Bijlage 2_Rapportage_Archeologie_IVO-P_Sekdoorn_Redacted
Tekst van het document
Sekdoorn Een inventariserend veldonderzoek proefsleuven (IVO-P) in Sekdoorn, Zwolle.
Archeologische Rapporten Zwolle 102
1
Ondergronds
2
Samenvatting Vanwege de uitbreiding en het verplaatsen van het zanddepot bij V.O.F. zandexploitatiebedrijf Sekdoorn moest een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven plaatsvinden. Dit onderzoek is in juli 2019 uitgevoerd door Team Archeologie van de Gemeente Zwolle. De basisvragen van dat onderzoek luidden: 1. Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) in de bodem aanwezig, of zijn er aanwijzingen dat deze hier verwacht mogen worden? 2. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen oplevert (bijvoorbeeld alleen losse vondsten), welke verklaring is hier dan voor te geven? 3. Is er een verwachting dat buiten het nu onderzochte gebied nog resten van de aangetroffen sites aanwezig zijn, en wat is nu de verwachting of de fysische en inhoudelijke kwaliteit daarvan? In het noordelijk deel van de proefsleuf werd een bodem aangetroffen die als beekvaaggrond kan worden geïnterpreteerd. In het zuiden van de proefsleuf was een overgang tussen een beekvaaggrond en een podzolbodem zichtbaar. Daar bevond zich een afgetopte humus podzolbodem met veel ijzervlekken. In de proefsleuf zijn enkele sporen aangetroffen die voornamelijk in verband konden worden gebracht met landgebruik. Het zijn dus voornamelijk off-site sporen. Drie greppels werden aangetroffen die hoogstwaarschijnlijk uit de Nieuwe Tijd dateren.
Daarnaast werden drie paalsporen van een recent hekwerk aangetroffen. In de proefsleuven werd alleen bij de aanleg een drietal fragmenten aardewerk aangetroffen. Deze kwamen uit de minerale bovengrond en zijn recent. In totaal werden zes stukjes vuursteen gevonden, waarvan er twee mogelijk afslagen waren. De sporen zijn niet bijzonder of zeldzaam voor deze tijd. Door gebrek aan vondstmateriaal zijn ze bovendien slecht te dateren. Op basis van de archeologische gegevens is besloten het gebied vrij te geven van verder archeologisch onderzoek.
3
Inhoudsopgave Samenvatting
5
1. Inleiding
7
2. Landschappelijke, geologische en bodemkundige situatie
8
3. Het archeologisch onderzoek
12
4. De historische gegevens
16
5. De onderzoeksresultaten
21
6. Conclusie
25
7. Waardering en selectieadvies
27
Figurenlijst
30
Tabellijst
30
Literatuur
31
Bijlage 1: Sporen- en Vondstenlijst
32
Bijlage 2: Fotolijsten
33
Bijlage 3: Profielkolommen
34
5
498000
498500
499000
499500
500000
500500
501000
Ondergronds
Esri Nederland, Jan Willem van Aalst - www.imergis.nl
204500
205000
205500
206000
206500
207000
207500
900
1.200 Meters
±
Legenda Onderzoeksgebied Plangebied
0 150 300
600
208000
Afb. 1.1. Topografische kaart (Top 10) met de locatie van het plan- en onderzoeksgebied.
Administratieve gegevens van de vindplaats:
Projectcode: 257SEK19 Provincie: Overijssel Gemeente: Zwolle Plaats: Zwolle Toponiem: Sekdoorn Kaartblad: 27E Centrumcoördinaten: x: 206606; y: 499759 Archis-meldingsnummer: 4718804100 Uitvoeringsperiode: Opgravingsleiding: Opdrachtgever: Uitvoerder: Bevoegde overheid: Bevoegd gezag: Plaats en beheer documentatie:
6
02-07-2019 tot en met 04-07-2019 , VOF Zandexploitatiemaatschappij Sekdoorn Team archeologie, gemeente Zwolle. Gemeente Zwolle Namens gemeente Zwolle Archeologisch Depot Gemeente Zwolle, Veemarkt 38, 8011 AJ Zwolle
208500
1
Inleiding
1.1
Woord vooraf
1.2
Beschrijving van het onderzoeksgebied
1.3
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
Op 02 tot en met 04 juli 2019 is een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) in Sekdoorn gestart. Het archeologisch onderzoek werd uitgevoerd ten behoeve van de uitbreiding van het zanddepot van VOF Zandexploitatiemaatschappij Sekdoorn. Het veldwerk stond onder leiding van . Het veldwerkteam bestond uit KNA Archeoloog MA en twee vrijwilligers, en . De kraan werd bediend door van de firma Mulder-Eykelkamp BV. Het bevoegd gezag werd vertegenwoordigd door . Sinds 21 februari 2020 is vertegenwoordiger van het bevoegd gezag.
Het plangebied ligt ten zuidwesten van Zwolle tussen de Sekdoornse Plas en de Nieuwe Wetering. Momenteel is het gebied in gebruik als weiland en omgeven door sloten.
