Bijlage 5h - Reactie van ProRail_1_geanonimiseerd
Tekst van het document
From: Sent: To: Cc: Subject:
"RO-ProRail" < 5.1.2e @prorail.nl> 3/28/2025 12:49:20 PM "Omgevingsvisie Zwolle" < 5.1.2e @zwolle.nl> " 5.1.2e " < 5.1.2e @prorail.nl> RE: Ons Zwolle van Overmorgen - Voorjaar 2025 --- Reactie van ProRail
Geacht College, Met veel interesse heeft ProRail kennisgenomen van de Aanvulling op de Omgevingsvisie Zwolle, die u ons op 25 februari 2025 per e-mail heeft toegestuurd. De Omgevingsvisie spreekt van ambitie en maakt keuzes om in de beperkte ruimte binnen uw gemeente, de grote opgaven op het terrein van het fysieke kapitaal, klimaatadaptatie, leefomgeving, mobiliteit, energie en circulariteit te realiseren. ProRail heeft hier waardering voor. Met deze brief vraagt ProRail aandacht voor haar belangen en betrokkenheid bij de uitwerking van uw Omgevingsvisie in concrete omgevingsplannen. In uw gemeente ligt een groot spoornetwerk(*) met twee stations. Beide hebben ruimte nodig om nu en in de toekomst te functioneren en de effecten op de omgeving te beperken. 1 Bescherming van het spoornetwerk en haar omgeving ProRail ziet bereikbaarheid van steden als een samenspel tussen ruimtelijke keuzes en het mobiliteitssysteem. Ontwikkelingen in de nabijheid van het spoornetwerk kunnen de bereikbaarheid van woningen en werklocaties versterken. Echter, soms kunnen ontwikkelingen en spoor elkaar belemmeren. Om dit te voorkomen denkt ProRail graag vroegtijdig mee bij ontwikkelingen in de nabijheid van het spoornetwerk. Rondom de hoofdspoorweginfrastructuur (HSWI) ligt een beperkingengebied (Omgevingsbesluit, artikel 3.5), ongeveer tot 11 meter buiten de HSWI.
Doel van dit beperkingengebied is om het huidig functioneren en de veiligheid rondom het spoornetwerk zeker te stellen. Daarom is het bouwen in dit gebied vergunningsplichtig. Meer informatie over het indienen van aanvragen of het doen van meldingen onder de Omgevingswet vindt u op onze website. Daarnaast vraagt ProRail u om de instructieregel uit artikel 5.163 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bij de uitwerking van de Omgevingsvisie in omgevingsplannen te respecteren. Deze regel vraagt dat u in een omgevingsplan dat van toepassing is op de HSWI in beheer bij ProRail geen regels mogen worden gesteld die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van die infrastructuur belemmeren. Voor uw Omgevingsvisie betekent dit dat bij het ontwikkelen van nieuwe woon- en werklocaties naast het spoor, ProRail u vraagt om toekomstige uitbreidingen van het spoornetwerk mogelijk te houden en de omgevingseffecten op de woon- en werklocaties te verminderen. Dit kan door het houden van de juiste afstand tot het spoor en door een zorgvuldig ruimtelijk ontwerp. De Omgevingsvisie bevat plannen om rondom beide stations verder te verdichten. ProRail begrijpt dat dit goede locaties zijn voor het realiseren van een deel van de verstedelijkingsopgave, gelet op de nabijheid bij het spoor.
Echter, bij beide stations geldt een beperkingengebied dat varieert tussen de 11 en 30 meter. Dit om te voorkomen dat door te dichte verstedelijking de kunstwerken beschadigd raken of verzakken. ProRail verzoekt u dit gebied te respecteren. Tenslotte vraagt ProRail rekening te houden met de spooruitbreiding dat in het Omgevingsplan voor de Spoorzone, District Z, Werkplaatsen en Lurelui overigens al is geduid met een bestemming voor spoor. Daarnaast vindt ProRail het noodzakelijk om te onderzoeken of de extra reizigers die de verstedelijking aantrekt, binnen de huidige capaciteit van het station afgewikkeld kunnen worden. Bij de uitwerking van de plannen vragen we u om hiermee rekening te houden. 2 Voorkomen belemmeringen voor functioneren en veiligheid spoornetwerk Het spoornetwerk maakt gebruik van elektriciteit die via onderstations, relaiskasten, ondergrondse infrastructuur en bovenleidingen naar de trein en stations worden geleid. Deze voorzieningen zijn noodzakelijk voor de elektriciteitsvoorziening van de hoofdspoorweginfrastructuur en daarmee voor het rijden van treinen. In de uitwerking van uw plannen verzoekt ProRail uw college om deze onderstations en relaiskasten niet in te sluiten door bebouwing, bebouwing te realiseren op te dichte afstand en te allen tijde bereikbaar te houden voor onderhouds- en hulpdiensten.
Voor deze voorzieningen dient rekening te worden gehouden met een afstand van 10 meter gemeten vanaf de gevel. Het functioneren van deze voorzieningen mag niet worden beïnvloed door ontwikkelingen in de omgeving. Dit geldt ook voor het overbouwen, onderbouwen of overkragen van deze voorzieningen. Uit onderzoek blijkt dat zicht op de hoofdingang de beste manier is om het station te vinden. Zichtlijnen naar het station spelen daar een belangrijke rol in en ProRail wil graag dat binnen de planontwikkelingen de zichtlijnen geborgd blijven. Als laatste wijst ProRail uw college op het feit dat het gebruik van gronden of percelen in eigendom en beheer bij ProRail, niet kan zonder schriftelijke toestemming. Dit geldt ook voor bestaande rechten van ProRail op percelen
van derden. 3 Bescherming van de omgeving tegen effecten van het spoor Bij het ontwikkelen in de nabijheid van het spoornetwerk, is het voor een goede leefomgeving belangrijk dat eventuele nadelige effecten van het gebruik van het spoor op een zorgvuldige wijze worden gemitigeerd. Bij de uitwerking van uw Omgevingsvisie 2050 naar omgevingsplannen, vraagt ProRail aandacht voor de volgende aspecten (in bijlage 1 zijn deze verder toegelicht): - Externe veiligheid; - Geluid; - Trillingen; - Overwegveiligheid; - Waterpeil/stabiliteit; - Windbeleving en windhinderrisico’s; - Schaduwwerking op zonnepanelen; - Zonneparken / reflectie in relatie tot hoofdspoorweginfrastructuur. 4 Bureau Spoorbouwmeester Bureau Spoorbouwmeester is in 2001 op initiatief van de directies van NS en ProRail opgericht als een onafhankelijk adviserend orgaan voor ontwerp en vormgevingsopgaven binnen de spoorsector. Sinds het ontstaan van het bureau wordt aan en met het Spoorbeeld gewerkt, te vinden op www.spoorbeeld.nl. Waar mogelijk kunt u hiervan gebruik maken bij de uitwerking van de Omgevingsvisie. ProRail wenst u veel succes met de vaststelling van uw Omgevingsvisie en de uitwerking daarvan in concrete plannen. Graag denkt ProRail vroegtijdig mee over plannen in de nabijheid van het spoor. U kunt hiervoor contact opnemen met 5.1.2e , 5.1.2e 5.1.2e . Met vriendelijke groet, 5.1.2e
5.1.2e
, Juridische zaken en Vastgoed
BIJLAGE 1: UITWERKING OMGEVINGSEFFECTEN Externe Veiligheid ProRail verzoekt u voor het aspect Externe Veiligheid in relatie tot Railverkeer gebruik te maken van de meest recente gegevens (Basisnet). Geluid Voor het aspect Geluid in relatie tot railverkeer in akoestische onderzoeken, dient u gebruik te maken van de wettelijk verplichte brongegevens uit het geluidregister spoor. Het gebruik van deze brongegevens borgt dat de toekomstige bewoners geen hogere geluidbelasting gaan ondervinden dan op basis van de wettelijke geluidproductieplafonds verwacht mag worden. Aspect Trillingen Hoewel er geen wettelijke normen bestaan voor trillinghinder voor de toekomstige bewoners/gebruikers van bebouwing dicht bij het spoor, acht ProRail het gewenst dat er in de planvorming wel aandacht voor is. In het kader van de goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldige voorbereiding van besluiten raadt ProRail u aan om het aspect trillinghinder af te wegen, zoals door Informatiepunt Leefomgeving wordt aanbevolen. Overwegen Het streven van het Ministerie en ProRail is om de veiligheid op overwegen te verhogen. De ambitie is hierbij om het aantal risico’s op overwegen verder naar beneden te brengen. Verder wil ProRail voorkomen dat door nieuwe ontwikkelingen de veiligheid op overwegen afneemt. Overwegveiligheid is een gedeelde verantwoordelijkheid voor spoor- en wegbeheerder.
