CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, Herfte -Wijthmen, cultuurhistorie

Raad Besluitvormingsronde 7 maart 2022, gemeente ZwolleBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Buitengebied, Herfte Wijthmen, cultuurhistorie28.906 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Kruispunt van lanen op buitenplaats Soeslo.

Een mozaïek van bossen, landbouwgronden en lanen van de buitenplaatsen overdekte de gemeente Zwolle aan het eind van de achttiende eeuw, getuige de militaire kaarten van Hottinger en van H. van Hooff uit 1781. Door het reliëf en de sterke versnippering van het grondbezit waren de landgoederen en buitenplaatsen veel kleiner dan op de Sallandse zandgronden waar men over uitgestrekte heidevelden kon beschikken voor de aanleg van uitgestrekte lanenstelsels en bossen. Bij een aantal huizen zijn lanen georiënteerd op points de vues, soms op kilometers afstand. De buitenplaats Schellerberg bijvoorbeeld had lanen die gericht waren op de Sassenpoort en de Peperbus. Aan het eind van de achttiende eeuw ondergingen de geometrische tuinen en parken onder invloed van Engeland een metamorfose. Er werden nieuwe parken aangelegd waarin het natuurlijke landschap middels kronkelende paden, serpentinevijvers, bergjes en weilanden werd nagebootst om romantische stemmingen op te wekken. Een belangrijk voorbeeld is het park van Windesheim dat aangelegd werd door Husly. De belangstelling voor de landschapsstijl was in de eerste decennia van de negentiende eeuw zo groot dat de landschapsarchitect Georg Blume, afkomstig van het hof van de vorst van Nassau-Weilburg, zich in Zwolle vestigde en hier een bloeiende praktijk kon opbouwen. Veel parken werden omgevormd in de landschapsstijl.

Vaak werden delen van de oude lanen, en van de oude bomen die nog niet kaprijp waren, ingepast in het nieuwe park. Sommige huizen werden in het begin van de achttiende eeuw fors uitgebreid door de bouw van een nieuw landhuis voor het bestaande (Soeslo, Kolkhof). Inmiddels was de rol van de adel door de komst van de Fransen en de daarmee samenhangende bestuurlijke hervormingen sterk ingeperkt. Het bezit van een havezate was niet langer vereist om zitting te nemen in de Ridderschap. Voor veel edelen was het niet langer nodig de kostbare havezaten in 34

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

stand te houden. In het begin van de negentiende eeuw zouden ze worden verkocht aan burgers die ze verder als buitenplaatsen gebruikten. Van andere havezaten werden de huizen gesloopt, de grachten gedempt, de lanen gekapt en de tuinen veranderd in weiland. In een enkel geval (Zuthem, Kranenborg) zou een van de bouwhuizen tot ver in de twintigste eeuw als boerderij functioneren.

Dienstwoning (rechts) en hoofdgebouw van Soeslo.

In de tweede helft van de negentiende eeuw ondergingen enkele buitenplaatsen nog een verandering zoals Schellerberg en Zandhove. De glorietijd van de buitenplaatsen was echter voorbij. Langs de uitvalswegen en de singels van Zwolle bouwde men grote villa’s met forse tuinen waar de nieuwe stedelijke elite de voorkeur aan gaf boven de grote afgelegen buitenplaatsen. Ook de tuinen zouden in de late negentiende en vroege twintigste eeuw veranderingen ondergaan. Ze werden omgevormd in late landschapsstijl, ook wel gemengde stijl genoemd. De formele tuin deed zijn herintrede. Vooral bij het huis verschenen opnieuw dergelijke tuinen. Zo legde Springer rond het Huis Windesheim geometrische tuinen aan, terwijl de landschappelijke aanleg op de rest van de buitenplaats gehandhaafd bleef. In de loop van de twintigste eeuw liep de belangstelling voor de buitenplaatsen sterk terug. Veel eigenaren konden het onderhoud door de gestegen loonkosten niet meer betalen en veel buitenplaatsen kregen een nieuwe functie als kantoor of zorginstelling. Sommige buitenplaatsen, zoals Zandhove, kwamen door de uitbreidingen van Zwolle geheel binnen het stedelijke gebied te liggen. De vormgevers van de buitenplaatsen in Zwolle Voor het inrichten of herinrichten van de tuinen en parken werden tuin- en landschapsarchitecten van naam ingehuurd.

