CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

4. GR Amstelland Meerlanden Werkorganisatie 2024

3.Raad (besluitvormend) 11 juli 2024, gemeente aalsmeerBij agendapunt: Aanpassing Gemeenschappelijke regeling AM werkorganisatie10.393 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

GEMEENSCHAPPELLIJKE REGELING AMSTELLAND EN MEERLANDEN WERKORGANISATIE De colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel en Uithoorn, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn; Gelezen: het voorstel van het Algemeen Bestuur tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningsschap Amstelland en de Meerlanden; de eensluidende besluiten van de raden van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel en Uithoorn waarbij, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, toestemming is gegeven voor de voorliggende wijziging; Gelet op: de Wet gemeenschappelijke regelingen; de Wet sociale werkvoorziening; de Participatiewet, Besluiten: de Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningsschap Amstelland en de Meerlanden, goedgekeurd bij besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland d.d. 26 september 1989, laatstelijk gewijzigd op 8 april 2016 te wijzigen, zodat de tekst als volgt komt te luiden: Hoofdstuk I: Algemene bepalingen Artikel 1 Begrippen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. “college” het college van burgermeester en wethouders dat deelneemt aan deze regeling; b. “deelnemer(s)” de gemeente waarvan het college aan deze regeling deelneemt; c. “duurzaam” blijvend. d.

“gedeputeerde staten” gedeputeerde staten van Noord-Holland; e. “personeel” een persoon of personen, die een publiekrechtelijke dan wel een privaatrechtelijke arbeidsrelatie heeft of hebben met de Werkorganisatie; f. “Pw” Participatiewet; g. “raad” de raad van deelnemer aan deze regeling; h. “regeling” de gemeenschappelijke regeling Amstelland en Meerlanden Werkorganisatie, ook genoemd: de Werkorganisatie; i. “samenwerkingsgebied het grondgebied van de colleges die deelnemen aan deze regeling; j. “verminderde loonwaarde” De waarde van de arbeidsprestatie van een werknemer met een arbeidsbeperking of ziekte, die lager ligt dan het wettelijk minimumloon. k. “wetten” Wsw en Pw; l. “Wgr” Wet gemeenschappelijke regelingen; m. “Wsw” Wet Sociale Werkvoorziening. Artikel 2 Aanhaling van artikelen Waar in deze regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of regeling van toepassing worden verklaard, wordt in die artikelen in plaats van “de gemeente” de Werkorganisatie en in de plaats van “de raad”, “burgemeester en wethouders” en “de burgemeester” telkens gelezen “het bestuur”. Artikel 3 Bedrijfsvoeringsorganisatie en samenwerkingswerkgebied 1. Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie, genaamd “gemeenschappelijke regeling Amstelland en Meerlanden Werkorganisatie”, afgekort de Werkorganisatie. De Werkorganisatie is gevestigd in de gemeente Haarlemmermeer. 2.

Deze regeling geldt voor het samenwerkingsgebied.

Artikel 4 Belang en doelstelling De Werkorganisatie behartigt de gemeenschappelijke en afzonderlijke belangen van de deelnemers en hun colleges op het gebied van: a. de sociale werkvoorziening ingevolge de Wsw, en b. de arbeidsinschakeling ingevolge de Pw, elk voor zover de colleges conform artikel 5 bevoegdheden hebben overgedragen of opgedragen aan het bestuur van de Werkorganisatie. Het bestuur van de Werkorganisatie draagt daarbij zorg voor een zo efficiënt en effectief mogelijke uitvoering van de in de wetten opgedragen taken. Artikel 5 Bevoegdheden 1. Ter verwezenlijking van de in artikel 4, eerste lid sub a, genoemde belangen en taken dragen de colleges hun door de formele wetgever in de Wsw geattribueerde bevoegdheden over aan het bestuur van de Werkorganisatie, uitgezonderd de van voornoemde geattribueerde bevoegdheden afgeleide bevoegdheden om beleidsregels vast te stellen. 2. Ter verwezenlijking van de in artikel 4, eerste lid sub b, genoemde belangen en taken is ieder college gehouden ten aanzien van de hem door de formele wetgever in de Pw geattribueerde bevoegdheden inzake arbeidsinschakeling mandaat, alsmede de bevoegdheid tot verlening van ondermandaat, te verlenen aan het bestuur van de Werkorganisatie. Dit betreft de arbeidsinschakeling van personen met een arbeidsbeperking waardoor sprake is van een duurzame verminderde loonwaarde.

Het bestuur stelt een model op voor het mandaat. 3. Ter verwezenlijking van de in artikel 4, eerste lid sub b, genoemde belangen en taken staat het een college vrij ten aanzien van de hem door de formele wetgever in de Pw geattribueerde bevoegdheden inzake arbeidsinschakeling mandaat, alsmede de bevoegdheid tot verlening van ondermandaat, te verlenen aan het bestuur van de Werkorganisatie, voor zover het betreft de arbeidsinschakeling van personen die behoren tot de doelgroep van de Participatiewet en/of op de collegetaak ten aanzien van arbeidsmatige dagbesteding. Het bestuur kan bij besluit bepalen dat de Werkorganisatie tevens het mandaat van een college tot uitvoering van andere taken en bevoegdheden van inzake arbeidsinschakeling mag uitoefenen. Het bestuur stelt een model op voor het mandaat. 4. De taken en bevoegdheden als bedoeld in het eerste en tweede lid behoren tot het basispakket van taken en bevoegdheden van de Werkorganisatie. De andere taken en bevoegdheden als bedoeld in het derde lid behoren tot het optionele pakket van taken en bevoegdheden van de Werkorganisatie. 5.

Voor zover de diensten vallen binnen het kader van de in artikel 4 en 5 genoemde taken, is de Werkorganisatie tot een maximum van 20% van haar omzet bevoegd tot het verrichten van dezelfde diensten voor andere publiekrechtelijke rechtspersonen of overheidsgedomineerde privaatrechtelijke rechtspersonen. Met deze rechtspersonen of organisaties mogen meerjarige dienstverleningsovereenkomsten afgesloten worden. 6. Voor zover dat uit een oogpunt van het daarmee te dienen belang in het bijzonder aangewezen moet worden geacht mag de Werkorganisatie overeenkomsten met rechtspersonen waarin zij deelneemt en andere derden aangaan om de haar opgedragen taken geheel of gedeeltelijk uit te doen voeren. Hoofdstuk II: het bestuur van de Werkorganisatie Artikel 6 Bestuursorgaan De Werkorganisatie heeft één bestuursorgaan: het bestuur. Artikel 7 De samenstelling van het bestuur 1. Het bestuur bestaat uit 5 leden, de voorzitter daarin begrepen. 2. De colleges wijzen de leden uit hun midden, de voorzitter daarin begrepen, als volgt aan: - het college van Amstelveen één lid met twee stemmen; - het college van Haarlemmermeer één lid met twee stemmen; - de colleges van Aalsmeer, Ouder-Amstel en Uithoorn ieder één lid met één stem. Voor ieder lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen. 3.

Met inachtneming van het in het tweede lid bepaalde, beslist het college van elke deelnemer in de eerste vergadering van elke zittingsperiode over de aanwijzing van de leden van het bestuur. 4. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt van rechtswege indien een lid ophoudt lid te zijn van het

5.

6. 7. 8.

