CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Advies PBL afbouw houtige biomassa.pdf

Raad Besluitvormingsronde 8 maart 2021, gemeente ZwolleBij agendapunt: Biogrondstoffen deel 221.851 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In Den Haag en Leeuwarden.

60 | Advies uitfasering houtige biogrondstoffen voor warmtetoepassingen

bieden houtige biogrondstoffen de mogelijkheid het warmtenet gradueel uit te bouwen tot het moment dat geothermie toegepast kan worden. Als dat niet meer mogelijk is, zouden de toekomstmogelijkheden van geothermie nadelig beïnvloed kunnen worden, tenzij voor de overbruggingsperiode gebruik wordt gemaakt van aardgas, met hogere emissies tot gevolg. Het gebruik van industriële (rest)warmte is vooral in de provincie Zuid-Holland kansrijk, omdat warmte via de warmterotonde over grote afstanden kan worden getransporteerd. In andere provincies met een industrieel cluster ontbreekt een dergelijke ‘backbone’ vooralsnog. Wat betreft aquathermie zijn al ruim 60 kleinschalige projecten opgezet en worden op veel plekken verkennende studies uitgevoerd, maar onzeker is of en wanneer die projecten doorgang vinden. In de KEV 2020 wordt daarom tot en met 2030 nog geen substantiële bijdrage van aquathermie verondersteld. Een additioneel punt is dat lage­ temperatuurbronnen (aquathermie, restwarmte datacenters, ondiepe geothermie) vaak moeten worden gecombineerd met warmtepompen om de voor warm tapwater en ruimteverwarming vereiste temperatuur te bereiken. Dit leidt tot additioneel elektriciteitsgebruik en dus CO2-uistoot, omdat volgens de Warmtewet 2.0 gerekend moet worden met een emissie-intensiteit van elektriciteit die weliswaar daalt, maar in 2030 nog 120 kg CO2 per MWh bedraagt.

Daarnaast leidt dit tot een zwaardere belasting van het elektriciteitsnet in de winter en een grote piekbelasting op dagen met lage buitentemperaturen. Op termijn kan in nieuwe warmtenetten wellicht met lagere temperaturen worden volstaan, maar dat vereist verregaande isolatie en andere aanpassingen (bijvoorbeeld vloerverwarming) in woningen. Binnen de modelcontext van de uitgevoerde analyse leidt kostenoptimalisatie van het behalen van het gewenste nationale emissiereductiedoel in 2040 en 2050 tot inzet van houtige biogrondstoffen in vooral andere sectoren dan de gebouwde omgeving Uit de modelanalyse zoals beschreven in hoofdstuk 4 blijkt dat indien het behalen van een nationaal emissiereductiedoel uitsluitend op basis van laagste kosten39 geoptimaliseerd zou worden voor het gehele energiesysteem40, de inzet van houtige biogrondstoffen in de gebouwde omgeving sterk zou kunnen afnemen richting 2040 en vrijwel nul zou kunnen zijn in het eindbeeld van de transitie in 2050. Dit komt doordat volgens het model na 2035 het gebruik van houtige biogrondstoffen een steeds belangrijkere kosteneffectieve optie wordt voor het reduceren van CO2-emissies in met name de industrie, eventueel in combinatie met CCS, waardoor negatieve emissies worden gerealiseerd.

Indien houtige biogrondstoffen in 2035 worden uitgefaseerd (en er dus 10 tot 12 jaar daarvoor wordt gestopt met het afgeven van subsidiebeschikkingen), dan zullen de vrijkomende houtige biogrond-

39 40

Het gaat hier om werkelijke kosten, dus zonder rekening te houden met eventuele subsidies. Het model representeert dus niet de ‘werkelijkheid’, maar geeft slechts weer wat er zou kunnen gebeuren indien de kosten van een opgelegde emissiereductie voor het energiesysteem als geheel – er is dus niet gerekend met sectorale emissiereductiedoelen – worden geminimaliseerd, uitgaande van de aannames zoals deze gelden binnen het betreffende scenario. In die zin is het model een hulpmiddel in het denken over de energietransitie op basis van de daarin verwerkte data en kennis van het energiesysteem.

