Conclusie effectanalyse ............................................................................................................. 24
6 6.1 6.2 6.3
VOORZORGSMAATREGELEN ................................................................................................ 25 Zorgplicht .................................................................................................................................... 25 Broedvogels ............................................................................................................................... 25 Rugstreeppad ............................................................................................................................. 25
7 7.1 7.2
CONCLUSIES EN VERVOLONDERZOEK ............................................................................... 27 Conclusies .................................................................................................................................. 27 Vervolgonderzoek ...................................................................................................................... 27
8
BRONNEN ................................................................................................................................. 28
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 3 van 28
BIJLAGEN 1. 2.
Natuurwetgeving Foto’s projectgebied
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 4 van 28
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
De gemeente Aalsmeer is voornemens om meerdere gebouwen te herontwikkelen op het schoolplein van voormalige basisschool De Hoeksteen, Ophelialaan 230 in Aalsmeer. Het voormalige schoolgebouw zal gerenoveerd en aangepast worden en meerdere bijgebouwen worden gesloopt voor de ontwikkeling van nieuwbouw. Verschillende groenstroken worden verwijderd en een woonhuis langs de Jac. P. Thijsselaan zal ook gesloopt worden. Zie figuur 1.1 voor de locatie van de Ophelialaan in Aalsmeer.
figuur 1.1: projectgebieden Ophelialaan in Aalsmeer (rood omlijnd). Bron: Bing Map.
RPS is gevraagd een quickscan uit te voeren om te onderzoeken welke beschermde flora en fauna voorkomen binnen het projectgebied, waar het gebouw aangepast dient te worden, bijgebouwen worden gesloopt en groen wordt verwijderd. Bij alle ruimtelijke ingrepen moet worden getoetst of er sprake is van strijdigheid met de Wet natuurbescherming (bijlage 1). Voor het onderhavige project is daarom een quickscan uitgevoerd. De quickscan is gericht op het onderdeel ‘Soortenbescherming’.
1.2
Doel van het onderzoek
Het doel van de quickscan is inzicht te krijgen in de beschermde planten- en diersoorten die voorkomen of kunnen voorkomen binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden en wat de effecten zijn van de ingreep op deze soorten. De gegevens voortvloeiend uit de quickscan geven duidelijkheid of een aanvullend onderzoek en een daaruit volgende toetsing aan de Wet natuurbescherming (natuurtoets) noodzakelijk is.
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 5 van 28
1.3
Onderzoeksvragen
Het slopen van verschillende gebouwen, renovatie van bestaande gebouwen en verwijderen van groen zoals struiken en bomen op Ophelialaan 230 in Aalsmeer kan gevolgen hebben voor de ter plaatse voorkomende beschermde flora en fauna. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. De onderzoeksvragen zijn als volgt: • Welke beschermde soorten zijn binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden aanwezig of op basis van de aanwezige biotopen niet uit te sluiten? • Is aanvullend soortgericht onderzoek noodzakelijk om te kunnen vaststellen of beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden aanwezig zijn? Zo ja, voor welke soorten? • Welke effecten ondervinden de aanwezige en te verwachten beschermde soorten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep, betreft het hier negatieve effecten die leiden tot overtreding van verbodsbepalingen? • Welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te voorkomen en daarmee overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen? • Welke maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te mitigeren of te compenseren? • Is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk?
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is de ligging van het projectgebied beschreven en de (mogelijke) werkzaamheden die uitgevoerd worden. In hoofdstuk 3 is de onderzoeksmethode beschreven. In hoofdstuk 4 wordt de soortenanalyse beschreven van de soorten die verwacht worden en welke soorten er gevonden zijn tijdens de quickscan. In hoofdstuk 5 wordt de effectanalyse besproken, in hoofdstuk 6 worden voorzorgsmaatregelen beschreven die noodzakelijk zijn om de werkzaamheden goed te laten verlopen en tot slot hoofdstuk 7 waar de conclusies beschreven zijn en worden de mogelijke vervolgonderzoeken beschreven die uitgevoerd dienen te worden in het kader van de Wet natuurbescherming.
