CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 23 - Voortoets Spooronderdoorgangen

Raad Besluitvormingsronde 16 december 2024, gemeente ZwolleBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui18.463 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Spooronderdoorgangen Spoorzone Zwolle Ecologische voortoets stikstof

Gemeente Zwolle 23 november 2023

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Spooronderdoorgangen Spoorzone Zwolle Gemeente Zwolle

Ecologische voortoets stikstof Definitief 23 november 2023 136889/23-018.742

136889 Ing. W.P. de Vries Ir.drs.J.L.C.M. van Daelen

J. Poot BSc, R. van Deelen MSc E. Pinto MSc, A. Vellekoop MSc Ing. W.P. de Vries

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Projectomschrijving

5

1.2

Rapport

6

1.2.1 1.2.2 1.2.3

D13 - Ecologie, Stikstofdepositie beoordeling Doelstelling Scope rapport

6 6 6

1.3

Leeswijzer

7

2

TOETSINGSKADER WET NATUURBESCHERMING GEBIEDSBESCHERMING

8

3

METHODE

10

3.1

Rekenmethode

10

3.2

Projecteffect

10

3.3

Gebruikte informatie

10

4

RESULTATEN STIKSTOFBEREKENINGEN

12

4.1

Effectbepaling aanlegfase

12

4.2

Effectbepaling gebruiksfase

13

5

EFFECTBEPALING EN -BEOORDELING

14

5.1

Algemene effecten stikstofdepositie

14

5.2

Gebiedsspecifieke beoordeling

18

5.2.1 5.2.2 5.2.3

18 19 21

Beschrijving van de leefgebieden Effectbeoordeling watersnip (A153) Effectbeoordeling kwartelkoning (A122)

6

CUMULATIE

23

6.1

Beoordeling cumulatie

23

7

CONCLUSIE

24

8

LITERATUUR

25

Laatste pagina

26

Bijlage(n) I II

Uitgangspunten stikstofdepositieberekening Resultaten stikstofdepositieberekeningen

Aantal pagina's 18 18

1 INLEIDING 1.1

Projectomschrijving

De komende jaren werkt de gemeente Zwolle samen met omwonenden, ondernemers, ontwikkelaars en overige betrokkenen aan de Spoorzone. De Spoorzone wordt een prominente plek om te wonen, werken, leren, studeren en ondernemen. Het ligt centraal tussen de historische binnenstad en de natuurlijke omgeving van de IJssel, met station Zwolle als verbinder (afbeelding 1.1). Het openbaar vervoer maakt het gebied gemakkelijk bereikbaar en verbindt de randstad met het noorden en oosten van het land. De komende jaren wordt het gebied met circa 3.500 nieuwe woningen, lokale maakindustrie, kantoren en voorzieningen uitgebreid. De huidige fietsinfrastructuur moet daarom worden aangepast. Door het onderzoeken en ontwerpen van een aanpassing aan de bestaande onderdoorgang (Koggetunnel) en de realisatie van een extra onderdoorgang (Oonderdoorgang Veerallee) dragen we bij aan het verbeteren van actieve mobiliteit en het verkleinen van de barrière die het spoor voor fietsers vormt.

Afbeelding 1.1 Projectlocatie

De geplande werkzaamheden vergen de inzet van mobiele werktuigen en bouwverkeer tijdens de aanlegfase en leiden tot mogelijke veranderingen in het verkeersnetwerk. De hierbij vrijkomende stikstofemissies kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op circa 950 meter afstand van de projectlocatie (afbeelding 1.2). Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat werkzaamheden of ontwikkelingen een significant gevolg hebben voor de beschermde

5 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. In voorliggende ecologische voortoets stikstof is beoordeeld of significante gevolgen voor habitattypen en Habitat- en vogelrichtlijnsoorten met een instandhoudingsdoelstelling voor Natura 2000-gebieden op voorhand zijn uit te sluiten.

Afbeelding 1.2 Projectlocatie en omliggende Natura 2000-gebieden

1.2

Rapport

1.2.1

D13 - Ecologie, Stikstofdepositie beoordeling

Dit rapport is een resultaatsproduct uit het project spooronderdoorgangen spoorzone Zwolle voor de gemeente Zwolle. Dit is een resultaat uit het werkpakket D13 - Ecologie, Stikstofdepositie beoordeling.

1.2.2

Doelstelling

In deze voortoets wordt onderzocht of significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie voor het project Onderzoeken Onderdoorgangen Spoorzone Zwolle op voorhand zijn uit te sluiten. De voortoets richt zich hierbij op zowel de aanleg- en gebruiksfase.

1.2.3

Scope rapport

In voorliggende ecologische voortoets stikstof is voor de Koggetunnel en de onderdoorgang Veerallee (in samenhang) de tijdelijke en permanente toename van stikstofdepositie weergegeven en beoordeeld.

6 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 toont het relevante toetsingskader met betrekking tot de Wet natuurbescherming (onderdeel gebiedsbescherming). In hoofdstuk 3 wordt de rekenwijze en methode voor de bepaling van stikstofdepositie door het project beschreven. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de stikstofberekening weergegeven. De gevolgen op Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen worden in hoofdstuk 5 bepaald en beoordeeld. In hoofdstuk 6 wordt cumulatie met andere projecten beschreven en beoordeeld. Hoofdstuk 7 bevat de eindconclusie van deze ecologische voortoets stikstof. Ten slotte staat in hoofdstuk 8 de gebruikte literatuur.

7 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

2 TOETSINGSKADER WET NATUURBESCHERMING - GEBIEDSBESCHERMING In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Elk Natura 2000-gebied is aangewezen door middel van een aanwijzingsbesluit. In dit besluit wordt door het aanwijzen van instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld welke natuurwaarden in dat gebied beschermd zijn. Instandhoudingsdoelstellingen betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. Vergunningstelsel Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten die significant negatieve gevolgen kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000gebied, zijn volgens artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming vergunningplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden of ontwikkelingen een significant negatief gevolg kunnen hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied.

Deze toetsing kan plaatsvinden in een voortoets of passende beoordeling. In een voortoets wordt bepaald of significant negatieve gevolgen door het project zelf of in samenhang met andere projecten of activiteiten op voorhand kunnen worden uitgesloten. Indien significant negatieve gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten, hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Indien significant negatieve gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een passende beoordeling te worden opgesteld. In een passende beoordeling wordt nader ingegaan op de gevolgen voor de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden door het project zelf of in samenhang met andere projecten of activiteiten. In een passende beoordeling mogen, in tegenstelling tot een voortoets, ook mitigerende maatregelen betrokken worden om significant negatieve gevolgen te voorkomen. Op basis van de passende beoordeling kan een aanvraag voor een vergunning op grond van de Wnb worden ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan. In het geval significant negatieve gevolgen van een voornemen inclusief mitigerende maatregelen of cumulatie op Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen niet uitgesloten kunnen worden, dan zal de vergunningverlener de vergunning, c.q. de instemming, weigeren.

Het voornemen kan dan alleen nog doorgang vinden als voldaan wordt aan de ADC-toets: (A) er geen reële alternatieven zijn, (D) er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en dat door (C) compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft. Voor het verkrijgen van een vergunning voor een project is het dus van belang dat uitgesloten wordt dat het voornemen leidt tot significant negatieve gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Het is niet nodig dat de habitattypen die gevolgen van de stikstofdepositie van het plan ondervinden zich in een goede staat van instandhouding bevinden op het moment van uitvoeren (Raad van State, 2022). Ook hoeft een voornemen geen positieve bijdrage te leveren aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen om vergunbaar te zijn (Raad van State, 2022).