Discussie en conclusies | 61

stoffen volgens de modelanalyse voor het grootste deel worden ingezet in de industrie. Maar omdat de industrie restwarmte levert aan warmtenetten, zal deze warmte via een omweg nog steeds voor een deel op houtige biogrondstoffen zijn gebaseerd. Andere duurzame alternatieven voor warmtenetten worden in het model niet of nauwelijks ingezet omdat deze minder kosteneffectief zijn. De modelanalyse laat zien dat er in 2030 en 2035 op systeemniveau goedkopere emissie­ reductiemogelijkheden zijn dan het toepassen van houtige biogrondstoffen in de gebouwde omgeving. Uitfaseren van de in de referentie veronderstelde biogrondstoffen in de gebouwde omgeving betekent dat reductieopties in andere sectoren worden ingezet om wel een gelijke emissiereductie te behalen. Daardoor leidt uitfaseren in het model tot slechts beperkt hogere of zelfs lagere kosten in de genoemde jaren. Het betekent uiteraard wel dat er dan minder reductie in de gebouwde omgeving plaatsvindt. Het model is vooralsnog niet geschikt voor het analyseren van (de kosten van) reductiedoelen binnen afzonderlijke sectoren. Er kon daarom niet worden onderzocht wat uitfasering zou betekenen bij de veronderstelling dat de reductie in de gebouwde omgeving gelijk dient te blijven.

De modelanalyse laat daarnaast zien dat wanneer houtige biogrondstoffen voor energie­toepassingen niet worden ingezet voor warmte in de gebouwde omgeving, landbouw en industrie, de toepassing kan verschuiven naar de productie van geavanceerde biobrandstoffen - in lijn met het SER-advies ‘Biomassa in Balans’. Gezien de maatschappelijke en politieke discussie rond de (on)wenselijkheid van het inzetten van houtige biogrondstoffen voor warmte in het algemeen, is – naast de gebouwde omgeving – ook gekeken naar het effect van uitfasering in de landbouw en de industrie. Binnen de modelcontext verschuift in dat geval de toepassing naar de productie van geavanceerde biobrandstoffen (vooral bunkers) en groengas, terwijl in de industrie de warmteproductie wordt overgenomen door aardgas (eventueel met CCS) en daarnaast warmtepompen, Mechanical Vapor Recompression (MVR) en elektrische boilers. Er is dan geen afname in het totale gebruik van houtige biogrondstoffen, maar er is wel een verplaatsing naar een toepassing (bunkers) die in lijn met het SER-advies ‘Biomassa in Balans’ (SER, 2020) als meer gewenst kan worden gezien41. De kosten van de energietransitie zullen daardoor wel stijgen, omdat de productie van biobrandstoffen en groengas op basis van houtige biogrondstoffen een duurdere route is om CO2 te reduceren dan toepassing in de industrie.

Meer in het algemeen is het beeld dat wanneer wordt uitgegaan van kostenoptimalisatie, een grotere hoeveelheid beschikbare biogrondstoffen leidt tot een hogere inzet ervan. Dat komt doordat biogrondstoffen in beginsel in verschillende (meer of minder gangbare) energiedragers kunnen worden omgezet en daardoor in veel verschillende toepassingen

41

Dit advies geeft ook aan dat inzet in de chemie prioritair zou moeten zijn. In de modelanalyse wordt aan de vervanging van olie als feedstock voor de chemie door biogrondstoffen echter geen emissiereductie toegekend. Wel is geanalyseerd wat het betekent als een groot deel van de houtige biogrondstoffen aan de chemie wordt toegewezen (zie hoofdstuk 4).

62 | Advies uitfasering houtige biogrondstoffen voor warmtetoepassingen

oplossingen kunnen bieden. Maar er is vooralsnog grote onzekerheid over de uiteindelijke beschikbaarheid en prijs van duurzaam gewonnen (houtige) biogrondstoffen. Wanneer wordt uitgegaan van beperkte beschikbaarheid, kent de toepassing van houtige biomassa daarbij een prioriteitsvolgorde, zoals ook uiteengezet in het SER-advies. De toepassing in materialen (de bouw) en als grondstof voor de chemie hebben daarbij volgens de SER de hoogste prioriteit, de toepassing voor warmte in de gebouwde omgeving (en voor elektriciteits­ productie) de laagste. Beperking van de toepassing van biogrondstoffen voor warmte in de gebouwde omgeving past dus bij de inzichten in het SER-advies over de rol van biogrond­ stoffen op de lange termijn. Toepassing van biogrondstoffen voor hogetemperatuurwarmte in de industrie blijkt in langetermijnscenario’s vaak wel van belang vanwege de mogelijkheid daarbij CO2 af te vangen en op te slaan, waardoor negatieve emissies kunnen worden gerealiseerd. De ambitie voor warmtenetten uit het Klimaatakkoord zal waarschijnlijk niet worden waargemaakt als op korte termijn wordt gestopt met het toekennen van subsidiebeschikkingen voor de toepassing van houtige biogrondstoffen voor warmte in de gebouwde omgeving.

Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat wanneer er vóór 2030 zou worden gestopt met het toekennen van subsidiebeschikkingen voor de toepassing van houtige biogrondstoffen voor warmte in de gebouwde omgeving, het doel voor 2030 uit het Klimaatakkoord (40 PJ warmtelevering, 70% CO2-reductie) – dat hoe dan ook al ambitieus is42 – waarschijnlijk niet zal worden gehaald. Alternatieve warmtebronnen voor warmtenetten zijn waarschijnlijk niet op tijd in voldoende mate beschikbaar om de verminderde inzetbaarheid van biogrondstoffen te kunnen compenseren. Mogelijkheden voor opschaling vóór 2030 van alternatieven voor biogrondstoffen in de gebouwde omgeving zijn ongewis. De gewenste bijdrage aan het emissiereductiedoel voor 2030 door de gebouwde omgeving die de uitbreiding en verduurzaming van warmtenetten zou moeten opleveren, kan in theorie ook worden ingevuld via extra inspanningen om individuele gebouwen aardgasvrij te maken (zie paragraaf 5.2.2). Echter, het all-electric maken van bestaande woningen is ingewikkeld en duur; daarvoor zijn ingrijpender en vaak kostbaardere aanpassingen aan schilisolatie en het warmteafgiftesysteem van woningen en gebouwen nodig, alsook een actievere medewerking van individuele gebouweigenaren.

De route met hybride warmtepompen vereist in bestaande woningen en gebouwen minder ingrijpende en dure aanpassingen en kan daardoor laagdrempeliger zijn, maar leidt pas tot volledige verduurzaming als groengas en/ of groene of blauwe waterstof voldoende beschikbaar zijn. Op de termijn tot 2030 is dat niet het geval. Gegeven het ‘gat’ tussen het bestaande ambitieniveau voor 2030 en het tot dusverre gerealiseerde tempo van deze route is het niet aannemelijk dat de voor het halen van het reductiedoel vereiste opschaling haalbaar is. Daarmee lijken de twee sporen voor

42

In het Klimaatakkoord wordt gesteld dat 40 PJ vereist dat 80.000 woningen per jaar op een warmtenet worden aangesloten vanaf 2025. In 2023 zal dit aantal waarschijnlijk 16.500 bedragen. De KEV 2020 gaat er mede daarom van uit dat de warmtelevering door warmtenetten aan huishoudens en de dienstensector in 2030 niet hoger is dan 27 PJ.

Discussie en conclusies | 63

verduurzaming in de gebouwde omgeving die in het Klimaatakkoord zijn uitgezet, weinig houvast te kunnen bieden voor het invullen van het gat dat ontstaat wanneer er al vóór 2030 geen nieuwe subsidietoekenningen meer zijn voor het toepassen van biogrondstoffen voor warmte in de gebouwde omgeving. Met het oog op investeringszekerheid is het van belang in het duurzaamheidskader ondubbel­zinnig aan te geven welke houtige, al dan niet binnenlandse (rest)stromen wel en niet op welk moment wenselijk zijn. In de huidige biogrondstoffendiscussie brengen sommige partijen naar voren dat de uitfasering van houtige biogrondstoffen voor laagwaardige warmte niet ten doel moet hebben om over te schakelen naar hoogwaardiger toepassingen, omdat de winning (en daarmee de inzet) van houtige biogrondstoffen voor energietoepassingen volgens hen hoe dan ook niet gewenst is. Redenaties die tot een dergelijk standpunt leiden, zijn beschreven in de recente factfindingstudie van Strengers en Elzenga (2020). Hoewel het kabinet dit standpunt niet als zodanig uitdraagt en ook het recente SER-advies gestoeld is op het principe te streven naar zo hoogwaardig mogelijke toepassing, lijkt het feit dat dit standpunt boven de markt hangt nu al investeringen in de toepassing van houtige biogrondstoffen te compliceren.