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 6 van 28
2
PROJECTOMSCHRIJVING
2.1
Projectgebied
Het projectgebied is gelegen in de gemeente Aalsmeer in de provincie Noord-Holland. De Amersfoortcoördinaten zijn 112-475. Rond het projectgebied liggen de volgende dorpen en steden; ten noorden Hoofddorp en Amstelveen, ten zuiden Kudelstaart, ten oosten stadscentrum van Aalsmeer en ten westen het dorp Rijsenhout. In figuur 2.1 is de ligging van de Ophelialaan in Aalsmeer weergegeven en in figuur 2.2 toont een luchtfoto van deze locatie.
figuur 2.1: overzicht (topografische kaart) van het projectgebied (rood omlijnd) Bron: CC-BY Kadaster.
Het projectgebied is gelegen in het noordwesten van Aalsmeer in een woonwijk. Ten oosten van het projectgebied is een begraafplaats aanwezig en ten westen en zuidwesten is een woonwijk gelegen. Rond het projectgebied zijn verschillende stukken groen in de vorm van solitaire bomen, laanbomen, struiken en grasvelden. Ten oosten van het schoolgebouw is een kleine watergang gelegen. Andere watergangen liggen buiten het projectgebied.
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 7 van 28
figuur 2.2: overzicht van het projectgebied (rode omlijning). Bron: Bing Maps.
Afbeelding 2.1 toont een impressie van het projectgebied. Overige overzichtsfoto’s zijn bijgevoegd in bijlage 2.
afbeelding 2.1: impressie van locatie Ophelialaan 230 in Aalsmeer. 1) voormalig schoolgebouw 2) schoolplein met bijgebouw in projectgebied 3) groenstrook in projectgebied.
2.2
Werkzaamheden en planning
2.2.1
Werkzaamheden
Van het projectgebied is niet helemaal precies bekend welke werkzaamheden uitgevoerd gaan worden. Van de verschillende deellocaties binnen het projectgebied is bekend wat er precies gedaan gaat worden. Deze locaties zijn aangegeven in figuur 2.3.
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 8 van 28
figuur 2.3: projectgebied met de verschillende onderdelen waar werkzaamheden worden uitgevoerd.
Donkerrood: te slopen noodlokalen. Lichtrood: sloop bijgebouwen van voormalige school en woongebouw langs de Jac. P. Thijsselaan. Oranje: het voormalige (hoofd)schoolgebouw wordt behouden, mogelijk renovatiewerkzaamheden aan binnen- en buitenzijde. Groen: groene buitenruimte met (gehele en gedeeltelijke) herontwikkeling in verband met de nieuwbouw. Voor het slopen van de gebouwen, renoveren van het voormalige schoolgebouw en het inrichten van het gebied voor nieuwbouw worden globaal de volgende werkzaamheden uitgevoerd: • Slopen verschillende gebouwen. • Verwijderen bomen, struiken en ander groen. • Verwijderen overig materiaal zoals speeltoestellen, tegels, enzovoorts. • Inrichten werkterrein en werkdepot. • Werkzaamheden nieuwbouw. • Renoveren voormalig schoolgebouw.
2.2.2
Planning
Ten tijden van het opstellen van dit document is niet bekend wanneer de werkzaamheden uitgevoerd worden.
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 9 van 28
3
WERKWIJZE QUICKSCAN
Om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden, wordt een bureaustudie uitgevoerd naar bestaande, beschikbare verspreidingsgegevens. Daarnaast vindt een veldbezoek plaats. In dit hoofdstuk is de werkwijze van de quickscan beschreven.