8 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

Stikstof Voor de bepaling en beoordeling van de effecten van een toename van stikstofemissie wordt gebruik gemaakt van de meest recente versie van AERIUS Calculator. Voor elke berekende stikstofdepositie groter of gelijk aan 0,005 mol N/ha/jaar volgt uit vastgestelde beleidskaders dat een ecologische beoordeling van die waarde moet worden uitgevoerd. Handreiking voortoets stikstof Door BIJ12 is een handreiking voor het opstellen van een voortoets stikstof gemaakt. Hierin staat vermeld wat een voortoets voor het beoordelen van stikstofdepositie moet bevatten en in welke gevallen significant negatieve gevolgen als gevolg van stikstofdepositie op voorhand uitgesloten kunnen worden. Vooral relevant voor de voorliggende voortoets is paragraaf 2.3 (voorbeeld 4) van de handreiking: ‘Als een plan of project alleen leidt tot toename van depositie op stikstofgevoelige leefgebieden (en niet op habitattypen) kan uit een voortoets soms blijken dat significante gevolgen zijn uitgesloten ondanks dat de KDW van de leefgebiedtypen wordt overschreden’. Bescherming van leefgebieden loopt via de aangewezen soorten die hierin broeden, foerageren of rusten. Leefgebieden hebben zelf geen instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden.

Als uit een gebiedsanalyse blijkt dat stikstofdepositie geen knelpunt vormt voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende soort(en) en de functie en/of kenmerken van het leefgebied voor de soort niet worden aangetast, staat vast dat ook project gerelateerde stikstofdepositie niet zorgt voor een aantasting hiervan. Significante gevolgen zijn dan op voorhand uit te sluiten en een passende beoordeling is dan niet noodzakelijk (BIJ12 2021).

9 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

3 METHODE 3.1

Rekenmethode

Om te bepalen op welke Natura 2000-gebieden en stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden stikstofdepositie optreedt, is een AERIUS-berekening uitgevoerd. De stikstofberekeningen zijn uitgevoerd met behulp van de meest recente AERIUS versie, AERIUS Calculator 2023.0.1. De rekenmethode is in beheer van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Het verspreidingsmodel AERIUS Calculator berekent de depositie op relevante rekenpunten (hexagonen). Voor alle habitattypen en leefgebieden waarvoor AERIUS Calculator een depositiebijdrage rapporteert, is een ecologische beoordeling uitgevoerd.

3.2

Projecteffect

Om te bepalen op welke Natura 2000-gebieden en stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden stikstofdepositie optreedt, is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- en gebruiksfase (zie bijlage II). Per habitattype en leefgebied is bepaald of de KDW van die habitattypen en leefgebieden (naderend) overschreden wordt inclusief de projectbijdrage. In bijlage I zijn de uitgangspunten van de AERIUS-berekening opgenomen. Aanlegfase In de aanlegfase is sprake van een toename van stikstofemissie door de inzet van mobiele werktuigen. Deze toename van stikstofemissie leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000gebieden. De aanlegfase duurt één jaar en is berekend voor het rekenjaar 2027. Gebruiksfase Er vindt een verhoging in stikstofemissies plaats in de gebruiksfase ten opzichte van de huidige situatie door het gebruik van de spoorwegonderdoorgang. Dit zorgt voor een toename van stikstofdepositie in de gebruiksfase. De AERIUS-berekening voor de gebruiksfase is uitgevoerd voor het zichtjaar 2027 en is opgenomen in bijlage II.

3.3

Gebruikte informatie

Voor de beoordeling van het projecteffect is gebruik gemaakt van objectieve, openbaar beschikbare informatie, namelijk: - AERIUS Monitor; - gebiedsanalyse Rijntakken; - beheerplan Rijntakken; - (concept) natuurdoelanalyse Rijntakken.

10 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

AERIUS Monitor Veel informatie is gebundeld in AERIUS Monitor. AERIUS Monitor geeft inzicht in: - de aanwezigheid van stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden en de locatie van relevante hexagonen (hexagonen waar stikstofdepositie een probleem kan zijn); - de hoeveelheid huidige stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden per hexagoon; - de mate van overbelasting binnen een Natura 2000-gebied gebaseerd op informatie over stikstofgevoelige habitattypen en de berekende depositiegegevens. Dit maakt inzichtelijk op welke relevante hexagonen daadwerkelijk sprake is van een (bijna) overbelaste situatie en voor welke habitattypen dat dan geldt. Gebiedsanalyse Gebiedsspecifieke informatie met betrekking tot stikstofdepositie is ook te vinden in de gebiedsanalyses van Natura 2000-gebieden. In de gebiedsanalyse worden de instandhoudingsdoelstellingen en staat van instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen en soorten van stikstofgevoelige leefgebieden beschreven. Daarnaast bieden de gebiedsanalyses nuttige achtergrondinformatie omtrent sturende (ecologische) processen binnen het betreffende Natura 2000-gebied. In de voorliggende voortoets is de gebiedsanalyse dan ook met name geraadpleegd vanwege deze bruikbare informatie.

Beheerplan Naast de gebiedsanalyse is voor het tot stand komen van de effectbeoordeling ook gebruik gemaakt van de beheerplannen van Natura 2000-gebieden. Het beheerplan bevat een uitwerking van de Natura 2000-doelen in omvang, ruimte en tijd, en beschrijven de maatregelen die genomen moeten worden om die doelen daadwerkelijk te bereiken. Natuurdoelanalyse De (concept) natuurdoelanalyse bevat geactualiseerde informatie over de habitattypen en soorten met betrekking tot huidige kwaliteit, knelpunten en toegepast beheer. Waar in de effectbeoordeling van het voorliggende rapport de gebiedsanalyse vooral is gebruikt voor een beter begrip van sturende processen binnen het betreffende Natura 2000-gebied, is de natuurdoelanalyses met name gebruikt om een accuraat beeld te vormen van de huidige staat van instandhouding, knelpunten en het toegepast beheer.

11 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

4 RESULTATEN STIKSTOFBEREKENINGEN 4.1

Effectbepaling aanlegfase

Er is sprake van een tijdelijke stikstofdepositie gedurende één jaar in Natura 2000-gebied Rijntakken. Tabel 4.1 en afbeelding 4.1 tonen voor Natura 2000-gebied Rijntakken de leefgebieden en de maximale projectbijdrage van de hexagonen waarvan de KDW (naderend) wordt overschreden door de ADW en projectbijdrage. De hoogste tijdelijke stikstofdepositietoename door het project bedraagt 0,05 mol N/ha/jaar. In bijlage II zijn de uitkomsten van de stikstofberekening weergegeven. In hoofdstuk 5 wordt, aan de hand van een ecologische analyse, beoordeeld of significante gevolgen op de soorten van stikstofgevoelige leefgebieden met een tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project op voorhand zijn uit te sluiten.

Tabel 4.1 Overzicht relevante (naderend) overbelaste leefgebieden met een toename van stikstofdepositie in de aanlegfase, inclusief KDW, projectbijdrage (maximaal) en ADW (maximaal) in mol N/ha/jaar

Natura 2000 gebied

Habitattype/leefgebied

Rijntakken Rijntakken

12 | 26

KDW (mol N/ha/jaar)

Maximale projectbijdrage (mol N/ha/jaar)

ZGLg08 - Nat, matig voedselrijk grasland

1.571

0,04

1.645

ZGLg11 - Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied

1.357

0,05

1.902

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

Maximale ADW (mol N/ha/jaar)

Afbeelding 4.1 Overzicht van relevante (naderend) overbelaste leefgebieden met een toename van stikstofdepositie in de aanlegfase. De hexagonen met depositie zijn tevens maatgevend voor de gebruiksfase

4.2

Effectbepaling gebruiksfase

Er is sprake van een permanente stikstofdepositie door het project in Natura 2000-gebied Rijntakken. Tabel 4.2 toont van Natura 2000-gebied Rijntakken de leefgebieden en de maximale projectbijdrage van de hexagonen waarvan de KDW (naderend) wordt overschreden door de ADW en projectbijdrage samen. De hoogste permanente stikstofdepositietoename door het project bedraagt 0,01 mol N/ha/jaar. In bijlage II zijn de uitkomsten van de stikstofberekening weergegeven. In hoofdstuk 5 wordt, aan de hand van een ecologische analyse, beoordeeld of significante gevolgen op de soorten van stikstofgevoelige leefgebieden met een permanente toename van stikstofdepositie door het project op voorhand zijn uit te sluiten.

