Ontwerp Provinciaal Programma Energietransitie
Tekst van het document
Provinciaal Programma Energiestrategie Provincie Overijssel
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Context, doel van het programma en rollen provincie ............................ 3 1.1 Inleiding ..................................................................................................................................................... 3 1.2 Context ....................................................................................................................................................... 3 1.3 Doel van het programma is realisering van ambitie in de RES ........................................... 4 1.4. De provincie heeft verschillende rollen bij de energietransitie ........................................... 5 1.5 We gaan onze afgesproken ambitie voor 2030 in het huidige tempo en inzet niet halen.................................................................................................................................................................... 7 Hoofdstuk 2 voorkeurslocaties en zoekgebieden ................................................................ 8 2.1 Aanwijzen van zoekgebieden heeft prioriteit .............................................................................. 8 2.2 Afwegingskader voor windinitiatieven............................................................................................
9 Hoofstuk 3 Uitvoering van de ambitie ................................................................................... 12 3.1 Om de realisatie van grote clusters in voorkeurslocaties te versnellen zijn er verschillende scenario’s ............................................................................................................................. 12 3.2 Kaders voor participatie..................................................................................................................... 14 Hoofdstuk 4 mijlpalen en planning ......................................................................................... 16 4.1 Mijlpalen in het traject om de afgesproken ambitie te halen ............................................. 16 4.2 Planning in relatie met afspraken in de RES ............................................................................. 16
Provinciaal Programma Energiestrategie
2
Hoofdstuk 1 Context, doel van het programma en rollen provincie 1.1 Inleiding Het Provinciaal Programma Energiestrategie (PPE) is een instrument van Gedeputeerde Staten om de provinciale ambities uit de Regionale Energiestrategie (RES) te realiseren. Vanuit de constatering dat we de afgesproken ambitie van beide RES-regio’s voor 2030 in het huidige tempo en inzet niet halen zet het programma vooral in op windenergie. Het programma is een uitwerking van de kaders die door Provinciale Staten zijn/worden vastgesteld in de Omgevingsvisie en -verordening. Het beschrijft het provinciaal belang als bevoegd gezag voor windprojecten 5-100 MW (volgens artikel 9f Elektriciteitswet 1998. Mogelijk wordt de ondergrens verhoogd naar 15 MW bij inwerkingtreding van de Energiewet), de provinciale ambitie als partner van de RES, de verschillende rollen en instrumenten en hoe wij die inzetten. Zo is het provinciale windbeleid herijkt in lijn met afspraken in RES 1.0. We hebben een coördinerende en afstemmende rol bij grensoverschrijdende regionale samenwerking. In paragraaf 2.2 staat een afwegingskader wanneer wij van onze bevoegdheden gebruik moeten maken. Tot slot geven we aan wanneer er mijlpalen zijn en hoe we die bereiken.
In dit programma hebben we het over verschillende energiegrootheden. Voor elektriciteit is een belangrijk verschil tussen Watt (W) en wattuur (Wh). Watt is het vermogen: dit is hoeveel energie een apparaat nodig heeft om te werken per tijdseenheid. Wattuur staat voor het verbruik of opwek: dit is hoeveel energie er is verbruikt of opgewekt gedurende een periode. Hoeveel een apparaat verbruikt, hangt af van hoe lang het aan staat. Een elektrische kachel met een vermogen van 1 kW die een uur aan staat, heeft 1 kWh verbruikt. Een windmolen van 5 MW produceert bij goede wind elk uur 5 MWh.Omdat het om grote hoeveelheden gaat maken we bij Watt en wattuur gebruik van de termen kilo, mega en tera. 1.000.000 kilowatt (KW) = 1.000 MW. En 1.000.000 MW = 1 terawatt (TW)
1.2 Context De kaders voor dit programma zijn vastgesteld in de RES en hebben wij vertaald naar voorstellen voor de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. 1.2.1 De RES 1.0 is door de gemeenteraden (m.u.v. de gemeente Rijssen-Holten), Provinciale Staten (30 juni 2021) en algemeen besturen van de waterschappen vastgesteld. Hiermee geven de partners in de RES aan wat zij gaan bijdragen aan de energietransitie. In de RES is afgesproken hoe de partners in regionaal verband met inwoners en maatschappelijke organisaties samenwerken aan de realisatie van de volgende afspraken: - Het bod van beide RES regio’s voor duurzame opwek van elektriciteit in 2030 van 3,3TWh met een (streven) verhouding van 60% opwek door windenergie en 40% door zon; - Zoekgebieden en/of uitsluitingsgebieden zijn bij de RES 2.0 (vaststelling 1 juli 2023) vastgelegd, zodat goed inzicht in de verdeling naar HS/MS stations ontstaat; - Op lokaal en subregionaal niveau werken de partners de ruimtelijke potentie in de regio verder uit op basis van de ontwerpprincipes uit de concept-RES.
Bij de RES 2.0 wordt de balans opgemaakt; - De maatschappelijke kosten van het netwerk beperken de partners door de ‘knoppen’ te hanteren voor meer wind, grotere clusters en redelijke afstanden tot aansluitpunten; - Voor de realisatie van windmolens en grootschalige zonneparken streven de partners naar een gebiedsgerichte en grensontkennende aanpak; - Doel is om minimaal 50% lokaal eigendom in de opwek door wind en grootschalig zon-op-veld te realiseren.
