Hessenpoort 3 toelichting Bijlage 4 Natuurtoets Hessenpoort 3 Zwolle_uitgebreid_definitief_21-09-21 V2.1 incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
adviesrapport Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid
Gemeente Zwolle
Definitief
Zuiderzeelaan 53 8017 JV Zwolle T 0384236464
Colofon
E info@ecogroen.nl I www.ecogroen.nl
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid
21-419
21 september 2021
Definitief
R. Wormeester, S. Lindhout & M. Boerhof
M. Boerhof
M. Salomons, R. Olthof & A. Alberts
Gemeente Zwolle
©Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. Wormeester, R., Lindhout S. & Boerhof, M. (2021). Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle. Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid. Rapport 21-419. Ecogroen bv Zwolle.
Inhoud 1.
2.
Samenvatting
5
Inleiding
7
1.1 1.2 1.3
7 7 8
Aanleiding en doelstelling Huidige situatie en voorgenomen ontwikkelingen Leeswijzer
Toetsingskader en methode
9
2.1
9 10 10 10 11 11 11 11 12 12
2.2
Wettelijk kader 2.1.1 Toetsingskader bestemmingsplannen 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 2.1.3 Omgevingsverordening Overijssel Onderzoeksmethode 2.2.1 Literatuuronderzoek 2.2.2 Quickscan veldbezoek 2.2.3 Aanvullend onderzoek beschermde soorten 2.2.4 Toets soortbescherming 2.2.5 Toets gebiedsbescherming
3.
Soortbescherming 3.1 Flora 3.2 Zoogdieren 3.2.1 Vleermuizen 3.2.2 Egel 3.2.3 Das 3.2.4 Kleine marterachtigen 3.2.5 Eekhoorn 3.2.6 Overige grondgebonden zoogdieren 3.3 Vogels 3.3.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten 3.3.2 Buizerd , slechtvalk en boomvalk 3.3.3 Overige broedvogels 3.4 Amfibieën 3.5 Vissen 3.5.1 Grote modderkruiper 3.5.2 Overige vissen 3.6 Overige soorten
14 14 14 14 15 15 17 17 17 18 18 18 19 20 20 20 20 21
4.
Gebiedsbescherming 4.1 Relevante Natura 2000-gebieden 4.1.1 Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden 4.1.2 Mogelijke effecten 4.1.3 Effectbeoordeling 4.1.4 Habitatrichtlijnsoorten 4.1.5 Broedvogels
22 22 22 23 24 25 25
4.2
4.1.6 Niet-broedvogels Natuurnetwerk Nederland 4.2.1 Ligging plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland gebieden
Geraadpleegde bronnen
Bijlagen Bijlage 1 - Biotoopbeoordeling van das Bijlage 2 - Locaties cameravallen
26 26 26 28
Natuurtoets NatuurtoetsHessenpoort Hessenpoort3,3,Zwolle Zwolle
Samenvatting Aanleiding en doelstelling De gemeente Zwolle heeft het voornemen het bestaande bedrijventerrein Hessenpoort uit te breiden met Hessenpoort 3. Voor deze ontwikkeling is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Omdat de beoogde bestemmingswijziging mogelijk effect kan hebben op beschermde natuurwaarden heeft de gemeente Zwolle Ecogroen gevraagd een natuurtoets uit te voeren. In voorliggende natuurtoets wordt het effect van het voornemen getoetst aan de wettelijke bescherming van soorten en gebieden uit de Wet natuurbescherming.
Soortbescherming • Binnen het plangebied zijn verblijfplaatsen van egel vastgesteld. Bij het verwijderen van de houtwallen en/of de bosschage in de oostelijke punt van het plangebied gaan verblijfplaatsen van egel verloren. • Binnen en in de omgeving van het plangebied is de aanwezigheid van das bekend. Ten zuiden buiten het plangebied is een burcht aanwezig. De burcht wordt niet verstoord door de voorgenomen werkzaamheden. Tevens gaat bij de voorgenomen plannen geen essentieel foerageergebied verloren. Na uitvoering van de voorgenomen plannen blijft voldoende foerageergebied voor das aanwezig. Vervolgstappen voor das zijn niet aan de orde. • In de directe nabijheid van het plangebied zijn potentiële nestlocaties van buizerd, slechtvalk en boomvalk aangetroffen. Ook zijn diverse vogels broedend te verwachten in en in de directe omgeving van het plangebied. • Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vissen met een provinciale vrijstelling verloren gaan. • Het plan heeft geen negatief effect op beschermde flora, reptielen en ongewervelden.
Gebiedsbescherming • Uit de effectbeoordeling in hoofdstuk 4 blijkt dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht zijn uitgesloten. • Berekeningen met betrekking tot stikstof maken geen deel uit van dit rapport en worden door derden uitgevoerd.
05
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
Advies • Voor het verwijderen van verblijfplaatsen van egel is een ontheffing Wet natuurbescherming vereist. • De werkzaamheden binnen de verstoringsafstand (75 meter) van de potentiële nestlocatie van jaarrond beschermde buizerd, slechtvalk of boomvalk dienen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd om verstoring van de potentiële nestlocatie te voorkomen. • Werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Denk hierbij specifiek aan het verwijderen van bestaande houtwallen. De geschikte periode voor het uitvoeren van werkzaamheden is half november t/m half februari. Wanneer werkzaamheden binnen de broedperiode van vogels wordt uitgevoerd dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole te worden uitgevoerd. • Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van algemene nationaal beschermde zoogdieren, amfibieën en vissen verloren gaan. Voor deze soorten geldt in voorliggende situatie een provinciale vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, maar is wel de algemene zorgplicht van toepassing.
06
Natuurtoets NatuurtoetsHessenpoort Hessenpoort3,3,Zwolle Zwolle
1. Inleiding 1.1
Aanleiding en doelstelling De gemeente Zwolle bouwt op meerdere locaties in en aan de toekomst van de stad. Eén van deze locaties betreft bedrijventerrein Hessenpoort. In verband met de blijvende groei en vraag naar kleinere bedrijfskavels heeft de gemeente Zwolle het voornemen het bestaande bedrijventerrein uit te breiden met Hessenpoort 3. Voor deze ontwikkeling is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Omdat de beoogde bestemmingswijziging mogelijk effect kan hebben op beschermde natuurwaarden heeft de gemeente Zwolle Ecogroen gevraagd een natuurtoets uit te voeren. In een natuurtoets wordt het effect van het voornemen getoetst aan de wettelijke bescherming van soorten en Natura 2000-gebieden uit de Wet natuurbescherming. Conform de vraagspecificatie wordt bescherming van houtopstanden in de quickscan niet behandeld.