Tabel 4.2 Overzicht relevante overbelaste leefgebieden met een toename van stikstofdepositie in de gebruiksfase, inclusief KDW, projectbijdrage (maximaal) en ADW (maximaal) in mol N/ha/jaar Natura 2000 gebied

Habitattype/leefgebied

Rijntakken Rijntakken

13 | 26

KDW (mol N/ha/jaar)

Maximale projectbijdrage (mol N/ha/jaar)

Maximale ADW (mol N/ha/jaar)

ZGLg08 - Nat, matig voedselrijk grasland

1.571

0,01

1.645

ZGLg11 - Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied

1.357

0,01

1.902

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

5 EFFECTBEPALING EN -BEOORDELING Uit de resultaten van de stikstofberekeningen (hoofdstuk 4) blijkt dat sprake is van een tijdelijke en permanente toename van stikstofdepositie op drie leefgebieden en het zoekgebied van een leefgebied in het Natura 2000-gebied Rijntakken. De toename betreft maximaal 0,02 mol N/ha/jaar. In de volgende paragrafen wordt deze toename beoordeeld. In paragraaf 5.1 zijn de algemene effecten van een toename van stikstofdepositie beschreven. In paragraaf 5.2 is de stikstofdepositietoename door het project gebiedsspecifiek beoordeeld, waarbij eerst het huidige voorkomen van de soorten die gebonden zijn aan de leefgebieden wordt beschreven.

5.1

Algemene effecten stikstofdepositie

Werkingsmechanisme van stikstoftoename Stikstofdepositie ontstaat door het neerslaan van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3). Stikstofoxiden en ammoniak kunnen omgezet worden in de nutriënten ammonium (NH4) en nitraat (NO3). Deze nutriënten vormen een belangrijke voedingsbron voor planten, waarmee stikstof een essentiële rol vervult in ecosystemen. Een overdaad aan stikstof kan echter leiden tot eutrofiëring (vermesting) en verzuring van de bodem. Vooral voedselarme habitattypen zijn gevoelig voor extra aanvoer van stikstof. In voedselarme systemen kan een verhoogde beschikbaarheid van stikstof leiden tot verruiging van de vegetatie en verlies van karakteristieke soorten, aangezien karakteristieke soorten vaak zijn aangepast aan een lagere stikstofbeschikbaarheid in de bodem. De extra aanvoer van stikstof kan daarnaast leiden tot verzuring en verminderde beschikbaarheid van stoffen zoals calcium en kalium. In zuurgevoelige habitattypen kan de extra aanvoer van stikstof daardoor leiden tot het verdwijnen van gevoelige soorten, waardoor de soortenrijkdom en kwaliteit van de habitattypen afneemt. Kritische Depositiewaarde (KDW) Zoals in voorgaande alinea is geïllustreerd, kan atmosferische stikstofdepositie tot verzuring en vermesting van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van habitat- en vogelsoorten leiden.

Dit kan gebeuren wanneer de atmosferische stikstofdepositie boven de Kritische Depositiewaarde (KDW) komt. De KDW is ‘de grens waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische depositie’ (H. Van Dobben et al. 2012). De KDW is geen toetswaarde voor tijdelijke gevolgen, maar heeft betrekking op langdurige stikstofdepositie (H. F. Van Dobben 2020). Ook bij overschrijding van de KDW door de Achtergrond Depositiewaarde (ADW) is het namelijk mogelijk om habitattypen en leefgebieden duurzaam in stand te houden. Dit kan als de sturende factoren (ook wel ‘sleutelfactoren’) die het voorkomen van deze habitattypen en leefgebieden bepalen op orde zijn. Dit zijn factoren zoals standplaats (arme zandgronden versus bijvoorbeeld voedselrijker en gebufferd riviergebied), dynamiek, hydrologie en/of beheer. Van Dobben heeft de KDW vertaald naar een concrete waarde per Natura 2000-habitattype (H. Van Dobben et al. 2012). Daarbij wordt aangegeven dat de KDW’s met een onzekerheidsmarge van minimaal 1 kg N (of 71,43 mol N) moeten worden gehanteerd. Ecologisch gezien zijn er namelijk geen aantoonbare verschillen in de kwaliteit van een habitat waarneembaar van depositiewaarden die kleiner zijn dan 1 kg/ha/jaar

14 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

(H. Van Dobben et al. 2012). De KDW per habitattype kent een kwalitatieve klasse (uiterst gevoelig, zeer gevoelig, gevoelig en matig gevoelig) en een kwantitatieve waarde (de KDW) (Tabel 5.1).

Tabel 5.1 Indeling van gevoeligheidsklassen voor habitattypen en tijdspad voor daadwerkelijk areaal verlies van een habitattype als gevolg van kwaliteitsverlies door stikstof (Goderie, Vertegaal, and Royal HaskoningDHV 2020) Gevoeligheidsklasse

Kritische depositie waarde

Voorbeeld habitattypen

Tijdspad daadwerkelijk verlies habitattype

(mol N/ha/jaar)

(kg N/ha/jaar)

<1.000

6 - 15

zwakgebufferde en zure vennen, zandverstuivingen, heischrale graslanden, actieve hoogvenen

10 jaar

zeer gevoelig

1.000-1.500

15 - 21

droge en vochtige heidetypen, jeneverbesstruwelen, oude eikenbossen, blauwgraslanden, kalkmoerassen pioniervegetaties, beukeneikenbossen, stroomdal- en glanshaverhooilanden

12,5 jaar

gevoelig

1.500-2.000

21 - 28

beekbegeleidende bossen

15 jaar

>2.000

>20

beken en rivieren met waterplanten, meren met krabbenscheer, esseniepenbossen, kranswierwateren

20 jaar

uiterst gevoelig

matig gevoelig

Toename van stikstofdepositie en aantoonbare ecologische verschillen Er zijn meerdere experimentele studies uitgevoerd naar de effecten van toevoeging van stikstof op habitattypen: - in een heidegebied in Nederland zijn verschillende hoeveelheden stikstof experimenteel aan plots toegevoegd (0,0; 1,75; 7,0 en 28,0 kg N/ha/jaar; wat overeenkomt met 0 - 2.000 mol/ha/jaar). Als gevolg hiervan werd een toename in schapengras (Festuca ovina) waargenomen die de struikheide (Calluna vulgaris) verving. De leeftijd van de struikheide speelde hierbij een belangrijke rol. In de jongere plots van één jaar oud leidde iedere toevoeging van stikstof tot een toename in schapengras, met sterkere effecten naarmate de hoeveelheid toegevoegde stikstof toenam. Geen effect werd gevonden voor de toevoeging van de lage dosis stikstof in oude struikheide (Heil and Diemont 1983). De achtergronddepositie voor deze studie is geschat op 30 - 35 kg N/ha/jaar (2.142 - 2.500 mol N/ha/jaar) (Kooijman et al 2009) en ligt hiermee ruim boven de KDW; - in een ander experiment had een experimentele toevoeging van 25 kg N/ha/jaar (1.785 mol/ha/jaar) over een periode van vijf jaar geen effect op de soortensamenstelling in een grasland in een Nederlands duingebied (Meijendel) (Ten Harkel and Van der Meulen 1996). Als mogelijke reden hiervoor noemen de auteurs fosfaatlimitatie en begrazing.