3.1
Bureaustudie
Grote delen van Nederland zijn in de afgelopen jaren reeds onderzocht op aanwezige beschermde soorten. De gegevens afkomstig van deze onderzoeken worden grotendeels gepubliceerd in boeken (soortverspreidingsatlassen), rapportages of zijn op internet (o.a. Verspreidingsatlas NDFF) te raadplegen. Beschikbare gegevens in de Nationale databank Flora en Fauna (NDFF) zijn geraadpleegd. Door deze bestaande verspreidingsgegevens te raadplegen, wordt inzicht verkregen in de aanwezige beschermde soorten in of in de directe omgeving van het projectgebied. De beschikbare gegevens zijn beoordeeld op de bruikbaarheid. Verspreidingsgegevens van vissen, amfibieën, reptielen, zoogdieren, vogels, insecten en weekdieren mogen maximaal 5 jaar oud zijn, planten maximaal 10 jaar. Hierbij gelden echter enkele uitzonderingen waardoor verspreidingsgegevens van sommige soorten niet ouder dan 1 of 3 jaar mogen zijn. De bestaande gegevens worden veelal op uurhok- (5*5 km) of kilometerhokniveau (1*1 km) weergegeven. Een nadeel hiervan is dat dan nog niet met zekerheid bekend is of de betreffende planten- of diersoort ook daadwerkelijk in het projectgebied voorkomt en wat de functie van het gebied is voor deze soort. Daarnaast kan het voorkomen dat gebieden niet onderzocht zijn (of slechts op enkele soortgroepen), of dat de verspreidingsgegevens niet beschikbaar zijn gesteld.
3.2
Veldbezoek
Inzicht in het voorkomen van beschermde soorten wordt verkregen door het uitvoeren van een oriënterend veldbezoek. Het veldwerk is door een ecoloog van RPS uitgevoerd. In het onderstaande overzicht is weergegeven door welke ecoloog en op welke datum het veldbezoek heeft plaatsgevonden. Daarbij zijn voor de volledigheid ook de weersomstandigheden vermeld (bron: www.knmi.nl). tabel 3.1: uitgevoerd veldonderzoek met weersomstandigheden
Weersomstandigheden Datum 6 februari 2020
Temp. 7 °C
Windkracht 2-3 Bft
Bewolking
Onderzoeker
Onderzoeken
Ter zake kundige
Doel onderzoeken
Onbewolkt en zon Dhr. J. (Jasper) Willemsen
Quickscan
Het veldonderzoek is op basis van zicht- en geluidswaarnemingen uitgevoerd, vanaf het maaiveld. Waar dit mogelijk was, is een inspectiecamera gebruikt. Daarnaast is met het veldbezoek een beeld verkregen van de aanwezige biotopen en het landgebruik van het gebied. Met deze informatie wordt beoordeeld of de plantenen diersoorten die in de bestaande verspreidingsgegevens (zoals de NDFF) zijn genoemd, ook in het projectgebied kunnen voorkomen of verwacht kunnen worden. Daardoor is het mogelijk de quickscan in een periode van het jaar uit te voeren waarin niet alle soortgroepen aanwezig of actief zijn.
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 10 van 28
3.3
Effectanalyse voorgenomen ingreep
Met de verzamelde gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is beoordeeld of de voorgenomen ingreep (voor zover bekend voor een deelgebied) leidt tot negatieve effecten op de aanwezige en/of te verwachten beschermde soorten en hun leefgebied. In hoeverre het mogelijk is om een complete effectanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en duidelijkheid over de uit te voeren werkzaamheden en uitvoeringsplanning. In deze analyse zijn de effecten zowel op de korte termijn (ten tijde van de werkzaamheden) als op de lange termijn (na afloop van de ingreep) meegenomen. Vervolgens is beoordeeld of overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming aan de orde is.
3.4
Maatregelen
Negatieve effecten op beschermde planten en dieren dienen zo veel mogelijk te worden voorkomen. Indien negatieve effecten door de voorgenomen effecten aan de orde zijn, worden in eerste instantie voorzorgsmaatregelen opgenomen om de negatieve effecten alsnog te voorkomen. Wanneer voorzorgsmaatregelen niet afdoende zijn om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen, dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen in een aparte natuurtoetsrapportage opgenomen te worden.