Belangrijke vormgevers van de omgeving van Zwolle waren Blum, Van Lunteren en Springer. Georg Anton Blum, Blume of Blom werd in 1864 of 1865 geboren in Rheinland-Pfalz. In Kirchheim-Bolanden was een paleis van Karl Christiaan von Nassau-Weilburg (1735-1788), een hoge officier in leger van de Republiek en getrouwd met een zuster van stadhouder Willem V. Ze waren liefhebbers van de tuinkunst. In Den Haag liet het echtpaar ‘het Hotel Nassau-Weilburg’ bouwen, de 35

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

huidige schouwburg. Het is mogelijk dat Georg Anton bij zijn broer in Den Haag woonde, die in het gevolg van Karl-Christian von Nassau-Weilburg naar Nederland kwam. Wanneer en waarom hij zich in Zwolle vestigde is niet bekend. Blum werd architect genoemd evenals Hendrik van Lunteren, hoewel zij zich vooral als landschapsarchitect hebben gemanifesteerd. De eerst bekende opdracht is uit 1803 en betreft de nog bestaande aanleg op de buitenplaats Amelink bij Enschede voor de doopsgezinde Blijdensteins, die een relatie met Zwolle hadden. In 1812 heeft Blum het park van Windesheim aangelegd. Verder werkte hij op Dijkzicht, de Horte, Boschwijk en mogelijk op Arnichem. Tussen 1812 en 1815 was hij werkzaam op Vilsteren. Een van zijn belangrijkste ontwerpen is het park van de Fraelemaborg bij Slochteren. Blum overleed in 1827 op 62 jarige leeftijd in Zwolle ten huize van zijn knecht Albert van Gelder. Uit de onbetaalde rekeningen uit zijn boedel blijkt dat hij een fors aantal Zwolse patriciërs als opdrachtgever had.

De entree van buitenplaats Dijkzicht.

Hendrik van Lunteren is in 1780 in Doorn geboren en vestigde zich in 1806 in Utrecht. Hij wordt als architect en boomkweker aangeduid. In 1807 zou hij in Engeland hebben gewoond om een goed begrip te krijgen van de Engelse landschapstijl. De tuin van het gesloopte laatmiddeleeuwse paleis van de Utrechtse bisschop, aan de voet van de Domtoren, werd in 1810 ingericht als kwekerij ‘Flora’s Hof.’ Deze kwekerij zou door zijn zoon en kleinzoon worden voortgezet. Van Lunteren is vooral bekend als ontwerper van landschapsparken op de voormalige wallen van de vestingsteden. In het begin van de 19de eeuw verloren tal van steden hun vestingstatus. Op de wallen en bolwerken werden ‘wandelingen’ aangelegd voor de burgerij. Van Lunteren heeft ondermeer de wallen van Amersfoort tot landschapspark omgevormd. In 1828 werd de voormalige Nieuwe Schans tussen Zwolle en de IJssel veranderd in een park in landschapsstijl, dat de toepasselijke naam Het Engelse Werk kreeg. In 1835 legde hij bij de Sassenpoort het Potgieterpark aan. Dat Van Lunteren deze opdrachten kreeg van de stad Zwolle hangt mogelijk samen met het overlijden van Blum in 1827. Hendrik van Lunteren overleed in 1848 en zijn zoon Samuel zette zijn praktijk voort.

36

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

Leonard Springer werd in 1855 geboren in Amsterdam als zoon van de bekende kunstschilder Cornelis Springer. Hij werd opgeleid aan de tuinbouwschool Linnaeus. Door het winnen van een aantal prijsvragen kreeg hij grote bekendheid. Vooral na de eeuwwisseling nam het aantal opdrachten sterk toe, vooral overheidsopdrachten zoals parken, begraafplaatsen etc. Hij was in zijn lange werkzame leven betrokken bij de (her)inrichten van zeer veel buitenplaatsen. Voor de adellijke familie de Vos van Steenwijk ontwierp hij tuinen bij de buitenplaatsen Windesheim (1910) en De Gelder (1911), tevens werkte hij voor de Twentse textielfabrikanten in Almelo en Oldenzaal. Hij ontwierp bij voorkeur in de zogenoemde ‘gemengde stijl’, een combinatie van landschappelijke met geometrische aanleg waarbij de geometrische aanleg in de nabijheid van het huis kwam te liggen. Hij zou als landschappelijk adviseur worden betrokken bij de aanleg van wegen en villaparken. Springer zou zich vanaf zijn 65e jaar vooral inzetten voor vakverenigingen. Hij stierf in 1940.