Provinciaal Programma Energiestrategie
3
1.2.2 Omgevingsvisie In het coalitieakkoord is afgesproken dat de bestaande uitsluitingsgebieden voor windenergie worden herijkt. Bij de uitwerking van het klimaatakkoord is afgesproken dat de uitkomsten van de RES 1.0 worden opgenomen in het omgevingsbeleid. Ook is het - voor de voorbereiding van RES 2.0 en de tijdige realisatie van energieprojecten - nodig dat wij verduidelijken waar wij mogelijkheden zien. Dat kan als katalysator dienen voor de regionale RES 2.0 gesprekken. Dit biedt ook de door PS gewenste mogelijkheid tot kaderstelling, bijvoorbeeld voor het eventueel nemen van meer provinciale regie in de planvorming. De planning is dat PS de Nieuwe Omgevingsvisie in het voorjaar van 2024 vaststellen. Tot die tijd geeft PS al wel kaders mee voor het omgevingsbeleid. Dat is het Fundament van de Omgevingsvisie, dat PS in het najaar 2022 vaststellen. In het Fundament nemen PS de afspraken uit de RES 1.0 op, zoals de kansen voor grootschalige clusters voor windenergie en de windladder. Daarmee krijgt het de status van voorgenomen beleid.
1.3 Doel van het programma is realisering van ambitie in de RES Het programma geeft aan welke kaders we hanteren voor initiatiefnemers, voor gemeenten en hoe wij zelf als partner in de RES onze verantwoordelijkheid voor de uitvoering nemen. Vanuit de constatering dat we de afgesproken ambitie voor 2030 in het huidige tempo en inzet niet halen zet het programma vooral in op windenergie. Daarbij ligt de focus op twee elementen: - onze rol bij het aanwijzen van zoekgebieden. Zowel op de korte termijn (stappen naar RES 2.0) als de lange termijn (doorlopende ruimtelijke verantwoordelijkheid voor windenergie en bevoegd gezag voor initiatieven tussen de 5 en 100MW); - onze rol in (het versnellen van) de uitvoering om de RES-ambitie voor 2030 te halen. Het programma is samen met de kaders in de omgevingsvisie en -verordening de basis voor vergunningverlening door provincie en gemeente en geeft aan hoe wij omgaan met verzoeken van initiatiefnemers tot ruimtelijke medewerking. Het afwegingsvierkant van de RES vormt hierbij het kader. We benoemen de vier hoeken van het afwegingsvierkant en onze inzet hieronder. 1.3.1 CO₂ doelstelling 2030 De Overijsselse RESregio's hebben hun bijdrage bepaald en deze telt op tot 3,3 TWh. Uit de recente RESmonitor blijkt dat van de ambitie voor wind 0,2 TWh gerealiseerd is. Op basis van de huidige pijplijn is de prognose dat 0,3 TWh gerealiseerd wordt.
Voor de gewenste zon/windverhouding met 60% wind is 2,0TWh wind nodig in de RES 2.0. Om op 1 januari 2025 omgevingsvergunningen te kunnen verlenen moet in korte tijd nog veel gebeuren om de 2,0 TWh te kunnen realiseren. Door de mogelijke stijgende elektriciteitsvraag kan de landelijke doelstelling van 35 TWh herijkt worden met mogelijke consequenties voor de RES ambities en/of de provinciale doelstelling. Waarschijnlijk komt hier eind 2022 meer duidelijkheid over. Zolang we de doelstelling in kader van de RES niet bereikt hebben passen wij het afwegingskader wind (paragraaf 2.2) toe. 1.3.2 Leefomgeving, ruimtelijke kwaliteit en gebiedsfonds We willen dat de inpassing in het landschap zorgvuldig gebeurt en dat de impact op natuur, gezondheid en het landschap zo klein mogelijk blijft. De locatiekeuze voor grootschalige opwek en opslag van energie, als onderdeel van het omgevingsbeleid (in het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie) baseren we op een aantal leidende principes. Relevant in kader van energie en wind zijn daarbij: zuinig zijn met ruimte (meervoudig ruimtegebruik) en voortbouwen op sterke netwerken (koppelen vraag en aanbod).
De volgende ruimtelijke principes staan in de vastgestelde RES1.0 en zijn uitgangpunt bij het aanwijzen van zoekgebieden: - Koppeling van energievraag en aanbod - Ruimtelijke meekoppelkansen - Energieopwekking langs hoofdinfrastructuur - Ontzien van waardevolle gebieden - Clustering in de daarvoor geschikte landschappen
Provinciaal Programma Energiestrategie
4
We werken deze principes uit door: - Voor windenergie de kwaliteitsimpuls groene omgeving (KGO) uit te werken. Dit geeft inspiratie en duidelijkheid voor initiatiefnemer en omgeving. Doordat vooraf duidelijk is wat er nodig is voor compensatie is ook helder wat we vragen aan investering in het gebied. Hiermee kunnen we een betere koppeling leggen tussen diverse opgaven in het gebied (energieopwekking, landschapsversterking en extensivering van landbouw); - Tegelijkertijd wegen we bij medewerking aan initiatieven de volgende punten mee: • •
•
Beperken van nachtelijke obstakelverlichting op windturbines; De balans in de provincie. Ondanks het belang van clustering is het ongewenst dat een te grote druk op één enkele kern ontstaat als deze bijvoorbeeld helemaal ingesloten raakt tussen windturbineparken; Ruimtelijke en sociale kwaliteit.
1.3.3 Maatschappelijke betrokkenheid De gemeenten zijn het eerste aanspreekpunt voor lokale initiatieven en projecten. Tegelijk onderkennen we dat energietransitie vraagt om samenwerking op subregionaal niveau. Waar kansen zijn voor koppeling met andere transities, meervoudig ruimtegebruik en energielandschappen ligt een gebiedsgerichte ontwikkeling voor de hand. Vanuit het perspectief van participatie door inwoners is een dergelijke gebiedsgerichte en grensontkennende werkwijze van groot belang. In de realisatie is de schaal van de RESregio niet altijd passend bij de aard van de opgave. Zo is het toewerken naar 60% wind en 40% zon effectiever op een subregionale schaal. Per ontwikkeling/initiatief maken we afspraken over de rolverdeling tussen gemeente en provincie. 1.3.4 Energiesysteem Bij elk initiatief kijken we naar de maatschappelijke kosten en dus een efficiënte aansluiting op het net en realiseren van de opwek bij het gebruik. Bij de plannen en projecten sturen we op een verhouding van 60% wind en 40% zon op subregionaal niveau.
