Bureaustudie omtrent omlegging Kroesenallee
Tekst van het document
Bureaustudie omlegging Kroesenallee Ten behoeve van het ontwerpplan voor de omlegging van de Kroesenallee is een bureaustudie uitgevoerd met betrekking tot de archeologische verwachting in het plangebied. De ligging van het plangebied wordt begrensd door de Heinoseweg in het zuiden, de Kroesenallee nabij Kroesenallee 16 in het noorden en loopt tussen zorgboerderij De Hofstee (Oude Wythemerweg 2) en twee woonhuizen (Oude Wythemerweg 4 en 6) door. Hieronder wordt de regionale archeologische context en de verspreiding en resultaten van archeologische waarnemingen en archeologische onderzoeken in de nabije omgeving beschreven.
Regionale archeologische context Geomorfolologie en bodemkunde Voorafgaand aan het bestaan van een Vechtdal, speelden er in Oost-Nederland enkele belangrijke geologische processen. In deze paragraaf wordt een beknopt overzicht geschetst van de geologische geschiedenis van het Vechtdal en wordt gekeken naar de belangrijkste landschapsvormende processen. De geologische geschiedenis en het ontstaan van het landschap is van groot belang voor de archeologie. Mensen gingen zich immers vestigen op hoger gelegen locaties in het landschap in de nabijheid van natuurlijk water. De periode voorafgaand aan het Pleistoceen komt hierbij niet aan bod. De Tertiaire afzettingen liggen erg diep en hebben voor het onderzoek geen betekenis. Het fundament van het Vechtdal is in de Saale-ijstijd geleden gelegd. Het ijs bereikte toen de lijn Schagen-Gaasterland-Eemsland. Rivieren als de Rijn, Lippe, Weser, Elbe en de Vecht, die altijd richting het noorden en noordwesten hadden gestroomd, werden nu geblokkeerd door de ijsmassa’s en gedwongen om langs de ijsrand naar het westen te stromen. Het water van deze rivieren had vooral in de zomer het karakter van een stroom van wel 10 tot 15 km breed. 1 De rivieren hadden een vlechtend karakter met zand en grindbanken. Daarnaast werden bij transport van weinig zand meters diepe geulen uitgesleten die later deels weer werden opgevuld met sediment.
Tijdens het Saalien lag Nederland voor een groot deel bedolven onder een dik ijsdek. Het langzaam oprukkende landijs creëerde stuwwallen, maar ook de smeltwaterdalen die ontstonden toen het klimaat warmer werd en het landijs smolt. Aan de zuidzijde van het Drentse Keileemplateau en ten noorden van de Overijsselse stuwwallen ontstond zo het oerstroomdal van de Vecht. Dit brede dal wordt tegenwoordig begrensd door het riviertje de Reest in het noorden en de huidige Overijsselse Vecht in het zuiden. Het Saalien werd opgevolgd door het warmere interglaciaal het Eemien. Tijdens dit Eemien werd het dal nog verder opgevuld met materiaal dat afkomstig was van de hogere delen. Het warmere klimaat zorgde ook voor een stijging van de zeespiegel, waardoor in het westelijk deel van het oerstroomdal wat zeeklei is afgezet. 2 In het Weichselien (116.000-11.700 jaar geleden) bereikte het landijs Nederland niet meer. De ondergrond was in de koudste perioden tot op meters diepte het hele jaar door bevroren (permafrost). Cycli van vorst en dooi zorgden voor opvriezen en dooien van de bovengrond door de seizoenen heen. Onder deze omstandigheden werd het glaciale landschap verder geërodeerd en genivelleerd. Oost-Nederland veranderde daardoor eigenlijk in een grote riviervlakte. Geologen spreken in dit verband voor een groot deel van OostNederland dan ook wel over ‘een laagterras’.
