Urgente beleidsopgaven Sturen op water en bodem en Duurzame Energie - aanpassingen Omgevingsvisie en Omgevingsverordening - ontwerptekst vastgesteld door GS op 21 juni 2022.docx
Tekst van het document
ONTWERP ACTUALISATIE OMGEVINGSVISIE EN OMGEVINGSVERORDENING 2022 - tekst vastgesteld door GS op 21 juni 2022 -
Urgente beleidsopgave Sturen op water en bodem De provincie Overijssel werkt aan een nieuwe Omgevingsvisie. Dat is nodig omdat een aantal grote maatschappelijke en economische uitdagingen afkomt op de provincie. We zullen meer moeten doen aan klimaatadaptatie, klimaatmitigatie en energietransitie. En er moet ook een nieuw perspectief komen voor de landbouw en de ontwikkeling van natuur. Daarnaast is er een grote opgave op het gebied van verstedelijking en mobiliteit. De provincie werkt aan deze uitdagingen vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit en gezondheid. De complexiteit van de maatschappelijke opgaven en de beperkte ruimte die we in Overijssel hebben, vragen om een sterke regierol van de provincie. Onze inzet daarbij is - om in samenwerking met alle andere partijen binnen Overijsel (inwoners, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en medeoverheden) - gebiedsgericht naar oplossingen te zoeken. In het Fundament worden de richtinggevende uitspraken voor de uitwerking van de nieuwe Omgevingsvisie vastgelegd. De provincie heeft in het Fundament gekozen voor het toekomstbeeld Zelfbewust Overijssel. We pakken maatschappelijke opgaven op in harmonie met het natuurlijke systeem (bodem, water, reliëf en natuur). We nemen het water- en bodemsysteem als basis voor de inrichting en gebruik van de ruimte.
Het natuurlijke systeem biedt kansen en oplossingsrichtingen, maar stelt ook grenzen aan gebruik en productie. De provincie heeft in het Fundament een aantal leidende principes benoemd, waaronder het principe dat het water- en bodemsysteem sturend is in de ruimtelijke ordening en inrichting. Dit houdt onder andere in dat de gebruiksfunctie zich aanpast aan het water- en bodemsysteem en dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan behoud en versterking van dit systeem. Het waterbeheer volgt niet langer overal het gewenste gebruik van de grond. Het gebruik past zich aan op het watersysteem. Het grondgebruik en de productiemogelijkheden zullen zich daarbij aan moeten passen aan de nieuwe balans tussen wateroverlast en droogte. De provincie neemt een regisserende rol en stuurt op ontwikkelingen met als uitgangspunt het versterken van de veerkracht van het natuurlijk systeem. Herstel van de veerkracht en klimaatrobuustheid van het water- en bodemsysteem is een urgente beleidsopgave. Dat is te zien aan frequenter optreden van wateroverlast, droogte en aan bodemdaling met onder meer verzakkingen en funderingsschade tot gevolg. Maar ook aan de verslechterende bodem- en (grond)waterkwaliteit en het optreden van hittestress. En verder aan biodiversiteitsverlies dat nog eens versterkt wordt door klimaatverandering.
De manier waarop we de ruimte gebruiken leidt tot degradatie van het bodem- en watersysteem met risico’s voor gezondheid en verslechtering van de leefbaarheid. Het is van groot belang dat al op korte termijn gestuurd gaat worden op het herstel en de versterking van het systeem van water en bodem. Daarom wordt daarvoor in de nieuwe Omgevingsverordening een extra motiveringseis opgenomen. Die verplicht om bij nieuwe ontwikkelingen te onderbouwen dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. We onderscheiden daarvoor in het landelijk gebied van Overijssel vier verschillende gebieden op basis van het aanwezige water- en bodemsysteem met elk een eigen regionaal perspectief voor water en bodem voor de (middel)lange termijn (2030-2050). Ontwikkelingen in het landelijke gebied moeten bijdragen aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is. De urgente beleidsopgave water en bodem is reden om zowel de geldende Omgevingsvisie, als de nieuwe en de geldende Omgevingsverordening aan te passen.
1
De Omgevingsvisie wordt als volgt aangepast: 10.6.1.1 Regionaal Waterbeheer Regionaal waterbeheer omvat het beheer van alle oppervlaktewateren en het grondwater in de provincie Overijssel. De waterschappen nemen een belangrijk deel van de uitvoering voor hun rekening. De beleidsverantwoordelijkheid voor zowel waterkwaliteit als -kwantiteit als veiligheid ligt via de Waterwet bij de provincie. Ambitie: Watersystemen met een goede ecologische en chemische kwaliteit, die voor de lange termijn klimaatbestendig en veilig zijn. Het waterbeheer in Overijssel is gericht op een goede bewoonbaarheid en bewerkbaarheid van het land door het bieden van bescherming tegen overstroming, wateroverlast en (perioden van) droogte én het in stand houden of creëren van optimale watercondities voor functies zoals landbouw, wonen, natuur en scheepvaart. Daarbij zijn wel grenzen aan wat mogelijk is. Door de klimaatverandering is het nodig om breder naar waterbeheer te kijken dan we tot nu toe gewend zijn: er zijn op meerdere terreinen maatregelen noodzakelijk. Alleen dan is een toekomstbestendig beheer van alle oppervlaktewateren en het grondwater (de watersystemen) mogelijk. Rekening houden met gevolgen klimaatverandering Bij de inrichting en het beheer van de watersystemen houden we rekening met de gevolgen van klimaatverandering op lange termijn (veiligheid, wateroverlast, hittestress en droogte).
Wij streven daarbij naar harmonie met het natuurlijke systeem (bodem, water, reliëf en natuur). Als leidend principe hanteren we het uitgangspunt dat het water- en bodemsysteem sturend is in de ruimtelijke ordening en inrichting. Dit houdt onder andere in dat de gebruiksfunctie zich aanpast aan het water- en bodemsysteem en dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan behoud en versterking van dit systeem. Het waterbeheer volgt niet langer overal het gewenste gebruik van de grond. Het gebruik past zich aan op het watersysteem. Het grondgebruik en de productiemogelijkheden zullen zich daarbij aan moeten passen aan de nieuwe balans tussen wateroverlast en droogte. De provincie neemt een regisserende rol en stuurt op ontwikkelingen met als uitgangspunt het versterken van de veerkracht van het natuurlijk systeem. In ieder geval moet de nieuwe ontwikkeling bijdragen aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is. Wij onderscheiden de volgende regionale perspectieven water en bodem: -
de hogere zandgronden zonder de mogelijkheid van externe wateraanvoer;
-
zandgronden met de mogelijkheid voor wateraanvoer;
-
IJssel, Vecht en Delta; en
-
de veenweidegebieden.
De hogere zandgronden zonder de mogelijkheid van externe wateraanvoer: het perspectief is gericht op een vergroting van de watervoorraad in het voorjaar zodat grondwater langer beschikbaar blijft. Dit kan bereikt worden door een tragere waterafvoer, hogere grondwaterstanden en een vergrootte sponswerking van de bodem (water vasthouden). Daarnaast kunnen grotere beekdalen en overstromingsvlakten de piekbuien beter verwerken en vermindert wateroverlast lager in het systeem. Met deze maatregelen zal de concurrentie om water in het voorjaar en de zomer afnemen, omdat de grondwatervoorraad langer op peil blijft.
