Bijlage 5 Zonnepark Spoolde_onderbouwing beplanting en beheer
Tekst van het document
Beplantingskeuze De houtwal en heestergroepen bestaan in de basis voor ten minste 70% uit sleedoorn en meidoorn. Deze soorten zijn karakteristiek voor het gebruik in een houtwal en bieden een goede schuil- en voedselplek voor verschillende dieren en insecten. De overige 30% wordt ingepland met een mix van streekeigen soorten zoals: veldesdoorn, gelderse roos, braam, hazelaar, krent, hondsroos, wilde lijsterbes en kardinaalsmuts, hiervan bestaat minimaal 5% uit wilde liguster om te zorgen voor voldoende wintergroene delen. De exacte soortensamenstelling en beplantingsschema dienen nader bepaalt te worden in een beplantingsplan. Door de houtwal op een kleine wal van 0,3-0,5m hoog aan te leggen ontstaan variatie in vochtige (noordzijde) en drogere plekken (zuidzijde). De zonkant is fijn voor insecten, amfibieën en reptielen, terwijl de schaduwkant ideaal is voor varens en mossen. De houtwal is overal minimaal 6 meter breed waardoor ook in de winter -wanneer een groot deel van de struiken blad verliest- het zonneveld grotendeels uit het zicht verdwijnt. Hierdoor is deels wintergroene vegetatie wel gewenst, maar niet noodzakelijk. De grasberm wordt ingezaaid met een kruiden- en bloemrijk mengsel. Deze wordt gefaseerd gemaaid.
De combinatie van de houtwal met kruidenstrook zorgt ervoor dat deze strook voorziet in een verblijfplek voor de verschillende levensfasen van bijen, vlinders en andere insecten. In het weiland dat begraasd wordt door schapen bevindt zich een vogelbosje die in de basis uit dezelfde soorten bestaat als de houtwal en eventueel aangevuld wordt met extra soorten die uit kunnen groeien tot (kleine) bomen zoal wilde lijsterbes, hazelaar, gewone vogelkers en boswilg. Deze plek biedt een waardevolle schuil- en voedselplek voor diverse vogels die op hun beurt weer profiteren van de insecten die afkomen op het kruiden- en bloemrijkgrasland. Als “accent”bomen wordt gekozen voor wilde peer, wilde appel en wilde pruim. Deze bomen zijn ook kenmerkend voor de streek waar vroeger ook meer kleinschalige boomgaarden op het boerenerf aanwezig waren.
Aspecten groenbeheer zonnepark Spoolde (Voor overzicht beheermaatregelen zie bijgevoegde kaart)
Panelenveld: De vrije ruimte rondom de panelen wordt extensief gemaaid (1 a 2 keer per jaar) zodat bloemen en kruiden tot bloei kunnen komen en zaad kunnen vormen voor het volgende seizoen. Na de eerste maaironde blijft het maaisel 2 weken liggen voordat het wordt afgevoerd. De ervaring leert dat onder de panelen door de schaduw en drogere omstandigheden andere langzaam groeiende soorten tot ontwikkeling komen die doorgaans maximaal 1x per jaar gemaaid hoeven te worden.
Knotbomen: De knotwilgen worden 1x per 2 jaar geknot, waarbij jaarlijks de helft van de bomen wordt geknot en in het erop volgende jaar de andere helft. Groensingel/houtwal langs Spoolderenkweg: Het uiteindelijke doel van deze groensingel is zoveel het zicht ontnemen op het achterliggende zonneveld vanaf de Spoolderenkweg. Het streefbeeld is dan ook een dichte rand- en onderbegroeiing en een beperkte hoeveelheid boomvormers. Streefhoogte van de begroeiing is ca. 3 meter. Om zo snel mogelijk een mooie singel te verkrijgen wordt bosplantsoen aangeplant met lengtemaat tussen 80 en 120 cm. Het eerste jaar wordt het opgaande onkruid tussen de nieuwe aanplant enkele keren gemaaid om te voorkomen dat het plantgoed zal worden overwoekerd. Na een jaar of 5 zal de singel redelijke vormen hebben aangenomen. Om het streefbeeld te behouden wordt jaarlijks een deel (ca. 15 %) van het plantsoen gesnoeid/teruggezet, zodat in een tijdsbestek van 5 a 6 jaar de gehele groensingel is bewerkt en daarmee vitaal wordt gehouden.
Kruidenrijk grasland, beweiding met schapen
Onderhoud boomgaard/veevluchtplaats door Rijkswaterstaat
Knotwilgen jaarlijks 50% knotten (om en om)
Volgroeide houtwal wordt jaarlijks gedund (ca. 15%) om het streefbeeld te behouden
Overzicht groenbeheer zonnepark Spoolde
Kruidenrijk grasland rondom en tussen de panelenrijen. Wordt 1 a 2 keer per seizoen gemaaid
Struinpaden worden 2 a 3 keer per seizoen gemaaid