Daar zijn meerdere redenen voor: - De maatschappelijke investeringen in het netwerk (kabels en stations) en de SDE++ laten zien dat er jaarlijks vele tientallen miljoenen extra nodig zijn om de grote hoeveelheid zon in de mix te kunnen realiseren; - De (autonome) ontwikkeling rondom zon-op-dak is groot en claimt hiermee een aanzienlijk aandeel in het onderdeel zon in de mix; - Zonnevelden nemen méér ruimte in dan windturbines om dezelfde hoeveelheid energie op te leveren en zonnevelden hebben hogere maatschappelijke kosten; - Volgens de ruimtelijke ontwerpprincipes, gaat meervoudig ruimtegebruik voor enkelvoudig ruimtegebruik. Zowel bij zonnevelden als bij windturbines zijn er mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik. Bij windenergie is meervoudig ruimtegebruik altijd aan de orde en mede daarom is meer windenergie wenselijk; - De maatschappelijke acceptatie van windmolens is een belangrijk issue. Deze lijkt vanwege de impact op de omgeving lager te liggen dan voor zon-op-land. Het draagvlak voor zon-op-dak is het grootst. In deze afweging is een balans gevonden met 60% wind en 40% zon.
1.4. De provincie heeft verschillende rollen bij de energietransitie Bij de realisering van de energietransitie heeft de provincie verschillende rollen. De rol die we aannemen bepaalt de wijze van samenwerken en welke instrumenten we inzetten. We sluiten hierbij aan bij de sturingsfilosofie uit het Fundament Omgevingsvisie. De belangrijkste rollen zijn de regulerende, de samenwerkende en de faciliterende rol. 1.4.1 Voor windinitiatieven tussen de 5-100 MW is de provinciale coördinatieregeling Provinciale Staten zijn bevoegd om een inpassingsplan vast te stellen voor windparken met een opgesteld vermogen tussen de 5 en 100 MW, maar een initiatiefnemer kan zich ook tot de gemeente wenden met het verzoek om het windpark planologisch mogelijk te maken. Weigert de gemeente daaraan medewerking te geven, dan is de provincie op grond van de Electriciteitswet verplicht een inpassingsplan vast te stellen als het windpark past binnen het provinciaal omgevingsbeleid. Past het initiatief niet binnen de provinciale kaders, dan hoeft de provincie daarvoor geen inpassingsplan te
Provinciaal Programma Energiestrategie
5
maken. Het is vervolgens aan de initiatiefnemer om zelf een andere locatie te zoeken die wel voldoet aan de provinciale kaders. Op Gedeputeerde Staten rust een verplichting (artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten) om de voorbereiding en bekendmaking van de uitvoeringsbesluiten die voor de realisering van het windpark nodig zijn, te coördineren. Dat zijn omgevingsvergunningen voor bouwen (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo) en milieu (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wabo) en vergunningen (artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb) en ontheffingen (artikel 3.3 en 3.8 van de Wnb) op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Elektriciteitswet voorziet voor windparken van provinciaal belang niet in gelijktijdige coördinatie van het inpassingsplan én de uitvoeringsbesluiten. De tijdswinst die met gelijktijdige kennisgeving, terinzagelegging en bekendmaking van het (ontwerp-)inpassingsplan en de (ontwerp-)uitvoeringsbesluiten kan worden geboekt, zou daarmee verloren kunnen gaan. Om dit te voorkomen kan voor provinciale windparken alsnog een coördinatiebesluit (als bedoeld in artikel 3:33, eerste lid, aanhef en onder b van de Wro) worden genomen.
Gedeputeerde Staten kunnen besluiten af te zien van de coördinatieplicht en van het overnemen van de bevoegdheid tot vergunningverlening (artikel 9f, zesde lid van de Elektriciteitswet). Hiervan kan sprake zijn als een windpark op een grondgebied van één gemeente ligt en de gemeente welwillend tegenover het uitvoeren van de procedure staat. 1.4.2 We zijn bevoegd gezag voor de Wet Natuurbescherming De provincie is bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming en een gebiedsvergunning. Windparken kunnen gevolgen hebben voor beschermde diersoorten. Ze kunnen sterfte van vogels en vleermuizen door aanvaring veroorzaken of verstoring door habitatverlies en barrièrewerking. Voordat een initiatiefnemer een windparken aanlegt en exploiteert moet onderzocht worden in welke mate er negatieve effecten op de (gunstige) staat van instandhouding van bepaalde kwetsbare vogel- en vleermuissoorten kunnen optreden. En hoe voorkomen kan worden dat deze effecten optreden en dieren gedood worden. Dit kan door heldere, effectieve en goed gemonitorde mitigerende maatregelen te treffen waarmee aantoonbaar geen negatief effect optreedt op de staat van instandhouding van de beschermde soorten en aantal slachtoffers wordt geminimaliseerd.
Als de locatie van een windturbine of een windpark binnen of nabij een Natura 2000-gebied ligt, moet tevens worden beoordeeld of een gebiedsbescherming vergunning nodig is. Hiervoor is het uitvoeren van een natuurtoets verplicht. 1.4.3 Wij stellen kaders vanuit onze ruimtelijke verantwoordelijkheid De energietransitie heeft invloed op de ruimtelijke kwaliteit, hiervoor dragen we een regionale verantwoordelijkheid. Dit is een provinciaal belang. Wij zorgen voor ruimtelijke samenhang op provinciale en regionale schaal. Tegelijkertijd zorgen we voor het behoud aan diversiteit van landschappen. Door het stellen van kaders geven wij duidelijkheid aan gemeenten en initiatiefnemers. Binnen de provinciale kaders zijn de gemeenten bevoegd om lokaal ruimtelijk beleid op te stellen. 1.4.4 Wij ondersteunen gemeenten in de uitvoering Wij ondersteunen gemeenten, lokale energiecoöperaties en andere partners bij de uitvoering van de energietransitie met kennis, geld en organisatiekracht. Financiering voor bijvoorbeeld lokale initiatieven is beschikbaar via provinciale subsidies en via het Energiefonds Overijssel (EFO). We helpen partners bij het organiseren van de uitvoering, voor bovenlokale meervoudige opgaven zoals de ontwikkeling van decentrale energiesystemen.