3
Zandgronden met de mogelijkheid voor wateraanvoer: hier is het perspectief gericht op het opvangen van de gevolgen van extreme neerslag en tijdelijke tekorten. Het watersysteem kan piekbuien beter verwerken waardoor wateroverlast en hinder lager in het systeem beperkt blijft. Zorgvuldig beheer van de (grond)watervoorraad moet ervoor zorgen dat ook bij droogte voldoende water beschikbaar blijft voor de aanwezige functies. Bij het wegzakken van het (grond)waterpeil zal, zolang er voldoende oppervlakte water is, aanvulling plaats vinden vanuit de IJssel en het IJsselmeer. Dit gebiedsvreemde water is voor een aantal gebruiksfuncties van onvoldoende kwaliteit. Omdat wateraanvoer van buiten het gebied steeds vaker niet mogelijk zal zijn, is het lange termijnperspectief gericht op het onafhankelijk worden van de aanvoer. De IJssel, Vecht en Delta: het perspectief voor de IJssel en Delta is een klimaatrobuust watersysteem met hoge ecologische kwaliteit dat extremen kan opvangen door (internationaal) integraal riviermanagement en hoogwaterbeschermingsmaatregelen. Het perspectief voor de Vecht is een klimaatrobuuste half-natuurlijke laaglandrivier van hoge ecologische kwaliteit, voldoende afvoer jaarrond en afvlakking van extremen door integraal riviermanagement van bron tot monding.
De Veenweidegebieden: hier is het perspectief gericht op het beperken van de bodemdaling en minimalisering van broeikasgasemissies door verhoogde waterstanden waarbij de gebruiksfunctie het peil volgt. Daarbij draagt dit perspectief ook bij aan klimaatadaptatie en -mitigatie. Wij zoeken in het gebiedsproces naar passende perspectieven met oog op leefbaarheid en economisch perspectief.
We werken, samen met gemeenten en waterschappen, de regionale perspectieven voor bodem en water verder uit en maken daarbij inzichtelijk hoe deze perspectieven richting gaan geven aan ruimtelijke ontwikkelingen. Deltaprogramma De komende jaren werken we met waterbeheerders, Rijk, gemeenten, maatschappelijke organisaties en private partijen samen om de deltabeslissingen in onze provincie te implementeren. Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en maatschappelijke organisaties werken aan het nationaal Deltaprogramma om de gevolgen van klimaatverandering het hoofd te bieden. Het doel van het Deltaprogramma is Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te hebben. Dit betekent dat de waterveiligheid, de zoetwatervoorziening en de ruimtelijke inrichting op orde moeten zijn. Het Deltaprogramma zet een koers uit voor de toekomst. Hoe beschermen we Nederland tegen overstromingen en hoe zorgen we voor voldoende zoetwater? En hoe zorgen we voor een waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting? Die koers bestaat uit verschillende onderdelen:
•
Deltabeslissingen: hierin staan nationale kaders die voor heel Nederland gelden.
•
Voorkeursstrategieën: dit is het algemene beleid, maar dan op maat gemaakt voor zeven gebieden in Nederland.
•
Deltaplannen: hierin staan concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid en de planning van deze maatregelen.
•
Deltaprogramma: hierin staat de voortgang van de uitwerking en uitvoering van de deltabeslissingen, voorkeursstrategieën en de deltaplannen. Ook voorstellen voor eventuele aanpassingen van de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën staan in het jaarlijks Deltaprogramma dat op Prinsjesdag uitkomt.
In het nationale Deltaprogramma zijn vijf ‘Deltabeslissingen’ opgenomen. Ze zijn voor Overijssel alle vijf van belang. Zie de website https://www.deltaprogramma.nl voor meer informatie hierover. Bij de uitvoering van ‘waterwerken’ benutten we de kansen om de ruimtelijke kwaliteit te versterken. Dit doen we door de (her)inrichting ook als een ontwerpopgave te beschouwen en te investeren in vormgeving en inpassing in het landschap. Belangrijk daarbij is het verhogen van de zichtbaarheid en de beleefbaarheid van het watersysteem. Ook is dit een kans om te zoeken naar combinaties met andere (water)opgaven, zoals het verbeteren van de zoetwatervoorziening (zie Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 20162021). Het beleid voor het regionaal waterbeheer omvat de volgende onderdelen:
•
Optimale watercondities (functietoekenning)
•
Waterveiligheid
•
Waterkwaliteit (Kaderrichtlijn Water (KRW))
•
Oppervlaktewaterbeheer
•
Grondwaterbeheer
•
Zoetwatervoorziening
Daarnaast vind je in paragraaf 10.6.2 informatie over de bestuurlijke organisatie van het waterbeheer.
5
In de geldende Omgevingsverordening wordt een nieuw artikel opgenomen met de volgende inhoud:
TITEL 2.1a STUREN OP WATER EN BODEM Artikel 2.1.10 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem) 1.
In bestemmingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water en bodemsysteem.
2.
In de onderbouwing bedoeld in lid 1 wordt bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is.
Toelichting De ambitie van de provincie is dat regionale watersystemen klimaatbestendig en veilig zijn, voldoende en goed (drink)water bieden voor verschillende functies en waarbinnen het gronden oppervlaktewater van goede ecologische en chemische kwaliteit is. Ook zet de provincie in op het behoud en herstel van bodemkwaliteit, zodat ook het bodemsysteem de veranderingen kan opvangen die optreden door de opwarming van de aarde en verandering van het klimaat. Een klimaatrobuust water- en bodemsysteem is een veerkrachtig, regionaal systeem van grondwater, oppervlaktewater en bodem dat gebruiksfuncties in staat stelt om beter mee te bewegen met de effecten van klimaatverandering. Daarin zijn de seizoenseffecten van droogte en natte perioden meer in balans, houden gebruiksfuncties rekening met natuurlijke omstandigheden zoals reliëf en bodemopbouw en is er ruimte om extreme weersomstandigheden op te vangen. In plaats van het water- en bodemsysteem met technische ingrepen steeds weer aan te passen aan de functie-wensen en effecten van klimaatverandering, kiest de provincie voor het uitgangspunt dat het water- en bodemsysteem sturend is voor het landgebruik. Functies voegen zich daarbij naar het peil of waterbeschikbaarheid. Een robuust water- en bodemsysteem is essentieel voor het toekomstige functioneren van stad en land.
Behoud en herstel is nodig om te anticiperen op effecten van klimaatverandering en is een essentiële voorwaarde en een kans voor versterking van natuur, landbouw, waterkwaliteit en beperking van broeikasgasemissies. Voor de leefbaarheid van Overijssel in de toekomst is het noodzakelijk dat het natuurlijke systeem - meer dan nu - leidend is voor ontwikkelingen. Daarom wil de provincie dat er bij nieuwe ontwikkelingen wordt onderzocht of die passen bij een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Vastgelegd moet worden hoe de ontwikkeling gaat bijdragen aan het behoud en het versterken van dat systeem. In de toelichting op het omgevingsplan wordt hiervoor een onderbouwing geleverd. Overijssel kent in het landelijk gebied vier verschillende gebieden op basis van het aanwezige water- en bodemsysteem (zie kaart) met elk een eigen regionaal perspectief voor water en bodem voor de (middel)lange termijn (2030-2050). Ontwikkelingen in het landelijke gebied moeten bijdragen aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is. De hogere zandgronden zonder de mogelijkheid van externe wateraanvoer: het perspectief is gericht op een vergroting van de watervoorraad in het voorjaar zodat
grondwater langer beschikbaar blijft. Dit kan bereikt worden door een tragere waterafvoer, hogere grondwaterstanden en een vergrootte sponswerking van de bodem (water vasthouden). Daarnaast kunnen grotere beekdalen en overstromingsvlakten de piekbuien beter verwerken en vermindert wateroverlast lager in het systeem. Met deze maatregelen zal de concurrentie om water in het voorjaar en de zomer afnemen, omdat de grondwatervoorraad langer op peil blijft. Zandgronden met de mogelijkheid voor wateraanvoer: hier is het perspectief gericht op het opvangen van de gevolgen van extreme neerslag en tijdelijke tekorten. Het watersysteem kan piekbuien beter verwerken waardoor wateroverlast en hinder lager in het systeem beperkt blijft. Zorgvuldig beheer van de (grond)watervoorraad moet ervoor zorgen dat ook bij droogte voldoende water beschikbaar blijft voor de aanwezige functies. Bij het wegzakken van het (grond)waterpeil zal, zolang er voldoende oppervlakte water is, aanvulling plaats vinden vanuit de IJssel en het IJsselmeer. Dit gebiedsvreemde water is voor een aantal gebruiksfuncties van onvoldoende kwaliteit. Omdat wateraanvoer van buiten het gebied steeds vaker niet mogelijk zal zijn, is het lange termijnperspectief gericht op het onafhankelijk worden van de aanvoer.
