Bijlage 2 Tussenstand RES West-Overijssel
Tekst van het document
Tussenstand Regionale Energie Strategie West-Overijssel zomer 2024
Versie september 2024
Inhoudsopgave 1. Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doel: inzicht geven in de voortgang 1.3 Hoe gaan we om met de Tussenstand? 1.4 Wat vindt u in de Tussenstand?
3 3 3 3 3
2. Waar staan we: zomer 2024 2.1 De opgaven uit de RES 1.0
4 4
3. Waar staat de regio in het realiseren van duurzame opwek op land? 3.1 Ontwikkelingen in beleid 3.2 Overzicht gerealiseerd, pijplijn en resterend 3.3 Stand van zaken zon 3.4 Stand van zaken wind 3.5 De verhouding wind:zon 3.6 Conclusies
5 5 5 7 8 9 10
4. Leefomgeving 4.1 Algemeen 4.2 Wat zien we? 4.3 Conclusies
11 11 11 12
5. Netwerk 5.1 Beleidsontwikkelingen 5.2 Stand van zaken elektriciteitsnetwerk 5.3 Bijdrage RES aan programmering regionale energiesysteem 5.4 Impact van pMIEK voor de RES 5.5 Netcongestie op laagspanning: de Buurtaanpak 5.6 Conclusies
13 13 13 14 16 16 17
6. Warmte 6.1 Warmte als thema in de RES 6.2 Actualisatie beeld regionale warmteopgave 6.3 Overige ontwikkelingen op het thema Warmte 6.4 Conclusies
18 18 18 20 21
7. Participatie 7.1 Voortgang participatie 7.2 Stand van zaken lokaal eigendom 7.3 Rol energiecoöperaties 7.4 Communicatie 7.5 Conclusies
22 22 22 23 24 24
-2-
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
Met de oplevering van de RES 1.0 op 1 juli 2021 heeft de RES-regio haar eerste mijlpaal bereikt voor de uitvoering en ontwikkeling van de RES West-Overijssel. De RES is één van de middelen om te komen tot een energieneutrale regio in 2050. Dat lijkt ver weg, maar die tijd is hard nodig voor deze complexe opgave. Om de voortgang te kunnen volgen en waar nodig bij te kunnen sturen op inhoud en/of proces, is de RESmonitor opgezet. Deze monitor bevat informatie over de onderwerpen van de RES: 1,8 TWh per jaar door opwek met zon en wind, leefomgeving (voorheen ruimtelijke kwaliteit), energienetwerk, warmte en participatie. De monitor is ontwikkeld met de RES-partners en de gegevens zijn aangeleverd door de gemeenten. De basis van deze monitor ligt in het instrument Quickscan, opgesteld door de NP RES. De NP RES zet deze Quickscan in om inzicht te krijgen in de ontwikkeling van alle 30 RES-regio’s. Ingediende moties op de RES 1.0, maar ook het verzoek van de bestuurders, hebben ertoe geleid onze RES West-Overijssel tweejaarlijks te monitoren. Cijfers en feiten vertellen echter een deel van het verhaal. De resultaten van de monitor zijn daarom geanalyseerd en daar waar nodig zijn die feiten en cijfers in de context geplaatst om de juiste duiding aan de resultaten te kunnen geven.
Daarbij worden ook politieke en maatschappelijke ontwikkelingen betrokken en wordt ook gekeken naar de in de RES 1.0 opgestelde randvoorwaarden. Dit document, de Tussenstand, geeft aan waar we staan op de verschillende onderdelen van de RES t/m juni 2024. Elk jaar verschijnt er een Tussenstand; één in de winter én één in de zomer. Het bevat de resultaten van de monitor en de duiding daarvan. Het afgelopen jaar is er echter veel veranderd op het provinciale wind- en zonbeleid wat van grote invloed is op de voortgang van de opgaven uit de RES. In deze Tussenstand gaan we daar wat uitgebreider op in en laten we zien wat het betekent voor de opgaven uit de RES 1.0 en het vervolg.
1.2
Doel: inzicht geven in de voortgang
Doel van deze Tussenstand is het Bestuurlijk Platform inzicht te geven in de voortgang en de uitdagingen van de RES West-Overijssel op gemeentelijk en op regioniveau. De Tussenstand is daarmee input voor het bestuurlijke gesprek over het vervolg van de RES. Deze vijfde Tussenstand beschrijft tevens de beleidsveranderingen die de afgelopen tijd hebben plaatsgevonden en die aanleiding zijn geweest niet een RES 2.0 op te stellen maar een Bestuurlijke Routekaart en bijbehorend Uitvoeringsprogramma 2024-2025. Samen met deze documenten vormt de Tussenstand een zogenoemd ‘tweeluik’, wat samen de opmaat vormt voor het vervolg, een Agenda Energietransitie West-Overijssel. Deze Agenda bevat meer opgaven van de Energietransitie dan de RES 1.0 en zal de RES 2.0 vervangen.
1.3
Hoe gaan we om met de Tussenstand?
De Tussenstand is een feitelijke weergave van de stand van zaken gebaseerd op feiten en cijfers. Hierover hoeft dan ook geen besluit te worden genomen. Bestuurders nemen de Tussenstand voor kennisgeving aan en bepalen of zij het ter informatie aan de volksvertegenwoordigers aanbieden. Nu deze Tussenstand een ‘tweeluik’ vormt, wordt dit wel aanbevolen.
1.4
Wat vindt u in de Tussenstand?
Deze Tussenstand begint met een overzicht van de opgaven zoals die in de RES 1.0 zijn geformuleerd en/of tussentijds aan de opgaven zijn toegevoegd door de bestuurders. Dat is het vertrekpunt. We beschrijven waar we staan ten opzichte van 1 juli 2021 toen de RES 1.0 werd ingediend (hoofdstuk 2). In hoofdstuk drie gaan we in op de feiten en cijfers met betrekking tot de afspraken over de opwek van energie (TWh per jaar) en de verdeling daarvan tussen zon- en wind. Vervolgens gaan we in op de ruimtelijke aspecten (hoofdstuk 4), het netwerk (hoofdstuk 5), warmte (hoofdstuk 6) en participatie (hoofdstuk 7).
-3-
2.
Waar staan we: zomer 2024
2.1
De opgaven uit de RES 1.0
In de RES 1.0 zijn over de verschillende onderwerpen afspraken gemaakt om te komen tot realisatie van de opwek van duurzame elektriciteit op land en een samenhangende regionale structuur voor de warmteopgave. Een deel van de opgaven valt onder de verantwoordelijkheid van de individuele gemeenten, een deel bestaat uit gezamenlijke opgaven. De noodzakelijke stappen om te komen tot realisatie van het RES 1.0-bod staan in onderstaande tabel (tabel 1) samengevat en per opgave is met kleur aangegeven wat de stand van zaken is in relatie tot de gestelde doelen. Vervolgens zijn de bijbehorende procesindicatoren uitgewerkt in het volgende hoofdstuk.
