CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING_Bijlage 1 Quickscan Wet natuurbescherming

Raad Besluitvormingsronde 15 april 2024, gemeente ZwolleBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied, Landgoed Windesheim10.714 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Wet natuurbescherming Wijheseweg 59 te Windesheim Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2023-0245

Datum:

17 maart 2023 (revisie 31 maart 2023)

Samensteller:

ing. B.P.G. van Beurden

Collegiale toets:

ing. B.C.E. Vleeshouwers

Opdrachtgever:

Buro SRO B.V. Arnhem

Contactpersoon:

E. Mekelenkamp

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

8

2 Methode

9

2.1

Uitvoering onderzoek

9

2.2

Soortenbescherming

9

2.3

Gebiedsbescherming

11

2.4

Houtopstanden

12

2.5

Houdbaarheid en toepassing

12

3 Beoordeling

13

3.1

Soortenbescherming

13

3.2

Gebiedsbescherming

24

3.3

Houtopstanden

26

4 Samenvatting

27

4.1

Soortenbescherming

27

4.2

Gebiedsbescherming

27

4.3

Houtopstanden

28

5 Conclusie

29

5.1

Conclusie

29

5.2

Uitvoerbaarheid

29

5.3

Vervolgstappen

30

5.4

Te treffen maatregelen

31

1 Inleiding Aan de Wijheseweg 59 te Windesheim is een voormalig boerenerf met een woning en 6 bijgebouwen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens 5 stallen op de planlocatie te slopen ten behoeve van woningen. Hierbij worden de reeds aanwezige woning en een schuur in de huidige staat behouden, maar mogelijk vinden er in de toekomst werkzaamheden plaats aan de woning en schuur. Volledigheidshalve wordt deze bebouwing meegenomen in de beoordeling. De begroeiing (ruige vegetatie, braamstruwelen en bomen) ten oosten van de bebouwing wordt verwijderd. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘Agrarisch met waarden – Natuur en landschap’ naar ‘Wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden.

Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Wijheseweg 59 te Windesheim. 4

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Wijheseweg 59 te Windesheim (figuur 1.2). De planlocatie betreft een voormalig boerenerf met een woning en 6 bijgebouwen. In de beoogde ruimtelijke ingreep blijven de woning en schuur (7) behouden, maar mogelijk vinden hieraan in de toekomst werkzaamheden plaats. De overige bebouwing wordt gesloopt. Onderstaand wordt de bebouwing beschreven waarbij de nummering correspondeert met figuur 1.2, 1.3 en 1.4. 1.

Woning: is opgebouwd uit gemetselde muren met spouw en het zadeldak beschikt over dakpannen. 2. Schuur: bestaat gedeeltelijk uit gemetselde muren en betonnen muren. Het zadeldak is bekleed met golfplaten en beschikt niet over een dakbeschot. 3. Stal: is opgebouwd uit enkelsteense muren zonder spouw. Het zadeldak beschikt over stormpannen en een dakbeschot. 4. Stal: is opgebouwd uit enkelsteense muren zonder spouw. Het zadeldak is bekleed met stormpannen en beschikt over een dakbeschot. 5. Schuur: bestaat uit grotendeels potdeksel wanden en een deel een gemetselde muur. Er is geen sprake van een luchtspouw. Het platte dak beschikt niet over een dakbeschot en is bekleed met damwandplaten. 6. Loods: bestaat uit damwandplaten muren met een golfplaten dak zonder dakbeschot. 7. Schuur: is opgebouwd uit enkelsteense muren en een zadeldak met wolfseinden. Het dak is bekleed met dakpannen en beschikt niet over een dakbeschot. Rondom de bebouwing is verharding aanwezig in de vorm van bestrating en betonplaten. Aan de voorzijde (westzijde) van de woning zijn enkele bomen en struiken gesitueerd. Voor de woning is ook een onderhouden tuin aanwezig. Rond de bijgebouwen kent de planlocatie een laag onderhoudsbeeld. Aan de oostzijde is een stapel met betonstukken en braamstruwelen gesitueerd. Rond de bijgebouwen is ook ruige begroeiing aanwezig en enkele houtstapels.

Gelegen aan de westzijde van de planlocatie is een sloot gesitueerd welke niet waterhoudend is, gezien de sloot ten tijde van het veldbezoek grotendeels was opgedroogd. Hieruit kan er geconcludeerd worden dat de sloot op de planlocatie in warmere periodes droog zal vallen. In figuur 1.3, 1.4 en 1.5, en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Wijheseweg 59 te Windesheim.

5

De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied. Ten westen van de planlocatie is de provinciale weg N337 gelegen. De planlocatie ligt op een afstand van circa 400 m ten zuidoosten van het centrum van Windesheim. Op circa 460 m afstand ligt de dichtstbijzijnde rivier de ‘IJssel’. De planlocatie is circa 450 m verwijderd van een spoorweg.

Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de woning te renoveren.

6

Figuur 1.4 Op de planlocatie is men voornemens om bijgebouwen 2 t/m 6 te slopen en de schuur (7) te renoveren.

Figuur 1.5 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.

7

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van woningen, waarbij 5 bijgebouwen worden gesloopt. De bestaande woning en een schuur blijven behouden, maar in de toekomst vinden er mogelijk aan deze gebouwen werkzaamheden plaats. Daarnaast wordt de begroeiing (ruige vegetatie, braamstruwelen en bomen) ten oosten van de bebouwing verwijderd. De sloot aan de westzijde wordt niet aangetast. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘Agrarisch met waarden – Natuur en landschap’ naar ‘Wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van bijgebouwen: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwe woningen: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 1.4 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO Oost B.V.).

8

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 2 maart 2023 en is uitgevoerd door ing. B.P.G. van Beurden. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 7/8 bewolkt, 2 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

9

Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.

vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.11 Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen van vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen. Echter, dusdanig kwetsbaar dat aangetoond moet worden dat er voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is om zich te kunnen vestigen. Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boerenzwaluw Boomvalk Bosuil Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart

Havik Huismus Huiszwaluw Kerkuil Oehoe Ooievaar

Raaf Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil

Torenvalk Wespendief Zeearend Zwarte specht Zwarte wouw

Middelste bonte specht Oeverzwaluw Ringmus Spreeuw Tapuit Tureluur Veldleeuwerik

Wulp Zomertortel Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Draaihals Gekraagde roodstaart Glanskop

Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Grutto IJsvogel Kleine bonte specht Kortsnavelboomkruiper

Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten.

10

Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Overijssel is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Overijssel.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bastaardkikker

Haas

Tweekleurige bosspitsmuis

Bosmuis

Huisspitsmuis

Veldmuis

Bruine kikker

Kleine watersalamander

Vos

Dwergmuis

Konijn

Woelrat

Dwergspitsmuis

Meerkikker

Gewone bosspitsmuis

Ree

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen.

Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Zone Ondernemen met Natuur en Water (Zone ONW) De Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) bestaat uit Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), (landbouw)gebieden rond het NNN met potentie voor ontwikkeling van groen ondernemerschap en natuur- en waterkwaliteit, en het watersysteem. Het ontwikkelperspectief binnen deze zone is gericht op het behouden en ontwikkelen van de natuur- en landschapskwaliteit en de versterking van het watersysteem, in samenhang met economische ontwikkeling. Naast de begrenzing van de NNN bevat de dataset tevens de Zone ONW gebieden buiten de NNN. Hier is het beleid gericht op ruimte te creëren voor economische ontwikkelingen zoals de landbouw, recreatie en natuurgebonden woon- en werklocaties (bijvoorbeeld nieuwe landgoederen). Voor de gronden die geen onderdeel van het NNN zijn geldt een ‘ja, mits-benadering’.

11

Dit houdt in dat de ontwikkeling is toegestaan onder de voorwaarde dat er een bijdrage geleverd wordt aan de ruimtelijke kwaliteit (met een focus op natuur, water en landschap). Het beleid ten aanzien van de Zone ONW is opgenomen onder de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (art. 2.1.6 van de Omgevingsverordening (Actualisatie Omgevingsverordening 2022)).

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

12

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2013-2023). De planlocatie betreft een voormalig boerenerf met een woning en 6 bijgebouwen gesitueerd. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: druifhyacint, gewoon barbarakruid, grote brandnetel, grote kaardenbol, kleefkruid, paardenbloem, paarse dovennetel, pitrus en ridderzuring, riet, schijnaardbei en sneeuwklokje. Verharding is aanwezig in de vorm van bestrating en betonplaten. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Op de planlocatie zijn bomen en struiken aanwezig.

Begroeiing, zoals ruige vegetatie, bomen en braamstruwelen, aan de oostzijde van de planlocatie worden in de beoogde ontwikkeling verwijderd. De bomen en heggen ten westen van de woning en schuur (7) blijven behouden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, otter, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, bunzing, das, egel, hermelijn, otter, rode eekhoorn, steenmarter en wezel. De bever en otter leven in de buurt van overgangsgebieden tussen zoet water en land, zoals moerassen, beken, rivieren of kanalen.