1.4.5 Het Energiesysteem vraagt regie; wij nemen daarin de coördinerende rol (programma REIS) Om de ontwikkeling van de energie infrastructuur goed af te stemmen op de behoefte vanuit diverse maatschappelijke opgaven (RES, Cluster Energie Strategie, Nationaal Programma Infrastructuur, woonopgave, etc.) hebben de provincies besloten, mede op verzoek van de netbeheerders, een regie rol op zich te nemen. In samenwerking met netbeheerders en gemeenten stemmen we af hoe op de korte, middellange en lange termijn het Overijsselse energiesysteem ontwikkeld moet worden om aan onze huidige en toekomstige behoeften aan energie te voldoen. Hoe wij onze rol hierin nemen en welke afwegingen hierin gemaakt worden werken we nader uit.
Provinciaal Programma Energiestrategie
6
1.4.6 Wij zijn partner in de RES en medeverantwoordelijk voor het halen van de ambitie De gemeenteraden en Provinciale Staten hebben de RES vastgesteld. Daarmee is de RES ook een provinciale ambitie en zijn we medeverantwoordelijk. Vanuit dit vertrekpunt kijken we niet alleen naar die aspecten waarvoor de provincie aan de lat staan (zie 1.3.1-1.3.5), maar kijken we in de volle breedte wat wij kunnen doen om bij te dragen aan het halen van de gezamenlijke ambities.
1.5 We gaan onze afgesproken ambitie voor 2030 in het huidige tempo en inzet niet halen Bij een ambitie met 60% wind (2 TWh) moet er nog circa 550 MW aan windenergie ontwikkeld en gerealiseerd worden. Veel factoren beïnvloeden hoeveel zonne- en windenergie uiteindelijk gerealiseerd kan worden. Zoals beperkingen in de ruimte, de mate waarin een locatie en de keuze voor zonne-en windenergie maatschappelijk geaccepteerd wordt en de beschikbaarheid van netcapaciteit. In de praktijk zullen niet alle projecten slagen. Daarom is het belangrijk dat de RES een zekere overprogrammering heeft. Het is van belang meer en/of grotere zoekgebieden aan te wijzen dan voor het behalen van de afgesproken 3,3 TWh ruimtelijk gezien strikt nodig is. Dit is ook zo afgesproken in het Klimaatakkoord. Op die manier valt er nog wat te kiezen en kunnen onvermijdelijke tegenvallers opgevangen worden. Meest urgent is op dit moment het aanwijzen van zoekgebieden voor wind omdat er onvoldoende zoekgebieden zijn aangewezen. Constaterende dat 1) de omgevingsvergunningen voor projecten voor 1 januari 2025 moeten zijn afgegeven, en 2) de gemiddelde duur van realisatie van een project voor windenergie 8 jaar duurt, is het van belang zicht te houden op de voortgang van de realisatie. Gelet op de urgentie en de uitkomst van de monitor is dit aanleiding om meer te sturen op de realisatie van de ambitie.
We vinden het belangrijk om de rol van de gemeenten daarbij zoveel mogelijk intact te houden. Het bestaande proces met het ontwikkelen van initiatieven van onderop blijven we stimuleren door bestuurlijk overleg, het leveren van procesondersteuners en waar nodig het nemen van de regie. In de volgende twee hoofdstukken (2 & 3) beschrijven we hoe we dat doen.
Provinciaal Programma Energiestrategie
7
Hoofdstuk 2 voorkeurslocaties en zoekgebieden Gelet op de ruimtelijke inpassingsprincipes ligt het voor de hand dat windinitiatieven in meerdere grote clusters ontwikkeld worden. Dit betekent in gemeentegrensoverschrijdende zoekgebieden en daarvoor is subregionale samenwerking nodig. Gegeven deze situatie én de rol die we hebben is het van belang om de regie te nemen in het aanwijzen van de zoekgebieden.
2.1 Aanwijzen van zoekgebieden heeft prioriteit In RES-verband is afgesproken dat in de RES2.0 de zoekgebieden vastliggen. Dat betekent dat deze op 1 januari 2023 voor 95% bekend moeten zijn. Daarnaast moet de informatie over de zoekgebieden uiterlijk oktober 2022 aangeleverd worden aan de netbeheerders voor de analyses voor de investeringsplannen van de netbeheerders. Om hieraan te voldoen zetten we de volgende stappen in de periode tot vaststelling van RES 2.0 Maart Mei/juni
22 22
September Oktober Oktober December Maart Juli
22 22 22 22 23 23
brief naar gemeente met daarin de urgentie om zoekgebieden aan te wijzen; ambtelijke en bestuurlijke gesprekken met gemeenten en maatschappelijke organisaties; balans opmaken: waar staan we na de gesprekken, coalitieakkoorden; aanleveren bekende zoekgebieden bij netbeheerders; vervolgoverleg met gemeenten die nog zoekgebieden moeten aanwijzen; finale balans zoekgebieden opmaken; uiterlijke datum opname zoekgebieden in RES 2.0; vaststelling RES.
