Hessenpoort 3 toelichting Bijlage 9 Ecologische beoordeling stikstofdepositie Hesesenpoort 3.pdf
Tekst van het document
Het voedselbiotoop kan identiek zijn aan het nestbiotoop, maar kan ook apart liggen. De watersnip foerageert in ondiepe greppels, sloten, poeltjes, slikranden en in tot 10 cm diep water (Natura 2000-profielendocument; A153). Binnen de Rijntakken maakt de watersnip gebruik van de leefgebieden Dotterbloemgrasland van veen en klei en nat, matig voedselrijk grasland (Lg07 en Lg08). De kwaliteit van het leefgebied is onbekend, maar wordt op basis van het beperkte voorkomen van de watersnip in Rijntakken matig geacht. Berekende toename aan stikstofdepositie Op 9,3% (73,99 ha) van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de broedvogelsoort Watersnip vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een toename aan stikstofdepositie, ondervindt 5,5% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende toename aan stikstofdepositie. Dit is 0,5% van het totale areaal. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar (Figuur 7.5).
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
73/115
Figuur 7.5:
De locatie in het Natura 2000-gebied Rijntakken met de maximale relevante toename aan stikstofdepositie op het leefgebied van Watersnip (A153).
Knelpunten Knelpunten voor het leefgebied van de watersnip worden gevormd door verdroging en stikstofdepositie. Verdroging is het voornaamste knelpunt, omdat verdroging ervoor zorgt dat de watersnip voedsel in de bodem niet meer kan bereiken. Door verdroging worden moeras- en graslandgebieden ongeschikt om te foerageren. Daarnaast is broeden in regulier cultuurland vrijwel onmogelijk door intensivering van agrarisch graslandgebruik met ontwatering, overbemesting, vroeg en frequent maaien, hoge beweidingsdruk en egaliseren van grasland. Negatieve effecten van stikstofdepositie worden lokaal verwacht (Gebiedsanalyse-38, 2017). Stikstofdepositie vormt daarmee een beperkt knelpunt. Watersnip leeft vooral in extensief beheerd nat grasland, waarbij de soortensamenstelling minder van belang is dan de structuur. Voor watersnip kan sterke verruiging als gevolg van stikstofdepositie een lager aanbod of een lagere bereikbaarheid van voedsel tijdens de nestperiode tot gevolg hebben (Natura 2000-herstelstrategie, Lg07). Bij het verschuiven van het leefgebiedtype richting een minder heterogene en ruigere vegetatie kunnen tevens geschikte nestlocaties verdwijnen (Natura 2000-herstelstrategie, Lg07). Waar deze effecten voor Lg07 goed onderzocht zijn, zijn ze voor Lg08 nog onzeker (Natura 2000-herstelstrategie, Lg08).
Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van het leefgebied van de watersnip is matig. Het langjarige seizoensgemiddelde van de watersnip is lager dan de instandhoudingsdoelstelling, de populatietrend is negatief. Echter liggen de knelpunten vooral in het optreden van verdroging en slechts zeer beperkt bij stikstofdepositie. De soort is vooral gebaat bij vernattingsmaatregelen (van Kleunen, sierdsema, and Kampichler 2022). Gezien het feit dat stikstofdepositie slechts een beperkt knelpunt vormt ten Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
74/115
opzichte van het optreden van verdroging en er sprake is van een relevante toename van stikstofdepositie op slechts enkel 0,5% van het volledige areaal aan stikstofgevoelig leefgebied, zal een geringe toename van 0,01 mol N/ha/jaar in dit geval niet leiden tot meetbare effecten voor de kwaliteit van het leefgebied van de watersnip. Het is uitgesloten dat in deze situatie een dergelijke geringe toename in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het leefgebied zal leiden en daarmee de voedselbeschikbaarheid zal beïnvloeden. Het voorgenomen plan staat, in het kader van het bovenstaande, er dan ook niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (behoud oppervlak en behoud kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van een populatie 17 broedparen) gehaald kan worden. Significant negatieve gevolgen door de plangebonden toename aan stikstofdepositie kunnen worden uitgesloten. Conclusie Er zijn in het Natura 2000-gebied Rijntakken geen zodanige omstandigheden dat een relevante toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de kwaliteit of oppervlakteverlies van het leefgebied van de kwartelkoning en watersnip.
De stikstoftoename ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling staat niet in de weg aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de kwartelkoning en watersnip. Significante gevolgen voor deze broedvogels binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten.
7.6
Beoordeling Niet-broedvogels
Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken geen sprake is van een toename aan stikstofdepositie op stikstofgevoelige leefgebieden van niet-broedvogels met een definitieve status. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot toename aan stikstofdepositie (>0,00 mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelig leefgebied van de in het gebied aangewezen soorten. De toename aan stikstofdepositie heeft hierdoor met zekerheid geen invloed op het behoud, uitbreiding of verbetering van oppervlakte en kwaliteit van aangewezen niet-broedvogels in het Natura 2000-gebied Rijntakken. Significante gevolgen voor kwalificerende niet-broedvogels binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten.
7.7
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt een toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige natuur binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken. Voor de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten waarvoor geldt dat de KDW wordt overschreden, is onderzocht of de berekende toename aan stikstofdepositie kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de kwaliteit of oppervlakte verlies van het stikstofgevoelige areaal. Op basis van een gebiedsspecifieke analyse kan worden geconcludeerd dat de
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
75/115
stikstoftoename ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg staat aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken. Significant negatieve gevolgen door de geringe toename aan stikstofdepositie ten gevolge van het voorgenomen plan zijn hierom uitgesloten.
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
76/115
8
Veluwe
8.1
Inleiding
De Veluwe bestaat overwegend uit droge bossen, droge en natte heide, vennen en stuifzanden (Figuur 8.1). In de voorlaatste ijstijd, zo'n 150.000 jaar geleden, duwden de ijslobben van het landijs enorme hoeveelheden door de rivieren aangevoerd zand en grond voor zich uit en opzij en vormden zo de stuwwallen. Hoewel de hoogteverschillen sindsdien door wind en water zijn afgevlakt, reiken de hoogste delen van de Veluwe tot ruim 100 m boven NAP. Tot 1900 was de Noord-Veluwe één uitgestrekt stuifzandgebied. Tegenwoordig is er in totaal nog 1400 hectare stuifzand op de Veluwe. Bij Kootwijk is één van de grootste actieve stuifzandgebieden van Europa. Plaatselijk komen in de heiden natte (o.a. Leemputten bij Staverden) of droge (o.a. Harskamp) heischrale graslanden, jeneverbesstruwelen, vennen, natte heide en hoogveenkernen (Mosterdveen) voor. In het beekdal van de Hierdense en Staverdense Beek worden schraallanden aangetroffen. Langs de randen van de Veluwe ontspringen de (sprengen)beken, waar beekvegetaties en zeer plaatselijk bronbossen voorkomen. (Veluwe, Natura2000.nl)
Figuur 8.1:
Overzicht ligging richtlijngebieden gebied Veluwe.