In de erfgoedwet, vastgesteld op 9 december 2015, staat vermeld dat het verboden is om zonder een certificaat handelingen te verrichten die betrekking hebben op het “opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt”.1 Op basis hiervan is de BRL4000 opgesteld en de huidige KNA 4.1. Dit inventariserend proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd conform de KNA 4.1 protocol 4003 IVO-P van het SIKB.
1
Rijksoverheid 2015, 14.
7
Ondergronds
2. Landschappelijke, geologische en bodemkundige situatie 2.1. Inleiding
De landschappelijke situatie in het plangebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van een rivierduin in een beekdalencomplex en is gesitueerd tussen de hogere dekzandruggen in het zuidoosten ten hoogte van Wijthmen en de dekzandrug van Ittersummerbroek in het noordwesten en het broekgebied de Oude Mars. Om het landschap te begrijpen moet het in context worden geplaatst door een beknopte beschrijving te geven van de landschapsgenese. Daarna zal het broekgebied Sekdoorn zelf worden uitgelicht.
2.2. Landschappelijke achtergrond
Het fundament van het Vechtdal is in de Saale-ijstijd gelegd. Het ijs bereikte toen de lijn Schagen-Gaasterland-Eemsland. Rivieren als de Rijn, Lippe, Weser, Elbe en de Vecht, die altijd richting het noorden en noordwesten hadden gestroomd, werden nu geblokkeerd door de ijsmassa’s en gedwongen om langs de ijsrand naar het westen te stromen. Het water van deze rivieren had vooral in de zomer het karakter van een stroom van wel 10 tot 15 km breed.2 De rivieren hadden een vlechtend karakter met zand en grindbanken. Daarnaast werden bij transport van weinig zand meters diepe geulen uitgesleten die later deels weer werden opgevuld met sediment. De afzettingen van het smeltwater, klei en zand worden alle tot de Formatie van Peelo gerekend.3 Tijdens het Saalien lag Nederland voor een groot deel bedolven onder een dik ijsdek. Het langzaam oprukkende landijs creëerde stuwwallen, maar ook de smeltwaterdalen die ontstonden toen het klimaat warmer werd en het landijs smolt. Aan de zuidzijde van het Drentse keileemplateau en ten noorden van de Overijsselse stuwwallen ontstond zo het oerstroomdal van de Vecht. Dit brede dal wordt tegenwoordig begrensd door het riviertje de Reest in het noorden en de huidige Overijsselse Vecht in het zuiden.
Het oerstroomdal was in het begin heel breed en diep, maar werd langzaam opgevuld met fluvioglaciale zanden (Formatie van Drenthe), materiaal dat was vrijgekomen bij het smelten van het landijs.4 Het Saalien werd opgevolgd door het warmere interglaciaal het Eemien. Tijdens dit Eemien werd het dal nog verder opgevuld met materiaal dat afkomstig was van de hogere delen. Het ging hier vooral om verweerd keileem dat gerekend wordt tot de Formatie van Kreftenheye. Het warmere klimaat zorgde ook voor een stijging van de zeespiegel, waardoor in het westelijk deel van het oerstroomdal wat zeeklei is afgezet (Eemformatie).5 In het Weichselien (116.000-11.700 jaar geleden) bereikte het landijs Nederland niet meer. De ondergrond was in de koudste perioden tot op meters diepte het hele jaar door bevroren (permafrost). Cycli van vorst en dooi zorgden voor opvriezen en dooien van de bovengrond door de seizoenen heen. Onder deze omstandigheden werd het glaciale landschap verder geërodeerd en genivelleerd. Oost-Nederland veranderde daardoor eigenlijk in een grote riviervlakte. Geologen spreken in dit verband voor een groot deel van Oost-Nederland dan ook wel over ‘een laagterras’.6 In het Laat-Pleniglaciaal (28.000-15.400 jaar geleden) vindt er een grote klimaatomslag plaats waarbij rivieren in een vlechtend patroon veel zand en grind afzetten.
Naarmate het droger werd, werd de waterstroom zo klein dat de geulen en zandbanken van het oerstroomdal van de Vecht grotendeels droog kwam te staan. In het smeltwaterseizoen concentreerde het smeltwater zich in een veel kleinere stroom die goeddeels de zuidrand van het oerstroomdal ging volgen. De stroom schuurde hierbij in de oudere afzettingen een nieuw, maar veel kleiner dal, de basis voor het huidige Vechtdal. In deze periode wordt in Oost-Nederland een dikke, zwakgolvende deken fijn lemig stuifzand afgezet dat we kennen als dekzand. De oude riviervlakte met zijn geulen en zandbanken (het laagterras) werd hierdoor bedekt. In de laatste fase van het Weichselien (13.400 tot 9.700 v. Chr.) deed zich een warmere periode voor en raakte het landschap bedekt met bos en moeras en doet ook de mens zijn intrede in het landschap. In de Late Dryas-tijd (ca. 13.000 tot 12.000 jaar geleden) daalde de wintertemperatuur naar -20 graden. De gesloten bossen veranderde in een open taiga-achtig landschap met plukjes bos, dwergstruiken, heide en kruiden. In de dalvlakten van Reest, Regge en Overijsselse Vecht kwamen opnieuw vlechtende rivieren met geulen en zandbanken voor. Ze waren weliswaar kleiner dan de oude oerstroomdalen, maar groot genoeg om in droge tijd te veranderen in uitgestrekte zandverstuivingen.