De verdiept aangelegde tuin op Windesheim, ontworpen door Leonard Springer.

37

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

8. Zwolle en de defensie

In de middeleeuwen vormden de kastelen en de stadsmuren de belangrijkste defensiewerken. Door de toepassing van vuurwapens en kanonnen verloren deze defensiemiddelen echter hun betekenis en moesten er nieuwe werken worden aangelegd. Rondom de steden werden uitgebreide wallen met bastions en andere verdedigingswerken aangelegd. De bastions van Zwolle en de verdedigingslinie tussen Zwolle en de IJssel zijn aangelegd aan het eind van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw. Van de middeleeuwse kastelen rond Zwolle is in het huidige landschap niets meer te zien. Een beperkte verdedigingsfunctie hadden de havezaten. Een huis werd pas als havezate erkend als het verdedigbaar was en van een gracht was voorzien, maar een belangrijke militaire betekenis hadden ze niet. Dit geldt in het bijzonder voor de havezaten die pas in de zestiende en zeventiende eeuw werden gesticht. Een ander stukje militaire geschiedenis is te vinden bij de Kuyerhuislaan tussen de Nieuwe Wetering en Veldhoek. Hier, op de grens van de marken Zwolle en Zalne, lag vroeger de stadslandweer van Zwolle. Een landweer is een aarden wal met een gracht erlangs. De wal was begroeid met dicht struikgewas, bij voorkeur meidoorns. Kuyerhuis is een verbastering van koerhuis, een wachtpost of wachttoren. Als er onraad dreigde werd een mand of koer omhoog gehesen om de mensen in de stad te waarschuwen.

Het koerhuis lag op de plaats waar de oude weg naar Twente de landweer kruiste. De Zwolse landweer is aangelegd omstreeks 1384.

Fortgracht van het Engelse Werk bij Zwolle.

De IJsselvallei is binnen het verdedigingssysteem van ons land altijd één van de belangrijkste linies geweest. Vanaf de Tachtigjarige Oorlog tot aan de Koude Oorlog na 1950 is er gebouwd aan de

38

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

IJssellinie. Prins Maurits begon vanaf 1589 met de systematische aanleg van wachtposten langs de rivier. Deze wachttorens werden omgeven door een aarden wal en soms door een gracht. In 1610 werden op de linkeroever van de IJssel tegenover ondiepten in totaal 26 kleine redoutes aangelegd. Later zijn hier nog meer posten of batterijen aangelegd. In 1944 werd de IJssellinie door de Duitsers ingericht als onderdeel van de ‘Westwall’, die liep van Basel naar het IJsselmeer. Geallieerde troepen waren in september bij Arnhem en Nijmegen geland en de Duitsers begonnen in hoog tempo de IJssellinie in gereedheid te brengen om de geallieerde opmars te stuiten. Op 22 september 1944 gaf de Duitse bezetter opdracht aan het waterschap Mastenbroek om de polder onder water te zetten. Tevens zijn loopgraven aangelegd in de uiterwaarden van de IJssel en werd er een tankgracht gegraven langs de Zalkerdijk, op de rand van het inundatiegebied. De enige herinnering aan deze Duitse IJssellinie is een betonnen kazemat aan de dijk bij Haerst.

De kazemat aan de Haersterdijk.

In de Koude Oorlog had de IJssellinie een grote defensieve betekenis als verdedigingslinie van de NAVO tegen mogelijke aanvallen van het Warschaupact,. Als de ‘Russen’ zouden komen kon men de Nederrijn en de Waal afdammen, zodat al het water uit de Rijn door het IJsseldal zou stromen. Bij Olst kon een stuw in de IJssel worden aangebracht, en via inlaatsluizen kon ook een groot deel van Salland onder water gezet worden. Verschillende onderdelen van deze linie, die in 1964 weer is opgeheven, zijn nog aanwezig. Ook het Gennegerzijl speelde een rol in de IJssellinie, Door de sluis af te sluiten kon men het laaggelegen broekgebied van Haerst, Genne en Holten onder water zetten bij een aanval van het Warschaupact. Door de ontwikkeling van zware transporthelikopters verloor de IJssellinie haar strategische betekenis.

