Bijlage 14 - Natuurtoets 01-05-2024
Tekst van het document
Natuurtoets
Gombertstraat, Zwolle Toetsing in het kader van de Omgevingswet (OW) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Mei 2024
Definitief
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
NATUURTOETS GOMBERTSTRAAT, ZWOLLE
Auteur: Veldwerk uitgevoerd door: Gecontroleerd door: Opdrachtgever: Status: Datum: Projectnummer:
Q. Vos – Update naar Omgevingewet Q. Vos S. van Staa deltaWonen Definitief 8 november 2022 / mei 2024 2022-521
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
1
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING .................................................................................... 3 1.1 AANLEIDING ................................................................................................................................. 3 1.2 DOELSTELLING .............................................................................................................................. 3 HOOFDSTUK 2 PLANGEBIED................................................................................. 4 2.1 LIGGING ...................................................................................................................................... 4 2.2 IMPRESSIE EN BEGRENZING ............................................................................................................. 4 2.3 VOORGENOMEN INGREPEN ............................................................................................................. 7 2.4 VASTSTELLEN VAN HET ONDERZOEKSGEBIED ...................................................................................... 7 HOOFDSTUK 3 WETTELIJK KADER ......................................................................... 9 3.1 OMGEVINGSWET .......................................................................................................................
10 HOOFDSTUK 4 WERKWIJZE ............................................................................... 15 4.1 NATURA 2000 ........................................................................................................................... 15 4.2 SOORTENBESCHERMING ............................................................................................................... 15 4.3 HOUTOPSTANDEN ....................................................................................................................... 16 4.4 WET RUIMTELIJKE ORDENING: NATUURNETWERK NEDERLAND ........................................................... 16 HOOFDSTUK 5 RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING ................................................ 17 5.1 NATURA 2000 ........................................................................................................................... 17 5.2 NATUURNETWERK NEDERLAND ..................................................................................................... 18 HOOFDSTUK 6 RESULTATEN SOORTBESCHERMING................................................... 19 6.1 VOGELS ..................................................................................................................................... 19 6.2 GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN ...................................................................................................
20 6.3 VLEERMUIZEN ............................................................................................................................ 20 6.4 OVERIGE SOORTEN ...................................................................................................................... 22 6.5 SAMENVATTENDE TABEL............................................................................................................... 22 HOOFDSTUK 7 CONCLUSIE EN ADVIES................................................................... 23
BIJLAGEN
……………………………………………………………………………………………..25
BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4
GERAADPLEEGDE BRONNEN ................................................................................................... 26 TOELICHTING OP WETTELIJKE KADERS ...................................................................................... 27 VRIJGESTELDE SOORTEN PER PROVINCIE ................................................................................... 30 NATUURKALENDER ............................................................................................................... 31
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
2
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Hoofdstuk 1
INLEIDING
1.1 Aanleiding Er zijn plannen voor de herontwikkeling van een perceel gelegen aan de Gombertstraat in Zwolle. De initiatiefnemer is voornemens om een gedeelte van de bebouwing te slopen om er vervolgens nieuwbouw te realiseren. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden, is BJZ.nu door initiatiefnemer gevraagd om een natuurwaardenonderzoek uit te voeren. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.
1.2 Doelstelling In het voorliggende rapport worden mogelijke effecten van het project op de natuur in kaart gebracht en getoetst aan de kaders van de Omgevingwet (Soortbescherming, Gebiedsbescherming en bescherming van Houtopstanden) en de provinciale verordening voor het onderdeel betreffende het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties in beeld gebracht. De resultaten hebben in principe een geldigheid van drie jaar. Wijzigingen in het project of wezenlijke veranderingen binnen het onderzoeksgebied kunnen invloed hebben op de beoordeelde effecten. In dat geval dient een nieuwe beoordeling plaats te vinden. De onderzoeksvragen voor deze natuurtoets zijn: • Welke beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies kunnen voorkomen binnen (de invloedsfeer van) het plangebied? • Welke negatieve effecten kunnen vanuit het voornemen op deze gebieden, soorten en houtopstanden worden verwacht of niet worden uitgesloten? • Zijn er voorzorgsmaatregelen te treffen om deze effecten te voorkomen? • Is er nader onderzoek nodig om effecten op beschermde gebieden te bepalen en/of om de aanwezigheid van beschermde soorten vast te stellen of uit te sluiten?
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
3
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Hoofdstuk 2
PLANGEBIED
2.1 Ligging Het plangebied (Figuur 2.1) bevindt zich aan de Gomberstraat, Zwolle. Het plangebied ligt middenin de woonkern van Zwolle.
Figuur 2.1: Ligging van het plangebied (rode omlijning) (Bron: PDOK).