De IJssel, Vecht en Delta: het perspectief voor de IJssel en Delta is een klimaatrobuust watersysteem met hoge ecologische kwaliteit dat extremen kan opvangen door (internationaal) integraal riviermanagement en hoogwaterbeschermingsmaatregelen. Het perspectief voor de Vecht is een klimaatrobuuste half-natuurlijke laaglandrivier van hoge ecologische kwaliteit, voldoende afvoer jaarrond en afvlakking van extremen door integraal riviermanagement van bron tot monding. De Veenweidegebieden: hier is het perspectief gericht op het beperken van de bodemdaling en minimalisering van broeikasgasemissies door verhoogde waterstanden waarbij de gebruiksfunctie het peil volgt. Daarbij draagt dit perspectief ook bij aan klimaatadaptatie en mitigatie. Wij zoeken in het gebiedsproces naar passende perspectieven met oog op leefbaarheid en economisch perspectief. Samen met gemeenten en waterschappen, werken we de regionale perspectieven voor bodem en water verder uit en maken we inzichtelijk hoe deze perspectieven richting gaan geven aan ruimtelijke ontwikkelingen.
7
In de nieuwe Omgevingsverordening wordt een nieuw artikel opgenomen met de volgende inhoud:
AFDELING 4.3a STUREN OP WATER EN BODEM Artikel 4.12a (klimaatrobuust water- en bodemsysteem) 1.
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.
2.
In de onderbouwing bedoeld in lid 1 wordt bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is.
Toelichting De ambitie van de provincie is dat regionale watersystemen klimaatbestendig en veilig zijn, voldoende en goed (drink)water bieden voor verschillende functies en waarbinnen het gronden oppervlaktewater van goede ecologische en chemische kwaliteit is. Ook zet de provincie in op het behoud en herstel van bodemkwaliteit, zodat ook het bodemsysteem de veranderingen kan opvangen die optreden door de opwarming van de aarde en verandering van het klimaat. Een klimaatrobuust water- en bodemsysteem is een veerkrachtig, regionaal systeem van grondwater, oppervlaktewater en bodem dat gebruiksfuncties in staat stelt om beter mee te bewegen met de effecten van klimaatverandering. Daarin zijn de seizoenseffecten van droogte en natte perioden meer in balans, houden gebruiksfuncties rekening met natuurlijke omstandigheden zoals reliëf en bodemopbouw en is er ruimte om extreme weersomstandigheden op te vangen. In plaats van het water- en bodemsysteem met technische ingrepen steeds weer aan te passen aan de functie-wensen en effecten van klimaatverandering, kiest de provincie voor het uitgangspunt dat het water- en bodemsysteem sturend is voor het landgebruik. Functies voegen zich daarbij naar het peil of waterbeschikbaarheid. Een robuust water- en bodemsysteem is essentieel voor het toekomstige functioneren van stad en land.
Behoud en herstel is nodig om te anticiperen op effecten van klimaatverandering en is een essentiële voorwaarde en een kans voor versterking van natuur, landbouw, waterkwaliteit en beperking van broeikasgasemissies. Voor de leefbaarheid van Overijssel in de toekomst is het noodzakelijk dat het natuurlijke systeem - meer dan nu - leidend is voor ontwikkelingen. Daarom wil de provincie dat er bij nieuwe ontwikkelingen wordt onderzocht of die passen bij een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Vastgelegd moet worden hoe de ontwikkeling gaat bijdragen aan het behoud en het versterken van dat systeem. In de toelichting op het omgevingsplan wordt hiervoor een onderbouwing geleverd. Overijssel kent in het landelijk gebied vier verschillende gebieden op basis van het aanwezige water- en bodemsysteem (zie kaart) met elk een eigen regionaal perspectief voor water en bodem voor de (middel)lange termijn (2030-2050). Ontwikkelingen in het landelijke gebied moeten bijdragen aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is.
De hogere zandgronden zonder de mogelijkheid van externe wateraanvoer: het perspectief is gericht op een vergroting van de watervoorraad in het voorjaar zodat grondwater langer beschikbaar blijft. Dit kan bereikt worden door een tragere waterafvoer, hogere grondwaterstanden en een vergrootte sponswerking van de bodem (water vasthouden). Daarnaast kunnen grotere beekdalen en overstromingsvlakten de piekbuien beter verwerken en vermindert wateroverlast lager in het systeem. Met deze maatregelen zal de concurrentie om water in het voorjaar en de zomer afnemen, omdat de grondwatervoorraad langer op peil blijft. Zandgronden met de mogelijkheid voor wateraanvoer: hier is het perspectief gericht op het opvangen van de gevolgen van extreme neerslag en tijdelijke tekorten. Het watersysteem kan piekbuien beter verwerken waardoor wateroverlast en hinder lager in het systeem beperkt blijft. Zorgvuldig beheer van de (grond)watervoorraad moet ervoor zorgen dat ook bij droogte voldoende water beschikbaar blijft voor de aanwezige functies. Bij het wegzakken van het (grond)waterpeil zal, zolang er voldoende oppervlakte water is, aanvulling plaats vinden vanuit de IJssel en het IJsselmeer. Dit gebiedsvreemde water is voor een aantal gebruiksfuncties van onvoldoende kwaliteit.
Omdat wateraanvoer van buiten het gebied steeds vaker niet mogelijk zal zijn, is het lange termijnperspectief gericht op het onafhankelijk worden van de aanvoer. De IJssel, Vecht en Delta: het perspectief voor de IJssel en Delta is een klimaatrobuust watersysteem met hoge ecologische kwaliteit dat extremen kan opvangen door (internationaal) integraal riviermanagement en hoogwaterbeschermingsmaatregelen. Het perspectief voor de Vecht is een klimaatrobuuste half-natuurlijke laaglandrivier van hoge ecologische kwaliteit, voldoende afvoer jaarrond en afvlakking van extremen door integraal riviermanagement van bron tot monding. De Veenweidegebieden: hier is het perspectief gericht op het beperken van de bodemdaling en minimalisering van broeikasgasemissies door verhoogde waterstanden waarbij de gebruiksfunctie het peil volgt. Daarbij draagt dit perspectief ook bij aan klimaatadaptatie en mitigatie. Wij zoeken in het gebiedsproces naar passende perspectieven met oog op leefbaarheid en economisch perspectief. Samen met gemeenten en waterschappen, werken we de regionale perspectieven voor bodem en water verder uit en maken we inzichtelijk hoe deze perspectieven richting gaan geven aan ruimtelijke ontwikkelingen.
9
Urgente beleidsopgave duurzame energie – aanpassing Omgevingsvisie Het verduurzamen van de energievoorziening maakt onderdeel uit van de afspraken uit het Klimaatakkoord van Parijs om de uitstoot van broeikasgassen te beperken. Dit is doorvertaald in Nederlandse wetgeving (Klimaatwet) en een Klimaatakkoord. Overijssel wil bijdragen aan een kimaatneutraal Nederland in 2050. In West-Overijssel is in de Regionale Energie Strategie (RES) de ambitie geformuleerd om 1,794 TWh aan duurzame energie op te wekken in 2030. Het RES-gebied Twente heeft als ambitie om 1,5 TWh duurzame elektriciteit duurzaam op te wekken in 2030. Om die ambitie te kunnen realiseren (3,3 TWh duurzame energie in 2020) zal er ruimte gemaakt moeten worden voor wind- en zonne-energie, naast de inzet op energiebesparing en het verbeteren van systeemefficiëntie. Wij zien in de urgente beleidsopgave van de energietransitie aanleiding om vooruitlopend op de vaststelling van de nieuwe Omgevingsvisie de instructies in de Omgevingsverordening voor windenergie aan te passen. De ruimte voor windenergie wordt gerealiseerd door het nationaal landschap IJsseldelta en het Natuurnetwerk Nederland niet langer aan te merken als uitsluitingsgebieden voor windenergie.