Tabel 1 - Samenvatting benodigde uitwerkingsstappen RES 1.0 en stand van zaken per 1 juli 2024 Thema/Uitwerkingsstap Datum 01/07 2024 Duurzame elektriciteit opwek op land Borging RES 1.0 in provinciaal en lokaal beleid dec 2024 Hoofdstuk 3 Onderzoek PlanMER-plicht 2022 Afgerond Uitvoering PlanMER 2023/2024 Afgerond Vaststellen zoekgebieden wind 2024 Hoofdstuk 3 Zon- en windprojecten vergund 1 januari 2025 Hoofdstuk 3 Streven naar verdeling wind:zon=60:40 2024 en verder Hoofdstuk 3 Realisatie RES-bod van 1,826 TWh per jaar in 2030 2030 Hoofdstuk 3 Ruimtelijke kwaliteit Optimaliseren ruimtelijke kwaliteit 2024 en verder Hoofdstuk 4 Subregionale samenwerking 2024 en verder Hoofdstuk 4 Netwerk Afstemming projecten en opgaven netwerk 2024 en verder Hoofdstuk 5 regionaal en lokaal Warmte Verdiepen aanwezigheid en verdeling bovenlokale bronnen 2023 Hoofdstuk 6 Kennisontwikkeling versleepbare bronnen 2024 en verder Hoofdstuk 6 Afstemming TVW en RSW en consequenties 2024 en verder Hoofdstuk 6 Verkenning regionaal of gemeentelijk energie- of 2024 en verder Hoofdstuk 6 warmte(net)bedrijf Participatie Borging minimaal 50% lokaal eigendom 2024 en verder Hoofdstuk 7 Participatie 2024 en verder Hoofdstuk 7 Grip op de uitvoering Monitoring, voortgang en verantwoording 2 keer per jaar Hoofdstuk 3 Implementatie organisatie 2024/2025 Hoofdstuk 2 Rood: knelpunt / oranje: geen knelpunt maar nog
niet afgerond / groen: op schema
-4-
3.
Waar staat de regio in het realiseren van duurzame opwek op land?
3.1
Ontwikkelingen in beleid
In RES 1.0 zijn afspraken gemaakt over de opwek en ruimtelijke inpassingsprincipes. Ook is afgesproken dat op 1 juli 2023 zoekgebieden wind zijn aangewezen. Een aantal gemeenten heeft deze afspraken voor 1 juli 2023 omgezet in ruimtelijk beleid. Ook de provincie Overijssel heeft deze afspraken in het ruimtelijk beleid opgenomen. Vanaf juli 2023 hebben er bestuurlijke overleggen plaatsgevonden tussen gemeenten en provincie, waarbij gemeenten de mogelijkheid hadden om voor 1 januari 2024 zoekgebieden aan te wijzen. Naar aanleiding van de bestuurlijke gesprekken heeft provincie Overijssel de mogelijkheid geïntroduceerd om programmeringsafspraken te maken. Hierover zijn vanaf januari 2024 bestuurlijke gesprekken gevoerd. Door programmeringsafspraken te maken kan worden gestuurd in tijd en ruimte voor de realisatie van windparken, wat ten goede komt aan de kwaliteit van het landschap en een evenwichtige spreiding van de opgave voor windenergie over de regio. Sinds de vorige tussenstand heeft provincie Overijssel het wind- en zonbeleid ter inzage gelegd. Er is de mogelijkheid geweest om zienswijzen in te dienen. Provinciale Staten is voorgesteld de instructieregel zonnevelden en de instructieregel windenergie vast te stellen. De behandeling daarvan vindt begin oktober 2024 plaats.
3.2
Overzicht gerealiseerd, pijplijn en resterend
Momenteel is 53% van ons bod gerealiseerd of in ontwikkeling. Ten opzichte van de afgelopen Tussenstand is dit percentage met 3%-punt gegroeid. Deze groei is volledig te danken aan de groei in de pijplijn van wind, ten gevolge van de programmeerafspraken. Voor het eerst sinds het bijhouden van de monitor is er geen groei zichtbaar qua gerealiseerde projecten. De daadwerkelijke productie van gerealiseerde projecten blijft daarmee steken op 640 GWh (35% van het totale bod). De stagnatie van gerealiseerde projecten en de pijplijn van zonne-energie is deels te verklaren door de wijzigingen in het provinciale beleid: geen zon-op-veld (enige uitzondering daargelaten) en daarnaast zorgt netcongestie ervoor dat pijplijnprojecten steeds vaker moeten wachten tot er weer ruimte is op het elektriciteitsnet. De onzekerheid rondom deze twee factoren leidt tot vertraging omdat bestaande pijplijninitiatieven duidelijkheid moeten krijgen omtrent uitvoering daarvan vanwege de nieuwe beleidskaders. Daarnaast heeft vertraging door netcongestie mogelijk negatieve gevolgen voor de haalbaarheid doordat de businesscase kan veranderen. Het beeld dat de doelstelling van 1,8 TWh per jaar niet gehaald gaat worden voor 2030 zonder versnelling, blijft echter onverminderd van toepassing. Deze conclusie is gebaseerd op de cijfers van de monitor.
In het tekstkader op pagina 7 wordt uitgelegd hoe de pijplijn voor projecten is opgebouwd. Voor de pijplijn van windenergie zijn de cijfers van de programmeerafspraken gebruikt. De programmeerafspraken gelden als plafond voor de opwek van windenergie in West-Overijssel. Verwacht wordt dat deze afspraken zullen leiden tot windprojecten. Echter, de vergunningen zullen in 2025 verleend moeten zijn om de doelstelling voor wind in 2030 te halen. Dat is niet haalbaar.
-5-
Voortgang RES (Bod = 1826 GWh)
Figuur 3.1 De gewogen pijplijn bevat die projecten die al in procedure/voorbereiding zijn en een redelijke kans van slagen hebben
Monitoring: Begrippenkader RES NPRES heeft het begrippenkader RES geïntroduceerd om duidelijkheid en transparantie te krijgen over de manier van monitoring. Hierin zijn heldere afspraken gemaakt over definities, kengetallen en rekenregels omtrent het monitoren van duurzame opwek van zonne- en windenergie. De fasering van de pijplijn is hiervan een belangrijk onderdeel. Hierdoor kan de kans van slagen van pijplijnprojecten worden ingeschat (naargelang in welke fase die zich bevinden), zodat er inzicht ontstaat of doelstellingen binnen bereik liggen. Tabel 1: Fases gehanteerd bij monitoring RES en hun bijbehorende slagingskansen
Fase
Beschrijving
Wind
1: Voortraject 2: RO procedure
Vanaf een concreet initiatief Vanaf principeverzoek of voorontwerp bestemmingsplan (of omgevingsplan) Vanaf reguliere vergunningaanvraag
10% 50%
Zonop-veld 10% 20%
60%
40%
Vanaf herroepelijke vergunningverlening
90%
80%
Vanaf subsidiebeschikking t/m bouw
95%
90%
50%
Productie
100%
100%
100%
3: Vergunningaanvraag 4: Vergunningverlening 5: Subsidiebeschikking en bouw 6: Productie
Zonop-dak
Op de website van de RES is een online monitor aanwezig waarop de huidige stand van zaken is te raadplegen, met ook aandacht voor projectdetails. Projecten in het voortraject (fase 1) zijn vaak nog vertrouwelijk, waardoor data niet getoond kan worden. Fase 1 projecten worden daarom niet getoond in de online monitor. Omdat ze wel degelijk meetellen in de RES worden ze in de tussenstand wel meegeteld.