2.2 Impressie en begrenzing Het plangebied (Figuur 2.2) bestaat uit bebouwing en deel verruigd gebied. Het blauwe gedeelte wordt behouden, de rest wordt gesloopt. De vier gele gebouwen zijn de gebouwen die gesloopt gaan worden. Dit zijn alle losstaande gebouwen, waardoor de gevels van de behouden bebouwing niet wordt aangetast.
4
1 2
3
Figuur 2.2: Impressie van het plangebied (Bron: PDOK).
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
4
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Figuur 2.3 (rechts): Noordzijde gebouw 1; Figuur 2.4 (links): Noordoostzijde gebouw 1.
Figuur 2.5: Oostzijde van gebouw 1; Figuur 2.6 (rechts): noordwestzijde gebouw 1.
Figuur 2.7 (links): Noordzijde gebouw 2; Figuur 2.8 (rechts): Oostzijde gebouw 2.
Figuur 2.9 (rechts): Zuidzijde gebouw 2.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
5
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Figuur 2.10 (links): Oostzijde gebouw 3; Figuur 2.11 (rechts): Westzijde gebouw 3.
Figuur 2.12 (links): Noordzijde gebouw 4; Figuur 2.13 (rechts): Oostzijde gebouw 4.
Figuur 2.14 (links): Beplanting oostzijde gebouw 4; Figuur 2.15 (rechts): Zuidzijde gebouw 4.
Figuur 2.16 (links): Impressie verruigd gebied ; Figuur 2.17 (rechts): Rommelhoek in het verruigde gebied.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
6
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
2.3 Voorgenomen ingrepen Het voornemen ziet toe om een gedeelte van de bebouwing te slopen om er vervolgens nieuwbouw te realiseren. Figuur 2.18 weergeeft een impressie van de gewenste situatie.
Figuur 2.18: Verbeelding van het wenselijk eindbeeld (Bron: Initiatiefnemer).
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet: • Verwijderen beplanting; • Sloopwerkzaamheden; • Uitvoeren grondverzet; • Bouwwerkzaamheden; • Aanleggen erfverharding; • Aanleggen erfbeplanting. Voorgenoemde ingrepen zijn onder te verdelen in tijdelijke en permanente effecten. Tijdelijke effecten treden alleen op tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Deze tijdelijke effecten kunnen leiden tot de verstoring van rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden. Permanente effecten daarentegen kunnen een gevolg zijn van de activiteiten zelf alsmede de resultaten hiervan. Ze kunnen leiden tot: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten.
2.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Naast een tijdelijk effect in het plangebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het plangebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
7
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Bij het bepalen van de invloedsfeer wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden. Het plangebied grenst aan woningen. Het is niet aannemelijk dat beschermde waarden nabij het plangebied negatief beïnvloed worden door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. De fysieke werkzaamheden hebben een minimale invloedssfeer, daarom wordt het onderzoeksgebied gelijkgesteld aan het plangebied.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
8
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Hoofdstuk 3
WETTELIJK KADER Het wettelijk kader weergeeft de diverse kaders waaraan het initiatief getoetst wordt. 3.1 Omgevingswet Voor het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen is o.a. Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt de Wet natuurbescherming. In deze wet is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. In dit Natuurwaardenonderzoek worden de verschillende onderdelen van de omgevingswet getoetst. Omdat een veld- en bureauonderzoek geen zekerheid geeft of de omgevingswet wordt overtreden, wordt de potentie van het object ingeschat voor wat betreft beschermde soorten. Indien het object potentie heeft, zal een aanvullend onderzoek vast moeten stellen of uit moeten sluiten of er beschermde soorten gebruik maken van de opstallen. Potentie-inschatting vindt plaats op basis van habitatkenmerken, habitatseisen en ervaring van de ecoloog. De Omgevingswet is een wet die alle regels omvat met betrekking tot alle activiteiten in de fysieke leefomgeving. De wet bundelt 26 wetten die gaan over de regels met betrekking tot onder meer infrastructuur, bouwwerken, water, lucht, bodem, milieu, cultureel erfgoed en natuur. Het doel van de nieuwe wet is een vereenvoudiging van de regels voor de fysieke leefomgeving en een duurzame ontwikkeling en beschermen en verbeteren van het leefmilieu.
Om alle regels voor de fysieke leefomgeving op een gestructureerde manier te regelen, is er sprake van een stelsel Omgevingswet. Het stelsel Omgevingswet kent een bepaalde opbouw, die bepalend is voor waar de relevante onderdelen terug te vinden zijn met betrekking tot de verschillende onderwerpen van de fysieke leefomgeving, waaronder natuurbescherming. Het stelsel bestaat uit een algemene wettekst – de Omgevingswet zelf – dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in zogenaamde uitvoeringswetten (Algemene Maatregelen van Bestuur, of AMvB’s) en de Omgevingsregeling. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming in de Ow bestaat uit een beschermingsregime voor Natura 2000- gebieden, regels voor de aanwijzing en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Hieronder zijn per gebiedscategorie de regels beknopt toegelicht. In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht.
Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6, 2e lid onder d), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6, 2e lid onder f). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord. De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten (zie hierna) maar ook voor activiteiten die conform een Natura 2000-beheerplan worden uitgevoerd of activiteiten die géén kans hebben op een significant gevolg. Het is overigens niet zo dat als in het kader van de specifieke zorgplicht passende preventieve of herstelmaatregelen worden genomen, onder de vergunningplicht van een Natura 2000-activiteit uit kan worden gekomen. Mitigatie mag namelijk niet worden meegenomen in de voortoets van een project om te bepalen of het project leidt tot een kans op een significant gevolg en het project om die reden als een Natura 2000-activiteit moet worden beschouwd. De volgorde van toetsing van een
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
9
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
voornemen aan de specifieke zorgplicht en de vergunningplicht zijn daarom van groot belang. Hierna wordt daar nader op ingegaan. Als de invulling van de specifieke zorgplicht niet helder is of het onduidelijk is of gedragingen onder de zorgplicht vallen, heeft het bevoegd gezag de ruimte om deze nader te duiden in een maatwerkvoorschrift, vergunningvoorschrift (indien vergunning) of maatwerkregel. Te denken valt aan een maatwerkregel in een provinciale Omgevingsverordening waarin staat hoe aan de specifieke zorgplichtbepaling kan worden gehouden. Natura 2000 projecten: Er is een onderscheid tussen een ‘Natura 2000-activiteit’ en andere type activiteiten. Een ‘Natura 2000-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’ Een Natura 2000-activiteit is vergunning plichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een ‘vergunningsvrij geval’ (art. 11.16 t/m 11.21 Bal, zie hierna).
Activiteiten die nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden (om de doelstellingen te kunnen halen) of geen significante gevolgen hebben, vallen niet onder de regels voor een Natura 2000-activiteit. Er moet dan eerst worden getoetst wat de effecten zijn van een activiteit op Natura 2000-gebieden voordat duidelijk is hoe de activiteit moet worden aangeduid. Gezien de huidige praktijk, blijft er daarmee de noodzaak voor het uitvoeren van een voortoets die deze helderheid kan bieden. De uitslag van deze toets is van belang voor het vervolg van de behandeling van de activiteit. Is er sprake van een Natura 2000-activiteit dat niet vergunningsvrij is, dan is er een nader onderzoek nodig in de vorm van een passende beoordeling voordat een vergunning kan worden verleend. De regels waar een Passende Beoordeling aan moet voldoen staan in art. 16.53c Ow en art. 8.74b Bkl. Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan de vergunning voor het project worden verleend als de zogenaamde ADCtoets met succes is doorlopen (art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl). Natuurnetwerk Nederland De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie conform artikel 7.7 Bkl.
In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld waar in de regel de bestaande natuurwaarden en het ambitieniveau zijn aangegeven middels natuurbeheertypen. Het hangt echter per provincie af hoe zij de wezenlijke kenmerken en waarden hebben gedefinieerd; in tegenstelling tot het Barro ontbreekt een definitie van de wezenlijke kenmerken en waarden in de Ow. In artikel 7.7, 2e lid Bkl wordt aangegeven dat deze waarden worden bepaald met inachtneming van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder g, van de wet. Hiermee wordt gedoeld op de verantwoordelijkheid van de provincies om, op het gebied van natuur, zorg te dragen voor het behoud of herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, van hun biotopen en habitats, en van in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, in overeenstemming met de internationaalrechtelijke verplichtingen. Hieruit kan worden gehaald dat het NNN mede als doel heeft om deze taken te bereiken, zodat dit artikel in taakstelling overeenkomt met artikel 1.12, 2e lid Wnb. Daarnaast heeft de provincie zelf de ruimte om te bepalen of zij ook potentiële natuurwaarden (en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities) meenemen in de definiëring van de wezenlijke kenmerken en waarden (art. 7.7, 2e lid Bkl).