Ook uit andere studies is bekend dat beheermaatregelen zoals begrazing en maaien dominantie van grassen en verdwijnen van kritische soorten kan voorkomen, ondanks overschrijding van de KDW; - in de Nederlandse duinen is gedurende 2,5 jaar op drie verschillende vegetatietypes (Polytrichum piliferum matten, Campylopus introflexus gedomineerde vegetatie en Cladonia gedomineerde vegetatie) 42,9 kg N/ha/jaar (of 3.065 mol N/ha/jaar) toegevoegd bij zowel hoge als lage

15 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

achtergronddepositie (Sparrius, Kooijman, and Sevink 2013). In alle vegetatietypes werd het aandeel gras hoger en het aandeel korstmossen lager wanneer stikstof werd toegevoegd aan de plots; -

-

-

in een boreaal bos in Zweden (met lage achtergronddepositie van 2 kg of 143 mol N/ha/jaar) is jaarlijks NH4NO3 toegediend in een range van 0 tot 50 kg N/ha/jaar (0 tot 3.571 mol N/ha/jaar). Er werd onder andere gevonden dat vergrassing met bochtige smele optreedt bij minimaal 6 kg N/ha/jaar (429 mol N/ha/jaar, de laagst toegepaste dosering). Een hogere dosering zorgde voor meer vergrassing. Ook ging de kwaliteit van de sleutelsoort blauwe bosbes achteruit (Nordin et al. 2005); in het Verenigd Koninkrijk toonde een experiment op onbegraasde heidevegetatie met concentraties van 0, 7,7 en 15,4 kg N/ha/jaar na 7 jaar geen veranderingen in de soortensamenstelling (Power et al. 1995). In een vervolgexperiment werd vastgesteld dat er sprake was van meer vraat door heidekevers waardoor de kwaliteit van de heide afnam; in verschillende studies in Zweden (Kellner and Redbo-Torstensson, 1995; Redbo-Torstensson, 1994) en Engeland (Payne et al. 2013) werden pas ecologische effecten gevonden bij relatief hoge stikstofgiften, meestal meer dan 5 kg N/ha/jaar (ruim 350 mol N/ha/jaar). Effecten in vegetatieverandering kwamen pas na zes à zeven jaar aan het licht (Lee and Caporn 1998).

De opzet, duur en lokale omstandigheden zijn van invloed op de relatie tussen de concentratie van experimenteel toegevoegde stikstof en waarneembare ecologische effecten. Dat stikstofdepositie een effect heeft op de vegetatiesamenstelling is duidelijk. Daarbij blijkt uit de hiervoor beschreven studies en vergelijkbare studies dat waarneembare effecten in algemene zin pas bij een toevoeging van > 1 kg N/ha/jaar optreden. Er zijn geen experimenten bekend waarbij effecten werden gevonden bij een stikstofgift van minder dan 1 kg N/ha/jaar. Een ecologisch verschil in de soortensamenstelling en kwaliteit van een habitat is bij een toename van < 1 kg N/ha/jaar (bij benadering 70 mol/ha/jaar) niet aantoonbaar en projectdeposities van slechts een fractie daarvan leiden niet tot waarneembare effecten in de bodemchemie, soortensamenstelling of kwaliteit van habitattypen en leefgebieden. Stikstofkringloop in ecosystemen en achtergronddepositie In de natuurlijke stikstofkringloop van ecosystemen circuleren grote hoeveelheden stikstof door de bodem, atmosfeer en organismen. Natuurlijke achtergronddeposities van stikstof liggen rond de 1 - 5 kg N/ha/jaar (70 - 360 mol N/ha/jaar) (Jaspers et al., 2020). In Nederland komt een dergelijke natuurlijke situatie echter niet meer voor.

De achtergronddepositie is door menselijke activiteiten sterk toegenomen en varieert in Nederland tussen de circa 700 en 4.000 mol N/ha/jaar (CBS, PBL, RIVM, WUR 2019). De achtergronddepositie in AERIUS wordt weergegeven als een gemiddelde over meerdere jaren. Als gevolg van meteorologische variaties varieert de gemiddelde achtergronddepositie jaarlijks met 5 tot 10 % (Velders 2018). Dit komt bij een achtergronddepositie tussen de 700 - 4.000 mol N/ha/jaar neer op een fluctuatie van 35 - 400 mol N/ha/jaar. Natuurlijke habitats produceren jaarlijks 2.000 - 6.000 kg droge stof per hectare (Tolkamp et al. 2006). Het drooggewicht van planten bestaat gemiddeld voor 1,5 % uit stikstof, waardoor voor de biomassaproductie van natuurlijke habitats gemiddeld 30 - 90 kg N/ha/jaar nodig is (‘Stikstof per gram droge stof,’ n.d.). Dit komt overeen met circa 2.100 - 6.400 mol N/ha/jaar. De benodigde hoeveelheid stikstof betreft de totale aanvoer van stikstof. Naast atmosferische depositie wordt stikstof geleverd via grond- en oppervlaktewater, overstroming, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organische materiaal en natuurlijke bemesting. Een hoeveelheid van 1 mol N/ha/jaar (14 gram N/ha/jaar) komt overeen met 0,02 - 0,05 % van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats.

Zelfs als deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in de groeisnelheid van individuele planten en tot veranderingen in concurrentiepositie. Niet voor niets hebben Van Dobben et al. Een depositie van 1 kg N/ha, overeenkomstig 1,1 - 3,4 % van de jaarlijkse benodigde hoeveelheid stikstof, als kleinste relevante maat benoemd (H. Van Dobben et al. 2012). Een geringe, tijdelijke depositietoename heeft op zichzelf geen gevolgen op het duurzaam behalen van geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen. Om door stikstofdepositie tot een daadwerkelijk meetbaar kwaliteitsverlies van habitattypen te komen, is een langdurige relevante stikstofdepositiebijdrage nodig. Een ecologische verandering is pas waarneembaar als een aanzienlijke hoeveelheid gedurende meerdere jaren (langdurig) accumuleert in het systeem. Hoe hoger en langer de overschrijding van de KDW, hoe groter het risico op kwaliteitsverlies (H. Van Dobben et al. 2012). Kwaliteitsverlies kan optreden als gevolg van

16 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

vermesting en verzuring en daarnaast kan stikstofdepositie ook directe toxische effecten hebben. Van directe toxische effecten van stikstofdepositie (ammoniak en stikstofdioxide) op planten is bij de huidige achtergronddepositiewaarden echter nauwelijks meer sprake (Bobbink 2021). Een toename van 1 mol N/ha/jaar is in vergelijking met de natuurlijke productie van habitattypen gezien verwaarloosbaar. Dergelijke lage hoeveelheden hebben geen ecologisch waarneembare of meetbare effecten op de groeisnelheid, de vegetatiesamenstelling en concurrentieverhoudingen binnen de vegetatie. Deze hoeveelheden hebben ook zeker geen doorwerking op het regulier noodzakelijke natuurbeheer (onder andere hooilandbeheer, begrazing, plaggen, uitbaggeren wateren) van habitattypen die daarvan afhankelijk zijn. Rekenkundige ondergrens Atmosferische stikstofdepositie wordt door AERIUS Calculator berekend met een rekenkundige ondergrens van 0,005 mol N/ha/jaar. Of de KDW van een habitattype of leefgebied wordt overschreden, wordt berekend tot deze rekenkundige ondergrens (TNO 2022). De ondergrens is door het RIVM vastgesteld om systeemtechnische redenen voor het AERIUS-model, maar is niet gebaseerd op een realistische ondergrens vanuit de fysica.