De uitspraak van de Raad van State (30 juni 2021 windpark Delfzijl Zuid) en de zorgen rondom gezondheid in relatie tot afstandsnormen werken momenteel vertragend in het aanwijzen van zoekgebieden. We zien geen belemmeringen om toch zoekgebieden aan te wijzen. Vaak wordt bij het aanwijzen van zoekgebieden gebruik gemaakt van bepaalde vuistregels voor afstanden tot kwetsbare objecten. Dat kan nog steeds. De toepassing van precieze normen is pas aan de orde bij de vergunningverleningen en het bepalen van de precieze locatie. De verwachting is dat er in de fase richting de RES 2.0 geen vergunningaanvragen zullen komen voor windparken in Overijssel. In dezelfde periode kunnen echter wel zoekgebieden aangewezen worden met inachtneming van het gegeven dat het aantal turbines dat uiteindelijk geplaatst kan worden mede afhankelijk kan zijn van de nieuwe vast te stellen milieu/afstandsnormen.
Om het gesprek in de RES 2.0 en het vaststellen van zoekgebieden te kunnen faciliteren hebben we in ons ruimtelijk beleid ook een aantal stappen gezet. In onze omgevingsverordening is aangeven waar we plek zien voor windenergie en waar niet. De basis hiervoor is de windladder. Deze is eind 2021 door GS vastgesteld en die gebaseerd is op het bestaande omgevingsbeleid en de afspraken die de partners in de RES1.0 hebben afgesproken; deze is door PS vastgesteld. Daarnaast wijzen we een aantal voorkeursgebieden aan voor windenergie in het Fundament voor de Nieuwe Omgevingsvisie. Dit zijn plekken waar wij ruimte zien voor grotere (30+) en kleinere (10+) windclusters, gebaseerd op de verschillende nationale en provinciale ruimtelijke inpassingsprincipes. De voorkeursgebieden voor wind nemen wij op via het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie en passen daarop in fase 2 een omgevingseffectrapportage toe. Deze voorkeursgebieden zijn de basis voor het aanwijzen van de zoeklocaties. De kaart met voorkeursgebieden maakt deel uit van het fundament van de nieuwe Omgevingsvisie en heeft daarbij een apart besluitvormingstraject. Het fundament wordt op 30 juni 2022 gepubliceerd. In dit programma beschrijven we de uitvoering van dit kader.
Provinciaal Programma Energiestrategie
8
Wij zien de volgende voorkeursgebieden: Grote clusters (30+ turbines) Ommen/Hardenberg Zwolle/Dalfsen/Staphorst/Zwartewaterland A35/ATT
Kleinere clusters (10+ turbines) Raalte/Olst-Wijhe A1 Kampen Zuid-West
2.1.1 We starten een Omgevingseffectrapportage waarmee we de milieueffecten van de zoekgebieden en mogelijk nieuwe gebieden in beeld brengen. Dit helpt bij het concreet invullen van de zoekgebieden waar de windturbines kunnen komen. Daarnaast helpt het ook bij de onderbouwing van afwegingen om initiatieven die zich buiten de zoekgebieden aandienen eventueel toch te faciliteren. Op basis van voorgaand proces is begin 2023 duidelijk wat de zoekgebieden van gemeenten zijn en kunnen de gemeenten (mede) op basis van onze voorkeurslocaties zoals opgenomen in het Fundament voor de Nieuwe Omgevingsvisie de laatste locaties aanwijzen. Deze worden dan volgens afspraak opgenomen in de RES 2.0. Met het aanwijzen van zoekgebieden houden gemeenten zoveel mogelijk de regie. De situatie kan ontstaan dat sommige gemeenten – ondanks ruimtelijke geschiktheid en noodzaak in relatie tot de ambitie – geen zoekgebieden aanwijzen. Volgens de wet kunnen initiatiefnemers zich in die gevallen melden bij de provincie als bevoegd gezag voor windinitiatieven tussen de 5 en 100 MW. Daarbij hanteren we de vastgestelde ruimtelijke kaders en de voorkeursgebieden om kansrijke initiatieven af te wegen en de gemeente zo nodig een aanwijzing te geven tot ruimtelijke inpassing, dan wel zelf middels een provinciaal inpassingsplan ruimte te maken.
2.2 Afwegingskader voor windinitiatieven Als één overheid zijn we samen verantwoordelijk voor het behalen van de klimaatdoelen. Iedere overheid heeft hierin een eigen rol en bevoegdheid. Gemeenten zijn de eerste bestuurslaag voor inwoners. Daarom heeft het bij niet gemeentegrensoverschrijdende projecten de voorkeur dat de gemeente het bevoegd gezag op zich neemt voor windparken en alle procedures coördineert. Zo kan de gemeente ook de regie houden over ontwikkelingen op lokaal niveau, lokale wensen in de participatie meenemen en zelf sturen op de invulling van omgevingsfondsen. Wanneer we onze bevoegdheid overdragen aan gemeenten betekent dat niet dat we aan de zijlijn staan. We blijven bevoegd gezag vanuit de Wet natuurbescherming én we beoordelen of het initiatief past in ons ruimtelijk beleid. We geven kaders voor participatie mee. We onderzoeken samen met de gemeente en netbeheerder of het initiatief is aan te sluiten op het elektriciteitsnet. Wij ondersteunen desgevraagd de uitvoering van het project. In sommige situaties kan het kan toch gewenst of noodzakelijk zijn dat wij optreden als bevoegd gezag en de procedure trekken. Het afwegingskader geeft aan hoe wij initiatieven beoordelen en helpt ons om te bepalen wie optreedt als bevoegd gezag. Dit afwegingskader is uitgangspunt voor alle windinitiatieven – binnen en buiten de zoekgebieden en de provinciale rol daarin.