De Beleidsagenda Spoorveiligheid 2020- 2025 bevat verplichtingen voor initiatiefnemers van wijzigingen van (het gebruik van) een overweg. Hierin wordt onder andere gesteld dat er bij een wijziging van het gebruik van het spoor dan wel van de weg een risicoanalyse opgesteld moet worden met daarin aangegeven hoe een eventuele risicotoename wordt beheerst en gecompenseerd. Een wijziging mag niet leiden tot een afname van de overwegveiligheid, daarnaast geldt vanuit het Strategisch Plan Verkeersveiligheid een verbeteropdracht.
Waterpeil/stabiliteit De stabiliteit van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen mag niet worden beïnvloed. Plannen en/of werkzaamheden mogen geen invloed hebben op de stabiliteit van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen, alsmede op het ongehinderd gebruik van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen. Denk daarbij aan de inrichting en/of exploitatie van een Warmte Koude Opslagsysteem of een WADI, maar ook aanpassingen van watergangen. In het bijzonder merkt ProRail op dat de initiatiefnemer schriftelijk dient aan te tonen dat in het geval van het infiltreren van hemelwater in de nabijheid van de spoorlijn er geen nadelige effecten optreden op de stabiliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur met bijbehorende voorzieningen. Spoorwegdoeleinden ProRail verzoekt u zorg te dragen dat gronden welke momenteel voorzien zijn van de activiteit Spoorwegdoeleinden of Railverkeer, deze activiteit ook in de toekomst zullen behouden. Ook verzoekt ProRail uw gemeente om geen dubbelactiviteiten mogelijk te maken. Indien desondanks een dubbelactiviteit archeologie wordt opgenomen over de activiteit Spoorwegdoeleinden of Railverkeer, dan zou ProRail graag zien dat deze dubbelactiviteit aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten betreft. Windbeleving en windhinderrisico’s Hoogbouw rond het station heeft invloed op de windbeleving van de reiziger.
Gemiddeld wachten reizigers 7 tot 10 minuten op een trein en dat doen ze bij voorkeur op het perron waar de trein stopt. Wachten met veel wind draagt niet bij aan een positieve stationsbeleving. Reizigers wachten bij voorkeur warm, beschut en comfortabel. Helaas is er echter niet voldoende wachtgelegenheid voor elke reiziger. Daardoor is het van belang dat in de omgeving rekening wordt gehouden met de windbeleving op het perron. Hoogbouw rond het station heeft ook invloed op de windcirculatie/windstromen en kan risico’s opleveren voor omliggende bebouwing (zoals schade aan daken/kappen) door veranderende windbelastingen. Schaduwwerking op zonnepanelen ProRail stelt zich als doel om in 2030 CO2 neutraal te opereren. Dat betekent dat vele daken en perronoverkappingen voorzien zijn of worden van zonnepanelen om zo voldoende stroom op te wekken voor verlichting, reisinformatie, liften en roltrappen. ProRail verzoekt u bij het maken van plannen rekening te houden met mogelijke schaduwwerking op de ProRail zonnepanelen en indien nodig met ProRail in contact te treden. Zonneparken / reflectie in relatie tot hoofdspoorweginfrastructuur Uit een risicoanalyse moet blijken dat zonnepanelen c.a. op bijvoorbeeld parkeerplaatsen en /of geluidschermen en/of langs spoorwegen geen negatief effect hebben op de hoofdspoorweginfrastructuur.
Dat moet onder meer uit de vereiste EMC (elektromagnetische compatibiliteit) berekening blijken. En dan met name de weerstandsbeïnvloeding (geen aardingen/aansluitpunten in buurt van het spoor conform bijgevoegde RLN00398) en diverse aspecten met betrekking tot aansluiting op het hoogspanningsnet. Ook voor de weerkaatsing van licht van zonnepanelen dient aangetoond te worden dat aanwezige seinen niet “overstraald” kunnen worden door lichtweerkaatsing door de zonnepanelen. ProRail adviseert u om deze risico’s te laten berekenen en voordat gestart wordt met de realisatie van het zonnepark ProRail te voorzien van de uitkomsten (*) Het gehele netwerk van sporen, vrije baan, stations, emplacementen en spoorgebonden bouwwerken naast of nabij de sporen. Spoorgebonden bouwen zijn alle gebouwen en bouwwerken, niet zijnde stationsgebouwen, die nodig zijn voor het functioneren van de spoorinfrastructuur, zoals onderstations, relaishuizen, verkeersleidingsposten.
Van: Gemeente Zwolle <no-reply@zwolle.nl> Verzonden: dinsdag 25 februari 2025 10:35 Aan: Accountmanagement < 5.1.2e @prorail.nl> Onderwerp: Ons Zwolle van Overmorgen - Voorjaar 2025 U ontvangt niet vaak e-mail van no-reply@zwolle.nl. Ontdek waarom dit belangrijk is klik hier voor de webversie van deze nieuwsbrief
Voorjaar 2025
Nieuwsbrief Ons Zwolle van Overmorgen Voorjaar 2025 Waar wil jij straks wonen en werken? Moet Zwolle groeien? En wat is er nodig voor het klimaat? Ons Zwolle van Overmorgen. Dat is jouw toekomst! Geef in maart je mening over het eerste toekomstbeeld voor Zwolle voor de thema’s wonen, groen, economie, water, klimaat en vervoer. Wij maken op dit moment plannen voor de toekomst van Zwolle met een Aanvulling op de huidige Omgevingsvisie. In het najaar vroegen we jouw mening al en nu leggen we de eerste resultaten en ideeën aan iedereen voor. Wat vind je ervan en hoe kijk jij zelf naar Zwolle in 2040? Denk mee!
Ruimtelijk Toekomstperspectief Jouw ideeën hebben we zorgvuldig geanalyseerd en verwerkt. Nu is het tijd voor de volgende fase: het delen van het Ruimtelijk Toekomstperspectief. Dit is de basis voor de aanvulling op de omgevingsvisie. Denk mee! Van 10 tot en met 31 maart horen we graag jouw mening over de keuzes die zijn gemaakt . Jouw input blijft onmisbaar om te zorgen dat onze keuzes aansluiten bij de wensen en behoeften van iedereen in Zwolle.
Hoe kun je meedoen? Meedoen is heel eenvoudig. Vul de korte digitale enquête in die je vanaf 10 maart vindt op www.zwolle.nl/omgevingsvisie. We leggen daar ook uit waarom we tot bepaalde keuzes zijn gekomen.
Reizende Woonkamer Wil je liever met ons in gesprek? We gaan opnieuw naar de wijken met de Reizende Woonkamer. Dan stellen we bijvoorbeeld vragen over: locaties voor betaalbare woningen, snelfietsroutes, behoud van groen en ruimte voor water. We komen ook bij jou in de buurt. Dus geef je mening! Houd www.zwolle.nl/omgevingsvisie in de gaten voor locaties en tijden.
5.1.2e
Voorbereiding Ruimtelijk Toekomstperspectief met stakeholders In januari zijn de vier Zwolse scenario’s op basis van de input van participanten en stakeholders verwerkt tot een eerste toekomstschets.
Op woensdag 29 januari 2025 kwamen diverse stakeholders - vertegenwoordigers van wijken, buurten, natuurorganisaties, ondernemersverenigingen etc. - samen in het vijfde en laatste atelier voor de Aanvulling Omgevingsvisie. De stakeholders gingen het gesprek aan over deze eerste toekomstschets. Welke kwesties zijn urgent, welke keuzes zijn belangrijk? Er kwam veel waardevolle input. Bijvoorbeeld de oproep om voldoende aandacht te hebben voor alles wat onder de grond ligt, zoals kabels en leidingen. Of de vraag hoe we de bestaande wegen optimaal kunnen benutten. Is er een extra ringweg nodig? En zijn grote investeringen in het Openbaar Vervoer mogelijk? Voor de opvang van water werd gewezen op de grote opvangcapaciteit op daken van gebouwen.