Langs de oevers moet goed ontwikkelde en bereikbare bomen en struiken aanwezig zijn. De bever maakt gebruik van burchten langs de oever als vaste rustplaats. De otter heeft zijn vaste rustplaatsen op de oever in dichte oevervegetaties, struwelen of bosschages. De bever is op een afstand van circa 1,4 km ten westen van de planlocatie waargenomen (NDFF 2013-2023). De dichtstbijzijnde waarneming van de otter betreft een dood exemplaar aan de N337 op een afstand van 5 m ten zuiden van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Overige waarnemingen zijn voornamelijk bekend langs rivier de IJssel en het natuurreservaat ten oosten van de IJssel. Op de planlocatie is geen sprake van grote stromende wateren, zoals beken, rivieren of kanalen. Wel is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van een bijna opgedroogde sloot. Deze sloot biedt te weinig schuilmogelijkheden en voedselbronnen voor de bever en otter om te dienen als leefgebied. Tevens wordt het bosgebied met watergangen ten zuiden van de planlocatie aannemelijk gebruikt door de otter als migratieroute tussen de IJssel en het kanaal ten oosten van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Hierdoor kan de otter sporadisch in de buurt komen van de planlocatie, maar gezien de afwezigheid van geschikt leefgebied op de planlocatie zijn negatieve effecten ten aanzien van de bever en otter uitgesloten.

13

De boommarter en rode eekhoorn komen voor in bosrijke gebieden. De boommarter gebruikt boomholtes, nesten van roofvogels of eekhoorns, en holen van bijvoorbeeld dassen of konijnen als vaste rust- en voortplantingsplaats. De rode eekhoorn verblijft voornamelijk in boomholten of oude vogelnesten. De boommarter is driemaal in een straal van 2 km van de planlocatie waargenomen, waarvan 1 dood exemplaar is waargenomen aan de N337 op 20 m ten westen van de planlocatie (NDFF 2013-2023). De rode eekhoorn is op een afstand van circa 740 m ten noordwesten van de planlocatie waargenomen (NDFF 2013-2023). De planlocatie betreft een voormalig boerenerf gelegen in agrarisch gebied. In de bomen op de planlocatie zijn geen boomholtes of andere rustplaatsen aangetroffen van de boommarter en rode eekhoorn. Er is geen sprake van struweel om de bomen en de N337 vormt een grote barrière voor de boommarter en rode eekhoorn. De planlocatie betreft derhalve geen onderdeel van het leefgebied van de boommarter en rode eekhoorn. Ten westen en zuiden van de planlocatie zijn bosgebieden aanwezig welke voor deze soorten voldoende en geschikter alternatief leefgebied biedt voor deze soorten. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de boommarter en rode eekhoorn uitgesloten. De bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel zijn marterachtigen welke in kleinschalige cultuurlandschappen voorkomen.

Deze landschappen moeten beschikken over lijnvormige of groenstructuren welke zorgen voor voldoende dekking, zoals bosschages, heggen, struwelen, greppels of sloten met voldoende overhangende vegetatie. De voorgenoemde soorten maken gebruik van bestaande holen van muizen of konijn, takken- of steenhopen als vaste voortplanting- of rustplaats. De bunzing en steenmarter kunnen daarbij gebruik maken van bebouwing als een rustplaats. In schuur 7 is tijdens het veldbezoek een dood exemplaar van een steenmarter aangetroffen. In dezelfde schuur en de stallen (3 en 4) zijn ook uitwerpselen waargenomen van de steenmarter (figuur 3.1). De bebouwing op de planlocatie is toegankelijk voor de bunzing en steenmarter. Ook met de aanwezigheid van voldoende struweel, takken- en steenhopen, en rommelhoekjes zijn er voldoende foerageer- en dekkingsmogelijkheden aanwezig voor kleine marterachtigen. Alhoewel een dood exemplaar is waargenomen van een steenmarter, is het mogelijk dat de planlocatie kan worden gebruikt door een andere steenmarter, bunzing, hermelijn of wezel als vaste rust- en voortplantingsplaats. Om de aan- of afwezigheid van deze soorten vast te stellen, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden (zie H5.3).

14

Figuur 3.1 In stal 3 en 4, en schuur 7 zijn sporen aangetroffen van de steenmarter (boven) en er is een overleden steenmarter waargenomen in schuur 7 (onder). De das leeft in kleinschalige akker- en weidelandschappen met de aanwezigheid van bosschages, houtwallen, singels en heggen. De soort maakt gebruik van burchten als vaste rust- en voortplantingsplaats. De burchten worden gemaakt in gebieden met voldoende dekking, voedsel en weinig verstoring. De planlocatie betreft een voormalig boerenerf welke grotendeels is verhard. Op de planlocatie is ruige vegetatie en struweel aanwezig, maar er zijn geen sporen van een burcht of van de das aangetroffen. De planlocatie betreft tevens geen akker- of weidelandschap. In de omgeving van de planlocatie is voldoende alternatief leefgebied aanwezig. Negatieve effecten ten aanzien van de das zijn derhalve uitgesloten. De egel leeft in loofbossen, bosranden, struweel of tuinen met de aanwezigheid van voldoende ondergroei. De soort komt ook voor in steden met voldoende groen en schuilmogelijkheden. Overdag verblijft de egel in een nest van bladeren en gedroogd gras, onder struiken, in composthopen, houtwallen of takkenbossen.