3 In het Laat-Pleniglaciaal (28.000-15.400 jaar geleden) vindt er een grote klimaatomslag plaats waarbij rivieren in een vlechtend patroon veel zand en grind afzetten. Naarmate het droger werd, werd de waterstroom zo klein dat de geulen en zandbanken van het oerstroomdal van de Vecht grotendeels droog kwam te staan. In het smeltwaterseizoen concentreerde het smeltwater zich in een veel kleinere stroom die goeddeels de zuidrand van het oerstroomdal ging volgen. De stroom schuurde hierbij in de oudere afzettingen een nieuw, maar veel kleiner dal, de basis voor het huidige Vechtdal. In deze periode wordt in Oost-Nederland een dikke, zwakgolvende deken fijn lemig stuifzand afgezet dat we kennen als dekzand. De oude riviervlakte met zijn geulen en zandbanken (het laagterras) werd hierdoor bedekt. In de laatste fase van het Weichselien (116.000-11.700 jaar geleden) deed zich een warmere periode voor en raakte het landschap bedekt met bos en moeras en doet ook de mens zijn intrede in het landschap. In de Late Dryastijd (ca. 13.000 tot 12.000 jaar geleden) daalde de wintertemperatuur naar -20 graden. De gesloten bossen veranderden in een open taiga-achtig landschap met plukjes bos, dwergstruiken, heide en kruiden. In de dalvlakten van Reest, Regge en Overijsselse Vecht kwamen opnieuw vlechtende rivieren met geulen en 1
Neefjes e.a. 2009, 24.
2
Kuier & Rosing, 1994, 17. Mulder et. al. 2003; Berendsen 2005.
3
zandbanken voor. Ze waren weliswaar kleiner dan de oude oerstroomdalen, maar groot genoeg om in de droge tijd te veranderen in uitgestrekte zandverstuivingen. Veel stuifzand kwam neer in de spaarzame begroeiing aan de randen van de riviervlakten. Daar ontstonden zandruggen en uitgestrekte stuifzandcomplexen die een hoogte van meerdere meters bereikten. Deze door de wind opgestoven zandruggen worden aangeduid als dekzandruggen en rivierduinen en vormen hoger gelegen linten aan weerszijden van het Vechtdal. Rivierduinen onderscheiden zich van dekzandruggen op grond van het moedermateriaal (uit een actieve rivierbedding) en ruimtelijke verspreiding. Door invloed van de mens bleven deze rivierduinen en dekzandruggen tijdens droge perioden gevoelig voor verstuiving. Ook in het Vechtdal zijn na deze periode nog rivierduinen ontstaan. Deze worden in veel gevallen aangeduid met het toponiem –belt. Het Holoceen wordt gekenmerkt door een milder klimaat. De aanvoer van sediment nam af en de afvoer van water werd veel constanter. De brede vlechtende rivieren kregen steeds meer het karakter van een meanderende rivier en lagen dichtbij gebieden waar water werd aangeleverd. 4 In het Holoceen speelt ook vegetatie een grotere rol in de vorming van het landschap. Het stuivende zand werd vastgelegd en door de begroeiing kwam de ontwikkeling van bodems geleidelijk op gang.
Het warmer worden van het klimaat en de toename van neerslag zorgde voor een zeespiegelstijging. Hierdoor kwam de kustlijn verder landinwaarts te liggen en stagneerde de waterafvoer. Deze vernatting maakte een uitgebreide veengroei mogelijk die tot ongeveer 800. V. Chr. aanhield. Tijdens de drogere periode in het Holoceen konden dekzanden uit het eerdere Weichselien opnieuw gaan stuiven, wat leidde tot de vorming van stuifduinen. 5 Met het veranderende klimaat veranderde ook de vegetatie. Deze verandering resulteerde zo’n 8000 jaar geleden in een uitgestrekt oerbos.6 In het Vechtdal kwam dit oerbos overal voor waar geen sprake was van permanente stroming van water. Bodemgesteldheid en grondwater bepaalden het type bos. Eik en linde op de drogere zandgronden en iep, ratelpopulier, es en berk op de overgang naar de nattere gronden. Op de nattere gronden zelf was vooral de els en es te vinden. De natste plekken in het landschap waren moerassig en gekenmerkt door riet- en zegge vegetaties met enkele wilgenstruwelen en broekbossen. Op enkele natte plaatsen kon veen ontstaan. De toenemende invloed van de mens zorgde voor een verandering van dit landschap. Op de hogere delen werden bos gekapt en kwam ruimte voor heideachtige begroeiing. Rond 1600, en in de omgeving van Zwolle al in de 15de eeuw, begon men met de veenontginningen in de omgeving van de Vecht.