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
77/115
8.2
Doelstellingen
Hieronder volgt een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Veluwe op basis van het aanwijzingsbesluit Tabel 8.1Tabel 8.2Tabel 8.3). Tabel 8.1:
Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen voor het Natura 2000-gebied Veluwe.
Habitatcode
Habitattype
Status doel
Oppervlakte1
Kwaliteit1
H2310 H2320 H2330 H3130 H3160 H3260A H4010A H4030 H5130 H6230 H6410 H7110B H7140A H7150 H7230 H9120 H9190 H91D0 H91E0C
Stuifzandheiden met struikhei Binnenlandse kraaiheibegroeiingen Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels) Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden Jeneverbesstruwelen Heischrale graslanden Blauwgraslanden Actieve hoogvenen (heideveentjes) Overgangs- en trilvenen (trilvenen) Pioniervegetaties met snavelbiezen Kalkmoerassen Beuken-eikenbossen met hulst Oude eikenbossen Hoogveenbossen Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief ontwerp definitief
> = > = = > > > = > > > = > = > > = =
> = > = > > > > > > > > = > = > > = >
1: doelstelling voor oppervlakte en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding: >.
Tabel 8.2:
Instandhoudingsdoelstellingen habitatrichtlijnsoorten voor het Natura 2000gebied Veluwe.
Soortcode
Soort
Status doel
H1096 H1831 H1042 H1166 H1318 H1163 H1083
Beekprik Drijvende waterweegbree Gevlekte witsnuitlibel Kamsalamander Meervleermuis Rivierdonderpad Vliegend hert
definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief
Populatie
Omvang leefgebied1
Kwaliteit leefgebied1
> = > = = > >
> = > = = > >
> = > = = = >
1: doelstelling voor omvang en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding/verbetering: >.
Tabel 8.3:
Instandhoudingsdoelstellingen broedvogels voor het Natura 2000-gebied Veluwe.
Soortcode
Soort
Status doel
Aantal broedparen
Omvang leefgebied1
Kwaliteit leefgebied1
A246 A233 A255 A338 A229 A224 A276 A277 A072
Boomleeuwerik Draaihals Duinpieper Grauwe klauwier IJsvogel Nachtzwaluw Roodborsttapuit Tapuit Wespendief
definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief
2400 (her)vestiging (her)vestiging 40 30 610 1100 100 100
= > > > = = = > =
= > > > = = = > =
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
78/115
Soortcode
Soort
Status doel
A236
Zwarte specht
definitief
Aantal broedparen
Omvang leefgebied1
Kwaliteit leefgebied1
=
=
400
1: doelstelling voor omvang en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding/verbetering: >.
8.3
Beoordeling Habitattypen
Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er binnen het Natura 2000-gebied Veluwe sprake is van een toename aan stikstofdepositie op 12 stikstofgevoelige habitattypen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling (Tabel 8.4). De overige habitats zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er is geen sprake van een stikstoftoename ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Significant negatieve gevolgen voor deze overige habitattypen zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 8.4:
Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Veluwe. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS Calculator (AERIUS 2021) en worden weergegeven in mol N/ha/jaar.
Habitatcode
Habitattype
KDW1
Maximale achtergrond depositie2
Maximaal effect3
Maximaal relevant effect4
H2310 H2320 H2330 H3130 H3160 H4010A H4030 H5130 H6230 H7150 H9120 H9190
Stuifzandheiden met struikhei Binnenlandse kraaiheibegroeiingen Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden Jeneverbesstruwelen Heischrale graslanden Pioniervegetaties met snavelbiezen Beuken-eikenbossen met hulst Oude eikenbossen
1071 1071 714 571 714 1214 1071 1071 857 1429 1429 1071
2602 2069 1969 1891 1804 1897 2011 2056 1516 1804 2232 2207
0,01 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,01 0,00 0,00 0,00 0,01 0,01
0,01 0,01 0,01 0,01
1. KDW van habitattype volgens van Dobben et al. (2012) 2. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS Calculator. kleur betreft overschrijding KDW. 3. De maximale toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. 4. De maximale toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.
De habitattypen H7150, H6230, H2320, H2330, H4010A, H3160, H3130 en H5130 ondervinden op het moment geen (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie op hexagonen met een toename aan stikstofdepositie (>0,00 mol N/ha/jaar). Dit blijft zo, inclusief de berekende stikstofbijdrage ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Significante gevolgen door een toename aan stikstofdepositie zijn daarom uitgesloten. Voor de effectbeoordeling op de habitattypen met een relevante toename aan stikstofdepositie uit de Tabel 8.4 wordt de belangrijkste informatie samengevat in Tabel 8.5. De informatie uit deze tabel is verkregen uit het ecologisch onderzoek beschreven in de PAS gebiedsanalyse, het Natura 2000-beheerplan en de resultaten uit de AERIUS-berekening inclusief overige uit de AERIUS Calculator verkregen data. Tabel 8.5:
Basisgegevens voor de effectbeoordeling van de toename van stikstofdepositie op habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Veluwe.
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
79/115
Habitatcode
Maximaal relevant effect1
Areaal met relevant effect (ha)2
Relevant t.o.v. totaal areaal (%)3
0,01 0,01 0,01 0,01
0,74 11,62 5,75 10,88
<0,01% 0,1% 0,1% 0,6%
H2310 H4030 H9120 H9190
Algemene kwaliteit habitattype in Natura 2000-gebied4
Onbekend Onbekend Onbekend Matig tot slecht
1. Maximale toename aan stikstofdepositie in mol N/ha/jaar op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief het berekende stikstofeffect. 2. Totaal gekarteerd oppervlak met een relevante toename aan stikstofdepositie op basis van de meest recente habitattypenkaart (AERIUS 2021). 3. Het percentage aan areaal met een relevante toename aan stikstofdepositie ten opzichte van het totale areaal binnen het Natura 2000-gebied. 4. De kwaliteit volgens de PAS-gebiedsanalyse of het Natura 2000-beheerplan.