Veel stuifzand kwam neer in de spaarzame begroeiing aan de randen van de riviervlakten. Daar ontstonden zandruggen en uitgestrekte stuifzandcomplexen die een hoogte van meerdere meters bereikten. Deze door de wind opgestoven zandruggen worden aangeduid als dekzandruggen en rivierduinen en vormen hoger gelegen linten aan weerszijden van het Vechtdal.
2 3 4 5 6
8
Neefjes e.a. 2011, 24. Kuijer en Rosing 1994, 14. Mulder en Kuijt 2003, 16-17. Kuijer en Rosing 1994, 17. Neefjes e.a. 2011, 34.
3.2 Beschrijving van de onderzoeksopdracht
Het doel van het archeologisch onderzoek is het op een kwalitatief hoogwaardige wijze verkrijgen en het duurzaam bewaren van vondsten, monsters van en projectdocumentatie over in-situ en ex-situ archeologische vindplaatsen ten behoeve van lopend en toekomstig (wetenschappelijk) onderzoek en ten behoeve van de beleving van cultureel erfgoed.19 In het onderzoeksgebied geldt een middelhoge verwachting voor sporen uit de Prehistorie tot Vroeg Moderne Tijd. Het gaat dan enerzijds om nederzettingssporen en anderzijds om sporen die verband houden met het voormalige rivierdal en overstromingsvlakte. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek (karterende IVO) binnen een gebied waar bodemingrepen staan gepland. Door de geplande bodemingrepen dreigt eventueel aanwezige archeologische informatie verloren te gaan. Het karterende onderzoek zal tegelijkertijd uitgevoerd worden met een waarderend IVO. Het doel van een karterend en waarderend IVO-P is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting, dat gebaseerd is op een bureauonderzoek, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden.
Het geheel zal resulteren in een selectieadvies; een voorstel voor het wel of niet uitvoeren van een nader archeologisch onderzoek. Het selectieadvies moet worden voorgelegd/bekrachtigd door het bevoegd gezag. Voorafgaand aan het onderzoek is een Programma van Eisen opgesteld.20 Hierin wordt omschreven waaraan het onderzoek moet voldoen inclusief de onderzoeksvragen. De hoofdvragen die in het Programma van Eisen zijn opgesteld zijn als volgt: 1. Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) in de bodem aanwezig, of zijn er aanwijzingen dat deze hier verwacht mogen worden? 2. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen oplevert (bijvoorbeeld alleen losse vondsten), welke verklaring is hier dan voor te geven? 3. Is er een verwachting dat buiten het nu onderzochte gebied nog resten van de aangetroffen sites aanwezig zijn, en wat is nu de verwachting of de fysische en inhoudelijke kwaliteit daarvan? Daarnaast zijn nog specifieke onderzoeksvragen opgesteld: Gaafheid en conservering van de vindplaats 1. In welke lagen, zones of gebieden bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische resten, of waar zijn ze te verwachten? 2. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? Perioden en vindplaatsen 3.
Indien er archeologische resten aanwezig zijn, kunnen er binnen de vindplaats aparte sites onderscheiden worden, en zo ja, op welke gronden? 4. Wat is de begrenzing en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin van de sites en wat is de onderlinge samenhang? 5. Wat is per archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing b. de geologische en/of bodemkundige eenheid c. de omvang (inclusief verticale dimensies) d. aard/complextype en functie e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en vondsten) f. de vondst- en sporendichtheid g. de stratigrafie h. de ouderdom, periodisering, typochronologische classificatie 6. Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site patronen) in de zin van wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, vennen etc.? 7. Komen (eventueel aangetroffen wegen en perceelgrenzen overeen met de grenzen zoals aangegeven op de kadastrale minuut van 1832? Wat is het historische verkavelingspatroon? Hoe ver gaat de verkaveling terug in de tijd?
19 20
Beoordelingsrichtlijn Archeologie BRL SIKB 4000 versie 2016, 6. Van Zanten 2019.
13
Ondergronds
8. Welke relatie is er tussen ligging en richting van perceelgrenzen en mogelijke wegen en de geomorfologische situatie? 9. Zijn er aanwijzingen voor verlating van de nederzetting/het gebied vanwege vernatting? Zo ja, geef aan welke en in welke periode deze zijn te dateren? Landschap en bodem 10. Hoe is de opbouw van het profiel in bodemkundige zin? Wat zijn de kenmerken van de stratigrafische eenheden? Is er sprake van loopvlakken, begraven bodems, ophogingslagen of cultuurlagen? 11. Welke postdepositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan op de archeologische resten?
