Bijlage 1 - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling 12-06-2024
Tekst van het document
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Havezate, Zwolle
NOTITIE
Onderwerp: Auteur: Datum: Status:
1.
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Havezate, Zwolle BJZ.nu Juni 2024 Definitief
INLEIDING
Voorliggende aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling heeft betrekking op een locatie aan de Zwartewaterallee te Zwolle, beter bekend als de Havezate. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, is een wijziging van het omgevingsplan vereist. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een vormvrije toets van de effecten van het plan op het milieu noodzakelijk. In dit document worden de milieueffecten van deze ontwikkeling beschouwd. Eerst wordt een nadere toelichting op de wetgeving omtrent de milieueffectrapportage gegeven. Milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of merbeoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Indien een plan (meestal een wijziging van het omgevingsplan) wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als Voor plan/ programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Op grond van Artikel 11.8 (bijzonderheden bij besluiten bij mer-(beoordelings)plichtige projecten) van het Omgevingsbesluit wordt een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit aangemerkt als het besluit, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan, bedoeld in bijlage V, kolom 4. In dat geval is de wijziging van het omgevingsplan kaderstellend en dus plan-mer-(beoordelings)plichtig. Bij een plan-mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van een aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn (artikel 16.35 lid 5 Ow).
Hiervoor worden de volgende instanties en bestuursorganen geraadpleegd:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
a. b.
de bestuursorganen en instanties die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, waarvoor het plan of programma het kader vormt, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister voor Natuur en Stikstof, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan.
Inhoudelijk mag de plan-mer-beoordeling echter gelijk zijn aan de project-mer-beoordeling (AbRS 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054). In dit geval is sprake van een wijziging van het omgevingsplan voor de realisatie van 272 woningen. 168 bestaande appartementen worden vervangen. Aanvullend daarop worden 104 sociale huurappartementen toegevoegd. De wijziging van het omgevingsplan is kaderstellend voor een project-mer-(beoordelings)plichtige activiteit, namelijk het stedelijk ontwikkelingsproject. Aangezien sprake is van een klein gebied op lokaal niveau, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling. Voorliggende aanmeldnotitie voorziet hierin. Inhoud en doel van de vormvrije m.e.r.-beoordeling Inhoudelijk gaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling in op de mogelijke aanzienlijke milieueffecten als gevolg van het initiatief. Deze aanzienlijke milieueffecten worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EEG-richtlijn Milieueffectbeoordeling, die drie hoofdthema’s noemt: • • •
De kenmerken van het project; De plaats van het project (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie)); De kenmerken van de potentiele nadelige effecten voor het milieu die het project kan hebben.
Het doel van de notitie is om op objectieve wijze informatie over mogelijke, relevante milieugevolgen van het project te verzamelen en te presenteren. Betrokken partijen Bij het project zijn diverse partijen betrokken. De ontwikkeling is een particulier initiatief. Voor het vaststellen van het wijzigingsbesluit is de gemeenteraad van de gemeente Zwolle het bevoegd gezag. Daarnaast worden de provincie Overijssel, het waterschap Drents Overijsselse Delta, Veiligheidsregio IJsselland en eventueel andere vooroverlegpartners gedurende het proces bij het project betrokken en zal het concept wijzigingsbesluit in het kader van vooroverleg naar deze partijen worden toegezonden. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het voorgenomen project beschreven. Daarbij komen aanleiding, achtergronden en uitgangspunten aan bod. Hoofdstuk 3 gaat in op de mogelijke milieueffecten van het project. In hoofdstuk 4 wordt bij wijze van samenvatting de beoordeling gedaan van de omstandigheden van het voorgenomen project. Hierin wordt tevens de conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
2.