Een generiek verbod op windenergie op voorhand binnen deze gebieden doet geen recht aan de noodzaak om binnen heel Overijssel op zoek te gaan naar mogelijkheden om lokaal duurzame energie op te wekken. Voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente heeft vorig jaar een herijking van de status uitsluitingsgebied windenergie plaatsgevonden. In de Omgevingsverordening is geregeld dat het generieke verbod op windenergie niet geldt voor de zoekgebieden die door de gemeenten in Noordoost-Twente zijn aangewezen. Dat het Nationaal Landschap IJsseldelta en het Natuurnetwerk Nederland niet langer worden aangemerkt als uitsluitingsgebieden windenergie, betekent niet dat de plaatsing van windturbines overal zondermeer is toegestaan. Initiatieven voor windenergie zullen altijd beoordeeld worden aan de hand van de omstandigheden en randvoorwaarden die voor het gebied gelden. Na het schrappen van het generieke verbod op het plaatsen van windturbines, blijven de andere provinciale beleidskaders van toepassing. Dit betekent dat locaties die vallen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), beoordeeld moeten worden op de voorwaarden die de regeling voor het NNN voor nieuwe ontwikkelingen stelt. Verder zal bij de plaatsing van windturbines recht gedaan moeten worden aan normerende en richtinggevende uitspraken die in de Catalogus Gebiedskenmerken over het landschap worden gedaan.
Op de plaatsing van windturbines is altijd de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing. Op dit moment geldt binnen de uitsluitingsgebieden windenergie een generiek verbod op alle windturbines. Om kleine windturbines mogelijk te maken op agrarische bouwpercelen waarmee in de eigen energiebehoefte kan worden voorzien, wordt de begripsbepaling voor windturbine aangepast.
De Omgevingsvisie wordt als volgt aangepast:
10.8 Energie Ambitie: Een betrouwbare, duurzame en betaalbare energievoorziening met beperking van uitstoot van broeikasgassen Mede door de klimaatverandering dringt het besef door dat verduurzaming noodzakelijk is. Efficiënter en zorgvuldiger omgaan met energie, grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen staat hierbij centraal. Dit vraagt om een forse transitie: Nederland – en ook Overijssel – is voor de
energievoorziening nog grotendeels afhankelijk van fossiele brandstoffen en het ‘kringloopdenken’ (circulaire economie) is nog geen gemeengoed. De provincie Overijssel wil een wezenlijke bijdrage leveren aan deze transitie, onder andere door ondernemers, bewoners en organisaties uit te nodigen én te stimuleren om te investeren in het efficiënter gebruik van energie (of, met andere woorden: in energiebesparing), opwekking van hernieuwbare energie en het aanpassen van de energie-infrastructuur. Met onze inzet in de Regionale Energie Strategie (RES) in de RES-gebieden West-Overijssel en Twente dragen wij bij aan de duurzame opwekking van energie in de regio (wind, zon en warmte).
10.8.2 Energieopwekking Ambitie: 20% hernieuwbare energie in 2023 en 30% in 2030. 3.3 TWh aan grootschalige opwek met zonne- en windenergie in 2030 om daarmee bij te dragen aan de aangepaste nationale doelstellingen van klimaatakkoord voor 2030 en 2050, conform het nationaal coalitieakkoord 2022.
Strekking van het beleid: Regionale Energie Strategie (RES) Overijssel wil bijdragen aan een klimaatneutraal Nederland in 2050. In de regio’s WestOverijssel en Twente werken we samen met gemeenten, waterschappen, netbeheerders en maatschappelijke organisaties aan het lokaal en duurzaam opwekken van energie. Deze samenwerking krijgt vorm in een regionale energiestrategie (RES). De RES is een middel om samen te onderzoeken hoe en waar we met zon en wind energie kunnen opwekken en hoe we dat via het energienetwerk kunnen transporteren. Ook zoeken we naar duurzame warmtebronnen als alternatief voor het aardgas waarmee we onze huizen en gebouwen verwarmen. We werken daarbij over de gemeentegrenzen heen. Voor de beide RES-gebieden geldt de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn. Dat houdt in dat de regio zelf op een duurzame wijze in haar eigen energiebehoefte voorziet. Om deze ambitie stapsgewijs te realiseren heeft het RES-gebied West-Overijssel de gezamenlijke doelstelling om in 2030, 1,794 TWh aan schone energie op te wekken met inzet van zon en wind. Voor het RES-gebied Twente is de gezamenlijke doelstelling om in 2030, 1,5 TWh op te wekken met zon en wind. Begin 2025 zouden de vergunningen daarvoor verleend moeten zijn. Begin 2025 zouden de vergunningen daarvoor verleend moeten zijn. Daarbij wordt uitgegaan van een verhouding van 60% windenergie en 40% zonne-energie.
In de RES 2.0 worden de zoekgebieden voor windenergie aangewezen. We streven naar regionale optimalisatie. Daarvoor is een afwegingskader opgesteld vanuit de vier hoekpunten: - CO2 -doelstelling; - leefomgeving; - maatschappelijke betrokkenheid; en - energiesysteem De uitvoering van de RES vindt primair plaats in de gemeenten op lokaal niveau. Zij zijn verantwoordelijk voor onder meer het uitwerken van de RES in het omgevingsbeleid en de vergunningverlening. De provincie is op grond van de Elektriciteitswet (straks Energiewet) bevoegd gezag voor grootschalige windprojecten.
11
Als provincie voelen we ons verantwoordelijk voor het realiseren van de ambities van de RES West-Overijssel en de RES Twente. Wij nemen de uitgangspunten van de RES daarom op in ons ruimtelijke beleid. Wij zullen ons instrumentarium inzetten waar dit nodig is om de doelen tijdig te behalen. We stimuleren bewoners en ondernemers in Overijssel om:
•
hernieuwbare energie toe te passen en de opwekking hiervan op eigen terrein of in grootschaliger projecten mogelijk te maken
•
lokale initiatieven te starten om samen te werken aan de opwekking van hernieuwbare energie
•
te innoveren op het gebied van energieopwekking
We verlenen geen medewerking aan de opsporing en winning van schaliegas.
Toelichting (waarom?): Het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie (energie uit bronnen als de zon, wind, biomassa en de ondergrond) is noodzakelijk om het gebruik van fossiele energie terug te dringen (en de CO2-uitstoot die hiermee samenhangt). We vinden het belangrijk dat iedereen hieraan een bijdrage levert. De winning van schaliegas zien wij als een niet duurzame vorm van energiewinning. Ruimte bieden aan de winning van schaliegas vertraagt die het overgaan naar een volledig duurzame energievoorziening vertraagt. Opwekken van hernieuwbare elektriciteit gebeurt voornamelijk uit zonne- en windenergie. In ons beleid geven we richting aan de verhouding in de hebben we geen vaste energiemix (hoeveelheid 40% zonne-energie en 60% windenergie) bepaald waarmee we in 2023 2030 in totaal 3,3 TWh 20% hernieuwbare energie kunnen opwekken. Om toch een beeld te krijgen van het ruimtebeslag schetsen we hieronder twee willekeurige voorbeelden. Daarbij houden we rekening met het feit dat we verwachten dat in Overijssel – met extra stimulering – maximaal 350 hectare dakoppervlak zal worden benut.