9.

college dat hem heeft aangewezen. Het college voorziet zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden, in de vacature. Een lid van het bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij geeft hiervan terstond kennis aan de voorzitter van het bestuur en het college dat hem heeft aangewezen. Het bepaalde in de laatste volzin van het vierde lid is hierop van overeenkomstige toepassing. Het lid houdt zitting in het bestuur totdat in de opvolging is voorzien. Het college dat een vertegenwoordiger in het bestuur heeft aangewezen, heeft de bevoegdheid dit door hem aangewezen lid met onmiddellijke ingang te ontslaan, indien dit lid het vertrouwen van dat college niet meer bezit. Van elke aanwijzing tot lid van het bestuur geeft het college van de betreffende deelnemer, binnen acht dagen kennis aan de voorzitter van het bestuur. Het lidmaatschap en het plaatsvervangend lidmaatschap van het bestuur zijn onverenigbaar met: a. een dienstverband als personeelslid van de Werkorganisatie; b. de betrekking van medewerker, waarvoor de Werkorganisatie is aangewezen als de begeleidingsorganisatie als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder b van de Wsw; c. de betrekking van medewerker bij een onder toepassing van artikel 160, tweede lid van de Gemeentewet door het bestuur ingestelde rechtspersoon, dan wel een rechtspersoon waarin door de Werkorganisatie wordt deelgenomen; d.

de betrekking van medewerker in een vorm van gesubsidieerde arbeid, waarvan de verantwoordelijkheid en uitvoering op grond van artikel 5, eerste lid door de colleges aan de Werkorganisatie zijn overgedragen respectievelijk op grond van artikel 5, tweede en derde lid aan de Werkorganisatie zijn opgedragen; e. de rol van toezichthouder op grond van enig wettelijk voorschrift op de uitvoering van de aan de Werkorganisatie overgedragen taken. Het lidmaatschap en het plaatsvervangend lidmaatschap van het bestuur eindigen van rechtswege indien zich een van de in het vorige lid genoemde situaties voordoet.

Artikel 8 Aanwijzing van de voorzitter 1. De voorzitter van het bestuur is het bestuurslid uit de gemeente Haarlemmermeer. 2. De plaatsvervangend voorzitter is het bestuurslid uit de gemeente Amstelveen. Hoofdstuk III: de bevoegdheden van het bestuursorgaan Artikel 9 De bevoegdheden van het bestuur 1. Het bestuur heeft alle bevoegdheden die het bij of krachtens de Wgr en deze regeling toekomt. 2. Aan het bestuur behoort in ieder geval: a. het nemen van besluiten op grond van de bevoegdheden als bedoeld in artikel 5, voor zover dit nodig is voor de uitvoering van de taken, als bedoeld in artikel 4; b. het voorstaan van de belangen van de Werkorganisatie bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de Werkorganisatie van belang is; c. het besluiten tot oprichting van en deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. d. het beheer van inkomsten/uitgaven en activa/passiva; e. de zorg – voorzover die niet aan anderen is opgedragen – voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding; f. het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit; g.

het aanstellen of in dienst nemen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht dan wel het schorsen en ontslaan van personeel; h. het doen van beroep op ambtelijke bijstand van een of meer van de deelnemers en hun colleges; i. het vaststellen en wijzigen van de begroting; j. het vaststellen en wijzigen van de meerjarenbegroting; k. het vaststellen en wijzigen van de personeelsformatie; l. het vaststellen van de rekening; m. het vaststellen van de interne beleidsmatige kaders van de Werkorganisatie.

Artikel 10 De bevoegdheden van de voorzitter 1. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het bestuur. 2. De voorzitter tekent alle stukken die van het bestuur uitgaan. De voorzitter kan onder eigen verantwoordelijkheid het tekenen van bepaalde stukken, welke van het bestuur uitgaan, opdragen aan de directeur van de Werkorganisatie. Artikel 11 Vertegenwoordiging 1. Het bestuur vertegenwoordigt de Werkorganisatie in en buiten rechte. 2. Het bestuur kan de in het eerste lid bedoelde vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon. 3. Indien de door het bestuur aangewezen persoon als bedoeld in het tweede lid behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in het rechtsgeding waarbij de Werkorganisatie is betrokken, wordt de Werkorganisatie door een ander, door het bestuur aan te wijzen lid van het bestuur, vertegenwoordigd. Hoofdstuk IV: verantwoording en informatieplicht Artikel 12 Relatie bestuur – raden en colleges van de gemeenten 1. Het bestuur verstrekt aan de raden en de colleges ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuursorgaan gevoerde en te voeren bestuur nodig is, alsmede alle inlichtingen waarom door één of meer leden van die raden en colleges wordt verzocht. 2. Een verzoek om inlichtingen, als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk ingediend.

De vragen worden binnen 30 dagen na de datum van ontvangst schriftelijke beantwoord. Deze termijn kan met ten hoogste 30 dagen worden verlengd; in dat geval wordt hiervan kennisgeving gedaan aan de indiener(s) van de vragen. 3. De vragen en antwoorden worden ter kennis gebracht van de colleges. Artikel 13 Informatie en verantwoording 1. Het bestuur verstrekt aan de raden de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen en daarnaast alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. De inlichtingen kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden verstrekt. 2. Een lid van het bestuur legt aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen. 3. Een lid van het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt. 4. Een lid van het bestuur legt aan de raad van de gemeente waarvan het college hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen. 5.

Een lid van het bestuur verstrekt aan de raad van de gemeente waarvan het college hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van die raad gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt. Hoofdstuk V: de werkwijze van het bestuur Artikel 14 De vergadering van het bestuur 1. Het bestuur vergadert tenminste 6 maal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het bestuur dit nodig oordeelt of tenminste drie leden zulks schriftelijk, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, verzoeken. In het laatste geval wordt de vergadering binnen drie weken na ontvangst van het verzoek gehouden. 2. Op de vergaderingen van het bestuur is het bepaalde in de artikelen 22 en 23 Wgr van overeenkomstige toepassing. 3. In een besloten vergadering wordt niet beraadslaagd en besloten over: a. het vaststellen en wijzigen van de begroting; b. het vaststellen en wijzigen van de meerjarenbegroting;

c. het vaststellen van de rekening; d. het vaststellen, wijzigen of intrekken van de besluiten en reglementen. 4. In een besloten vergadering wordt geen besluit genomen over: n. het doen van een uitgaaf voordat de begroting of de begrotingswijziging waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd; o. het aangaan van geldleningen, het uitlenen van gelden en het aangaan van rekeningcourantovereenkomsten; p. het geheel of gedeeltelijk vervreemden en het bezwaren van eigendommen van de Werkorganisatie; q. het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van eigendommen van de Werkorganisatie; r. het onderhands aanbesteden van werken of leveranties; s. het wijzigen of opheffen van deze regeling dan wel het toetreden tot of uittreden uit de regeling door colleges. 4. Het bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. Artikel 52 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. Artikel 15 Besluitvorming 1. Voor zover bij of krachtens deze regeling niet anders is bepaald, beslist het bestuur bij volstrekte meerderheid. 2. De artikelen 28 tot en met 31 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten van het bestuur, voor zover daarvan niet bij of krachtens de wet is afgeweken. 3. Het bestuur kan de uitoefening van een of meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden.

