CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Advies commissie MER op Omgevingseffectrapportage

Raad Besluitvormingsronde 9 februari 2026, gemeente ZwolleBij agendapunt: Zienswijzen & zienswijzenota aangevulde ontwerp-Omgevingsvisie3.806 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanvulling Omgevingsvisie gemeente Zwolle

Voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport 13 januari 2026 / projectnummer: 3872

Advies over het OER in het kort Gemeente Zwolle stelt een nieuwe omgevingsvisie op. Hierin staat de visie van de gemeente op de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2040 met een doorkijk naar 2050. Hoofdthema van de nieuwe omgevingsvisie (hierna: OVI) is groeien in balans met water, klimaat, natuur en leefkwaliteit. Thema's die hierbij aan bod komen zijn onder andere leven met water, mobiliteit, klimaatadaptatie, energie en vitale economie. Brede welvaart is een overkoepelend thema in de OVI. De nieuwe Omgevingsvisie “Zwolle van Overmorgen” uit 2025 is een aanvulling op de bestaande omgevingsvisie uit 2021 “Zwolle van Morgen”, waarvoor een omgevingseffectrapport is opgesteld1. Voor het besluit over de nieuwe omgevingsvisie is ook een omgevingseffectrapport (hierna: OER)2 opgesteld. Het OER heeft alleen betrekking op de aanvullende beleidskeuzes; het bestaande beleid is als referentie gebruikt. De gemeente heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie) gevraagd te adviseren over de inhoud van het OER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het OER. Wat staat in het OER? In het OER wordt gewerkt met vier strategische toekomstscenario’s. Deze scenario’s zijn een uitwerking van de toekomstbeelden van het PBL3, die in samenwerking met betrokkenen zijn uitgewerkt voor Zwolle4.

Op basis hiervan zijn twee concrete alternatieven geformuleerd. Alternatief 1 neemt belangrijke uitgangspunten over uit het scenario ‘Natuurlijk Zwolle’, dat een zwaartepunt heeft rondom water en natuur. De woningbouwopgave in dit alternatief is 5.000 woningen. Alternatief 2 is grotendeels gebaseerd op het scenario ‘Poort naar Stedelijk Netwerk Nederland’ dat zich sterker op economische aspecten richt. De woningbouwopgave is hier 19.700 woningen. De alternatieven zijn beoordeeld op de mate waarin de ambities ‘versterken stedelijkheid en economie’, ‘vitale, solidaire en gezonde duurzame stadsdelen’ en ‘klimaatbestendig en energieneutraal’ bereikt kunnen worden. Alternatief 1 scoort beter op aspecten als gezonde leefstijl en waterkwaliteit. Alternatief 2 scoort beter op aspecten als woningaanbod, werkgelegenheid, bereikbaarheid, veiligheid omgeving en hittestress. De beoordelingen hebben mede geleid tot het opstellen van het voorkeursalternatief (VKA) dat op basis van dezelfde criteria is beoordeeld.

Wat is het advies van de Commissie? De Commissie heeft kennisgenomen van de ontwerp-omgevingsvisie. Ze waardeert dat de gemeente zo snel met een aanvulling komt om de huidige OVI aan te passen aan de uitdagingen waar Zwolle voor staat. Ook waardeert de Commissie het streven van Zwolle om

1

Zie Omgevingseffectrapport Omgevingsvisie gemeente Zwolle - Commissie mer.

2

Het OER is formeel een milieueffectrapport (MER), maar gaat ook in op sociale en economische aspecten. Daarom is, in

3

Ruimtelijke verkenningen 2023, 2023. Planbureau voor de Leefomgeving.

aansluiting op de Omgevingswet, de term ‘omgevingseffectrapportage’ gekozen.

4

Ruimtelijk toekomstperspectief ‘Ons Zwolle van Overmorgen’, 2025 (bijlage bij OER).