KENMERKEN VAN HET VOORGENOMEN PROJECT
Dit hoofdstuk gaat in op de voorgenomen ontwikkeling, de projectlocatie en eventuele (samenhangende) ontwikkelingen in de omgeving waarmee rekening dient te worden gehouden. Voorgenomen ontwikkeling Rondom de Zwartewaterallee in Zwolle spelen namelijk meerdere ontwikkelingen. Om de samenhang tussen vijf individuele ontwikkellocaties goed te borgen heeft de gemeente begin 2019 gevraagd om een integrale gebiedsvisie voor het gebied langs de Zwartewaterallee. Begin 2019 heeft een aantal initiatiefnemers op advies van de wethouder, de handen ineen geslagen om samen met de gemeente op een andere manier te werk te gaan. Deze nieuwe gebiedsgerichte aanpak met initiatief vanuit de markt heeft geleid tot de gebiedsvisie voor de Zwartewaterallee. Op basis van deze gebiedsvisie zijn er verschillende deelprojecten ontstaan. Voorliggend ruimtelijk ontwikkelplan heeft betrekking op één van deze deelprojecten, te weten de Havezate. Het gaat om een locatie globaal gelegen tussen de Zwartewaterallee en de Gombertstraat. Dit ruimtelijk ontwikkelplan geeft invulling en verdere verbeelding aan het plan op basis van de kaders vanuit de gemeente en de gebiedsvisie voor dit gebied. Het gaat concreet om de realisatie van 272 nieuwe woningen (waarvan 168 vervangende nieuwbouw en 104 extra woningen), 123 bestaande woningen blijven in de bestaande bebouwing gehandhaafd.
Hierna zijn impressies van het beoogde plan weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
Locatiekenmerken Het projectgebied ligt in de kern van Zwolle, aan de Zwartewaterallee. Dit is een belangrijke verkeersader in Zwolle. De vierbaansweg is aangelegd als ontsluiting voor de groei van Zwolle in de jaren 60 en loopt door een mixgebied van met name kantoren, bedrijven, onderwijs en enkele woningen. Het projectgebied staat kadastraal bekend als gemeente Zwolle, sectie ZLE00, nummers 1573, 1688, 2799, 2843, 2848 en 2850 en heeft een oppervlakte van circa 20.000 m2. Het projectgebied maakt onderdeel uit van een reeks aan herontwikkelingsprojecten langs de Zwartewaterallee. Het plan is om in de gehele zone langs deze weg 1.000 tot 1.300 woningen te realiseren. In de volgende afbeelding is de ligging van het projectgebied indicatief weergegeven ten opzichte van de Zwartewaterallee en de directe omgeving.
Afbeelding 1: Ligging van het projectgebied (Bron: plattekaart.nl)
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens de sloopfase, het bouw- en woonrijp maken van de gronden is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zullen elektriciteit en water nodig zijn. De nieuw te bouwen woningen zullen gasloos gebouwd worden, conform de Wet Voortgang Energietransitie. De woningen zullen in de gebruiksfase leiden tot afvalstoffen (huisvuil, snoeiafval e.d.). Deze afvalstoffen zullen op de daarvoor van toepassing zijnde regelementen worden afgevoerd. Verontreiniging en hinder Tijdens de aanlegfase (slopen en bouwen) kan sprake zijn van tijdelijke verkeers- en geluidhinder van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie. Het gaat dan om geluid en stof vanuit de bouwplaats en bouwverkeer van en naar het projectgebied. In dit geval wordt er ten aanzien van deze ontwikkeling een BLVCplan (bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie) opgesteld. In dit plan zijn afspraken gemaakt ten aanzien van het project, een omschrijving van de omgeving, een risicoanalyse met oplossingen, een faseringsplan en maatregelen die genomen worden om de bereikbaarheid te waarborgen. Het verkeer dient immers voor een periode van zes jaar te worden omgeleid. Middels de te nemen maatregelen wordt hinder zoveel mogelijk beperkt.
Na afronding van de bouwwerkzaamheden zal de genoemde tijdelijke hinder volledig vervallen. Het aspect tijdelijke hinder leidt niet tot mogelijk belangrijke milieugevolgen. In de gebruiksfase zullen ten gevolge van de activiteiten geen belangrijke nadelige effecten op het milieu en de omgeving plaatsvinden. De ontwikkeling voorziet namelijk in de toevoeging van woningen, die niet worden gezien als milieubelastende functies. Zoals in hoofdstuk 3 zal worden geconstateerd is er geen sprake van een onevenredige aantasting van beschermende natuurgebieden en/of het woon- en leefklimaat ter plaatse. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
In de gebruiksfase zullen ten gevolge van de activiteiten geen aanzienlijke milieueffecten plaatsvinden. Risico op ongevallen, specifiek met gevaarlijke stoffen of technologieën De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een toename van risico’s voor de omgeving. Er worden geen gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
3.