1.2
Huidige situatie en voorgenomen ontwikkelingen Het plangebied ligt ten noorden van de provinciale weg N340 en aan de zuidzijde van het reeds gerealiseerde deel van Hessenpoort, een industriegebied aan de oostzijde van Zwolle (zie figuur 1.1 en 1.2). Aan de noordzijde van het plangebied ligt een watergang, langs de Bohemenstraat. Het plangebied heeft momenteel de bestemmingen agrarisch en groen. Het plangebied bestaat uit met name agrarische percelen (hoofdzakelijk maïs en grasland) en houtwallen. De agrarische percelen worden middels sloten van elkaar gescheiden. Enkele van deze sloten zijn waterhoudend. Bebouwing ontbreekt binnen het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein door het bouwrijp maken van het plangebied. Op het bouwrijp gemaakte terrein worden wat kleinere bedrijfskavels ontwikkeld (van ca. 2.500-10.000 m2) met bijhorende infrastructuur. Het betreft voornamelijk bedrijven uit de industrie, kleinschalige tot middelgrote logistiek en groothandel, bouw en (auto)handel & reparatie. Voor het bouwrijp maken van de grond worden mogelijk sloten gedempt, begroeiing verwijderd en bomen gekapt. Op het moment van schrijven zijn verdere concrete
07
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
inrichtingswerkzaamheden nog niet bekend. Tijdens de uitvoering kunnen heiwerkzaamheden plaatsvinden. Uitgangspunt is dat dit maximaal twee weken per bedrijfskavel duurt.
Figuur 1.1 De ligging van het plangebied (rood omlijnd) geprojecteerd op een recente luchtfoto. Bron luchtfoto: PDOK.
Figuur 1.2 De ligging van het plangebied (roze arcering) geprojecteerd op de beoogde toekomstige situatie. Bron kaart: Gemeente Zwolle.
1.3
Leeswijzer In hoofdstuk 2 zijn het wettelijk kader en de onderzoeksmethodiek beschreven. Vervolgens wordt een effectanalyse en -beoordeling gegeven ten aanzien van beschermde soorten (hoofdstuk 3) en gebieden (hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 zijn de geraadpleegde bronnen vermeld.
08
Natuurtoets NatuurtoetsHessenpoort Hessenpoort3,3,Zwolle Zwolle
2. Toetsingskader en methode 2.1
Wettelijk kader De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden (Wnb; Overheid, 2021). In dit rapport wordt ingegaan op de bescherming van soorten en gebieden. Conform de uitvraag toetsen we niet aan houtopstanden. In onderstaand kader 2.1 geven we een samenvatting van de relevante wetteksten. Kader 2.1 Wet natuurbescherming Zorgplicht (artikel 1.11) De Wet eist van iedereen zorgplicht voor de natuur. Zorgplicht is altijd van kracht, ook ten aanzien van niet beschermde natuur. Artikel 1.11 schrijft voor dat niemand moedwillig natuurgebieden of in het wild levende dieren of planten of hun directe leefomgeving mag verstoren, schaden of doden. Dit kan door het achterwege laten van een handeling of door het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade of -als zelfs dat niet kan- de ontstane schade zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Een voorbeeld van voorzorg is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten. Natura 2000 (hoofdstuk 2) Hoofdstuk 2 regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Habitatrichtlijngebieden (HR) en Vogelrichtlijngebieden (VR). Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor de bescherming van natuurlijke habitats, habitats van soorten en leefgebieden van vogels.
Artikelen 2.1 tot en met 2.11 van de Wet regelen de bescherming van (de doelen voor) Natura 2000-gebieden. Artikel 2.7 verplicht om vooraf te beoordelen of plannen en projecten in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten kunnen hebben op de voor deze gebieden geformuleerde doelen. Als uit de beoordeling blijkt dat geen effecten optreden dan kan een plan worden vastgesteld of is een vergunning voor een project of handeling niet nodig. Zijn significant negatieve effecten niet uit te sluiten dan is een nadere beoordeling nodig. Artikel 2.8 bevat de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voor het vaststellen van een plan of het verlenen van een vergunning. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of handeling plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Soorten (hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 regelt de bescherming van soorten. De bescherming van soorten is verdeeld over de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. Het betreft de bescherming van: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), in de praktijk vaak onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd. – Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, ei-leg, broeden en voeren van de jongen op het nest).
• Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 3.5. • Andere soorten (artikel 3.10), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. – Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt. Indien effecten niet zijn uit te sluiten moet -voorafgaand aan het vaststellen van een plan- zijn beoordeeld of er uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing. Als er aantoonbaar uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing dan kan het plan worden vastgesteld. Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is
09
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Voor het verkrijgen van een ontheffing moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer er voor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken en aan welk wettelijk belang wordt voldaan.
2.1.1
Toetsingskader bestemmingsplannen Ten behoeve van vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan dient (conform jurisprudentie 1 ) ten aanzien van Natura 2000 de Wet natuurbeschermingstoets uitgevoerd te worden. Deze is vastgelegd in artikel 2.7 lid 1 Wnb & artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming. Dit houdt kortweg in dat voorafgaand aan vaststelling van het bestemmingsplan moet worden nagegaan of (uitvoering van) het plan kan leiden tot mogelijk significant negatieve gevolgen op een Natura 2000 -gebied. Volgens vaste jurisprudentie bestaat deze toets uit een vergelijking tussen de huidige feitelijke, planologisch legale situatie en de toekomstige maximale plansituatie. Ten aanzien van soortbescherming (Hoofdstuk 3, Wnb) is in de Wet natuurbescherming geen toetsingskader opgenomen ten aanzien van plannen. Voor soortbescherming wordt in het kader van plannen de uitvoerbaarheidstoets uitgevoerd, die volgt uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Met deze toets wordt de vraag beantwoord of de beschermingsregimes uit de Wnb de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Vrij vertaald wordt bepaald of er een ontheffing nodig is en zo ja, of er uitzicht is op het verkrijgen van een Wnb-ontheffing voor het project dat voortvloeit uit het bestemmingsplan.
2.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro; Overheid, 2021) en uitgewerkt in provinciale verordeningen. In het Barro staat dat bij provinciale verordening gebieden moeten worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen. De ligging van die gebieden wordt geometrisch vastgelegd. Bij provinciale verordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen of nabij het NNN, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, geldt een ‘nee-tenzij’-afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan is. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen en verankerd in de (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Omdat er voor de voorgenomen plannen sprake is van een afwijking/ wijziging van het vigerende bestemmingsplan, is voor het initiatief een toetsing aan het NNN aan de orde.
2.1.3
Omgevingsverordening Overijssel Het ruimtelijk beleid voor de NNN is in de provincie Overijssel vastgelegd in de Omgevingsverordening (Provincie Overijssel, 2021). Het beleid is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. Volgens art. 2.7.3 lid 4 van de omgevingsverordening (Provincie Overijssel, 2019) geldt dat: “Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als NNN wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting ________________________________________________________________________________ 1 ECLI:NL:RVS:2020:2318
10
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de opp ervlakte van die gebieden of van de samenhang tussen die gebieden.” De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in de provincie Overijssel hebben betrekking tot actuele en potentiële natuurwaarden van het gebied. Deze zijn beschreven in bijlage 1b van de omgevingsverordening (Provincie Overijssel, 2019). Daarnaast zijn er ook algemene waarden die onder de wezenlijke kenmerken en waarden vallen.