-1-

te sturen op brede welvaart5, en dat de inwoners van Zwolle via een uitgebreid participatietraject hun wensen konden meegeven. Het OER is helder van opbouw en concreet in de alternatieven. Het doel van het OER is de beschrijving van de milieueffecten van aanvullend beleid. Daarvoor is noodzakelijk dat duidelijk naar voren komt wat het verschil is tussen het bestaande beleid en de voorgenomen aanvulling. Het OER kan dan de verandering in milieueffecten onderzoeken. Immers, de milieueffecten van het bestaande beleid zijn al in het OER van de vorige OVI onderzocht. In het OER is het verschil tussen bestaand en aanvullend beleid niet altijd helder. De Commissie mist daardoor focus in het OER en onderzoeksvragen die zich specifiek op de gekozen aanvulling richten. Dit heeft tot gevolg dat de alternatievenafweging en beoordeling van het doelbereik zowel bestaand als aanvullend beleid bevatten. Een van de onderdelen van de nieuwe OVI is de keuze voor grootschalige nieuwbouwlocaties, ook in het buitengebied. In het OER is geen onderzoek naar alternatieven opgenomen waarmee in de OVI keuzes hadden kunnen worden gemaakt voor locaties en (globale) omvang daarvan. Omdat van gekozen locaties wordt uitgegaan is het van belang om in het OER te onderbouwen waarom dit de meest logische locaties zijn, en hoe het milieubelang daarbij is meegewogen.

Ook blijft in het OER onduidelijk welke elementen uit het Ruimtelijk toekomstperspectief ‘Ons Zwolle van overmorgen’ zijn overgenomen in deze aanvulling en hoe deze het voorgenomen beleid aanpassen dan wel wijzigen. In de OVI staat dat brede welvaart en de menselijke maat richtinggevend zijn voor de ambities van de gemeente. Om te kunnen sturen op brede welvaart is het nodig dat concreet en specifiek wordt wat brede welvaart voor Zwolle betekent en welke criteria gebruikt worden om brede welvaartseffecten tegen elkaar af te wegen. In de OVI en het OER ontbreekt een duidelijk kader en omschrijving van criteria om dit mogelijk te maken. Hierdoor slaagt het OER er niet in om duidelijk aan te geven hoe de alternatieven en het VKA scoren op brede welvaart, en zich op dit vlak tot elkaar verhouden. Tenslotte constateert de Commissie dat in het OER doelen en doelbereik niet goed worden onderscheiden. Een aparte beschrijving van de doelen en van het doelbereik ontbreekt. Samenvattend constateert de Commissie dat op een aantal onderdelen nog informatie ontbreekt. Het aanvullen van die informatie is essentieel om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit van de gemeenteraad over de omgevingsvisie. De Commissie adviseert om voorafgaand aan de vaststelling van de OVI een aanvulling op het OER op te stellen. Hoofdpunten daarbij zijn: 

Breng meer focus aan: 

Verduidelijk het onderscheid tussen bestaand en nieuw beleid (huidige en nieuwe OVI) en maak daarmee expliciet wat de onderzoeksagenda is voor het OER. Zo kunnen de belangrijkste opgaven van Zwolle beter in beeld worden gebracht.

Gebruik het in de OVI gehanteerde thema ‘brede welvaart’ om richting en focus te geven. Geef daarbij aan wat voor Zwolle belangrijk is om (beleidsmatig) te kunnen

5 met de vier basiswaarden die in de OVi worden beschreven heeft Zwolle een eerste stap

gezet om het thema brede welvaart een specifiek Zwolse invulling te geven.

-2-

sturen op brede welvaart. Ontwikkel een concreet en specifiek ‘Zwols’ kader voor het beoordelen van de mate waarin brede welvaartsdoelen behaald worden. 

Maak duidelijk hoe de concrete locatiekeuzes tot stand zijn gekomen. Het OER presenteert hiervoor geen alternatievenafweging met inzicht in de effecten voor de fysieke leefomgeving. Gebruik de aanvulling op het OER om de keuze voor de te ontwikkelen woningbouwlocaties navolgbaar te onderbouwen.

Maak duidelijk wat de beoordeling van het doelbereik voor de verschillende aspecten (de ‘smileys’ in hoofdstuk 6) betekent voor de realisatie van de drie ambities van Zwolle.

Beschrijf wat de oorzaken zijn van de negatieve beoordeling van de effecten van de alternatieven op de natuur (paragraaf 6.2.2) en gezondheidsbescherming (6.2.1) en hoe dit doorwerkt in de realisatie van de ambities.

De hoofdpunten van deze aanvulling dienen ook te worden opgenomen in de samenvatting van het OER. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar beoordeling toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolg.

