Bijlage 30_rap_Tauw Geldigheid onderzoeken
Tekst van het document
Notitie Contactpersoon
Marten Hoekstra
Datum
25 maart 2024
Kenmerk
N001-1296300ZMH-V01-sss-NL
Geldigheid milieuonderzoeken vijf tijdelijke woningen onder de omgevingswet 1 Aanleiding SWZ is bezig met de ontwikkeling van vijf tijdelijke woningen aan de Nijverheidstraat in Zwolle. Het betreffende perceel ligt ten noorden van het centrum van Zwolle en is gelegen in een strook tussen de A28 en de Zwartewaterallee. De ontwikkeling vindt plaats naast De Herberg (dak- en thuislozenopvang) en de Nieuw-Apostolische Kerk. De gemeente heeft in 2020 ingestemd met het verkennen van deze locatie voor deze woningen. Uitgevoerde onderzoeken Om de haalbaarheid van het voornemen te toetsen op de ruimtelijke- en milieuthema’s heeft TAUW volgende thema’s onderzocht: Archeologie1, Bedrijf- en milieuzonering2, Bodem3, Externe veiligheid4, Geohydrologie5, Luchtkwaliteit6, M.e.r.-aanmeldnotitie7, Stikstof8 en de Watertoets9. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd onder de (destijds) vigerende wetgeving (de Wet ruimtelijke ordening). Onderzoeken voor vijf tijdelijke woningen en 28 flexwoningen Bovengenoemde onderzoeken zijn uitgevoerd voor zowel de ontwikkeling van de vijf tijdelijke woningen als voor de 28 flexwoningen die op hetzelfde perceel iets noordelijker tegen de Zwartewaterallee zijn beoogd. De onderzoeken zijn geschikt om beide deelprojecten gezamenlijk te beoordelen en om de afzonderlijke deelprojecten te beoordelen. 1
N001-1291782LEE-V01
2
N001-1291782LEE-V04-ssc-NL
3
R004-1286322LEM-V02-evm-NL
4
R002-1291782ARP-V02-evm-NL
5
R004-1291782LFK-V03-ssc-NL
6
R001-1291782LEE-V01-pws-NL
7
N002-1291782AVG-V03-efm-NL
8
R003-1291782LBB-V03-ivl-NL
9
R005-1291782KVE-V04-agv-NL
Kenmerk
N001-1296146ZMH-V01-sss-NL
Onderzoeksvraag Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. De gemeente heeft SWZ verzocht om de onderzoeken te voorzien van een oplegnotitie om de geldigheid van de uitgevoerde onderzoeken onder de Omgevingswet toe te lichten. Werkwijze geldigheid en bruikbaarheid onderzoeken onder de Omgevingswet. Per milieuthema is geïnventariseerd of de resultaten en conclusies uit de genoemde onderzoeken onder de Omgevingswet nog geldig zijn. Er zijn geen nieuwe en/of aanvullende berekeningen, toetsingen of analyses uitgevoerd.
2 Conclusies per thema 2.1
Archeologie
De dubbelbestemming archeologie is één op één overgenomen in het nieuwe omgevingsplan per 1 januari 2024. Het archeologisch regime van de gemeente Zwolle is niet gewijzigd, de conclusies van de notitie zijn daarom onder de Omgevingswet eveneens van kracht.
2.2
Bedrijf- en milieuzonering
De gebruikte methode (VNG-handleiding, versie 2009) is ook onder de Omgevingswet te gebruiken. De nieuwe methode milieuzonering nieuwe stijl (behorend bij de omgevingswet) is bovendien nog niet beschikbaar. De gehanteerde richtafstanden zijn ongewijzigd geldig onder de nieuwe wet- en regelgeving, de resultaten en conclusies van de zoneringsnotitie blijven dan ook gelijk na inwerkingtreding van de Omgevingswet.
2.3
Bodem
Voor het bouwen op een bodemgevoelige locatie is in het omgevingsplan van de gemeente Zwolle het volgende voorschrift10 opgenomen met betrekking tot de bodemkwaliteit: “Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en: 1. 2.
de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.”