2.2
Onderzoeksmethode
2.2.1
Literatuuronderzoek Om de aanwezige of te verwachten beschermde waarden binnen de invloedssfeer van het plangebied in beeld te brengen is gestart met een literatuuronderzoek. Hierbij is onderzocht of beschermde soorten bekend zijn in of in de directe omgeving van het plangebied. Hiervoor is onder andere gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).
2.2.2
Quickscan veldbezoek De verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek vormt de basis voor het quickscan veldbezoek dat op 11 juli 2019 (miezerregen, bewolkt, 20°C, weinig wind) is uitgevoerd. Het plangebied en de directe omgeving zijn onderzocht door een ecoloog van Ecogroen. Tijdens het veldonderzoek is in kaart gebracht of (mogelijke) jaarrond beschermde nesten van vogels of eekhoorn aanwezig zijn in binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Ook zijn bomen gecontroleerd op de geschiktheid als vaste verblijfplaats voor vleermuizen door bomen te controleren op holtes, scheuren of loszittend schors. Specifiek is een biotoopbeoordeling uitgevoerd voor egel, kleine marterachtigen, das en grote modderkruiper (zie volgende paragraaf).
2.2.3
Aanvullend onderzoek beschermde soorten Tijdens het literatuuronderzoek en het quickscan veldbezoek is naar voren gekomen dat een aantal in Overijssel beschermde soorten mogelijk een leefgebied of verblijfplaatsen hebben in het plangebied. Het gaat specifiek om das, kleine marterachtigen, egel en grote modderkruiper. Vervolgens is op meerdere momenten nader onderzoek uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van deze soorten aan te tonen (zie ook tabel 2.1). Egel en kleine marterachtigen Het aanvullende onderzoek naar egel en kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) is uitgevoerd volgens de Brochure Soortbescherming in Overijssel (Veldman & Troost, 2019). Met behulp van drie wildcamera’s (gemonteerd in een houten kast met een blikje vis als lokmiddel) en een marterbox (houten kist met lokstof, een looptunnel en camera) is aanvullend onderzoek naar egel, wezel, hermelijn en bunzing uitgevoerd. Conform de brochure hebben de camera’s en marterbox minimaal drie weken in de meest actieve periode van de kleine marters (maart t/m augustus) opnames gemaakt in het veld. Op 27 mei 2020 zijn de camera’s en de marterbox geplaatst in het potentiële leefgebied van egel en kleine marterachtigen. De camera’s en marterbox zijn verdekt opgesteld en zodanig geplaatst dat er optimaal zicht is op (potentiële) verblijfplaatsen, verbindingszones en foerageergebied .
In bijlage 2 zijn de locaties van de camera’s weergegeven. De camera’s en marterbox hebben vier weken lang beeldmateriaal verzameld. Op 8 juni 2020 zijn de camera’s en de marterbox in het veld gecontroleerd op functioneren, is beeldmateriaal uitgelezen en zijn batterijen gewisseld. Op 22 juni 2020 zijn
11
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
de camera’s en marterbox opgehaald. De verkregen beelden zijn geanalyseerd op aanwezigheid van egel en kleine marterachtigen. Das Op circa 500 meter van het plangebied is de aanwezigheid van een dassenburcht bekend (NDFF, 2021). Door middel van het veldbezoek op 11 juli 2019 is het verwachte terreingebruik van das rondom de burcht in kaart gebracht. Hierbij heeft de focus gelegen op aanwezige verblijfplaatsen en foerageergebieden. Een afstand van 500 meter tot 750 meter vanaf een burcht wordt doorgaans aangehouden als gebied waarbinnen gefoerageerd wordt (BIJ12, 2017b). Daarom is binnen een straal van circa 1000 meter rondom de burcht het landgebruik vlakdekkend in kaart gebracht. Daarnaast is in het veld gelet op sporen van das, zoals graafsporen, latrines en wissels. De geschiktheid van percelen als foerageergebied is als volgt ingedeeld: Jaarrond beschikbaar foerageergebied • Uiterwaarden • Dijken • Bebossing en struwelen • Grasland Periodiek beschikbaar foerageergebied • Maïsakkers • Campingterrein In cumulatie op de uitbreiding van Hessenpoort 3 is bij de geschiktheidsbeoordeling voor das tevens rekening gehouden met de toekomstige aanleg van de N340. Zodoende is het oppervlak waarbinnen het wegtraject van de N340- gesitueerd is als ongeschikt beoordeeld. Grote modderkruiper Voor grote modderkruiper is op 11 juli 2019 een biotoopbeoordeling uitgevoerd .
Aanvullend zijn aanwezige sloten intensief bemonsterd met een RAVON-schepnet, conform de richtlijnen uit het kennisdocument van grote modderkruiper (BIJ12, 2017c). 2.2.4
Toets soortbescherming Op basis van het uitgevoerde literatuuronderzoek en de veldonderzoeken is beoordeeld welke beschermde soorten (mogelijk) aanwezig zijn. Vervolgens is op basis van het voorgenomen plan bepaald welke effecten kunnen optreden op beschermde soorten. Ook is bepaald of vervolgstappen in het kader van de Wnb nodig zijn zoals het uitvoeren van nader onderzoek en of er uitzicht is op een eventuele ontheffing Wnb.
2.2.5
Toets gebiedsbescherming Natura 2000 In een voortoets is beoordeeld of het plan kan leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Er is gestart met het bepalen van de (mogelijke) negatieve effecten die als gevolg van de plannen kunnen optreden. Daarbij is op basis van het uitgevoerde literatuuronderzoek en het veldbezoek beoordeeld welke beschermde natuurwaarden met instandhoudingsdoelen in en rondom het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Vervolgens is beoordeeld of negatieve effecten te verwachten zijn op instandhoudingsdoelen van Natura 2000 -gebieden, en zo ja, of deze significant (kunnen) zijn. Indien (mogelijk) sprake is van significant negatieve effecten is advies gegeven over te nemen vervolgstappen.
12
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
Effecten als gevolg van stikstofdepositie worden niet getoetst in dit rapport. Dit onderwerp wordt separaat uitgewerkt. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt geheel buiten de begrenzing van het NNN. Het NNN kent in de provincie Overijssel formeel geen externe werking, maar in het kader van goede ruimtelijke ordening worden de mogelijk negatieve effecten van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging op het NNN nader uitgewerkt. Daartoe is aan de hand van het uitgevoerde literatuuronderzoek en het veldbezoek beoordeeld of er door de het plan effecten kunnen optreden op de wezenlijke kenmerken en waar den NNN. Indien dit het geval is, is er een advies opgenomen over de te nemen vervolgstappen.
13
Natuurtoets NatuurtoetsHessenpoort Hessenpoort3,3,Zwolle Zwolle
3. Soortbescherming 3.1
Flora In het plangebied zijn algemene plantensoorten van ruderale en agrarische gronden aangetroffen, zoals Engels raaigras, schapenzuring, grote brandnetel, duizendblad en boerenwormkruid. Daarnaast zijn in de ruiger begroeide delen van het plangebied soorten als eenstijlige meidoorn, gewone braam, zomereik, wilde lijsterbes, ruwe berk en boswilg aanwezig. Tijdens de veldbezoeken zijn geen wettelijk beschermde plantensoorten aangetroffen in het plangebied. Op basis van de aangetroffen soortensamenstelling, de terreingesteldheid en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2021) worden deze soorten ook niet verwacht. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van de soortgroep flora is in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde.