Dat geldt zelfs voor de toepassing van houtige reststromen (snoeihout, afvalhout) die – indien ze niet mogen worden gebruikt voor energietoepassingen – per definitie in relatief korte tijd worden omgezet in CO2. Dergelijke ontwikkelingen kunnen, boven op de eventuele effecten van een stop op de uitgifte van subsidiebeschikkingen, de voortgang van de verduurzaming in de gebouwde omgeving (en eventueel andere sectoren) verder vertragen. Om investeringszekerheid te bieden, is het van belang om in het duurzaamheidskader een ondubbelzinnige beschrijving te geven van welke houtige (rest) stromen wel en niet op welk moment wenselijk zijn. Ook zonder subsidie kan de toepassing van houtige biogrondstoffen aantrekkelijk zijn. Het stopzetten van de subsidiëring van houtige biogrondstoffen voor warmteopwekking houdt niet per definitie in dat ook de toepassing zal stoppen. Opgelegde emissiereductieeisen voor de gebouwde omgeving (zoals gesteld in de Warmtewet 2.0) kunnen er immers toe leiden dat houtige biogrondstoffen ook zonder subsidie een aantrekkelijke route blijven. Zowel in bestaande als in nieuwe warmtenetten zouden op die wijze toch houtige biogrondstoffen kunnen worden toegepast. Ook inzet van biogrondstoffen via ‘omzettingsroutes’ blijft dan mogelijk, zoals die van groengas gemaakt uit houtige biogrondstoffen.

Met een subsidiestop wordt begrenzing van de totale hoeveelheid houtige biogrondstoffen in de gebouwde omgeving (of andere sectoren zoals de industrie waarbinnen de toepassing van houtige biogrondstoffen nog aantrekkelijker is), dus niet noodzakelijkerwijs afgedwongen. Uitfasering van houtige biogrondstoffen in de industrie leidt mogelijk tot hogere emissie­ reductiekosten die ongunstig kunnen uitpakken voor de concurrentiepositie van bedrijven. In de analyse van het Klimaatakkoord (PBL, 2019a) is uitgegaan van vooral de inzet van de meest kosteneffectieve technologieën. Zoals ook naar voren komt uit de modelanalyse in hoofdstuk 4, zal het toepassen van alternatieven in de regel hogere kosten met zich 64 | Advies uitfasering houtige biogrondstoffen voor warmtetoepassingen

brengen. Bovendien doet de toepassing van biogrondstoffen geen aanspraak op het voor de industriële verduurzaming geoormerkte SDE++-subsidiebudget van 550 miljoen euro dat in het Klimaatakkoord is afgesproken. Wanneer de uitfaseringsstrategie niet alleen de toepassing van houtige biogrondstoffen voor warmte in de gebouwde omgeving maar ook die in de industrie betreft, zullen dus duurdere technieken moeten worden ingezet, die wél aanspraak maken op het voor de industrie geoormerkte subsidiebudget. Dat verkleint de kans dat dit budget toereikend is om de gewenste reductie in de industrie te dekken. Omdat naast het beschikbaar stellen van subsidie voor de industrie tevens een CO2-heffing is geïntroduceerd, worden industriële bedrijven toch geprikkeld om hun emissies te reduceren. Wanneer het subsidiebudget niet toereikend is, zullen meer bedrijven hiervoor echter hogere kosten moeten maken, of ervoor kiezen liever het heffingstarief te betalen. Op deze wijze kan de uitfasering ongunstig uitpakken voor de concurrentiepositie van deze bedrijven. Overigens kunnen bedrijven in beginsel ook zonder subsidie overgaan tot of doorgaan met het toepassen van houtige biogrondstoffen als emissiereductiemaatregel.

Een uitfaseringsstrategie voor houtige biogrondstoffen vraagt een simultane infaseringsstrategie voor alternatieven als onderdeel van een integrale strategie voor de gebouwde omgeving. De wijze waarop in de loop der tijd de toepassing van houtige biogrondstoffen vervangen kan worden door alternatieve toepassingen krijgt tot dusverre in de discussie nog (te) weinig aandacht, terwijl dat in principe hand in hand zou moeten gaan. Zo kan het nadrukkelijk inslaan van de gebouwgebonden routes belemmeringen opwerpen voor de warmtenettenroute. Hoe meer gebouwen in een wijk reeds op individuele wijze verduurzaamd zijn, hoe moeilijker het wordt om voor de overige gebouwen rendabel een warmte­net aan te leggen. Er is daarom ten minste op hoofdlijnen een integrale strategie nodig voor het verduurzamen van warmtebronnen voor lagetemperatuurtoepassingen, zodat daarbinnen de rol van houtige biogrondstoffen gebalanceerd kan worden vormgegeven. Het is bijvoorbeeld denkbaar (ook in lijn met het SER-advies) dat de inzet van houtige biogrondstoffen, ondanks de wens tot een beperking daarvan, in de toekomst een belangrijke rol kan hebben bij het aanleggen van nieuwe warmtenetten of op specifieke (piek- of back-up)momenten. Bijvoorbeeld om – zoals eerder aangegeven – initieel de warmte te verzorgen totdat voldoende schaalgrootte is bereikt om over te stappen op een geothermiebron.