De input uit dit atelier is, gebruikt om tot het Ruimtelijk Toekomstperspectief te komen. Dat leggen we van 10 tot 31 maart aan alle inwoners voor.
Alle stakeholders ontvangen een korte vragenlijst over hoe deze ateliers zijn bevallen. Zo blijven we onze Hanza! Participatieaanpak evalueren en doorontwikkelen.
Hoe verder? De opbrengst van deze participatieronde gebruiken we om het Ruimtelijk Toekomstperspectief af te maken, zodat deze medio 2025 door de gemeenteraad vastgesteld kan worden.
Blijf betrokken! De toekomst van Zwolle maken we samen. Wil je betrokken blijven bij de ontwikkeling van onze stad? Zorg dat je onze volgende nieuwsbrief niet mist en houd www.zwolle.nl/omgevingsvisie in de gaten. We kijken ernaar uit om je in maart te zien en samen te praten over Ons Zwolle van Overmorgen!
Wat is een omgevingsvisie? Wat is een omgevingsvisie eigenlijk? In onderstaande video leggen we je uit wat een omgevingsvisie is en waar het voor is.
5.1.2e
Wat is de omgevingsvisie? - Zwolle
Tot snel! Het team van Ons Zwolle van Overmorgen
Dit is een uitgave van Gemeente Zwolle, alle rechten zijn voorbehouden. Aan de inhoud van deze nieuwsbrief kunnen geen rechten ontleend worden.
Wilt u deze nieuwsbrief op een ander mailadres ontvangen of opzeggen? U kunt hier updaten of opzeggen.
Assetmanagement
Richtlijn Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hoofdspoorweginfrastructuur.
Beherende instantie: Inhoud verantwoordelijke: Status:
Datum van kracht: 01-11-2021 © 2021 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.
AM Techniek AM Treinbeveiliging lokale systemen Definitief
Versie: 003 © 2021 Apart from the exceptions in or by virtue of the 1912 copyright law no part of this document may be reproduced or published by print, photocopying, microfilm or any other means without written permission from the author.
Documentnummer: RLN00398 model versie 2012
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
INHOUD 1
Revisiegegevens....................................................................................... 3
2
Algemeen .................................................................................................. 4 2.1 2.2 2.3 2.4
Scope ...................................................................................................................................4 Van kracht verklaarde voorschriften en normen ..................................................................4 Geraadpleegde literatuur .....................................................................................................5 Definities en afkortingen ......................................................................................................5
3
Inleiding ..................................................................................................... 7
4
Opsomming van ongewenste gebeurtenissen....................................... 8
5
Beleid ten aanzien van hoogspanningsverbindingen ........................... 9 5.1 5.2 5.3 5.3.1
6
Uitgangspunten ten behoeve van modellering .................................... 12 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
7
Eisen aan hoogspanningslijnen ...........................................................................................9 Eisen aan hoogspanningskabels. ........................................................................................9 Modelstudie ........................................................................................................................10 Aanvulling bij beoordelingscriteria B1/B5 ..........................................................................10 Algemeen ...........................................................................................................................12 Modellering Hoogspanningsverbinding ..............................................................................12 Faalwijzen Hoogspanningsverbinding/kabel ......................................................................13 Modellering Railinfrastructuur ............................................................................................14 Faalwijzen Railinfrastructuur ..............................................................................................16 Modellering van de koppelweg ..........................................................................................16
Beoordelingscriteria ............................................................................... 17
Bijlage 1: B1 bovenleiding systeem geleider configuratie................................... 19 Bijlage 2: 50 Hz immuniteit enkelbenige spoorstroomlopen ............................... 20
Richtlijn
V003
pag. 2/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
1
Revisiegegevens Datum
Versie
Hoofdstuk/ paragraaf
Wijziging
01-11-2013
001
Initiële versie
01-12-2020
002
Kleine wijzigingen uitgevoerd naar aanleiding van datums/versienummers geactualiseerde normen, vrijgegeven wijzigingen in OVS00111 en aangepaste RIS informatie.
01-11-2021
003
Kleine wijzigingen doorgevoerd in volledige richtlijn op basis van input van verschillende stakeholders (o.a. H5).
Richtlijn
V003
pag. 3/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
2
Algemeen Deze richtlijn beschrijft het beleid van ProRail met betrekking tot de toegestane elektromagnetische invloed van hoogspanningsverbindingen in beheer bij derden op de hoofdspoorweginfrastructuur in Nederland.
2.1
Scope Deze richtlijn is van toepassing op hoogspanningslijnen en hoogspanningskabels ─ niet zijnde ProRail lijnen en kabels ─ met een nominale spanning van > 1 kV en een nominale bedrijfsfrequentie van ≤ 1 kHz op, onder of boven de hoofdspoorweginfrastructuur. Tevens is de richtlijn van toepassing op hoogspanningslijnen en hoogspanningskabels ─ niet zijnde ProRail lijnen en kabels ─ in de zone buiten het terrein behorende tot de hoofdspoorweginfrastructuur, voor zover het betreft: 1. Het gebied als beschreven in artikel 19 van de Spoorwegwet; 2. Het gebied daarbuiten, voor zover genoemde lijnen en kabels elektromagnetische invloed hebben op de spoorweginfrastructuur. Dit document bevat de eisen aan de hoogspanningsverbindingen in beheer bij derden en geeft een onderbouwing van deze eisen. Deze onderbouwing vloeit voort uit de eisen voor de veiligheid voor personen die zich op of nabij de spoorbaan bevinden en uit de RAMSHE eisen aan de systemen en apparatuur van de hoofdspoorweginfrastructuur.
2.2
Van kracht verklaarde voorschriften en normen Ref. nr.
Naam document
Nummer
Status
[A]
Wederzijdse beïnvloeding van
NEN 3654:2014
Actueel
Bovengrondse elektrische lijnen boven 45 kV wisselspanning - Deel 1 en 3: Verzameling van nationale normatieve aspecten
NEN-EN 50341-1:2013
Actueel
Spoorwegtoepassingen - Isolatie-coördinatie - Deel 1: Basiseisen - Slagwijdten en kruipwegen voor alle elektrische en elektronische uitrusting
NEN-EN 50124-1:2017
Spoorwegen en soortgelijk geleid vervoer - Vaste installaties - Elektrische veiligheid, aarding en retourstromen - Deel 1: Eisen in verband met bescherming tegen elektrische schok
NEN-EN 50122-1:2011
[E]
Spoorwegen en soortgelijk geleid vervoer - Elektromagnetische compatibiliteit - Deel 4: Emissie en immuniteit van sein- en telecommunicatieapparatuur
NEN-EN 50121-4:2016
Actueel
[F]
Spoorwegen en soortgelijk geleid vervoer - Elektromagnetische compatibiliteit - Deel 5: Emissie en immuniteit van vast opgestelde voedingsinstallaties en apparatuur
NEN-EN 50121-5:2017
Actueel
[G]
Ontwerpvoorschrift Tractieenergievoorzieningsysteem; Bovenleiding Bovenleidingsysteem B1
OVS00024-5.1 V5
Actueel
[H]
Spoorwegen en soortgelijk geleid vervoer - Elektromagnetische compatibiliteit - Deel 3-1: Rollend materieel - Treinen en complete voertuigen
NEN-EN 50121-3-1:2017
Actueel
buisleidingen en hoogspanningssystemen [B]
[C]
[D]
Richtlijn
V003
NEN-EN 50341-3:2001 inclusief aanvullingen en correcties Actueel
inclusief aanvullingen en correcties Actueel
inclusief aanvullingen en correcties