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 11 van 28
4
AANWEZIGE EN TE VERWACHTEN SOORTEN
Hieronder is beschreven welke beschermde of bedreigde soorten in het gebied voorkomen of verwacht kunnen worden. Onderstaand is het resultaat van de bureaustudie en het veldonderzoek. Afhankelijk van in welke periode van het jaar het veldonderzoek heeft plaatsgevonden, is het mogelijk om per soort aan te geven wat de functie van het projectgebied is voor de soort (bijvoorbeeld leef-, voortplantings- en/of foerageergebied). In hoofdstuk 2 en bijlage 2 zijn enkele foto’s weergegeven van het projectgebied. Voor het projectgebied is per soortgroep eerst vermeld welke waarnemingen van soorten vermeld zijn vanuit de NDFF en de verspreidingsgegevens. Vervolgens is vermeld welke soorten (en/of sporen en geluiden) tijdens het veldbezoek zijn waargenomen. Op basis van de aanwezige biotopen wordt tot slot aangegeven voor welke soorten het projectgebied een functie heeft, bijvoorbeeld als voortplantingsbiotoop, winterbiotoop of onderdeel van een groter foerageergebied.
4.1
Vaatplanten
Waarnemingen NDFF: geen beschermde vaatplanten gemeld. Verspreidingsgegevens: geen beschermde vaatplanten gemeld. Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde vaatplanten waargenomen. Soorten die zijn waargenomen zijn gewone vlier, straatgras, groene naaldaar, kransgras en gewoon varkensgras. Dit zijn in Nederland algemeen voorkomende soorten. Daarnaast zijn meerder gecultiveerde soorten waargenomen zoals verschillende soorten (aangeplante) struiken en bomen en soorten zoals sneeuwbes, forsythia en roos (egelantier) Beschermde soorten worden niet verwacht op basis van afwezigheid van geschikt biotoop zoals kruidenrijke graslanden. De perken, straatkanten en tussen de tegels worden regelmatig schoongemaakt.
4.2
Mossen en korstmossen
Waarnemingen NDFF: geen beschermde mossen en korstmossen gemeld. Verspreidingsgegevens: geen beschermde mossen en korstmossen gemeld. Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde mossen en korstmossen waargenomen. Soorten zoals gewone citroenkorst, muurschotelkorst, bleek boomvorkje (figuur 4.1), heksenvingermos, gewoon purperschaaltje en fijn laddermos zijn waargenomen. Dit zijn algemeen in Nederland voorkomende soorten. Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor beschermde mossen en korstmossen is het voorkomen van beschermde mossen en korstmossen ook uitgesloten.
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 12 van 28
figuur 4.1: bleek boomvorkje op aangeplante boom in projectgebied.
4.3
Grondgebonden zoogdieren
Waarnemingen NDFF: geen beschermde grondgebonden zoogdieren gemeld. Verspreidingsgegevens: egel, konijn, ree, vos, bosmuis, veldmuis, rosse woelmuis, bosmuis, hermelijn, wezel en bunzing. Tijdens het veldonderzoek zijn geen zoogdieren waargenomen. Ook zijn er geen sporen van grondgebonden zoogdieren waargenomen. Geschikt biotoop voor verschillende muizensoorten is aanwezig. Soorten zoals bosmuis, veldmuis en rosse woelmuis kunnen voorkomen in en rond het projectgebied door de aanwezigheid van grasvelden, ruigte, struiken, bomen en tuinen. Onder de bomen en struiken is een strooisellaag aanwezig waartussen muizen kunnen foerageren en verblijven. Daarnaast zijn houtstapels en andere objecten aanwezig wat ook geschikt is voor muizensoorten om zich in te verschuilen. Hierdoor is het niet uitgesloten dat verschillende algemene muizensoorten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden voorkomen. Voor egels is er geschikt leefgebied aanwezig. Rondom de verschillende gebouwen en voormalig schoolgebouw zijn ruigtes, houtstapels en strooisellagen aanwezig waar egels kunnen verblijven, foerageren en mogelijk overwinteren, zie afbeelding 4.1. In de omgeving van het projectgebied zijn ook geschikte omstandigheden voor egels aanwezig in particuliere tuinen.