-3-

Aanleiding MER De omgevingsvisie beschrijft het samenhangende beleid van de gemeente voor de fysieke leefomgeving voor de middellange tot lange termijn (2040). Omdat de omgevingsvisie kaderstellend is voor mer(beoordelings)plichtige projecten – zoals stedelijke ontwikkeling, aanleg of uitbreiding van bedrijventerrein, uitbreiding van infrastructuur en bouw van windturbines - is het nodig om een planMER (OER) op te stellen. Een plan-MER is ook nodig omdat de omgevingsvisie gevolgen kan hebben voor verschillende Natura 2000-gebieden in en rondom de gemeente Zwolle, waarvoor een Passende beoordeling is opgesteld. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van Zwolle - besluit over de Omgevingsvisie. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken die bij het advies zijn gebruikt staan op de website. Deze zijn te vinden door nummer 3872 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

Toelichting op de beoordeling In dit hoofdstuk licht de Commissie haar beoordeling toe. Aan deze beoordeling koppelt zij adviezen en aanbevelingen. Adviezen staan in een tekstkader. Het uitvoeren daarvan is essentieel voor het volwaardig kunnen meewegen van het belang van de leefomgeving bij de besluitvorming over de ontwerp omgevingsvisie. Aanbevelingen staan niet in een tekstkader. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.

Focus en samenhang van OER en omgevingsvisie Scope van de nieuwe omgevingsvisie Het OER geeft niet concreet aan wat de aanleiding is die tot de nieuwe OVI heeft geleid. Uit het OER blijkt niet op welke punten de huidige omgevingsvisie aanvulling behoeft, wat de nieuwe opgaven zijn die op de gemeente afkomen en welke nieuwe (milieu)knelpunten zich in de afgelopen vijf jaar in Zwolle hebben gemanifesteerd. Deze informatie zou het startpunt moeten zijn van het OER, om vervolgens daar onderzoeksvragen en alternatieven uit te destilleren. Relatie met het OER uit 2020 Dit OER bouwt voort op het OER van 2020 (behorend bij de Omgevingsvisie 2021), met meerdere alternatieven en een beschrijving van het doelbereik. In het huidige OER is geen duidelijke relatie gelegd met het vijf jaar geleden opgestelde OER voor de huidige OVI 2021. Zo is niet duidelijk hoe beide documenten zich tot elkaar verhouden, welke beoordelingen, doelbereik en keuzes nu anders zijn dan in het OER van 2020.

-4-

Hierbij ontbreekt in het OER een duidelijk overzicht van de onderwerpen die al in het vorige OER zijn opgenomen en van de onderwerpen die in dit OER worden behandeld, zoals bijvoorbeeld de (hoeveelheid, invulling en locatiekeuze van de) bestaande woningbouwopgave en de hoogbouwvisie. Dit leidt tot verwarring bij de interpretatie van de conclusies uit het OER. Zo is niet goed herleidbaar wat nu de woningbouwprognose is, wat de verschillen zijn met de alternatieven uit het OER uit 2020, en waarom de in het OER gehanteerde bandbreedte tussen 5.000 en 19.700 woningen logisch is. Keuzes in de omgevingsvisie en in omgevingsprogramma’s Er ontbreekt een duidelijk overzicht van keuzes – inclusief de bijbehorende leefbaarheidsaandachtspunten die uit het OER volgen - die niet in de nieuwe OVI, maar in latere programma’s worden uitgewerkt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de locaties voor een hoogspanningsstation en de uitwerking van de mobiliteitshubs. Brede welvaart Het OER kijkt naast de traditionele milieuthema’s, zoals luchtkwaliteit en geluid, ook naar de effecten op thema’s zoals gezondheid, welzijn, de economie en het klimaat. Daarvoor wordt expliciet het begrip ‘Brede Welvaart’ als richtinggevend principe voor de ontwikkeling van Zwolle geïntroduceerd. De Commissie waardeert het streven van Zwolle om te sturen op brede welvaart.