39

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

9. Zwolle en het verkeer

Zwolle kon uitgroeien tot een belangrijke handelsstad dankzij haar ligging aan land- en waterwegen. In de negentiende eeuw werd Zwolle het belangrijkste knooppunt van spoor- en tramwegen in NoordNederland. De vaarwegen Via het Zwarte Water had Zwolle toegang tot de Zuiderzee. Opmerkelijk is dat deze korte waterloop kennelijk vroeger al zo belangrijk was dat de veel langere Vecht als een zijrivier werd gezien: de Vecht mondt uit in het Zwarte Water. Verder komen in het Zwarte Water de kleinere stroompjes Grote Aa en Westerveldsche Aa uit. Vanuit Zwolle voer men met kleine platboomde schepen (de Enter zompen) over de Vecht en de Regge naar Twente en Duitsland. De Vecht was tot in de buurt van Bentheim bevaarbaar. Het Rode Torenplein in de stad was de stapelplaats van Bentheimer zandsteen. Omstreeks 1600 is de Nieuwe Vecht tussen Zwolle en Berkum gegraven, waardoor men vanuit Zwolle rechtstreeks naar de Vecht kon varen en niet meer de omweg via het Zwarte Water hoefde te maken. De sluizen in de stad en bij Berkum (het Nieuwe Verlaat) zijn nog aanwezig, maar fungeren niet meer als schutsluis omdat een deel van de Nieuwe Vecht in de stad gedempt is. Ook de Sallandse weteringen hebben een rol gespeeld in het goederenvervoer van en naar de stad. Langs de Nieuwe Wetering en de Soestwetering lagen jaagpaden om de schepen te trekken.

De Nieuwe Wetering bij gemaal Linterzijl. Het jaagpad lag vroeger aan de overzijde van de wetering.

De weteringen in de Polder Mastenbroek werden in de loop van de zeventiende eeuw van groot belang als verkeersaders: de meeste weteringen deden dienst als trekvaart. De Kamperwetering, die ook wel Trekvaart wordt genoemd, de Kerkwetering, Hasseltse Wetering, Nieuwe Wetering en Oude Wetering functioneerden als trekvaart. Zo liep de trekvaart van Kampen naar Hasselt via de Trekvaart of Kamperwetering, Kerkwetering en Hasseltse Wetering. De trekvaart van Kampen naar Zwolle liep via de Trekvaart of Kamperwetering, Kerkwetering, Oude Wetering en vervolgens over het Zwarte Water.

40

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

Ook van Zwolle naar Genemuiden kon men per trekschuit reizen: vanaf het Zwarte Water naar de Oude Wetering, Kerkwetering en Nieuwe Wetering. Bij de kerk van Mastenbroek kon worden overgestapt van de ene trekvaartroute naar de andere. Wanneer de Hermelijngracht of Tolgracht is aangelegd is niet precies bekend. De landweg tussen Zwolle en Groningen, via de Tolweg en de Nieuwedijk, bestond al in 1650, maar is op de zestiendeeeuwse kaarten van ’sGrooten en Van Deventer nog niet ingetekend. We mogen aannemen dat de gracht en de weg in het begin van de zeventiende eeuw zijn aangelegd. De gracht diende om het veengebied van Ruitenveen te ontsluiten. Via een zijkanaal kon het veengebied van de Veenekampen en de Meele worden bereikt. Op de kaart van Hottinger (1780) zijn twee verlaten (schutsluizen) in dit zijkanaal aangegeven. Door een schutsluis bij Berkum-Bruggenhoek, het Ordelsche Zijl, voer men de Vecht op. In de gemeente Zwolle is een klein deel van de Hermelijn- of Tolgracht bewaard gebleven.

Sluisbrug over de Katerveersluis in de Willemsvaart.