3.3 Werkwijze (methoden en technieken)
Het doel van een inventariserend proefsleuvenonderzoek (IVO-P) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om een gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek (karterende IVO) binnen een gebied waar bodemingrepen staan gepland. Door de geplande bodemingrepen dreigt de mogelijke archeologische informatie verloren te gaan. Het karterende onderzoek wordt daarna uitgebreid met een waarderend IVO. Het geheel zal resulteren in een waardering en selectieadvies. In het selectieadvies staat onderbouwd beschreven of er uitgebreider archeologisch onderzoek noodzakelijk is of niet. Het selectieadvies moet worden voorgelegd en bekrachtigd door het bevoegd gezag. Om een gespecifieerde archeologische waardering te kunnen geven is een proefsleuf aangelegd. Het oorspronkelijke plan was het aanleggen van twee proefsleuven, maar door de aanwezigheid van een onverstoorde, landschappelijke depressie en de absentie van antropogene sporen is besloten om eerst in het gebied drie kleine proefputten in het tracé van de geplande werkputten aan te leggen. De vervolgstap was om te beoordelen waar de archeologische sporen zich bevinden en daar de put uit te breiden om tot de 10% dekkingsgraad te komen. Daarnaast is een deel van de zuidelijke proefput uitgebreid in zuidelijke richting. Dit is goedgekeurd door het Bevoegd Gezag.
De sporen zijn digitaal ingemeten en gedocumenteerd. Vanwege het geringe aantal sporen zijn alle archeologische sporen gecoupeerd en zijn de vondsten gekoppeld aan de sporen. De noodzakelijke hoogtemetingen zijn verricht, en de bodemopbouw is gedocumenteerd. De werkwijze was conform de KNA 4.1.21 Vlakaanleg Het aanleggen naar het eerste vlak gebeurt onder fysiek aanwezig toezicht van een Senior KNA Archeoloog. Het vlak wordt aangelegd op het niveau waarop de eerste sporen zichtbaar zijn. Dit gebeurt laagsgewijs door een graafmachine met een gladde bak. Per laag wordt de bodem onderzocht met een metaaldetector. De aanlegvondsten worden per 5 meter op het lint verzameld. Als het niveau van het eerste vlak bereikt is wordt dit netjes opgeschaafd. De vondsten worden gekoppeld aan een spoornummer dat is aangemaakt voor de laag vanaf de bouwvoor naar het eerste vlak. Het vlak wordt netjes opgeschaafd en per 5 meter met de aanwezigheid van een sjalon gefotografeerd. Tijdens het opschaven moet er ook aandacht geschonken worden aan de mogelijke vuursteenartefacten van soms klein formaat, vuursteen en metalen voorwerpen. Deze worden als puntlocatie (x-, y-, en z-waarden) ingemeten. Documentatie Het meten en tekenen van de archeologische gegevens gebeurt door middel van de GPS (richtlijnen in specificatie OS02 en OS06). Van het vlak worden om de drie meter hoogtemetingen genomen.
De put wordt digitaal getekend en langs de put wordt om de drie meter maaiveldhoogtes genomen. Bijzondere concentraties vondsten die niet aan een spoor en of profiel te koppelen zijn worden als puntvondst ingemeten. Hetzelfde geldt voor de vondsten die met de metaaldetector zijn gedaan. Alle vondsten krijgen een vondstnummer en worden voorzien van een vondstkaartje met daarop alle basisadministratie (projectcode, put, vlak, vak, spoor, vondstnummer, datum, inhoud, opmerkingen). Ook de monsters worden ingemeten als puntvondst. Deze krijgen echter een monsternummer (startende vanaf M1). Als puntvondst zit aan de vondst direct een NAP-hoogte gekoppeld. Het vondstmateriaal wordt in het veld verwerkt conform OS11 en op dusdanige wijze dat de conditie zoveel mogelijk stabiel blijft. De sporen worden aangekrast en voorzien van een spoorlabel (conform specificatie OS05). De sporen worden ingetekend met de GPS/RTS, en beschreven in ODILE (database). De vondsten die aan de oppervlakte van het spoor liggen worden direct verzameld, voorzien van een vondstnummer en kaartje en geregistreerd in de database (conform specificatie OS04).
21
14
SIKB 2018, protocol 4003.
5. De onderzoeksresultaten
De archeologische grondsporen en vondsten worden in één hoofdstuk behandeld vanwege het geringe aantal archeologische resten. Voor de datering van de sporen wordt zowel de stratigrafie als het vondstmateriaal gebruikt. Het vondstmateriaal bestaat uit aardewerk en vuursteen.
5.1 Bodemopbouw
Om de bodemopbouw van het plangebied te bepalen is een vijftal profielkolommen (B101, B102, B103, B104 en B105) aangelegd. De gedigitaliseerde profielkolommen en de gedetailleerde beschrijvingen van de bodemlagen zijn toegevoegd in bijlage 2. In het noordelijk deel van de proefsleuf (B101) werd een bodem aangetroffen die als beekvaaggrond kan worden geïnterpreteerd. Een beekvaaggrond is te vergelijken met een beekeerdgrond. Beekeerdgronden bestaan uit een voedselrijke humuslaag die overgaat in een voedselarme laag van dekzand. Beekeerdgronden komen voor in gebieden met een fluctuerende grondwaterstand. Beekvaaggronden liggen voornamelijk in beekdalen en kenmerken zich door de aanwezigheid van een dunnere en minder homogene bovengrond ten opzichte van een beekeerdgrond. In profielkolom B101 tot en met B104 was geen B-Horizont zichtbaar en lag de A-horizont direct boven de C-horizont. Veel van deze beekvaaggronden zijn geëgaliseerd of vergraven. Daardoor liggen er in dit soort gronden relatief weinig archeologische resten.33 Dit was ook het geval bij het IVO-P in het plangebied. In het noordelijk deel van de proefsleuf was de bovengrond verrommeld. Daardoor zijn geen archeologische resten in werkput 1 aangetroffen en was er alleen sprake van natuurlijke bodems. De C-horizont bevond zich op 46 cm onder het maaiveld.