Ook is het mogelijk dat er op de lange termijn situaties blijven bestaan waarin houtige biogrondstoffen op beperkte schaal noodzakelijk of kosteneffectiever zijn. Wanneer wordt gestopt met het afgeven van subsidiebeschikkingen is voor een dergelijke rol wellicht ander stimuleringsbeleid nodig. En tegelijk kan dan beleid nodig zijn om de totale inzet beperkt te houden. Het lijkt zodoende voor het realiseren van de klimaatdoelen op de langere termijn risicovol om elke verdere toepassing van houtige biogrondstoffen voor lagetemperatuurwarmte uit te sluiten. Een advies over een uitgebalanceerde inzet van verschillende, hier genoemde stimuleringselementen vereist echter meer onderzoek dan voor deze notitie mogelijk was.

Discussie en conclusies | 65

Referenties ADBE (2019). Public report on the assessment of certification scheme Better Biomass for solid biomass for energy applications (Issue April). https://www.adviescommissiedbe.nl/file/download/50707642/Better+Biomass+Public+assessment+report+%282019-04%29.pdf%0D Agentschap NL (2011). De kunst van duurzame energietransitie. https://www.rvo.nl/sites/default/ files/bijlagen/De kunst van duurzame energietransitie_2EGOG1101 - compleet.pdf Berenschot & Panterra (2020). WARM - Waarde van Aardwarmte en Regionale Mogelijkheden. Een studie naar de potentie van aardwarmte als duurzame warmte voor de gebouwde omgeving, glastuinbouw en industrie. https://kennisbank.ebn.nl/eindrapport-warm/ Bolscher, H., Metz, B., & Schöne, S. (2020). Zijn er voldoende duurzame alternatieven voor (houtige) biomassa bij de verwarming van woningen? https://www.hieropgewekt.nl/kennisdossiers/ houtige-biomassa-in-warmtenetten-zijn-er-voldoende-duurzame-alternatieven CBS (2020). Hernieuwbare energie in Nederland 2019. https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2020/40/hernieuwbare-energie-in-nederland-2019 CE Delft (2020). Convenant Duurzaamheid Biomassa. Jaarrapportage 2019 en mid-term evaluatie. https://www.ce.nl/publicaties/2490/ convenant-duurzaamheid-biomassa-jaarrapportage-2019-en-mid-term-evaluatie Ecofys & Berenschot (2018). Chemistry for Climate. Acting on the need for speed.

Roadmap for the Dutch Chemical Industry towards 2050. https://www.vnci.nl/Content/Files/file/Downloads/VNCI_ Routekaart-2050.pdf ECW (2020a). Strategiefactsheets. https://expertisecentrumwarmte.nl/themas/de+leidraad/ strategiefactsheets/default.aspx ECW (2020b). Techniekfactsheets energiebronnen en -dragers. Versie 22 mei 2020. Expertise Centrum warmte (ECW). https://www.expertisecentrumwarmte.nl/themas/ technische+oplossingen/techniekfactsheets+energiebronnen/default.aspx EZK (2020a). Brief van de minister van EZK inzake SER-advies duurzaamheidskader biomassa en reactie motie Sienot c.s.(Kamerstuk 32813, nr. 537). In Stand (p. 2). https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2020D27534 EZK (2020b). Kabinetsvisie waterstof (pp. 1–20). Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/03/30/ kamerbrief-over-kabinetsvisie-waterstof EZK & IenW. (2020). Duurzaamheidskader biogrondstoffen. https://www.rijksoverheid.nl/ documenten/kamerstukken/2020/10/16/duurzaamheidskader-biogrondstoffen Greenvis (2020). Inventarisatie duurzaamheid warmtenetten. Normstelling CO2-emissie Wet collectieve Warmtevoorziening. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/11/05/ greenvis-rapport-inventarisatie-duurzaamheid-warmtenetten PBE (2020). PBE Jaarrapportage 2019 – Nederlandse biomassa volledig lokaal benut.

https://platformbioeconomie.nl/2020/09/09/nederlandse-biomassa-volledig-lokaal-benut/