Dit komt min of meer overeen met de definitie van wezenlijke kenmerken en waarden in het Barro, die ook aangeeft dat de potentiële waarden worden meegenomen ‘voor zover deze natuurwaarden en condities in het licht van de internationale biodiversiteitdoelstellingen relevant zijn’.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
10
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Beschermingsregime Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art. 7.8, 2 e lid Bkl, dat een instructieregel betreft voor uitwerking van het beschermingsregime in de Omgevingsverordeningen van provincies: ‘De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerkactiviteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.” Een vergelijkbare instructieregel voor de bescherming van het NNN is opgenomen voor projectbesluiten die door het Rijk wordt vastgesteld in art. 9.3, 1 e lid Bkl. Het grote verschil met de huidige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is dat er onder de Ow geen strikt ‘nee, tenzij’-principe meer geldt. Er is geen noodzaak meer om een groot openbaar belang aan te tonen of reële alternatieven af te wegen om de NNN te mogen aantasten. Daarentegen dient er in plaats van bij een significante aantasting, nu bij nadelige gevolgen te worden gecompenseerd dat er in de praktijk vaker zal leiden tot een compensatieplicht.
Doordat er echter onder de Ow sprake is van een ‘ja, mits’-principe, kan een afzwakking van de bescherming van de NNN worden gelezen. De daadwerkelijke afzwakking van de bescherming van de NNN hangt erg af van de uitwerking van de regels in de provinciale Omgevingsverordeningen. Een deel van de nieuwe Omgevingsverordeningen van provincies zijn (vooralsnog) beleidsneutraal en komen overeen met het beschermingsregime conform het Barro (‘nee, tenzij’-principe aan de hand van zogenaamde ADC-criteria), een ander deel heeft echter de regels geconformeerd aan de regels in de Ow. Of nieuwe of gewijzigde Omgevingsverordeningen na het loslaten van een beleid neutrale overgang een ander beschermingsregime zullen bevatten, zal de toekomst uitwijzen. Meer informatie over de ligging van het NNN en het geldende natuurbeheerplan met de huidige staat en het ambitieniveau van het NNN, is te vinden op de Informatiekaart Natuur. https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/applicaties-en-databanken/informatiekaartnatuur-ikn/ Bijzondere natuurgebieden en landschappen Het Rijk kan op basis van art. 2.44, lid 2 Ow zogeheten bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen.
De bijzondere nationale natuurgebieden kunnen worden aangewezen vooruitlopend op de aanwijzing of begrenzing als Natura 2000-gebied, bijvoorbeeld als het gaat om compensatie voor handelingen die leiden tot een significant gevolg of als het gaat om gebieden die nodig zijn om de doelstellingen van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn te bereiken (art. 3.63 Bkl). Daarnaast kan het Rijk ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen als de bescherming van het gebied nodig is voor de instandhouding of herstel van biotopen en leefgebieden van in Nederland van nature in het wild voorkomende soorten genoemd in bijlage I Vogelrichtlijn of Bijlage I, II, IV of V Habitatrichtlijn. In die gevallen bevat het aanwijzingsbesluit instandhoudingsdoelstellingen (art. 3.64 Bkl). Het ministerie van LNV heeft de taak zorg te dragen dat de maatregelen worden getroffen voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van deze type natuurgebieden (art. 2.19, lid 5 Ow), tenzij Gedeputeerde Staten is aangewezen om deze taak uit te voeren (art. 2.18, lid 1, onder g, 2°, tweede streepje Ow). Voor de bescherming van bijzondere nationale natuurgebieden geldt, naast een mogelijke toegangsbeperking, de specifieke zorgplicht zoals genoemd in art. 11.6 Bal (zie hiervoor). De provincies kunnen zogeheten bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art.
2.44, lid 5 Ow). Niet iedere provincie hanteert dezelfde juridische bescherming. Sommige hanteren alleen een predicaat, anderen hanteren een soort ADC-criteria (‘nee, BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
11
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
tenzij’-principe) en daarmee juridische beschermingsregime naast NNN en Natura 2000. Kijk voor de geldende regels in de van toepassing zijnde provinciale Omgevingsverordening. Soortbescherming Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Anders dan bij een ‘Natura 2000-activiteit’, waarvan pas sprake is als een activiteit leidt tot een kans op significante gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden (zie hiervoor), is er al sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ als het een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet. Doordat in de definitie wordt verwezen naar ‘van nature’ in het wild levende soorten, gaat de definitie niet op voor niet-van nature voorkomende soorten. Met andere woorden, de regels voor flora- en fauna-activiteiten gelden niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld. Als er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art.
11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen). Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden de artikelen 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ die, zoals hiervoor aangegeven, vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). 8 Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht die in de Omgevingswet staat (zie hiervoor).9 Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn.
Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: • Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl; • Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl; • nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal); • dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; • voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Verder wordt er ook gevraagd om tijdens en na het verrichten van de activiteit na te gaan of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning.
De zorgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten. Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (artikel 11.29 Bal) of maatwerkvoorschriften (artikel 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift. Zoals ook aangegeven hiervoor met betrekking tot de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, is de kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en faunaBJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
12
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
activiteiten dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. In art. 11.27, tweede lid onder b Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarnaast zijn de overige voorwaarden in het tweede lid onder c t/m f zodanig concreet dat in deze bewoording kan worden gelezen dat er aantoonbaar aan deze voorwaarden moet worden voldaan, zeker ook met in het achterhoofd dat de specifieke zorgplichten in de Omgevingswet zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te kunnen voldoen, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek wordt vastgelegd. Hiertoe kan door ecologische adviesbureaus – naast een bureaustudie door raadpleging van verspreidingsgegevens in tools zoals de NDFF – een ‘Habitatcheck’ worden uitgevoerd naar het voorkomen van de genoemde soorten, op basis van de geschiktheid van het aanwezige habitat als leefgebied van deze soorten.
Afhankelijk van het aan te treffen habitat, kan daardoor goed inzicht worden verkregen in het mogelijk voorkomen van soorten of soortgroepen. Of een nader onderzoek ook naar redelijkheid kan worden gevergd om de aanwezigheid te kunnen uitsluiten, zal afhangen van de opdrachtgever. Vervolgens moet worden beschreven in de Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten of dat deze kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt door maatregelen zoals hiervoor aangegeven. De soortenbeschermingsregimes In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: § 11.2.2 Bal: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn § 11.2.3 Bal: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn § 11.2.4 Bal: omgevingsvergunning andere soorten Onder iedere paragraaf zijn de vergunning plichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval.
De inhoud van de schadelijke handelingen komen overeen met de verbodsbepalingen van de soortenbeschermingsregimes uit de Wnb, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen:
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
13
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief Schadelijke handelingen Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal):
Schadelijke handelingen Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal):
Schadelijke handelingen andere soorten (art. 11.54 Bal)
Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in art. 1 Vrl
Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren Hrl bijlage IV, onder a, Bern bijlage II, Bonn bijlage I (ex. vogels art. 1 Vrl);
Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A
Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels
Het opzettelijk verstoren van dieren
Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren
Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels
Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren
Het opzettelijk storen van vogels*
Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren
Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B
Het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage I verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
14
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Hoofdstuk 4
WERKWIJZE
In dit hoofdstuk worden de wettelijk vastgelegde beoordelingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt.
4.1 Natura 2000 Voor de oriëntatie in het kader van de Gebiedsbescherming is bekeken of nabijgelegen Natura 2000gebieden mogelijk significante directe en indirecte effecten ondervinden van de beoogde ingrepen.
4.2 Soortenbescherming In de Wnb is de soortenbescherming in Nederland geregeld. Voor de totstandkoming van het advies betreffende dit onderzoek zijn de volgende stappen gezet: 1. Bureaustudie; 2. Veldbezoek; 3. Concluderende analyse.
Bureaustudie De bureaustudie bestaat uit het bestuderen van (de geschiedenis van) het plangebied, bronnenonderzoek en een analyse van de flora- en faunagegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Voor verdere verkenning in het kader van de Soortenbescherming is een analyse van de bestaande flora- en faunagegevens uitgevoerd. Hierbij zijn de gegevens van beschermde soorten in een straal van 500 meter rondom het plangebied van de laatste 5 jaar opgevraagd in de NDFF. Het plangebied bestaat uit bebouwing en verruigd gebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • Vogels; • Vleermuizen; • Grondgebonden zoogdieren. Het is niet te verwachten dat beschermde soorten als amfibieën, reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen binnen het onderzoeksgebied voorkomen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.
Veldbezoek Het veldbezoek heeft een verkennend karakter en kan daarom niet worden gezien als uitputtende soorteninventarisatie. In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 19 oktober 2022 te voet bezocht door Q. Vos. Het plangebied is visueel en auditief onderzocht op de aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Hierbij is gebruik gemaakt van een verrekijker en een zaklamp. Tijdens het veldbezoek was het 17 graden Celsius, overwegend bewolkt. Gedurende het veldbezoek is het volgende onderzocht: • Houtopstanden en struweel; BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
15
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
• • • • •
Bestaande bebouwing en potentiële rust- en verblijfsplaatsen; Sporen in de vorm van holen en nesten; Sporen in de vorm van pootafdrukken, graaf-, krab- en bijtsporen; Sporen in de vorm van fecaliën, veren/haren en prooiresten; Overige indicaties die wijzen op de aanwezigheid van beschermde soorten.