Het bestuur kan zich in zijn vergaderingen door deskundigen laten bijstaan. Hiertoe behoren in ieder geval de algemeen directeur en de controller van de Werkorganisatie. 4. Het bestuur mag bij twee derde meerderheid van de stemmen besluiten het voorstel voor een door hem te nemen besluit te onderwerpen aan zienswijzen door de raden. Het bestuur betrekt de ingediende zienswijzen bij de besluitvorming aangaande het te nemen besluit. Hoofdstuk VI: Organisatie en personeel Artikel 16 De algemeen directeur 1. Aan het hoofd van de organisatie van de Werkorganisatie staat een algemeen directeur. Hij is belast met de dagelijkse leiding van de Werkorganisatie. 2. De algemeen directeur wordt benoemd en ontslagen door het bestuur. Het bestuur is bevoegd de algemeen directeur te schorsen. 3. Het bestuur stelt op basis van een detacheringsovereenkomst met AM WERK BV een algemeen directeur van de Werkorganisatie aan. 4. De algemeen directeur staat het bestuur bij in zijn functioneren. Hij woont de vergaderingen van het bestuursorgaan bij en heeft daarin een adviserende stem. 5. De algemeen directeur ondertekent mede alle stukken die van het bestuur uitgaan, tenzij het stukken betreft die hem persoonlijk aangaan. 6. De overige taken en bevoegdheden van de algemeen directeur worden door het bestuur vastgelegd in een directiestatuut. 7.

De functie van statutair directeur van een besloten of een naamloze vennootschap waarvan de aandelen direct of indirect worden gehouden door de Werkorganisatie, is verenigbaar met de functie van algemeen directeur van de Werkorganisatie. Artikel 17 De controller 1. De controller is, onder de eindverantwoordelijkheid van de algemeen directeur, belast met de het financiële beleid, beheer en de financiële organisatie en administratie van de Werkorganisatie. 2. De controller wordt, gehoord de algemeen directeur, benoemd en ontslagen door het bestuur. Het bestuur is bevoegd tot schorsing. 3. Het bestuur kan een controller van de Werkorganisatie ook op basis van een detacheringsovereenkomst met AM WERK BV te werk stellen. 4. De controller staat vanuit zijn taak vermeld in het eerste lid het bestuur bij in zijn functioneren. Hij woont de vergaderingen van het bestuur bij. 5. Het bestuur kan, gehoord de algemeen directeur, een instructie voor de controller vaststellen.

Artikel 18 Rechtspositieregeling Op het ambtelijk personeel in dienst van de Werkorganisatie is de rechtspositieregeling van de gemeente Haarlemmermeer van overeenkomstige toepassing, voor zover hiervan niet bij besluit van het bestuur wordt afgeweken. Hoofdstuk VII: Financiën Artikel 19 Algemeen Met betrekking tot het financiële beleid, het financiële beheer en de inrichting van de financiële organisatie van de Werkorganisatie als mede de controle met betrekking tot de laatste twee onderwerpen zijn in elk geval de artikelen 212 en 213 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Artikel 20 Kadernota Het bestuur zendt het ontwerp van de algemene financiële en beleidsmatige kaders voor 30 april aan de raden, waarbij de raden gedurende twaalf weken in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze bij het bestuur naar voren te brengen. Het bestuur stelt de algemene financiële en beleidsmatige kaders uiterlijk 31 juli vast. Artikel 21 Zienswijzeprocedure en vaststelling begroting 1. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden. 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raden kunnen binnen acht weken bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. 4.

Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient. 5. Voorafgaand aan het besluit tot vaststelling van de begroting, bedoeld in het vierde lid, stelt het bestuur de raden schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, en de eventuele conclusies die het bestuur daaraan verbindt. 6. Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 7. Het bestuur zendt de begroting, vergezeld van de zienswijze bedoeld in het derde lid, binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval voor 15 september aan gedeputeerde staten. 8. Het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, waarbij wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten. Het zesde lid is ook van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en in dat geval inzending aan gedeputeerde staten binnen vier weken na vaststelling plaatsvindt. Artikel 22 Financiering 1.

In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage iedere deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken en de organisatiekosten daarvan door de Werkorganisatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 24 van de regeling. 2. Het bestuur bepaalt op basis van de begroting jaarlijks het voorschot voor de taakuitvoering en de organisatie van de Werkorganisatie dat de Werkorganisatie van iedere deelnemer dient te ontvangen. De deelnemers betalen de voorschotten in 12 maandelijkse termijnen aan de Werkorganisatie. Het bestuur brengt het eerste maandelijkse voorschot jaarlijks voor het begin van ieder kalenderjaar bij het college in rekening. 3. De deelnemers zullen er steeds voor zorgdragen dat de Werkorganisatie over voldoende middelen beschikt om tijdig aan haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 4. Jaarlijks verstrekken de deelnemers aan de Werkorganisatie de volledige, van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het betreffende jaar ontvangen rijksmiddelen ten behoeve van de uitvoering van de Wsw. Ten aanzien van de Pw en de daarmee samenhangende wetten en regelingen voor zover deze zien op de in artikel 4 en 5 van deze regeling genoemde taken en bevoegdheden worden door de deelnemende gemeenten middelen beschikbaar gesteld. 5. De in het vierde lid genoemde middelen worden vastgelegd in de begroting van de Werkorganisatie.

6. Indien het bestuur blijkt dat een deelnemer weigert de uitgaven voor de Werkorganisatie op de begroting te zetten, doet het onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van het bepaalde in de artikelen 194 en 195 Gemeentewet. Artikel 23 Jaarrekening en jaarverslag 1. Het bestuur legt over elk kalenderjaar verantwoording af over de inkomsten en de uitgaven onder overlegging van de daarop betrekking hebbende bescheiden. 2. Het bestuur voegt daarbij een verslag van een onderzoek naar de getrouwheid en rechtmatigheid van de baten en lasten ingesteld door een daartoe overeenkomstig het bepaalde in de controleverordening aangewezen accountant. 3. Het bestuur zendt de ontwerp jaarrekening en het concept jaarverslag voor 30 april aan de raden van de deelnemers. 4. De raden kunnen binnen acht weken bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerp jaarrekening en concept jaarverslag naar voren brengen. 5. Voorafgaand aan het besluit tot vaststelling van de jaarrekening stelt het bestuur de raden schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, en de eventuele conclusies die het bestuur daaraan verbindt. 6. Het bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag voor 1 juli vast. De vaststelling van de jaarrekening strekt het bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden.

Het bestuur doet van de vaststelling mededeling aan de colleges. 7. Het bestuur zendt binnen twee weken na de vaststelling, doch voor 15 juli de vastgestelde jaarrekening en het jaarverslag aan gedeputeerde staten. Artikel 24 Kostenverdeling 1. Het vaststellen van de door elke deelnemer verschuldigde bijdrage aan de regeling geschiedt op basis van een door het bestuur vastgestelde verdeelsleutel voor de bijdrage als bedoeld in dit lid. De verdeelsleutel maakt onderscheid tussen de kosten voor uitvoering van het basispakket en van het optionele pakket als bedoeld in artikel 5, vierde lid. Het bestuur stelt bij unanimiteit de verdeelsleutel vast. Alvorens het bestuur de verdeelsleutel vaststelt, zendt bestuur het voorstel voor de verdeelsleutel toe aan de raden van de deelnemers. De raden van de deelnemers kunnen gedurende acht weken hun zienswijzen over het voorstel voor de verdeelsleutel bij het bestuur indienen. Het bestuur betrekt de ingediende zienswijzen bij de besluitvorming inzake de verdeelsleutel. 2. De verdeelsleutel voor de kosten voor de taak van de Werkorganisatie als bedoeld in artikel 5, eerste lid sub a is gebaseerd op het aantal voltijd-equivalenten (ziektedagen daaronder begrepen), gedurende welke uit de deelnemers afkomstige werknemers bij de Werkorganisatie waren geplaatst op 31 december van het desbetreffende jaar. 3.

