definitief welstandsnota_juli vastgesteld 2022.pdf
Tekst van het document
mooi
C Carport: Classicisme: Conformeren: Context: Contrasteren: Cultuurschip:
D Dak :
Dak afdekking: Dakhelling: Dakkapel:
Daknok: Dakopbouw:
Dakraam: Daktrim: Dakvlak: Dakvoet: Damwandprofiel: Detail: Detaillering:
Diversiteit: Drager en invulling:
Afdak om de auto onder te stallen, meestal bij of grenzend aan een woning. Stroming in de bouwkunst, bouwstijl. Zich voegen naar, gelijkvormig maken, aanpassen aan, afstemmen op. Omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken. Een tegenstelling vormen. Een schip dat herkenbaar is als een van origine varend schip en die, door het behoud van het oorspronkelijke casco-met-opbouw, de oorspronkelijke contouren en kenmerken niet wezenlijk verloren heeft, ten behoeve van het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op cultuur.
Drijvend bouwwerk:
E Ensemble: Erf:
Overdekking van een gebouw of onderdeel ervan, bestaande uit één of meer hellende vlakken (schilden) of uit een horizontaal vlak. Vlak of hellend dak van een gebouw, waarop dekking is aangebracht. De hoek van het dakvlak. (Ondergeschikte) toevoeging aan een dakvlak, vooral bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Hoogste punt van een schuin dak. Een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok of dakrand van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert. Raam in een dak. Afwerking bovenzijde dakrand ten behoeve van waterkering. Een vlak van het dak/kap. Laagste punt van een schuin dak. Metalen beplatingmateriaal met een damwandprofilering. Ontmoeting/aansluiting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam. Uitwerking, weergave van de verschillende onderdelen c.q. aansluitingen.
Voorerfgebied: Achtererfgebied:
Eerste verdieping: Erker:
F Flat:
G Galerij:
86
Verscheidenheid, afwisseling, variatie. De drager is de constructie van een gebouw, waaraan de invulling is toegevoegd om te beschermen tegen weer en wind (heeft vooral betrekking op gebouwen uit de jaren vijftig en zestig, waarbij het verschil tussen drager en invulling werd gebruikt om de woning in een groot gebouw of rij huizen te onderscheiden). Een bouwkundige constructie van enige omvang die drijft, die op de plaats van bestemming direct of indirect met de grond verbonden is en bedoeld is om ter plaatse te functioneren, met uitzondering van een schip als bedoeld in artikel 1, lid 7, van de Woningwet.
Architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel. al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of beheersverordening van toepassing is, deze de inrichting niet verbieden. Erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied Erf aan de achterkant en de niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw Tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen Kleine toevoeging van meestal één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, op de begane grond meestal uitgevoerd in metselwerk, hout en glas.
Groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd.
Gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.
mooi
Gebouw: Gepotdekseld: Gevel: (Gevel)geleding:
Gevelmakelaar: Goot: Gootklos: Gootlijn:
H Historisch schip:
Hoekaanbouw: Hoek- en kilkeper: Hoofdgebouw:
Horecaschip:
I Industriebebouwing: Installatie:
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Horizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken). Verticaal scheidingsvlak van een gebouw tussen buiten en binnen. Onderverdeling van de gevel in kleinere vlakken. Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, verspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen. Decoratieve bekroning van een geveltop. Waterafvoer, veelal tussen gevel en dakvlak. Zie klossen. Veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen.
K Kap: Kavel: Keper: Kern: Klossen:
Kop:
L Lak: Landschappelijke waarde:
Een woonschip welke aanvankelijk is gebouwd als bedrijfsvaartuig voor de binnenvaart, gebouwd voor 1960 en dat qua uiterlijk zoveel mogelijk in oorspronkelijke staat van bouw en uitrusting is en wordt gehouden; Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw. snijlijn van twee aansluitende dakvlakken. gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. Een schip dat herkenbaar is als een van origine varend schip en die, door het behoud van het oorspronkelijke casco-met-opbouw, de oorspronkelijke contouren en kenmerken niet wezenlijk verloren heeft, ten behoeve van een horecabedrijf.
Latei: Lessenaarsdak: Lichtkoepel: Lijst: Lineair: Lint(bebouwing): Luifel:
M Maaiveld:
Bebouwing met een industriële bestemming. set van beeld- en/of geluidsapparatuur, het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf
87
Samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbedekking draagt. Grondstuk, kadastrale eenheid. Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken. Veelal kleinschalig stedelijk gebied, ook wel centrum van een dorp of stad. Uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten. In het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw.
Afwerklaag van schilderwerk. De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van (niet levende en levende) natuur. Draagbalk boven gevelopening. Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak. Raamconstructie meestal in een plat dak, in de vorm van een koepel. Een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel. Kroonlijst, gootlijst. Rechtlijnig, langgerekt. Langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of waterverbinding. afdak buiten tegen de muur van een gebouw aangebracht en verder niet ondersteund, meestal boven een deur, raampartij of gehele pui.
Bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht, de gemiddelde hoogte van het terrein, grenzend aan de gevels, op het tijdstip van de aanvraag om omgevingsvergunning.
mooi
Mansardekap: Markies: Massa: Metselverband: Middenstijl: Monument: Muurdam: N Natuurlijke waarde:
Negge:
Een dak met aan twee zijden onder een stompe hoek geknikt of gebroken dakvlak. Opvouwbaar zonnescherm. Zichtbaar volume van bebouwing. Het zichtbare patroon van metselwerk. Verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn. Aangewezen onroerend goed als bedoeld in artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of als bedoeld in de Erfgoedverordening Op de erfgrens aan de gevel gemetselde muur.