In de volgende paragrafen wordt de toename aan stikstofdepositie op ieder habitattype uit bovenstaande tabel beoordeeld. Zie Bijlage 2 voor een algemene omschrijving, een overzicht van de abiotische randvoorwaarden en een algemene effectbeschrijving stikstofdepositie per habitattype. H2310 - Stuifzandheiden met struikhei Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H2310 heeft in het Natura 2000-gebied Veluwe een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De huidige kwaliteit is onbekend. De kwaliteit van het habitattype is tot circa 1995 afgenomen en is sindsdien stabiel, al staan diverse typische soorten nog steeds onder druk. Eenzelfde trend is te zien in de oppervlakte en de verspreiding van het habitattype. Beide zijn tot circa 1995 afgenomen en sindsdien ongeveer gelijk gebleven. Berekende toename aan stikstofdepositie Op <0,01% (0,74 ha) van het aanwezig areaal met H2310 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende toename aan stikstofdepositie.
Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar (Figuur 8.2).
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
80/115
Figuur 8.2:
De locatie in het Natura 2000-gebied Veluwe met de maximale relevante toename aan stikstofdepositie op Stuifzandheiden met struikhei (H2310).
Knelpunten De grootste knelpunten voor H2310 zijn stikstofdepositie, successie (verbossing en vergrassing), versnippering, slecht beheer en nutriënten (fosfaattekort en afname van micronutriënten). De knelpunten versterken elkaar. Stikstofdepositie leidt tot snellere vastlegging van zand door algen, versnelde primaire successie, toename van grassen en frequentere vestiging van grove den. De verbossing die hierdoor optreedt leidt tot een afname van winderosie en verdroging van de nattere delen binnen H2310 en in de omgeving van het habitattype. Hierdoor treedt versneld successie op. Door versnippering wordt de optimale functionele omvang van H2310 op een aantal locaties op de Veluwe niet meer gehaald. Ten gevolge van versnippering neemt de dynamiek af en neemt bodemvorming toe. Daarnaast beperkt het de migratie van organismen. Op beperkte schaal kan de successie door verstuiving en overstuiving vanuit nog actief stuifzand op natuurlijke wijze worden teruggezet. Ten slotte is in het gebied sprake van een afname van micronutriënten en mogelijk fosfaattekort, doordat in de directe omgeving van het habitattype nauwelijks nog landschapselementen zijn met een iets hogere mineralenrijkdom en kleinschalige verstuivingen (waarbij micronutriënten aangevoerd kunnen worden) zeldzaam zijn geworden.
De beschikbaarheid van micronutriënten wordt verergerd door de uitspoeling van nutriënten als gevolg van verzuring door stikstofdepositie. De KDW van H2310 op de Veluwe is langdurig overschreden. Ondanks deze historische en huidige overbelasting zijn de kwaliteit, verspreiding en oppervlakte van het habitattype sinds 1995 stabiel. Hieruit blijkt dat het reguliere beheer - plaggen en afvoeren, maaien en afvoeren en branden - voldoende effectief is voor het tegengaan van negatieve effecten van stikstofdepositie (Gebiedsanalyse-57, 2017).
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
81/115
Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van habitattype H2310 is onbekend, de trend in kwaliteit is stabiel. Op <0,01% (0,74 ha) van het habitattype binnen het Natura 2000-gebied is sprake van een relevante plangebonden toename van stikstofdepositie. Het hoofdzakelijke knelpunt voor de kwaliteitsontwikkeling van stuifzanden, is de sterke toename van begroeiingen met grijs kronkelsteeltje (exoot en indicator van stikstofdepositie) en de hiermee samenhangende afname van voor stuifzanden kenmerkende korstmosrijke vegetaties. Verder zorgt een verhoogde stikstofdepositie voor versnelde successie en daarmee een afname van het oppervlak stuifzandhabitat. Ondanks het feit dat stikstofdepositie een belangrijk knelpunt vormt voor H2310, is de toename ten gevolge van het voorgenomen plan van dermate gering (maximaal 0,01 mol N/ha/jaar) dat het volledig weg valt binnen de natuurlijke variatie in depositie door variatie in meteorologische omstandigheden (gemiddeld 10% van de achtergronddepositie, in dit geval 185-260 mol) (Velders et al. 2018). Bovendien is er sprake van een relevante toename op <0,01% (0,08 ha) van het volledige areaal op de Veluwe. De negatieve effecten door de reeds bestaande overmaat aan stikstofdepositie worden niet groter door een geringe tijdelijke verhoging van deze depositie met 0,01 mol N/ha/jaar.
In andere woorden: de haalbaarheid van de instandhoudingsdoelstellingen wordt niet beïnvloed door de geringe toename van deze depositie. Effecten van een blijvende bijdrage in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk in verlies in areaal duurt jaren en speelt zich af in 10-20 jaar (zie paragraaf 3.3). De tijdsduur waarin dit optreedt is onder meer afhankelijk van de gevoeligheid van het habitattype en de relatieve toename ten opzichte van de KDW (in dit geval 0,001%) en de ADW (in dit geval <0,001%). Het is, in het kader van het bovenstaande, uitgesloten dat in deze situatie een dergelijke geringe tijdelijke toename in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen plan zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding oppervlak en verbetering kwaliteit) van dit habitattype. H4030 - Droge heiden Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H4030 heeft in het Natura 2000-gebied Veluwe een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De huidige kwaliteit is onbekend. De oppervlakte en de verspreiding van droge heiden is sterk afgenomen sinds circa 1850.
Sinds 1995 zijn de oppervlakte en de verspreiding stabiel gebleven. De kwaliteit van de droge heiden vormt eenzelfde trend. Sinds 1995 staan typische soorten echter nog steeds onder druk. Berekende toename aan stikstofdepositie Op 0,1% (11,62 ha) van het aanwezig areaal met H4030 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar (Figuur 8.3).
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
82/115
Figuur 8.3:
De locatie in het Natura 2000-gebied Veluwe met de maximale relevante toename aan stikstofdepositie op Droge heiden (H4030).