Voorbeeld 1 20% hernieuwbare elektriciteit kun je opwekken met: 350 hectare zonnepanelen op daken + 450 hectare zonnepanelen in veldopstelling + 30 tot 35 windturbines van elk 3 MW (dit laatste komt overeen met de huidige taakstelling van 85,5 MW voor wind vanuit het Rijk) Voorbeeld 2 20% hernieuwbare elektriciteit kun je ook opwekken met: 350 hectare zonnepanelen op daken + 150 hectare zonnepanelen in veldopstelling
+ 60 tot 70 windturbines van elk 3 MW (dit laatste komt overeen met de huidige taakstelling van 85,5 MW voor wind vanuit het Rijk) Ter vergelijking: het bruto oppervlak van bedrijventerreinen in Overijssel bedraagt op dit moment circa 8000 ha.
Regionale Energiestrategie (RES) De RES 1.0 is door de gemeenteraden, Provinciale Staten en algemeen besturen van de waterschappen vastgesteld. Hiermee geven de bestuurlijke partners in de RES aan wat zij gaan bijdragen aan de energietransitie. En hoe ze in regionaal verband met inwoners en maatschappelijke organisaties willen samenwerken aan de realisatie van de doelstellingen. De RES 1.0 heeft het karakter van een beleidsdocument dat - al dan niet in samenhang met eerdere vastgestelde beleidsdocumenten - richtinggevend is voor de verdere ontwikkeling van de energiestrategie. In West-Overijssel is in de Regionale Energie Strategie (RES) de ambitie geformuleerd om 1,794 TWh aan duurzame energie op te wekken in 2030. Het RES-gebied Twente heeft als ambitie om 1,5 TWh duurzame elektriciteit duurzaam op te wekken in 2030. Om die ambitie te kunnen realiseren (3,3 TWh duurzame energie in 2020) zal er ruimte gemaakt moeten worden voor wind- en zonne-energie, naast de inzet op energiebesparing en het verbeteren van systeemefficiëntie. De gemeenten zijn het eerste aanspreekpunt voor lokale initiatieven en projecten. Tegelijk onderkennen de samenwerkende partners in RES-verband dat veel vraagstukken vragen om samenwerking tussen gemeenten op sub-regionaal niveau.
De zoekgebieden voor de energietransitie vragen om afstemming over de gemeentegrenzen heen en in enkele gevallen ook om een gezamenlijke gebiedsontwikkeling. De zoekgebieden worden in de RES 2.0 opgenomen. Vanuit het perspectief van participatie door inwoners is een dergelijke gebiedsgerichte en grens-ontkennende werkwijze van groot belang. Op regionaal niveau gaat het naast kennisontwikkeling en monitoring van de doelstellingen en afspraken vooral ook om een gezamenlijke inspanning voor het (tijdig) realiseren van de noodzakelijke netcapaciteit. In de RES 1.0 hebben we samen met de partners vanuit het afwegingskader (vier hoekpunten) keuzes gemaakt om verder te werken aan de energietransitie. Op lokaal en subregionaal niveau worden met behulp van dit afwegingskader nog verdere afwegingen gemaakt per project, per gemeente, per gebied. In de RES 2.0 gaan we opnieuw vanuit dit afwegingskader beoordelen of de doelstellingen voor 2030 nog steeds haalbaar zijn en waar nodig gaan we dit bijsturen. In het kader van maatschappelijk draagvlak koesteren we lokale initiatieven. We streven naar minimaal 50% lokaal eigendom (zowel in het ontwikkelproces van energieprojecten als de daarop volgende exploitatie). We houden de opbrengst zoveel mogelijk lokaal. We streven naar een evenwichtige verdeling tussen de lusten en de lasten.
We betrekken bij energieprojecten omwonenden in een zo vroeg mogelijk stadium. De partners in de RES-gebieden streven naar maximale maatschappelijke betrokkenheid bij het realiseren van de opgaven en bij het democratische besluitvormingsproces. De wijze waarop overheden de inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties betrekken bij het democratische proces, is aan de overheden zelf. Uitvoering/instrumenten:
13
Regels in de verordening
•
geen medewerking verlenen aan opsporing en winning van onconventioneel gas (schaliegas en steenkoolgas) (Omgevingsverordening paragraaf 4.10.3)
Uitvoeringsprogramma Nieuwe Energie (Prestatie)afspraken
•
monitoren voortgang behalen doelstelling; als voortgang achterblijft, kunnen we aanvullend instrumentarium inzetten
Subsidies en fondsen
•
Programma Nieuwe Energie Overijssel
10.8.2.1 Windenergie Windenergie is elektrische energie opgewekt met windturbines. Het verduurzamen van de energievoorziening maakt onderdeel uit van de afspraken uit het Klimaatakkoord van Parijs om de uitstoot van broeikasgassen te beperken. Dit is doorvertaald in Nederlandse wetgeving (Klimaatwet) en een Klimaatakkoord. Het Rijk heeft de regio’s uitgedaagd om te komen met een bod waarmee bijgedragen wordt aan de nationale opgave van verduurzaming van de energievoorziening. Dit bod is in 2021 uitgebracht in de vorm van de Regionale Energie Strategie (RES) 1.0. In 2013 heeft het Rijk bestuurlijke afspraken gemaakt met de provincies over het realiseren van windenergie op land. Dit heeft geleid tot een taakstelling per provincie; in Overijssel moet in 2020 85,5 MW opgesteld vermogen gerealiseerd zijn.
Strekking van het beleid: Het nationaal landschap IJsseldelta en het Natuurnetwerk Nederland worden niet langer aangemerkt als uitsluitingsgebieden voor windenergie. Een generiek verbod op windenergie op voorhand binnen deze gebieden doet geen recht aan de noodzaak om binnen heel Overijssel op zoek te gaan naar mogelijkheden om lokaal duurzame energie op te wekken. Voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente heeft eerder een herijking van de status uitsluitingsgebied windenergie plaatsgevonden. Het Nationaal Landschap Noordoost-Twente is nog wel aangewezen als uitsluitingsgebied windenergie. Maar in de Omgevingsverordening is geregeld dat het generieke verbod op windenergie niet geldt voor de zoekgebieden die door de gemeenten in Noordoost-Twente zijn aangewezen. Het generieke verbod geldt ook niet voor kleine windturbines op agrarische erven die voorzien in de eigen energiebehoefte. Dat het Nationaal Landschap IJsseldelta en het Natuurnetwerk Nederland niet langer worden aangemerkt als uitsluitingsgebieden windenergie betekent niet dat de plaatsing van windturbines overal zondermeer is toegestaan. Na het schrappen van het generieke verbod op het plaatsen van windturbines, blijven de andere provinciale beleidskaders van toepassing.
Dit betekent dat locaties die vallen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), beoordeeld moeten worden op de voorwaarden die de regeling voor het NNN voor nieuwe ontwikkelingen stelt. Verder zal bij de plaatsing van windturbines recht gedaan moeten worden aan normerende en richtinggevende uitspraken die in de Catalogus Gebiedskenmerken over het landschap worden gedaan. Op de plaatsing van windturbines is altijd de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing. Door het schrappen van het generieke verbod op het plaatsen van windturbines binnen het Nationale Landschap IJsseldelta en het Natuurnetwerk Nederland, wordt op initiatieven voor windenergie binnen deze gebieden het ruimtelijke afwegingskader van de Catalogus
Gebiedskenmerken van toepassing. De Catalogus Gebiedskenmerken werden tot dusver nog geen expliciete uitspraken gedaan over de inpassing van windturbines in het landschap. Omdat de Catalogus Gebiedskenmerken – ook door de toenemende vraag naar duurzame energie- nog belangrijker wordt voor de vraag of windturbines kunnen worden toegestaan, is het ruimtelijke afwegingskader aangevuld met uitspraken over de impact van windturbines op de verschillende landschapstypen en de wijze waarop deze impact door een zorgvuldige landschappelijke inpassing kan worden verkleind. De verantwoordelijkheid om planologisch ruimte te maken voor windturbines ligt bij gemeenten. De provincie stelt het kader voor locatiekeuze en ontwerp. Voor alle initiatieven voor windenergie geldt dat locatiekeuze en ontwerp passend moeten zijn bij de gebiedskenmerken. We geven vanuit ons provinciale belang invulling aan het organiseren van draagvlak voor de energietransitie. Werken aan inzicht in nut en noodzaak van de energietransitie en ruimtelijke effecten daarvan, zien wij als eerste stap. Wij werken dit in onze programma’s uit, met behulp van de participatieladder. De gemeente is het bevoegde gezag voor de planologische afweging op basis van concrete projecten. Op verzoek kan de provincie om advies worden gevraagd.