Uit onderzoek van TNO blijkt dat een realistische ondergrens gebaseerd zou moeten zijn op: - de onzekerheid in de berekening van de bijdrage van een enkele bron: op grond van vergelijking van berekende deposities en metingen volgt een onderwaarde voor de depositie die significant kan worden vastgesteld voor NH3-depositie van 6 mol N/ha/jaar; - de onzekerheid in de KDW: de KDW is berekend tot een ondergrens van 0,1 kg N/ha/jaar. Deze waarde is omgerekend in molen, zodat de eenheid overeenkomt met de eenheid die gebruikt wordt door het AERIUS model. Hieruit volgt dat waarden die lager zijn dan 0,1 kg N/ha/jaar, oftewel 7 mol N/ha/jaar, niet als significant zijn te beschouwen (TNO 2022); - de onzekerheid in de achtergronddepositie: onzekerheid ontstaat onder andere door gebruik van verschillende gegevens over meteorologische condities en verschillende gegevens over het landgebruik (kaarten van het Landelijk Grondgebruik Nederland). De ondergrens voor precisie ligt tussen de 1 en 10 mol N/ha/jaar (TNO 2022). Op basis van onzekerheid in deze factoren zijn er wetenschappelijke argumenten om een rekenkundige ondergrens te hanteren tussen 1 en 10 mol N/ha/jaar in plaats van de huidige (willekeurige, niet wetenschappelijk onderbouwde) rekengrens van 0,005 mol N/ha/jaar (TNO 2022). De minimale ruiswaarde is vastgesteld op 1 mol N/ha/jaar (TNO 2022).

Waarden onder deze ruiswaarde zijn niet betrouwbaar en een depositieberekening lager dan 1 mol N/ha/jaar is dus weinig betekenisvol. Het is echter niet uitgesloten dat projectbijdragen onder deze realistische ondergrens gezamenlijk tot verslechteringen kunnen leiden (TNO 2022). Conclusie effecten van stikstofdepositietoename In algemene zin is bekend dat de kwaliteit van een habitattype afneemt als de stikstofdepositie toeneemt. Processen die ten grondslag liggen aan de afnemende kwaliteit zijn vermesting en verzuring. Vermesting en verzuring leiden tot een toename van groei van stikstofminnende plantensoorten en het veranderen van de verhouding in het voorkomen van individuele plantensoorten. Daarnaast kan ophoping van stikstof in de bodem het eiwitgehalte van planten veranderen en als gevolg daarvan kunnen ook de vraatafwerende eigenschappen en voedingskwaliteit van planten beïnvloed worden. De veranderingen in de vegetatie kunnen doorwerken in de voedselketen, waardoor de kwaliteit van een habitattype als geheel kan afnemen. Accumulatie van stikstof in de bodem door langdurige overbelasting is van invloed op de mate waarin sprake is van kwaliteitsverlies.

Het (al dan niet) optreden van kwaliteitsverlies wordt daarnaast beïnvloed door het bufferend vermogen van de bodem, de aan- en afwezigheid van (andere) voedingsstoffen in de bodem, en andere gebieds- en habitatspecifieke factoren, zoals de aanwezige dynamiek en hydrologische omstandigheden. Geringe, tijdelijke toenames van stikstofdepositie leiden echter niet tot een afname van de kwaliteit van een habitattype. Wetenschappelijke experimenten bevestigen dat effecten pas waargenomen worden bij een toename van stikstofdepositie van minimaal 70 mol N/ha/jaar en onder deze hoeveelheid zijn verschillen in de kwaliteit van een habitat niet aantoonbaar (H. Van Dobben et al. 2012). Een fractie van die bijdrage, namelijk 1 mol N/ha/jaar, leidt daardoor met wetenschappelijke zekerheid niet tot een ecologisch effect op habitats. Een stikstofdepositietoename heeft op zichzelf daarnaast pas op zijn vroegst na 10 jaar een effect. Daarbij komt dat een berekende projectbijdrage in de ordegrootte van 1 mol N/ha/jaar ruim binnen de

17 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

natuurlijke meteorologische fluctuatie in de achtergronddepositie van circa 35 - 400 mol N/ha/jaar valt. Ten opzichte van die fluctuatie is een dergelijke projectbijdrage verwaarloosbaar en niet te onderscheiden. Ten slotte is door TNO aangetoond dat een berekende projectbijdrage kleiner dan 1 mol N/ha/jaar niet betrouwbaar is. De rekenkundige ondergrens in AERIUS zou op basis van wetenschappelijke argumenten op minimaal 1 mol N/ha/jaar moeten liggen, omdat berekende waarden lager dan 1 mol N/ha/jaar niet per definitie zijn toe te schrijven aan het project.

5.2

Gebiedsspecifieke beoordeling

5.2.1

Beschrijving van de leefgebieden

Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland Nat, matig voedselrijk grasland omvat kruidenrijk grasland op natte tot matig natte, zwak zure tot neutrale, zwak tot matig eutrofe gronden. In vergelijking met Dotterbloemgrasland van veen en klei (Lg07) is de bodem stikstofrijker. De vegetatie die het leefgebied kenmerkt komt tot ontwikkeling op plaatsen die in de winter en voorjaar langdurig onder water staan, wat veroorzaakt wordt door overstromend oppervlaktewater of onderdijkse kwel. Het leefgebied kent twee subtypen, namelijk zilverschoongrasland (subtype a) en nat, matig voedselrijk weidevogelgrasland (subtype c), die onderling verschillen in de aard van het water- en het vegetatiebeheer. Op plaatsen met langdurige en rechtstreekse overstroming door oppervlaktewater ontstaat zilverschoongrasland. Het subtype komt onder andere voor in de oeverzone van wateren en in lage graslanden in de uiterwaarden, waarbij beweiding de gebruikelijke beheersvorm is. Subtype c van het natuurdoeltype kan zowel beweid als gehooid worden en is van groot belang voor weidevogels, met name voor 'kritische' weidevogels van natte omstandigheden. In de winter zijn deze graslanden belangrijk voor ganzen en zwanen, terwijl steltlopers er gedurende hun trekperiode er graag gebruik van maken (Nijssen et al., 2016b).

Voor het leefgebied nat, matig voedselrijk grasland zijn dertien vogelrichtlijnsoorten en één vaatplant benoemd waarvoor stikstofdepositie een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied. Stikstofdepositie resulteert in vermesting en leidt tot verruiging van de vegetatie (Nijssen et al., 2016b). Niet alle in de herstelstrategie genoemde soorten zijn aangewezen als kwalificerende soorten voor het Natura 2000-gebied Rijntakken. Alleen soorten die aangewezen zijn voor Natura 2000-gebied Rijntakken worden meegenomen in de effectbeoordeling (zie tabel IV.3). Lg11 Kamgrasweide & bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied (verder aangeduid als ‘Kamgrasweide op klei’) komt vooral voor in het rivieren- en zeekleigebied en in mindere mate ook op de oeverlanden van de afgesloten zeearmen. In de eerste twee regio's komt het voor op de relatief droge gronden; op de oeverlanden is het te vinden op de voormalige kwelders. Een rijke levensgemeenschap is vooral te verwachten als er binnen een gebied een afwisseling is tussen lage, vochtige en hoge, droge delen en tussen begroeiingen met een open structuur (waarbinnen de bodem beschadigd is), grazige begroeiingen en zoomachtige vegetaties. Dergelijke graslanden zijn in het bijzonder van belang voor weidevogels.

Het beheer van het leefgebied kan bestaan uit beweiding of maaien, of een combinatie van beide (Nijssen et al., 2016a). Voor het leefgebied Kamgrasweide op klei zijn twaalf vogelrichtlijnsoorten benoemd waarvoor stikstofdepositie een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied. Naar de effecten van stikstofdepositie op het leefgebied is geen direct onderzoek gedaan, maar aannemelijk is dat vermesting leidt tot verruiging van de vegetatie en daarmee tot een lager aanbod en/of een lagere bereikbaarheid van voedsel voor de vogelrichtlijnsoorten (Nijssen et al., 2016a). Niet alle in de herstelstrategie genoemde soorten zijn aangewezen als kwalificerende soorten voor het Natura 2000-gebied Rijntakken. Alleen soorten die aangewezen zijn voor Natura 2000-gebied Rijntakken worden meegenomen in de effectbeoordeling (zie tabel IV.3).