Knelpunten De droge heiden hebben te maken met diverse knelpunten. Hieronder vallen negatieve effecten van stikstofdepositie, successie (verbossing), versnippering en te kort aan nutriënten (fosfaattekorten en een afname van micronutriënten). Stikstofdepositie leidt in H4030 tot verzuring, verhoogde ammonium- en aluminiumtoxiciteit, vermesting en dominantie van snelgroeiende soorten. Verhoogde stikstofdepositie zorgt in eerste instantie voor een versnelde groei van struikhei, waardoor mossen en korstmossen sterk afnemen in bedekking, en in een later stadium voor vergrassing. De meeste typische soorten vaatplanten komen voor op iets beter gebufferde plekken in H4030. Deze soorten zijn gevoelig voor verzuring en/of voor het hoge gehalte van ammonium en/of aluminium als gevolg van stikstofdepositie. Bossen op korte afstand van H4030 zijn een bron van boomzaden, waardoor bosopslag op H4030 plaatsvindt. Kieming van grove den en berk wordt bevorderd door plaggen. Het verwijderen van bos of groepen bomen in de omgeving van H4030 is daarom effectiever in het tegengaan van bosopslag, waarbij tevens de invang van stikstofdepositie en vermesting wordt tegengegaan. De huidige heidegebieden vertegenwoordigen de armere varianten van het voormalige heidelandschap, omdat in de ontginningsperiode juist de rijkere delen zijn omgezet naar landbouwgrond en (in mindere mate) naar bos.
De ligging van de meeste resterende heiden is tegenwoordig zodanig, dat landschapselementen met een iets hogere mineralenrijkdom ontbreken. Ook ontbreekt blootliggend of inwaaiend zand dat ervoor kan zorgen dat micronutriënten worden aangevoerd of vrijkomen uit organisch materiaal dat beter mineraliseert als het wordt overstoven.
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
83/115
De afgenomen beschikbaarheid van micronutriënten verergert het effect van de uitspoeling van nutriënten als gevolg van verzuring door stikstofdepositie. Mogelijk speelt de afname van micronutriënten een belangrijk deel van de fauna parten, waardoor de reproductie en overleving van populaties wordt benadeeld. Daarnaast heeft de versnipperde ligging van de heidegebieden een negatief effect op organismen, omdat het migratie beperkt (Gebiedsanalyse-57, 2017). Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van habitattype H4030 is onbekend, de trend in kwaliteit is stabiel, echter staan kenmerkende soorten nog steeds onder druk. Op slechts 0,1% van het areaal van het habitattype binnen het Natura 2000-gebied is sprake van een relevante plangebonden toename van stikstofdepositie. De bodems onder droge heiden zijn van nature zuur van karakter. Mede onder invloed van stikstofdepositie zijn deze bodems verder verzuurd. Dit kan ervoor zorgen dat vegetaties en typische soorten kunnen verdwijnen die medebepalend kunnen zijn voor een goede kwaliteit van het habitattype.
Ondanks het feit dat stikstofdepositie een knelpunt vormt voor H4030, is de toename ten gevolge van het voorgenomen plan van dermate gering (maximaal 0,01 mol N/ha/jaar) dat het volledig weg valt binnen de natuurlijke variatie in depositie door variatie in meteorologische omstandigheden (gemiddeld 10% van de achtergronddepositie, in dit geval 100-201 mol) (Velders et al. 2018). Bovendien is er sprake van een relevante toename op slechts 0,1% van het volledige areaal op de Veluwe. De negatieve effecten door de reeds bestaande overmaat aan stikstofdepositie worden niet groter door een geringe tijdelijke verhoging van deze depositie met 0,01 mol N/ha/jaar. In andere woorden: de haalbaarheid van de instandhoudingsdoelstellingen wordt niet beïnvloed door de geringe toename van deze depositie. Effecten van een blijvende bijdrage in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk in verlies in areaal duurt jaren en speelt zich af in 10-20 jaar (zie paragraaf 3.3). De tijdsduur waarin dit optreedt is onder meer afhankelijk van de gevoeligheid van het habitattype en de relatieve toename ten opzichte van de KDW (in dit geval 0,001%) en de ADW (in dit geval <0,001%).
Het is, in het kader van het bovenstaande, uitgesloten dat in deze situatie een dergelijke geringe tijdelijke toename in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen plan zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding oppervlak en verbetering kwaliteit) van dit habitattype. H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H9120 heeft in het Natura 2000-gebied Veluwe een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit is grotendeels onbekend. De oppervlakte en verspreiding van het habitattype zijn in de 20e eeuw achteruitgegaan door omvorming van loofblos naar snelgroeiend naaldbos. De laatste decennia is er geleidelijk sprake van uitbreiding door het ouder en minder voedselarm worden van groeiplaatsen. De kwaliteit van het habitattype is al enige decennia stabiel en staat niet onder druk. Het habitattype komt in ieder geval op een aantal locaties in goede kwaliteit voor.
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
84/115
Berekende toename aan stikstofdepositie Op 0,1% (5,75 ha) van het aanwezig areaal met H9120 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar (Figuur 8.4).
Figuur 8.4:
De locatie in het Natura 2000-gebied Veluwe met de maximale relevante toename aan stikstofdepositie op Beuken-eikenbossen met hulst (H9120).
Knelpunten De belangrijkste knelpunten zijn stikstofdepositie, successie (verbossing), versnippering en beheer (uitblijven van beheer, afvoer van dood hout). Het verhoogde aanbod aan stikstof in H9120 komt aanvankelijk tot uitdrukking in een versnelde groei van een aantal soorten, vooral van grassen, blauwe bosbes en beuk. Hierdoor nemen de typische soorten vaatplanten af in bedekking. Op plaatsen waar voldoende licht tot op de bodem doordringt leidt vermesting eveneens tot een toename van bramen. Kenmerkende epifytische korstmossen en mossen kunnen door vermesting verdwijnen, deels door toxiciteit en deels door concurrentie met snelgroeiende stikstofminnende bladmossen. Daarnaast zijn veel kenmerkende mycorrhizapaddenstoelen zeer gevoelig voor vermesting. Uiteindelijk kan het effect van verzuring dominant worden over dat van vermesting en loopt de groeisnelheid weer terug. Beuk en zomereik hebben een relatief hoge zuurtolerantie. Groeiremming door verzuring zal daarom vooral optreden op de minst gebufferde, minst lemige standplaatsen van het habitattype. Successie in H9120 leidt onder de huidige omstandigheden, versterkt door stikstofdepositie, tot dominantie van beuk. Beuk belemmert door een dik strooiselpakket, verminderde lichtinval en Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
85/115
ondiepe worteling de vestiging van veel soorten. Door in te grijpen in de boomsoortsamenstelling kan de tendens van strooiselaccumulatie en bodemverzuring, door dominantie van beuk, tenminste ten dele worden omgebogen. Naast hulst zouden de kans op kieming van andere soorten daardoor toenemen. Wat betreft het beheer is daarnaast dood hout een belangrijke factor in de kwaliteit van het habitattype. Afvoer van dood hout zal zoveel mogelijk voorkomen moeten worden (Gebiedsanalyse-57, 2017). Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van habitattype H9120 is grotendeels onbekend echter wordt plaatselijk goede kwaliteit waargenomen. De trend in kwaliteit is stabiel. op slechts 0,1% van het areaal van het habitattype binnen het Natura 2000-gebied is sprake van een relevante plangebonden toename van stikstofdepositie. Ondanks het feit dat stikstofdepositie een belangrijk knelpunt vormt voor H9120, is de toename ten gevolge van het voorgenomen plan van dermate gering (maximaal 0,01 mol N/ha/jaar) dat het volledig weg valt binnen de natuurlijke variatie in depositie door variatie in meteorologische omstandigheden (gemiddeld 10% van de achtergronddepositie, in dit geval 140-208 mol) (Velders et al. 2018). Bovendien is er sprake van een relevante toename op 0,1% van het volledige areaal op de Veluwe.