-6-
3.3
Stand van zaken zon
De realisatie van zonneparken is de afgelopen jaren snel gegaan. In de zomer van 2021 (de start van de monitor) was er 98 GWh aan opwek van zonnevelden gerealiseerd. Nu, drie jaar later, staat de teller op 228 GWh, een groei van 130 GWh. Door netcongestie en de intrede van nieuw beleid voor zon op veld is de groei wel behoorlijk geremd, het afgelopen jaar is er 18 GWh bijgekomen. De groei van zon op dak (>15kW) is minder sterk (zie figuur 3.2). Al moet hierbij een kanttekening geplaatst worden: er is meer gerealiseerd dan dat er via de data uit de SDE-subsidie zichtbaar is. Door de snelle daling van de kosten wordt zon op dak ook zonder SDE subsidie gerealiseerd en is daardoor niet zichtbaar in de data SDE-subsidie. We zien dat -uitgaande van 40% zon- de realisatie hiervan binnen handbereik is. In dat geval dient er in 2030 ongeveer 730 GWh aan duurzame elektriciteit via zonne-energie opgewekt te worden. De huidige bieding bedraagt 1175 GWh, dat is dus 445 GWh meer. Momenteel is 570 GWh van ons bod gerealiseerd of in ontwikkeling. Sturing op het aanbod van zon-op-dak is vrijwel niet mogelijk.
Figuur 3.2 Stand van zaken zon op dak. Bij het deel ‘resterend (60-40 verhouding)’, is de verhouding tussen zon op dak en zonnevelden van het huidige bod in stand gehouden.
-7-
Figuur 3.3 Stand van zaken zon op veld. Bij het deel ‘resterend (60-40 verhouding)’, is de verhouding tussen zon op dak en zonnevelden van het huidige bod in stand gehouden.
3.4
Stand van zaken wind
De realisatie van wind loopt achter (zie figuur 3.4). Het grootste struikelblok was tot voor kort het gebrek aan beleid voor wind in gemeenten. Veel gemeenten hebben inmiddels zoekgebieden vastgesteld. Hierdoor, en door het veranderende provinciale windbeleid, zien we een flinke stijging in de pijplijn van windenergie, van 104 GWh eind 2023 naar 179 GWh nu. Dit zijn wel voor het overgrote deel projecten in de voortraject-fase.
Figuur 3.4 Voortgang windenergie
Ondanks de groei in de pijplijn lopen we achter, 210 GWh, op de beoogde groei (blauwe lijn in figuur 3.5 en wat er nu in de monitor zichtbaar is gestapelde kolom in figuur 3.5).
-8-
Voortgang Windenergie 1,20 1,00 0,80 0,60 0,40 0,20 0,00 2022 - Q4 2023 - Q2 2023 - Q4 2024 - 2024 -Q4 Q2* Gerealiseerd
2025
2026
Pijplijn (gewogen)
2027
2028
2029
2030
Traject
Figuur 3.5 Voortgangstraject windenergie bij 60% wind in de mix. *) cijfers van de pijplijn zijn gebaseerd op de programmeerafspraken.
De blauwe lijn geeft aan waar we zouden moeten staan om de doelstelling van 1,1 TWh per jaar (60% wind ten opzichte van het totale bod van 1,8 TWh per jaar) te behalen. Hierbij is rekening gehouden met de realisatiegraad van de windparken. Rekening houdend met de doorlooptijd van windprojecten wordt het een forse uitdaging om 2030 te halen.
3.5
De verhouding wind:zon
In de RES 1.0 is afgesproken toe te werken naar een verhouding wind 60%: zon 40%. Vanuit het netwerk bekeken, is een verhouding van 80:20 gewenst maar omdat dit niet in balans te krijgen is met de overige hoekpunten van het afwegingskwadrant (ruimtelijke kwaliteit, maatschappelijk acceptatie en kostenefficiëntie) is afgesproken te streven naar 60:40. Deze afspraak geldt op regionaal niveau. Dit betekent dat gemeenten ver boven de 60% en ver onder de 60% wind uit mogen komen zolang het netwerk dit aankan, het ruimtelijk passend is en we regionaal aan de afspraak voldoen. Als voorbeeld: Dalfsen lijkt boven de 60% uit te gaan komen, Zwolle eronder. Dit is ook logisch als je kijkt naar de grote hoeveelheid zon op dakprojecten in Zwolle en de fysieke ruimte die Zwolle heeft voor wind. Zolang dit elkaar uit blijft middelen, is dit acceptabel. Goed om hierbij op te merken dat er bestuurlijke overeenstemming over de te leveren bijdrage moet zijn. Door de sterke stijging van de windenergie pijplijn zien we ook een kentering in de wind:zon verhouding. Waar deze eind 2023 stond op 36:64, is deze inmiddels verschoven naar 41:59 (figuur 3.6).
-9-
80% 75% 70% 65% 60% 55% 50% 45% 40% 35% 30% 2021 - Q2
2021 - Q4 Totaal Zon
2022 - Q2
2022 - Q4
Totaal Wind
2023 - Q2 Doel Zon
2023 - Q4
2024 - Q2
Doel Wind
Figuur 3.6 Wind zon verhouding (verhouding tussen het totale bod en optelling van het aandeel gerealiseerd en gewogen pijplijn).
De kentering in de wind:zon verhouding zorgt op lange termijn voor een betere benutting van het elektriciteitsnet. Een windturbine die ongeveer 20 GWh opwekt, heeft een capaciteit nodig van ongeveer 6 MW om aangesloten te worden op het net. Met diezelfde aansluitcapaciteit kan een zonnepark van ongeveer 6 hectare aangelegd worden, welke een kleine 6 GWh aan stroom produceert. Windturbines zijn daarom naar schatting 3,5 keer zo efficiënt voor het elektriciteitsnet. Door te streven naar 60% windenergie is er dus fors minder uitbreidingscapaciteit nodig dan wanneer het RES-bod voornamelijk met zonne-energie op land wordt ingevuld.
3.6
Conclusies
De productie van duurzame elektriciteit met wind en zon in West-Overijssel gaat niet snel genoeg om in 2030 de afgesproken 1,8TWh per jaar te halen. Doordat er duidelijkheid ontstaat over de beleidskaders rondom de ontwikkeling van zonne- en windenergie, verschuift de focus van het maken van beleid naar het realiseren van projecten. Nu de randvoorwaarden zijn geschept voor netefficiënte invulling van het bod, is het noodzakelijk om de uitvoering van windprojecten te versnellen zodat de doelstelling om CO2 uitstoot te verminderen door de opwek van 1,8 TWh per jaar aan duurzame elektriciteit niet buiten beeld raakt.
-10-
4.
Leefomgeving
4.1
Algemeen
Duurzaam opgewekte energie is onmisbaar voor het aanpakken van klimaatverandering en heeft direct invloed op onze leefomgeving. Het is een cruciale factor voor zowel prettig wonen en leven als een gezond economisch vestigingsklimaat. Echter, de opwek, de benodigde netinfrastructuur en opslag van duurzame energie vergt aanzienlijke ruimte, die ook nodig is voor andere opgaven in de regio West-Overijssel, zoals nieuwe woonwijken, werklocaties, recreatie- en natuurontwikkeling en infrastructuur. Daarom is het van groot belang om een zorgvuldige afweging te maken tussen alle opgaven en belangen die spelen in de regio West-Overijssel.
4.2
Wat zien we?