pag. 4/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
2.3
Geraadpleegde literatuur Ref. nr. [1]
Naam document
Nummer
Status
, Grenswaarden voor homopolaire stromen
5.1.2e
Statistische analyse van metingen aan een 110kV-kabel (Hoogeveen) en twee 220kV-lijnen (Hessenweg), Movares, Kenmerk CO-EW120006291 - Versie 2.0, Utrecht, 13 april 2012 [2]
5.1.2e , 5.1.2e BEÏNVLOEDING
, UITGANGSPUNTEN EM-
BETUWEROUTE - BESTAANDE PRORAIL INFRASTRUCTUUR, POBR, 29 september 2005 Versie 2.2
2.4
[3]
5.1.2e , 5.1.2e , 5.1.2e , 5.1.2e , Uitgangspunten EM-beïnvloeding van de HSL-Zuid op de bestaande ProRail infrastructuur voor “Vrijgavetraject wijzigingen ProRail voorschriften; fase 3” t.b.v. parallelloop met de HSL-Zuid, Holland Railconsult, IF114250_320.02, Versie 2.0, 11 maart 2005
[4]
5.1.2e , Onderbouwing werkhypothesen m.b.t. GRS enkelbenigeen dubbelbenige geïsoleerde spoorstroomlopen. Aanvulling voor “Vrijgavetraject wijzigingen ProRail voorschriften; fase 3” t.b.v. parallelloop met de HSL-Zuid, ProRail BB21/25kV Kenmerk BB21-25kV-060281, Versie 1.0, 11 januari 2007
[5]
5.1.2e , 5.1.2e , 5.1.2e , Onderbouwing werkhypothesen m.b.t. GRS enkelbenige- en dubbelbenige geїsoleerde spoorstroomlopen voor “Vrijgavetraject wijzigingen ProRail voorschriften; fase 3” t.b.v. parallelloop met de HSL-Zuid, Holland Railconsult, IF127500_230_3A0, Versie 1.5, 20 mei 2005
[6]
5.1.2e , Toegestane 50Hz CM stroom door het spoor bij dubbelbenige spoorstroomlopen op de parallelloop met 25kV baanvakken, Movares, VS-HDI-20100122-01, versie 2, 19 maart 2010
[7]
ITU K26 2008 ( verwijzing naar Whitebook: Directives concerning the protection of telecommunication lines against harmful effects from electric power and electrified railway lines, Geneva, 2008)
[8]
RICHTLIJN 2004/40/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 29 april 2004 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (18de bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)
2004/40/EG
Niet actueel
[9]
Spanningskarakteristieken in openbare elektriciteitsnetten
NEN-EN 50160:2010
Actueel
[10]
ICNIRP GUIDELINES for limiting exposure to time-varying electric and magnetic fields (1 Hz – 100 kHz) published in: HEALTH PHYSICS 99(6):818‐836; 2010
[11]
Mail 5.1.2e
[12]
[13]
Besluit van 12 december 2016, houdende regels inzake elektromagnetische compatibiliteit van uitrusting ter implementatie van richtlijn 2014/30/EU (Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016)
Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016
Actueel
5.1.2e
/ 5.1.2e
van 28 maart 2013 5.1.2e
dd. 21 november 2012
Definities en afkortingen Term
Verklaring
IB-kabel
Interlokale blokkabel t.b.v. treinbeveiligingsinstallaties
IT-kabel
Interlokale telecomkabel (telecomkabel)
OR-blad
Overzicht Retour tekening van treinbeveiligingsinstallaties
OS
Onderstation van Energievoorziening
RH
Relaishuis van Treinbeveiliging
SPW
Spoorwegwet
Richtlijn
V003
pag. 5/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi EM
Elektromagnetische
EMC
Elektromagnetische compatibiliteit
VLD
Volt Limiter Device
CM
Common Mode
DM
Differential Mode
BS
Bovenkant spoorstaaf
hswi
Hoofdspoorweginfrastructuur
RAMSHE
Reliability, Availability, Maintainability, Safety, Health, Environment
TPR
Track Repeater Relais
Richtlijn
V003
pag. 6/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
3
Inleiding In het geval van een hoogspanningsverbinding, dat wil zeggen een hoogspanningslijn of hoogspanningskabel in de nabijheid van de hswi moet rekening worden gehouden met de elektromagnetische beïnvloeding van de hoogspanningsverbinding op de hswi. Er is sprake van ontoelaatbare beïnvloeding in die gevallen dat de beïnvloeding kan leiden tot onveilige situaties voor personeel en/of de aantasting van de RAMSHE criteria van de hswi. Deze richtlijn geeft invulling aan het beleid van ProRail in hoedanigheid van beheerder van de hswi met betrekking tot de aanleg, wijziging 1 en instandhouding van hoogspanningsverbindingen. Deze richtlijn zal worden gehanteerd bij de behandeling van aanvragen voor vergunning ex artikel 19 van de Spoorwegwet 2 maar ook reactief in geschillenprocedures in het kader van omgevingsvergunningen, bestemmingsplannen of tracébesluiten. Tevens dient deze richtlijn te worden gehanteerd bij spoorse functiewijzigingsprojecten, welke uitgevoerd worden in de nabijheid van bestaande hoogspanningsverbindingen. Daarbij geldt dat dit van toepassing is voor functiewijzigingsprojecten waarbij één of meer van de volgende aspecten aan de orde is: •
de positie van het spoor verandert (verplaatsing spoor, aanleg extra sporen)
•
de IT/IB kabellengtes langer worden
•
de secties van de treindectiesystemen langer worden.
Hoofdstuk 4 bevat een opsomming van ongewenste gebeurtenissen ten aanzien van personen en systemen. Hoofdstuk 5 bevat het ProRail beleid ten aanzien van hoogspanningsverbindingen in beheer bij derden. Hoofdstuk 6 beschrijft de modellering van locatiespecifieke studies. Hoofdstuk 7 beschrijft de beoordelingscriteria van de modelstudie.
1
Hieronder wordt verstaan wijziging van o.a.:
•
Geleiderdoorsnede;
•
Geleiderpositie;
•
Fasevolgorde;
•
Wijze van aarding (direct, blusspoel geaard, etc);
•
Maximale fasestroom en homopolaire stroom in normaal bedrijf en/of kortsluitsituaties;
•
Tracé hoogspanningslijn;
•
Aantal circuits per mast.
Uittreksel artikel 19 lid 1 SPW: Het is verboden zonder vergunning …… binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg aan, op, in, onder, boven of naast de hoofdspoorweg, bouwwerken of andere opstallen op te richten of werken, inrichtingen, kabels, leidingen …... aan te brengen, te doen aanbrengen of te hebben, dan wel daarmee verband houdende werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren.
2
Richtlijn
V003
pag. 7/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
4
Opsomming van ongewenste gebeurtenissen In het geval van een hoogspanningsverbinding boven of in de nabijheid van de hswi moet rekening worden gehouden met de risico’s van elektromagnetische beïnvloeding van de hoogspanningsverbinding op de hswi. Wanneer de beïnvloeding te groot wordt kan dit leiden tot onveilige situaties, verstoring van de functionaliteit van de hswi en/of de treindienstregeling of versnelde veroudering van de hswi. Spoorvoertuigen kunnen ook hinder ondervinden van de beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen. Daar waar dit beïnvloedingsmechanisme bekend is, is dit in deze richtlijn aangegeven. Algemeen geldt dat voldaan moet worden aan het Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016 [13] die geldt voor de elektromagnetische beïnvloeding. De volgende ongewenste gebeurtenissen worden onderscheiden: 1. gevaar voor electrocutie van personen op spoorwegterrein a) Personen kunnen blootgesteld worden aan te hoge aanraakspanningen, bijvoorbeeld bij het aanraken van metalen objecten en het werken aan kabels en (boven-)leidingen; b) Personen kunnen blootgesteld worden aan capacitieve ontladingen, bijvoorbeeld bij het aanraken van metalen objecten en het werken aan kabels en (boven-)leidingen. 2.
beïnvloeding van systemen in de hswi a) De goede werking van treindetectiecircuits, van het type spoorstroomlopen, kan verstoord worden door 50 Hz verzadiging; b) Spoorvoertuigen kunnen ten gevolge van de 50 Hz-beïnvloeding, te hoge 75 Hz stoorstromen produceren en daarmee de goede werking van treindetectie verstoren; c) Relaisschakelingen met diode ( bijv. grendel/HRDR) kunnen verstoord worden door 50 Hz beïnvloeding; d) Apparatuur kan ten gevolge van te hoge 50 Hz spanningen defect raken bij kortsluitingen in het hoogspanningsnet; e) Overspanningsbeveiligingen kunnen defect raken ten gevolge van 50 Hz beïnvloeding.
Richtlijn
V003
pag. 8/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
5
Beleid ten aanzien van hoogspanningsverbindingen Er wordt onderscheid gemaakt tussen de eisen aan hoogspanningslijnen en hoogspanningskabels. Indien niet aan de eisen wordt voldaan, dient te worden gehandeld volgens het bepaalde in 5.3.