De negatieve effecten door de reeds bestaande overmaat aan stikstofdepositie worden niet groter door een geringe tijdelijke verhoging van deze depositie met 0,01 mol N/ha/jaar. In andere woorden: de haalbaarheid van de instandhoudingsdoelstellingen wordt niet beïnvloed door de geringe toename van deze depositie. Effecten van een blijvende bijdrage in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk in verlies in areaal duurt jaren en speelt zich af in 10-20 jaar (zie paragraaf 3.3). De tijdsduur waarin dit optreedt is onder meer afhankelijk van de gevoeligheid van het habitattype en de relatieve toename ten opzichte van de KDW (in dit geval 0,001%) en de ADW (in dit geval <0,001%). Gezien het geringe areaal met een relevante toename en de stabiele trend in kwaliteit en de plaatselijke goede kwaliteit, zal een geringe toename van 0,01 mol N/ha/jaar in dit geval niet leiden tot meetbare effecten voor de kwaliteit van het habitattype H9120. Het is uitgesloten dat in deze situatie een dergelijke geringe toename in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden.
Het voorgenomen plan staat, in het kader van het bovenstaande, er dan ook niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding van oppervlak en verbetering kwaliteit) gehaald kunnen worden. Significant negatieve gevolgen door de plangebonden toename aan stikstofdepositie kunnen worden uitgesloten. H9190 - Oude eikenbossen Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H9190 heeft in het Natura 2000-gebied Veluwe een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend Hoewel het oppervlakteaandeel voor H9190 op zich gunstig is, is het belangrijk om de ruimtelijke samenhang te verbeteren. Daarbij heeft het habitattype een matig tot slechte kwaliteit en kent het een negatieve trend in zowel oppervlak als kwaliteit (Beheerplan, 2018). Berekende toename aan stikstofdepositie Op 0,6% (10,88 ha) van het aanwezig areaal met H9190 vindt, ten gevolge van Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
86/115
de voorgenomen ontwikkeling, een toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar (Figuur 8.5).
Figuur 8.5:
De locatie in het Natura 2000-gebied Veluwe met de maximale relevante toename aan stikstofdepositie op Oude eikenbossen (H9190).
Knelpunten Versnippering, verbossing, beheer en een overmaat aan stikstofdepositie vormen de hoofdzakelijke knelpunten voor H9190 binnen de Veluwe. Voor een goede staat van dit habitattype is een aaneengesloten oppervlak van minimaal 25 ha noodzakelijk (Beheerplan, 2018). Wat betreft het beheer, kunnen bosbouwkundige dunningen het effect van stikstofdepositie versterken en leiden tot verruiging en een uniforme bosstructuur. Daarbij is H9190 zeer gevoelig voor overbegrazing (Gebiedsanalyse, 2017). Zoals de meeste bostypen in Nederland, zijn ook op de Veluwe aanwezige arealen aan oude eikenbossen (H9190, circa 1.780 ha) van nature stikstofgelimiteerd. De vitaliteit van de bomen neemt plaatselijk sterk af en natuurlijke verjonging ontbreekt (Beheerplan, 2018). Een verhoogde instroom van stikstof zorgt onder andere voor een verhoogde productie van het oude eikenbosecosysteem (zowel bomen als ondergroei). Hierdoor nemen typische soorten vaatplanten af in bedekking. Vermesting heeft een direct effect op aanwezige korstmossen en levert voor de korstmosrijke locaties van dit bostype een probleem op. Daarnaast heeft stikstof een versterkend effect op de verzuring van de bodem. De dominante en veelal enige boomsoort van dit bostype (zomereik) heeft een hoge zuurtolerantie.
Verzuring leidt tevens tot versnelde uitspoeling van basen Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
87/115
en daarmee tot vermindering van de vitaliteit van de bomen. Door afnemende vitaliteit worden de Oude eikenbossen vaak hol en vallen er soms flinke gaten. Hierdoor kan de gemiddelde kroonbedekking afnemen tot onder de 60%. In het systeem van H9190 treedt echter van nature accumulatie van strooisel en verzuring van de bodem op doordat de zomereik een slecht verteerbaar blad heeft. Dit zorgt voor een van nature zure bodem wat tevens een van de abiotische randvoorwaarden is van het habitattype (Gebiedsanalyse-57, 2017). Beoordeling toename aan stikstofdepositie Habitattype H9190 kent een matig tot slechte kwaliteit met een negatieve trend in kwaliteit. Wel is het oppervlak afgelopen jaren wat toegenomen en is er nog veel geschikt gebied aanwezig voor omvorming. Stikstof vormt een knelpunt voor dit habitattype. Op 0,6% van het areaal van het habitattype binnen het Natura 2000-gebied is sprake van een relevante plangebonden toename van stikstofdepositie. Ondanks het feit dat stikstofdepositie een belangrijk knelpunt vormt voor H9190, is de toename ten gevolge van het voorgenomen plan van dermate gering (maximaal 0,01 mol N/ha/jaar) dat het volledig weg valt binnen de natuurlijke variatie in depositie door variatie in meteorologische omstandigheden (gemiddeld 10% van de achtergronddepositie, in dit geval 195203 mol) (Velders et al. 2018).
Bovendien is er sprake van een relevante toename op slechts 0,1% van het volledige areaal op de Veluwe. De negatieve effecten door de reeds bestaande overmaat aan stikstofdepositie worden niet groter door een geringe tijdelijke verhoging van deze depositie met 0,01 mol N/ha/jaar. In andere woorden: de haalbaarheid van de instandhoudingsdoelstellingen wordt niet beïnvloed door de geringe toename van deze depositie. Effecten van een blijvende bijdrage in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk in verlies in areaal duurt jaren en speelt zich af in 10-20 jaar (zie paragraaf 3.3). De tijdsduur waarin dit optreedt is onder meer afhankelijk van de gevoeligheid van het habitattype en de relatieve toename ten opzichte van de KDW (in dit geval 0,001%) en de ADW (in dit geval <0,001%). Het is, in het kader van het bovenstaande, uitgesloten dat in deze situatie een dergelijke geringe tijdelijke toename in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen plan zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding oppervlak en verbetering kwaliteit) van dit habitattype.
