CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

4. GR Amstelland Meerlanden Werkorganisatie 2024

3.Raad (besluitvormend) 11 juli 2024, gemeente aalsmeerBij agendapunt: Aanpassing Gemeenschappelijke regeling AM werkorganisatie10.393 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Deze moet nu uiterlijk 30 april door het bestuur van een regeling naar de raden worden verzonden (dat was voorheen 15 april). De volgende stap in de begrotingscyclus is het door het bestuur van de regeling toezenden aan de gemeenteraad van de ontwerpbegroting voor zienswijzen. Dit moet twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Dat was voorheen acht weken. Nieuw is verder dat het voortaan verplicht is te reageren op de door de raden ingediende zienswijzen. Het bestuur moet schriftelijk én gemotiveerd terugkoppelen wat het van de zienswijzen vindt en tot welke conclusie dat heeft geleid. De procedure gaat dan verder met de vaststelling van de ontwerpbegroting. Daarin verandert niets. Wat wel nog verandert, is dat de inzending van de vastgestelde begroting voortaan niet meer vóór 1 augustus hoeft te geschieden, maar vóór 15 september. Dat betekent dus dat er grofweg zes weken meer zijn voor de procedure. Hoewel de aanpassingen in de begrotingscyclus direct uit de Wgr zelf volgen, is toch een aanpassing in de regeling van nodig. De bepalingen in de regeling worden in lijn gebracht met de wettelijke bepalingen. De Werkorganisatie is verplicht besluiten te hebben genomen inzake het financiële beleid en beheer alsmede inzake de controle. De grondslagen voor deze besluiten zijn gelegen in de artikelen 212 en 213 Gemeentewet.

In de regeling wordt ten aanzien van deze besluiten niet gesproken van verordeningen, maar van besluiten. Aan het bestuur komt immers geen verordenende (wetgevende) bevoegdheid toe. Om die reden bepaalt artikel 19 van de regeling dat artikelen 212 en 213 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing zijn. De Wgr bevat in de artikelen 34, 34a, 34b en 35 specifieke regels voor begroting en jaarrekening, alsmede de kadernota van de Werkorganisatie. Deze regels zijn onverkort van toepassing en uitgewerkt in de artikelen 20, 21 en 22 van de regeling, met dien verstande dat in de onderhavige regeling de termijn voor vaststelling van de begroting en toezending van de begroting aan gedeputeerde staten met 2 weken is bekort. Een van de wijzigingen die met ingang van 1 januari 2008 is doorgevoerd in de Wsw is die met betrekking tot de verstrekking van de rijksmiddelen aan de gemeenten. De rijksmiddelen worden niet meer rechtsreeks aan de openbare lichamen verstrekt. Dit betekent dus dat deze gelden van de gemeenten doorgesluisd moeten worden naar het openbaar lichaam. Dit geldt mutatis mutandis ook voor de Werkorganisatie. Hetzelfde geldt voor het verstrekken van de rijksmiddelen voor uitvoering van de Participatiewet aan de Werkorganisatie. Artikel 22, vierde lid ziet op het doorsluizen door de deelnemers van deze middelen aan de Werkorganisatie.

Artikel 24 voorziet in een regeling voor de kostenverdeling. Het bestuur dient een verdeelsleutel vast te stellen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 24. Op het nemen van dit besluit is de procedure voor zienswijzen van de raden van toepassing. De verdeelsleutel dient unaniem te worden vastgesteld. Deze opdracht aan het bestuur tot vaststelling van een kostenverdeelsleutel biedt de mogelijkheid om wijzigingen in de onderliggende rijkswetgeving inzake bekostiging van de onderhavige collegetaken op te vangen zonder dat de gemeenschappelijke regeling daar zelf voor dient te worden gewijzigd. De inhoud van de regeling voor de kostenverdeling dient te allen tijde te

voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (belangenafweging, evenredigheid) en de redelijkheid en billijkheid zoals deze onder meer zijn vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Het derde lid van artikel 25 is ingevoegd in verband met de verruimde zienswijzemogelijkheden door invoering van de vernieuwde WGR. Op grond van deze bepaling kunnen raden hun zienswijzen geven op een gewijzigde regeling ten gevolge van een nieuwe toetreding. Hoofdstuk VIII Toe-/uittreding, wijziging of opheffing In iedere regeling moeten verplicht afspraken worden gemaakt over de gevolgen van uittreden van een deelnemer voor het vermogen voor de rechtspersoon en de overige deelnemers (artikel 9, eerste lid Wgr). Daarbij moet in ieder geval worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen (alle directe kosten). Aan deze verplichting is voldaan met artikel 26 tweede lid van de regeling. Bij het treffen, wijzigen en het toe- en uittreden van de gemeenschappelijke regeling moet vóór de vaststelling met toestemming van de raden ook een ontwerp van de regeling, of de wijziging daarvan, voor zienswijzen aan de raden worden toegezonden. Toetreding van een nieuwe deelnemer is mogelijk, indien zijn college daartoe met toestemming van de raad heeft besloten en het bestuur van de Werkorganisatie hiermee heeft ingestemd.