5.1
Eisen aan hoogspanningslijnen 1. De hoogspanningslijn dient de spoorbaan haaks te kruisen met een hoek Ѱ, waarbij 80 ≤ Ѱ ≤ 100 graden, zie figuur 1; 2. De minimale afstand (clearance) van de hoogspanningslijn tot de bovenleiding dient te voldoen aan NEN-EN 50341-1:2001 en NEN-EN 50341-3:2001; 3. De hoogspanningslijn dient in het kruisende veld met de spoorbaan dubbelzijdig afgespannen te zijn, in verband met kans op breuk; 4. Een eerste orde 3 lijnfout dient binnen maximaal 100 ms afgeschakeld te zijn; 5. Niet kruisende hoogspanningslijnen; a. Niet kruisende hoogspanningslijnen mogen niet aanwezig zijn binnen een afstand van – horizontaal gemeten - 700 m uit het hart van de buitenste spoorbaan; b. In afwijking van punt 5a geldt een afstand van 11 meter bij geëlektrificeerde sporen met een tractiespanning van 25 kV, 50 Hz; 6. De blootstelling van de mens conform NEN EN 50341-3:2001 [B], mag niet meer bedragen dan 100 µT op 1 m boven BS; 7. Hoogspanningsmasten mogen niet worden geplaatst binnen een afstand van ten minste 31 m uit het hart buitenste spoor; 8. Hoogspanningslijnen mogen niet aanwezig zijn binnen een afstand van – horizontaal gemeten – 20 m vanaf de dichtst bij zijnde gevel van een technische ruimte. hoogspanningsverbinding
700m
Ѱ = 800 - 1000
spoorbaan
700m afstand tot technische ruimtes 20m Figuur 1 5.2
Eisen aan hoogspanningskabels. 1. De hoogspanningskabel dient de spoorbaan haaks te kruisen met een hoek Ѱ, waarbij 80 ≤ Ѱ ≤100 graden, zie figuur 1; 2. Niet kruisende hoogspanningskabels met een nominale spanning van ≥ 35 kV: a. Niet kruisende hoogspanningskabels met een nominale spanning van ≥ 35 kV mogen niet aanwezig zijn binnen een afstand van 700 m vanaf het hart van het buitenste spoor;
3
Eerste orde lijnfout: betreft de eerste beveiligingstrap van de kortsluitbeveiliging.
Richtlijn
V003
pag. 9/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
3. 4.
5. 6. 7. 8.
5.3
b. In afwijking van punt 2a geldt een afstand van 11 meter bij geëlektrificeerde sporen met een tractiespanning van 25 kV, 50 Hz; Niet kruisende drie-aderige hoogspanningskabels met een nominale spanning < 35 kV mogen niet aanwezig zijn binnen een afstand van 11 m vanaf het hart buitenste spoor; Niet kruisende enkelfasige hoogspanningskabels in driehoek ligging met een nominale spanning van < 35 kV mogen niet aanwezig zijn in het gebied binnen een afstand van 11 m vanaf het hart buitenste spoor; Hoogspanningskabels mogen niet aanwezig zijn binnen een afstand van 20 m gemeten vanaf de dichtst bij zijnde gevel van een technische ruimte; Hoogspanningskabels dienen in een elektrisch geïsoleerde buis onder het spoor doorgevoerd te worden; Binnen een afstand van ten minste 31 m uit het hart buitenste spoor mogen zich geen aardpunten of moffen bevinden. Een eerste orde 4 kabelfout dient voor kabelverbindingen met een nominale spanning van: a. ≥ 35 kV maximaal binnen 100 ms afgeschakeld te zijn. b. < 35 kV maximaal binnen 100 ms afgeschakeld te zijn, tenzij voldaan wordt aan eis 7 en er aantoonbaar geen grotere homopolaire aardstroom kan lopen conform algemeen uitgangspunt G3 (zie H6.1), dan is afschakeltijd van een eerste orde kabelfout niet relevant.
Modelstudie Verbinding < 35 kV: Indien de hoogspanningskabelverbinding(en) aan alle bovenstaande eisen in H5.2, behalve aan eis 7 voldoet, volstaat een potentiaaltrechter bepaling. In andere gevallen dient alle relevante informatie (projectgegevens, tracétekening, kabelspecificaties, aardingsprincipe, netwerktopologie, nominale bedrijfsspanning, nominale stroom, kortsluitstromen) aangeleverd te worden en in overleg met ProRail afgestemd te worden welke verdere actie vereist is. Er dient in dit geval rekening gehouden te worden met het uitvoeren van een locatiespecifieke studie conform het beschrevene onder ‘Verbinding ≥ 35 kV’. Verbinding ≥ 35 kV: Indien de hoogspanningsverbinding(en) niet aan de eisen in H5.1, respectievelijk H5.2 voldoen, dan dient een locatiespecifieke studie plaats te vinden. De studie dient conform de uitgangspunten van de modellering van Hoofdstuk 6 plaats te vinden. De uitkomsten dienen te worden beoordeeld op basis van Hoofdstuk 7. Indien de hoogspanningsverbinding niet aan de beoordelingscriteria in hoofdstuk 7 voldoet, dient nader overleg plaats te vinden tussen betrokken partijen over de verdere maatregelen. Hierbij kan sprake zijn van bijvoorbeeld een tracéwijziging of het verhogen van de immuniteit van de ProRail installaties voor de EM-velden.
5.3.1
Aanvulling bij beoordelingscriteria B1/B5 Voor beoordelingscriterium B1 is onderstaande aanvulling van toepassing bij gebruikmaking van de lengte-afhankelijke normwaarden aangaande enkelbenige spoorstroomloopsecties. Voor de veiligheidswaarde van beoordelingscriterium B5 is tevens onderstaande aanvulling van toepassing. Aannemelijk maken van resultaten Resultaten uit de modelstudie dienen conform onderstaande categorisering (H5.3.1.2 t/m H5.3.1.4) aannemelijk te worden gemaakt. Mogelijke maatregelen worden als opties gepresenteerd en de Eerste orde kabelfout: betreft de eerste beveiligingstrap van de kortsluitbeveiliging. De traagst ingestelde eerste beveiligingstrap is hierin maatgevend (fase – aarde of fase – fase).
4
Richtlijn
V003
pag. 10/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
voorgestelde maatregelen dienen te worden afgestemd met ProRail bij voorkeur na advies van een ingenieursbureau dat door ProRail erkend is voor zowel werkzaamheden aan de beveiliging als werkzaamheden aan tractievoeding. Resultaatwaarden < 50% grenswaarden Indien de B1 & B5 resultaatwaarden van de modelstudie na maatregelen minder dan 50% van het meest bepalende 5 susceptibiliteitsniveau bedraagt dienen de resultaten aannemelijk te worden gemaakt door deze te vergelijken met een reeds uitgevoerde studie in een vergelijkbare situatie. Resultaatwaarden ≥ 50% grenswaarden Indien de resultaten van de modelstudie voor de criteria B1 en B5 na maatregelen meer dan 50% van de susceptibiliteitsniveau’s bedragen, dan dienen de resultaten aannemelijk te worden gemaakt. Dit dient gedaan te worden door middel van een vergelijkende studie waarbij de B1 & B5 resultaatwaarden uit de eerste modelstudie gereproduceerd worden. Hierbij mogen alleen verklaarbare verschillen overblijven. Deze vergelijkende studie dient onafhankelijk uitgevoerd en gemodelleerd te worden door een ander bureau.
Aanvullend op H5.3.1.3 bij resultaatwaarden ≥ 80% grenswaarden Resultaatwaarden ≥ 80% grenswaarden kunnen worden toegestaan, indien de belasting van de lijn de eerste periode ruim onder de ontwerpwaarden ligt en het gebruik van de verbindingen over de jaren heen gestaag oploopt tot belastingen die resulteren in resultaatwaarden ≥ 80% grenswaarden. Toestemming hiervoor in expliciete afstemming met ProRail (o.a. op basis belasting en belastingprognoses). In deze gevallen dienen locatiespecifieke afspraken overeengekomen te worden, waar (wanneer van toepassing) maatregelen zoals monitoring/bewaking en het realiseren van afgestemde mitigerende maatregelen in opgenomen zijn.
5
meest bepalende is daar waar de rekenwaarde het dichts de grenswaarde nadert.
Richtlijn
V003
pag. 11/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
6
Uitgangspunten ten behoeve van modellering
6.1
Algemeen
6.2
Nr.