Analyse en conclusie Aan de hand van de verzamelde verspreidingsgegevens en de resultaten van het veldbezoek is beoordeeld voor welke beschermde soorten geschikt habitat aanwezig is in en/of rondom het plangebied. De beoogde ingrepen zijn beoordeeld in relatie tot de biotoopeisen van de beschermde soorten uit het plangebied. Bij voldoende zekerheid over het al dan niet voorkomen van beschermde soorten, zijn mogelijke (negatieve) effecten bepaald. Ten slotte is beoordeeld of wettelijke consequenties aan de orde zijn. In hoeverre het mogelijk is om een complete effectenanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en duidelijkheid over de beoogde werkzaamheden en uitvoeringsplanning.
4.3 Houtopstanden Omdat het plangebied binnen de bebouwde kom ligt, is er geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen als weergeven in H4 van de Wnb. Om deze reden worden Houtopstanden ook niet verder behandeld in voorliggende rapportage.
4.4 Wet ruimtelijke ordening: Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd. Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het NNN. Ter beoordeling van de voorgenomen activiteiten in relatie tot de NNN is gekeken naar de nabijheid van NNN en de eventuele (negatieve) effecten op de aanwezige natuurwaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
16
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Hoofdstuk 5
RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5.1 Natura 2000 5.1.1 Ligging t.o.v. het plangebied Het plangebied ligt op minimaal 1,5 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000gebied, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (Figuur 5.1).
Figuur 5.1: Ligging van Natura 2000 in de omgeving van het plangebied (rode omlijning). Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de blauwe kleur op de kaart aangeduid. De minimale afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied bedraagt 1,5 km (Bron: PDOK).
5.1.2 Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Van verstoringseffecten, zoals geluid, optische verstoring of licht is derhalve geen sprake. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen plangebied en Natura 2000-gebied, wordt een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op 2 november 2022, is de partiële vrijstelling voor de aanlegfase/bouwfase niet meer geldig. De al definitief verleende vergunningen zullen hier geen gevolgen van ondervinden in tegenstelling tot nog te verlenen vergunningen. Dat houdt in dat stikstofemissie welke ontstaat tijdens de ontwikkelfase ook beoordeeld dient te worden op mogelijke negatieve effecten op Natura-2000 gebied. Om vast te kunnen stellen of sprake is van toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Beoordeling stikstof (toekomstige gebruiksfase) Het is aannemelijk dat de voorgenomen ingrepen voor een gelijk aantal van verkeersbewegingen zal zorgen ten opzichte van de huidige situatie. Door de omvang en ingebruikname van het plangebied kan een negatief effect op Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden.
Om vast te kunnen stellen of sprake is van toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
17
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
5.2 Natuurnetwerk Nederland 5.2.1 Ligging t.o.v. het plangebied Het plangebied ligt op minimaal 1,4 kilometer afstand van gronden die tot het NNN behoren. Het plangebied ligt daarmee buiten de begrenzing van het NNN. In Figuur 5.2 wordt de ligging van het NNN in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 5.2: Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied (rode stip). Gronden die tot NNN behoren worden met de groene kleur op de kaart aangeduid. De minimale afstand tussen het plangebied en gronden die tot NNN behoren bedraagt 1,4 km (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl).
5.2.2 Beschermingsregime De bescherming van het NNN kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
18
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Hoofdstuk 6
RESULTATEN SOORTBESCHERMING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten en de bijbehorende wettelijke consequenties van de voorgenomen ingrepen. 6.1 Vogels 6.1.1 Jaarrond beschermde nestsoorten De aanwezige bebouwing in het plangebied is niet geschikt als potentiële rust- of verblijfplaats voor gebouwbewonende soorten als de huismus en gierzwaluw. Voor de gierzwaluw is een gebouw toegankelijk voor een vaste rust- of verblijfplaats als deze beschikken over geschikte holten en kieren, zoals ruimten onder dakpannen of andere kieren op minimaal 3 meter hoogte in verband met aan- en afvlieg mogelijkheden. Voor de huismus geldt dat deze graag onder dakpannen of in de dakgoten nestelen, maar kunnen ook in kieren langs de dakranden een nest bezetten. De bebouwing daarentegen is voorzien van platte daken met daktrim welke niet toegankelijk is voor deze soorten. In de bomen en struiken op en rond het plangebied is één nest gevonden in een boom in het verruigde gebied aan de zuidwestzijde (Figuur 6.1). Gezien het slechts om een enkel takkennest gaat, valt de aanwezigheid van koloniebroeders als de roek uit te sluiten. Er wordt niet verwacht dat het aangetroffen nest behoort tot soorten die een duidelijk nest bouwen als uilen of roofvogels.
Aanwezigheid van deze soorten is doorgaans gemakkelijk vast te stellen aan de hand van braakballen, schijtsporen, prooiresten en ruiveren. Daarbij is het onwaarschijnlijk dat deze soorten zich in het centrum van de stad vestigen.
Figuur 6.1: Nest in boom van verruigd gebied.