De meeste waarnemingen van de egel zijn vastgesteld op de N337, welke voornamelijk verkeersslachtoffers betreffen (NDFF 2013-2023) De dichtstbijzijnde waarneming van egel betreft een dood exemplaar aan de N337 op een afstand van circa is op een afstand van circa 25 ten westen van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Op de planlocatie is er sprake van een grote hoeveelheid aan groenstructuren zoals ruigtestroken, struwelen met ondergroei en bladerhopen, welke gebruikt kunnen worden door de egel als rust- en verblijfplaats. Binnen de planlocatie en in de omgeving zijn er veel soortgelijke structuren aanwezig. In de beoogde ruimtelijke ontwikkeling zullen niet alle groenstructuren worden verwijderd, enkel de ruigtes aan de oostzijde van de planlocatie. Er zijn derhalve voldoende uitwijkmogelijkheden voor de soort voorhanden. Dat betekent dat er aannemelijk geen vaste rust- en verblijfplaatsen weggenomen zullen worden. Volledigheidshalve adviseert Blom Ecologie om een egelvoorziening (VivaroPro) te plaatsen in de te behouden groenstructuren, zodat de planlocatie op lange termijn gunstiger wordt voor de soort (zie H5.4).

15

De planlocatie heeft mogelijk ook een functie voor algemene soorten. Dit betreft onder andere bruine rat, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten.

Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. Er worden zo min mogelijk bomen aangetast in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Hieronder wordt per bebouwing een beoordeling gegeven, waarbij de nummering correspondeert met de nummering uit figuur 1.2, 1.3 en 1.4. 1.

De woning is opgebouwd uit gemetselde muren met spouw en het zadeldak beschikt over dakpannen. De dakruimte is toegankelijk via kierende kantpannen en een weggerot stuk in het dakoverstek. Ook kunnen gebouw bewonende vleermuizen de dakruimte betreden via weggevallen specie in de nok van de woning (figuur 3.2). Derhalve is niet uit te sluiten dat de woning fungeert als verblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuizen. 2. De schuur bestaat gedeeltelijk uit gemetselde muren en betonnen muren. Het zadeldak is bekleed met golfplaten en beschikt niet over een dakbeschot. Wegens de afwezigheid van een luchtspouw en een dakruimte met een geschikt microklimaat, is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen in de schuur uitgesloten. Tevens zijn er geen sporen aanwezig van de gewone grootoorvleermuis. De aanwezigheid van deze soort in de schuur is derhalve ook uitgesloten. 3. De stal is opgebouwd uit enkelsteense muren zonder spouw. Het zadeldak beschikt over stormpannen en een dakbeschot. De dakruimte is voor gebouw bewonende vleermuizen toegankelijk via losliggende dakpannen. Alhoewel er geen sporen zijn aangetroffen van de gewone grootoovleermuis, beschikt de stal over voldoende donkerte, ruimte en invliegmogelijkheden om te fungeren als verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis (figuur 3.2).

Derhalve kan niet uitgesloten worden dat de stal fungeert als verblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuizen.

16

4. De stal is opgebouwd uit enkelsteense muren zonder spouw. Het zadeldak is bekleed met stormpannen en beschikt over een dakbeschot. De dakruimte is voor gebouw bewonende vleermuizen toegankelijk via losliggende dakpannen en weggevallen specie (figuur 3.2). Derhalve is niet uitgesloten dat de stal fungeert als verblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuizen. Tevens zijn in de stal mogelijk sporen aangetroffen van de gewone grootoorvleermuis (c.q. afgebeten vlindervleugels) (figuur 3.2). Gezien de stal beschikt over voldoende dakruimte en donkerte, kan niet uitgesloten worden dat de stal fungeert als verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis. 5. De schuur bestaat uit grotendeels potdeksel wanden en een deel een gemetselde muur. Er is geen sprake van een luchtspouw. Het platte dak beschikt niet over een dakbeschot en is bekleed met damwandplaten. Invliegopeningen zijn aanwezig via openingen in het dak. Gezien de afwezigheid van een dakbeschot en een spouw, zijn er geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig voor gebouw bewonende vleermuizen. De schuur beschikt bovendien niet over voldoende donkerte, waardoor de bebouwing niet dient als verblijfplaats voor de gewone grootoorvleermuis of andere vleermuissoorten. 6. De loods bestaat uit damwandplaten muren met een golfplaten dak zonder dakbeschot.