BESCHRIJVING VAN DE MILIEUEFFECTEN
Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn de mogelijk negatieve milieueffecten van het voorgenomen project relevant. Zoals in het vorige hoofdstuk is aangegeven, gaat het om de realisatie van 272 woningen. Relevante milieuaspecten zijn verkeer, geluid, luchtkwaliteit, water, ecologie, waaronder ook specifiek de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In dit hoofdstuk worden de te verwachten (tijdelijke) effecten per aspect beschreven. Verder wordt ingegaan op tijdelijke hinder als gevolg van de ontwikkeling. Voor een aantal van deze aspecten zijn onderzoeken uitgevoerd. De conclusies van deze onderzoeken zijn samengevat in onderstaande alinea’s. Verkeer Om de verkeersgeneratie te bepalen wordt aangesloten bij de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Op basis van deze publicatie kan per functie de verkeersgeneratie als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling worden berekend. Bij iedere functie wordt in de CROW-publicatie een maximum en minimum genoemd. Dit is de bandbreedte. In voorliggend geval zal van het gemiddelde worden uitgegaan. Om de verkeersgeneratie te berekenen dienen ten eerste de stedelijkheidsgraad en de stedelijke zone te worden bepaald. De mate van stedelijkheid is gebaseerd op de omgevingadressendichtheid (oad) van het CBS. De oad wordt uitgedrukt in het aantal adressen per vierkante kilometer.
De gemeente Zwolle wordt hierin getypeerd als sterk stedelijk gebied. Het projectgebied ligt in de rest van het bebouwde kom, waardoor wordt uitgegaan van de stedelijke zone ‘rest bebouwde kom’. Op basis van te hanteren uitgangspunten ontstaat er het volgende beeld voor wat betreft de verkeersgeneratie: Type woning Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur) Huur, huis, sociale huur
Verkeersgeneratie per woning 3,6
Aantal woningen
Totaal
268
964,8
5,6
4
22,4
Gelet op het vorenstaande is er sprake van een verkeersgeneratie van afgerond 988 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De ontsluiting van de locatie is op meerdere locaties, waarbij het gemotoriseerd verkeer via de Gombertstraat aan de noordzijde wordt ontsloten. De ontwikkeling van de Havezate valt binnen het gebieds- en mobiliteitsconcept die opgesteld is voor de Zwartewaterallee. Daarin wordt onder andere vermeld dat de bestaande oversteekplekken voor langzaam verkeer zowel infrastructureel als qua verkeersregeling worden geoptimaliseerd. Ook wordt er aangegeven dat langzaam verkeer en actieve mobiliteit wordt verbeterd en gestimuleerd door een goede verbinding en ontsluiting van de planontwikkeling op de infrastructuur langs de Zwartewaterallee. Concreet betekent dit dat het gebied doorwaardbaar moet zijn met fiets- en wandelentrees vanaf de Gomberstraat naar de Zwartewaterallee. Ook wordt door het concept van deelmobiliteit als onderdeel van het programma gestimuleerd dat er sprake is van minder autogebruik en daarmee minder verkeersgeneratie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
Verwacht wordt dat de Gombertstraat en omliggende straten van voldoende capaciteit zijn om het verkeer te kunnen afwikkelen. Het effect van het voorgenomen project op het aspect ‘verkeer’ wordt op neutraal ingeschaald. Geluid Woningen zijn niet opgenomen in de VNG-uitgave bedrijven en milieuzonering, omdat ze in beginsel niet aan te merken zijn als milieubelastende objecten. In voorliggend geval zal wel sprake zijn van enig geluid als gevolg van de woonfuncties (leefgeluiden). Voor dergelijke geluiden gelden echter geen normen. Gelet op de afstand van het projectgebied ten opzichte van omliggende woningen zal dit verder niet voor belemmeringen zorgen. Daarnaast zal de aanlegfase (de bouw van de woningen) gepaard gaan met de productie van geluid. Deze geluidproductie is tijdelijk van aard en zal zoveel mogelijk worden beperkt. Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid niet leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
2.