18 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

Soorten in Lg08 en Lg11 In het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn voor de beschreven leefgebieden twee kwalificerende broedvogelsoorten en vijf kwalificerende niet-broedvogelsoorten aangewezen. Tabel 5.1 geeft hiervan een overzicht. Voor de niet-broedvogelsoorten geldt dat ze allen voorkomen in stikstofgevoelig leefgebied, maar in Rijntakken niet afhankelijk zijn van deze stikstofgevoelige leefgebieden (Dorland et al. 2017; RIVM 2023). Negatieve effecten en significante gevolgen van de projectbijdrage op de niet-broedvogelsoorten zijn op voorhand uitgesloten. De effecten van een toename van stikstofdepositie op de broedvogelsoorten watersnip en kwartelkoning zijn in de volgende paragrafen beoordeeld. Voor de zoekgebieden (ZG) van leefgebieden geldt dat onduidelijk is of leefgebied voor een soort daadwerkelijk aanwezig is. Bij het maken van de kaarten voor leefgebieden is geconcludeerd dat het lastig is om met zekerheid te stellen dat een geschikt leefgebied níet bezet is. Areaal van leefgebieden waarvoor dit het geval is, zijn gekarteerd als zoekgebied. De zoekgebieden betreffen dus mogelijk bezet leefgebied van een soort (Tweede Kamer der Staten-Generaal 2021). In deze voortoets zijn de zoekgebieden van leefgebieden beoordeeld als zijnde geschikt leefgebied.

Tabel 5.2 Kwalificerende stikstofgevoelige soorten voor Natura 2000-gebied Rijntakken Soort

Leefgebied

Doelstelling

Soort afhankelijk van Ngevoelig habitattype en/of leefgebied?

watersnip

Lg08

broedvogel

ja

kwartelkoning

Lg08, Lg11

broedvogel

ja

grutto

Lg11

niet-broedvogel

nee

kemphaan

Lg08, Lg11

niet-broedvogel

nee

scholekster

Lg08, Lg11

niet-broedvogel

nee

tureluur

Lg08, Lg11

niet-broedvogel

nee

kievit

Lg08, Lg11

niet-broedvogel

nee

5.2.2

Effectbeoordeling watersnip (A153)

Ecologische vereisten Het broedbiotoop van de watersnip bestaat uit moerassig laagveen, hoogveen en natte heiden en zeer vochtige schrale graslanden op veengrond of in uiterwaarden en open beekdalen. De nestplaats is gelegen in de verlandingszone van moerasgebieden of in gemaaide rietvelden. In grasland nestelt de soort alleen in vochtige hooilanden en extensief beweide natte graslanden met een waterpeil van 0 - 20 cm beneden het maaiveld. De oppervlakte van het nestbiotoop hoeft niet groot te zijn. Het nest wordt gebouwd tussen graspollen van 15 - 20 cm hoogte, in lage ruigte of tussen veenmoswallen. Het voedselbiotoop kan identiek zijn aan het nestbiotoop, maar kan ook apart liggen. De watersnip foerageert in ondiepe greppels, sloten, poeltjes, slikranden en in tot 10 cm diep water. Het hoofdvoedsel bestaat uit onder het bodemoppervlak levende wormen, insectenlarven en andere ongewervelden (Ministerie van LNV 2008b). Voorkomen en kwaliteit Binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken maakt de watersnip gebruik van de leefgebieden Dotterbloemgrasland van veen en klei (Lg07) en Nat, matig voedselrijk grasland (Lg08). Landelijk gezien komt de watersnip vooral voor in Friesland, Noordwest-Overijssel (omgeving van Giethoorn en Wanneperveen) en Noord-Holland (Zaanstreek) (‘Sovon Vogelonderzoek | Gebiedsinformatie,’ n.d.).

In de Rijntakken komt de watersnip in kleine aantallen voor in extensief beheerde en kruidenrijke vegetaties langs de Nederrijn en incidenteel in de Gelderse Poort en langs de IJssel ten noorden van Deventer (provincie Gelderland, 2018). Voor de periode 1999 - 2003 wordt het gemiddeld aantal paren voor het Natura 2000-gebied geschat op ten minste 17 (Dorland et al., 2017). Recente onvolledige tellingen en laten

19 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

een gemiddelde van circa vier broedparen zien (‘Sovon Vogelonderzoek | Gebiedsinformatie,’ n.d.) en in het algemeen is in alle deelgebieden van de Rijntakken sprake van een dalende trend (Dorland et al. 2017). Een duidelijk beeld van de (trend in) kwaliteit van het leefgebied van watersnip binnen de Rijntakken ontbreekt vooralsnog, maar wordt op basis van expert judgement verondersteld tenminste stabiel te zijn (Dorland et al., 2017). Watersnip leeft vooral in extensief beheerd nat grasland, waarbij de soortensamenstelling minder van belang is dan de structuur. Voor watersnip kan sterke verruiging als gevolg van stikstofdepositie een lager aanbod of een lagere bereikbaarheid van voedsel tijdens de nestperiode tot gevolg hebben (Bouwman et al. 2016). Bij het verschuiven van het leefgebiedtype richting een minder heterogene en ruigere vegetatie kunnen tevens geschikte nestlocaties verdwijnen (Bouwman et al. 2016). Waar deze effecten voor Lg07 onderzocht zijn, zijn ze voor Lg08 onzeker (Nijssen et al. 2016). In het algemeen kan stikstofdepositie een negatief effect hebben op het leefgebied van de watersnip (zoals hiervoor beschreven), en kan daarmee een knelpunt vormen. In de praktijk vormt stikstofdepositie echter geen drukfactor van betekenis voor de instandhouding van watersnip in Rijntakken.

Voor de soort zelf zijn verdroging, vermesting door aanvoer van voedselrijk water/sediment, verstoring door recreatie en versnippering van leefgebied de belangrijkste knelpunten (provincie Gelderland 2023). Verdroging is een knelpunt omdat dit ervoor zorgt dat bodemdieren dieper in de bodem gaan zitten en de bodem vaster wordt, waardoor de watersnip voedsel in de bodem niet meer kan bereiken. Door verdroging worden moeras- en graslandgebieden dan ook ongeschikt om te foerageren. Dit zorgt ook voor versnippering van leefgebieden van watersnip. Daarnaast is broeden in regulier cultuurland vrijwel onmogelijk door intensivering van agrarisch graslandgebruik met ontwatering, overbemesting, vroeg en frequent maaien, hoge beweidingsdruk en egaliseren van grasland (Dorland et al. 2017). De watersnip vertoont een gemiddelde verstoringsgevoeligheid (100 - 300 meter). De gevoeligheid voor verstoring van het leefgebied is ook gemiddeld: het bestaat uit halfopen en open landschap. Omdat de watersnip leeft in natte en slecht toegankelijke gebieden zal de mate van verstoring door recreatie beperkt zijn. In de nabijheid van paden en wegen kan echter een verlaagd broedsucces door verstoring optreden. Waarschijnlijk is het effect van verstoring op de populatie matig groot. Vooral landrecreatie bedreigt de rust van de watersnip (provincie Gelderland 2023).

Instandhoudingsdoelstellingen De doelstellingen voor de watersnip zijn behoud van oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 17 broedparen in de Rijntakken. Effectbepaling en -beoordeling De KDW van ZGLg08 (Nat, matig voedselrijk grasland) bedraagt 1.571 mol N/ha/jaar. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW maximaal 1.645 mol N/ha/jaar. De projectbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,04 mol N/ha/jaar in de aanlegfase en maximaal 0,01 mol N/ha/jaar in de gebruiksfase. Op een oppervlakte van 0,16 ha van het zoekgebied van het leefgebied vindt tijdelijke en permanente stikstofdepositie ten gevolge van het project plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is slechts 0,06 % van de totale oppervlakte van ZGLg08 in Rijntakken. De behoudsdoelstelling voor watersnip in de Rijntakken wordt niet gehaald. De projectbijdrage vindt plaats op 0,06 % (0,16 ha van in totaal 275 ha) van het areaal aan stikstofgevoelige leefgebieden en zoekgebied van leefgebieden van watersnip in Rijntakken. De stikstofgevoeligheid van de watersnip komt vooral voort uit het feit dat de soort ten dele afhankelijk is van de leefgebieden Lg07 Dotterbloemgrasland van het veen en klei rivier en Lg08 Nat, matig voedselrijk graslanden.