3.2
Zoogdieren
3.2.1
Vleermuizen Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 3.1). Hieronder worden deze onderdelen nader beoordeeld. Kader 3.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven / zomerverblijven, baltslocaties / paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jarenlang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Fo erageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen. Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming echter geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie.
14
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
Verblijfplaatsen In het plangebied is geen bebouwing aanwezig die kan dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezige bomen in en rondom het plangebied zijn eveneens ongeschikt als potentiële verblijfplaats vanwege het ontbreken van geschikte holtes of spleten. Vervolgstappen voor verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aan de orde. Vliegroutes en foerageergebieden Binnen het plangebied ontbreken geschikte lijnvormige elementen die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. De houtwallen vormen namelijk geen verbinding tussen (potentiële) verblijfplaatsen en foerageergebieden. Negatieve effecten op onmisbare vliegroutes van vleermuizen worden daarom uitgesloten. Door de aanwezigheid van oppervlaktewater, grasland en houtwallen kan het plangebied wel als foerageergebied gebruikt worden. Door de werkzaamheden verdwijnt beperkt foerageergebied van vleermuizen. In de directe omgeving van het plangebied zijn genoeg alternatieven aanwezig in de vorm van oppervlaktewateren (kolken) langs de Vecht, bosgebieden en agrarische gronden in de omgeving waardoor er geen sprake is van verlies van onmisbaar foerageergebied. Vervolgstappen voor vliegroutes of foerageergebieden van vleermuizen zijn niet aan de orde. 3.2.2
Egel In de omgeving van het plangebied zijn meerdere waarnemingen bekend van egel (NDFF, 202 1). Tijdens het quickscan veldbezoek zijn in de houtwallen en ruigtes binnen het plangebied mogelijke verblijfplaatsen van egel aangetroffen in de vorm van rommelhoekjes, bladerhopen, ruigtes en begroeide perceelgrenzen. Daarnaast is geschikt foerageergebied aanwezig binnen het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende alternatief foerageer gebied aanwezig in de vorm van bosgebied, agrarische percelen en woonerven waardoor van essentieel foerageergebied geen sprake is. Omdat in het plangebied potentieel leefgebied van egel aanwezig is, is gericht onderzoek naar egel uitgevoerd middels cameraonderzoek. Op alle vier de camera’s is de aanwezigheid van egel vastgelegd, in totaal op vijf verschillende momenten. Op basis van de terreinkenmerken en de resultaten van het cameraonderzoek wordt de aanwezigheid van ten minste twee paar egels verwacht binnen het plangebied. Bij het verwijderen van de houtwallen en/of de bosschage in de oostelijke punt van het plangebied gaan beschermde verblijfplaatsen van egel verloren. Voor het verwijderen van verblijfplaatsen van egel is een ontheffing van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
3.2.3
Das Op circa 500 meter ten zuiden van het plangebied is een dassenburcht aanwezig (NDFF, 2021). Ook zijn tijdens het veldbezoek sporen van das aangetroffen in het plangebied in de vorm van latrines en wissels. Binnen het plangebied zijn geen burchten van das waargenomen (zie bijlage 1). Gezien de afstand van het plangebied tot de burcht is directe verstoring van de burcht als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden uitgesloten. Effecten op de burcht zijn alleen denkbaar wanneer er na de uitvoering van de plannen onvoldoende foerageergebied zou resteren voor de dassen in de vastgestelde burcht. Tijdens het veldbezoek zijn alle percelen binnen circa 1000 meter vanaf de burcht beoordeeld op geschiktheid als foerageergebied voor das (zie paragraaf 2.2). Voor das is het belangrijk dat binnen 500 meter tot enkele kilometers van de burcht voldoende (minimaal 30 hectare) geschikt foerageergebied aanwezig is (BIJ12, 2017b; zie kader 3.2).
15
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
Kader 3.2 Foerageergebied das De grootte van een dassenterritorium is afhankelijk van het voedselaanbod en dus van de kwaliteit van het leefgebied. De grootte varieert van 30 tot 150 hectare in optimaal gebied en van 150 tot 600 hectare in marginaal gebied. Het foerageergebied van das ligt tot ongeveer 1,5 tot 12 kilometer van de burcht. Er moet voldoende foerageergebied liggen binnen 500 meter tot enkele kilometers. Belangrijke onderdelen zijn dan delen waar het hele jaar eten te vinden is, zoals graslanden met gras korter dan 5 centimeter. Alleen dan kan das voldoende wormen vinden. Als koeien op deze graslanden grazen, dan keert das de koeienvlaaien om, om mestkevers en dergelijke te vinden. Ook in bossen en bosjes kan hij het hele jaar voedsel vinden. Er zijn ook onderdelen, zoals (maïs)akkers, hoogstamboomgaarden en ruigten, die in een bepaald deel van het jaar geschikt zijn om voedsel in te zoeken.
Uit de biotoopbeoordeling in de ruime omgeving van de burcht is gebleken dat binnen 500 meter van de burcht momenteel circa 35,4 hectare jaarrond geschikt foerageergebied aanwezig is in de vorm van grasland, ruigte en bebossing (zie bijlage 1 en tabel 3.1). Daarnaast is er circa 9,7 hectare aan periodiek geschikt foerageergebied aanwezig binnen een straal van 500 meter van de burcht, voornamelijk in de vorm van maisakkers. In de toekomstige situatie – waarbij het bedrijventerrein wordt ontwikkeld – gaat slechts een klein gedeelte van dit foerageergebied verloren. In de toekomstige situatie blijft 34,9 hectare jaarrond geschikt foerageergebied en 8,9 hectare periodiek geschikt foerageergebied binnen een straal van 500 meter rondom de burcht beschikbaar. Foerageergebied ten noorden van de N340 (maar buiten het plangebied) blijft beschikbaar, doordat faunapassages en tunnels aangelegd worden op het nieuwe tracé N340. Tabel 3.1 Het huidige en na de voorgenomen ontwikkelingen resterende foerageergebied van das in een straal van 500 meter en 1000 meter tot de burcht (zie bijlage 1 voor een geografische weergave).