Bij provinciale inpassingsplannen hebben we een verantwoordelijkheid in het betrekken van bewoners en gebruikers bij de ontwikkeling van de plannen (zie hoofdstuk 4 Omgevingsvisie, paragraaf 4.1.3 over sociale kwaliteit).
Toelichting (waarom?): Windenergie is momenteel de meest kosten effectieve vorm van hernieuwbare energie en het ruimte bieden aan windturbines draagt bij aan de reductie van het gebruik van fossiele energiebronnen en de CO2-uitstoot die daarmee samenhangt. Vanwege de impact op de omgeving moet de plaatsing van windturbines op lokaal niveau afgewogen worden. Om de gemaakte afspraken met het Rijk te halen, heeft de provincie de verplichting op zich genomen om een provinciaal inpassingsplan op te stellen als gemeenten in de kansrijke zoekgebieden niet mee willen werken aan een dergelijk initiatief. In deze kansrijke zoekgebieden zijn de condities qua windsnelheden en structuur van het landschap het meest geschikt voor grootschalige opwekking van windenergie. In laagvliegroutes en funnels zijn obstakels zoals nieuwe windturbines niet toegestaan.; in de overige uitsluitingsgebieden zijn nieuwe windturbines niet toegestaan vanwege de hoge cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden (en daarmee samenhangende recreatieve en toeristische waarde) van deze gebieden. Uitvoering/instrumenten; Uitvoeringsprogramma Nieuwe Energie Regels in de verordening
•
kansrijke zoekgebieden, uitsluitingsgebieden en gebieden met ruimte voor windenergie onder voorwaarden (Omgevingsverordening paragraaf 4.10.2)
•
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) (Omgevingsverordening artikel 4.11)
(Prestatie)afspraken
•
met de gemeenten in de kansrijke zoekgebieden voor windenergie
Subsidies en fondsen
•
programma Nieuwe Energie Overijssel
Kennis verwerven en delen
•
Atlas van Overijssel (potentiekaart wind)
15
•
onderzoek mogelijkheden voor alternatieve vormen van windenergie
•
verkenning van de mogelijkheden en onmogelijkheden van windturbines in de Nationale Landschappen en in het Natuurnetwerk Nederland (NNN)
•
voorbeeldenboek Energielandschappen Overijssel (ELO)
•
aanvulling voorbeeldenboek KGO met inspirerende voorbeelden voor toepassing windenergie
10.8.2.1.1 Kansrijke zoekgebieden windenergie In de kansrijke zoekgebieden voor windenergie (ten noorden van de Vecht, tussen StaphorstZwolle en Hardenberg (zie de kaart Windenergie voor de begrenzing van deze gebieden)), is ruimte voor (boven)lokale ontwikkeling van windenergie. Als gemeenten in deze kansrijke zoekgebieden niet mee willen werken aan initiatieven voor de plaatsing van windturbines, dan zetten we de instrumenten die ons ter beschikking staan maximaal in. Binnen de voorkeursgebieden voor grootschalige clustering streven we naar een optimale invulling van het gebied. Dit houdt in dat projecten die kleiner zijn dan de ruimtelijke potentie zo vormgegeven worden dat toekomstige projecten niet belemmerd worden.
10.8.2.1.2 Gebieden met ruimte voor windenergie onder voorwaarden In deze gebieden zijn initiatieven voor windenergie mogelijk als er sprake is van een goede landschappelijke inpassing op basis van de aanwezige gebiedskenmerken. 10.8.2.1.3 Gebieden met beperkingen voor windenergie In deze gebieden gelden beperkingen in verband met de aanwezige luchthavens. In het gebied rond Luchthaven Twente kunnen obstakels als windturbines (en andere nieuwe bouwwerken) alleen met toestemming van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) worden toegestaan. Zij beoordelen of het obstakel invloed heeft op de vliegveiligheid. In het gebied rond de recreatieve luchthaven Lemelerveld gelden ook beperkingen. Deze beperkingen gelden op grond van de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen (artikel 29 lid 1 onder i). Bij ontwikkelingen in dit beperkingengebied zal altijd afgewogen moeten worden of nieuwe windturbines of andere bouwwerken geen onevenredige beperkingen opleggen aan het functioneren van de recreatieve luchthaven. 10.8.2.1.4 Uitsluitingsgebieden windenergie In de uitsluitingsgebieden windenergie is geen ruimte voor nieuwe windturbines. Het gaat hier om:
•
het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (zie paragraaf 10.3.1 );
•
de Nationale Landschappen Noordoost-Twente met uitzondering van de zoekgebieden windenergie Noordoost-Twente waar onder voorwaarden ruimte geboden kan worden voor wind (zie paragraaf 10.4.1.1); en
•
de laagvliegroutes en funnels19.
19Obstakelvrije zones rond de in- en uitvliegroutes van luchthavens.
Urgente beleidsopgave duurzame energie – aanpassing Omgevingsverordening Het verduurzamen van de energievoorziening maakt onderdeel uit van de afspraken uit het Klimaatakkoord van Parijs om de uitstoot van broeikasgassen te beperken. Dit is doorvertaald in Nederlandse wetgeving (Klimaatwet) en een Klimaatakkoord. Overijssel wil bijdragen aan een klimaatneutraal Nederland in 2050. In West-Overijssel is in de Regionale Energie Strategie (RES) de ambitie geformuleerd om 1,794 TWh aan duurzame energie op te wekken in 2030. Het RES-gebied Twente heeft als ambitie om 1,5 TWh duurzame elektriciteit duurzaam op te wekken in 2030. Om die ambitie te kunnen realiseren (3,3 TWh duurzame energie in 2020) zal er ruimte gemaakt moeten worden voor wind- en zonne-energie, naast de inzet op energiebesparing en het verbeteren van systeemefficiëntie. Wij zien in de urgente beleidsopgave van de energietransitie aanleiding om vooruitlopend op de vaststelling van de nieuwe Omgevingsvisie de instructies in de Omgevingsverordening voor windenergie aan te passen. De ruimte voor windenergie wordt gerealiseerd door het nationaal landschap IJsseldelta en het Natuurnetwerk Nederland niet langer aan te merken als uitsluitingsgebieden voor windenergie.
Een generiek verbod op windenergie op voorhand binnen deze gebieden doet geen recht aan de noodzaak om binnen heel Overijssel op zoek te gaan naar mogelijkheden om lokaal duurzame energie op te wekken. Voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente heeft vorig jaar een herijking van de status uitsluitingsgebied windenergie plaatsgevonden. In de Omgevingsverordening is geregeld dat het generieke verbod op windenergie niet geldt voor de zoekgebieden die door de gemeenten in Noordoost-Twente zijn aangewezen. Dat het Nationaal Landschap IJsseldelta en het Natuurnetwerk Nederland niet langer worden aangemerkt als uitsluitingsgebieden windenergie, betekent niet dat de plaatsing van windturbines overal zondermeer is toegestaan. Initiatieven voor windenergie zullen altijd beoordeeld worden aan de hand van de omstandigheden en randvoorwaarden die voor het gebied gelden. Na het schrappen van het generieke verbod op het plaatsen van windturbines, blijven de andere provinciale beleidskaders van toepassing. Dit betekent dat locaties die vallen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), beoordeeld moeten worden op de voorwaarden die de regeling voor het NNN voor nieuwe ontwikkelingen stelt. Verder zal bij de plaatsing van windturbines recht gedaan moeten worden aan normerende en richtinggevende uitspraken die in de Catalogus Gebiedskenmerken over het landschap worden gedaan.