Het afgraven van turf had veel gevolgen voor de waterhuishouding. Zoals eerder vermeld is het plangebied in een voormalig stroomgebied van de Vecht gelegen. Dit dal liep langs Hoonhorst, Lenthe, Wijthmen en Berkum naar het noordoosten. Ergens tussen 200 en 1300 na Chr. is de oeverwal ter hoogte van Dalfsen doorgebroken, waarna de rivier de huidige noordelijker gelegen loop aannam. Daarnaast zijn in het gebied tal van kleine geulen of ondiepe depressies te onderscheiden. Tussen Berkum en het Zwarte Water pakte de nieuwe loop van de Vecht de oude loop weer op. De oude loop bleef als depressie in het landschap achter. In deze langgerekte depressies in het landschap kwamen veel stroompjes te liggen die op de Vecht of het Zwarte Water uitmondden. Het vlakke mondingsgebied was te allen tijde gevoelig voor overstromingen. Tijdens deze overstromingen werd klei afgezet. Deze kleiafzet werd gestopt door de bedijking in de Middeleeuwen. De ontwatering van het gebied vond vanaf dat moment plaats door sloten en weteringen, zoals de Marswetering, de Herfterwetering, de Emmertochtsloot en de Baarlerwetering. Door het bovengenoemde geologische ontwikkelingsproces bestaat de bodem in het plangebied volgens de geomorfologische kaart 1:50000 (zie bijlage 3) uit de volgende bodemsoorten: • F51 Dekzandplateau • B57 Rivierduin • M53 Vlakte van deels verspoelde dekzanden • B47 Crevasserug
Historie en cultuurlandschap Voor een uitgebreide beschrijving van de historie en cultuurhistorie van het gebied kan grotendeels verwezen worden naar de Cultuurhistorische inventarisatie met de titel ‘In de schaduw van de stad, Cultuurhistorische 4
Wolfert e.a., 1996, 33. Kuijer & Rosing, 1994, 20. 6 Spek e.a., 2010, 21-22. 5
analyse van het dorpsgebied Wijthmen’. 7 In dit rapport wordt in het eerste deel het verleden van Wijthmen aan de hand van historische bronnen omschreven. Hieruit blijkt dat de naam Wijthmen voor het eerst in 1207 in de historische bronnen voorkomt. Wijthmen was van oudsher een boerengemeenschap. Een buurschap die vanwege haar ligging langs de belangrijke landweg van Zwolle naar Twente en het Duitse achterland goed op de hoogte was van de ontwikkelingen in de buitenwereld. Ten Hove schetst de geschiedenis van de buurschap aan de hand van het kerkelijke, economische, politieke en maatschappelijke leven en maakt duidelijk dat deze geschiedenis sterk wordt bepaald door de nabijheid en invloed van de stad Zwolle. 8 In het tweede deel wordt de ruimtelijke analyse van Wijthmen beschreven door Het Oversticht. 9 Voor dit verhaal is gebruikgemaakt van literatuuronderzoek, onderzoek in het veld en kaartmateriaal. Een belangrijke kaart hierbij is het kadastraal minuutplan uit 1832. Dankzij de invoering van het kadaster in 1832 hebben we voor het eerst de beschikking over nauwkeurige kaarten van het gebied. Een uit de diverse minuutplans samengestelde kaart geeft een prachtig overzicht van het grondgebruik.