Gezien de afwezigheid van een luchtspouw en een geschikte dakruimte, is de aanwezigheid van gebouw bewonende vleermuizen in de loods uitgesloten. 7. De schuur is opgebouwd uit enkelsteense muren en een zadeldak met wolfseinden. Het dak is bekleed met dakpannen en beschikt niet over een dakbeschot. Wegens de afwezigheid van een spouw en dakbeschot, is het uitgesloten dat de schuur fungeert als verblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuizen. Ook zijn er geen sporen van de gewone grootvleermuis (c.q. uitwerpselen of vlindervleugels) aangetroffen en beschikt de schuur niet over genoeg donkerte om te fungeren als een verblijfplaats voor de gewone grootoorvleermuis. Door het voorgenoemde is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen. Gebaseerd op de bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de planlocatie (landelijk gebied) en de type bebouwing is potentie voor verblijfplaatsen in de woning en stallen (3 en 4) van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (tabel 3.1). De woning blijft in de beoogde ontwikkeling behouden, maar mogelijk vinden er in de toekomst werkzaamheden plaats.

Gezien er potentie is voor vleermuisverblijfplaatsen in de woning en er aanvullend onderzoek plaatsvindt naar de stallen, wordt volledigheidshalve de woning meegenomen in het aanvullend vleermuizenonderzoek. Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels veldbezoeken in de periode april-september (zie H5.3). Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op de planlocatie is geen sprake van een essentieel foerageergebied, gezien in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is, bijvoorbeeld het bosgebied richting het zuiden en westen van de planlocatie. Ook is er geen sprake van een essentiële vliegroute, gezien op de planlocatie geen grote lijnvormige structuren aanwezig zijn. De bomenlaan en watergang ten westen gelegen van de planlocatie aan de N337 dient mogelijk als vliegroute voor vleermuizen. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden deze bomenlaan en watergang niet aangetast. Derhalve is er geen sprake van het wegnemen van essentiële vliegroutes. Wel dienen maatregelen getroffen te worden om verstoring van vleermuizen te voorkomen en de functionaliteit van de vliegroute te waarborgen (zie H5.4).

17

Figuur 3.2 De bebouwing op de planlocatie is toegankelijk voor gebouw bewonende vleermuizen via o.a. kierende kantpannen, weggevallen specie en missende dak delen (boven en linksonder). Ook zijn mogelijk sporen aangetroffen van de gewone grootoorvleermuis (c.q. afgebeten vlindervleugels) (rechtsonder). Tabel 3.1

Samenvatting van de beoordeling van verblijfplaatsen, essentiële vliegroute en foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten.

Vleermuissoort

Potentie

Onderbouwing

Gewone dwergvleermuis

Ja

Geschikte openingen in bebouwing

Ruige dwergvleermuis

Ja

Geschikte openingen in bebouwing

Laatvlieger

Ja

Geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing

Gewone grootoorvleermuis

Ja

Geschikte openingen en voldoende donkerte aanwezig

Meervleermuis

Nee

Afwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving

Watervleermuis

Nee

Geen geschikte verblijfplaatsen

Rosse vleermuis

Nee

Geen geschikte verblijfplaatsen

Tweekleurige vleermuis

Nee

Afwezigheid van paarverblijfplaatsen

Vleermuizen algemeen

Potentie

Onderbouwing

Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiele vliegroute

Nee

Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen

Nee

Geen aantasting van lijnvormige structuren

Essentieel foerageergebied

Nee

Geen aantasting van houtopstanden met struweel en oppervlaktewater

Tabel 3.2

zeer

hoge

bebouwing

voor

Samenvatting van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie.

Vleermuissoort

Zomer

Kraam

Paar

Massawinter

Gewone dwergvleermuis

Ja

Ja

Ja

Nee

Ruige dwergvleermuis

Ja

Nee

Ja

Nee

Laatvlieger

Ja

Ja

Ja

Nee

Gewone grootoorvleermuis

Ja

Ja

Ja

Nee

18

Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: poelkikker. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De poelkikker leeft in de landschapstypen bos, heide en hoogveen, waarbij de soort gebruik maakt van zwak zure, voedselarme, heldere en stilstaande wateren. Deze wateren hebben vaak een goed begroeide oeverzone. De poelkikker gebruikt holen van muizen, stronken of steenhopen in de buurt van voortplantingshabitat als overwinteringshabitat. De poelkikker is op een afstand van circa 200 m ten zuidoosten van de planlocatie waargenomen (NDFF 2013-2023). Op de planlocatie is oppervlakte aanwezig in de vorm van een sloot welke in warmere periodes droog zal vallen. De sloot beschikt niet over oever- of watervegetatie. Ook is de planlocatie niet gelegen in een bos-, heide- of hoogveengebied. De bosgebieden in de omgeving van de planlocatie bieden geschikter leefgebied dan de planlocatie.

Negatieve effecten ten aanzien van de poelkikker zijn derhalve uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2013-2023). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. De planlocatie betreft een voormalig boerenerf welke grotendeels is verhard. Op de planlocatie is geen sprake van heide, bos en natuurlijke oevers. Tevens ligt de planlocatie afgelegen, gezien de aanwezigheid van open agrarisch landschap, een provinciale weg en watergangen in de omgeving van de planlocatie. Het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied is derhalve uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde vissoorten: grote modderkruiper en kwabaal (NDFF 2013-2023).