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.
Beoordeling Ten behoeve van het voorgenomen project is met de NIBM-tool berekend of het niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. In de tool is enkel het aantal voertuigbewegingen in de toekomstige situatie ingevoerd. Aangezien het gaat om een woningbouwontwikkeling, is het aandeel vrachtverkeer beperkt; dit is op 5% gezet. Het gaat hierbij om hulpdiensten en huisvuildiensten. Voor de overige invoergegevens wordt in de NIBM-tool uitgegaan van worst-case omstandigheden. In onderstaande afbeelding zijn de resultaten van deze worst-case berekening opgenomen.
Uitsnede NIBM tool (Bron: InfoMil)
Uit de berekening is gebleken dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate bijdraagt. Er is dan ook geen nader onderzoek noodzakelijk. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit is ‘neutraal’ als gevolg van de bijdrage. Water Algemeen Door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling kan samengaan met effecten op de waterhuishouding. De locatie bevindt zich niet binnen een grondwaterbeschermings- of waterwingebied. De voorgenomen ontwikkeling is geen risicovolle functie voor de grondwaterkwaliteit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
Hierna wordt allereerst op de gemeentelijke eisen ten aanzien van de waterhuishouding ingegaan. Vervolgens wordt specifiek ingegaan op de waterhuishouding in het plangebied, aan de hand van de memo infiltratie 1. Randvoorwaarden Voor alle ontwikkelingen langs de Zwartewaterallee (net als in de rest van Zwolle) eist de gemeente een waterberging van 60mm per aangesloten verhard oppervlak. Van deze 60 mm moet minimaal 20 mm in een infiltratievoorziening geborgen worden, de overige 40mm mag tijdelijk elders in het plangebied geborgen worden (dak, verlaagd groen, parkeerplaats ect). Al het verzamelde water in de waterberging (20mm + 40mm) moet infiltreren in het plangebied. Deze waterberging moet binnen twee dagen na de bui weer beschikbaar zijn voor de volgende bui. Vanuit de afdeling stedelijk water/klimaatadaptatie is de wens om een gezamenlijke watertoets te doen richting het waterschap. Dit zal in het kader van het omgevingsplan, op het moment dat de plannen meer concreet zijn, opgepakt worden. De volgende kaders worden gesteld door het waterschap en de gemeente: •
•
•
De gemeente vraagt om minimaal 20 mm aan infiltratievoorzieningen op privéterrein en in openbare delen. Voor ontwikkelingen groter dan 1500 m2 moet dit worden aangevuld tot 60 mm opvang voor het gehele ontwikkelgebied. Dat mag ook een park zijn of een weg die tijdelijk blank komt te staan. Hiermee wordt een gebied klimaatbestendig voor een bui van 70 mm in 1 uur, die eens per 100 jaar komt. Binnen 2 dagen moeten de voorzieningen weer beschikbaar zijn voor een volgende bui. Dit staat verwoord in de hemelwaterverordening die eind september 2022 is vastgesteld door de gemeenteraad. Het waterschap houdt rekening met een langdurige bui van 111 mm in 2 dagen en die heeft ook een frequentie van eens per 100 jaar. Rekening houden met een vertraagde afvoer moet er dan 80 mm in een gebied worden opgevangen. Het water wat gedurende 2 dagen wordt geïnfiltreerd mag van die 80 mm worden afgetrokken. In de praktijk is daarom de gemeentelijke eis vaak maatgevend. Er is een voorkeursvolgorde voor de waterberging in het plangebied. Eerst oppervlakkige waterberging middels wadi’s in het openbaar gebied en pas daarna ondergrondse oplossingen. Dit is ook het streven in onderhavig plan.