Afgelopen periode ontwikkelden zowel het Rijk als de provincie nieuw beleid voor zon op veld en de provincie heeft de afspraken uit RES 1.0 geborgd in provinciaal beleid. Dit beleid, opgenomen in de Omgevingsverordening bepaalt de ruimtelijke mogelijkheden voor zon op veld en wind in de provincie Overijssel. Kort samengevat: voor grootschalig zon op veld geldt dat dit niet meer mogelijk is met enkele uitzonderingen zoals het OER-programma. Voor windprojecten zijn voorkeursgebieden aangewezen (met aanvullend een aantal spelregels vastgelegd in de instructieregel wind). Op verzoek van gemeenten heeft de provincie de mogelijkheid gecreëerd om afspraken te maken over het maximumaantal GWh dat door windenergie in een gemeente wordt opgewekt. Het wordt steeds duidelijker dat de energietransitie één van de maatschappelijke opgaven is die ruimte vraagt. En ruimte is ook in onze regio schaars. Het ruimtelijke vraagstuk binnen de energietransitie is daarmee niet het vinden van de ruimte op zichzelf, maar het omgaan met al die andere opgaven en belangen. Dat vraagt om het in samenhang wegen van de belangen, zo mogelijk koppelen of combineren van opgaven en het verantwoorden van soms ingrijpende keuzes. Bij het maken van keuzes over locaties voor duurzame opwek en bijbehorende infrastructuur moeten de effecten op de leefomgeving duidelijk in beeld worden gebracht.
De provincie heeft een Omgevingseffectrapportage (OER Fase 2a) uitgevoerd ter onderbouwing van haar aangepaste windbeleid. Met deze OER Fase 2a zijn de omgevingsbelangen (milieukwaliteit en gezondheid, energietransitie, natuur, landschap en openbare ruimte) evenwichtig meegenomen in de besluitvorming over het PPE. Als we kijken naar de afspraken over ruimtelijke kwaliteit in de RES 1.0 kunnen we constateren dat deze deels geborgd zijn in het provinciaal beleid door clustering van grootschalige opwek (wind) binnen voorkeursgebieden en de voorgeschreven clustereis van minimaal vier windturbines in gebieden daarbuiten. Bij de planontwikkeling wordt steeds meer integraal gekeken naar andere gebiedsopgaven en de meest waardevolle gebieden worden steeds ontzien. Het rijks- en provinciaal beleid heeft een stop gezet op de realisatie van grootschalige zonneparken, dit wordt alleen nog opgepakt in combinatie met het OER-programma (opwek op rijksgronden/langs rijkswegen).
-11-
4.3
Conclusies
In de RES 1.0 is aangegeven dat voor de uitvoering van projecten wordt ingezet op afstemming met buurgemeenten en een grensontkennende gebiedsgerichte aanpak op subregionaal niveau. We zien subregionale samenwerking, maar nog niet overal en niet áltijd integraal én gebiedsgericht. De periode na vaststelling van de RES 1.0 stond in het teken van het doorontwikkelen en uitvoeringsgereed maken van de afspraken (onder meer het aanwijzen van zoekgebieden voor 1 juli 2023 en de voorbereiding van vergunningen voor windontwikkeling). Tegelijkertijd bleef de opgave voor wind achter bij de doelstelling en stond de gewenste verhouding van wind en zon projecten (60:40) in de regio nog meer onder druk. Het nieuwe provinciale windbeleid, inclusief de programmeringsafspraken tussen provincie en gemeenten op wind, hebben de regionale windopgave weer in versnelling gebracht. De provincie heeft de taak om de kwaliteit van het landschap en de leefomgeving te bewaken. Daarvoor heeft de provincie een omgevingseffectrapportage opgesteld, de ruimtelijke inpassingsprincipes vastgelegd in het PPE, een windladder vastgesteld en voorkeursgebieden aangewezen waar landschappelijk gezien wind het beste kan worden ingepast. Het windbeleid is als programma een onderdeel van de Omgevingsvisie waarin de integrale afweging plaatsvindt.
De Omgevingseffectrapportage is gebaseerd op het ‘Rad van de Leefomgeving’, waarin alle aspecten aan de orde komen. Met het vastleggen van de kaders voor wind en zon in de provinciale Omgevingsverordening vervalt de MERplicht voor de RES. De RES vormt namelijk niet langer het éérste kaderstellende beleid op dit onderwerp. Dat is nu het provinciaal beleid. Ook het project OER (Opwek van Energie op Rijksvastgoed) biedt goede kansen voor onze regio om subregionaal samen te blijven werken. Het is daarbij ook van belang om grensontkennend tussen de RES-regio’s te werken.
-12-
5.
Netwerk
5.1
Beleidsontwikkelingen
In december 2023 is het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) vastgesteld. Daarin geeft het rijk richting aan hoe een duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar energiesysteem van de toekomst (2050) vorm gaat krijgen en hoe iedereen vanuit zijn eigen rol hieraan kan bijdragen. Aansluitend op het NPE maken provincies de vertaalslag naar een provinciale Energievisie, waarin vanuit de kaders van het NPE wordt gekeken naar de ontwikkelrichting van het regionale energiesysteem. De provincie is eind 2023 gestart met het opstellen van een provinciale Energievisie. Om te komen tot een gedragen en integrale visie worden werksessies georganiseerd voor o.a. overheden, maatschappelijke partijen en het bedrijfsleven. De bestuurders van beide RES-regio’s worden ter consultatie meegenomen en ook in de Energyboard worden tussenproducten en voortgang besproken. De Overijsselse energievisie zal eind 2024 ter consultatie voorliggen in GS en de colleges van B&W. In februari 2025 zal de Energievisie voor besluitvorming aan Provinciale Staten worden voorgelegd. In december 2022 is het Landelijke Actieprogramma Netcongestie (LAN) aangeboden aan de Tweede Kamer. Dit actieprogramma kijkt breed naar landelijke en regionale oplossingen voor netcongestie en is, onder leiding van speciaal coördinator Ben Voorhorst, gezamenlijk opgesteld door netbeheerders, ACM, medeoverheden, het Rijk en marktpartijen.
Met het actieplan willen de betrokken partijen aan meerdere knoppen tegelijk draaien om de problemen met het volle stroomnet zoveel mogelijk te beperken en voorkomen. Het programma richt zich op drie sporen: sneller bouwen, beter benutten en sterker sturen. In januari 2024 is vervolgens het Landelijke Actieprogramma Netcongestie Laagspanning (LAN LS) aangeboden aan de Tweede Kamer. Dit actieprogramma is op een soortgelijke wijze tot stand gekomen als het LAN, maar met een focus op het laagspanningsnet. Beide actieprogramma’s zijn inmiddels samengevoegd en vatten alle acties samen die ten doel hebben om netcongestie te mitigeren, voorkomen en oplossen.
5.2
Stand van zaken elektriciteitsnetwerk
Momenteel kent het hele gebied van RES West-Overijssel transportschaarste voor zowel invoeding als afname van elektriciteit. Dit heeft impact op zowel duurzame opwekambities alsook op economische ambities van gemeenten. De elektriciteitsinfrastructuur is een randvoorwaarde voor het realiseren van opwek van energie met zon- en windprojecten en is daarom niet voor niets opgenomen als hoekpunt ‘Maatschappelijke Kostenefficiëntie’ van het afwegingskwadrant. Het aanleggen van infrastructuur kost namelijk veel geld en, niet minder belangrijk, legt ook een groot beslag op de fysieke ruimte en vraagt veel inzet (mens en middelen). Daarnaast kunnen sommige stations onvoldoende of niet worden uitgebreid door bestaande beperkingen, bijvoorbeeld beschikbare fysieke ruimte in boven- en/of ondergrond. Het werken aan systeemefficiëntie helpt niet alleen om het RES-bod haalbaar te maken, maar draagt ook bij aan het behoud van een betaalbaar en betrouwbaar energiesysteem en draagt bij aan de realiseerbaarheid van de RES-doelstellingen. Verhouding wind:zon In de RES-regio West-Overijssel is nog veel winst te behalen op het gebied van systeemefficiëntie. Eén van de factoren met grote invloed op systeemefficiëntie is de verhouding tussen wind en zon (zie voorbeeld). De verhouding wind:zon in opgewekte energie is op dit moment 41:59%.