Conclusie Er zijn in het Natura 2000-gebied Veluwe geen zodanige omstandigheden dat een relevante toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar mogelijk zou kunnen leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de kwaliteit of oppervlakteverlies van de aangewezen habitattypen. De stikstoftoename ten gevolge van de aanleg van de voorgenomen ontwikkeling staat niet in de weg aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen. Significante gevolgen voor habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Veluwe door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van het voorgenomen plan zijn hierom uitgesloten.
8.4
Beoordeling Habitatrichtlijnsoorten
Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, binnen het Natura 2000-gebied Veluwe sprake is van een toename aan stikstofdepositie op het leefgebied van 3 stikstofgevoelige habitatrichtlijnsoorten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling (Tabel 8.6). Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
88/115
De in deze tabel ontbrekende soorten met een instandhoudingsdoelstelling binnen het Natura 2000-gebied Veluwe, zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er vindt geen toename aan stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelig leefgebied van deze soorten. Significant negatieve gevolgen voor deze overige habitatrichtlijnsoorten zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 8.6:
Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de leefgebieden van aangewezen soorten binnen het Natura 2000-gebied Veluwe. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS Calculator (AERIUS 2021) en worden weergegeven in mol N/ha/jaar.
Soortcode
Soortnaam
Leefgebied1
KDW2
Maximale achtergrond depositie3
Maximaal effect4
Maximaal relevant effect5
H1042 H1096 H1831
Gevlekte witsnuitlibel Beekprik Drijvende waterweegbree
H3130 Lg01, ZGLg01 H3130
571 2399 571
1891 2058 1891
0,00 0,01 0,00
-
1. De habitat- en/of leefgebiedtypen met een toename aan stikstoftoename binnen het leefgebied van de soort volgens de relatie-leefgebied tabel (BIJ12, 2020) 2. KDW van het meest gevoelige habitat- of leefgebiedtype binnen het leefgebied van de kwalificerende soort volgens van Dobben et al. (2012) 3. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS Calculator. kleuren betreffen: geen en overschrijding KDW. 4. De maximale stikstofbijdrage op het leefgebied van de betreffende soort op basis van de meest recente versie van AERIUS Calculator. 5. De maximale toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.
De leefgebieden van de gevlekte witsnuitlibel, beekprik en drijvende waterweegbree ondervinden op het moment geen (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie op hexagonen met een toename aan stikstofdepositie (>0,00 mol N/ha/jaar) (Tabel 8.6). Dit blijft zo, inclusief de berekende stikstofbijdrage ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Significante gevolgen door een toename aan stikstofdepositie op deze leefgebieden zijn daarom uitgesloten. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot toenames aan stikstofdepositie (>0,00 mol N/ha/jaar) op hexagonen met stikstofgevoelig leefgebied van de in het gebied aangewezen habitatrichtlijnsoorten en een overschrijding van de KDW. De tijdelijke toename aan stikstofdepositie heeft hierdoor met zekerheid geen invloed op het behoud, uitbreiding of verbetering van oppervlakte en kwaliteit van de zeggekorfslak, bittervoorn en platte schijfhoren in het Natura 2000-gebied Veluwe. Significante gevolgen voor deze broedvogels binnen het Natura 2000-gebied Veluwe door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zijn hierom uitgesloten.
8.5
Beoordeling Broedvogels
Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, binnen het Natura 2000-gebied Veluwe sprake is van een toename aan stikstofdepositie op het leefgebied van 6 stikstofgevoelige broedvogels als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling (Tabel 8.7). De in deze tabel ontbrekende soorten met een instandhoudingsdoelstelling binnen het Natura 2000-gebied Veluwe, zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er vindt geen toename aan stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelig leefgebied
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
89/115
van deze soorten. Significant negatieve gevolgen voor deze overige broedvogelsoorten zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 8.7:
Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de leefgebieden van aangewezen soorten binnen het Natura 2000-gebied Veluwe. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS Calculator (AERIUS 2021) en worden weergegeven in mol N/ha/jaar.
Soortcode
Soortnaam
Leefgebied1
KDW2
Maximale achtergrond depositie3
Maximaal effect4
Maximaal relevant effect5
A072
Wespendief
1071
2602
0,01
0,01
A233
Draaihals
714
2773
0,01
0,01
A236
Zwarte Specht
1071
2773
0,01
0,01
A246
Boomleeuwerik
714
2602
0,01
0,01
A255 A277
Duinpieper Tapuit
H4030, L4030, ZGL4030, H2310, H2320, ZGH4030 H2330, H4030, L4030, ZGL4030, Lg13, ZGLg13, H2310, ZGH9190, ZGH4030, H2320, H9190, ZGH9120, ZGLg14, Lg14, H9120 H9190, Lg13, ZGLg13, ZGH9190, ZGLg14, Lg14, H9120, ZGH9120 H2330, H6230dka, ZGLg09, Lg09, H4030, L4030, ZGL4030, H2310, ZGH4030, H2320 H2330, H2310 H2330, H6230dka, ZGLg09, Lg09, H4030, ZGL4030, H2310, ZGH4030, L4030, H2320
714 714
2602 2602
0,01 0,01
0,01 0,01
1. De habitat- en/of leefgebiedtypen met een toename aan stikstoftoename binnen het leefgebied van de soort volgens de relatie-leefgebied tabel (BIJ12, 2020) 2. KDW van het meest gevoelige habitat- of leefgebiedtype binnen het leefgebied van de kwalificerende soort volgens van Dobben et al. (2012) 3. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS Calculator. kleur betreft overschrijding KDW. 4. De maximale stikstofbijdrage op het leefgebied van de betreffende soort op basis van de meest recente versie van AERIUS Calculator. 5. De maximale toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.
Voor de effectbeoordeling op de aangewezen stikstofgevoelige broedvogels die gebruik maken van de leefgebieden met een relevante toename aan stikstofdepositie (Tabel 8.7), wordt de belangrijkste informatie samengevat in Tabel 8.8.