We controleren of de treden zijn doorlopen en of het initiatief bijdraagt aan het realiseren van de ambities binnen het ruimtelijk vastgestelde kader. Voor elk initiatief geldt dat het moet voldoen aan een aantal uitgangspunten. Zo moeten er planologisch en qua netwerk geen harde belemmeringen zijn. Ook bekijken we of een initiatiefnemer zich wil inzetten voor participatie volgens onze kaders. De eerste stap in het kader is te vinden in de volgende figuur:
Provinciaal Programma Energiestrategie
9
Indien blijkt dat een initiatief voldoet aan deze basale voorwaarden zijn er twee mogelijke routes afhankelijk van of een initiatief binnen of buiten een zoekgebied ligt. De eerste route is voor een initiatief binnen een in de RES vastgesteld zoekgebied. Voor dergelijke locaties is het uitgangspunt dat een initiatief positief wordt ontvangen. Met het aanwijzen van een zoekgebied is immers geconcludeerd dat wind in de basis wenselijk is. Dit schema wordt daarbij doorlopen waarbij de primaire vraag is: wie treedt op als bevoegd gezag? Dit schema laat onverlet dat ook binnen zoekgebieden uit onderzoek bij uitwerking van het initiatief belemmeringen kunnen blijken waardoor het initiatief niet haalbaar is. Uitgangspunt is echter een positieve grondhouding. De situatie is anders bij initiatieven buiten de zoekgebieden. We kijken eerst of het plan onderdeel kan worden van de RES. Mocht dat het geval zijn dan geldt het vorige schema. Mocht dat niet het geval zijn, maar achten wij dit plan wel nodig om te voldoen aan de RESdoelstelling en voldoet het aan de criteria uit de RES dan gaan we in overleg met de gemeente over wie er optreedt als bevoegd gezag en het plan in behandeling neemt.
In die gevallen dat we geen medewerking aan een plan verlenen is het goed te benoemen dat dit in de toekomst kan wijzingen, door nieuwe ambities of ontwikkelingen in de markt die een initiatief toch mogelijk maken binnen de kaders.
Provinciaal Programma Energiestrategie
10
Het hanteren van dit afwegingskader dient zorgvuldig te gebeuren om recht te doen aan de RESprocessen en het vaststellen van de zoekgebieden daarin. We hanteren daarom de volgende uitgangspunten; - We passen het afwegingskader toe totdat er voldoende projecten zijn om de ambitie van de RES te realiseren. Richtlijn bij de beoordeling wat voldoende is, is de RES-monitor in combinatie met een expert-judgement over de haalbaarheid, vooruitzichten van individuele projecten en de mate waarin deze optellen tot het totaal van de RES-ambitie. Uitgangspunt is dat de pijplijn van de RES monitor boven de 100% moet zitten. - De overdracht van bevoegdheden aan de gemeente – zoals ook opgenomen in het afwegingskader is mogelijk tot maximaal 10 turbines (of 50MW). Mochten wij redenen zien om de bevoegdheid niet over te dragen bij initiatieven tot 50MW dan geven wij dat gemotiveerd aan. - Ongeacht de bevoegdheidsverdeling tussen gemeente en provincie ondersteunen wij gemeenten (desgevraagd) in de realisatie van projecten. Als wij de procedure trekken dan werken we zo nauw mogelijk samen met de gemeente. We zijn 1 overheid.
Daarbij vinden wij het van belang dat zowel inwoners als initiatiefnemers goed weten waar ze aan toe zijn, de juiste en correcte informatie krijgen en dat we laten zien dat we als 1 overheid werken aan één van de grootste maatschappelijke opgave van onze tijd: het behalen van de klimaatdoelen. Hierbij laten we zien dat we een betrouwbare overheid zijn die staat voor deze doelen.
Provinciaal Programma Energiestrategie
11
Hoofstuk 3 Uitvoering van de ambitie Hoewel de prioriteit ligt bij het aanwijzen van zoekgebieden is dat slechts de eerste stap. Door de spanning tussen de lange ontwikkeltermijn van windclusters en de doelstellingen voor 2030 zijn wij genoodzaakt ook de realisatie te versnellen. Dit kunnen wij op verschillende manieren doen. We continueren en waar nodig intensiveren de ondersteuning in de uitvoering. Dit doen we via het programma NEO. Dat kan van licht (advies, handreikingen en visualisaties van projecten) tot aan zwaar (projectleiders om het proces te trekken). Ook werken we in de werkplaatsen samen met gemeenten aan de uitvoering en kunnen LEI’s terecht bij het EFO voor ontwikkelfinanciering voor windprojecten. Aanvullend hierop kunnen we grensoverschrijdende/grootschalige projecten coördineren en kunnen we overwegen om instrumenten uit het grondbeleid (Nota Grondbeleid) in te zetten om gronden te verwerven die nodig zijn voor de aanleg van windparken.
3.1 Om de realisatie van grote clusters in voorkeurslocaties te versnellen zijn er verschillende scenario’s Gegeven de ruimtelijke wens vanuit de RES om te clusteren en de doorvertaling hiervan in ons omgevingsbeleid zijn verschillende voorkeursgebieden voor de opwek van elektriciteit door wind in het Fundament voor de Nieuwe Omgevingsvisie opgenomen. Wij hebben een verantwoordelijkheid om dit ruimtelijk verantwoord in te passen en te zorgen dat deze gebieden ook optimaal benut worden. Hierdoor kunnen we versnippering van het landschap voorkomen en kan het doelbereik voor 2030 behaald worden. Om te zorgen dat gebieden ruimtelijk gezien optimaal worden benut hebben we in het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie ook opgenomen dat we binnen de voorkeursgebieden voor grootschalige clustering streven we naar een optimale invulling van het gebied. Dit houdt in dat projecten die kleiner zijn dan de ruimtelijke potentie zo vormgegeven worden dat toekomstige projecten niet belemmerd worden. Voor het halen van de RES ambitie in 2030 zorgen we niet alleen voor ruimte voor grote clusters, maar ook dat deze gebieden op de korte termijn in ontwikkeling komen. Omdat elk gebied uniek is ontwikkelen we een instrumentenkoffer die daarvoor geschikt is. Scenario
Omschrijving
Provinciale rollen
1. faciliterende overheid
2. stimulerende overheid uitnodigingskader of maatschappelijke tender
De provincie en de gemeenten sluiten een convenant. Hierin staan afspraken over wie verantwoordelijk is voor de te voeren procedures, participatie, communicatie, randvoorwaarden voor sociale participatie, verrekening van de kosten in een anterieure overeenkomst. In dit scenario is de basis de uitnodigingsplanologie waarbij we maximaal sturen via randvoorwaarden. De provincie organiseert een aanvraagprocedure (tender) voor de vergunning van een windpark. Dit kan door voor bepaalde locaties aanbestedingen uit te schrijven, waarbij partijen in concurrentie met elkaar projectplannen indienen. Hierdoor houden we aan de voorkant relatief veel regie en laten dit gedurende het proces richting uitvoering meer en meer los. De variant waarbij je als overheid bepaalt dat er sprake is van één zoekgebied en daarmee ook één project valt ook in deze categorie. In deze variant stel je een uitnodigingskader op, en stel je als voorwaarde dat er per zoekgebied slechts één project ingediend kan worden. Daarmee voorkom je meerdere initiatieven in een bepaald zoekgebied en dwing je partijen om tot samenwerking en gezamenlijk tot het beste projectvoorstel te komen. Deze methode leent zich goed voor zoekgebieden wind, omdat daarmee het vooraf innemen van grondposities door partijen minder aantrekkelijk wordt.