De grote modderkruiper leeft in ondiepe wateren met goed ontwikkelde oever- en watervegetatie en een dikke sliblaag. De dichtstbijzijnde waarneming van de grote modderkruiper is op een afstand van circa 500 m ten zuidoosten van de planlocatie waargenomen (NDFF 2013-2023). Op de planlocatie is een bijna opgedroogde sloot gesitueerd. Deze sloot valt mogelijk droog in warmere periodes. De sloot staat niet in verbinding met de watergang waar de waarneming van de grote modderkruiper bekend is (NDFF 2013-2023). Ook beschikt de sloot niet over oever- of watervegetatie. Wegens de afwezigheid van een geschikt habitat voor de grote modderkruiper, is de aanwezigheid van de soort op de planlocatie uitgesloten. De kwabaal komt voor in stromende wateren of doorstromende meren. De soort paait in ondiepe en zwak stromende delen, waarbij de larven opgroeien in de ondiepe en vegetatierijke delen van de oevers. De kwabaal is eenmaal waargenomen op een afstand van circa 1 km ten noordoosten van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Op de planlocatie is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van een droogvallende sloot. Er is geen sprake van stromende wateren of doorstromende meren op of rondom de planlocatie. Derhalve is er op de planlocatie geen sprake van een geschikt habitat van de kwabaal en is de aanwezigheid van de soort uitgesloten.

19

Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos, grote weerschijnvlinder, sleedoornpage, gevlekte witsnuitlibel en rivierrombout (NDFF 2013-2023). De teunisbloempijlstaart is niet waargenomen binnen een straal van 2 km in de afgelopen 10 jaar. Echter is de soort de laatste jaren flink in opmars en reikt zijn verspreidingsgebied inmiddels ten zuidoosten van de lijn Rotterdam – Zwolle. Het betreft een zwervende soort waardoor deze lastig waar te nemen is en waarnemingen in de NDFF aannemelijk ontbreken. Derhalve wordt deze soort ook meegenomen in de beoordeling. De grote vos, grote weerschijnvlinder, sleedoornpage en teunisbloempijlstaart komen voor in (oude) vochtige en open bossen, bosranden of boomgaarden. De grote vos zet zijn eieren vooral af op de iep, maar ook zoete kers, populier en sommige wilgensoorten. De grote weerschijnvlinder gebruikt eerder de boswilg of de grauwe wilg als waardplant.

Als waardplant maakt de sleedoornpage gebruik van de sleedoorn en andere gecultiveerde pruimsoorten. De teunisbloempijlstaart gebruikt de teunisbloem, kattenstaart, wilgenroosje en basterdwederik als waardplant. De planlocatie betreft een voormalig boerenerf welke grotendeels is verhard. De voorgenoemde waardplanten groeien voornamelijk op natte en voedselarme bodems. De planlocatie beschikt over een voedselrijke bodem gezien het een voormalig agrarisch perceel is en er veel bramen en andere algemene ruige vegetatie groeit. Op de planlocatie is derhalve geen sprake van een geschikte standplaats voor de waardplanten van de grote vos, grote weerschijnvlinder, sleedoornpage en teunisbloempijlstaart. Negatieve effecten ten aanzien van deze soorten is derhalve uitgesloten. De gevlekte witsnuitlibel leeft in laagveenmoerassen, bosplassen, verlandingszones, vegetatierijke vennen en duinplassen. De soort maakt in deze gebieden gebruik van ondiepe, matig voedselrijke en beschut gelegen wateren. De rivierrombout komt voor langs grote rivieren, waarbij het larvenhabitat van de soort bestaat uit zandige substraten in ondiepe, onbegroeide, zwak stromende riviertrajecten. Op de planlocatie is enkel sprake van een bijna opgedroogde sloot. Op en in de omgeving van de planlocatie is geen sprake van de voorgenoemde leefgebieden van de gevlekte witsnuitlibel en rivierrombout.

Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van deze soorten uitgesloten. Er is ook geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: buizerd, gaai, koolmees, merel, Turkse tortel en zwarte kraai. Gedurende het veldbezoek zijn nesten van soorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied aangetroffen. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied.

Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2022). Hieronder wordt per bebouwing een beoordeling gegeven, waarbij de nummering correspondeert met de nummering uit figuur 1.2, 1.3 en 1.4.

20

1.