Bovenstaande eisen zullen in het plan uitgewerkt worden. In het openbaar groen is voldoende ruimte om deze voorzieningen aan te leggen, danwel in de vorm van infiltratiekratten danwel in de vorm van opvang/berging in het openbaar groen, hier kan een combinatie worden gezocht met de WBI maatregelen. Binnen het plangebied zijn verschillende mogelijkheden om de waterberging te realiseren Het plan zal hiermee voldoen aan de gemeentelijke hemelwaterverordening. Hierdoor zijn negatieve effecten uit te sluiten. Huishoudelijk afvalwater Ten aanzien van het huishoudelijk afvalwater heeft de gemeente aangegeven dat al het afvalwater moet worden aangesloten op het gemeentelijk gemengd riool in de Gombertstraat. Aansluiten op het gemeentelijk riool langs de Zwartewaterallee is niet toegestaan, aangezien dit riool op termijn wordt omgebouwd naar een regenwaterriool. Waterkwaliteit Ten behoeve van de waterkwaliteit zal de voorgestelde ontwikkeling, indien van toepassing, gebruik maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper, zink en zacht OVC niet gebruikt, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen wordt. Planspecifiek Er worden geen materialen gebruikt die een verontreiniging van het oppervlaktewater met zich meebrengen. Metalen, zoals lood, koper of zink worden niet toegepast.
Daarnaast wordt het regenwater vanaf de verhardingen eerst geborgen in het plangebied, voordat het af kan stromen naar oppervlaktewater.
1
Memo infiltratie, Buro Hoogstraat, februari 2024
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
Wateroverlast Het plangebied ligt op een locatie waar, volgens de klimaat effectenatlas, een kleine kans op overstromingen bestaat. Dit betekent dat er een kleine overstromingskans bestaat op een waterdiepte tussen de 2 en 5 meter diep. Dit is met betrekking op overstroming bij eventuele dijkdoorbraak van de IJssel. Ten aanzien van grote hoeveelheden neerslag of een dijk doorbraak zijn onderstaande stappen uit te voeren; 1. 2. 3. 4.
De eerste neerslag wordt binnen het projectgebied geborgen in de zaksloten/wadi’s (+0,00 m NAP t/m 0,90 m NAP), en de groene gedeelten. Indien de bui nog meer neerslag geeft kunnen de zaksloten/wadi’s over maaiveld (+0,90 m NAP) overstorten op de watergang langs de kavel. Hierna vullen de straten zich met water, de vloerpeilen van de woningen/appartementen zijn 30 cm hoger ontworpen in vergelijking met de rijbaan. Indien het water hoger stijgt en boven de vloerpeilen komt kunnen de bewoners; a. het plan verlaten via de openbare wegen vanaf de Gombertstraat. b. het hoger op te zoeken in de appartementencomplexen van 2 à 3 lagen.
Het effect van het voorgenomen project op de waterhuishouding wordt op ‘neutraal.’ ingeschaald. Bodemkwaliteit Binnen het voornemen worden geen functies gerealiseerd die negatieve effecten kunnen hebben op de bodemkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling leidt ten aanzien van bodemkwaliteit dan ook niet tot mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen. Externe veiligheid Binnen het projectgebied wordt geen gebruik gemaakt van gevaarlijke stoffen. Het voornemen voorzien niet in het toevoegen van een risicovolle inrichting. Het voornemen heeft ten aanzien van de externe veiligheid geen mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen. Ecologie In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2. 3.
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Beoordeling
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
Het projectgebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht” ligt op circa 1,5 kilometer afstand van het projectgebied. Gezien de afstand van het projectgebied tot Natura 2000 en de aard en omvang van voorliggend initiatief wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van direct significant negatieve effecten, zoals geluidshinder en lichthinder. Wel is in het kader van Natura 2000 de stikstofdepositie van belang. Om de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor Natura 2000-gebieden in kaart te brengen is een AERIUS berekening uitgevoerd door BJZ.nu2. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Om deze reden is intern salderen toegepast. Uit de salderingsberekeningen van de aanlegfase blijkt dat per saldo in geen van de fases sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Uit de salderingsberekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Geconcludeerd wordt dat per saldo geen sprake is van een toename van stikstofdepositie met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.