Provinciaal Programma Energiestrategie
Faciliterende en samenwerkende rol
Regulerende en faciliterende rol
12
Scenario
Omschrijving
3. ontwikkelende overheid
In dit scenario treedt de overheid zelf op als (mede) ontwikkelaar van energieprojecten. Dit kan door een actief grondbeleid te voeren op locaties en zelf te investeren in projecten of door een publiek-private samenwerking aan te gaan, bijvoorbeeld door een energiebedrijf op te richten, al dan niet in samenwerking met lokale energie-initiatieven. De eigen gronden kunnen al in eigen bezit zijn of verworven worden. Ook kun je ervoor kiezen om voor een deel de regie te hebben door de grond te kopen, te ontwikkelen en weer te verkopen of in erfpacht uit te geven. In dat geval ben je als provincie of gemeente niet de exploitant van de windmolens of het zonnepark, maar heb je wel de mogelijkheid om in de overeenkomst vast te leggen dat de exploitant een bepaald percentage lokaal eigendom moet toestaan. Ook kun je dan in de verkoopovereenkomst of het erfpachtcontract nog andere voorwaarden opnemen, bijvoorbeeld over de inrichting van de openbare ruimte. Het voordeel van dit scenario is dat we maximaal regie hebben over alle randvoorwaarden van het project en ook het maximale rendement kunnen behalen, dat ten goede komt van de gebiedsontwikkeling. Nadeel zijn de eventuele financiële risico’s en het verlies van de onafhankelijke positie.
Provinciale rollen
Actief grondbeleid of energiebedrijf
Regulerende en samenwerkende rol
Gegeven het feit dat het hier gaat om grote (grensoverschrijdende) clusters zien wij hier een belangrijke rol voor onszelf weggelegd. Per gebied kan de aanpak wel verschillen. Zo werken gemeenten in het ZSDZ-gebied nauw samen en zijn er al meer ontwikkelingen dan in een aantal van de andere voorkeursgebieden. De hiervoor beschreven gereedschapskist voorziet in divers instrumentarium. Om te zorgen voor de ontwikkeling van een aantal grote clusters zetten we de volgende stappen. Hierin sluiten we aan op de stappen voor het aanwijzen van de zoekgebieden. Maart 2023 April – Mei 2023 Juli 2023
Uiterlijke opname zoekgebieden in RES 2.0 In afstemming met gemeente opstellen aanpak voor aantal grote clusters Vaststelling RES (PS), vaststelling projectplannen (GS)
Om te bepalen voor welke en hoeveel grote clusters we de regie nemen op de ontwikkeling kijken we naar: - De zoekgebieden die gemeenten hebben opgenomen voor grote clusters - De bestaande initiatieven in deze gebieden - Het aantal initiateven dat buiten deze gebieden in ontwikkeling is We verwachten dat we onze inzet gaan intensiveren op minimaal drie clusters om zo een voldoende gevulde pijplijn te krijgen. Naast de realisering van deze grote clusters is er voldoende ruimte voor initiatieven van onderop, die door het RES-proces ontstaan. Wij verwachten dat beide processen naast elkaar kunnen ontstaan.
Provinciaal Programma Energiestrategie
13
3.2 Kaders voor participatie Er zijn twee vormen van participatie die van belang zijn bij de ontwikkeling van wind- en zonprojecten. Dit zijn proces- en projectparticipatie. Procesparticipatie is het betrekken van inwoners bij het proces om te komen tot beleidskeuzes. Projectparticipatie is het betrekken van inwoners bij concrete projecten. De procesparticipatie heeft voor een belangrijk deel al plaatsgevonden in het proces naar RES 1.0. Dit blijft een doorlopend proces, ook richting RES 2.0 en verder. Zo is het vaststellen van lokaal beleid en het vaststellen van zoekgebieden onderdeel van procesparticipatie. Deze vorm van participatie is primair aan de gemeenten, omdat zij het bod hebben gedaan en zoekgebieden (tijdig) moeten vaststellen. Wij maken op bovenregionaal niveau een integrale afweging op basis van ons omgevingsbeleid om te komen tot voorkeursgebieden. In tegenstelling tot gemeenten speelt directe procesparticipatie dus minder een rol bij de totstandkoming van de voorkeursgebieden. Wel heeft procesparticipatie plaatsgevonden bij de totstandkoming van ons omgevingsbeleid in de vorm van het Fundament en maken we gebruik van de resultaten van de gemeentelijke participatieprocessen. Tevens vindt participatie hierbij indirect plaats via het democratisch proces. Over projectparticipatie zijn in beide RES-regio’s afspraken gemaakt.