De woning beschikt over een zadeldak met dakpannen. Invliegopeningen zijn aanwezig aan de onderste rij dakpannen en weggevallen specie in de nok van de woning (figuur 3.3). Het is derhalve niet uit te sluiten dat de woning fungeert als nestlocatie van de huismus. 2. De schuur beschikt over een zadeldak welke is bekleed met golfplaten. Het dak beschikt niet over een dakbeschot. Wegens de afwezigheid van een geschikt dakruimte, is uitgesloten dat de schuur fungeert als een nestlocatie van de huismus. 3. De stal beschikt over een zadeldak bekleed met stormpannen en een dakbeschot. De dakruimte is toegankelijk via losliggende dakpannen en openingen onder de onderste rij stormpannen. Tevens zijn huismusnesten aangetroffen onder het dak (figuur 3.3). Derhalve kan niet uitgesloten worden dat de schuur fungeert als nestlocatie van de huismus. 4. De stal beschikt over een zadeldak met stormpannen en de stal beschikt over een dakbeschot. De dakruimte is toegankelijk via weggevallen specie en losliggende stormpannen (figuur 3.3). Hierdoor is niet uit te sluiten dat de schuur fungeert als nestlocatie van de huismus. 5. De schuur beschikt over een plat dak welke is bekleed met damwandplaten zonder dakbeschot. Gezien er geen sprake is van een geschikte dakruimte, is uitgesloten dat de schuur fungeert als nestlocatie van huismussen. 6.

De loods beschikt over een golfplaten dak zonder dakbeschot. Wegens de afwezigheid van een dakbeschot en dus een geschikte dakruimte, is de aanwezigheid van huismusnesten in de loods uitgesloten. 7. De schuur beschikt over een zadeldak met wolfseinden. Het dak is bekleed met dakpannen en beschikt niet over een dakbeschot. Alhoewel de schuur niet beschikt over een dakbeschot, is er een huismusnest aangetroffen onder het dak. Het nest is gelegen op een plank en muur onder de onderste rij dakpannen. De schuur is tevens toegankelijk via losliggende en weggevallen stormpannen (figuur 3.3). Het is derhalve niet uit te sluiten dat de schuur fungeert als nestlocatie van de huismus. Door het voorgenoemde is niet uit te sluiten dat de woning, stallen (3 en 4) en schuur (7) fungeren als nestlocatie van de huismus. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt mogelijk tot aantasting van actieve nesten en een afname van essentieel leefgebied. Voorafgaand aan de beoogde werkzaamheden dient derhalve aanvullend onderzoek plaats te vinden om de exacte functie van de planlocatie voor de huismus vast te stellen (zie H5.3). De woning en schuur (7) blijven behouden, maar er vinden mogelijk in de toekomst werkzaamheden plaats aan deze gebouwen. Volledigheidshalve worden de woning en schuur meegenomen in het aanvullend huismussenonderzoek.

Figuur 3.3 De bebouwing is toegankelijk voor huismussen via weggevallen specie en dak delen (boven). Tevens zijn huismusnesten aangetroffen in stal 3 (linksonder) en schuur 7 (rechtsonder).

21

De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De bebouwing beschikt niet over geschikte dakruimtes wegens de afwezigheid van dakbeschot. De woning en stallen (3 en 4) beschikken wel over een dakbeschot, maar gezien de afwezigheid van geschikte aanvliegroutes (lager dan 3 m), is ook uitgesloten dat deze gebouwen fungeren als nestlocatie van de gierzwaluw. Tevens is de planlocatie gelegen in agrarisch gebied, waar nesten van de gierzwaluw nauwelijks worden aangetroffen. De aanwezigheid van nestlocatie van de gierzwaluw op de planlocatie is derhalve uitgesloten. In schuur 2 zijn nesten aangetroffen van de boerenzwaluw. Het is onbekend of dit oude of recente nesten betreffen. Hierdoor is niet uit te sluiten dat de bebouwing momenteel fungeert als nestlocatie van de soort. Om de aan- of afwezigheid van actieve nesten van de boerenzwaluw vast te stellen, dient derhalve aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3). Er zijn sporen aangetroffen van de kerkuil op de planlocatie, waaronder ruiveren, krijtsporen en braakballen (figuur 3.4). De kerkuil is een standvogel welke voorkomt in cultuurlandschappen met grasen bouwlanden.

Deze landschappen worden begrensd door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bossen. De kerkuil broedt in hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken, kastelen en torens, zoals op zolders maar ook in nestkasten. Het leefgebied moet beschikken over voldoende voedsel, oriëntatiemogelijkheden, zit- en uitkijkposten en donkerte (BIJ12 Kerkuil, 2017). In schuur 7 en de loods zijn ruiveren van de kerkuil aangetroffen en alleen in schuur 7 zijn daarbij braakballen en krijtsporen aanwezig. De ruiveren waren nog niet ver aangevreten door insecten en waren niet rafelig. Het is mogelijk dat de kerkuil de schuur (7) gebruikt als rustplaats. Om de aan- of afwezigheid van actieve nesten van de kerkuil op de planlocatie vast te stellen, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden (zie H5.3).