In het midden van de proefsleuf (Profielkolommen B102 en B103) bevond zich eveneens een beekvaaggrond, maar opmerkelijk genoeg bevatte deze wel archeologische sporen (zie hoofdstuk sporen en structuren) uit een veel recentere periode. In het zuiden van de proefsleuf was een overgang tussen een beekvaaggrond en een podzolbodem zichtbaar. In profielkolom B104 bevond zich nog een beekvaaggrond en in profielkolom B105 een afgetopte humus podzolbodem (Bh-horizont), maar met veel ijzervlekken. De C-horizont liep in noordwestelijke richting geleidelijk af naar beneden en bevond zich op 98 cm onder het maaiveld. In het noorden van de proefsleuf ligt de C-horizont op 0,03 m +NAP en in het zuiden van de proefsleuf op 0,55 m +NAP.
Afb. 5.1. Links: Profielkolom B102 met een beekeerdgrond. Rechts: Profielkolom B105 met een afgetopte humus podzolbodem.
33
Koomen en Exaltus 2003, 57.
21
Ondergronds
5.3 Vondstmateriaal
De archeologische sporen die zijn aangetroffen tijdens het IVO-P bevatten geen aardewerk. Tijdens het IVO-P zijn verder alleen aanleg- en vlakvondsten gedaan. Deze worden hieronder beschreven. Tijdens het IVO-P zijn in het vlak zes puntvondsten gedaan. Het gaat om zes vuursteenfragmenten (Vnr. 2, 3 6 t/m 9). Twee vuursteenfragmenten zijn waarschijnlijk afslagen (Vnr. 8 en 9). De vuurstenen afslagen kunnen niet aan een spoor worden gekoppeld. Twee andere vuursteenfragmenten (Vnr. 2 en 3) kunnen mogelijk aan greppel S10 worden gekoppeld, maar zijn geen vuurstenen werktuigen of afslagen. Bij de aanleg van werkput 1 werd een aardewerk fragment (Vnr. 1) van een mineraalwaterkruik aangetroffen. Omdat dit fragment uit de strooisellaag komt wordt het fragment niet verder beschreven. In het noordelijke kijkgat van werkput 1 werden geen sporen of vondstmateriaal aangetroffen.
257-2-100
257-7-100
257-3-100
257-8-100
257-6-100
257-9-100
Afb. 5.6. Objectfoto’s van de vuurstenen fragmenten. Schaal 1:1
24
6. Conclusie De onderzoeksvragen die in het Programma van Eisen zijn gesteld zullen hier worden beantwoord op basis van de bevindingen van het proefsleuvenonderzoek (IVO-P). 1. Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) in de bodem aanwezig, of zijn er aanwijzingen dat deze hier verwacht mogen worden? Er zijn tijdens het IVO-P negentien archeologische sporen aangetroffen. Het gaat om drie greppels en een aantal kuilen, waarvan er vijf paalkuilen zijn. Drie van deze paalkuilen vormen samen een structuur. Het gaat waarschijnlijk om een afrastering uit de Nieuwe Tijd die verder buiten de werkput doorgelopen heeft. De drie greppels zijn eveneens erfscheidingen, maar zowel de afrastering als de greppels kunnen niet aan een kadastrale kaart gekoppeld worden. Het sporadische vondstmateriaal uit de sporen komt uit de Nieuwe Tijd. Het vondstmateriaal dat in archeologische context is gevonden is gering. Het gaat om vier vlakvondsten van vuursteenfragmenten. Over de gehele proefsleuf geldt een lage sporendichtheid.
2. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen oplevert (bijvoorbeeld alleen losse vondsten), welke verklaring is hier dan voor te geven? Het IVO-P leverde maar beperkte archeologische fenomenen op. De verklaring hiervoor is de aanwezigheid van het beekdal met een beekvaaggrond dat werd aangesneden op de plek waar een rivierduin werd verwacht. In het zuiden van de proefsleuf werd de flank van het rivierduin aangesneden met daarop enkele archeologische sporen, maar het verdere verloop van het rivierduin ligt buiten het plangebied. 3. Is er een verwachting dat buiten het nu onderzochte gebied nog resten van de aangetroffen sites aanwezig zijn, en wat is nu de verwachting of de fysische en inhoudelijke kwaliteit daarvan? Tijdens het IVO-P werd duidelijk dat ten zuiden van het plangebied het verdere verloop van het rivierduin ligt. De mogelijkheid bestaat dat zich daar nog archeologische sporen bevinden. De podzolbodem die werd aangetroffen op de flank van het rivierduin is echter wel afgetopt. Dit zou kunnen betekenen dat zowel de archeologische verwachting als de fysieke kwaliteit daarvan minder hoog is. Daarnaast zijn nog specifieke onderzoeksvragen opgesteld: Gaafheid en conservering van de vindplaats 3.