Het vaststellen van de door elke deelnemer verschuldigde definitieve bijdrage geschiedt binnen een maand na de voorlopige vaststelling van de jaarrekening door het bestuur naar rato van het aantal voltijd-equivalenten (ziektedagen daaronder begrepen), gedurende welke uit de deelnemers afkomstige werknemers bij de Werkorganisatie waren geplaatst op 31 december van het betreffende jaar. 4. Een nadelig exploitatiesaldo over een dienstjaar wordt – voorzover het niet op een nadere wijze kan worden gedekt – op de in het eerste lid genoemde wijze aan de deelnemers in rekening gebracht. 5. Binnen een maand na vaststelling van de jaarrekening worden de door de deelnemers verschuldigde bijdragen verrekend met de door de deelnemers betaalde voorschotten. 6. Enig positief exploitatiesaldo over een dienstjaar komt ten goede aan de deelnemers. Dit saldo wordt naar rato van hun bijdrage conform de verdeelsleutel voor de bijdrage als bedoeld in het eerste lid binnen drie maanden na vaststelling van de jaarrekening ter beschikking gesteld aan de deelnemers. Hoofdstuk VIII: Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel 25 Toetreding 1. Voor de toetreding tot deze regeling van een college dat nog niet deelneemt aan deze regeling kan worden volstaan met een daartoe strekkend besluit van dat college, mits die toetreding de

2. 3.

4. 5.

instemming van het bestuur en de toestemming van raad van het desbetreffende college heeft verkregen. Indien toetreding tevens wijziging van de regeling omvat, is artikel 26 van toepassing. Bij de in het eerste lid bedoelde toetreding stelt het bestuur de voorwaarden vast, waaronder deelneming aan de regeling wordt toegestaan. Toetreding tot de regeling is slechts mogelijk indien de colleges daartoe unaniem besluiten. Voorafgaand aan dit besluit zenden de colleges het ontwerp van de gewijzigde regeling toe aan de raden van de gemeenten. De raden kunnen bij de colleges van hun gemeente binnen acht weken na ontvangst van het ontwerp van de gewijzigde regeling hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren brengen. Indien de raden geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij het college van hun gemeente hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte De toetreding is tot stand gekomen indien de beoogd toetreder en de colleges, met toestemming van hun raden, bedoeld in artikel 1 van de Wgr, daartoe besluiten. De naar aanleiding van een toetreding gewijzigde regeling wordt ter kennisgeving naar Gedeputeerde Staten gestuurd.

Artikel 26 Uittreding 1. Een college kan uit de regeling treden door toezending aan het bestuur van de daartoe strekkende besluiten van dat college en zijn raad. 2. Bij het vaststellen van de condities en voorwaarden voor uittreding baseert het bestuur zich op de kosten van desintegratie en, voor zover van toepassing, beëindiging van de activiteiten van de Werkorganisatie, de kosten die het bestuur maakt voor de dienstverlening aan de betreffende gemeente, de door die gemeente verschuldigde betalingen aan het bestuur en de inbreng van de betreffende gemeenten. 3. Alvorens besluiten als bedoeld in het tweede lid worden genomen, hoort het bestuur de colleges van de overige deelnemers. 4. Tenzij het bestuur een kortere termijn bepaalt, kan de uittreding niet plaatsvinden binnen een termijn van 12 maanden na ontvangst van het uittredingsbesluit. Uittreding vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar, volgend op de 12 maanden na ontvangst van het uittredingsbesluit. Het bestuur stelt bij unanimiteit een uittredingsregeling vast met de algemene uitgangspunten en voorwaarden voor de uittreding door een college. 5. Alvorens het bestuur de uittredingsregeling vaststelt, zendt bestuur het voorstel voor de uittredingsregeling toe aan de raden van de deelnemers.

De raden van de deelnemers kunnen gedurende acht weken hun zienswijzen over het voorstel voor de uittredingsregeling bij het bestuur indienen. Het bestuur betrekt de ingediende zienswijzen bij de besluitvorming inzake de uittredingsregeling. 6. De uittredingsregeling wordt ter kennisgeving naar gedeputeerde staten gestuurd. Artikel 27 Wijziging 1. Het bestuur of een college kunnen voorstellen tot wijziging van de regeling doen. 2. De colleges zenden het ontwerp van de gewijzigde regeling toe aan de raden van de gemeenten. De raden kunnen bij de colleges van hun gemeente binnen acht weken na ontvangst van het ontwerp van de gewijzigde regeling hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren brengen. Indien de raden geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij het college van hun gemeente hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte. 3. De regeling kan worden gewijzigd bij eensluidende besluiten van de colleges en raden van tenminste drie colleges met een gezamenlijk aantal inwoners van meer dan de helft van het totaal aantal inwoners van het samenwerkingsgebied. 4. De gewijzigde regeling wordt ter kennisgeving naar gedeputeerde staten gestuurd. Artikel 28 Opheffing 1.

De regeling wordt opgeheven, wanneer tenminste drie colleges en raden met een gezamenlijk aantal inwoners van meer dan de helft van het totaal aantal inwoners van het samenwerkingsgebied daartoe besluiten. 2. Het besluit tot opheffing van de regeling wordt toegezonden aan gedeputeerde staten en treedt in werking op de eerste dag van de daaropvolgende maand. 3. In geval van opheffing van de regeling besluit het bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels vast. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken. 4. Het bestuur stelt, gehoord de colleges en de raden, een liquidatieplan en voor zover nodig een personeelsplan vast.

5. Het liquidatieplan voorziet in de financiële gevolgen, welke de opheffing heeft, waaronder te verstaan de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van de Werkorganisatie over de deelnemers te verdelen. Ten aanzien van de liquidatierekening zijn de bepalingen voor de rekening van de Werkorganisatie zoveel mogelijk van toepassing. 6. Zonodig blijft het bestuur van de Werkorganisatie ook na het tijdstip van opheffing in functie totdat de liquidatie is beëindigd. Hoofdstuk IX: Slotbepalingen Artikel 29 Aanvullende bevoegdheden van het bestuur In de gevallen waarin noch deze regeling en evenmin de Wgr of de Gemeentewet voorzien, beslist het bestuur. Artikel 30 Archief 1. Ten aanzien van de archiefbescheiden van de Werkorganisatie zijn de voorschriften omtrent de zorg, de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, alsmede die omtrent het toezicht daarop, zoals die van de gemeente Haarlemmermeer zijn of nader zullen worden vastgesteld, van overeenkomstige toepassing. Op de archiefbescheiden, waarvoor het medische ambtsgeheim geldt, is het terzake voor de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de geneeskunde bepaalde van toepassing. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden de archiefbescheiden, waarvoor het medische ambtsgeheim geldt, beheerd door de algemeen directeur. 3.

Bij opheffing van deze regeling worden – met inachtneming van het in het eerste lid gestelde – de archiefbescheiden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Haarlemmermeer. Artikel 31 Privacy en informatieveiligheid 1. De deelnemers voldoen bij de verwerking van persoonsgegevens en informatie-uitwisseling aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, waaronder in ieder geval ook de Algemene Verordening Gegevensbescherming. 2. Alle deelnemers blijven zelf verantwoordelijk voor de eigen gegevensopslag en adequate en complete dossiervorming binnen de eigen gemeentelijke organisatie. 3. De gegevensuitwisseling tussen de deelnemers wordt vastgelegd in aparte verwerkersovereenkomsten. 4. De Werkorganisatie voldoet aan de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) of aan de ISO 27001 en 27002 serie en overlegt een Trusted Party Memorandum en het bijbehorende auditrapport aan de deelnemers waaruit blijkt dat zij aan de gestelde norm voldoen. 5. De wettelijke standaarden rondom informatiebeveiliging worden door de Werkorganisatie overgenomen zonodig in overleg met de Chief Information Security Officers van de deelnemers. Artikel 32 Inspraak Inspraak door ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden wordt georganiseerd via de gemeenten. Deze inspraak kan leiden tot een verzoek om inlichtingen aan of besluitvorming door het bestuur. Artikel 33 Evaluatie 1.