Foerageergebied das
Huidig foerageergebied
Resterend foerageergebied
Straal 500 m
Straal 1000 m
Straal 500 m
Straal 1000 m
Jaarrond geschikt
35,4 ha
78,3 ha
34,9 ha
65,8 ha
Periodiek geschikt
9,7 ha
26,5 ha
8,9 ha
17,3 ha
Op basis van de biotoopbeoordeling en de bekende verspreidingsgegevens wordt geconcludeerd dat voldoende foerageergebied voor das (>30 ha) aanwezig blijft binnen 500 meter van de burcht na uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast is er binnen een straal van 1000 meter van de burcht momenteel circa 78,3 hectare jaarrond geschikt foerageergebied en circa 26,5 hectare periodiek geschikt foerageergebied beschikbaar. In de toekomstige situatie resteert 65,8 hectare jaarrond geschikt foerageergebied en 17,3 hectare periodiek geschikt foerageergebied binnen een staal van 1000 meter van de burcht. Hierdoor blijft voldoende foerageergebied rondom de burcht aanwezig, waardoor dassen de zuidelijk gelegen burcht niet verlaten. Uit bekende waarnemingen (NDFF, 2021) is tevens gebleken dat das tevens is waargenomen op >1000 meter van de burcht. Omdat andere dassenburchten in de omgeving ontbreken mag worden aangenomen dat het dezelfde dassenfamilie betreft (Bunskoek & Veeman, 2012). Tevens zijn de uiterwaarden op meer dan 1000 meter afstand van de burcht richting het oosten en westen geschikt als foerageergebied. Overigens is bekend dat dassen goede zwemmers zijn. Hierdoor en ook door de aanwezigheid van een spoorbrug nabij de burcht – die de das mogelijk kan gebruiken om over te steken – is het mogelijk dat de das ook gebruik maakt van foerageergebieden ten zuiden van de Vecht.
16
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
Voor das gaan geen verblijfplaatsen of essentieel foerageergebied verloren. Na uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen blijft voldoende foerageergebied voor das beschikbaar waardoor dassen de zuidelijke burcht niet (permanent) verlaten. Vervolgstappen voor das zijn niet aan de orde. 3.2.4
Kleine marterachtigen In de omgeving van het plangebied zijn meerdere waarnemingen bekend van bunzing, hermelijn en wezel (NDFF, 2021). Tijdens het quickscan veldbezoek zijn in de houtwallen en ruigtes binnen het plangebied mogelijke verblijfplaatsen van deze soorten aangetroffen in de vorm van rommelhoekjes, ruigten en holtes onder boomwortels. Daarnaast is geschikt foerageergebied aanwezig binnen het plangebied. Omdat in het plangebied potentieel leefgebied van en kleine marterachtigen aanwezig is, is gericht onderzoek naar deze soorten uitgevoerd middels cameraonderzoek. Op de camera’s zijn geen wezel, hermelijn of bunzing vastgelegd. Op basis van de resultaten van het cameraonderzoek word en vaste verblijfplaatsen van kleine marterachtigen binnen het plangebied niet verwacht. Vervolgstappen ten aanzien van kleine marterachtigen zijn niet aan de orde.
3.2.5
Eekhoorn In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van eekhoorn bekend (NDFF, 202 1). De dichtstbijzijnde waarneming betreft een foeragerende eekhoorn in bosgebied op ruim 600 meter westelijk van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten of (sporen van) eekhoorns aangetroffen. Nesten worden op basis van het veldbezoek ook niet verwacht. Eekhoorns maken gebruik van ouder bos omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is (Zoogdiervereniging, 202 1). In het plangebied ontbreekt ouder bos waardoor geschikt leefgebied van eekhoorn niet aanwezig is. Vervolgstappen zijn niet aan de orde voor de eekhoorn.
3.2.6
Overige grondgebonden zoogdieren Vaste verblijfplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdieren die zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde zoogdieren (zoals steenmarter) worden op basis van terreinkenmerken, het uitgevoerde onderzoek en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2021) uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde. Wel zijn in het plangebied vaste verblijfplaatsen van een aantal algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten aangetroffen en/of te verwachten. Dit zijn onder andere huisspitsmuis, gewone bosmuis, rosse woelmuis, konijn en haas. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele verblijfplaatsen en/of exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Overijssel vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming. Op grond van de zorgplichtbepaling moeten schadelijke handelingen in beginsel achterwege worden gelaten dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen of te beperken tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Dit is mogelijk door het verwijderen van beplanting en overige ruigtes uit te voeren in de maanden september en oktober.
17
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
3.3
Vogels Bij vogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregime (zie kader 3.3. Van veel vogels zijn nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geldt echter dat de nestlocaties inclusief de functionele leefomgeving jaarrond beschermd zijn (zie kader 3.3). Kader 3.3 Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van broedvogels wordt verstaan: in functie zijnde nesten van de ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, wespendief, zwarte wouw, slechtvalk, sperwer, steenuil, kerkuil, oehoe, gierzwaluw, grote gele kwikstaart en huismus. Vanaf september 2019 zijn in Overijssel ook in functie zijnde nesten van boerenzwaluw, bosuil, huiszwaluw, raaf, torenvalk, zeearend en zwarte specht jaarrond beschermd. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
3.3.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten Binnen het plangebied zijn geen nesten of onmisbare foerageergebieden aangetroffen van jaarrond beschermde broedvogels. Wel zijn in de directe nabijheid van het plangebied potentiële nestlocaties van buizerd, slechtvalk en boomvalk aangetroffen. Overige broedvogels met jaarrond beschermde nesten worden op basis van het ontbreken van geschikte nestplekken (o.a. door afwezigheid van bebouwing) en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2021) niet in het plangebied verwacht.
3.3.2
Buizerd , slechtvalk en boomvalk Tijdens het veldbezoek zijn vier potentiële nestlocaties van boomvalk, slechtvalk en buizerd aangetroffen in hoogspanningsmasten buiten het plangebied (zie figuur 3.1). Daarnaast is hier een alarmerende buizerd waargenomen tijdens het veldbezoek. De potentiële nestlocaties bevinden zich vanaf circa 55 meter afstand van het plangebied. Aanlegfase Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de mogelijke nestlocaties van buizerd, slechtvalk en boomvalk. Indien het bouwrijp maken en bouwwerkzaamheden binnen de verstoringsafstand (<75 meter; BIJ12, 2017a) van de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen van buizerd, slechtvalk en boomvalk plaatsvinden, zijn vervolgstappen zijn niet nodig. De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden is september tot en met januari. Wanneer dit niet mogelijk is, adviseren we om voorafgaand aan de werkzaamheden (die plaatsvinden binnen de verstoringsafstand van het nest) na te gaan of het nest op dat moment daadwerkelijk door buizerd, slechtvalk of boomvalk gebruikt wordt. Deze nestcontrole dient uitgevoerd te worden binnen het broedseizoen van buizerd, slechtvalk en boomvalk (februari t/m augustus). Wanneer het nest niet door buizerd, slechtvalk of boomvalk gebruikt wordt, kunnen de werkzaamheden zonder aanvullende maatregelen uitgevoerd worden.
Wanneer tijdens de controle gebruik door buizerd, slechtvalk of boomvalk vastgesteld wordt, dan dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld tot buiten het broedseizoen. Gebruiksfase Door ingebruikname van Hessenpoort 3 kan eveneens verstoring plaatsvinden op mogelijke nestl ocaties van buizerd of boomvalk. In de omgeving van de nesten vindt in de huidige situatie echter al verstoring plaats, bijvoorbeeld in de vorm van aanlegwerkzaamheden van Hessenpoort en (gebruik van werkroutes voor) de aanleg van het viaduct over het spoor ten behoeve van de te verleggen N340. Daardoor wordt verwacht dat buizerd, slechtvalk en boomvalk al gewend zijn aan enige mate
18
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
van verstoring. Omdat de werkzaamheden buiten de meest kritische zone van 50 meter plaatsvinden, wordt niet verwacht dat de ingebruikname van nieuwe bedrijfshallen binnen het plangebied ervoor zorgt dat boomvalk, slechtvalk of buizerd hun nesten verlaten.