Verder komen we op de kadasterkaarten nu boerderijnamen tegen als Hoeksboer, Vonderman, Nijboer, Homberg, Konstapel, Kolks, Kroes, Bulder, Mannes, Hoekbrink, Brunink, de Belten en Fakkert, boerderijnamen die vaak niet overeenkomen met de namen uit de late middeleeuwen. Een vergelijking van het aantal erven en het schattingsregister uit 1520 laat zien dat veel erven die in 1832 al bestaan, teruggaan tot de late middeleeuwen. Een gegeven dat ook door onder andere Theo Spek in Raalte in Salland aannemelijk is gemaakt. 10 Het plangebied ligt op het kadastraal minuutplan uit 1832 tussen boerderij Kolks en drie onbenoemde boerderijen. Diverse landerijen behorend bij deze erven, die allemaal teruggaan tot grootgrondbezit, liggen eveneens binnen het plan- en onderzoeksgebied. Op de historische kaart van de Atlas van Huguenin uit 1829 is ook al te zien dat de weg tussen Zwolle en Wijthmen aanwezig is en op dezelfde plek ligt als de huidige N35. Op een Militaire kaart uit 1851 nogmaals het sterke agrarische karakter van de buurschap. Het tracé van de N35 ligt langs de noordrand van het oude Vechtdal. De nieuwe verbindingsweg tussen de oude en nieuwe N35 en daarop aansluitende Kroesenallee doorsnijdt juist deze hogere zandruggen en rivierduinen.
Archeologie Het plangebied van de Kroessenallee ligt volgens de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) in een archeologisch monument met monumentnr. 13347 en heeft een zeer hoge archeologische waarde. Het plangebied ligt vrijwel volledig in een gebied met een archeologische verwachtingsgraad van 100%. De noordzijde van het plangebied ligt in een 10% gebied. Dit is te zien op de Archeologische Waarderingskaart Zwolle (AWZ), toegevoegd in bijlage 1. In de toelichting bij de AWK Zwolle staat bij dit gebied het volgende beschreven: “Wijthmen ligt voor het grootste gedeelte op een hoge dekzandrug. In de loop der tijden zijn hier talloze vondsten gedaan die uiteenlopen van het Neolithicum tot in de Late Middeleeuwen. Uit werkelijk alle perioden dateren vondsten. In 1982, 1984, 1992 en 1999 is hier archeologisch onderzoek verricht. De resultaten daarvan waren gedeeltelijk teleurstellend, omdat vaak bleek dat het terrein ontzand was. Het gevolg daarvan was dat er weliswaar veel materiele vondsten werden gedaan, maar dat de sporen en de cultuurlaag ontbraken. Dit betekent niet dat deze er niet zijn, maar de sporen zijn nog niet aangetroffen.
Desondanks is dit gebied archeologisch zeer waardevol en zal bij alle grondverstoringen zorgvuldig archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden.” Archeologisch onderzoek in 2015 en 2017 wezen echter op een hoge sporendichtheid uit de vroege tot late middeleeuwen (800-1500). Beide onderzoeken leverden in totaal ongeveer 3400 sporen op. In deze sporen zijn tijdens het uitwerken van het archeologisch onderzoek in 2015 twee huisplattegronden ontdekt. De opgraving van 2017 moet nog geanalyseerd en uitgewerkt worden, maar beloofd nog veel structuren op te leveren. Verder leverde de opgraving ook antropogene sporen en vondstmateriaal uit de prehistorie op (Mesolithicum tot IJzertijd 8000 v. Chr. tot 57 v. Chr.) Drie archeologische waarnemingen (waarnemingsnr. 3672, 13679 en 17946 in Archis 3.0 [archis.cultureelerfgoed.nl]) die in het plangebied gedaan zijn betreffen een geretoucheerde vuurstenen kling uit de Prehistorie, fragmenten wikkeldraadaardewerk uit de Vroege Bronstijd, een bronzen lanspunt uit de Midden Bronstijd, fragmenten Badorf aardewerk uit de Vroege Middeleeuwen en fragmenten kogelpot, Pingsdorf, proto-steengoed en Siegburg steengoed uit de Late Middeleeuwen (1000-1500),