10
Artikel 22.29 (Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
bouwwerken algemeen) lid 1c
2/4
Kenmerk
N001-1296146ZMH-V01-sss-NL
De toelaatbare kwaliteit van de bodem is gespecificeerd in Artikel 22.30 (Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie): 1. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten 2.
leefomgeving Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de
3.
interventiewaarde bodemkwaliteit Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest
Bij de overgang van de Wet Bodembescherming naar de Omgevingswet zijn de interventiewaarden ongewijzigd. Op basis van het onderzoek R004-1286322LEM-V02-evm-NL (d.d. 15 september 2023) is reeds aangetoond dat er geen overschrijdingen zijn van de interventiewaarden. Geconcludeerd wordt dat de aangetoonde bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het bouwen op een bodemgevoelige locatie. Voor het graven in de bodem met een volume meer dan 25 m3 zijn geen decentrale regels opgenomen in het omgevingsplan. De bruidsschat is hier van toepassing. Ook hierbij geldt de interventiewaarde als toetsingsgrens welke niet wordt overschreden. In het geval van tijdelijk uitname geld geen meldings- of informatieplicht. In het geval dat er geen sprake is van tijdelijke uitname (bij bijvoorbeeld afvoer van grond) geldt een informatieplicht met een minimale termijn van 1 week voor start van de werkzaamheden.
2.4
Externe veiligheid
In het kader van de Omgevingswet is de belangrijkste verandering voor externe veiligheid het werken met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Onder de oude Externe Veiligheid-wetgeving zijn hiervoor modelleringen en berekeningen uitgevoerd, zogenaamde RBM II en Carola-berekeningen. Onder de Omgevingswet zijn deze niet meer van toepassing. In die zin is het bestaande onderzoek uitgebreider dan wettelijk vereist. De resultaten en conclusies van dit onderzoek zijn ook bruikbaar onder de Omgevingswet.
2.5
Geohydrologie
In het geohydrologisch onderzoek is niet getoetst aan wettelijke normen en/of wettelijke regelgeving. Het nieuwe Omgevingswet-regime heeft daarom geen invloed op de resultaten en conclusies van het uitgevoerde onderzoek.
3/4
Kenmerk
2.6
N001-1296146ZMH-V01-sss-NL
Luchtkwaliteit
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wijzigen bepaalde onderdelen van de huidige luchtkwaliteit wetgeving. Zo verdwijnt het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en richt het luchtkwaliteitsonderzoek zich op nadelige effecten op aandachtsgebieden. Grenswaarden van de te onderzoeken stoffen en ‘niet in betekende mate’ (verder NIBM) zijn aspecten die behouden blijven. De NIBM-criteria zijn niet gewijzigd onder de Omgevingswet. In het onderzoek Luchtkwaliteit is geconcludeerd dat dit project onder de NIBM-grens blijft. De conclusies van de notitie blijven daarom gelijk onder de Omgevingswet.
2.7
M.e.r.-aanmeldnotitie
De wetgeving rond de milieueffectrapportage (mer, ook wel m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Inhoudelijk verandert er niet veel, procedureel wel. Doel van de Omgevingswet is de toepassing van het bestaande mer-instrumentarium te vereenvoudigen, zodat dit nog beter bruikbaar is als hulpmiddel voor besluitvorming. Daarnaast zijn er de volgende Wijzigingen project-merbeoordeling: Eén procedure voor de mer-beoordeling
Geen publicatie in de Staatscourant als geen milieueffectrapport (MER) nodig is geen voorgeschreven verplichting om met andere bestuursorganen af te stemmen
Op basis van bijlage V van het Omgevingsbesluit volgt dat voor dit voornemen onder de Omgevingswet eveneens een M.e.r.-aanmeldnotitie nodig is. De vereisten van de aanmeldnotitie zijn onder de Omgevingswet gelijk aan de oude wet- en regelgeving. De opgestelde m.e.r.aanmeldnotitie is daarmee ook onder de Omgevingswet geldig.
2.8
Stikstof
De Omgevingswet betekent een verandering in de Nederlandse regelgeving rond gebiedsbescherming en stikstof. De meeste inhoudelijke regels over natuurbescherming zijn terechtgekomen in een van de volgende drie besluiten: Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal), Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) en Omgevingsbesluit (Ob). Er moet worden voldaan aan de eisen die het Bkl hieraan stelt. Onveranderd hierin is de regelgeving rond eventuele significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. In de opgestelde notitie is geconcludeerd dat er geen enkele hexagoon sprake is van een stikstofdepositie. Daarmee is er geen negatieve effecten op stikstofgevoelige natuur. De toetsmethode en conclusies blijven daarmee geldig onder de Omgevingswet.
2.9
Watertoets
Voor de watertoets is getoetst aan de eisen van de waterschappen en gemeente. Deze eisen zijn ongewijzigd van kracht, ook met de invoering van de Omgevingswet. De watertoets is daarmee nog steeds geldig.
4/4