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
90/115
De informatie uit deze tabel is verkregen uit het ecologisch onderzoek beschreven in de PAS gebiedsanalyse, het Natura 2000-beheerplan en de resultaten uit de AERIUS-berekening inclusief overige uit de AERIUS Calculator verkregen data. Tabel 8.8:
Basisgegevens voor de effectbeoordeling van de toename van stikstofdepositie op leefgebieden van broedvogels binnen het Natura 2000-gebied Veluwe.
Soortcode
Soortnaam
Leefgebied1
A072
Wespendief
A233
Draaihals
A236
Zwarte Specht
A246
Boomleeuwerik
A255 A277
Duinpieper Tapuit
H4030, L4030, ZGL4030, H2310, H2320, ZGH4030 H2330, H4030, L4030, ZGL4030, Lg13, ZGLg13, H2310, ZGH9190, ZGH4030, H2320, H9190, ZGH9120, ZGLg14, Lg14, H9120 H9190, Lg13, ZGLg13, ZGH9190, ZGLg14, Lg14, H9120, ZGH9120 H2330, H6230dka, ZGLg09, Lg09, H4030, L4030, ZGL4030, H2310, ZGH4030, H2320 H2330, H2310 H2330, H6230dka, ZGLg09, Lg09, H4030, ZGL4030, H2310, ZGH4030, L4030, H2320
Maximaal relevant effect2
Areaal met relevant effect (ha)3
Relevant t.o.v. totaal areaal (%)4
0,01
24,51
0,2%
0,01
1568,55
2%
0,01
1544,04
2,4%
0,01
24,51
0,1%
0,01 0,01
0,74 24,51
0% 0,1%
1. De habitat- en/of leefgebiedtypen met een toename aan stikstoftoename binnen het leefgebied van de soort volgens de relatie-leefgebied tabel (BIJ12 2020). 2. Maximale toename aan stikstofdepositie in mol N/ha/jaar op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief het berekende stikstofeffect. 3. Totaal gekarteerd oppervlak met een relevante toename aan stikstofdepositie op basis van de meest recente habitattypenkaart (AERIUS 2021). 4. Het percentage aan areaal met een relevante toename aan stikstofdepositie ten opzichte van het totale areaal binnen het Natura 2000-gebied.
In de volgende paragrafen wordt de toename aan stikstofdepositie op het leefgebied van iedere broedvogelsoort uit Tabel 8.8 beoordeeld. Zie Bijlage 2 voor een algemene omschrijving per soort. A072 - Wespendief Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor de wespendief in Natura 2000-gebied Veluwe is behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor ten minste 100 broedparen.
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
91/115
Huidig voorkomen en trend in populatie De wespendief komt met een langjarig seizoensgemiddelde van naar schatting 94 broedparen voor in de Veluwe, waarmee de instandhoudingsdoelstelling niet wordt behaald. De trend in aantal broedparen is onbekend (Sovon). Omschrijving leefgebied De wespendief heeft geschikt leefgebied in de stikstofgevoelige habitattypen Stuifzandheiden met struikhei (H2310), Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320), Droge heiden (H4030) en leefgebiedtype L4030. De kwaliteit van het leefgebied is onbekend. De omvang van het leefgebied is stabiel, de kwaliteit van het leefgebied gaat achteruit door een afname van prooidieren (Gebiedsanalyse-57, 2017). Berekende toename aan stikstofdepositie Op 0,2% (24,51 ha) van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de broedvogelsoort Wespendief vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar (Figuur 8.6).
Figuur 8.6:
De locatie in het Natura 2000-gebied Veluwe met de maximale relevante toename aan stikstofdepositie op het leefgebied van Wespendief (A072).
Knelpunten De wespendief broedt in bos, variërend van uitgestrekt gesloten bos tot bosfragmenten in halfopen landschap. Het voedselbiotoop bestaat uit bos en bosranden, randen van kapvlakten en heide, bermen, taluds en vrijwel alle denkbare andere plekken waar nesten van sociaal levende en in de grond nestelende wespen voorkomen. Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
92/115
Vooral randzones en reliëfrijke stukken zijn geschikt. Sleutelfactoren voor de wespendief liggen in aanwezigheid van voedsel voor volwassen vogels (gewervelde prooien), voedsel voor kuikens (hoofdzakelijk wespenbroed) en bosbeheer. Sterke dunning en/of kap van bos kunnen invloed hebben op de omvang van de populatie. Te hoge stikstofdepositie levert een bijdrage aan de afname van de prooibeschikbaarheid, doordat het leidt tot een afname in het voorkomen of het bereikbaar zijn van prooien. Over de relatie tussen de invloed van stikstofdepositie op bossen en daarmee op de voedselketen voor de wespendief is echter onvoldoende bekend (Gebiedsanalyse-57, 2017). Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van het leefgebied van de wespendief is matig. Het langjarige seizoensgemiddelde is lager dan de instandhoudingsdoelstelling, de populatietrend is onbekend. Stikstofdepositie vormt een van de knelpunten voor de kwaliteit en omvang van het leefgebied. Andere knelpunten betreffen een afname aan voedsel door een lage prooidichtheid en klimaatverandering waardoor de wespenpiek verplaatst naar de zomer en aan het einde van het seizoen voedselgebrek voor de wespendief kan optreden. Daarbij betekent het actief omvormen van naaldbossen door sterke dunning of kaalkap habitatverlies voor wespendieven (Nijssen 2019a).
Gezien het feit dat stikstofdepositie slechts een beperkt knelpunt vormt ten opzichte van voedselgebrek en habitatverlies en er sprake is van een relevante toename van stikstofdepositie op slechts enkel 0,2% van het volledige areaal aan stikstofgevoelig leefgebied, zal een geringe toename van 0,01 mol N/ha/jaar in dit geval niet leiden tot meetbare effecten voor de kwaliteit van het leefgebied van de wespendief. Het is uitgesloten dat in deze situatie een dergelijke geringe toename in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het leefgebied zal leiden en daarmee de voedselbeschikbaarheid zal beïnvloeden. Het voorgenomen plan staat, in het kader van het bovenstaande, er dan ook niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (behoud oppervlak en behoud kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van een populatie 100 broedparen) gehaald kan worden. Significant negatieve gevolgen door de plangebonden toename aan stikstofdepositie kunnen worden uitgesloten. A233 - Draaihals Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor de draaihals in Natura 2000-gebied Veluwe is uitbreiding van omvang en verbetering van kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van (her)vestiging van de populatie.