7
Ten Hove, Batelaan & Medema, 2009. Ten Hove, 2009. 9 Batelaan & Medema, 2009. 10 Spek en Van Exter 2007, 406. 8
Strategie en methodiek In het kader van de aanleg van de nieuwe Kroessenallee tussen de oude N35 en Heinoseweg en de oude Kroessenallee is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Voor de aanleg van de weg dient immers voldoende fundering te zijn en zullen ook bermsloten of –greppels moeten worden aangelegd. Al deze onderdelen gaan gepaard met bodemingrepen die dieper reiken dan 0.5 meter onder het huidige maaiveld. Tijdens het archeologisch onderzoek in 2015 en 2017 is aangetoond dat al op 0.30 meter onder het maaiveld archeologische sporen aanwezig kunnen zijn. In combinatie met een archeologische waardering van 100 %, de ligging in een archeologisch monument en de hoge spoordichtheid (zoals is aangetoond tijdens onderzoek in 2015 en 2017) is dit de aanleiding voor een definitieve opgraving op een groot deel van het traject. Mogelijk is alleen aan de noordzijde ruimte om het terrein op te hogen waardoor de archeologische sporen in-situ bewaard kunnen blijven. Dit is ook voor een deel van de nieuwe verbindingsweg tussen oude en nieuwe N35 gebeurd. Het definitieve archeologisch onderzoek zal bestaan uit meerdere opgravingsputten in het tracé. De opgravingsputten zullen waarschijnlijk bestaan uit één vlak waarin een hoge dichtheid aan archeologische sporen aanwezig is. De sporen kunnen dateren uit de periode van het Mesolithicum tot de Late Middeleeuwen.
De globale kosten Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek kan een globale schatting van de kosten worden gemaakt. Door de hoge spoordichtheid en de aanwezigheid van alle perioden vanaf het Mesolithicum zullen de kosten voor een totaal definitief archeologisch onderzoek ergens tussen de 250.000 en 275.000 euro komen te liggen. Hierbij wordt uitgegaan van het vlakdekkend opgraven van het wegtracé en de benodigde basisrapportage.
Literatuurlijst Berendsen, H.J. A. 2005. Landschappelijk Nederland. Hove, J. ten, J. Batelaan en G.H. Medema, 2009. In de schaduw van de stad. Een cultuurhistorische analyse van het dorpsgebied Wijthmen. Kuijer, P.C. en H. Rosing, 1994. Bodemkaart van Nederland: schaal 1:50.000/ Stichting voor Bodemkartering, Wageningen; Toelichting bij kaartblad 21 Oost Zwolle.
Mulder, E.F.J. de en T. Kuijt, 2003. De ondergrond van Nederland. Neefjes, J, O. Brinkkemper, L. Jehee en W. van de Griendt , 2009. Cultuurhistorische Atlas van de Vecht. Biografie van Nederlands grootste kleine rivier. Spek, Th. En L. van Exter. 2007. Bewonings- en ontginningsgeschiedenis van het kerspel Raalte tijdens de Middeleeuwen en Vroege Nieuwe tijd. Een historisch -geografisch onderzoek ten behoeve van de archeologie. In: H. M. van der Velde (red.) Germanen, Franken en Saksen in Salland. Archeologisch en landschappelijk onderzoek naar de geschiedenis van het landschap en nederzettingsresten uit de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen in centraal Salland, ADC Monografie 1,401-533. Spek, Th., H. van der Velde, H. Hannink en B. Terlouw , 2010. Mens en land in het hart van Salland: bewonings- en landschapsgeschiedenis van het kerspel Raalte. Wolfert, H.P.G., G.J. Maas en G.H.P. Dirkx, 1996. Het meandergedrag van de Overijsselse Vecht: historische morfodynamiek en kansrijkdom voor natuurontwikkeling . Rapport 408.
Bijlage 1 : Archeologische Waarderingskaart Zwolle
Bijlage 2: Archeologische Monumenten Kaart Zwolle
Bijlage 3: Geomorfologische kaart 1:50000
Bijlage 4: Allesporenkaart van opgraving N35 in 2017 op 90m afstand van het plangebied