Dit vraagt om een brede kijk op de inrichting van de ruimte, waarbij systematisch de gevolgen voor de economie, de samenleving en de leefomgeving expliciet tegen elkaar worden afgewogen, nu en richting de toekomst. Daarbij rekening houdend met de verdeling van de positieve en negatieve effecten van het Zwolse beleid over de stadsdelen en over de verschillende groepen in de stad. Sturen op Brede Welvaart is niet eenvoudig en vraagt complexe afwegingen, de beschikbaarheid van goede beleidsinformatie, en een duidelijke definitie van het begrip brede welvaart. Het OER (en de OVI) lijkt er impliciet vanuit te gaan dat er consensus bestaat over wat brede welvaart is, hoe dat gemeten kan worden en hoe brede welvaartsontwikkeling het beste bereikt kan worden. Deze consensus is er (ook landelijk) nog niet. Er bestaan verschillende opvattingen over wat brede welvaart is, en er worden verschillende methodieken gebruikt om brede welvaart te meten en te monitoren6. Als Zwolle wil sturen op brede welvaart is het belangrijk om vooraf duidelijk te maken wat de gemeente onder brede welvaart verstaat, welke indicatoren daarbij horen en hoe zij deze wil monitoren en tegen elkaar afwegen. Zo'n kader maakt ook duidelijk welke (beleids)informatie al beschikbaar is en welke informatie nog ontbreekt om te kunnen sturen.

Door het ontbreken van een nationaal kader is het daarbij mogelijk om lokale accenten aan te brengen die Zwolle belangrijk vindt voor haar ontwikkeling en voor haar inwoners. Concrete keuzes vragen om concrete alternatieven De Commissie waardeert de uitgebreide en concrete beschrijving van de alternatieven. Deze komt voort uit de scenariostudie en de bandbreedte van de keuzes die daarin zijn opgenomen. Dat is een goede basis als het gaat om het vaststellen van de reikwijdte van beleidsambities (wat is het ‘speelveld’ voor de gemeente Zwolle). De OVI presenteert concrete locatiebesluiten (bijvoorbeeld over Zwolle Zuid, Vechtrand en HOV). Dit vraagt methodisch om een andere aanpak (met concrete alternatieven) dan een OVI 6 Waardevol regeren: sturen op brede welvaart.

-5-

met strategische keuzes. Voor het maken van strategische keuzes, ligt het voor de hand om de ‘hoeken van het speelveld’ in beeld te brengen. In dit OER is daarom een heldere motivatie nodig waarom deze en geen andere alternatieven zijn onderzocht. Deze motivatie ontbreekt. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het OER, voordat definitief wordt besloten over de omgevingsvisie: 

Expliciet te maken welke bouwstenen reeds onderdeel zijn van de bestaande OVI en welke een plek krijgen in de nieuwe OVI.

Expliciet te maken wat brede welvaart voor Zwolle betekent en een kader op te stellen om brede welvaart te kunnen beschrijven en monitoren.

De staat van de brede welvaart te analyseren met een helder onderscheid tussen de huidige situatie, de effecten van de huidige OVI (2021) en de nieuwe OVI (2025). Inzicht in de verschillen hiertussen is nodig om voldoende inzicht te krijgen in de de effecten van de nieuwe OVI.

De locatiealternatieven voor grootschalige woningbouw en bijbehorende omvang daarvan te onderbouwen, en aan te geven waarom andere locaties en aantallen niet in beschouwing zijn genomen.

Doelbereik en effectbeoordeling Scherpte in de doelen en samenhang met ambities Een omgevingsvisie brengt in beeld wat de ambities van de gemeente zijn. In een OER wordt verkend in welke mate de ambities via alternatieven kunnen worden bereikt en met welke effecten op de omgeving dat gepaard gaat. In het OER zijn diverse doelen omschreven en beoordeeld op effecten en doelbereik. Bij diverse doelen, zoals opgenomen in onder andere tabel 4.5, geldt dat deze algemeen geformuleerd zijn en onvoldoende inzicht geven om te bepalen hoe het daadwerkelijk met dit thema gaat. Bijvoorbeeld: voor natuur staat in het OER als beoordeling voor doelbereik ‘in 2050 is de biodiversiteit toegenomen’. Hoewel dit wel beoordeeld kan worden, zegt dit naar het oordeel van de Commissie weinig over de kwaliteit van de natuur. Ook is niet goed herleidbaar, bijvoorbeeld op basis van de beschreven ‘Staat van de leefomgeving’, wat de relatie van de opgenomen indicator is met het doelbereik voor dat thema. Door de doelen meer concreet te formuleren, geeft de beoordeling van het doelbereik meer inzicht in de inspanningen of beleidskeuzes die aanvullend nodig zijn om de ambities van Zwolle te realiseren.