In 1819 is de Willemsvaart tot stand gekomen, waardoor Zwolle eindelijk een vaarverbinding met de IJssel kreeg. Lange tijd hadden Deventer en Kampen zich tegen een dergelijke verbinding verzet. Koning Willem I was de grote animator van dit werk. Via de (oude) Katerveersluis konden de schepen vanuit de IJssel de stad bereiken. De nieuwe, grotere sluis dateert uit 1873, net als de ijzeren ophaalbruggen. De nieuwe sluis is gerestaureerd in 1988, maar functioneert niet meer. De westelijke sluisdeuren zijn in 1992 vervangen door een gemaal ten behoeve van de aan- en afvoer van water naar en van Zwolle-Zuid. De oude sluis is nog in gebruik voor de recreatievaart en is gerestaureerd in 1995. Ten zuiden van de oude sluis bevindt zich een schotbalkenloods. Tot voor kort stond hier ook een tweebeukige werkplaats uit ca 1870. De werkplaats is waarschijnlijk gebouwd tijdens de aanleg van de nieuwe sluis. In de stad is de Willemsvaart gedeeltelijk gedempt. De oude sluis die toegang gaf tot de stadsgracht functioneert niet meer maar is nog wel zichtbaar.

41

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

Vanaf 1810 is gegraven aan de Dedemsvaart. Door dit kanaal ontsloot men de grote veengebieden op de grens van Overijssel en Drenthe. Tussen Berkum en De Lichtmis werd in 1832 het Lichtmiskanaal gegraven, waardoor Zwolle ook een aansluiting kreeg op de Dedemsvaart. Het kanaal is gedempt bij de aanleg van de A28. In de uiterwaard van de Vecht is de uitmonding van het kanaal in de rivier nog te zien. Ook de oude sluiswachterswoning van de Berkummersluis is nog aanwezig, ten oosten van buitenplaats Dijkzicht.

Vm sluiswachterswoning van de Berkummerschutsluis.

In het midden van de negentiende eeuw kreeg de Overijsselsche Kanalisatie Maatschappij (OKM) toestemming om een aantal kanalen te graven in de provincie Overijssel. In 1851 begonnen de werkzaamheden. Het hoofdkanaal (van Zwolle naar Almelo) kwam gereed in 1855, het zijkanaal Deventer-Raalte-Damsholte-Lemelerveld werd in september 1858 opengesteld. Voor het hoofdkanaal maakte men gebruik van een deel van de Nieuwe Wetering. Een daling van de inkomsten uit de scheepvaart, mede veroorzaakt door de ontwikkeling van het Twentekanaal in de jaren dertig van de twintigste eeuw, bracht de OKM in financiële moeilijkheden. Om daar iets tegen te doen, werd in 1941 een nieuw bedrijf, de N.V. Maatschappij Overijsselsche Kanalen (MOK), opgericht. Het scheepvaartverkeer liep echter steeds verder terug en een aantal kanaalvakken werd voor de beroepsvaart gesloten en overgedragen aan het Waterschap Salland. Aan de MOK danken we de fraaie Hoevenbrug over de Nieuwe Wetering, gebouwd in 1949. De vaarweg door de Willemsvaart en de stadsgracht van Zwolle was in de loop van de twintigste eeuw een belemmering voor de binnenvaart geworden. Er werd een betere noord-zuidverbinding gecreëerd door de aanleg van het Zwolle-IJsselkanaal in 1964, die de IJssel en het Zwarte Water met elkaar verbindt. Langs het kanaal werden insteekhavens gegraven voor de industriegebieden Westenholte en Grote Voort.

42

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

De landwegen Voor de negentiende eeuw was men voor het vervoer per as aangewezen op enkele doorgaande wegen die bij Zwolle samenkwamen. Vanaf Berkum kon men over de Vechtdijk naar Hasselt reizen, net als via Westenholte over de dijk van het Zwarte Water. Over de dijk van de IJssel lag een weg naar IJsselmuiden, waar men kon oversteken naar Kampen. De weg over Ittersum en Windesheim naar Deventer was de belangrijkste noord-zuidverbinding. De rechtstreekse verbinding tussen Zwolle en Groningen liep vanaf het begin van de zeventiende eeuw over de Tolweg en de Nieuwendijk naar De Lichtmis. Na de aanleg van het Lichtmiskanaal kon men sneller over de jaagpaden van het kanaal naar de Lichtmis gaan.

De Tolgracht en Tolweg, de huidige N 758.