De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming. Het projectgebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN en gezien de aard en omvang van dit plan wordt geconcludeerd dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Om de wettelijke consequenties van de voorliggende in beeld te brengen, is een quickscan natuurwaardenonderzoek3 uitgevoerd. Uit de quickscan is gebleken dat nader onderzoek naar steenmarters en naar vleermuizen nodig is. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en wordt mogelijk een vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in beeld te krijgen is nader onderzoek naar gebouwbewonende soorten als dwergvleermuizen, meervleermuis en laatvlieger nodig. Dit nader onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol. Nader ecologisch onderzoek Er is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en steenmarters4.
2
Stikstofberekening Zwartewaterallee, BJZ.nu, februari 2024
3
Natuurtoets, BJZ.nu, november 2022
4
Nader onderzoek soorten, Gombertstraat Zwolle, ecofect, november 2023
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
•
•
• • •
Er is een zomer / kraam en een winterverblijfplaats vastgesteld van de gewone dwergvleermuis. Er zijn geen essentiële vliegroutes van vleermuizen aangetroffen in en nabij de (te slopen) bebouwing. Er zijn geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen, waardoor er ook geen opnames zijn gemaakt. Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied wordt in de toekomstige situatie niet veranderd waardoor er geen essentiële lijnelementen verloren gaan. Er gaan verblijfplaatsen verloren door of tijdens de geplande ingreep. Een ontheffing is noodzakelijk. Deze is reeds aangevraagd. Vliegroutes, waarbij met een zekere regelmaat vleermuizen passeren, zijn niet aangetroffen. Elke inventarisatie is een steekproef gebaseerd op momentopnamen.
Hierdoor is niet uitgesloten dat soorten en functies die tijdens de inventarisatie niet waargenomen zijn, op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat met het volgen van de inventarisatieprotocollen gedaan is ‘wat redelijkerwijs verwacht kan worden’. Hiermee is voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (Zorgplicht) van de Wet natuurbescherming. Voor de aangetroffen beschermde soorten dient een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Deze ontheffing is inmiddels aangevraagd. Het effect van het voorgenomen project op de natuur wordt op ‘licht negatiefl’ ingeschat. Cumulatie Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd. Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd. In de omgeving van het projectgebied vinden andere woningbouwontwikkelingen plaats (uitbreiding Stadshagen en andere projecten langs de Zwartewaterallee). Gelet op de relatief beperkte omvang van de ontwikkelingen in het projectgebied in relatie tot de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat cumulatie hier niet aan de orde.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
4.
CONCLUSIE
Dit hoofdstuk dient als samenvatting van de conclusies van de hoofdstukken 2 en 3. In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen activiteit aan onderstaande criteria getoetst en een eindafweging gemaakt. 1. De kenmerken van de activiteit; 2. De plaats van de activiteit; 3. De samenhang met andere activiteiten (cumulatie); 4. De kenmerken van de aanzienlijke milieueffecten die het project kan hebben. Kenmerken van de activiteit Het voorgenomen project betreft het realiseren van woningbouw. Bij de kenmerken van de activiteit dient in het bijzonder in overweging te worden genoemd: • •
De omvang van het project; Hinder.
Omvang Met een omvang van 272 woningen betreft het een ontwikkeling die ruim beneden de gevallen/drempelwaarden van de project m.e.r.-plicht blijft. Hinder Tijdens de uitvoering van het voorgenomen project kunnen flora en fauna hinder ondervinden van de (bouw)werkzaamheden. Geconstateerd is dat de hinder voor omwonenden slechts tijdelijk is. Uit het onderzoek naar stikstofdepositie is gebleken dat de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Eventuele hinder kan ontstaan ten aanzien van het aspect ‘ecologie’. Deze hinder kan door mitigerende en compenserende maatregelen worden beperkt. Hier wordt hierna nader op ingegaan. Plaats van de activiteit Het projectgebied ligt geheel binnen het grondgebied van de gemeente Zwolle. Gezien de definitie uit de Bkl kan worden geconcludeerd dat het projectgebied onderdeel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied. De voorgenomen activiteit is niet gelegen in beschermd gebied in het kader van natuur. Wel zijn er waardevolle groenstructuren aanwezig. Het plangebied is onderdeel van de hoofdgroenstructuur van Zwolle. Er is een boomcompensatieplan gemaakt om de aantasting van deze structuren te voorkomen. In dit plan wordt allereerst uitgegaan van verplaatsing van bomen en als dat geen optie is, vervanging.