Voor de soort zelf vormt stikstofdepositie geen bepalend knelpunt (provincie Gelderland 2023). Omdat de effecten van stikstofdepositie geen knelpunten vormen, heeft de projectbijdrage geen negatieve effecten en significante gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het behoud van de omvang en kwaliteit van het leefgebied van watersnip, met 17 broedparen. Conclusie De tijdelijke en permanente toename van stikstofdepositie door het project hebben geen significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van watersnip in het Natura 2000-gebied Rijntakken.

20 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

Gezien de effecten van stikstofdepositie geen knelpunten vormen voor de soort, leidt de projectbijdrage niet tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van de watersnip.

5.2.3

Effectbeoordeling kwartelkoning (A122)

Ecologische vereisten Het broedhabitat van de kwartelkoning kenmerkt zich door een meer dan 20 cm hoge gesloten kruidenrijke vegetatie. De moerasvegetatie mag niet zo dicht van structuur zijn dat het dier er niet goed meer doorheen kan lopen. In Nederland wordt de kwartelkoning vooral gevonden in extensief onderhouden kruiden- en bloemrijke hooilanden in rivier- en beekdalen. Kwartelkoningen broeden later dan veel weidevogels: de dieren kiezen in mei hun broedgebied. In de loop van de zomer volgt een tweede legsel. De kwartelkoning heeft een relatief korte levensduur, daarom zijn de tweede legsels essentieel voor een duurzame populatie. Om een tweede legsel mogelijk te maken, moet het broedhabitat over een lange periode beschikbaar zijn, van half mei tot begin september. Tijdens het broedseizoen worden vooral insecten, slakken en ander klein gedierte gegeten, in de rest van het jaar vormen zaden de hoofdmoot van het menu van de kwartelkoning (Ministerie van LNV 2008a). Voorkomen en kwaliteit Binnen de Rijntakken maakt de kwartelkoning onder andere gebruik van de leefgebieden Nat, matig voedselrijk grasland (Lg08) en Kamgrasweide op klei (Lg11) en het habitattype glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510B). Kwartelkoningen zijn langs de Rijntakken voor hun broedgebied afhankelijk van graslanden met een late maaidatum.

Kwartelkoningen komen ook voor in extensief begraasde natuurontwikkelingsgebieden. Met name in de pioniersfase bieden deze gebieden een geschikt broedbiotoop. Een duidelijk beeld van de (trend in) kwaliteit van het leefgebied van kwartelkoning binnen de Rijntakken ontbreekt vooralsnog. Gezien de negatieve trend in oppervlakte en kwaliteit van Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510), waarin de kwartelkoning ook voorkomt, wordt voor het leefgebied van de kwartelkoning uitgegaan van een negatieve trend (Dorland et al. 2017). De indruk bestaat echter dat er voldoende potentieel leefgebied is voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstelling (Koffijberg et al. 2021). De aantallen kwartelkoningen langs de Rijntakken wisselen van jaar tot jaar sterk, de afgelopen jaren waren 2 tot 9 broedparen aanwezig. De oorzaken hiervan zijn nog niet goed bekend, maar zijn conform het beeld van voorkomen voor heel Nederland (Dorland et al., 2017; ‘Sovon Vogelonderzoek | Gebiedsinformatie,’ n.d.). In de periode 2006 - 2015 is daarnaast sprake van een sterke afname in het aantal kwartelkoningen in Rijntakken (Dorland et al. 2017). In het algemeen kan stikstofdepositie een negatief effect hebben op het leefgebied van de kwartelkoning, en daarmee een knelpunt vormen.

Stikstofdepositie kan leiden tot verruiging van de vegetatie in het leefgebied van de kwartelkoning, wat leidt tot een afname van de prooibeschikbaarheid (Dorland et al. 2017). Leefgebied van de kwartelkoning wordt ongeschikt als de vegetatiestructuur zo dicht wordt dat de kwartelkoning er niet meer goed doorheen kan lopen (Ministerie van LNV 2008a). In Rijntakken is stikstof voor de kwartelkoning echter geen drukfactor van betekenis. De stikstofgevoeligheid van de kwartelkoning komt vooral voort uit het feit dat de kwartelkoning ten dele afhankelijk is van de leefgebieden Lg08 Nat, matig voedselrijk graslanden en Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied. De kwartelkoning is niet zozeer gevoelig voor veranderingen in de soortensamenstelling van de vegetatie door stikstofdepositie, maar wel voor het beheer en met name de maaidatum. Kwartelkoningen zijn langs de Rijntakken voor hun broedgebied afhankelijk van graslanden met een late maaidatum. Het gevoerde maai- en/of begrazingsbeheer spelen voor deze soort een zeer grote rol en het areaal extensief beheerd hooiland en het maaischema zijn in hoge mate bepalend voor de populatieomvang.

Het huidige areaal extensief beheerd hooiland (en speciaal hooiland dat ook in augustus niet gemaaid wordt) met voldoende mate van aaneengeslotenheid vormt in Rijntakken vermoedelijk een beperkende factor (Dorland et al. 2017)). De draagkracht voor de kwartelkoning in Rijntakken kan toenemen bij uitbreiding van het areaal extensief beheerd hooiland (met maaidata na augustus in verband met tweede broedsel). Daarnaast kan begrazing/maaien ook leiden tot versnippering van het leefgebied. Omdat mannetjes van de kwartelkoning de neiging hebben om te clusteren (onderdeel van de broedstrategie) moet dat habitat/leefgebied op enige

21 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

schaal voorkomen en niet te versnipperd raken door ongeschikte of gemaaide terreindelen (Koffijberg et al., 2021). Natuurontwikkeling kan tijdelijk broedhabitat genereren, maar levert ook bij begrazing vermoedelijk geen duurzame broedgelegenheid op (Dorland et al. 2017). Ten slotte vormt verstoring mogelijk een knelpunt voor de soort. De kwartelkoning is matig verstoringsgevoelig (verstoring bij < 100 meter afstand). Ook de gevoeligheid voor verstoring van het leefgebied is matig omdat de vogel verborgen in dichte vegetatie in halfopen landschap leeft. In het verleden waren veel broedlocaties ontoegankelijk voor het publiek. Tegenwoordig broedt de soort echter veel in natuurontwikkelingsgebieden in de uiterwaarden die opengesteld zijn. Vooral wandelaars hebben daardoor mogelijk een verstorend effect (provincie Gelderland 2023). Instandhoudingsdoelstellingen De doelstellingen voor de kwartelkoning zijn uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 160 broedparen in de Rijntakken. Effectbepaling en -beoordeling De KDW van ZGLg11 (Kamgrasweide op klei) bedraagt 1.357 mol N/ha/jaar. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW maximaal 1.902 mol N/ha/jaar.

De projectbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,05 mol N/ha/jaar in de aanlegfase en 0,01 mol N/ha/jaar in de gebruiksfase. Op een oppervlakte van 1,53 ha van het leefgebied vindt tijdelijke stikstofdepositie en op 0,64 ha vindt permanente stikstofdepositie ten gevolge van het project plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Uitgaande van de aanlegfase, betreft dit slechts 0,4 % van de totale oppervlakte van ZGLg11 in Rijntakken. De KDW van ZGLg08 (Nat, matig voedselrijk grasland) bedraagt 1.571 mol N/ha/jaar. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een projectbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW 1.645 mol N/ha/jaar. De projectbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,04 mol N/ha/jaar in de aanlegfase en maximaal 0,01 mol N/ha/jaar in de gebruiksfase. Op een oppervlakte van 0,16 ha van het zoekgebied van het leefgebied vindt stikstofdepositie ten gevolge van het project plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is slechts 0,06 % van de totale oppervlakte van ZGLg08 in Rijntakken. De uitbreidingsdoelstelling voor kwartelkoning in de Rijntakken wordt niet gehaald. De projectbijdrage vindt plaats op slechts 0,2 % (1,68 ha van in het totaal 699 ha) van het areaal aan stikstofgevoelige leefgebieden van kwartelkoning in Rijntakken.