Overstek: Overkapping: P Paneel: Penant: Pilaster: Plaatmateriaal:
De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang. Het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn.
Plint: Profiel: Profilering: Portiek:
O Omgevingsvergunning: Ondergeschikt: Onderbouw:
vergunning als bedoeld in de WABO Voert niet de boventoon. Het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met meerdere verdiepingen. Ontsluiting: De toegang tot een gebouw, gebied of een terrein. Oorspronkelijk: Origineel, aanvankelijke vorm, authentiek. Oorspronkelijk (schip): De uiterlijke staat als bedrijfsvaartuig op een moment vóór het referentiejaar 1960. Oorspronkelijke gevel: Gevel behorend tot de oudste gevels van een gebouw, gevel van een gebouw in zijn oorspronkelijke staat. Openbaar toegankelijk gebied: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer Origineel (schip): De uiterlijke staat van het schip zoals bij de eerste tewaterlating Orthogonaal: Rechthoekig. Oriëntatie: De hoofdrichting van een gebouw.
R Raamdorpel:
Raamhout:
Referentiekader: Renovatie: Respecteren: Rijenwoningen: Risaliet: Ritmiek:
88
Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel. Bouwwerk, geen gebouw zijnde.
Rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting. Gemetselde steunpilaar van het fundament van een gebouw, metselwerk in een gevel langs openingen. Weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen. Materiaal van kunststof, staal, hout meestal ten behoeve van gevelbekleding. Een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw. omtrek van een gebouw of bouwdeel (bijvoorbeeld kozijn) of een doorsnede daarvan aangebrachte vorm en maatvoering van profiel Gemeenschappelijke trappenhuis en/of een terugspringende ruimte voor de straat- of toegangsdeur.
Horizontaal stenen element onder de onderdorpel van een houten kozijn, dat ervoor zorgt dat water onder het kozijn buiten het muurvlak wordt afgevoerd. Hout waaruit ramen vervaardigd worden of omlijsting waarbinnen het paneel van een deur of beschot wordt ingesloten. Ook wel draaiende of schuivende delen van kozijn/post. Het geheel van waarden en normen binnen een bepaalde groep waarnaar verwezen kan worden. Vernieuwing. Met eerbied behandelen, eerbiedigen, waarderen. Geschakelde (eengezins)woningen in een rij. Gevelvoorsprong, vooruitspringende partij van een bouwlichaam, meestal in het midden of op de hoeken Regelmatige herhaling.
mooi
Rollaag:
Rooilijn:
S Schilddak: Slagenlandschap:
Situering: Speklaag: Stijl:
Een in verband gemetselde laag van op hun kant of kop gemetselde stenen. Horizontale of gebogen rij stenen of betonbalk boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand. Lijn die in het bestemmingsplan of bouwverordening aangeeft waarbinnen gebouwd mag worden.
Voorgevellijn: Voorgevelrooilijn: Voorkant:
Dak, gevormd door twee driehoekige schilden aan de smalle en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. Een landschap met langgerekte ontginningslinten met haaks daarop een stelsel van smalle kavels gescheiden door afwateringssloten. Plaats van het bouwwerk in zijn omgeving. Lichte natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk, doorgaans van Brabantse arduin, later ook van zandsteen. Architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming.
W Weg: Windveer:
Winterterras:
T Tactiel: Met de tastzin verbonden. Tent-, punt of pyramidedak: Dak gevormd door vier driehoekige dakschilden die in één punt bijeenkomen. Textuur: De waarneembare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk). Tympaan: Driehoekig of segmentvormige bekroning van een (klassiek) gebouw of van een onderdeel daarvan. U Uitbouw:
V Verdieping: Volant: Voorerfgebied:
Wolfdak/wolfeinden: Woning: Woonark: Woonboten:
Aan het gebouw vastzittend bouwwerk dat rechtstreeks vanuit het gebouw toegankelijk is. Woonschip:
bouwlaag Strook stof als afronding en versiering van zonnescherm of markies. erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied
Woonvaartuig:
89
Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen. voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening. De voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw, de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar het openbaar toegankelijk gebied .
Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Plank bevestigd langs de kanten van een met riet of pannen gedekt dak ter afdekking van de voorrand. Worden soms aan de bovenzijde over elkaar gekeept. Een seizoensgebonden gebouw dat bedoeld is om beschutting te geven tegen weersinvloeden (regen, sneeuw, wind en kou) waarbij de constructie gedeeltelijk demontabel is en alleen gedurende de winterperiode aanwezig is, zoals beschreven is in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de Gemeente Zwolle, Meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft (wolfeind). Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding. Een woonboot, niet (van origine) bedoeld om te varen, niet zijnde een woonschip. Vaartuigen en drijvende bouwwerken, daaronder begrepen objecten te water, die hoofdzakelijk worden gebruikt als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend zijn bedoeld voor het gebruik als woning.
Een woonschip, een woonvaartuig en een woonark worden aangemerkt als woonboot; Een woonboot die herkenbaar is als een van origine varend schip waarbij de oorspronkelijke contouren en kenmerken van het casco-met-opbouw niet wezenlijk verloren zijn gegaan; Een woonboot bestaande uit een casco van een van origine varend schip waarop een niet-authentieke opbouw is geplaatst.
mooi
Woonwagen:
Z Zadeldak: Zijgevellijn:
Voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe bestemd perceel is geplaatst.
Een dak dat aan twee zijden schuin is met een symmetrisch profiel. Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.
90