In welke lagen, zones of gebieden bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische resten, of waar zijn ze te verwachten? Tijdens het IVO-P werden archeologische sporen aangetroffen met een middelmatige conservering. Deze sporen werden allemaal in één vlak aangetroffen dat zich op een diepte van ongeveer 60 cm onder het maaiveld bevond. In het noorden van de proefsleuf werd alleen een natuurlijke bodem aangetroffen. De archeologische sporen concentreren zich meer in het zuiden van de proefsleuf, daar waar de flank van het rivierduin begint. Archeologische sporen op het flank van het rivierduin worden verder in zuidoostelijke richting van het plangebied verwacht. Er bevind zich geen prehistorische laag in de proefsleuf. 4. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? De mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten die tijdens het IVO-P werden aangetroffen is middelmatig. De sporen zijn verrommeld en bevatten vrijwel geen vondstmateriaal. Perioden en vindplaatsen 5. Indien er archeologische resten aanwezig zijn, kunnen er binnen de vindplaats aparte sites onderscheiden worden, en zo ja, op welke gronden? Er kunnen geen aparte sites in de vindplaats onderscheiden worden. Alle sporen hebben betrekking tot de Nieuwe Tijd en bevinden zich op dezelfde plek, namelijk het zuidoostelijke gedeelte van de proefsleuf. 6.
Wat is de begrenzing en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin van de sites en wat is de onderlinge samenhang? De begrenzing van de site is moeilijk te bepalen. Wel kan worden vastgesteld dat het noordelijke gedeelte van de proefsleuf (kijkgat 1) en een gedeelte van het middelste kijkgat alleen een natuurlijke bodem bevatten. De archeologie concentreert
25
Ondergronds
zich in het zuidelijke deel van de proefsleuf, aan de rand van het plangebied. De ruimtelijke spreiding in verticale zin is eveneens vrij gering, omdat het maar om archeologische sporen in één vlak gaat. 7. Wat is per archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing Zie vraag 1 en 6. b. de geologische en/of bodemkundige eenheid Zie vraag 10. c. de omvang (inclusief verticale dimensies) Zie vraag 6. d. aard/complextype en functie Zie vraag 1. e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en vondsten) Zie vraag 1. f. de vondst- en sporendichtheid Zie vraag 1. g. de stratigrafie Zie vraag 10. h. de ouderdom, periodisering, typochronologische classificatie Zie vraag 1. 8. Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site patronen) in de zin van wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, vennen etc.? Ja, er zijn aanwijzingen voor landgebruik in de vorm van percelering. Het is echter door de geringe hoeveelheid sporen niet mogelijk om de historische perceelindeling te herleiden. 9.
Komen (eventueel aangetroffen wegen en perceelgrenzen overeen met de grenzen zoals aangegeven op de kadastrale minuut van 1832? Wat heeft het proefsleuvenonderzoek bijgedragen aan inzicht in het historische verkavelingspatroon? Hoe ver gaat de verkaveling terug in de tijd? De aangetroffen archeologische sporen die tot een perceelgrens horen zijn niet te koppelen aan een kadastrale kaart. De aangetroffen perceelstructuur komt uit de Nieuwe Tijd.
10. Welke relatie is er tussen ligging en richting van perceelgrenzen en mogelijke wegen en de geomorfologische situatie? De aangetroffen archeologische sporen die tot een perceelgrens horen zijn niet te koppelen aan mogelijke wegen of de geomorfologische situatie. 11. Zijn er aanwijzingen voor verlating van de nederzetting/het gebied vanwege vernatting? Zo ja, geef aan welke en in welke periode deze zijn te dateren? Er zijn geen aanwijzingen voor verlating van het gebied vanwege vernatting. Landschap en bodem 12. Hoe is de opbouw van het profiel in bodemkundige zin? Wat zijn de kenmerken van de stratigrafische eenheden? Is er sprake van loopvlakken, begraven bodems, ophogingslagen of cultuurlagen? In het noordelijke gedeelte van de proefsleuf is een beekvaaggrond te herkennen. Dit kenmerkt zich door de aanwezigheid van dunnere en minder homogene bovengrond ten opzichte van een beekeerdgrond en bevind zich voornamelijk in beekdalen. Daarnaast ontbreekt de B-horizont. In Profielkolommen B101 t/m B104 was een duidelijke opeenvolging van A- naar C-horizont te zien, zonder het voorkomen van een B-horizont. In het zuiden van de proefsleuf werd een afgetopte podzolbodem herkend. De podzolering betrof een humuspodzol (Bh-horizont). Het natuurlijke reliëf loopt in zuidoostelijke richting langzaam omhoog.