Indien de toetreding tevens een wijziging van de regeling vereist, is de wijzigingsregeling van artikel 27 tevens van toepassing. De regeling voorziet in de mogelijkheid van wijziging en opheffing van de regeling indien ten minste drie van de colleges (met toestemming van hun raden) met gezamenlijk aantal inwoners van meer dan de helft van het totaal aantal inwoners van het samenwerkingsgebied daartoe beslist. Unanimiteit is hierbij derhalve niet vereist. Een college kan uittreden mits het daartoe heeft besloten en de raad daarvoor toestemming heeft gegeven. Uittreding kan in beginsel alleen met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar en per 1 januari van een kalenderjaar. Het bestuur is bevoegd deze termijn te bekorten. Ten behoeve van de procedure van uittreding dient het bestuur een (algemene) uittredingsregeling vast te stellen. Hierop is de procedure voor zienswijzen van de raden van toepassing. De uittredingsregeling dient bij unanimiteit te worden vastgesteld. Deze opdracht aan het bestuur tot vaststelling van een uittredingsregeling biedt onder meer de mogelijkheid om ontwikkelingen in de jurisprudentie inzake de afwikkeling van een uittreding op te vangen zonder dat de gemeenschappelijke regeling daar zelf voor dient te worden gewijzigd.

De inhoud van de regeling voor de uittredingsregeling dient te allen tijde zowel voor wat betreft de procedure als de inhoud te voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (belangenafweging, evenredigheid) en de redelijkheid en billijkheid zoals deze onder meer zijn vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk IX: Slotbepalingen Vanaf 25 mei 2018 geldt de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Wanneer het bestuur van de Werkorganisatie persoonsgegevens verwerkt, moet aan de vereisten van de AVG worden voldaan. Alles wat met persoonsgegevens gedaan wordt - zoals verzamelen, vastleggen en inzien - valt onder verwerken. De AVG kent 6 basisbeginselen, waaraan moet worden gehouden. Deze beginselen zijn: rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie, doelbinding, dataminimalisatie, juistheid, opslagbeperking, vertrouwelijkheid en integriteit. De deelnemers aan deze gemeenschappelijke regeling hoeven met elkaar geen verwerkersovereenkomst te sluiten. Wel moet de onderlinge verantwoordelijkheid voor nakoming van de verplichtingen uit de AVG zijn afgestemd. Om deze reden is artikel 31 opgenomen. Wanneer het bestuur van de werkorganisatie optreedt als verwerkingsverantwoordelijke, sluit zij de verwerkersovereenkomst met de verwerker. In het geval zij zelf optreedt als verwerker, sluit zij een sub-verwerkersovereenkomst.

In beide gevallen hoeven de betrokken colleges niet mee te ondertekenen. Participatie en inspraak bij beleid wordt steeds belangrijker gevonden in Nederland. In elke regeling moet daarom worden opgenomen of, en zo ja op welke wijze, ingezetenen én belanghebbenden de mogelijkheid krijgen tot inspraak over beleidsmatige onderwerpen die bij de gemeenschappelijke regeling zijn belegd (artikel 10, zevende lid Wgr).

Het wordt verplicht om afspraken te maken over evaluatie van de gemeenschappelijke regeling om op die manier stil te staan bij het functioneren van de regeling. Er kan ook worden gekozen voor de afspraak om de regeling niet te evalueren (artikel 11a Wgr). De regeling bevat ten slotte een voorziening voor minnelijke schikking van geschillen die kunnen ontstaan tussen de deelnemers aan de regeling onderling en tussen een deelnemer en de Werkorganisatie. Deze regeling laat onverlet de toepasselijkheid van artikel 28 Wgr op de beslechting van geschillen omtrent de toepassing van de regeling tussen de deelnemende colleges onderling of tussen een of meer deelnemende colleges en het bestuur van de Werkorganisatie. Dit artikel 28 Wgr voorziet in geschilbeslechting door gedeputeerde staten, tenzij de burgerlijke rechter of de bestuursrechter bevoegd is om dit geschil te beslechten. Volledigheidshalve is tevens een voorziening voor de afhandeling van klachten opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=e098d524-b4f3-4e69-9aa1-4428f8b16f04