Op de plaatsing van windturbines is altijd de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing. Op dit moment geldt binnen de uitsluitingsgebieden windenergie een generiek verbod op alle windturbines. Om kleine windturbines mogelijk te maken op agrarische bouwpercelen waarmee in de eigen energiebehoefte kan worden voorzien, wordt de begripsbepaling voor windturbine aangepast.
17
De geldende Omgevingsverordening wordt als volgt aangepast:
Titel 2.15 Windturbines Zie toelichting titel 2.15 Windturbines artikel 2.15.1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a.
windturbine: een door wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt met een tiphoogte van meer dan 25 meter;
b.
Zoekgebieden windenergie Noordoost-Twente: gebieden aan de randen van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente die kansrijk worden geacht voor het realiseren van de opgave van duurzame energieopwekking met wind en die als zodanig begrensd zijn.
artikel 2.15.2 Uitsluiting windturbines Bestemmingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid van het oprichten van nieuwe windturbines binnen gebieden die:
•
op grond van artikel 2.7.2 gerekend worden tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) of
•
op grond van artikel 2.6.2 worden aangemerkt als het Nationaal Landschap Noordoost-Twente.
artikel 2.15.3 Zoekgebieden Noordoost-Twente In afwijking van artikel 2.15.2 kan binnen de zoekgebieden windenergie Noordoost-Twente ruimte geboden worden voor het realiseren van clusters van minimaal 3 windturbines, als: a.
dit noodzakelijk is voor de opgave van duurzame energieopwekking met wind; en mits
b.
de landschappelijke inpassing conform de aanwezige gebiedskenmerken is verzekerd.
Toelichting
titel 2.15 Windturbines Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie is de provinciale ambitie vastgelegd van een betrouwbare, duurzame en betaalbare energievoorziening met beperking van uitstoot van broeikasgassen. Daarbij zet de provincie in op een transitie waarin aan de ene kant bespaart wordt op energie door het terugdringen van het energieverbruik en het efficiënter gebruik van energie. Aan de andere kant zal er in de opwekking van energie een omslag gemaakt moeten worden van afhankelijkheid van fossiele brandstoffen naar het steeds verder vergroten van het aandeel hernieuwbare energie in de energievoorziening (energie uit bronnen als de zon, wind, biomassa en ondergrond).
Overijssel wil bijdragen aan een kimaatneutraal Nederland in 2050. In West-Overijssel is in de Regionale Energie Strategie (RES) de ambitie geformuleerd om 1,794 TWh aan duurzame energie op te wekken in 2030. Het RES-gebied Twente heeft als ambitie om 1,5 TWh duurzame elektriciteit duurzaam op te wekken in 2030. Om die ambitie te kunnen realiseren (3,3 TWh duurzame energie in 2030) zal er ruimte gemaakt moeten worden voor wind- en zonne-energie, naast de inzet op energiebesparing en het verbeteren van systeemefficiëntie. Bij het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie geldt voor windenergie dat de provincie in ieder geval de bestuurlijke afspraken met het Rijk over het realiseren van windenergie op land wil nakomen. Belemmeringen voor het oprichten van windturbines worden zoveel mogelijk opgeheven. De clustereis voor het oprichten van windturbines kan vervallen omdat met de generieke sturing op ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit voldoende waarborgen zijn dat windturbines zorgvuldig worden ingepast in hun omgeving.
Het nationaal landschap IJsseldelta en het Natuurnetwerk Nederland worden niet langer aangemerkt als uitsluitingsgebieden voor windenergie. Een generiek verbod op windenergie op voorhand binnen deze gebieden doet geen recht aan de noodzaak om binnen heel Overijssel op zoek te gaan naar mogelijkheden om lokaal duurzame energie op te wekken. Voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente heeft eerder een herijking van de status uitsluitingsgebied windenergie plaatsgevonden. Het Nationaal Landschap Noordoost-Twente geldt nog wel als uitsluitingsgebied windenergie, maar in de Omgevingsverordening is geregeld dat het generieke verbod op windenergie niet geldt voor de zoekgebieden die door de gemeenten in Noordoost-Twente zijn aangewezen. Ruimtelijke randvoorwaarden Dat het Nationaal Landschap IJsseldelta en het Natuurnetwerk Nederland niet langer worden aangemerkt als uitsluitingsgebieden windenergie betekent niet dat de plaatsing van windturbines overal zondermeer is toegestaan. Na het schrappen van het generieke verbod op het plaatsen van windturbines, blijven de andere provinciale beleidskaders van toepassing. Dit betekent dat locaties die vallen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), beoordeeld moeten worden op de voorwaarden die de regeling voor het NNN voor nieuwe ontwikkelingen stelt.
Verder zal bij de plaatsing van windturbines recht gedaan moeten worden aan normerende en richtinggevende uitspraken die in de Catalogus Gebiedskenmerken over het landschap worden gedaan. Op de plaatsing van windturbines is altijd de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing.
Gebiedskenmerken Buiten deze gebieden is de oprichting Het oprichten van windturbines is - behalve in uitsluitingsgebieden windenergie - in principe toegestaan op grond van het provinciale beleid. Of medewerking kan worden verleend aan een initiatief wordt beoordeeld met behulp van het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie (OF, WAAR, HOE). Een belangrijk punt daarin is de vraag hoe de plaatsing van een windturbine zich verhoudt tot de gebiedskenmerken die van toepassing zijn in de specifieke lokale situatie. Er zal sprake moeten zijn van een goede landschappelijke inpassing op basis van de aanwezige gebiedskenmerken. Deze verplichting vloeit voort uit het bepaalde in titel 2.1 van deze verordening (sturen op ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit) waarbij in artikel 2.1.5 is geregeld hoe onderbouwd moet worden dat een initiatief bijdraagt aan het versterken van ruimtelijke kwaliteit. Door het schrappen van het generieke verbod op het plaatsen van windturbines binnen het Nationale Landschap IJsseldelta en het Natuurnetwerk Nederland, wordt op initiatieven voor windenergie binnen deze gebieden het ruimtelijke afwegingskader van de Catalogus Gebiedskenmerken van toepassing. De Catalogus Gebiedskenmerken werden tot dusver nog geen expliciete uitspraken gedaan over de inpassing van windturbines in het landschap.
Omdat de Catalogus Gebiedskenmerken – ook door de toenemende vraag naar duurzame
19
energie- nog belangrijker wordt voor de vraag of windturbines kunnen worden toegestaan, is het ruimtelijke afwegingskader aangevuld met uitspraken over de impact van windturbines op de verschillende landschapstypen en de wijze waarop deze impact door een zorgvuldige landschappelijke inpassing kan worden verkleind.
Kansrijke zoekgebieden Met name in de gebieden die in de Omgevingsvisie zijn aangemerkt als kansrijk zoekgebied windenergie verwacht de provincie haar taakstelling op het gebied van windenergie te kunnen behalen. In deze gebieden (ten noorden van de Vecht, tussen Staphorst-Zwolle en nabij Hardenberg) is ruimte voor (boven)lokale ontwikkeling van windenergie. Als gemeenten in deze kansrijke zoekgebieden niet mee willen werken aan initiatieven voor de plaatsing van windturbines, dan zetten we de instrumenten die ons ter beschikking staan maximaal in. Daarbij moet met name gedacht worden aan de opstelling van provinciale inpassingsplannen. Deze verordening verplicht niet tot de oprichting van windturbines in de kansrijke zoekgebieden.