Het bestuur draagt zorg voor een vierjaarlijkse evaluatie van de regeling. 2. Onderdeel van de evaluatie, bedoeld in het eerste lid, is in ieder geval: - de wijze waarop het bestuur bijdraagt aan het belang waarvoor het is ingesteld en de kwaliteit van zijn taakuitvoering; - de kostenverdeling; - de governance van het bestuur, waaronder het voorzitterschap, de sturing en verantwoording; en - de reserveontwikkeling. Artikel 34 Inwerkingtreding en duur 1. Het college van Haarlemmermeer draagt zorg voor bekendmaking van de inhoud van de regeling

in het gemeenteblad. De regeling treedt in werking met ingang van de dag volgende op de dag van bekendmaking van de regeling in het gemeenteblad. 2. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. 3. Het bestuur voegt overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet, de gegevens toe in het daartoe bestemde register. Artikel 35 Geschillen Indien sprake is van een geschil tussen een of meer colleges onderling dan wel van een tussen een of meer colleges en het bestuur van de Werkorganisatie over de uitvoering van deze regeling spannen deze colleges respectievelijk het bestuur zich in om het geschil in der minne te beslechten. Artikel 36 Klachtenregeling 1. Overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder bij het bestuur een klacht indienen over gedragingen van het bestuur. 2. Het bestuur stelt een interne klachtenregeling vast. Artikel 37 Governance-code en integriteit 1. De Werkorganisatie onderschrijft, gelet op de actieve regierol en de verantwoordingsplicht van de gemeente, uitdrukkelijk het belang van een goede governance waaronder het nastreven van waarden als transparantie, betrouwbaarheid, participatie en verantwoording en bereikt daarmee dat bewust publieke verantwoording wordt afgelegd over activiteiten en kwaliteit van de dienstverlening; 2.

Met het oog op het eerste lid onderschrijft de Werkorganisatie daarom de principes van het Handvest Publiek Verantwoorden en brengt deze waarden in de praktijk; 3. De Werkorganisatie beschikt over een integriteitsbeleid, waarin in ieder geval de volgende aspecten zijn uitgewerkt: a. niet integer handelen (misstanden): handelingen die de organisatie schade, zoals het lekken van vertrouwelijke informatie, omkopen, nevenactiviteiten b. ongewenst gedrag: handelingen die de medewerker als persoon schaden, zoals seksuele en fysieke intimidatie, roddelen, pesten, negeren c. een gedragscode voor medewerkers van de Werkorganisatie 4. De Werkorganisatie rapporteert jaarlijks bij het jaarverslag over het integriteitsbeleid Artikel 38 Citeerwijze Deze regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling Amstelland en Meerlanden Werkorganisatie. Aldus vastgesteld te: Aalsmeer, B&W van de gemeente Aalsmeer de secretaris de burgemeester datum: Amstelveen B&W van de gemeente Amstelveen de secretaris de burgemeester datum: Hoofddorp, B&W van de gemeente Haarlemmermeer de secretaris de burgemeester datum: Ouderkerk a/d Amstel, B&W van de gemeente Ouder-Amstel de secretaris de burgemeester datum: Uithoorn, B&W van de gemeente Uithoorn de secretaris de burgemeester datum:

TOELICHTING OP DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING AM Werkorganisatie 1. Inleiding De colleges van burgemeester en wethouders van Aalsmeer, Amstelveen, Haarlemmermeer, OuderAmstel en Uithoorn (hierna: de colleges) hebben tot en met 31 december 2015 de uitvoering van hun medebewindstaken uit de Wet Sociale Werkvoorziening (hierna: Wsw) in gezamenlijkheid uitgevoerd. Hiertoe hadden de colleges hun bevoegdheden uit de Wsw overgedragen aan de door hen opgerichte gemeenschappelijke regeling Amstelland en de Meerlanden Groep (hierna: GR AM Groep). De GR AM Groep had in dat kader de taak om werk te bieden aan diegenen die – vanwege in de persoon gelegen factoren – niet kunnen deelnemen aan het reguliere arbeidsproces. In het algemeen ging het hier om mensen met een lichamelijk, verstandelijke of psychische handicap. De GR AM Groep had daartoe de vorm van een openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr). Dit gemeenschappelijk openbaar lichaam beschikte, net zoals de gemeente, over eigen rechtspersoonlijkheid en kon dus ook zelfstandig in het maatschappelijk en privaatrechtelijk rechtsverkeer optreden. Het feit dat uitsluitend de colleges de regeling waren aangegaan (het betrof een zogenoemde collegeregeling), betekent dat het vaststellen van verordeningen op grond van de Wsw, niet was gedelegeerd.

Het vaststellen van verordeningen bleef derhalve een bevoegdheid van de afzonderlijke gemeenteraden. Met ingang van 2008 heeft een modernisering van de Wsw plaatsgevonden. Deze modernisering , omvatte onder meer de overgang van de bevoegdheid tot Wsw-indicatiestelling van gemeenten naar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) en de verstrekking van de rijksbijdrage aan de gemeenten, in plaats van rechtsreeks aan de gemeenschappelijke regeling. Deze wetswijzigingen waren in de toenmalige GR AM Groep verwerkt. 2. Invoering Participatiewet per 1 januari 2015 Op 1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden. De Participatiewet verving de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb), de Wsw en een groot deel van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (hierna: Wajong). De Participatiewet is erop gericht om mensen met en zonder een arbeidsbeperking werk te laten vinden bij een gewone werkgever (de zogenoemde arbeidsinschakeling). Artikel 7, eerste lid onder a Participatiewet geeft in dat kader het college de opdracht tot ondersteuning bij arbeidsinschakeling van verschillende in dat artikellid genoemde categorieën van personen. Bij de invoering van de Participatiewet is voorzien in een overgangsregime dat onderscheid maakt tussen verschillende categorieën van personen die reeds voor 2015 (gedeeltelijk) arbeidsondergeschikt waren.

Als gevolg van de invoering van de Participatiewet zal het UWV beoordelen welke huidige Wajongers kunnen werken. Wajongers die voor 2015 reeds volledig en duurzaam arbeidsongeschikt waren behouden hun volledige uitkering van UWV. Wajongers mét arbeidsvermogen, ontvangen vanaf 2018 een lagere uitkering. Jonggehandicapten met arbeidsvermogen waarvan hun arbeidsvermogen vanaf 1 januari 2015 voor het eerst wordt vastgesteld vallen onder de Participatiewet. Het college van de gemeente waarin zij wonen dient hun arbeidsvermogen vast te stellen. Voor huidige Wsw’ers met een vast dienstverband verandert er niets. Zij houden hun baan en hun salaris. Mensen met een Wsw-indicatie die eind 2014 nog de wachtlijst staan, vallen vanaf 1 januari 2015 onder de Participatiewet. Vanaf 1 januari 2015 kunnen mensen met arbeidsbeperking niet meer in de Wsw instromen; ook zij vallen onder de Participatiewet. Meerderjarigen met een arbeidsbeperking die voor 1 januari 2015 een bijstandsuitkering ontvingen vallen eveneens onder de Participatiewet. Tenslotte geldt dat een eder die vanaf 1 januari 2015 een arbeidsbeperking krijgt en die geen beroep kan doen op de Wajong of geen beroep (meer) kan doen op een arbeidsongeschiktheidsverzekering valt onder de Participatiewet. 3.