Met het nieuwe wind- en zonbeleid van de provincie en de gemaakte programmeringsafspraken over opwek van windenergie zal de verhouding wind:zon in de nabije toekomst sneller naar de gewenste 60:40 gaan. Het is, mede gezien het gegeven dat realisatie van grote windprojecten en netuitbreidingen beiden een gelijksoortige doorlooptijd hebben, belangrijk deze goed op elkaar af te stemmen. Ondanks de netcongestie is het dus belangrijk tempo te maken met realisatie van windprojecten. De opwek van energie met inzet van zon op dak is niet te reguleren en zal, ondanks alle goede intenties de verhouding mogelijk enigszins ‘negatief’ beïnvloeden.
-13-
Voorbeeldberekening wind vs. zon Een windmolen van 5 MW met 3.500 vollasturen (tijdsduur op vol vermogen gedraaid) levert gemiddeld 17.500 MWh per jaar. Voor een zonneweide van 5 MW met 1.000 vollasturen geldt dat deze in één jaar 5*1.000 = 5.000 MWh opwekt. Een windturbine wekt dus 3x meer energie dan een zonneweide met hetzelfde aangesloten vermogen. Het vermogen bepaalt ook hoeveel netcapaciteit het initiatief gebruikt. Netcongestie kent verschillende oorzaken. Zo kan er netcongestie ontstaan op midden- en hoogspanningsniveau op lokaal niveau, of netcongestie op hoogspanningsniveau, op regionaal- of zelfs landelijk- of internationaal niveau. Doordat de netniveaus met elkaar in verbinding staan, betekent dit dat het ook kan voorkomen dat er door ontwikkelingen buiten de regio netcongestie ontstaat op het hoogspanningsnet die ook van invloed is op onze eigen regio. In dergelijke gevallen zijn netuitbreidingen op het lokale net dan ook geen oplossing voor netcongestie. In de RES-regio West-Overijssel geldt er op dit moment vooral schaarste op het hoogspanningsnet van TenneT. TenneT is bezig met een congestiemanagementonderzoek waarmee wordt gezocht naar marktpartijen die tegen een vergoeding flexibiliteit willen bieden om zo netcapaciteit vrij te maken.
5.3
Bijdrage RES aan programmering regionale energiesysteem
Van SNIP naar Energyboard De provincie heeft de regierol op het programmeren van het energiesysteem. Zij heeft bij de start van de RES het initiatief genomen om met de betrokken partijen zoals de netbeheerder(s) en vertegenwoordigers van de twee Overijsselse RES-regio’s het SNIP-overleg te starten: Samen Naar Integraal Programmeren. Met de publicatie van het LAN werd de behoefte uitgesproken om regionale Energyboards op te richten voor regionale afstemming rondom thema’s uit het LAN, waaronder het programmeren. Hiermee ontstond een natuurlijk moment om het SNIP door te ontwikkelen tot een Energyboard (mei 2024). De Overijsselse Energyboard heeft als doel het sneller realiseren van nieuwe energie-infrastructuur, het beter benutten van bestaande en nieuwe energie-infrastructuur en het programmeren en prioriteren van investeringen in het energiesysteem. De Energyboard bestaat uit een bestuurlijk overleg en een werkorganisatie. De werkorganisatie kent drie sporen: ‘sneller realiseren’, ‘beter benutten’ en ‘integraal programmeren’. Deze opzet sluit aan bij de thema’s zoals benoemd in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie. De organisatiestructuur staat, de werkgroepen worden nog verder gevuld. Komende tijd wordt hiermee ervaring opgedaan en geëvalueerd. Aan de werksporen kunnen gemeenten zelf kiezen om deel te nemen.
In het kernteam zal de RES worden vertegenwoordigd middels een RES-kernteamlid (trekker werkgroep Netwerk). De partners uit West-Overijssel zijn op bestuurlijk niveau vertegenwoordigd door deelname van twee bestuurders uit het Bestuurlijk Platform aan de Energyboard.
-14-
Figuur 5.1 Organisatie Energyboard
Extra middelen voor inzet fte t.b.v. netwerkvraagstukken Het Rijk heeft in het voorjaar aangegeven in september extra middelen uit te keren aan de RES-regio’s voor inzet van 3 fte per regio om gemeenten te ondersteunen bij het gezamenlijk oplossen van regionale netwerkvraagstukken en het bijdragen aan de Energyboard, de pMIEK, de provinciale en lokale energievisies en meer. Het BPF heeft voor de zomer besloten deze fte’s in te zetten op o.a. de regionale werkgroepen van de Energyboard, de pMIEK en de provinciale Energievisie en op de bemensing van de RES-werkgroep Netwerk. Netimpactanalyse verwerkt in de pMIEK 1.0 De projecten en initiatieven die door alle gemeenten zijn aangeleverd t.b.v. de monitor, zijn de basis geweest voor de netimpactanalyse van de regionale netbeheerders (peildatum 2 maart 2023). De uitkomsten en inzichten van deze analyse zijn door de provincie gebruikt om te komen tot een advies met betrekking tot een prioriteringsvolgorde in de uitbreidingsinvesteringen van netbeheerders en vastgelegd in het pMIEK (provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat). Aan de basis voor de prioritering ligt het afwegingskader dat door Provinciale Staten is vastgesteld ten behoeve van de pMIEK 1.0. In de SNIP-samenwerking is het afwegingskader (zie figuur 5.2) in 2023 besproken en toegelicht.
Na vaststelling door Provinciale Staten is het aan alle gemeenten en netbeheerders toegestuurd ter informatie.
Figuur 5.2 Afwegingskader pMIEK Overijssel
-15-
De door de netbeheerders voorziene investeringen die nodig zijn om voldoende netcapaciteit te realiseren voor de (toekomstige) ontwikkelingen, zijn middels het afwegingskader voor het pMIEK 1.0 op volgorde van maatschappelijke prioriteit gezet volgens vier categorieën variërend van ‘ hoogste prioriteit’ tot ‘geen prioriteit’. Het pMIEK is een terugkerend product dat meeloopt met de cyclus van investeringsplannen van de netbeheerders. Ten behoeve van de investeringsplanronde van 2026 is de provincie inmiddels gestart met het opstellen van de pMIEK 2.0.
5.4
Impact van pMIEK voor de RES
Het pMIEK heeft op de korte termijn weinig invloed, omdat netbeheerders voor de korte termijn meestal al onomkeerbare investeringsbeslissingen hebben genomen over stationsuitbreidingen of nieuw te bouwen stations. Voor de langere termijn kan het pMIEK invloed hebben op de volgorde en locaties waarop netcapaciteit wordt uitgebreid. Dit kan van invloed zijn op RES-doelstellingen, doordat de realisatie van duurzame opwekambities niet aansluiten bij de tijdigheid van investeringen. De effecten zullen echter per locatie verschillen. Volgens de in februari 2023 uitgevoerde netimpactanalyse van de regionale netbeheerders, kunnen bijna alle knelpunten die in de weg staan van de realisatie van het RES 1.0-bod opgelost worden voor 2030. In de integrale netimpactanalyse keken netbeheerders niet enkel naar de invoeding van elektriciteit vanuit duurzame opwek, maar ook naar de vraagontwikkeling van elektriciteit voor verschillende sectoren. Daarmee werd ook duidelijk dat er naast knelpunten veroorzaakt door invoeding van duurzame elektriciteit er ook knelpunten ontstaan omdat er op sommige stations meer elektriciteit wordt gevraagd dan dat er getransporteerd of gedistribueerd kan worden. Deze knelpunten behoeven ook uitbreidingen, maar bieden daarmee ook extra kansen voor het aansluiten van duurzame energieopwekkingsprojecten.