6.1.2 Categorie 5 beschermde nest soorten Er worden geen nesten van categorie 5 beschermde soorten verwacht als spechten of spreeuwen mede door het gebrek aan holenbomen binnen het plangebied. Daarnaast biedt het gebouw ook weinig mogelijkheden tot intreding voor spreeuwen om een verblijfplaats te kunnen faciliteren. Daarnaast is er geen zwaarwegende ecologische factor welke aanleiding geeft een jaarronde nestbescherming aan de soort toe te kennen. Er is voldoende alternatief nestgebied in de omgeving aanwezig waar naar uitgeweken kan worden. 6.1.3 Vogelsoorten algemeen Gedurende het veldbezoek is er een takkennest waargenomen in een boom in het verruigde gebied aan de zuidwestzijde van het plangebied. Er wordt vermoed dat deze van een algemene vogelsoort behoort. Echter zijn er geen indicaties gevonden rondom het nest om de soort te kunnen determineren. Bovendien valt er niet uit te sluiten dat er in het overige aanwezige struweel gedurende het broedseizoen geen nesten kunnen zitten.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
19
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
6.1.4 Wettelijke consequenties Er worden geen jaarrond beschermde nesten verwacht, nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Voor de overige in het plangebied verwachte soorten geldt dat uitsluitend het bezette nest, niet het oude of verlaten nest. Echter kan niet worden uitgesloten dat niet-jaarrond beschermde nestsoorten gedurende het broedseizoen een nest bezetten binnen het plangebied. Hierbij geldt het advies om werkzaamheden die kunnen leiden tot verstoring, vernieling of beschadiging van een bezet vogelnest buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustusfebruari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd en/of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
6.2 Grondgebonden zoogdieren Het plangebied behoort niet tot mogelijk functioneel leefgebied van marterachtigen. Er zijn geen sporen aangetroffen van marterachtigen binnen het plangebied in de vorm van graafsporen, prooiresten, uitwerpselen/ latrines etc. De aanwezige bebouwing is ongeschikt, er zijn geen holle ruimtes of openingen. Verder zijn er wel enkele rommelhopen (waaronder pallets) op het terrein aanwezig aan de zuidwestzijde die een mogelijke rust- of voortplantingsplaats zouden kunnen faciliteren. Echter, zijn er geen groenstructuren in de omgeving die daartoe leiden om zich tussen gebieden te verplaatsen. Ook is er weinig tot geen geschikt foerageergebied aanwezig. De egel is binnen de Provincie Overijssel niet vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen. In potentie zouden de struwelen verblijfplaatsen / leefgebied voor de egel kunnen zijn. Met de geplande ingreep (sloop en nieuwbouw met ongeveer dezelfde foodprint) zullen geen verblijfplaatsen dan wel leefgebied verloren gaan. De aanwezige struwelen blijven in tact. Nabij de planlocatie is ruim voldoende alternatief en geschikt leefgebied aanwezig. (Potentiële) verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen. Geadviseerd wordt om zorgvuldig te handelen ten behoeve van de egel.
Wettelijke consequenties Er wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Mits geen grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
6.3 Vleermuizen 6.3.1 Verblijfplaatsen De bebouwing wordt als potentiële verblijfplaats van vleermuizen beschouwd. De bebouwing beschikt over gemetselde buitengevels met open stootvoegen (Figuur 6.2) en plat dak met leren daklijsten. Deze daklijsten beschikken over kieren (Figuur 6.3) waardoor vleermuizen als dwergvleermuizen, laatvlieger, meervleermuis een verblijf in de spouwmuur kunnen bezetten. Ook is er een ventilatierooster aangetroffen (Figuur 6.4). Daarnaast zijn er geen holenbomen, loszittende bast of scheuren in bomen waargenomen, waardoor aanwezigheid van boombewonende soorten kunnen worden uitgesloten.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
20
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Figuur 6.2 (links): Stootvoeg; Figuur 6.3 (rechts): Kier onder daklijst.
Figuur 6.4: Ventilatierooster.
6.3.2 Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende rond de bomen en struiken. Daarnaast is verderop meer dan alternatief foerageergebied aanwezig. Hierdoor wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. 6.3.3 Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied (en van foerageergebied naar verblijfplaats) of tussen verblijven te vliegen. Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt mogelijk een verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Echter worden er geen lijnvormige elementen onderbroken als gevolg van de werkzaamheden omdat er geen bomen gekapt worden. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.
6.3.4 Wettelijke consequenties Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en wordt mogelijk een vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet beschadigd en vernield worden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
21
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in beeld te krijgen is nader onderzoek naar gebouwbewonende soorten als dwergvleermuizen, meervleermuis en laatvlieger nodig. Dit nader onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol1. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op essentiële foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen.