Invoering wijziging Wet gemeenschappelijke regelingen (juli 2022) De wetswijzing heeft als doel om de democratische legitimiteit van gemeenschappelijke regelingen en de kaderstellende en controlerende rol van kaderstellende en controlerende rol van o.a. de gemeenteraden te versterken. De wijziging geeft gemeenteraden de mogelijkheid om op twee extra momenten zienswijze te geven: 1. bij het treffen, toetreden, wijzigen en uittreden van een regeling kan een raad zienswijze naar voren brengen bij het betreffende college van burgemeester en wethouders. Hiervoor geldt een termijn van acht weken. Wanneer er volgens een raad te weinig met de zienswijze is gedaan kan een raad ervoor kiezen om geen toestemming te verlenen voor treffen, toetreden, wijzigen en uittreden van een regeling;

2. bij voorgenomen besluiten. In de gemeenschappelijke regeling moet worden opgenomen ten

aanzien van welke besluiten door een raad vooraf zienswijze gegeven kan worden. In deze gemeenschappelijke regeling worden geen expliciete besluiten aangegeven waarop de raden zienswijze in kunnen dienen.

In elke gemeenschappelijke regeling moet worden opgenomen op welke wijze inwoners en belanghebbenden kunnen participeren bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid (artikel 32). In de Wgr zijn geen voorwaarden en eisen aan de wijze van participatie opgenomen. Besturen van gemeenschappelijke regelingen krijgen door de wijziging naast een passieve informatieplicht ook een actieve informatieplicht. In de regeling moet opgenomen worden op welke wijze deze informatie wordt verstrekt (artikel 13). Ook moet er door de wijziging van de Wgr in elke regeling bepalingen opgenomen worden over hoe de samenwerking wordt geëvalueerd (artikel 33) en wat de voorwaarden en gevolgen van uittreding zijn, waaronder het vermogen van de regeling (artikel 26). Als laatste zijn enkele termijnen met betrekking tot de financiële producten aangepast, en heeft de raad de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen op de ontwerpbegroting (artikel 21). 4. De taken van de AM Werkorganisatie Eind 2015 hebben de colleges van Aalsmeer, Amstelveen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel en Uithoorn besloten tot oprichting van een gezamenlijke werkorganisatie, de Amstelland en Meerlanden Werkorganisatie (hierna: de AM Werkorganisatie).

De AM Werkorganisatie krijgt als opdracht voor de colleges de collegetaken uit de Wsw en de collegetaken uit de Participatiewet inzake arbeidsinschakeling van mensen met een arbeidsbeperking uit te voeren. Voor de uitvoering van de Wsw hebben de colleges hierbij beoogd dat de AM Werkorganisatie de wijze van uitvoering van de Wsw zoals deze plaats vond door de AM Groep voortzet. Dat impliceert dat de colleges de overdracht van desbetreffende bevoegdheden uit de Wsw onder de huidige gemeenschappelijke regeling continueren. De uitzondering op deze overdracht is dat de van de betrokken collegebevoegdheden afgeleide bevoegdheden om beleidsregels vast te stellen niet aan het bestuur van de Werkorganisatie worden overgedragen. Deze beleidsbepaling blijft uitdrukkelijk de verantwoordelijkheid van de colleges. Hierbij geldt voorts dat er geen mensen meer de Wsw kunnen instromen en er geen indicaties voor instroom in de Wsw meer kunnen worden afgegeven. De continuering van deze overdracht van collegebevoegdheden uit de Wsw heeft als gevolg dat de colleges de collegebevoegdheden uit de Wsw – net zoals onder de vorige gemeenschappelijke regeling – niet zelf meer mogen uitvoeren, maar dat het bestuur van de gemeenschappelijke regeling dat op eigen naam en onder eigen verantwoordelijkheid doet.

Hiermee is ook geborgd dat de mensen die op grond van de Wsw reeds voor 1 januari 2015 waren aangesteld bij de AM Groep, ook vanaf 1 januari 2016 formeel wettelijk zijn aangesteld door en in dienst zijn bij de AM Werkorganisatie. Hiermee wordt voldaan aan de eisen die de Wsw en de cao sociale werkvoorziening stellen ten aanzien van het publiekrechtelijk werkgeverschap jegens de sw-ers. Indien een raad een raadsbevoegdheid uit de Wsw heeft overgedragen aan het college is deze bevoegdheid – net zoals onder het vorige regime van de AM Groep – niet op basis van deze gemeenschappelijke regeling overgedragen aan de AM Werkorganisatie. De formulering in artikel 5, eerste lid, GR AM Werkorganisatie ‘de door de formele wetgever aan de colleges geattribueerde bevoegdheden’ stelt dit zeker. Voor de uitvoering van de arbeidsinschakeling als bedoeld in de Participatiewet hebben de colleges beoogd de uitvoering van de desbetreffende collegebevoegdheden te mandateren aan (het bestuur van) de AM Werkorganisatie (met inbegrip van de bevoegdheid dat het bestuur binnen vooraf gestelde kaders ondermandaat mag verlenen).

Met deze keuze voor mandaat (in plaats van voor overdracht zoals geldt voor de Wsw-bevoegdheden) beogen de colleges dat de AM Werkorganisatie uitsluitend wordt belast met de uitvoering van deze taken en dat alle beleidsvorming en politieke verantwoordelijkheid ten aanzien van de arbeidsinschakelingstaak blijft berusten bij de individuele colleges. Anders gezegd, ten aanzien van de arbeidsinschakeling beschikt de AM Werkorganisatie slechts over een uitvoeringstaak en heeft deze geen beleidsvrijheid. Voorts hebben de colleges ten aanzien van hun arbeidsinschakelingstaak uit de Participatiewet bepaald dat de dit gaat om personen met een arbeidsbeperking waardoor sprake is van langdurige verminderde loonwaarde. Tussen de deelnemende gemeenten en AM match is de volgende werkafspraak gemaakt. Kandidaten waarvan ingeschat wordt dat zij redelijke eenvoudig te plaatsen zijn op een baan worden eerst door de gemeente begeleid naar zo regulier mogelijk werk. De

gemeente hanteert hier een termijn van drie maanden. Wanneer na de termijn van drie maanden de kandidaat niet geplaatst is in een baan wordt deze kandidaat alsnog aangeboden aan AM match. Datzelfde geldt voor de mensen die onder de werking van de Participatiewet vallen in de doelgroep “nieuw beschut” werken, dat wil zeggen de mensen voor wie het werk bij reguliere werkgevers (nog) geen optie is. Daarmee hebben de colleges tevens beoogd dat de uitvoering van de Wsw en de arbeidsinschakeling van personen met een arbeidsbeperking waardoor sprake is van een duurzame verminderde loonwaarde en van de mensen in de doelgroep “nieuw beschut” behoren tot de taken die de AM Werkorganisatie (verplicht) voor alle colleges zal uitvoeren (het zogenoemde basispakket). De vijf colleges nemen allen het basispakket af en hebben daartoe dezelfde Wsw-bevoegdheden overgedragen en zullen daartoe tevens dezelfde arbeidsinschakelingsbevoegdheden uit de Participatiewet mandateren aan (het bestuur van de Werkorganisatie. Daarnaast is het de individuele colleges voorts toegestaan om aanvullend op het basispakket bepaalde additionele taken met betrekking tot arbeidsinschakeling op te dragen aan de AM Werkorganisatie (het zogenoemde optionele pakket).