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 13 van 28
afbeelding 4.1: geschikte locatie voor egels (maar ook voor verschillende muizensoorten) om te foerageren, rusten en overwinteren. 1) onder en tussen struiken 2) strooisel laag langs heggen en struiken 3) rommelige hoekjes langs speelplaats met bladeren en hout.
Tijdens het veldonderzoek zijn geen egels waargenomen. Het is niet uit te sluiten dat egels kunnen voorkomen in en rond het projectgebied. Voor kleine marterachtige is geen geschikt leefgebied aanwezig. Kleine marterachtige komen voor in open landschappen waar grasvelden, ruigtes en houtwallen aanwezig zijn. Het projectgebied Ophelialaan in Aalsmeer is gelegen in bebouwd gebied waardoor geen open jachtterrein aanwezig is voor de marters. Door de afwezigheid van geschikt biotoop kan het uitgesloten worden dat kleine marterachtigen in en rond het projectgebied kunnen voorkomen. Vossen komen voor in diverse biotopen. Geschikt leefgebied voor deze soort is aanwezig in en rond het projectgebied. Er zijn geen exemplaren waargenomen, evenals sporen en holen van deze soort. Het is echter niet uitgesloten dat deze soort incidenteel voorkomt in het projectgebied. Ten aanzien van zwaar beschermde en kritische grondgebonden zoogdieren is geen geschikt biotoop binnen of in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig. Soorten als waterspitsmuis en Noordse woelmuis worden dan ook niet verwacht.
4.4
Vleermuizen
Waarnemingen NDFF: gewone dwergvleermuis. Verspreidingsgegevens: laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, watervleermuis en ruige dwergvleermuis. Verblijfplaatsen Tijdens het veldonderzoek is geconstateerd dat er geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn in het projectgebied. Het voormalige schoolgebouw en de naastgelegen bijgebouwen hebben spleten, scheuren, gaten (figuur 4.2) en toegang tot spouwmuren. Het voorkomen van verblijfplaatsen in het projectgebied is niet uit te sluiten in zowel de slopen bijgebouwen als in het te renoveren voormalige schoolgebouw.
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 14 van 28
figuur 4.2: gat in muur mogelijk geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.
In de te kappen bomen in de groenstroken zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen waargenomen. De bomen hebben geen spleten, gaten en loshangend schors waar vleermuizen in kunnen verblijven. Foerageergebied en vaste vliegroutes In en rond het projectgebied zijn verschillende elementen aanwezig welke geschikt zijn voor foeragerende en langsvliegende vleermuizen. De aanwezige bomen en struiken bieden geschikte omstandigheden voor foerageergebied. De watergang ten oosten van het projectgebied is geschikt voor verschillende insectensoorten die door vleermuizen gegeten kunnen worden. Zowel de watergang als de houtige vegetatie kunnen gebruikt worden als oriëntatie voor langs vliegende vleermuizen. Daarnaast staan langs de weg verschillende bomen in een rij. Deze bomen kunnen gebruikt worden door vleermuizen als vliegroute van en naar verblijfplaatsen (in en rond het projectgebied) naar foerageergebied. Het projectgebied kan een functie voor vleermuizen hebben ten aanzien van foerageergebied en/of ter oriëntatie op hun vliegroute tussen verblijfplaats en foerageergebied elders. In hoeverre de Ophelialaan in Aalsmeer een functie heeft als (essentieel) foerageergebied of (essentiële) vliegroute en welke vliegroutes precies worden gebruikt, is op basis van de quickscan niet te beoordelen.