Voor pMIEK 2.0 is het daarom van belang de data van de RES (invoeding) te bundelen met de vraagontwikkeling (bedrijven, woningbouw, etc.). Hiervoor is het van belang dat binnen de huidige netwerkorganisatie rondom energie (RES/NEO/etc.) ook medewerkers RO en economie betrokken worden.
5.5
Netcongestie op laagspanning: de Buurtaanpak
Naast netcongestie op hoogspanning ontstaat er in toenemende mate ook netcongestie op laagspanning. Dit heeft een grote invloed op bewoners en bedrijven met een kleinverbruikaansluiting. Gevolgen van netcongestie op laagspanning zijn onder andere uitvallende zonnepanelen, uitvallende warmtepompen, knipperende lampen en stroomuitvallen op straat en/of buurtniveau. Om deze soort congestie het hoofd te kunnen bieden, zijn netbeheerders begonnen met een proactieve aanpak voor laag- en middenspanning. Deze aanpak kenmerkt zicht door: 1) er wordt in een keer een gehele buurt verzwaard, inclusief delen van buurten die nog niet te maken hebben met netcongestie; 2) het werkpakket wordt middels een geautomatiseerd proces berekend en bepaald en voor de eerste twee jaar vastgezet (aan de basis van deze berekening liggen prognoses waar ook gemeentelijke informatie in is verwerkt; 3) de aannemers krijgen een grotere en bredere rol in het proces. Het doel van de buurtaanpak is om een versnelling te bewerkstelligen in het werkpakket van de netbeheerders op het laag- en middenspanningsniveau. Hiermee wordt geprobeerd om problemen bij bewoners en bedrijven zoveel mogelijk te mitigeren en zelfs te voorkomen. Gemeenten spelen een belangrijk rol bij de uitvoering van de buurtaanpak.
De aanpak vraagt om een intensieve samenwerking en in grote mate ook om standaardisatie van processen, werkwijzes en verantwoordelijkheden. Door in een gezamenlijk voortraject goede afspraken te maken op gemeenteniveau bijvoorbeeld over vergunningstrajecten en het aanwijzen van locaties voor nieuwe transformatorstations, wordt getracht om in de uitvoering een grote versnelling te realiseren.
-16-
5.6
Conclusies
Er is nog winst te behalen met betrekking tot het hoekpunt ‘Maatschappelijke Kostenefficiëntie’, zodat er maximaal gebruik gemaakt kan worden van bestaande en toekomstige netcapaciteit en meer ontwikkelingen gefaciliteerd kunnen worden. Met de programmeringsafspraken voor windprojecten komt de verhouding wind:zon van 60:40 sneller in beeld, wat hier een grote bijdrage aan levert. In grote delen van West-Overijssel kunnen maatregelen voor systeemefficiëntie de haalbaarheid en betaalbaarheid van het RES-bod vergroten. Gemeenten en provincie spelen hier een belangrijke rol in. De noodzaak om alle energetische opgaven goed aan elkaar te koppelen is evident en vraagt om verbreding van de aanpak. Zo dienen opgaven als duurzaamheid, economie, woningbouw, energie en ruimtelijke ordening vanuit een integrale aanpak uitgewerkt te worden. De extra middelen vanuit het Rijk voor inzet van extra capaciteit rondom thema’s als de Energyboard, netcapaciteit en programmeren, helpen hierbij. Prioriteren en programmeren van uitbreidingen op het elektriciteitsnetwerk heeft middels de Energyboard, pMIEK en de provinciale Energievisie (in wording) een plek gekregen binnen de provincie en bij de RES en blijft een belangrijk thema.
Tenslotte spelen decentrale overheden een rol bij het versnellen van realisatie van de benodigde uitbreidingen en verzwaringen van de elektriciteitsinfrastructuur, door ruimte beschikbaar te stellen en/of RO-procedures rondom uitbreidingen te versnellen. De buurtaanpak Enexis levert daar een belangrijke bijdrage aan.
-17-
6.
Warmte (Regionale Strategie Warmte)
6.1
Warmte als thema in de RES
Het thema warmte krijgt in regionaal verband een plek in de Regionale Structuur Warmte (hierna:RSW), als integraal onderdeel van de RES. Bij totstandkoming van de concept-RSW lag de focus op het vormen van een beeld van de regionale warmteopgave in West-Overijssel. Dit beeld vormde de bouwsteen (incl. relevante data) voor de uitwerking van de RSW in de RES 1.0. Met als resultaat een vertaling van het regionale beeld naar bestuurlijke afspraken in de RES 1.0 voor het thema warmte. In aanloop naar de RES 2.0 is het beeld voor warmte geactualiseerd en zijn nieuwe ontwikkelingen opgepakt, van waaruit nieuwe thema’s en afspraken zijn gevormd die een plek krijgen in het Uitvoeringsprogramma 2024-2025. De warmtetransitieopgave heeft een opmars gemaakt afgelopen periode, van het ‘ondergeschoven kindje’ in de beginfase van de RES naar een steeds groter wordend thema op diverse tafels (denk aan aanpak gebouwde omgeving, afstemming met elektriciteitsnetwerk/netcongestie opgave, beter zicht op warmteoplossingen inclusief benodigd gemeentelijk instrumentarium voor uitvoering). Gemeenten hebben de regie op de warmtetransitie opgave en ervaren de ‘grootsheid’ van die opgave in de uitvoering daarvan.
De lokale transitievisies warmte die uiterlijk 2021 zijn opgesteld, moeten gaan verkleuren tot gemeentelijke warmteprogramma’s, met meer bindende afspraken als het gaat om het aardgasvrij maken van bestaande woningen en overige gebouwen. Uiterlijk in 2026 heeft iedere gemeente dit warmteprogramma gereed en integraal afgestemd op andere opgaven binnen de energietransitie.
6.2
Actualisatie beeld regionale warmteopgave
Hoe ziet de warmtevraag in de gebouwde omgeving eruit? Op basis van de lokale data zien we nog altijd een reductie van de warmtevraag van minimaal 27% in regio West-Overijssel tot 2050. Dit is inclusief de voorziene groei van de woningvoorraad. Wanneer de voortgang op deze reductie stagneert (door onvoorziene omstandigheden) komt de warmtevraag in 2050 hoger uit (zie figuur 6.1). Binnen de regio zien we verschillen tussen gemeenten als het gaat om verwachte reductie van de warmtevraag, dit is met name ingegeven door het verschil in omvang van de gebouwde omgeving.
Figuur 6.1 Warmtevraag gebouwde omgeving West-Overijssel (schaal 2019-2030-2050)
-18-
Hoe ziet het (lokale) warmteaanbod eruit? Alle gemeenten binnen de regio hebben in de Transitievisie Warmte opgenomen welke warmteoplossingen worden voorzien voor het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Onderstaande tabel (zie figuur 6.2) brengt de voorziene inzet van warmtebronnen voor warmteoplossingen per gemeente in beeld, op basis van deze transitievisies warmte.