Figuur 3.1 Het plangebied (rood gearceerd) en de locaties van de potentiële jaarrond beschermde nestlocaties binnen de verstoringsafstand van 75 meter (oranje) en buiten de verstoringsafstand van 75 meter (groen). Bron luchtfoto: Nationaal Georegister.
3.3.3
Overige broedvogels In de bomen, ruigtes, grasland en maïsland in en rondom het plangebied is geschikt broedbiotoop aanwezig voor enkele vogelsoorten als tjiftjaf, geelgors, roodborsttapuit, putter, graspieper, gele kwikstaart, merel, zanglijster, vink, houtduif, appelvink en wulp. Door de voorgenomen ontwikkeling (met name het kappen van bomen en bouwrijp maken van percelen) gaan mogelijk broedplekken van bovengenoemde soorten verloren. In de omgeving van het plangebied blijven ruim voldoende alternatieve nestlocaties in omliggend bos- en landbouwgebied beschikbaar als de nestlocaties verloren gaan. Werkzaamheden die zorgen voor schade of ernstige verstoring van bewoonde nesten (leidend tot het verlaten van nesten), dienen te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen (half november t/m half februari). Met name te verwachten soorten als de houtduif en merel kunnen tot laat in het seizoen doorgaan met broeden en ook vroeg in het seizoen starten met broeden. Indien werkzaamheden in de periode half februari t/m half november worden opgestart dan is voorafgaand aan werkzaamheden een broedvogelcontrole nodig door een ter zake deskundige. Mochten broedende vogels aanwezig zijn dan dienen de werkzaamheden ter plekke te worden uitgesteld tot de jongen zijn uitgevlogen.
19
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
3.4
Amfibieën Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en verspreidingsgegevens wordt voortplanting en overwintering van overige in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde amfibieën (zoals poelkikker, heikikker en rugstreeppad) uitgesloten. Vervolgstappen zijn voor deze amfibieën niet aan de orde. Aanwezige waterhoudende sloten worden wel gebruikt als voortplantingswater door algemene soorten als kleine watersalamander, gewone pad, bastaardkikker en bruine kikker. Daarnaast vindt overwintering plaats in wortelkluiten van bomen, ruigten en struweel. Bij de geplande ingrepen kunnen exemplaren van vrijgestelde beschermde amfibieën geschaad worden. In voorliggende situatie geldt vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, maar is wel de algemene zorgplicht van toepassing. Op grond van de zorgplichtbepaling moeten schadelijke handelingen in beginsel achterwege worden gelaten dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen of te beperken tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Dit is mogelijk door: • De werkzaamheden in watergangen bij voorkeur uit te voeren in de maanden september en oktober (d.w.z. na de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen en amfibieën).
• Voor aanvang van de werkzaamheden aanwezige waterfauna (met name amfibieën) wegvangen en vervolgens op een geschikt locatie in de nabije omgeving uitzetten. • Gedurende het dempen van de watergangen één kant op te werken, zodat dieren de werkzaamheden kunnen ontvluchten.
3.5
Vissen
3.5.1
Grote modderkruiper In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote modderkruiper (NDFF, 2021). Waterhoudende sloten in het plangebied zijn beperkt geschikt voor grote modderkruiper door het ontbreken van rijke oever- en (onder)watervegetatie en een dikke modderlaag op de bodem. De waterhoudende sloten in het plangebied zijn kaal en zanderig met een zanderige bodem. Wel staan de sloten in verbinding met overige watergangen die wel geschikt zijn voor grote modderkruiper (zoals de Steenwetering) en waardoor grote modderkruipers incidenteel ook kunnen voorkomen in de sloten binnen plangebied. Tijdens het quickscan veldbezoek (waarbij waterhoudende sloten met een schepnet zijn bemonsterd) zijn echter geen exemplaren van grote modderkruiper aangetroffen. Op basis van het schepnetonderzoek en de beperkte geschiktheid van de sloten, wordt de aanwezigheid van grote modderkruiper binnen het plangebied niet verwacht. Vervolgstappen voor grote modderkruiper zijn op dit moment niet aan de orde.
3.5.2
Overige vissen Overige beschermde vissoorten worden op basis van terreinkenmerken, biotoopeisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2021) niet verwacht in of nabij het plangebied. Op grond van de zorgplichtbepaling moeten schadelijke handelingen in beginsel achterwege worden gelaten dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen of te beperken tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Dit is mogelijk door:
20
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
• De werkzaamheden in watergangen bij voorkeur uit te voeren in de maanden september en oktober (d.w.z. na de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen en amfibieën). • Voor aanvang van de werkzaamheden aanwezige waterfauna wegvangen en vervolgens op een geschikt locatie in de nabije omgeving uitzetten. • Gedurende het dempen van de watergangen één kant op te werken, zodat dieren de werkzaamheden kunnen ontvluchten
3.6
Overige soorten Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 202 1) wordt in het plangebied en in de directe omgeving geen voortplanting of vaste verblijfplaatsen verwacht van overige beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde voor overige soortgroepen (reptielen en ongewervelden).
21
Natuurtoets NatuurtoetsHessenpoort Hessenpoort3,3,Zwolle Zwolle
4. Gebiedsbescherming 4.1
Relevante Natura 2000-gebieden
4.1.1
Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Het meest dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht’ (Vogel- en Habitatrichtlijngebied). Dit gebied ligt op een afstand van circa 300 meter van het plangebied (zie figuur 4.1).
Figuur 4.1 Plangebied (rode omlijning) ten opzichte van Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht met Habitatrichtlijngebied (paars) en Vogel- en Habitatrichtlijngebied (groen).
Het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is aangewezen als beschermingszone voor de volgende natuurwaarden: elf habitattypen, vier habitatrichtlijnsoorten, vijf broedvogels en zeven niet-broedvogelsoorten (zie tabel 4.1). Voor deze natuurwaarden gelden instandhoudingsdoelen voor oppervlak, kwaliteit en populatieomvang. Figuur 4.2 geeft de ligging van habitattypen rondom het plangebied weer.
22
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
Tabel 4.1 Aangewezen habitattypen en habitat- en vogelrichtlijnsoorten voor Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. H3150 H6120 H6410 H6430A H6430B H6510A H6510B H91E0A H91E0B H91E0C H91F0
Habitattypen Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Stroomdalgraslanden Blauwgraslanden Ruigten en zomen (moerasspirea) Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen) Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Droge hardhoutooibossen
A021 A119 A122 A197 A298
Broedvogels Roerdomp Porseleinhoen Kwartelkoning Zwarte stern Grote karekiet
H1134 H1145 H1149 H1163
Habitatsoorten Bittervoorn Grote modderkruiper Kleine modderkruiper Rivierdonderpad
A037 A041 A050 A054 A056 A125 A156
Niet-broedvogels Kleine zwaan Kolgans Smient Pijlstaart Slobeend Meerkoet Grutto
Figuur 4.2 Plangebied met habitattypen binnen een afstand van 1.500m.