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 15 van 28
4.5
Vogels
4.5.1
Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats
Waarnemingen NDFF: huismus. Verspreidingsgegevens: buizerd, sperwer, slechtvalk, ransuil, roek, kerkuil, steenuil, ooievaar en gierzwaluw. Tijdens het veldonderzoek zijn geschikte leefgebieden voor verschillende vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats waargenomen. Het betreft soorten zoals buizerd, sperwer, slechtvalk, ransuil, kerkuil, huismus en gierzwaluw. Van soorten zoals huismus en gierzwaluw zijn in het projectgebied geschikte nestgelegenheden aanwezig. Van de overige vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats zijn geen nesten waargenomen in en rond het projectgebied. Buizerd Tijdens het veldonderzoek zijn geen nesten van deze soort waargenomen, ook zijn er geen vliegende exemplaren waargenomen. Deze soort broedt hoog in bomen waar ze individuele nesten maken in de toppen van een boom. De bomen zijn geschikt voor buizerds, omdat meerdere bomen hoog zijn. Buizerds broeden meer in landelijke omgevingen en niet in bewoonde gebieden zoals woonwijken en industriegebieden. Hierdoor is het uitgesloten dat buizerds in de toekomst gaan broeden in het projectgebied. Mogelijk maken buizerds gebruik van het projectgebied om te foerageren, als onderdeel van een groter foerageergebied. Sperwer Sperwers broeden in bosrijk gebied met hoge bomen waaronder struiken aanwezig zijn.
De soort maakt zowel nesten hoog in een boom als in aanwezige (dichte) struiken. In het projectgebied zijn geen geschikte nestlocaties voor sperwers waargenomen. De sperwer kan wel gebruik maken van het projectgebied om te foerageren, als onderdeel van een groter foerageergebied. Slechtvalk Slechtvalken broeden in hoge gebouwen zoals kerktorens, elektriciteitsmasten en watertorens. Geen van deze geschikte nestlocaties zijn aanwezig in en rond het projectgebied. Slechtvalken zijn niet waargenomen tijdens het veldonderzoek. Slechtvalken maken mogelijk gebruik van het projectgebied om te foerageren, als onderdeel van een groter foerageergebied. Ransuil Ransuilen broeden in bosrijk gebied met hoge bomen en maken gebruik van oude ekster- en zwarte kraainesten om in te broeden. Tijdens het veldonderzoek zijn geen nesten van ekster en/of zwarte kraai waargenomen, waardoor het uitgesloten is dat ransuilen broeden in en rond het projectgebied. Ransuilen kunnen gebruik maken van het projectgebied om te foerageren, als onderdeel van een groter foerageergebied. Kerkuil Kerkuilen broeden in nestkasten, door de mens geplaatst in de buurt van boerderijen en in schuren. In het projectgebied zelf zijn geen geschikte nestlocaties aanwezig. Huismus Huismussen broeden in de buurt van mensen, veelal onder dakpannen. In het projectgebied zijn mogelijk geschikte nestgelegenheden aanwezig.
Onder de dakpannen van het voormalige schoolgebouw zijn gaten en spleten aanwezig waar huismussen in kunnen broeden, zie figuur 4.3. De overige gebouwen zijn niet rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 16 van 28
geschikt omdat hier geen dakpannen aanwezig zijn. In de omgeving van het projectgebied zijn ook geschikte nestgelegenheden voor huismussen aanwezig, deze vallen buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. De houtige vegetatie in het projectgebied kan functioneren als essentieel leefgebied voor huismussen die in of in de directe omgeving van het projectgebied een verblijfplaats hebben.
figuur 4.3: mogelijk geschikte nestgelegenheden voor huismus onder dakpannen van voormalig schoolgebouw.
Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden net als huismussen in stedelijk gebied. Onder dakpannen worden de nesten gemaakt evenals onder de nok van woningen. In en in de directe omgeving van het projectgebied zijn geschikte nestlocaties aanwezig, onder de dakpannen van verschillende woningen en onder de dakpannen van het voormalige schoolgebouw, zie figuur 4.4. In de omliggende bebouwing van de woonwijken zijn geschikte nestlocaties aanwezig. Het projectgebied kan als onderdeel van een foerageergebied worden gebruikt.
rps.nl Ref.: NL202003918-R20-219 | 17 maart 2020 Pagina 17 van 28