Figuur 3.4 In de loods (6) en schuur 7 zijn sporen aangetroffen van de kerkuil, waaronder ruiveren, braakballen en krijtsporen. Mogelijk is de planlocatie een geschikt leefgebied van de steenuil. Daarbij kan de bebouwing gebruikt worden als vaste rust- en verblijfplaats voor de steenuil, ondanks afwezigheid van sporen van de soort. De steenuil is een standvogel welke sterk is verbonden aan kleinschalige agrarische cultuurlandschappen. De soort verblijft op erven van burgerwoningen, bij boerderijen en aan dorpsranden. Het ideale leefgebied voorziet het hele jaar aan voldoende voedsel, geschikte nestplaatsen en voldoende schuilmogelijkheden. De nestplaatsen zijn voornamelijk aanwezig in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in de bebouwing (BIJ12 Steenuil, 2017). 22

In de afgelopen 10 jaar zijn waarnemingen bekend van de steenuil binnen een straal van 2 km van de planlocatie, waarvan de dichtstbijzijnde waarneming bekend is op een afstand van 25 m ten westen van de planlocatie (NDFF 2013-2023). De planlocatie betreft een voormalig boerenerf met voldoende verruiging en open landschap in de omgeving. De bebouwing is toegankelijk via openingen in het dak en losliggende dakpannen. Ook is er voldoende donkerte aanwezig, waardoor de bebouwing geschikt kunnen zijn als nestlocatie van de steenuil. De aanwezigheid van de steenuil op de planlocatie kan niet worden uitgesloten. Om de aan- of afwezigheid van de steenuil op de planlocatie vast te stellen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3). In de bomen op en rondom de planlocatie zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen. De aanwezigheid van boom broedende soorten als ransuil, buizerd en sperwer kan uitgesloten worden. De planlocatie betreft geen essentieel leefgebied van roofvogelsoorten gezien de aanwezigheid van verharding en voldoende alternatief ten oosten van de planlocatie. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties.

Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

23

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 460 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3.5).

Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van circa 460 m tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van woningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling. Gezien de geringe afstand (460 m) tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS-Calculator uit te voeren.

Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 155 m tot het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.6). De planlocatie ligt in de Zone Ondernemen met Natuur en Water (figuur 3.7). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een nadere beoordeling ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland is derhalve niet benodigd. Het ontwikkelingsperspectief van de Zone Ondernemen met Natuur en Water is gericht op het behouden en ontwikkelen van de natuur- en landschapskwaliteiten en de versterking van het watersysteem, in samenhang met de economische ontwikkeling. De ruimtelijke ontwikkeling moet dus onder andere gericht zijn op het realiseren van wateropgaven en versterking van natuur en landschap. In de beoogde ruimtelijke ontwikkeling wordt rekening gehouden met de versterking van de natuur en landschapskwaliteiten. 24

Naast de realisatie van 2 woningen wordt ook erfbeplanting gerealiseerd met streekeigen hagen, bomen en struiken. Hierdoor komt er meer groen terug op de planlocatie dan dat er eerder aanwezig was. Tevens wordt zo min mogelijk verharding toegepast en bij voorkeur in de vorm van klinkers of halfverharding, waardoor naar verwachting geen effecten ontstaan op de plaatselijke waterhuishouding. De ontwikkeling gaat zo gepaard met de natuur- en landschapskwaliteiten van de Zone Ondernemen met Natuur en Water, en de ontwikkeling is derhalve niet strijdig met het vigerende beleid.

Figuur 3.6 De planlocatie ligt op een afstand van circa 155 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: www.overijssel.tercera-ro.nl).

Figuur 3.7 De planlocatie ligt in de www.overijssel.tercera-ro.nl).

Zone

Ondernemen

met

Natuur

en

Water

(bron:

25

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

26

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel), gebouw bewonende vleermuizen, huismussen, boerenzwaluw en uilen (kerkuil en steenuil). De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Mogelijke functie planlocatie

art. 3.10

Ja

Verblijfplaatsen en leefgebied

art. 3.5

Ja

Verblijfplaatsen

art. 3.1

Ja

Nestlocatie(s), vaste verblijfplaatsen foerageergebied

Planten Grondgebonden zoogdieren Bunzing Hermelijn Steenmarter Wezel Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Boerenzwaluw Kerkuil Steenuil Vogels (Algemeen en cat. 5)

rust-

en en/of

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Wel is de planlocatie gelegen in de Zone Ondernemen met Natuur en Water. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Ten aanzien van de Zone Ondernemen met Natuur en Water geldt dat, gezien de realisatie van de woningen gepaard gaat met de realisatie van meer erfgroen, de ontwikkeling in zijn totaliteit een bijdrage levert aan de natuur- en landschapswaarden. De waterhuishouding wordt niet significant aangetast gezien er een beperkte hoeveelheid verharding wordt aangebracht. Tabel 4.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=f5524875-bc37-4af6-b1c0-5c6fb9a58bc1