In het noorden van de proefsleuf ligt de C-horizont op 0,03 m +NAP en in het zuiden van de proefsleuf op 0,55 m +NAP. Er is geen sprake van duidelijke loopvlakken, begraven bodems, ophogingslagen of cultuurlagen. 13. Welke postdepositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan op de archeologische resten? Het lijkt erop dat door beploeging van de A-horizont de grond verrommeld is geraakt. De bovenzijde van de archeologische sporen is daardoor aangetast. De sporen worden pas op een dieper niveau zichtbaar, namelijk 0,6 m +NAP.
26
29
Ondergronds
Bijlage 1: Sporen-, en vondstenlijst Sporenlijst SPOOR 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 1000 1001
PUT
1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
VLAK
VORM 1 ovaal 1 ovaal 1 rond 1 rond 1 lin 1 ovaal 1 rond 1 rond 1 rond 1 lin 1 rond 1 rond 1 rond 1 lin 1 rond 1 ovaal 1 vier 1 rond 1 rond 1 lin 1 lin
DIEPTE ECOUPEER PROJECTGEWIJZIGINGEVOERD VORMCOUPINTPRALGINTPRSPEC 0 ONWAAR 257 2-7-2019 2-7-2019 KL kl 0 ONWAAR 257 2-7-2019 2-7-2019 KL kl 17 WAAR 257 4-7-2019 2-7-2019 kom PL PK 30 WAAR 257 4-7-2019 2-7-2019 kom PL PK 21 WAAR 257 4-7-2019 2-7-2019 hoek gw GW 0 ONWAAR 257 2-7-2019 2-7-2019 kl kl 0 ONWAAR 257 4-7-2019 2-7-2019 vs vsn 0 ONWAAR 257 2-7-2019 2-7-2019 kl kl 0 ONWAAR 257 2-7-2019 2-7-2019 kl kl 30 WAAR 257 3-7-2019 3-7-2019 kom gw gw 0 ONWAAR 257 3-7-2019 3-7-2019 kl kl 32 WAAR 257 3-7-2019 3-7-2019 kom kl kl 10 WAAR 257 3-7-2019 3-7-2019 kom kl kl 29 WAAR 257 3-7-2019 3-7-2019 kom gw gw 0 ONWAAR 257 4-7-2019 3-7-2019 vs vsn 11 WAAR 257 4-7-2019 3-7-2019 kom kl kl 21 WAAR 257 4-7-2019 4-7-2019 kom PL PK 0 ONWAAR 257 4-7-2019 4-7-2019 PL PK 0 ONWAAR 257 4-7-2019 4-7-2019 PL PK 0 ONWAAR 257 2-7-2019 2-7-2019 vlak 0 ONWAAR 257 2-7-2019 2-7-2019 vlak -
Vondstenlijst VONDST PROJECT SPOOR VULLING VAKNR ERZMWIJZ OPMERKING GEBRUIKER GEWIJZIGD INGEVOERD VAKLETTER LAAGNUMMER 1 257 1000 0 0 MASVER adm 02-jul-19 2-7-2019 0 2 257 1001 0 0 PUNT adm 02-jul-19 2-7-2019 0 3 257 1001 0 0 PUNT adm 02-jul-19 2-7-2019 0 4 257 5 0 0 HASCHA adm 02-jul-19 2-7-2019 0 5 257 1000 0 0 LOS adm 02-jul-19 2-7-2019 0 6 257 1000 0 0 punt adm 03-jul-19 3-7-2019 0 7 257 1000 0 0 HASCHA adm 03-jul-19 3-7-2019 0 8 257 1000 0 0 punt adm 03-jul-19 3-7-2019 0 9 257 1000 0 0 punt adm 03-jul-19 3-7-2019 0
32
Bijlage 2: Fotolijsten FOTO
PROJECTOPNAMEDA SOORT OMSCHRYF GEWIJZIGD 1 257 2-7-2019 VLA 2-7-2019 2 257 2-7-2019 SPO 2-7-2019 3 257 2-7-2019 spo 2-7-2019 4 257 2-7-2019 spo 2-7-2019 5 257 2-7-2019 spo 2-7-2019 6 257 2-7-2019 VLA 2-7-2019 7 257 2-7-2019 SPO 2-7-2019 8 257 2-7-2019 spo 2-7-2019 9 257 2-7-2019 spo 2-7-2019 10 257 2-7-2019 spo 2-7-2019 11 257 2-7-2019 str 2-7-2019 12 257 3-7-2019 vla midden 3-7-2019 13 257 3-7-2019 spo 3-7-2019 14 257 3-7-2019 spo 3-7-2019 15 257 3-7-2019 spo 3-7-2019 16 257 3-7-2019 spo 3-7-2019 17 257 3-7-2019 spo 3-7-2019 18 257 3-7-2019 spo 3-7-2019 19 257 3-7-2019 COU 3-7-2019 20 257 21 257 22 257 23 257
3-7-2019 cou 3-7-2019 cou 3-7-2019 cou 3-7-2019 cou
24 257
4-7-2019 prof
25 257 26 257 27 257
4-7-2019 prof 4-7-2019 cou 4-7-2019 cou
28 257 29 257 30 257 31 257 32 257 33 257 34 257
4-7-2019 VLA 4-7-2019 spo 4-7-2019 spo 4-7-2019 spo 4-7-2019 cou 4-7-2019 cou 4-7-2019 pro
35 257
4-7-2019 pro
36 257
4-7-2019 pro
in profiel oost profielkol om2 b102 oostprof b103 uitbreidin g zuiddeel b105 oprof b104 noord profiel b101
PUT
1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
VLAK
SPOOR 10 11 12 13 14 10 15 16 1 7+8 19 10 10 1 10 1 11 1 12+13 1 14 1 15 1 16 1 11
3-7-2019 3-7-2019 3-7-2019 3-7-2019
1 1 1 1
1 12,13,10 1 14 1 16 1 10
4-7-2019
1
10
4-7-2019 4-7-2019 4-7-2019
1 1 1
10 13 15
4-7-2019 4-7-2019 4-7-2019 4-7-2019 4-7-2019 4-7-2019 4-7-2019
1 1 1 1 1 1 1
10 1 17 1 18 1 19 14 1 17 11 0
4-7-2019
1
10 0
4-7-2019
1
12 0
33
Ondergronds
Bijlage 3: Profielkolommen 257SEK19
boring: 257SEK-101
datum: 19-12-2019, X: 0,00, Y: 0,00, precisie locatie: 1 cm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, provincie: Overijssel, gemeente: Zwolle, plaatsnaam: Zwolle, opdrachtgever: Gemeente
0 cm -Mv
Algemeen: aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, donkerbruin, matig fijn Bodemkundig: strooisellaag
32 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtbruin, matig fijn Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, enkele Fe-vlekken