In Rijntakken is stikstofdepositie voor de kwartelkoning geen drukfactor van betekenis. Het areaal aan extensief beheerd hooiland en het maaischema zijn in hoge mate bepalend voor de draagkracht van de Rijntakken voor de kwartelkoning. Het huidige areaal extensief beheerd hooiland met onvoldoende mate van aaneengeslotenheid (en speciaal hooiland dat ook in augustus niet gemaaid wordt) vormt vermoedelijk de beperkende factor (provincie Gelderland 2023). Omdat de effecten van stikstofdepositie geen bepalende knelpunten vormen, heeft de projectbijdrage geen negatieve effecten en significante gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van uitbreiden van de omvang van het leefgebied en het verbeteren van de kwaliteit van kwartelkoning, met 160 broedparen. Conclusie De tijdelijke en permanente toename van stikstofdepositie door het project hebben geen significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van kwartelkoning in het Natura 2000-gebied Rijntakken. Gezien de effecten van stikstofdepositie geen knelpunten vormen voor de soort, leidt de projectbijdrage niet tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van de kwartelkoning.

22 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

6 CUMULATIE Het project heeft een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,05 mol N/ha/jaar en een permanente projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige zoekgebieden van leefgebieden waarvan de KDW (naderend) wordt overschreden. Het voornemen op zichzelf leidt in geen geval tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze leefgebieden. In cumulatie met andere plannen of projecten kan het voornemen mogelijk wel tot significante gevolgen leiden. Een cumulatietoets is nodig om per leefgebiedtype te bepalen of de projectbijdrage samen met projectbijdragen van andere relevante plannen of projecten kan leiden tot significant negatieve gevolgen. Als cumulatieve effecten niet leiden tot significante gevolgen, is een passende beoordeling en een vergunningaanvraag niet nodig. Als cumulatieve effecten wel leiden tot significant negatieve gevolgen, moet een passende beoordeling worden opgesteld en is een vergunningaanvraag noodzakelijk. In een cumulatietoets worden alleen vergunde, nog niet gerealiseerde projecten meegenomen. Plannen die nog niet zijn vergund kunnen dus buiten beschouwing blijven, evenals reeds gerealiseerde initiatieven. Daarbij dient het uitsluitend te gaan om die ontwikkelingen die voldoende concreet zijn en waarover reeds een besluit is genomen.

Vanzelfsprekend verandert de lijst met relevante projecten in de loop van de tijd voortdurend, aangezien steeds nieuwe plannen worden toegevoegd en uitgevoerde plannen worden afgevoerd. De plannen en projecten waarvoor effecten gecumuleerd worden, bestaan uit relevante plannen en projecten welke zijn voortgekomen uit een onderzoek wat Witteveen+Bos heeft uitgevoerd (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, n.d.; Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, n.d.; ‘Ruimtelijkeplannen.nl,’ n.d.). Een overzicht van deze plannen en projecten is opgenomen in tabel 6.1.

Tabel 6.1 Cumulatieve projecten ter plaatse van het Natura 2000-gebied Rijntakken Project/activiteit

Status

Uitvoeringsperiode

Stikstofdepositie?

Relevant

installatie PreZero Recycling Nederland B.V.

in uitvoering

onbepaalde tijd

ja

ja

6.1

Beoordeling cumulatie

Het project PreZero Recycling Nederland betreft het in werking hebben van een installatie voor de sortering van PBD afval aan de Steinfurtstraat 15 Zwolle en een installatie voor verdere sortering en recycling van polymeren op verschillende percelen in Zwollerkerspel. Het project ligt binnen 25 kilometer van de leefgebieden waar het huidige project stikstofdepositie op heeft waardoor de projecten samen tot cumulatieve effecten kunnen leiden. Het project PreZero Recycling Nederland zorgt door middel van extern salderen ervoor dat er netto geen verhoging van stikstofdepositie plaatsvindt op stikstofgevoelige gebieden in de omgeving, waardoor er geen verandering plaatsvindt ten opzichte van de huidige situatie. Hierdoor ontstaan er geen cumulatieve effecten van dit project met het huidige project. Significante gevolgen als gevolg van cumulatie met andere plannen en projecten zijn uitgesloten.

23 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

7 CONCLUSIE Het project Spoorwegonderdoorgangen Zwolle leidt tot een tijdelijke en permanente toename van stikstofdepositie van respectievelijk maximaal 0,05 en 0,01 mol N/ha/jaar. Deze stikstofdepositie vindt plaats in het Natura 2000-gebied Rijntakken, op stikstofgevoelige zoekgebieden van leefgebieden waarvan de KDW wordt overschreden door de achtergronddepositie en de projectbijdrage samen (zie tabel 5.1). Uit de effectbeoordeling blijkt dat significante gevolgen op soorten van deze stikstofgevoelige leefgebieden zijn uitgesloten. Leefgebieden hebben geen instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden, maar bescherming hiervan loopt via de aangewezen soorten die hierin broeden, foerageren of rusten. De aangewezen soorten in Natura 2000-gebied Rijntakken die gebruik maken van deze leefgebieden zijn de watersnip en kwartelkoning. Voor deze soorten zijn de effecten van stikstofdepositie geen bepalende knelpunten voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Ook in cumulatie met effecten van andere projecten in de omgeving staat het project het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet in de weg. Daarom zijn significante gevolgen van de projectbijdrage op voorhand uitgesloten. Het opstellen van passende beoordeling en een Wnb-vergunningaanvraag zijn niet noodzakelijk.

24 | 26

Witteveen+Bos | 136889/23-018.742 | Definitief

8 LITERATUUR BIJ12. 2021. ‘Handreiking Voortoets Stikstof.’ Bobbink, R. 2021. ‘Effecten van Stikstofdepositie Nu En in 2030: Een Analyse. Onderzoekcentrum B-WARE, Nijmegen. Rapportnummer RP-20.135.21.35.’ Bouwman, J.H., M.E. Nijssen, Adams, H.M. Beije, D. Groenendijk, and N.A.C. Smits. 2016. ‘Herstelstrategie Dotterbloemgrasland van Veen En Klei (Leefgebied 7).’ CBS, PBL, RIVM, WUR. 2019. ‘Stikstofdepositie 1990-2018.’ Www.Clo.Nl. 2019. Dorland, E., J. Pingen, J. Kusters, and J. Ex. 2017. ‘PAS-Gebiedsanalyse 038 Rijntakken.’ Goderie, R., K. Vertegaal, and Royal HaskoningDHV. 2020. ‘Achtergrondnotitie Actualiseren StikstofEffectvoorspellingsModel (SEM 3.1). In Opdracht van Rijkswaterstaat WVL.’ Heil, G.W., and W.H. Diemont. 1983. ‘Raised Nutrient Levels Change Heathland into Grassland.’ Vegetatio, 53, 113-120. Jaspers, H., N. de Nijs, E. Dorsman, and P. van Veen. 2020. ‘Passende Beoordeling Stikstofeffecten Dijkversterking Gorinchem-Waardenburg.’ Kellner, O., and P. Redbo-Torstensson. 1995. ‘Effects of Elevated Nitrogen Deposition on the Field-Layer Vegetation in Coniferous Forests on JSTOR.’ 1995. https://www.jstor.org/stable/20113165. Koffijberg, Kees, Jan Schoppers, Paulvan Els, and Henk Sierdsema. 2021. ‘Herstelplan leefgebied voor de Kwartelkoning in het Natura 2000-gebied Rijntakken.’ Sovon-rapport 2021/54. Kooijman et al. 2009. ‘Stuyfzand 1993; Asman et al.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=ccb8e9c6-69a1-4ab1-ac92-9efe0b7384fd