Dalfsen Deventer Hardenberg Kampen Olst-Wijhe Ommen Raalte Staphorst Steenwijkerland Zwartewaterland Zwolle
Geothermie Restwarmte Groengas x ? x x x ? x x x x x x x x x
TEO x x x x
TEA x x
x x
x x x
Hybride x x x x x x x x x x x
All-electric x x x x x x x x x x x
Figuur 6.2 Overzicht warmteoplossingen (voortdurend in ontwikkeling)
De situatie in West-Overijssel leent zich niet voor warmteoplossingen die gebruikmaken van een restwarmtebron of van geothermiebronnen. Het overgrote deel van de warmteoplossingen valt terug op een lokale warmtebron. We zien hier een focus op inzet van groen gas of volledige elektrificering van de warmtevraag (all-electric, met soms hybride als ‘tussenoplossing’). Op regionale schaal is dan ook geen sprake van een warmteverdelingsvraagstuk, zoals in andere RES-regio’s wel het geval is (denk aan bovenlokale warmtevraag rond inzet grootschalige warmtebron als Twence). Wat betekent dit voor de regionale warmtebalans in West-Overijssel? Opnieuw is een match gemaakt tussen de toekomstige warmtevraag in de gebouwde omgeving en de beoogde inzet van beschikbaar warmteaanbod. Twee scenario’s zijn in beeld gebracht: - Scenario dat uitgaat van een maximale benutting van warmtebronnen (hoog). - Scenario dat uitgaat van een realistische benutting van warmtebronnen (laag). Uit beide scenario’s wordt in onderstaand diagram (zie figuur 6.3) duidelijk dat er vooralsnog geen volledige match is te bereiken tussen vraag en aanbod van warmte (lees: transparante deel staafdiagram in hoog/laag scenario).
Figuur 6.3 Scenario’s warmtebalans -19-
We zien als regio vier knoppen om aan te draaien om de regionale warmtebalans te optimaliseren: 1. Meer besparing realiseren (de vraag is wel of dit realistisch is t.o.v. huidige doelstellingen?). 2. Aanleg van (klein) collectieve warmtenetten, om basislast af te dekken. 3. Maximaal inzetten op hernieuwbare gassen. 4. Duurzame elektrificatie van de resterende warmtevraag door aanvullende opwek te realiseren.
6.3
Overige ontwikkelingen op het thema Warmte
Ondersteuning van de lokale warmtetransitie via regiostructuur lokale warmtetransitie (NPLW) In 2023 is het Nationaal Programma Lokale Warmte (NPLW) van start gegaan (lees: integratie Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) en het Expertise Centrum Warmte (ECW)). Het NPLW ondersteunt gemeenten in hun rol als regisseur van de warmtetransitie. Omdat de keuzes voor een duurzame vervanging van aardgas direct raakt aan de energievraag, werken NPRES en NPLW nauw samen. De indeling van de NPRES-regio’s vormde dan ook de basis van de NPLW-regio’s, waar regiocoördinatoren samenwerken aan de warmtetransitie in afstemming met de RES. Bij de inrichting van het NPLW is door gemeenten nadrukkelijk aangegeven dat voor de uitvoering van de warmtetransitie extra gemeentelijke uitvoeringscapaciteit benodigd is. Het NPLW ondersteunt gemeenten niet alleen landelijk, maar ook vanuit een regionale structuur, gelijk aan de huidige RESregio’s. De ‘SPUK regionale structuur NPLW’ regelt de financiële verdeling binnen die regionale structuur. Voor de jaren 2023, 2024 en 2025 is jaarlijks een uitkering beschikbaar voor de RES-regio voor uitvoerende capaciteit. In 2023 is een eerste SPUK-aanvraag door de regio ingediend (en ook toegekend). De regio hanteert voor de inzet van deze SPUK-gelden de uitgangspunten zoals in figuur 6.4 weergegeven.
Figuur 6.4 Uitgangspunten
In 2024 focust de regio West-Overijssel zich op drie inhoudelijke thema’s, waarvoor inmiddels projecten zijn opgestart. Ook is een longlist aan thema’s beschikbaar, op basis waarvan nieuwe projecten kunnen opstarten. In Q4 moet de aanvraag voor de SPUK-middelen voor het jaar 2025 zijn aangevraagd. Focus op drie inhoudelijke thema’s Begeleiden proces (pre-)SMP en gebiedsontheffing bij 1. Natuurvriendelijk isoleren 2.
Opleidingsaanbod energievakmensen
3.
Lokale kleine warmtenetten
gemeenten. Waar mogelijk gezamenlijk optrekken. Frequent en kwalitatief (bij)scholingsaanbod voor energiecoaches, fixers, adviseurs. Schaalvoordelen en uniformiteit. Zorgen voor versnelling van lokale projecten. Inzet expertise op gebied van techniek, financiering en participatie.
-20-
Thema’s die op dit moment op de longlist (niet uitputtend) staan zijn: • Versnelling isolatieaanpak. • Monitoring lokale warmtetransitie. • Regionale VVE-aanpak. • Contingentenaanpak monumenten. • Versnellen Aanpak Maatschappelijk vastgoed. Eerste bestuurlijk Doe-atelier Warmte in West-Overijssel Naast de start met de SPUK NPLW organiseerde de regio West-Overijssel in maart 2024 samen met het NPLW het eerste bestuurlijke Doe-atelier warmte. Het atelier richtte zich op de rol van bestuurders en hun regie in de uitdagingen bij de warmtetransitie. De sessie gaf inzicht in de voortgang van de warmtetransitie op regionaal niveau, inclusief de daarmee samenhangende problemen rond netcongestie, bronnen, warmtenetten, warmtepompen en isolatie. Dit atelier leidde tot volgende inzichten en afspraken: • De lokale warmtetransitie wordt vast onderdeel van de agenda tijdens de RES-bijeenkomsten. • Helder krijgen wat de rol van hernieuwbaar gas is in de lokale warmtetransitie. • Nadenken over provinciale koepelorganisatie op het gebied van warmtenetten (warmtebedrijf) en wat dit vraagt van gemeenten in het warmteprogramma. • Individuele aanpak en netcongestie goed op elkaar afstemmen. Richting NPLW en NP RES / anderen is door bestuurders meegegeven: • Organiseer een doe-atelier over hernieuwbaar gas, in aanwezigheid van EZK. Er is behoefte aan handelingsperspectief.
• Kom met een narratief voor inwoners en raadsleden op het thema warmte. • Goed initiatief om een schrijfsessie te organiseren voor het maken van een warmteprogramma (WP). • Neem de integrale aanpak mee in de handreiking warmteprogramma. • Zorg voor goede afstemming op het proces Missie 2026. Voorkom overlap op verschillende tafels
6.4
Conclusies
Afgelopen periode is het beeld voor warmte in de regio West-Overijssel geactualiseerd en zijn nieuwe ontwikkelingen opgepakt die voortvloeien uit het Nationaal Programma Lokale Warmte (NPLW). We hebben op basis van deze actualisatie als regio mogelijkheden in beeld gebracht om de regionale warmtebalans te optimaliseren. Daarbij gaat het om het realiseren van (nog) meer energiebesparing in de gebouwde omgeving, aanleggen van (kleine) collectieve warmtenetten, maximaal inzetten op hernieuwbare gassen en ten slotte de duurzame elektrificatie van de resterende warmtevraag (door aanvullende opwek te realiseren). In het verlengde hiervan is in de regio gestart met de uitvoering van 3 NPLW-projecten gericht op natuurvriendelijk isoleren, opleidingsaanbod voor vakmensen en kleine collectieve warmtenetten.
-21-
7.