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
G1
Bij het ontwerp dient aangetoond te worden dat aan te leggen kabels geen elektromagnetische invloed hebben op de veilige exploitatie van de spoorweg.
RLN00427-2, eis 3.20: "Bij het ontwerp dient aangetoond te worden dat aan te leggen kabels geen elektromagnetische invloed hebben op de veilige exploitatie van de spoorweg". Deze richtlijn is de vervanger voor het 'Witte Boekje'.
G2
Indien een nieuwe hoogspanningsverbinding een bijdrage levert van maximaal 20% van het beoordelingscriterium voor alle bedrijfstoestanden, uitgezonderd kortsluitingen, behoeven niet alle bestaande verbindingen te worden gemodelleerd. Bij een hogere bijdrage dan 20% moeten ook de bestaande verbindingen binnen een afstand van 700 m worden meegenomen in de berekeningen.
Hier is gekozen voor 20% conform NEN3654:2014 Bijlage D. [A]
G3
Drie-aderige driefase hoogspanningskabels <35 kV of in driehoek gebundelde driefase een-aderige kabels <35 kV mogen buiten beschouwing gelaten worden, indien er geen homopolaire aardstroom groter dan 1 A kan gaan lopen.
Aannemelijk maken dat de homopolaire stroom lager ligt dan 1 A, bijvoorbeeld indien het een drie aderige kabelverbinding betreft, waarbij van ten hoogste één zijde de aangesloten transformator het sterpunt is geaard.
G4
Capacitieve beïnvloeding: Dit wordt niet berekend.
Capacitieve beïnvloeding is geregeld in de overige ProRail regelgeving, zowel ten aanzien van de werkvoorschriften in de omgeving van hoogspanningsverbindingen, als voor de ontwerpvoorschriften voor het plaatsen van geleidende objecten onder en in de omgeving van hoogspanningsverbindingen.
G5
Uitgangspunt bij aanwezigheid van 50 Hz spoorstroomlopen betreft het ombouwen van 50 Hz naar 75 Hz spoorstroomlopen.
Op basis van historische casussen is gebleken dat 50 Hz spoorstroomlopen dusdanig gevoelig zijn dat er altijd overschrijdingen zijn. De aanpassing is technisch relatief eenvoudig. Deze mitigerende maatregel daarom in geval 50 Hz spoorstroomlopen direct meenemen.
Modellering Hoogspanningsverbinding Nr.
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
T1
De hoogspanningslijn/kabel wordt gemodelleerd volgens het werkelijke mastbeeld/werkelijke kabelbed.
T2
Bij hoogspanningslijnen dient voor het bepalen van de elektrische en magnetische velden bij een spoorlijn, rekening gehouden te worden met de minimale hoogten van de geleiders volgens het ontwerp. De minimale hoogte van de geleiders is gebaseerd op de hoogste temperatuur, de hoogten van de masten en de afstand tussen de masten.
Bij geleiderbreuk wordt de hoogspanningslijn direct (normaliter binnen 100 msec) afgeschakeld. In de praktijk wordt hier voor wat betreft de elektrische beïnvloeding dan ook geen rekening mee gehouden. Voor mechanische beïnvloeding (minimale afstand boven de spoorstaven en boven het bovenleidingsysteem) moet er echter wel rekening mee worden gehouden.
Voor de mechanische beïnvloeding dient met breuk in één van de velden in een vak, niet zijnde het kruisende veld, rekening te worden gehouden met een grotere zeeg. Toepassing van speciale ophangingen (halfverankeringen) of afspanningen aan beide zijden van de kruising kunnen het extra doorhangen van de geleiders bij breuk in een ander veld verkleinen. De minimale afstand boven spoorstaven bij breuk dient te voldoen aan NEN-EN 50341-3, art. 5.4.5.3. [B]. Voor het berekenen van de inductieve beïnvloeding van een hoogspanningslijn wordt de hoogte van de geleiders berekend door de gemiddelde ophanghoogte van een geleider aan beide zijden van het veld te verminderen met 2/3 deel van de maximale zeeg. T3
Bij de berekening van lijnen en kabels dient minimaal rekening worden gehouden met: •
Richtlijn
De maximale stroombelasting bij normaal bedrijf per circuit;
V003
Onder onderhoud wordt verstaan de situatie dat bij het uitschakelen van een verbinding het totale vermogen wordt overgenomen door de overblijvende verbinding(en).
pag. 12/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi •
De maximale stroombelasting bij afwijkend bedrijf per circuit (onderhoud);
•
De maximale één-fase kortsluitstromen.
•
De maximale drie-fase kortsluitstroom, in geval van een blusspoel geaard netwerk.
Opmerking: Indien de netbeheerder de stroom/ het kortsluitvermogen laat toenemen boven de bij T3 bepaalde waardes, dan dient deze situatie opnieuw bij ProRail aangemeld te worden.
Kortsluitingen in grondkabels ten gevolge van werkzaamheden worden niet gemodelleerd. T4
Bij de berekening dient voor de stroom in de fasegeleiders rekening te worden gehouden met een aanvullende homopolaire stroom I0 die 10% van de maximale normale component van de fasestroom is. Deze maximale normale component is afhankelijk van de bedrijfstoestand.
Op basis van het dossier Hoogeveen Beilen is 9% bepaald als maximale homopolaire stroom [1]. Voorbeeld modellering homopolaire stromen in normaal bedrijf: - Een dubbelcircuit verbinding is ontworpen op een maximale stroom van 4000A per circuit (en dus per fase); - In normaal bedrijf loopt er in dit voorbeeld maximaal 50% van deze ontwerpstroom per circuit in verband met N-1; - Per fase dient 10% van de stroom opgeteld te worden. Dat is in normaal bedrijf 50%*400A=200A per fase. Merk op: - Momenteel wordt aangenomen dat bij meerdere circuits de onderlinge homopolaire stromen in fase zijn. Dit is beschouwd als een conservatieve aanpak. Aan een verdere verfijning van dit criterium wordt gewerkt, waarbij ook de onderlinge fasehoeken van de homopolaire stroom in verschillende circuits wordt beschouwd. - Ook de geaarde retourgeleiders in het bronsysteem, zoals de bliksemdraden en mantels van kabels dienen voor de berekening correct te worden meegenomen. De stromen door alle geaarde geleiders inclusief de fasehoeken dienen in de beïnvloedingsberekening meegenomen te worden. Op basis van deze berekende stroomverdeling dient de beïnvloeding bepaald te worden.
De bedrijfstoestanden dienen te bevatten: • Normaal bedrijf; • Onderhoud. Bij onderhoud wordt het circuit dat in onderhoud is 2 zijdig geaard. Voor het circuit dat niet in onderhoud is dient de maximale homopolaire stroom genomen te worden. Voor een dubbelcircuit verbinding dient dan in de modellering gerekend te worden met een homopolaire stroom van 10% van de ontwerpwaarde.
- De aardraden in het TenneT hoogspanningsnet zijn over de hele lengte van de verbindingen doorverbonden.
- De inverse component is nul verondersteld.
Homopolaire stroom dient niet te worden meegenomen als deze door de netwerktopologie onmogelijk kan lopen. Een voorbeeld is een zwevend middenspanningsnet waarbij het aannemelijk is dat de homopolaire impedantie groter dan 10 kΩ is. De netwerkbeheerder dient hiervoor een onderbouwing aan te leveren. T5
De gebieden dienen te worden gespecificeerd waar een eerste orde lijn- of kabelfout niet binnen 100 ms afgeschakeld wordt.
Hierbij dient rekening gehouden worden met het type hoofdbeveiliging, of er communicatie tussen de stations aanwezig is en of deze redundant is. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de eigen tijd van de vermogensschakelaar. De kans op falen van de vermogensschakelaar/relais tijdens een kortsluiting wordt voldoende klein geacht.
6.3
Faalwijzen Hoogspanningsverbinding/kabel Nr.
Richtlijn
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
V003
pag. 13/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi FT1
6.4
Bij kortsluitingen dient rekening te worden gehouden met: •
1 fase kortsluitingen;
•
3 fase kortsluiting indien het een blusspoel geaard net betreft.
De aanvrager dient aan te geven welke faalwijzen van toepassing zijn.
Modellering Railinfrastructuur Nr.
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
P1
De minimale afstand (clearance) van de hoogspanningslijn tot de bovenleiding dient te voldoen aan NENEN 50341-3 [B].