Samenhang met andere activiteiten ter plaatse Er vinden in de directe omgeving langs de Zwartewaterallee de komende jaren meerdere herontwikkelingen plaats. Cumulatie kan met name optreden ten aanzien van gebiedsoverschrijdende gezamenlijke effecten, zoals stikstof of verkeerseffecten. In dit geval is van cumulatie geen sprake. Voor de verkeerseffecten wordt dit immers ondervangen door een BLVC-plan, waarin de verkeersafwikkelingen ten tijde van deze projecten is beschreven en maatregelen zijn uitgewerkt om hinder te voorkomen. Voor wat betreft stikstof is de uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2021:1960) relevant. De uitspraak gaat over het vaststellen van een bestemmingsplan. Als een bestemmingsplan – afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, mag dat bestemmingsplan alleen worden vastgesteld als op basis van een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat dat bestemmingsplan de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Als uit een onderzoek naar de gevolgen van een bestemmingsplan voor Natura 2000-gebieden blijkt dat dat plan geen gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden, dan hoeven hierin de cumulatieve effecten niet te worden beoordeeld. In dit geval is er geen sprake van negatieve effecten, waardoor de cumulatie niet hoeft te worden beoordeeld.
Kenmerken van de aanzienlijke milieueffecten Voor de beoordeling van eventuele aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project moet, daar waar opportuun, rekenschap worden gegeven aan de volgende zaken: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
▪ ▪ ▪ ▪
Het bereik van het effect (geografische zone en de grootte van de getroffen bevolking); Het grensoverschrijdende karakter van het effect; De waarschijnlijkheid van het effect; De duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect.
Uit hoofdstuk 3 is gebleken dat de ontwikkeling op de relevante milieuaspecten verkeer, geluid, luchtkwaliteit, water en stikstof geen belangrijke structurele nadelige en onomkeerbare milieugevolgen met zich meebrengt. De ontwikkeling gaat ten slotte gepaard met tijdelijke hinder als gevolg van bouwwerkzaamheden, maar deze zullen na afronding volledig vervallen. Voor ecologie is dit wel het geval, afhankelijk van de nog uit te voeren werkzaamheden. De ontwikkeling gaat wel gepaard met tijdelijke hinder als gevolg van bouwwerkzaamheden, maar deze zullen na afronding volledig vervallen. Maatregelen ter vermindering van potentiële effecten (samenvattend) Milieueffecten van de ontwikkeling van het projectgebied kunnen niet geheel worden voorkomen. De mate waarin de milieueffecten optreden kan wel gemitigeerd worden. De milieueffecten zijn zodanig ingeschat dat maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Aanpassen indien dit wel het geval is bijvoorbeeld compenserende maatregelen voor ecologie, hieronder een voorbeeld. Ecologie (compenserend en mitigerend) Tijdens de uitvoering van het voornemen kan flora en fauna hinder ondervinden. Door de geplande ingreep zullen geen beschermde grondgebonden zoogdieren in het geding komen of vaste voortplantings- en rustplaatsen permanent worden verstoord.
Uit het nader onderzoek naar vleermuizen blijkt dat er sprake is van jaarrond beschermde verblijfsplaatsen van gewone dwergvleermuizen. Voor deze soorten is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. De ontheffing zal worden aangevraagd voordat met de sloop wordt aangevangen. Wel dienen er mitigerende maatregelen te worden genomen. Dit wordt uitgewerkt in een activiteitenplan die bij de ontheffingsaanvraag zal worden gevoegd. Met inachtneming van de te nemen mitigerende maatregelen worden significante nadelige effecten ten aanzien van ecologie voorkomen. Voor de overige soorten geldt het volgende: Door buiten het broedseizoen te werken of maatregelen te treffen binnen het broedseizoen wordt eventuele hinder op natuur zoveel mogelijk beperkt. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-MER noodzakelijk maakt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14