Taken die onder dit optionele pakket kunnen vallen zijn onder meer de arbeidsinschakeling van personen die onder de Participatiewet vallen zonder een arbeidsbeperking of die gebruik maken van arbeidsmatige dagbesteding. Het is aan het bestuur van de gemeenschappelijke regeling om te bepalen – na zienswijzen van de raden – welke taken tot het optionele pakket kunnen behoren. Ten aanzien van het optionele pakket geldt derhalve dat het ieder college vrij staat daarvan wel of geen gebruik te maken. 5. De bedrijfsvoeringsorganisatie AM Werkorganisatie Bij de bepaling van de rechtsvorm in 2015 voor de AM Werkorganisatie hebben de colleges bepaald dat continuering van een gemeenschappelijke regeling op grond van de Wgr wenselijk is. De keuze voor deze rechtsvorm is tevens nodig gelet op het uitgangspunt dat de sw-ers in dienst moeten zijn van een publiekrechtelijke werkgever. Tegelijkertijd hebben de colleges bepaald dat hier de rechtsvorm van de bedrijfsvoeringsorganisatie ex artikel 8, derde lid, Wgr de voorkeur heeft boven die van het openbaar lichaam ex artikel 8, eerste lid, Wgr. Deze keuze is pas per 1 januari 2015 mogelijk geworden aangezien de wet op die datum is gaan voorzien in de rechtsfiguur van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

Deze keuze is in dit geval aan de orde omdat het hier om uitvoeringstaken gaat met een beperkte mate van beleidsvrijheid (de formele wetgever heeft immers kaders gesteld) en waarvoor het beleid overigens met name door de raden wordt bepaald. Daar komt voorts bij dat de beleidsregelbevoegdheid van de colleges uit de Wsw niet is overgedragen. Een en ander komt ook overeen met de door de wetgever beoogde doelstelling van de bedrijfsvoeringsorganisatie, te weten de behartiging van beleidsarme uitvoeringstaken van de colleges. Ook de onderhavige mandatering door de colleges van de arbeidsinschakelingstaken uit de Pw aan het bestuur van de Werkorganisatie is conform de door de wetgever beoogde doelstelling van de Werkorganisatie. Voor zover er beleidsvrijheid bestaat voor de colleges ten aanzien van de arbeidsinschakelingstaken uit de Pw, is nadrukkelijk niet beoogd de collegebevoegdheden om beleid te bepalen te mandateren aan het bestuur van de Werkorganisatie. Bovendien geldt dat met de mandatering van een collegebevoegdheid de colleges de feitelijke en juridische zeggenschap over de uitoefening van die bevoegdheid volledig behouden. De Werkorganisatie beschikt – net zoals het gemeenschappelijk openbaar lichaam – over eigen rechtspersoonlijkheid.

Aan het hoofd van de Werkorganisatie staat een bestuur, dat – als bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht – tevens (al dan niet krachtens overdracht) kan zijn belast met publiekrechtelijke besluitbevoegdheden. Een bedrijfsvoeringsorganisatie dient te voldoen aan de daaraan door de Wgr gestelde eisen. Omdat het uiteindelijk een bundeling van bepaalde gemeentelijke bevoegdheden betreft, is op een aantal punten ook de Gemeentewet van toepassing. Bij de uitoefening van de overgedragen en opgedragen taken en bevoegdheden dient (het bestuur van) de Werkorganisatie – vanzelfsprekend – ook alle relevante regels uit de Wsw en de Participatiewet en de op basis daarvan door de raden en colleges gegeven kaders (verordeningen, beleidsregels, instructies etc.) toe te passen. De onderhavige GR AM Werkorganisatie is ontstaan uit de gezamenlijke besluiten tot toestemmingverlening door de raden respectievelijk tot wijziging van de GR AM Groep. Door de aldus bestaande GR AM Groep te wijzigen van een gemeenschappelijk openbaar lichaam (met eigen rechtspersoonlijkheid) in een bedrijfsvoeringsorganisatie hebben de colleges de rechtsvorm van de GR gewijzigd, zonder de GR op te heffen. Hiermee is mede geborgd dat de rechtspersoonlijkheid van de gemeenschappelijke regeling is blijven bestaan.

Tevens is ook zeker gesteld dat alle publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechten en plichten die tot 1 januari 2016 rustten op de GR AM Groep, vanaf 1 januari 2016 rusten op de GR AM Werkorganisatie.

6. Betrokkenheid raden; informatieplicht, verantwoording, zienswijzen Net als de toenmalige GR AM Groep is de GR AM Werkorganisatie een collegeregeling, dat wil zeggen een gemeenschappelijke regeling waaraan uitsluitend colleges deelnemen en waarbij uitsluitend collegebevoegdheden zijn betrokken. Om die reden mag het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie uitsluitend bestaan uit collegeleden. Om te borgen dat de raden adequaat betrokken worden bij de gang van zaken van de Werkorganisatie bevat de regeling diverse voorzieningen. De regeling bevat in hoofdstuk IV regels met betrekking tot de informatieverstrekking door het bestuur van de Werkorganisatie aan de deelnemende colleges en aan de betrokken gemeenteraden. Eveneens bevat de regeling in hoofdstuk IV regels met betrekking tot de verantwoording door een lid van het bestuur van de Werkorganisatie aan het college dat dat lid heeft aangewezen. Overigens geldt dat ieder collegelid dat tevens lid van het bestuur van de Werkorganisatie is, op grond van de Gemeentewet in een verantwoordingsrelatie staat tegenover de raad. Uit dien hoofde heeft de raad altijd de mogelijkheid om dit collegelid ter verantwoording te roepen over het door dat collegelid als lid van het bestuur van de Werkorganisatie gevoerde bestuur.

Om de betrokkenheid van de raden verder te borgen is ten aanzien van twee soorten besluiten van het bestuur van de Werkorganisatie in de regeling geregeld dat de concepten van deze besluiten (vooraf) aan de raden moeten worden voorgelegd voor zienswijzen. Het betreft hier het bestuursbesluit tot vaststelling van een kostenverdeelsleutel en van de uittredingsregeling. Bovendien geldt voor deze besluiten dat het bestuur deze bij unanimiteit moet nemen. Dit biedt raden een mogelijkheid om “hun” lid van het bestuur van de Werkorganisatie vooraf instructies (een mandaat) mee te geven. Eenzelfde zienswijzeprocedure is bijvoorbeeld op grond van artikel 31a Wgr ook van toepassing op het bestuursbesluit tot oprichting van of deelname in een privaatrechtelijke rechtspersoon (zie ook de toelichting op hoofdstuk III). Tenslotte biedt de regeling ook de mogelijkheid dat het bestuur ook andere door haar te nemen besluiten aan deze zienswijzeprocedure kan onderwerpen (zonder dat dit wijziging van de regeling vergt). Het bestuur kan hiertoe bij twee derde meerderheid besluiten indien de individuele leden van het bestuur hiertoe een instructie van hun raden hebben gekregen, of uit eigen beweging.