Voor de modellering wordt bovenleidingsysteem B1 toegepast.
Bovenleidingsysteem geleiderconfiguratie: zie bijlage 1. P2
Locaties van onder- en schakelstations dienen conform vigerende OR bladen te worden gemodelleerd.
OR bladen kunnen opgevraagd worden via www.spoordata.nl onder https://www.spoordata.nl/steleen-vraag of via 5.1.2e
P3
Locaties van dwarsverbindingen dienen conform vigerende OR bladen te worden gemodelleerd.
OR bladen kunnen opgevraagd worden via www.spoordata.nl onder https://www.spoordata.nl/steleen-vraag of via 5.1.2e
P4
Afleidweerstand van spoorstaven: beschouwd worden configuraties met een spoorstaaf-aarde weerstand van 100, 10 en 2.5 Ωkm.
Genoemde waarden zijn per spoorstaaf.
P5
Retour van DC baanvakken worden afgesloten met een karakteristieke impedantie van:
Zlangs(voor 50Hz) berekenen uit de som van de parallelle impedantie van de spoorstaven en het retourpad aarde waarbij:
Zafsluit=√(Rafleid x Zlangs)
•
Weerstand spoorstaven: 0,044 Ω/km per spoorstaaf
•
retour pad aarde bij 50Hz: (0,050 + j 0,880) Ω/km (nog te onderbouwen in een volgende uitgave)
Modellering van Zlangs mag ook op basis van meetwaarden. P6
De minimale 50 Hz onderstationsimpedantie (tussen bovenleiding en spoorstaven) op het 1500 VDCbaanvak is:
Zie [2]
(0,007 + j0,082) Ω. P7
Bij het recuperen van een trein (energie terug leveren) kan de gelijkrichter in een onderstation sperren.
Voor 50Hz stromen, gedraagt het onderstation zich dan als een open verbinding; de 50Hz spanning tussen bovenleiding en spoor is dan maximaal. Er kan vanuit gegaan worden dat de gelijkrichters in het onderstation uit diodegelijkrichters bestaan.
P8
Voor de afstand van het kabelbed tot het hart van het buitenspoor dient 4.5m meter te worden gehanteerd.
P9
Het kabelbed bij parallelloop bevat:
Conform [2], [3].
3kV 75 Hz kabel (2x16) met een aardscherm van 16 mm2. De 3kV kabel is tweezijdig geaard bij de onderstations. De totale DC weerstand van de kabelmantel en twee aardverspreidingsweerstanden is 7,5 Ω.
Voor de modellering wordt de 3kV kabel geacht te lopen van OS naar OS.
IB-kabel (62 x 0,8 aderig), zwevend uitgevoerd.
De totale DC weerstand van de kabelmantel en twee aardverspreidingsweerstanden kan variëren van 5 tot 10 Ω. De berekeningen hoeven slechts te worden uitgevoerd met 7,5 Ω.
IT kabel: Gearmeerde PIWY-IT-kabel met een kabelscherm van 30 mm2, zwevend uitgevoerd.
Voor de modellering worden de IB en IT kabel geacht te lopen van RH naar RH.
Omdat de mantel van de 3kV kabel verbonden is met de metalen HS kast is deze spanning voor generiek publiek toegankelijk. P10
Richtlijn
Voor de diepte van de kabelgeul dient 1,2m onder BS (0,6 m onder maaiveld) te worden gehanteerd. Hierin liggen de IB en IT kabel. De 3kV kabel dient hier 0,3 m onder worden verondersteld.
V003
De feitelijke diepte van de kabelgeul is: tussen de 0,9m en de 1,5m onder BS. Voor de modellering wordt het gemiddelde toegepast. Uitgegaan wordt van een maximale breedte van de geul van 60 cm.
pag. 14/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi P11
DM spanning kabels De magnetische beïnvloeding bij circuitaders in één kabel mag verwaarloosbaar worden verondersteld.
P12
CM spanning kabels Om de worst case spanning te verkrijgen, dienen in de modellering de kabelcircuits aan één zijde te worden geaard.
Richtlijn
V003
Circuitaders in gescheiden kabels worden buiten beschouwing gelaten. Indien het scherm of de ader van een kabelcircuit aan één zijde aan aarde ligt, zal de hoogste spanning tussen een ader van de IB- of IT-kabel en aarde komen te staan.
pag. 15/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
6.5
Faalwijzen Railinfrastructuur Opmerking: Daar waar mogelijk dient gebruik gemaakt te worden van een Worst Case benadering.
6.6
Nr.
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
FP1
Er bevindt zich een defecte VLD-O in de railinfrastructuur. Bij een defect ontstaat hier een verbinding spoorstaaf aarde met een afleidweerstand van 0.25 Ω.
Bij kruisingen moet de 50 Hz stroom via aarde lokaal binnentreden. Een aardfout is hierbij maatgevend.
FP2
Er bevindt zich een defecte paalspoorstaafverbinding. Bij een defect ontstaat hier een verbinding spoorstaaf aarde met een afleidweerstand van 2.5 Ω. Gerekend dient te worden met 4 defecte paalspoorstaafverbindingen behorende bij 4 opeenvolgende bovenleidingpalen.
Bij afwezigheid van een VLD-O zullen paalspoorstaafverbindingen maatgevend zijn. Paalspoorstaafverbindingen worden bij elk metalen portaal van een bovenleidingveld toegepast. Deze gaan echter veelvuldig defect en als deze defect gaan betreft het vaak meerdere velden achter elkaar. Daarom wordt uitgegaan van 4 defecte paalspoorstaafverbindingen.
FP3
Er bevindt zich een tweede defecte VLD-O (zie FP1) op afstand met een afleidweerstand van 0.25 Ω (modelleren als lopende aardfout).
Bij parallelloop kan een verder gelegen aardfout een hefboompje vormen waarmee de spanning omhoog gaat. Ook hier is de VLD-O maatgevend. Een aardfout op afstand komt in de praktijk altijd voor. Deze 0.25 Ω aardfout is aanwezig in de parallel lopende spoorbaan.
6
Een VLD-O wordt toegepast bij kunstwerken en kan een zeer lage afleidweerstand hebben. Bij aanwezigheid stalen bruggen, betonnen kunstwerken doorrekenen met 0.25 Ω.
Modellering van de koppelweg Nr.
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
K1
De soortelijke weerstand van de grond bedraagt vanaf 30m diepte 70 Ωm.
Er wordt met een homogeen bodemmodel gerekend, identiek aan het HSL uitgangspunten document [3].
Indien meetwaarden bekend zijn van de grond tot op indringdiepte, dan kunnen deze meetwaarden worden gehanteerd. K2
6
De soortelijke weerstand ρE van de toplaag kan varieren tussen de 10 Ωm en 1000 Ωm.
Onder toplaag wordt verstaan tot 30m diepte.
Voltage Limiter Device type O, Zie NEN-EN 50122-1 [D]
Richtlijn
V003
pag. 16/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
7
Beoordelingscriteria Nr.
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
B1
CM beoordeling railinfra (Spoorstroomlopen: type Enkelbenig zijn bepalend).
Continue verschijnselen:
Beoordelingscriterium voor continue verschijnselen: •
Max 20 VCM;
•
Max 58 ACM.
•
20V OVS60111-2 hoofdstuk 5.5 700m op basis van 2A criterium met 10Ω aardfout [uitzoeken];
•
58A OVS60111-3 hoofdstuk 3.3 700m op basis van 2A. Zie [4].
Let op: Voor 50 Hz spoorstroomlopen (OVS60111-6,7) geldt een criterium van 1 VCM / 0,5 ACM. (zie echter ook uitgangspunt G5) Kortere spoorstroomlopen mogen worden beoordeeld op de immuniteit behorende bij de lengte van de spoorstroomloop conform Bijlage 2 “50 Hz immuniteit enkelbenige spoorstroomlopen”, mits met ProRail overeen gekomen is dat dit ook in de toekomst is geborgd en op de OR bladen een parallelloop met een hoogspanningslijn is gemarkeerd. N.B.: Gebruikmaken van bovenstaande lengteafhankelijkheid vereist het volgen van de aanvulling in H5.3.1
CM beoordeling railinfra (Spoorstroomlopen: type Enkelbenig zijn bepalend). Beoordelingscriterium voor kortsluitverschijnselen: •
Max 65 VCM voor verschijnselen > 100 msec en <= 500 msec;
•
Max 58 ACM voor verschijnselen > 100 msec en <= 500 msec.