Breng de onzekerheden in doelbereik beter in beeld De gehanteerde methodiek gaat uit van drie mogelijke beoordelingen voor het inschatten van het doelbereik: hoge potentie, beperkte potentie en lage potentie voor het behalen van het doel. De Commissie is zich bewust van het abstractieniveau van een omgevingsvisie, maar adviseert om hier – in navolging van de voorgaande passage – meer scherpte in aan te brengen. Zo wordt onvoldoende duidelijk wat nodig is om de doelen wel te kunnen halen en in hoeverre de opgenomen onzekerheden (en/of geconstateerde tegengestelde effecten voor verschillende indicatoren) kunnen leiden tot verminderd doelbereik. Een uitgebreidere/scherpere beoordeling (bijvoorbeeld met een grotere bandbreedte qua onzekerheid en beoordeling) geeft meer inzicht in de daadwerkelijke mogelijke effecten en het doelbereik van de omgevingsvisie.

-6-

De Commissie adviseert om in een aanvulling op het OER, voordat definitief wordt besloten over de omgevingsvisie, duidelijk te maken wat de beoordeling van het doelbereik voor de verschillende aspecten, de ‘smileys’ in hoofdstuk 6, betekent voor de realisatie van de ambities. Dit geeft meer inzicht in de inspanningen of beleidskeuzes die aanvullend nodig zijn om de ambities van Zwolle te realiseren Bundeling van indicatoren Voor de beoordeling van omgevingseffecten zijn voor een aantal aspecten verschillende indicatoren onderscheiden waarbij de effecten op deze indicatoren zijn gebundeld tot één eindoordeel voor dat aspect. Door alleen het resultaat van deze bundeling te presenteren is niet duidelijk welke positieve en negatieve effecten zijn samengevoegd. Het samennemen van de indicatoren geluidhinder, luchtverontreiniging en geurhinder, samen met het milieugezondheidsrisico (MGR) tot één beoordelingsaspect illustreert dit punt. Het gevolg is dat een belangrijk milieuprobleem als geluidhinder (sectie 6.2 in het OER) in de beoordeling onderbelicht blijft. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het OER, voordat definitief wordt besloten over de omgevingsvisie, de effecten van maatregelen zoveel mogelijk voor de indicatoren afzonderlijk in beeld te brengen.

Natuur, water, gezondheid Natuur Het voorgenomen beleid levert zeer negatieve effecten op voor beschermde natuurgebieden (blz 144), terwijl de referentie al slecht was (zie tabel 5.5 op blz 52 van het OER). Dit roept een aantal vragen op waar het OER een duidelijk antwoord op zou moeten geven. Enerzijds neemt de natuur in het OER een centrale plaats in, met onder meer de basiswaarde ‘deltaspons’ (ontwikkeling van een robuust blauwgroen netwerk). Dat schept de verwachting dat het OER met potentiële maatregelen komt waarmee de natuur in het voorgenomen beleid positief scoort. Anderzijds kan een slechte staat van beschermde natuur de realisatie van andere doelen, zoals op het gebied van woningbouw en mobiliteit, in de weg zitten. Dit komt in het OER echter niet tot uiting. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het OER, voordat definitief wordt besloten over de omgevingsvisie te beschrijven hoe de negatieve beoordeling van de effecten van de alternatieven op de natuur (paragraaf 6.2.2) doorwerkt in de realisatie van de ambities. Waterveiligheid en wateroverlast Waterveiligheid en wateroverlast worden in het OER als één aspect beschouwd. Dit maakt het lastig om te komen tot een goede beoordeling van mogelijke maatregelen. Het OER zou moeten verkennen met welke maatregelen de gemeente de ambities kan realiseren.