Uitsluitingsgebieden windenergie Niet overal binnen Overijssel is de oprichting van windturbines gewenst gelet op de impact die dat kan hebben op landschappelijke en natuurlijke waarden. In de verordening wordt daarom de oprichting van windturbines uitgesloten binnen het Natuurnetwerk Nederland en de twee Nationale Landschappen (IJsseldelta en Noordoost-Twente).
Ecologisch onderzoek Afhankelijk van de situering ten opzichte van natuurgebieden, zal ecologisch onderzoek nodig zijn om aan te tonen dat de oprichting van de windturbines niet zal leiden tot significante effecten op beschermde natuurwaarden.
Beperkingengebieden windenergie Op de kaart windenergie staan beperkingengebieden aangegeven. De beperkingen voor het oprichten van windturbines in deze gebieden worden niet geregeld in Titel 2.15 Windturbines, maar komen voort uit de hoogtebeperkingen die worden opgelegd door artikel 6.13 van het Luchthavenbesluit Twente Airport met het oog op de vliegveiligheid.
Artikelsgewijze toelichting artikel 2.15.3 Zoekgebieden Noordoost-Twente Artikel 2.15.3 biedt binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente de mogelijkheid om van dit absolute verbod op het plaatsen van windturbines af te wijken. Deze mogelijkheid wordt alleen geboden voor de gebieden aan de randen van het Nationaal Landschap die aangewezen zijn als ‘zoekgebieden windenergie Noordoost-Twente’. Voorwaarde is dat aangetoond is dat de plaatsing van windturbines noodzakelijk is om de opgave voor duurzame energieopwekking met wind te realiseren. Ook moet verzekerd zijn dat de windturbines goed in het landschap kunnen worden ingepast. Het opheffen van het absolute verbod op windturbines binnen deze zoekgebieden betekent niet dat de plaatsing van windturbines zonder meer mogelijk is. De overige provinciale beleidskaders blijven van toepassing. Dit betekent dat er een verbod op windturbines blijft gelden voor locaties binnen de zoekgebieden die vallen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Verder zal bij de plaatsing van windturbines recht gedaan moeten worden aan normerende en richtinggevende uitspraken die in de Catalogus Gebiedskenmerken
over het landschap worden gedaan. Op de plaatsing van windturbines is altijd de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing. Voor de zoekgebieden windenergie Noordoost-Twente geldt naast de algemene kaders voor sturing op ruimtelijke kwaliteit, de aanvullende eis dat de windturbines in clusters gerealiseerd moeten worden van minimaal 3 windturbines.
21
De nieuwe Omgevingsverordening 2021 wordt als volgt aangepast:
Artikel 1.1 (begripsbepalingen) windturbine door wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt met een tiphoogte van meer dan 25 meter
Artikel 4.109 (aanwijzing uitsluitingsgebieden windturbines) Lid 1 Als uitsluitingsgebied windturbines zijn is aangewezen: het Natuurnetwerk Nederland, zoals aangewezen in artikel 4.55,Nationaal Landschap IJsseldelta en Nationaal Landschap Noordoost-Twente, zoals aangewezen in artikel 4.52. Lid 2 Als zoekgebieden windenergie Noordoost-Twente zijn aangewezen gebieden aan de randen van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente die kansrijk worden geacht voor het realiseren van de opgave van duurzame energieopwekking met wind. Artikel 4.110 (instructieregel verbod op windturbines) Lid 1 Omgevingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid om windturbines op te richten in gebieden die zijn aangewezen als ‘uitsluitingsgebied windturbines’. Lid 2 In afwijking van het eerste lid kan binnen de zoekgebieden windenergie Noordoost-
Twente ruimte geboden worden voor het realiseren van clusters van minimaal 3 windturbines, als: a.
dit noodzakelijk is voor de opgave van duurzame energieopwekking met wind; en mits
b.
de landschappelijke inpassing conform de aanwezige gebiedskenmerken is verzekerd.
Artikelsgewijze toelichting
Paragraaf 4.10.2 Windturbines Provinciaal belang In de Omgevingsvisie is de provinciale ambitie vastgelegd van een betrouwbare, duurzame en betaalbare energievoorziening met beperking van uitstoot van broeikasgassen. Daarbij zet de provincie in op een transitie waarin aan de ene kant bespaard wordt op energie door het terugdringen van het energieverbruik en het efficiënter gebruik van energie. Aan de andere kant zal er in de opwekking van energie een omslag gemaakt moeten worden van
afhankelijkheid van fossiele brandstoffen naar het steeds verder vergroten van het aandeel hernieuwbare energie in de energievoorziening (energie uit bronnen als de zon, wind, biomassa en ondergrond). Overijssel wil bijdragen aan een kimaatneutraal Nederland in 2050. In West-Overijssel is in de Regionale Energie Strategie (RES) de ambitie geformuleerd om 1,794 TWh aan duurzame energie op te wekken in 2030. Het RES-gebied Twente heeft als ambitie om 1,5 TWh duurzame elektriciteit duurzaam op te wekken in 2030. Om die ambitie te kunnen realiseren (3,3 TWh duurzame energie in 2030) zal er ruimte gemaakt moeten worden voor wind- en zonne-energie, naast de inzet op energiebesparing en het verbeteren van systeemefficiëntie. Bij het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie geldt voor windenergie dat de provincie in ieder geval de bestuurlijke afspraken met het Rijk over het realiseren van windenergie op land wil nakomen. Belemmeringen voor het oprichten van windturbines zijn zoveel mogelijk opgeheven.
Kansrijke zoekgebieden Met name in de gebieden die in de Omgevingsvisie zijn aangemerkt als kansrijk zoekgebied windenergie verwacht de provincie haar taakstelling op het gebied van windenergie te kunnen behalen. In deze gebieden (ten noorden van de Vecht, tussen Staphorst-Zwolle en nabij Hardenberg) is ruimte voor (boven)lokale ontwikkeling van windenergie. Als gemeenten in deze kansrijke zoekgebieden niet mee willen werken aan initiatieven voor de plaatsing van windturbines, dan zetten we de instrumenten die ons ter beschikking staan maximaal in. Daarbij moet met name gedacht worden aan het nemen van projectbesluiten. Deze verordening verplicht overigens niet tot de oprichting van windturbines in de kansrijke zoekgebieden.
Uitsluitingsgebieden windenergie Niet overal binnen Overijssel is de oprichting van windturbines gewenst gelet op de impact die dat kan hebben op landschappelijke en natuurlijke waarden. Het nationaal landschap IJsseldelta en het Natuurnetwerk Nederland worden niet langer aangemerkt als uitsluitingsgebieden voor windenergie. Een generiek verbod op windenergie op voorhand binnen deze gebieden doet geen recht aan de noodzaak om binnen heel Overijssel op zoek te gaan naar mogelijkheden om lokaal duurzame energie op te wekken. Voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente heeft eerder een herijking van de status uitsluitingsgebied windenergie plaatsgevonden. Het Nationaal Landschap Noordoost-Twente geldt nog wel als uitsluitingsgebied windenergie, maar in de Omgevingsverordening is geregeld dat het generieke verbod op windenergie niet geldt voor de zoekgebieden die door de gemeenten in Noordoost-Twente zijn aangewezen. In de verordening wordt daarom de oprichting van windturbines uitgesloten binnen het Natuurnetwerk Nederland en de twee Nationale Landschappen (IJsseldelta en NoordoostTwente). Artikel 4.110 biedt binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente de mogelijkheid om van dit absolute verbod op het plaatsen van windturbines af te wijken.