In zuidwestelijke richting liepen wegen naar Raalte, langs de Nieuwe Wetering, en naar Almelo via Wijthmen en Lenthe (de Oude Twentse Weg). Vanaf Frankhuis liep de Kamperweg in westelijke richting via Voorst, Westenholte en ’s-Heerenbroek naar IJsselmuiden, waar al vanaf 1448 een brug over de IJssel lag. Veruit de belangrijkste weg was de Hessenweg vanuit Zwolle naar Hardenberg en vandaar naar Coevorden en Neuenhaus in Duitsland. Deze weg was vanaf de middeleeuwen tot halverwege de negentiende eeuw een van de belangrijkste oost/west verbindingen in ons land en verbond Utrecht, Amersfoort en Amsterdam met grote Duitse steden als Munster, Bremen en Hamburg. Bij Berkum lag al vanaf de zestiende eeuw een vaste brug over de Vecht. Over de Hessenweg trokken de Hessische kooplieden met hun grote karren, die door drie of vier spannen paarden getrokken werden. In hun kielzog kwamen ook tal van werklieden uit Duitsland het land binnen, zoals de hannekemaaiers, ook wel ´Poepen´ genoemd. Hieraan dankt Berkum de bijnaam Poepershoek. Bij het Katerveer moest men de IJssel overvaren, want een vaste verkeersbrug over de IJssel is bij Zwolle pas in de twintigste eeuw gebouwd. Bij Hattem vertakte de Hessenweg zich in verschillende richtingen: via Epe naar Apeldoorn en Arnhem, en via Elspeet en Voorthuizen naar Amersfoort, Amsterdam en Utrecht.

Het oude tracé van de Hessenweg bij buitenplaats Dijkzicht.

43

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

De doorgaande wegen werden gebruikt door handelaars en vrachtrijders die hun waren naar de verschillende steden vervoerden. Zogeheten wagenveren verzorgden het transport van goederen en passagiers. Postiljons of postrijders vervoerden brieven en kleine pakketten te voet of te paard. Via deze wegen werden ook landbouwproducten en vee naar de markten in de stad vervoerd. Marskramers of ‘kiepkerels’ liepen met hun ransel met koopwaar naar het volgende dorp om te zien of ze daar nog wat konden verkopen. In het voorjaar kwamen de hannekemaaiers in groepen langs, op weg naar de weidegebieden in het westen, om daar hun geld te verdienen in de hooibouw. In het najaar keerden ze weer terug naar hun woonplaatsen in Duitsland. Het waren vaak kleine boeren die de zorg voor hun eigen bedrijf in de zomer toevertrouwden aan hun familie. En verder trokken over de wegen en paden vogels van verschillende pluimage: landlopers, bedelaars, struikrovers, kwakzalvers, kermisklanten enzovoort. In de twintigste eeuw is het wegenpatroon rondom de stad sterk veranderd. In de jaren ’30 is bij Spoolde de brug over de IJssel gebouwd. Na de Tweede Wereldoorlog werd ten noordwesten van de stad een nieuwe weg aangelegd voor het doorgaande verkeer richting Meppel en Amersfoort. De A 28 volgt dit tracé. Voor de snelweg werd in 1970 een nieuwe brug over de IJssel gebouwd, iets ten noorden van de oude.

Na Berkum volgt de snelweg het tracé van het Lichtmiskanaal, dat hiervoor werd gedempt. De Werkerlaan, de huidige Hasselterweg, kwam in de eerste helft van de twintigste eeuw gereed.

De IJsselbrug, gezien vanaf Katerveer.

De spoorwegen In de tweede helft van de negentiende eeuw werd Zwolle het belangrijkste spoorwegknooppunt van Noord-Nederland. De spoorlijnen naar Amersfoort en Kampen zijn in 1865 aangelegd, spoedig gevolgd door spoorverbindingen naar Meppel (1866), Deventer (1867), Almelo (1880) en Apeldoorn (1888, inmiddels opgeheven). Als laatste werd in 1903 de spoorlijn naar Ommen aangelegd. Behalve deze spoorverbindingen waren er tramlijnen naar het Katerveer (paardentram), Hardenberg, Meppel (langs

44

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

het Lichtmiskanaal), Nunspeet en Blokzijl. Al deze tramlijnen zijn opgeheven in de jaren ’30 van de twintigste eeuw.