4.1.2
Mogelijke effecten Doordat het plangebied buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied ligt, beperken eventuele effecten zich tot externe werking. Het betreft uitstralende effecten als geluid, licht, trillingen en verstoring door menselijk activiteit, o.a. door bouwwerkzaamheden (Ministerie van EZ 2016; Broekmeyer 2005). Directe negatieve effecten, waaronder oppervlakteverlies van habitattypen en leefgebieden, worden vanwege de ligging op voorhand uitgesloten.
23
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
In deze Natuurtoets is gebruikt gemaakt van effectafstanden: tot hoever reikt de invloed van een verstoringsbron. In de Natuurtoets zijn deze afstanden gebruikt om af te bakenen met welke natuurwaarden rekening dient te worden gehouden. Dit betekent niet dat alles wat zich bevindt binnen een invloedsgebied daadwerkelijk een negatief effect ondervindt. Dit afhankelijk is van de duur, ligging van de verstoringsbron, uitvoeringsperiode, gevoeligheid van de soorten (verstoringsafstand) en dergelijke. Voor de gevoeligheid van soorten is gebruikt gemaakt van verstoringsafstanden. Deze afstanden verschillen per soort (25-500 meter) en zijn gebaseerd op de verstoringsafstanden, vooral uit het onderzoek van Krijgsveld et al. (2008). Tijdens de aanlegfase kunnen piekgeluiden van heiwerkzaamheden tot verstoring leiden tot een afstand van 1.500 meter (Arcadis, 2014). De verstoringsafstand van trillingen bedraagt circa 100 meter vanaf de bron (Groen et al. 2013). Deze effectafstand is afkomstig van eerdere metingen die gedaan zijn naar trillingen (IFCO Funderingsexpertise, NIVRE Seminar metingen, november 2006 ). Lichtemissies hebben verstorend een effect tot maximaal enkele honderden meters van de bron (Molenaar, 2003; Molenaar et al., 2000, 2003). Buiten deze afstand is de lichtbron nog wel zichtbaar, maar heeft geen verstorend effect meer.
De invloed van trillingen en lichtemissies reiken niet tot in het Natura 2000-gebied (> 300 meter). Uit voorgaande blijkt dat tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase effecten kunnen optreden als gevolg van verstoring door geluid en visuele verstoring (menselijke activiteit). 4.1.3
Effectbeoordeling In deze paragraaf wordt beoordeeld of de te verwachten effecten (paragraaf 4.1.2) leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Hierbij worden eerst de habitattypen en bijbehorende typische soorten behandeld, vervolgens de habitatrichtlijnsoorten, de broedvogels en de niet-broedvogels. Habitattypen Het dichtstbij gelegen habitattype is H6120 Stroomdalgraslanden, dat op zo’n 315 meter afstand van het plangebied ligt. H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) en H6510A/B Glanshaver - en vossenstaarthooilanden (glanshaver/grote vossenstaart) liggen op minimaal 340 tot 460 meter afstand. Aan de noordwest zijde van de A28 liggen H91E0A/B Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen/essen-iepenbossen) liggen op zo’n 1.500 meter afstand van het plangebied. Habitattypen zijn niet gevoelig voor verstoring door geluid, licht of visuele verstoring. De typische soorten 2 van habitattypen kunnen hier wel gevoelig voor zijn. Verstoring typische soorten habitattypen Het toetsingscriterium ten aanzien van typisch soorten is dat de soortenrijkdom in het gebied behouden moet blijven en (bij grootschalige gebieden) de gemiddelde verspreiding niet afneemt (Min. EZ, 2014b).
Het gaat hierbij dus niet om effecten op afzonderlijke individuen van een soort, maar om het kwaliteitsniveau dat de typische soorten als geheel aanduiden door de aanwezigheid in het (deel)gebied. Een afname in de populatiegroottes van deze soorten betekent dus nog geen negatief effect. Dit betekent dat er pas sprake is van een negatief effect (verslechtering) als een typische soort (volledig en langdurig) verdwijnt uit een gebied. Het gaat tenslotte alleen om effecten op typische soorten die aanwezig zijn in het habitattype.
________________________________________________________________________________ 2 Typische soorten zijn soorten die gebonden zijn aan een habitattype en mede bepalend zijn voor de mate van kwaliteit van
een habitattype.
24
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
Aan elk habitattype zijn typische soorten uit verschillende soortgroepen zoals insecten, planten, paddenstoelen, mossen, reptielen, zoogdieren en vogels gebonden (min. EZ, 2014a). Van de verschillende soortgroepen zijn vogelsoorten en zoogdieren de meest gevoelige soorten voor verstoring. Soortgroepen als vaatplanten, insecten en reptielen zijn weinig gevoelig voor verstoring. Daarom is het effect beoordeeld aan de hand van de verstoringsgevoeligheid van de typisch e vogelsoorten en zoogdieren. Typische vogelsoorten behorende bij de habitattypen die nabij het plangebied liggen zijn broedvogels als graspieper (H6120 stroomdalgraslanden), bosrietzanger (H6430A Ruigten en zomen), kwartel (H6510A glanshaver- en vossenstaarthooilanden). Daarnaast zijn dwergmuis en waterspitsmuis typische soorten van H6430A Ruigten en zomen. Aan de andere nabij gelegen habitattypen zijn geen typische zoogdiersoorten gebonden. Typische vogelsoorten behorende bij de habitattypen op 1.500 meter afstand van het plangebied zijn grote bonte specht, kwak, matkop, nachtegaal (H91E0 vochtige alluviale bossen). Daarnaast is bever een typische soort van H91E0 vochtige alluviale bossen. De verstoringsafstand van typische vogelsoorten is afgeleid van die van de kwalificerende broedvogelsoort kwartelkoning en duinpieper.
Deze soorten zijn matig en gemiddeld verstoringsgevoelig: verstoringsafstanden van geluid en visuele verstoring zijn respectievelijk < 100 m en 100-300 m afstand). De habitattypen liggen buiten de genoemde verstoringsafstanden waardoor er geen sprake is van (permanente) aantasting van de soortenrijkdom en verspreiding van typische vogelsoorten. Tijdens de aanlegfase kunnen piekgeluiden van heiwerkzaamheden wel tot verstoring leiden, tot 1.500 meter. Voldoende tussenliggende bebouwing of houtopstanden ontbreken om dit geluid nabij het plangebied te dempen. De verstoring is echter van tijdelijke aard (maximaal 2 weken per bedrijfskavel). Permanente effecten op de (gemiddelde) verspreiding van de typische soorten in het Natura 2000-gebied zijn uitgesloten. Eventueel verstoorde vogels kunnen tijdelijk naar elders uitwijken. Stroomdalgraslanden, glashaver- en vossenstaarthooilanden en ruigten en zomen zijn in het Natura 2000-gebied veelvoorkomende habitattypen en daarnaast is buiten de habitattypen ook veelvuldig alternatief leefgebied aanwezig voor de typische soorten. Effecten op (gemiddelde) verspreiding van graspieper, bosrietzanger en kwartel zijn uitgesloten. Waarnemingen van bever zijn bekend op een afstand van zo’n 450 meter van het plangebied. Waarnemingen van dwergmuis en waterspitsmuis in de omgeving van het plangebied zijn niet bekend (NDFF, 2021).