66 | Advies uitfasering houtige biogrondstoffen voor warmtetoepassingen

PBL (2014). De rol van de elektrische warmtepomp in een klimaatneutrale woningvoorraad (Issue december). https://www.pbl.nl/publicaties/ de-rol-van-de-elektrische-warmtepomp-in-een-klimaatneutrale-woningvoorraad PBL (2019a). Effecten ontwerp klimaatakkoord. https://www.pbl.nl/publicaties/ effecten-ontwerp-klimaatakkoord PBL (2019b). Effecten van het klimaatakkoord op het fossiel en hernieuwbaar energieverbruik in 2030. https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2019-effecten-van-het-klimaatakkoord-op-het-fossiel-en-hernieuwbaar-energieverbruik-in-2030_4018.pdf PBL (2019c). Klimaat en Energieverkenning 2019. https://www.pbl.nl/publicaties/ klimaat-en-energieverkenning-2019 PBL (2020a). Eindadvies basisbedragen SDE++2020. https://www.pbl.nl/publicaties/ eindadvies-basisbedragen-sde-2020 PBL (2020b). Klimaat- en Energieverkenning 2020. https://www.pbl.nl/publicaties/ klimaat-en-energieverkenning-2020 PBL (2020c). Startanalyse aardgasvrije buurten. Achtergrondrapport. https://www.pbl.nl/publicaties/achtergrondrapport-bij-de-startanalyse-aardgasvrije-buurten PBL (2020d). Startanalyse aardgasvrije buurten. https://www.pbl.nl/publicaties/ startanalyse-aardgasvrije-buurten-2020 RVO (2020a). Duurzaamheidseisen vaste biomassa SDE++. https://www.rvo.nl/subsidie-en-financieringswijzer/stimulering-duurzame-energietransitie/aanvragen-sde/biomassa/ duurzaamheidseisen RVO (2020b).

Verificatieprotocol duurzaamheid vaste biomassa voor energietoepassingen. Versie januari 2020. https://www.rvo.nl/subsidie-en-financieringswijzer/stimulering-duurzame-energieproductie-en-klimaattransitie-sde/aanvragen-sde/biomassa/duurzaamheidseisen RWE (2020). Duurzame biogrondstoffen vormen belangrijke pijler onder CO2 neutrale biobased economy (p. 3). https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/ details?id=2020A03564 Schilder, F., & van der Stark, M. (2020). Woonlastenneutraal koopwoningen verduurzamen. https://www.pbl.nl/publicaties/woonlastenneutraal-koopwoningen-verduurzamen SER (2020). Biomassa in balans. Een duurzaamheidskader van biogrondstoffen. https://www.ser.nl/nl/Publicaties/biomassa-in-balans Sienot, M., Dik-Faber, C., Mulder, A., & Harbers, M. (2020). Gewijzigde motie het lid Sienot c.s. over geen nieuwe subsidiebeschikkingen voor verbranding van houtachtige biomassa t.v.v. 32813-510. https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2020Z12293&did=202 0D26309 Strengers, B. & Elzenga, H. (2020). Beschikbaarheid en toepassingsmogelijkheden van duurzame biomassa. Verslag van een zoektocht naar gedeelde feiten en opvattingen. https://www.pbl.nl/ publicaties/beschikbaarheid-en-toepassingsmogelijkheden-van-duurzame-­biomassa-verslagvan-een-zoektocht-naar-gedeelde-feiten TNO (2020a). Scenario’s voor klimaatneutraal energiesysteem.

Slimme combinaties van energie-opties leiden tot duurzame en bataalbare energiehuishouding. https://www.tno.nl/nl/over-tno/ nieuws/2020/5/scenario-s-toekomstig-duurzaam-en-betaalbaar-energiesysteem/ TNO (2020b). The impact of phasing out woody biomass for heat generation in the ADAPT and TRANSFORM scenarios. Referenties | 67

TNO & CBS (2020). Warmtemonitor 2019. https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2020/35/ warmtemonitor-2019 Vattenfall (2020a). Biomassa: een weloverwogen tussenstap naar CO2-vrije stadsverwarming. https://www.vattenfall.nl/producten/stadsverwarming/biomassa/ Vattenfall (2020b). Inbreng Vattenfall ten behoeve van het rondetafelgesprek biomassa (p. 3). https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/ details?id=2020A03564

68 | Advies uitfasering houtige biogrondstoffen voor warmtetoepassingen

Planbureau voor de Leefomgeving Postadres: Postbus 30314 2500 GH Den Haag www.pbl.nl @leefomgeving 2020

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=65c09450-f23b-4bc5-be08-28d3170c2000