Participatie
7.1
Voortgang participatie
Algemeen De energietransitie heeft impact op de directe leefomgeving van iedereen: onze omgeving gaat veranderen. Daarom is het belangrijk dat iedereen begrijpt waarom deze energietransitie noodzakelijk is. Door zoveel mogelijk mensen te betrekken bij die energietransitie, werken we aan maatschappelijke acceptatie. Er zijn verschillende vormen om mensen te betrekken: tijdens het maken van beleidskeuzes (procesparticipatie), maar ook tijdens de uitvoering van het project (projectparticipatie). In die laatste fase zijn het realiseren van eigenaarschap, de verdeling van de lusten en de lasten en invloed en/of zeggenschap belangrijk.
Figuur 7.1 Participatiekader RES West-Overijssel
In West-Overijssel is ervoor gekozen om de procesparticipatie op de RES zo laag mogelijk neer te leggen. Dat wil zeggen bij de gemeenten. Nieuw windbeleid van de provincie is mogelijk aanleiding om hierover andere afspraken te maken. Ook is er op RES-niveau een Adviesgroep bestaande uit regionale maatschappelijke partners (waaronder de energiecoöperaties) en vindt er kennisdeling plaats tussen gemeenten via het provinciale programma NEO.
7.2
Lokaal eigendom
Stand van zaken beleid lokaal eigendom De RES-regio West-Overijssel heeft als doelstelling dat minimaal 50% van de projecten voor grootschalige opwek in lokaal eigendom ontwikkeld worden. Lokaal eigendom is belangrijk om voldoende maatschappelijke acceptatie te realiseren voor de totstandkoming van grootschalige zonneparken en windmolens. De ambities van enkele gemeenten gaan verder dan in de RES 1.0 is opgenomen, soms met een streven naar 100% lokaal eigendom. De revenuen in de lokale gemeenschap houden en zeggenschap voor inwoners, zijn voor West-Overijssel belangrijke onderdelen van dat lokaal eigendom die in energieprojecten goed geborgd moeten zijn. Beleidsmatig is de verankering van de afspraak rondom lokaal eigendom goed onderweg. Veel gemeenten hebben lokaal eigendom in beleid verankerd. Ook de provincie heeft lokaal eigendom geborgd in haar beleid. Bij windprojecten is de provincie veelal het bevoegd gezag. Ook de provincie werkt aan het verder borgen van lokaal eigendom in haar beleid en uitvoeringskaders. Wel is het beleid en jurisprudentie op dit onderwerp voortdurend aan verandering (en toetsing door rechters) onderhevig.
-22-
Kennisuitwisseling over zowel het beleidsmatig verankeren van lokaal eigendom als het vormgeven van projecten met lokaal eigendom blijft daarom nodig. Daarnaast zien we dat het door de provincie ontwikkelde instrumentarium LEI-F (Lokale Energie Initiatieven – Financiering) lokale initiatieven in staat stelt om vorm te geven aan projecten met lokaal eigendom. Helaas heeft de afgelopen periode dit instrument stilgelegen. Door de grote vraag is het nodig geweest om opnieuw naar de kaders te kijken. De verwachting is dat er in het najaar meer duidelijkheid ontstaat over het instrument LEI-F. Gemeenten zijn vaak nog zoekend welk instrumentarium zij zelf aanvullend in kunnen zetten op dit onderwerp en hoever zij hierin willen gaan. De gedachtevorming rond lokaal eigendom in de warmteketen staat nog in de kinderschoenen. Het verdient aanbeveling ook hier komende periode aandacht aan te besteden.
Figuur 7.2 Beleidsmatige verankering lokaal eigendom
Voortgang realisatie 50% lokaal eigendom In de RES-regio wordt veel aandacht besteed aan lokaal eigendom en dit is dan ook verankerd in beleid. Daarmee zien we ook dat nieuwere wind- en zonprojecten vaak een aanzienlijk deel lokaal eigendom bevatten. Sterker, bij met name windprojecten zien we ook een veel hoger percentage dan 50% per project. Ook projecten met 100 % lokaal eigendom zijn ondertussen gerealiseerd of zitten in de pijplijn. Met name bij zonneparken ervaren veel gemeenten nog knelpunten als het om realisatie van lokaal eigendom gaat. Deze plannen zaten vaak al in procedure voordat beleidskaders lokaal eigendom vastgesteld waren. In de volgende Tussenstand kunnen we het percentage lokaal eigendom per opwekbron (wind, zon op veld & zon op dak) scherper laten zien.
7.3
Rol energiecoöperaties
In praktisch alle gemeenten in onze RES-regio zijn energiecoöperaties actief. In veel gemeenten wordt er goed samengewerkt tussen deze energiecoöperaties en de gemeenten om samen tot de meest optimale invulling van projecten te komen. Hiervoor zijn diverse ondersteuningsfaciliteiten opgericht vanuit gemeenten en de provincie. Een voorbeeld hiervan is de eerdergenoemde LEI-F en de financieringsfaciliteiten die het Energiefonds Overijssel (EFO) biedt. De energiecoöperaties die vooroplopen bij het realiseren van grootschalige energieprojecten hebben een werkgroep geformeerd die de RES van adviezen voorziet. De voorzitter van deze werkgroep heeft zitting in de adviesgroep van de RES en de besturen van de energiecoöperaties worden regelmatig betrokken bij bijeenkomsten van de RES.
-23-
7.4
Communicatie
In lijn met de landelijke berichtgeving en communicatie vanuit de NP RES vertellen wij vanuit de RES West-Overijssel het regionale verhaal over de energietransitie waarbij we vooral ingaan op realisatie van 1,8 TWh per jaar aan hernieuwbare energie met zon en wind en de rol van het elektriciteitsnetwerk daarin. Dat doen we door eenduidige communicatie naar inwoners en ondernemers te stimuleren en te faciliteren. We zetten daarbij in op heldere uitleg over het waarom van zon en wind. Daarin trekken we gezamenlijk op met de communicatieadviseurs van de elf gemeenten van West-Overijssel, de provincie en de waterschappen. We hebben daarvoor onder andere een Communicatie Platform RES West-Overijssel opgezet. Dit Platform komt regelmatig bij elkaar en heeft de intentie om elkaar te informeren, kennis te delen en te inspireren en door interessante cases in te brengen elkaar handvatten te bieden waarbij wordt ingezoomd op onderliggende thema’s als participatie, polarisatie en ‘fake news’. Dit verloopt moeizaam.
7.5
Conclusies
Doordat de procesparticipatie voor bijvoorbeeld zoekgebieden en beleidskaders bij gemeenten en provincie ligt, is het moeilijk om op RES-niveau uitspraken te doen over de effectiviteit van de participatie. Wel zien we dat in alle gemeenten de inwoners uitgebreid betrokken zijn en worden bij de beleidsvorming. Lokaal eigendom speelt daar een belangrijke rol bij. Lokaal eigendom is een belangrijke ambitie en randvoorwaarde in West-Overijssel. Bijna alle gemeenten hebben hier beleid op geformuleerd en er wordt actief op gestuurd bij projecten. Bij nieuwere projecten is lokaal eigendom bijna altijd goed geregeld. Met name bij de grootschalige windprojecten wordt een hoog percentage lokaal eigendom gerealiseerd. Bij de zonneparken zien we dat een aantal plannen al in procedure waren voordat de beleidsregels rondom lokaal eigendom vigerend waren waardoor dit niet op alle plekken te realiseren blijkt. West-Overijssel ligt op dit onderwerp op schema.
-24-