46 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, zeer fijn, spoor plantenresten Bodemkundig: C-horizont, veel Fe-vlekken
62 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, zeer fijn Bodemkundig: C-horizont, enkele Fe-vlekken
92 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, bruin, zeer fijn Bodemkundig: C-horizont
Einde boring op 128 cm -Mv
34
257SEK19
boring: 257SEK-102
datum: 19-12-2019, X: 0,00, Y: 0,00, precisie locatie: 1 cm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, provincie: Overijssel, gemeente: Zwolle, plaatsnaam: Zwolle, opdrachtgever: Gemeente
0 cm -Mv
Algemeen: aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, donkerbruin, matig fijn Bodemkundig: strooisellaag
25 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtbruin, matig fijn Bodemkundig: A-horizont, enkele Fe-vlekken
45 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, geelbruin, matig fijn Bodemkundig: B-horizont
64 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, geelgrijs, zeer fijn Bodemkundig: C-horizont
89 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, zeer fijn Bodemkundig: C-horizont
Einde boring op 240 cm -Mv
2 35
Ondergronds
257SEK19
boring: 257SEK-103
datum: 19-12-2019, X: 0,00, Y: 0,00, precisie locatie: 1 cm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, provincie: Overijssel, gemeente: Zwolle, plaatsnaam: Zwolle, opdrachtgever: Gemeente
0 cm -Mv
Algemeen: aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, donkerbruin, matig fijn Bodemkundig: strooisellaag
30 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtbruin, matig fijn Bodemkundig: A-horizont, enkele Fe-vlekken
54 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, bruingeel, matig fijn Bodemkundig: enkele Fe-vlekken, interpretatie: gebioturbeerd
75 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, bruingeel, matig fijn
118 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, lichtbruingrijs, matig fijn
133 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, zeer fijn Bodemkundig: C-horizont
Einde boring op 160 cm -Mv
36
3
257SEK19
boring: 257SEK-104
datum: 19-12-2019, X: 0,00, Y: 0,00, precisie locatie: 1 cm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, provincie: Overijssel, gemeente: Zwolle, plaatsnaam: Zwolle, opdrachtgever: Gemeente
0 cm -Mv
Algemeen: aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, donkerbruin, matig fijn Bodemkundig: strooisellaag
34 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, bruin, matig fijn Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont
52 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkergeel, matig fijn Bodemkundig: veel Fe-vlekken
79 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, lichtgeelgrijs, zeer fijn Bodemkundig: C-horizont, enkele Fe-vlekken
94 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, geelbruin, zeer fijn Bodemkundig: C-horizont
114 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtbruin, zeer fijn Bodemkundig: C-horizont
120 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, geelbruin, zeer fijn Bodemkundig: C-horizont
Einde boring op 124 cm -Mv
4 37
Ondergronds
257SEK19
boring: 257SEK-105
datum: 19-12-2019, X: 0,00, Y: 0,00, precisie locatie: 1 cm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, provincie: Overijssel, gemeente: Zwolle, plaatsnaam: Zwolle, opdrachtgever: Gemeente
0 cm -Mv
Algemeen: aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, donkerbruin, matig fijn Bodemkundig: strooisellaag
27 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, lichtbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, enkele Fe-vlekken
50 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkergeelbruin, matig fijn Bodemkundig: B-horizont met ingespoelde humus, veel Fe-vlekken
74 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgeelgrijs, zeer fijn Bodemkundig: C-horizont
93 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, donkerbruin, zeer fijn
98 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgeelgrijs, zeer fijn Bodemkundig: C-horizont
102 cm -Mv
Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, zeer fijn Bodemkundig: C-horizont
Einde boring op 124 cm -Mv
5 38
39