De spoorlijn Zwolle-Groningen.

Om de verschillende wateren bij Zwolle over te steken moesten diverse spoorbruggen worden gebouwd. De meest bijzondere is de spoorbrug over de IJssel. In 1864 is door de Nederlandsche Centraal-Spoorweg-Maatschappij de spoorlijn Amersfoort-Zwolle aangelegd. Als overbrugging van de IJssel werd een enkelsporige brug gebouwd. In 1936 is deze brug vervangen door een nieuwe, bovendien werd er een tweede enkelsporige brug naast gebouwd. Beide bruggen bestaan uit zogeheten verstijfde staalboogbruggen en hebben een hefgedeelte. De spoorbrug is bijzonder omdat het een dubbele brug betreft en omdat voor het eerst in Nederland de constructie van verstijfde staalbogen werd toegepast. In 1940 en vooral in 1945 is zware schade aan de spoorbrug toegebracht. Na de oorlog is de dubbele brug in zijn oorspronkelijke vorm uit 1936 teruggebracht. Ook de dubbele spoorbrug over de Vecht, in 1867 gebouwd als kraanbrug waarvan het middengedeelte naar de zijkant kon worden weggedraaid, werd in 1945 opgeblazen. Aan de oorspronkelijke functie als kraanbrug herinneren twee bakstenen peilers in het midden van de rivier. De veerdiensten De eerste vaste verkeersbrug over de IJssel bij Zwolle kwam pas gereed in 1930. Voor die tijd moest al het verkeer per pont worden overgezet.

Eeuwenlang was het Katerveer de belangrijkste plaats waar voetgangers, rijtuigen, ruiters en transportwagens de IJssel overgezet werden. Het was een schakel in de Hessenweg tussen Amsterdam en Hamburg. Bij Oldeneel lag een voetveer naar Hattem. Tussen Westenholte en Zalk voer een pont die men kon bereiken via de Veerdam, in het verlengde van de Zalkerdijk. Bij Zalk is onlangs weer een voetveer in de vaart genomen, dat echter niet vanaf de veerdam vertrekt. Sinds 2006 vaart het Kleine Veer vanaf Spoolde in de zomermaanden om voetgangers en fietsers over te zetten. Over het Zwarte Water zijn voor zover bekend geen veerponten geweest. Over 45

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

de Vecht lag sinds de vijftiende eeuw een vaste brug in de Hessenweg bij Berkum. Verder naar het noorden lag een veer bij Arnichem en een voetveer tussen Genne en Langenholte. Ook het Haersterveer bij Arnichem vaart in de zomermaanden voor voetgangers en fietsers. Van de verdwenen veren zijn de veerdammen bij Oldeneel en Westenholte nog aanwezig. Bij het Katerveer en Oldeneel herinneren de veerhuizen nog aan de vroegere verkeersfunctie.

Het veerhuis bij het Katerveer.

46

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

10. Zwolse kloosters en begraafplaatsen

In de veertiende eeuw werd Zwolle het middelpunt van een belangrijke geestelijke stroming, die zich afzette tegen de wantoestanden bij de kerkelijke instellingen, zoals de aflaathandel en het luxueuze leven dat veel geestelijken leidden. De grondlegger van deze beweging, de Moderne Devotie, was de in Deventer geboren Geert Grote. In 1384 werd het eerste Zwolse broederhuis gesticht. Dit gebeurde vlak voordat Geert Grote aan de pest overleed. De broeder zochten al gauw naar een plek om het drukke stadsleven te ontvluchten en kregen daarvoor gelegenheid toen de marke Berkum grond op de Nemelerberg ter beschikking stelde voor het stichten van een onderkomen voor eenvoudige godvruchtige mannen. In 1386 werd hier een eenvoudige optrek gebouwd, die al snel zou uitgroeien tot een imposant kloostercomplex. Door de grote faam en betekenis van het klooster St.-Agnes of Bergklooster raakte de naam Nemelerberg wat op de achtergrond en staat de heuvel tegenwoordig bekend als de Agnietenberg. Het klooster geniet onder meer grote bekendheid omdat Thomas van Kempen er een groot deel van zijn leven doorbracht en er in de jaren 1464-1471 zijn beroemde kroniek schreef (Chronica Montis Sanctae Agnetis). Funderingsresten van de kloostergebouwen liggen onder de oppervlakte van de begraafplaats (De Kruijf e.a., 2000). Een ander klooster van de Moderne Devotie is gebouwd in Windesheim.