Voor de goede zij erop gewezen dat alle bevoegdheden die het bestuur van de Werkorganisatie uitoefent krachtens een mandaat van de colleges op geen enkele wijze aan zeggenschap van de raden zijn onttrokken. Door het mandaat blijven de colleges immers ten volle bevoegd en verantwoordelijk. 7. Toelichting per hoofdstuk Onderstaand wordt een korte toelichting gegeven op de hoofdstukken van de regeling. Hoofdstuk I Algemene bepalingen Een aantal begrippen, dat later in de tekst terugkomt, is in dit hoofdstuk gedefinieerd. Verder wordt de Werkorganisatie geïntroduceerd, met haar doelstelling en algemene bevoegdheden. Van belang zijn hier met name de artikelen 4 en 5, waarin het belang, de doelstelling en de overdracht respectievelijk mandatering van de bevoegdheden wordt geregeld. Overdracht betekent dus dat de colleges van de deelnemende gemeenten deze bevoegdheden niet meer zelf kunnen en mogen uitoefenen. Mandaat (opdracht) betekent dat de colleges deze bevoegdheden wel zelf mogen blijven uitoefenen. In de aanhef wordt verwezen naar de besluiten van de, aan de vorige regeling deelnemende, gemeenteraden waarin deze raden instemmen met deze wijziging ten opzichte van de vorige regeling. Deze gemeenschappelijke regeling is uitsluitend aangegaan door colleges, niet door de raden.

Daarom zijn er geen verordenende bevoegdheden uit de Wsw of andere kaderstellende bevoegdheden van de raden overgedragen. De bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen en andere kaders blijft bij de raden van de deelnemende gemeenten. In artikel 5 wordt voorts ten aanzien van de taken van de Werkorganisatie onderscheid gemaakt tussen een (door iedere deelnemer af te nemen) basispakket en een (vrijwillig) optioneel pakket. Naast de ondersteuning van de deelnemers is het de Werkorganisatie tevens toegestaan om in beperkte mate dezelfde soort ondersteuning te leveren aan derden, met een maximum van 20% van de omzet. Dit criterium vloeit voort uit de Europese aanbestedingsrichtlijnen

en de Aanbestedingswet 2012. De deelnemende gemeente(besturen) mogen aanbestedingsvrij diensten afnemen van de Werkorganisatie omdat daarbij in beginsel sprake is van een zogenoemde inbesteding. Om daaraan te kunnen (blijven) voldoen is het van belang dat de deelnemers toezicht kunnen uitoefenen op de strategische beslissingen van de Werkorganisatie (hetgeen blijkens art. 12, derde lid, Richtlijn 2014/24/EU mogelijk is nu iedere deelnemer in het bestuur zit) en wanneer de Werkorganisatie ten minste 80% van zijn werkzaamheden verricht voor de deelnemende partijen. Hoofdstuk II Het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie Een bedrijfsvoeringsorganisatie kent maar één bestuursorgaan dat over eigen bevoegdheden beschikt: het bestuur. Ingegaan wordt op de organisatie en de samenstelling van het bestuur en op de voorwaarden waaronder men daarin zitting kan hebben. De organisatie van het bestuur van Wgr gemeenschappelijke regelingen. De samenstelling van het bestuur en de stemverdeling in het bestuur komt overeen met de samenstelling en stemverdeling in het algemeen bestuur van de toenmalige GR AM Groep. Hoofdstuk III De bevoegdheden van het bestuur Binnen een bedrijfsvoeringsorganisatie is geen sprake van een verdeling van bevoegdheden tussen verschillende bestuursorganen. Alle bevoegdheden komen toe aan het bestuur. In zoverre is hier dan ook geen sprake van duale verhoudingen.

Om de Werkorganisatie in staat te stellen privaatrechtelijke rechtspersonen op te richten of daarin deel te nemen, is het op grond van artikel 31a Wgr noodzakelijk dat de bevoegdheid van het bestuur om daartoe te besluiten uitdrukkelijk in de regeling is opgenomen. De oprichting of deelname is ingevolge artikel 31a, eerste lid, Wgr overigens alleen dan mogelijk indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Ingevolge artikel 31a, tweede lid, Wgr is het nemen van een dergelijk besluit onderworpen aan een zienswijzeprocedure bij de raden. De voorzitter is belast met het leiden van de vergaderingen van het bestuur en de ondertekening van stukken van het bestuur. Hoofdstuk IV Verantwoording en informatieplicht De passieve informatieplicht wordt uitgebreid met een actieve informatieplicht, waarbij is opgenomen op welke wijze de inlichtingen en informatie wordt verstrekt. De Wgr geeft aan dat in een gemeenschappelijke regeling expliciet vermeld moet zijn hoe in dit opzicht de relaties zijn tussen het bestuur als geheel en de raden van de deelnemende gemeenten én tussen de afzonderlijk leden van het bestuur en de raad van hun “eigen” gemeente. In artikel 12 gaat het om de verhouding tussen het bestuur van de Werkorganisatie en de raden, in het bijzonder om de informatieverstrekking.

Gelet op het feit dat de colleges de regeling zijn aangegaan, maakt dit artikel het tevens mogelijk om als college inlichtingen te vragen etc. Juridisch gezien bestaat hiertegen geen bezwaar. In artikel 13 van de regeling gaat het om de verhouding tussen de leden van het bestuur en de colleges van de deelnemende gemeenten. Ingevolge artikel 18 jo. 16 Wgr gaat het hier om verantwoording van de leden van het bestuur jegens het college dat hen heeft aangewezen. In artikel 18 Wgr wordt aangegeven dat, indien de regeling is aangegaan door de colleges, artikel 16 ‘overeenkomstig van toepassing’ is. Uit de aanduiding ‘overeenkomstig van toepassing’ moet worden afgeleid dat in plaats van ‘de raden’ moet worden gelezen: ‘de colleges’. Op grond van deze redenering is dan ook de relatie tussen de leden van het bestuur en de colleges geregeld in artikel 15 (en niet de raden, want de regeling is immers niet aangegaan door de raden). Hoofdstuk V De werkwijze van het bestuur Het bestuur vergadert ten minste zes maal per jaar. De vergaderingen zijn omwille van de transparantie van besluitvorming in beginsel openbaar, tenzij het bestuur besluit dat een (deel van de) vergadering in beslotenheid dient plaats te vinden. De regeling verklaart bepalingen uit de Wgr en daarin opgenomen verwijzingen naar de Gemeentewet inzake de vergaderorde van het bestuur van overeenkomstige toepassing.

Meer in detail uitgewerkte afspraken over de wijze van vergaderen zijn neergelegd in het reglement van orde voor de vergadering van het bestuur.

Hoofdstuk VI Personeel De algemeen directeur en controller dienen door het bestuur benoemd, geschorst of ontslagen te worden. Aanstelling van ambtenaren gebeurt op grond van het algemeen ambtenarenreglement in principe door het bestuur, maar kan – binnen zekere grenzen – aan de algemeen directeur worden opgedragen. We wijzen er hier op dat medewerkers niet tot de “personenkring” behorende op basis van detacheringsovereenkomsten met AM WERK BV werkzaamheden voor de Werkorganisatie kunnen verrichten. Deze vallen dus niet onder de ambtelijke rechtspositie, maar zijn werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst met de BV. Hun arbeidsvoorwaarden zijn wel afgeleid van de ambtelijke. De rechtspositie van de werknemers uit de personenkring is geregeld op basis van de wet, in de CAO Wsw. Dit is de reden dat alleen gesproken wordt van een rechtspositieregeling voor ambtelijk personeel. Hoofdstuk VII Financiën Bijdragen aan een gemeenschappelijke regeling zijn verplichte uitgaven voor de gemeente die moeten worden verwerkt in de eigen begroting. Om gemeenteraden meer positie te geven in de begrotingscyclus van een gemeenschappelijke regeling is ervoor gekozen de termijnen voor de indiening van de kadernota, ontwerpbegroting en begroting aan te passen. De cyclus start formeel met de kadernota.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=e098d524-b4f3-4e69-9aa1-4428f8b16f04