Deze afspraken, zoals vastgelegd in de Startnota en in RES 1.0, vormen het uitgangspunt voor ons beleid. In RES 1.0 is afgesproken dat we dit gebiedsgericht en grens ontkennend organiseren. Dat hebben we zo afgesproken omdat gemeentelijke, regionale, of provinciale grenzen niet zichtbaar zijn, maar windmolens en zonnevelden wel. Inwoners aan beide kanten van een grens kunnen zicht hebben op de hernieuwbare energieprojecten. Als inwoners aan de ene kant van de grens niet mee kunnen praten en/of mee kunnen doen, terwijl ze wel een ingreep ervaren op hun directe leefomgeving, kan dat leiden tot verminderde maatschappelijke acceptatie. Projectparticipatie gaat om het meedenken over de realisatie van het project, alsook het eerlijk verdelen van de lusten en lasten. Dat kan bijvoorbeeld door te streven naar minimaal 50% lokaal eigendom. Investeren in een zon –en/of windproject is ondernemerschap. Dat vergt ook mee-investeren en risico lopen. Het streven voor de eigendomsverhouding van 50% is een algemeen streven voor 2030 en is ook uitgangspunt van beide RESregio’s. Er is lokaal ruimte om hier vanwege lokale project gerelateerde redenen van af te wijken. Wij kunnen ondersteunen en sturen op participatie bij concrete projecten.
Dat doen we door het beschikbaar stellen van visualisaties voor gesprekken met omwonenden, door het leveren van projectleiders bij grensoverschrijdende projecten en door in voorkomende gevallen op te treden als bevoegd gezag en zo te sturen op participatie. Projectparticipatie is ook relevant vanwege onze rol als bevoegd gezag bij windprojecten. Als de Omgevingswet in werking treedt, zijn wij verantwoordelijk voor de invulling van participatie (bij optreden als bevoegd gezag). De wettelijke minimale eisen voor projectparticipatie (conform Artikel 5.3 Omgevingsbesluit) zijn: - Wie worden betrokken? - Waarover worden zij betrokken? - Wanneer worden zij betrokken? - Wat is de rol van het bevoegd gezag en de initiatiefnemer bij het betrekken van deze partijen? - Waar is aanvullende informatie beschikbaar?
Provinciaal Programma Energiestrategie
14
In dit programma geven wij nog geen precies antwoord op deze vragen. Afhankelijk van het project en van onze rol (regulerend, samenwerkend, faciliterend) kunnen we andere eisen aanvullende stellen voor participatie. Als bevoegd gezag kunnen wij deze kaders en verantwoordelijkheid ook overdragen naar bijvoorbeeld gemeenten of initiatiefnemers. Aanvullend op de afspraken in de RES willen we bij projectparticipatie in ieder geval het volgende terugzien bij grootschalige windprojecten ook als wij onze bevoegdheid overdragen aan gemeenten: - Optimale participatie van de omgeving. De initiatiefnemer stelt hiertoe een participatieplan op en heeft een inspanningsverplichting. Daarbij dient in ieder geval antwoord te worden gegeven aan de wettelijke vereisten zoals hierboven; - Als onderdeel van projectparticipatie willen wij (bij voorkeur) dat er een omgevingsadviesraad (OAR) wordt ingesteld waarin alle belanghebbende partijen deelnemen. De resultaten van het participatieproces worden opgenomen in een omgevingsovereenkomst. Waar nodig werken we nadere kaders voor toepassing van de OAR uit; - Voorafgaand aan de beoordeling (vergunningverlening) is inzicht nodig in de punten waarover wel/niet overeenstemming bereikt is met de omgeving en wat de argumenten hiertoe zijn(omgevingsovereenkomst). De mate van participatie en de resultaten hiervan wegen we mee in de vergunningverlening.
Provinciaal Programma Energiestrategie
15
Hoofdstuk 4 mijlpalen en planning Om de ambities voor 2030 te halen hebben wij 3 mijlpalen beschreven. Deze mijlpalen kunnen we halen door bijgaande planning. Door de voortgang jaarlijks te monitoren kunnen we bezien of we de planning halen of zo nodig moeten bijsturen.
4.1 Mijlpalen in het traject om de afgesproken ambitie te halen Eerste mijlpaal: Tweede mijlpaal: Derde mijlpaal:
analyse van de monitoring in relatie met kaart grootschalige opwek met een doorkijk naar slagingskansen van projecten de RES 2.0 dient op 1 juli 2023 te worden vastgesteld. 1 januari 2025 (‘alle omgevingsvergunningen verleend’) maakt het mogelijk om terug te rekenen wanneer welke resultaten behaald moeten zijn. Dit betekent dat omstreeks 1 januari 2023 alle omgevingsvergunningen aangevraagd moeten zijn. Dit alles overdenkende moet al voor de vaststelling van de RES2.0, dus dit jaar duidelijk worden welke projecten kansrijk zijn en is het wenselijk om nu al aan overprogrammering te denken.
4.2 Planning in relatie met afspraken in de RES 01-07-2021 01-07-2022 01-07-2022 01-10-2022 Q4 2022 15-03-2023 Maart 2023 April – Mei 2023 01-07-2023 31-12-2024 01-01-2025 01-07-2025 31-12-2029 01-01-2030 01-01-2050
RES 1.0 RES monitor stand van zaken pijplijn Quickscan Monitoring NPRES Zoekgebieden bekend voor investeringsplan netbeheerders Vaststellen fundament nieuwe Omgevingsvisie met voorkeursgebieden, windladder, programma. Verkiezingen PS Uiterlijke opname zoekgebieden in RES 2.0 In afstemming met gemeente opstellen aanpak voor aantal grote clusters RES 2.0 Vaststellen projectplannen door GS Gemeentelijke omgevingsvisies Uitvoeringsbesluiten realisatie RES/alle omgevingsvergunningen verleend RES 3.0 omgevingsplannen uiterlijk gereed gerealiseerde energieprojecten conform het regionale bod 100% hernieuwbare energie
Provinciaal Programma Energiestrategie
16