Kortsluitverschijnselen: •
OVS60111-2 hoofdstuk 5.5 op maximale lengte 600m heeft deze een immuniteit van 65V. Zie [5];
•
58A OVS60111-3 hoofdstuk 3.3 700m op basis van 2A criterium (nog te onderbouwen). Zie [5].
Indien beveiliging staat op een clearance time <=100msec dan hoeven kortsluitingen ten behoeve van EB spoorstroomlopen niet te worden beoordeeld. B2
B3
B4
CM beoordeling railinfra (voor baanvakken met alleen dubbelbenige spoorstroomlopen): •
Max 65 VCM voor verschijnselen langer dan 100 msec;
•
Max 250 ACM voor verschijnselen langer dan 100 msec.
CM spanning aders railinfra apparatuur: •
150 V continue;
•
650 V 100 msec.
Zie [6] Indien beveiliging staat op een clearance time <= 100 msec dan hoeven kortsluitingen ten behoeve van dubbelbenige spoorstroomlopen niet te worden beoordeeld. NEN-EN 50124-1:2001, inclusief aanvullingen en correcties [C].
Psofometrische stoorspanning op modemverbindingen: •
Maximaal -45dBmp voor dataverbindingen;
•
Maximaal 10Ap in bovenleiding.
Definities conform NEN-EN 50121-3-1, Annex A [H].
Analoge telecomverbindingen kunnen worden beïnvloed door geïnduceerde spanningen. CM spanning die op aderparen worden geïnduceerd vertalen zich in DM spanning via kleine asymetrieën in de apparatuur [7]. In eerste benadering kan worden aangenomen dat de LCL van de apparatuur -46dB is. Ook is bij toelating van treinen altijd geëist dat de psometrische stroom onder de 10Ap ligt. Analoge telecomverbindingen verdwijnen (invoering glasvezelverbindingen) maar deze waarden geven ook een bescherming tegen netresonantie en beïnvloeding van lussen. Voor normale verbindingen is deze eis niet maatgevend; echter wanneer deze verbinding aansluit op een HVDC verbinding of een grootverbruiker met veel vermogenselektronica, (bijvoorbeeld een aluminium fabriek, hoogovens, e.d.) dient deze toetsing te worden uitgevoerd.
B5
50Hz spanningscomponent in de 1500 VDC tractiespanning: •
Richtlijn
Maximaal 16V/40V (RMS, tijdsduur 1s) ( beschikbaarheid/veiligheid).
V003
Rijdend materieel kan bij een 50 Hz spanningscomponent in de 1500V DC tractiespanning, problemen in de railinfrastructuur veroorzaken. In de RIS is opgenomen dat rijdend materieel bij een 50V50Hz spanning onder
pag. 17/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi de vereiste 5.3 A75Hz blijft. Voor bestaand materieel is dit vastgelegd in [3]. Voor enkelbenige spoorstroomlopen wordt een grenswaarde van 1.7 A/4.25 A ( T > 1.8 s) (beschikbaarheid/veiligheid) gehanteerd. Wanneer deze lineair worden geschaald (aanname), dan komt men uit op een spanning van 16 V/40 V. 1s tijd is gebaseerd op aanwezigheid TPR relais in de schakeling. N.B.: Bij overschrijding van 50% van de veiligheidswaarde wordt het volgen van de aanvulling in H5.3.1 vereist. B6
Aanraakspanning kabelmantel-aarde en spoorstaven-aarde conform NEN-EN 50122-1:2011, inclusief aanvullingen en correcties [D]
NEN-EN 50122 deel 3 wordt in het kader van deze berekeningen niet gehanteerd. Volstaan wordt met de waarden genoemd in NEN-EN 50122-1 [12].
B7
Magneetvelden conform:
Een risico is dat oudere apparatuur niet getest is. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat dit een probleem hoeft te zijn, wanneer getoetst wordt aan 10 A/m.
•
NEN-EN 50121-4 [E]
•
NEN-EN 50121-5 [F]
Het Power Frequency Magnetic Field (PFMF50Hz) dient maximaal 10 A/m te zijn.
(De maximale waarde ligt een factor 10 lager dan de 50 Hz-immuniteitswaarde uit de norm.)
Alleen als alle apparatuur en objecten in het desbetreffende studiegebied aantoonbaar voldoen aan de NEN-EN50121-4/5 en/of RLN00007 dan mag getoetst worden aan een maximaal PFMF50Hz van 50 A/m. B8
Elektrische velden van een hoogspanningslijn dienen tot een hoogte van ten minste 1 m boven het hoogste punt van een spoorlijn niet groter te zijn dan 10 kV/m, rekening houdend met de nominale spanning van de hoogspanningslijn, vermeerderd met 10% (hoogste systeemspanning).
Voor blootstelling van werknemers aan 50 Hz elektrische velden is in richtlijn 2004/40/EG [8] van het Europees Parlement en de Raad een actiewaarde van 10 kV/m gegeven. Om zonder aanvullende maatregelen toch werkzaamheden te kunnen uitvoeren in en nabij een spoorlijn, moet in het gebied waarbinnen zich tijdens uitvoering van werkzaamheden mensen kunnen begeven, het elektrische veld kleiner zijn dan deze actiewaarde. Uit praktische overwegingen wordt ervan uitgegaan dat zich tot een hoogte van 1 m boven het hoogste punt van onderdelen van de spoorlijn mensen kunnen bevinden. Om dit te berekenen mag uitgegaan worden van een vrije veld aanname boven de spoorse infra.
B9
Magnetische velden van een hoogspanningslijn of hoogspanningskabel dienen op 1 m boven maaiveld maximaal 100 µT te bedragen.
Volgens de ICNIRP richtlijn voor Limiting exposure to time-varying electric and magnetic fields (1 Hz – 100 kHz), gepubliceerd in Health Physics 99(6):818-836; 2010 [10] moet voor algemene bevolking rekening worden gehouden met een grenswaarde van 200 µT en voor beroepsbevolking (occupasional exposure) 500 µT. IN NEN-EN 50341-3 (art. 5.6.1) [B] is aanbevolen om op 1 m boven maaiveld een grenswaarde te hanteren van 100 µT.
Richtlijn
V003
pag. 18/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Bijlage 1: B1 bovenleiding systeem geleider configuratie Zie ook OVS000024-5.1 [G]. 1500 Vdc-sporen
Weerstand [Ω/km]
Diameter [mm]
x coördinaat [m]
y coördinaat [m]
spoorstaaf 1 spoor 1
0.044
9.60
-2,72
0.05
spoorstaaf 2 spoor 1
0.044
9.60
-1,28
0.05
draagkabel spoor 1
0.121
1.36
-2
8.50
rijdraad 1 spoor 1
0.183
1.20
-2,02
5.50
rijdraad 2 spoor 1
0.183
1.20
-1,98
5.50
versterkingsgeleider spoor 1
0.121
1.36
-5,22
8.50
spoorstaaf 1 spoor 2
0.044
9.60
2,72
0.05
spoorstaaf 2 spoor 2
0.044
9.60
1,28
0.05
draagkabel spoor 2
0.121
1.36
2
8.50
rijdraad 1 spoor 2
0.183
1.20
2,02
5.50
rijdraad 2 spoor 2
0.183
1.20
1,98
5.50
versterkingsgeleider spoor 2
0.121
1.36
5,22
8.50
Richtlijn
V003
pag. 19/24
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Bijlage 2: 50 Hz immuniteit enkelbenige spoorstroomlopen Spoorstroomlopen in ATB gebied mogen worden beoordeeld op de maximale lengte met ATB volgens OV231.101 mits: De daadwerkelijke lengte korter is dan maximale lengte. Tabel 1: maximale toegestane spoorstroomloop lengtes (m) bij nieuwbouw. OVS OVS paragraaf:
60111-2 5.1
Schakeling
75GE0-0
60111-2 5.2
60111-2 5.3
60111-3 3.10
60111-3 3.3
60111-3 3.7
60111-2 5.9
60111-2 5.5
60111-2 5.7
75GE0-1
75GE0-2
75GE3-0
75GE1-0
75GE2-0
75GE3-1
75GE1-1
75GE2-1
Zonder ATB
Met ATB Normaal