Huidig voorkomen en trend in populatie De draaihals komt met een langjarig seizoensgemiddelde van 47 broedparen voor in de Veluwe (Sovon), hetgeen aangeeft dat de kwaliteit en de omvang van het leefgebied voldoen aan de instandhoudingsdoelstelling. In het gebied is er de laatste 12 jaar sprake van een significante toename (Sovon). De landelijke populatietrend is de afgelopen 12 jaar tevens sterk positief. Omschrijving leefgebied De draaihals heeft geschikt leefgebied in de stikstofgevoelige habitattypen Stuifzandheiden met struikhei (H2310), Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320), Zandverstuivingen (H2330), Droge heiden (H4030), Beukeneikenbossen met hulst (H9120) en Oude eikenbossen (H9190) en de stikstofgevoelige leefgebiedtypen Bossen op arme zandgrond (Lg13), Eiken-
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
93/115
beukenbossen op lemige zandgronden (Lg14) en Weinig vergraste heide en stuifzand (L4030). Berekende toename aan stikstofdepositie Op 2% (1568,55 ha) van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de broedvogelsoort Draaihals vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar (Figuur 8.7).
Figuur 8.7:
De locatie in het Natura 2000-gebied Veluwe met de maximale relevante toename aan stikstofdepositie op het leefgebied van Draaihals (A233).
Knelpunten Verruiging, afname van nestgelegenheid, recreatie en verdroging vormen de voornaamste knelpunten voor de draaihals binnen de Veluwe. Een optimaal leefgebied kent veel open bodem en lage vegetatie met een hoge dichtheid aan mierennesten. Deze habitats worden jaarlijks als eerste bezet en leveren een hoger reproductiesucces dan dichter begroeide habitats. Van draaihalzen is bekend dat ze leefgebieden verkiezen waarvan het aandeel open grond wel op 60% kan liggen. Door het overwoekeren van stikstofminnende vegetatiesoorten verdwijnen deze open vlakken. Hiernaast verandert ook de bodemchemie en het microklimaat, waardoor de samenstelling en aanwezigheid van mierenfauna, de belangrijkste voedingsbron voor de draaihals, verandert. Een ander knelpunt voor de draaihals is de beschikbaarheid van nestplaatsen op plekken met geschikt foerageerhabitat. Terreinbeheer met verwijdering van opslag en oudere berken kan zeer nadelig zijn (Gebiedsanalyse-57, 2017).
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
94/115
Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van het leefgebied van de draaihals is slecht. De draaihals is met een langjarige seizoensgemiddelde van 47 broedparen op de Veluwe aanwezig, en voldoet daarmee aan de doelstelling voor een (her)introductie van de soort. Op 2% van het areaal met stikstofgevoelig leefgebied voor de draaihals is sprake van een relevante toename van stikstofdepositie. Gezien de significante positieve trend en de gunstige huidige aantallen, zal een geringe toename van 0,01 mol N/ha/jaar in dit geval niet leiden tot meetbare effecten voor de kwaliteit van het leefgebied van de draaihals. Het is uitgesloten dat in deze situatie een dergelijke geringe toename in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het leefgebied zal leiden en daarmee de voedselbeschikbaarheid zal beïnvloeden. Het voorgenomen plan staat, in het kader van het bovenstaande, er dan ook niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding oppervlak en verbetering kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van (her)vestiging van de populatie) gehaald kan worden. Significant negatieve gevolgen door de plangebonden toename aan stikstofdepositie kunnen worden uitgesloten.
A236 - Zwarte Specht Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor de zwarte specht in Natura 2000-gebied Veluwe is behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor ten minste 400 broedparen. Huidig voorkomen en trend in populatie De zwarte specht komt met een langjarig seizoensgemiddelde van naar schatting 391 broedparen voor in de Veluwe, waarmee de instandhoudingsdoelstelling niet wordt behaald. De trend in aantal broedparen is stabiel. Landelijk is er ook sprake van een stabiele trend (Sovon). Omschrijving leefgebied De zwarte specht heeft geschikt leefgebied in de stikstofgevoelige habitattypen Beuken-eikenbossen met Hulst (H9120) en Oude eikenbossen (H9190) en de stikstofgevoelige leefgebiedtypen Bos op arme zandgronden (Lg13) en Eikenen beukenbos van lemige zandgronden (Lg14). De kwaliteit van het leefgebied is goed. De omvang van het leefgebied is stabiel, de trend in kwaliteit is onduidelijk maar zou licht afnemend kunnen zijn (Gebiedsanalyse-57, 2017). Berekende toename aan stikstofdepositie Op 2,4% (1544,04 ha) van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de broedvogelsoort Zwarte Specht vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een toename aan stikstofdepositie plaats.
Van dit areaal met een toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar (Figuur 8.8).
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732
95/115
Figuur 8.8:
De locatie in het Natura 2000-gebied Veluwe met de maximale relevante toename aan stikstofdepositie op het leefgebied van Zwarte Specht (A236).
Knelpunten De zwarte specht is een echte bossoort. Het optimale leefgebied bestaat uit aaneengesloten opgaand bos met kleinere onderbrekingen (open plekken, kaalslagen, jonge aanplant) of randen waar de zon op de bodem kan vallen. Sleutelfactoren voor de zwarte specht zijn de oppervlakte aaneengesloten bos, het aandeel naaldbos (primair foerageerhabitat), de aanwezigheid van aftakelend of dood hout, de mate van vergrassing als gevolg van stikstofdepositie, het voorkomen en de ruimtelijke spreiding van dikke bomen met gladde stam (nestboom) in combinatie met de dichtheid van potentiële nestplaatsconcurrenten. Door langjarige overbelasting met stikstof kan vergrassing optreden, waardoor de bereikbaarheid van voedsel (insecten) afneemt. De overmaat aan stikstof kan ook zorgen voor een verandering in soortensamenstelling van de fauna die netto negatief uitpakt voor de specht. Het gaat met name om hout- en bosmieren, de belangrijkste voedselbron van de zwarte specht. Andere knelpunten voor het leefgebied van de zwarte specht als gevolg van stikstofdepositie zijn uitbreiding van exoten, een afname van micronutriënten en een verstoorde mineralenhuishouding (Gebiedsanalyse-57, 2017). Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van het leefgebied van de zwarte specht is goed.
Het langjarige seizoensgemiddelde van de zwarte specht is lager dan de instandhoudingsdoelstelling, de populatietrend is stabiel. Stikstofdepositie vormt een knelpunt voor de kwaliteit het leefgebied en heeft met name effect op de beschikbaarheid van voedsel, maar dit is niet het hoofdzakelijke knelpunt voor de zwarte specht op de Veluwe. Er is ook weinig habitat dat geschikt is voor de zwarte specht.
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepositie Projectnummer: 51008996 Datum: 13-12-2022
Versie: Definitief
Document referentie: NL22-648800269-38732