Uitgebreid onderzoek naar verstoringsgevoeligheid van zoogdieren is niet bekend. Wel blijkt uit praktijkvoorbeelden dat Noordse woelmuis en bever geen verstoring ondervinden van trilling, geluid, licht en visuele verstoring (Vegte van der, 2014). Op basis van deze gelijkende soorten en vanwege het ontbreken van directe waarnemingen in de omgeving van het plangebied worden verstorende effecten op typische soorten uitgesloten. 4.1.4
Habitatrichtlijnsoorten Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is aangewezen voor vier habitatrichtlijnsoorten (zie tabel 4.1). De aangewezen vissen (bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper en rivierdonderpad) zijn ongevoelig voor verstoring van geluid (boven water) en visuele verstoring (Broekmeyer, 2005, 2010; Min. EZ 2015). Hierdoor is geen sprake van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van deze habitatrichtlijnsoorten.
4.1.5
Broedvogels Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is aangewezen voor vijf broedvogelsoorten (zie tabel 4.1). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natura 2000-gebied dat is aangewezen als
25
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
is vogelrichtlijngebied ligt op ruim 1.000 meter ten noordwesten van het plangebied. De A28, de N340 en de Kranenburgerweg liggen tussen het plangebied en het vogelrichtlijngebied. Daarnaast wordt het vogelrichtlijngebied afgeschermd door diverse groenstructuren (o.a. landgoed Dijkzicht). Broedvogels kunnen verstoord raken door piekgeluiden als gevolg van heiwerkzaamheden. Heiwerkzaamheden worden gedurende de dag uitgevoerd, wanneer achtergrondgeluiden van de tussenliggende wegen aanwezig zijn en de piekgeluiden in het vogelrichtlijngebied overstemmen. Bovendien worden de piekgeluiden gedempt door tussenliggende groenstructuren. Vanwege de afstand, tussenliggende infrastructuur en tussenliggende groenstructuren worden negatieve effecten door geluid en visuele verstoringen uitgesloten. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van broedvogels zijn dan ook uitgesloten. 4.1.6
Niet-broedvogels Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is aangewezen voor zeven niet-broedvogelsoorten (zie tabel 4.1). De niet-broedvogels zijn allemaal gebonden aan open uiterwaarden met grasland en drassige oevers, in open gebied (Natura2000, 2021). Het gebied heeft voor de nietbroedvogels zowel een functie voor foerageren en slapen (Provincie Overijssel 2015a). Voor de niet-broedvogels geldt, net als voor de broedvogels, dat deze vestoord kunnen raken door piekgeluiden als gevolg van heiwerkzaamheden. Vanwege de afstand, tussenliggende infrastructuur en tussenliggende groenstructuren worden negatieve effecten door geluid en visuele verstoringen uitgesloten. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van niet-broedvogels zijn dan ook uitgesloten.
4.2
Natuurnetwerk Nederland
4.2.1
Ligging plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland gebieden Het plangebied ligt niet in of nabij Natuurnetwerk Nederland-gebieden (Overijssel, 2021). Het meest nabijgelegen Natuurnetwerk Nederland-gebied zijn Oeverlanden Zwarte Water en Vechtdal, die ten zuidwesten van het plangebied op zo’n 300 meter afstand liggen (zie figuur 4.3). Met de beoogde ontwikkeling wordt afgeweken van het vigerende bestemmingsplan. De provinciale regels van Overijssel over het NNN gelden echter alleen voor gronden binnen het NNN. De “nee, tenzij” afweging is daarom niet aan de orde. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is het wel noodzakelijk te waarborgen dat een plan de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet aantast. Goede ruimtelijke ordening houdt in dat naastgelegen functies elkaar niet mogen hinderen. De begrenzing van het NNN valt ter hoogte van het plangebied samen met het Natura 2000 -gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN zijn afgestemd op dit Natura 2000-gebied. Uit vorige paragraaf blijkt dat de negatieve effecten op dit gebied beperkt blijven tot verstoring tijdens de aanlegfase. Het plan leidt dan ook niet geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Het nemen van vervolgstappen is niet aan de orde.
26
Natuurtoets Hessenpoort 3, Zwolle
Figuur 4.3 Plangebied (rode omlijning) ten opzichte van NNN-gebied Oeverlanden Zwarte water (ten westen van de spoorlijn Zwolle-Meppel). Ten oosten van de spoorlijn Zwolle-Meppel ligt NNN-gebied Vechtdal.
27
Natuurtoets NatuurtoetsHessenpoort Hessenpoort3,3,Zwolle Zwolle
Geraadpleegde bronnen Literatuur ARCADIS (2011). Onderbouwing effectafstanden bestaande handelingen Natura 2000 gebieden in Overijssel. ARCADIS (2014). Effectafstanden Natura 2000-gebieden Veluwe en Rijntakken. Bij12 (2017a). Kennisdocument Buizerd Buteo buteo. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017b). Kennisdocument Das Meles meles. Versie 1.0, juli 2017. Bij12 (2017c). Kennisdocument Grote Modderkruiper Misgurnus fossilis. Versie 1.0, juli 2017. Broekhuizen, S. et al. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur in Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Broekmeyer, M.E.A. (2010). Update effectenindicator. Wageningen, Alterra-rapport 1976, Alterra, Wageningen. Broekmeyer, M.E.A., E.P.A.G. Schouwenberg, M. van der Veen, D. Prins & C.C. Vos (2005). Effectenindicator Natura 2000gebieden; achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren. Alterra-rapport 1375, Alterra, Wageningen. Dienst Regelingen (2009). Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Groen, R., W. Stempher & M. Breedveld, Broek, T. van den (2013). Passende Beoordeling Havenbestemmingsplannen. In opdracht van Havenbedrijf Rotterdam N.V Projectnummer 9W8475. Referentie: R00001/900200. Klaassen, O., E. van Winden, M. van Roomen & J. Schoppers (2013).
Aantallen van ganzen op slaapplaatsen in toekomstig Natura 2000-gebied Rijntakken in 1999-2004 eb 2007-2013. Sovon-rapport 2013/47. Koelman, R.M., 2011. Expert judgement noordse woelmuis en bever Spijkenisse. Beoordeling ten behoeve van een bestemmingsplanwijziging. Rapport 2010.55 (herziene versie). Zoogdiervereniging, Nijmegen Krijgsveld, K.L., R.R. Smits en J. van der Winden (2008). Verstoringsgevoeligheid van Vogels. Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie, Bureau Waardenburg, 23 december 2008. Bureau Waardenburg, Culemborg. Ministerie van EZ (2014). Natura 2000-gebied Rijntakken. PDN/2014-038. Ministerie van EZ (2014a). Natura 2000 profielen habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten. Ministerie van EZ (2014b). Leeswijzer Natura 2000 profielen. Geheel herziene versie september 2014. Ten behoeve van de profielen behorende bij de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden in de EEZ. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.