Daarvoor is het belangrijk om beleid waar de gemeente wel en niet over gaat uit elkaar te houden. Waterveiligheid is in Nederland de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid en van de waterschappen. De gemeente heeft wel een rol in de beperking van

-7-

wateroverlast en in het nemen van aanvullende maatregelen op basis van meerlaagsveiligheid. De beschouwing van waterveiligheid en wateroverlast onder één noemer kan tot verwarring leiden. Ter illustratie: na een passage over primaire waterkeringen wordt gemeld dat ‘in alternatief 2 maximaal wordt ingezet op het verhogen van de dijken’ (blz. 95). Daarmee lijkt het OER te verwijzen naar de dijken langs Vecht, Zwarte Water en IJssel, maar daar gaat de gemeente niet over. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het OER, voordat definitief wordt besloten over de omgevingsvisie, waterveiligheid en wateroverlast als twee afzonderlijke aspecten te beschouwen, dit op te nemen in de aanvulling op het OER, en in de uitwerking van de omgevingsprogramma's goed af te bakenen welke rol de gemeente daarbinnen kan vervullen en met welke andere overheden zij daarbij te maken heeft. Gezondheidsbescherming Het OER wekt de indruk dat voor gezondheidsbescherming wordt geaccepteerd dat de situatie slecht is en slecht blijft (OER p.73). Het OER geeft aan dat ondanks de slechte uitgangssituatie en de matige scores voor beide alternatieven (0/+ respectievelijk -/0) het doel – het verbeteren van de leefbaarheid - toch in potentie haalbaar is. Het OER toont echter niet aan dat dit doel (tabel 4.5 OER) voor dit aspect haalbaar is.

De Commissie adviseert om in een aanvulling op het OER, voordat definitief wordt besloten over de omgevingsvisie, te beschrijven hoe de negatieve beoordeling van de effecten van de alternatieven op de gezondheidsbescherming (paragraaf 6.2.1) doorwerkt in de realisatie van de ambities.

Monitoring Een aanzet voor monitoring is een belangrijk onderdeel van een OER. De autonome ontwikkeling, de realisatie van de plannen en het behalen van de einddoelen worden namelijk allemaal beïnvloed door zowel eigen beleid als externe factoren. In paragraaf 8.2 van het OER wordt een omvangrijke lijst onderwerpen en indicatoren beschreven die in het vervolgproces gemonitord kunnen worden. Het ontbreekt in deze lijst aan richting en samenhang. Ook is niet duidelijk of deze indicatoren onderdeel zijn van bestaande monitoring of dat nieuwe tools nodig zijn. Monitoring is vooral zinvol als duidelijk is aan welke doelen de verschillende indicatoren bijdragen, wat het gewenste niveau is, en hoe de indicatoren onderling gewogen kunnen worden. Als Zwolle kiest om brede welvaart centraal te stellen in de (ruimtelijke) ontwikkeling van de stad is het nodig om een omgekeerde aanpak voor de monitoring te volgen. Eerst vaststellen wat brede welvaart betekent voor Zwolle en haar inwoners. Daaruit doelstellingen formuleren voor het vasthouden of bewegen richting het gewenste niveau van brede welvaart. Uit de gekozen doelstellingen volgen het beoordelingskader en de indicatoren die nodig zijn om de ontwikkeling van brede welvaart in de tijd te volgen en onderling af te wegen. Als laatste kan vastgesteld worden of de gekozen indicatoren al gemonitord worden, of extra inspanning of

-8-

aanpassing van de indicatoren gewenst is, of dat indicatoren aan het bestaande instrumentarium moeten worden toegevoegd De Commissie beveelt aan om de monitoring in de omgevingsprogramma's vorm te geven vanuit concrete en specifieke doelstellingen voor brede welvaart.

-9-

BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie

De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of

onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de

ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit

wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het

gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: drs. Tim Artz ir. Oscar Breugelmans dr. Wilfried ten Brinke Ben Lamoree MSc (secretaris) ir. Kees Slingerland (voorzitter) drs. Gerrit de Zoeten Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Vaststellen Omgevingsvisie ‘Zwolle van Overmorgen’ Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor projecten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een milieueffectrapport (MER) vereist zijn. Uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit onder de Omgevingswet volgt om welke projecten het gaat. Dit is ook het geval voor de Omgevingsvisie van Zwolle. Bevoegd gezag besluit Gemeenteraad van Zwolle Initiatiefnemer besluit College van Burgemeester en Wethouders van Zwolle Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? De Commissie heeft geen zienswijzen ontvangen. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3872 in te vullen in het zoekvak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=c24f90f1-9d81-419e-8bc2-6c0aa3f9862a