6.4 Overige soorten Er zijn gedurende het veldbezoek geen sporen of andere indicaties aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van andere beschermde flora- of faunasoorten en het plangebied biedt geen geschikte habitat of valt buiten de nationale verspreiding van andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing wordt niet noodzakelijk geacht.
6.5 Samenvattende tabel Tabel 6.1: Samenvatting Soortenbescherming
Soortgroep
Vogels
Grondgebonden zoogdieren
Vleermuizen
Overige soorten
Mogelijk voorkomende soorten
Te beoordelen effecten?
Overtreding Wnb
Vervolgstappen
Algemene soorten
Verstoring broedende vogels en doding van individuen.
Art. 3.1, lid 1, 2 en 4.
Marterachtigen
Verstoring en doding van individuen en aantasten van verblijfplaatsen en foerageergebied. Verstoring en doding van individuen en aantasten van verblijfplaatsen. Niet van toepassing.
Art. 3.10, lid 1a en 1b.
Nemen voorzorgsmaatregelen om verstoring broedende vogels te voorkomen, uitvoeren werkzaamheden buiten broedperiode of onder toeziend oog van een ervaren ecoloog. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Gebouwbewonende soorten
Niet aanwezig.
Art 3.5 lid 1, 2 en 4.
N.v.t.
Nader onderzoek naar gebouwbewonende soorten (dwergvleermuizen, meervleermuis en laatvlieger) wordt noodzakelijke geacht. Niet van toepassing.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
22
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Hoofdstuk 7
CONCLUSIE EN ADVIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor beschermde soorten die niet op de vrijstellingslijst (bijlage 3) van de provincie staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Gebiedsbescherming Het is aannemelijk dat de voorgenomen ingrepen voor een gelijk aantal van verkeersbewegingen zal zorgen ten opzichte van de huidige situatie. Door de omvang en ingebruikname van het plangebied kan een negatief effect op Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Om vast te kunnen stellen of sprake is van toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. De bescherming van het NNN kent geen externe werking.
Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. Vogels Er worden geen jaarrond beschermde nesten verwacht, nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Voor de overige in het plangebied verwachte soorten geldt dat uitsluitend het bezette nest, niet het oude of verlaten nest. Echter kan niet worden uitgesloten dat niet-jaarrond beschermde nestsoorten gedurende het broedseizoen een nest bezetten binnen het plangebied. Hierbij geldt het advies om werkzaamheden die kunnen leiden tot verstoring, vernieling of beschadiging van een bezet vogelnest buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustusfebruari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd en/of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Grondgebonden zoogdieren Er wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Vleermuizen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en wordt mogelijk een vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in beeld te krijgen is nader onderzoek naar gebouwbewonende soorten als dwergvleermuizen, meervleermuis en laatvlieger nodig. Dit nader onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol1. Overige soorten Het is uitgesloten dat er negatieve effecten op beschermde overige soorten optreden. Het uitvoeren van een nader onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing is niet aan de orde.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
23
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Omgevingswet. Voor zover van toepassing (eventueel aangetroffen soorten) kan uit het oogpunt van zorgvuldig handelen aangesloten worden voor de desbetreffende ontwikkeling bij de natuurkalender zoals opgenomen in bijlage 4. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Onder geschikte zorgplichtmaatregelen voor soorten die niet opgenomen zijn als beschermde soorten vallen onder andere: - Aangetroffen dieren de kans bieden te vluchten of naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden te verplaatsen. - Potentiële schuilplaatsen te controleren op de aanwezigheid van schuilende dieren. - Dieren enkel buiten de kwetsbare perioden te verstoren. - Het tijdig ongeschikt maken van schuilplaatsen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
24
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
BIJLAGEN Bijlage 1: Geraadpleegde bronnen Bijlage 2: Toelichting op wettelijke kaders Bijlage 3: Vrijgestelde soorten per provincie Bijlage 4: Natuurkalender
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
25
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Bijlage 1
Geraadpleegde bronnen
Internet Verspreidingsatlas Natura 2000 Beschermde soorten Vleermuisprotocol AERIUS-calculator Ruimtelijkeplannen.nl Nationale Databank Flora en Fauna Effectenindicator
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
26
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Bijlage 2
Toelichting op wettelijke kaders
De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Drie beschermingsregimes De Omgevingswet kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd.
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: 1. Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. 2. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. 3. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een Gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Omgevingswet sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort.
Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
27
TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief
Onder de Omgevingswet is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van tevoren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de Gedragscode. In de Omgevingswet zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk. Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Omgevingswet beschermd worden maar dat op grond van de Floraen faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een Gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Omgevingswet geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de Gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Omgevingswet.