Hier begonnen aanhangers van de beweging uit Deventer in 1387 met de bouw van een klooster. Ook dit klooster groeide uit tot een grote en invloedrijk kloostercomplex. Het klooster werd het moederklooster van de internationale Congregatie van Windesheim, waar bijna honderd kloosters in binnen- en buitenland zich bij aansloten, waaronder het Bergklooster en het klooster Bethlehem in de stad. Van het Windesheimer klooster is nog wel iets te zien, want de oorspronkelijk kloosterbrouwerij uit omstreeks 1565 fungeert tegenwoordig als dorpskerk.

De dorpskerk van Windesheim.

47

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

Het terrein van het Bergklooster is later ingenomen door de buitenplaats Kranenburg, tegenwoordig ligt hier de Algemene Begraafplaats. Andere begraafplaatsen in de gemeente zijn de begraafplaats in Windesheim en de Israëlitische begraafplaats aan de Kuyerhuislaan. In 1722 kreeg de joodse gemeenschap in Zwolle toestemming om een begraafplaats op de Luurderschans in te richten. Deze begraafplaats is in 1980 aan de gemeente verkocht en er werd een nieuwe locatie gevonden aan de Kuyerhuislaan. De oude graven zijn overgebracht naar de nieuwe begraafplaats. Het meest bijzonder is echter een graf op landgoed Arnichem, dat wel bekend staat als het ‘Graf van de negerslaaf’. Op de twee grafstenen staan Latijnse en Arabische teksten, waarop staat dat dit de rustplaats is van Lepejou. Lepejou was bediende van Joan Hendrik Tobias, een Zwolse patriciër die een tijdlang in Nederlands-Indië heeft gewerkt. Hij zou Lepejou hebben meegenomen naar Arnichem, waar hij in 1828 is overleden. Geen negerslaaf dus, Lepejou was afkomstig van Celebes en gezien de Arabische tekst waarschijnlijk moslim. Het graf – misschien wel het oudste moslimgraf in Nederland – is op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst.

Een van de stenen op het graf van Lepejou.

48

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

11. Zwolle en de bedrijvigheid

Van de vroegere bedrijvigheid in het buitengebied van Zwolle is weinig bewaard gebleven, met uitzondering natuurlijk van de landbouw. Langs het Zwarte Water en de Nieuwe Vecht hebben vroeger tal van industriemolens gestaan, waarvan de Passiebloem aan de Nieuwe Vecht als enige bewaard is gebleven. Bij Frankhuis heeft in de negentiende eeuw een kalkoven gestaan, die echter omstreeks 1900 alweer was verdwenen. In de uiterwaarden van de IJssel hebben enkele steenfabrieken gestaan, twee bij Oldeneel en een bij Windesheim. De oude ringoven van de NV Waalsteenfabriek Windesheim is gespaard bij de sloop van het fabrieksgebouw, toen de productie in 1982 werd beëindigd. De Windesheimer korenmolen is een achtkante, met riet gedekte stellingmolen op een houten onderbouw en een lage stenen voet. De molen is gebouwd in 1748, nadat een voorganger, die ten zuidwesten van het klooster had gestaan, afbrandde. De molen behoorde bij de havezate Windesheim. De molen is in 1952 en 2009 gerestaureerd.

De IJsselcentrale bij Harculo met de hoogspanningsleidingen in de Polder Sekdoorn.

De IJsselcentrale is in het begin van de jaren ’50 van de vorige eeuw gebouwd in opdracht van de NV Electriciteitsfabriek IJsselcentrale. De centrale is ontworpen door architect P.J. de Gruijter. De opening vond plaats in 1955. Voor de aanvoer van brandstof zijn ten noorden en zuiden van de centrale havens aangelegd, waarbij gebruik is gemaakt van twee grote wielen. Vroeger werd de centrale met kolen gestookt, tegenwoordig is de capaciteit teruggebracht en wordt er op aardgas en (bio)olie gestookt. Van de vijf schoorstenen zijn er in 1983 drie afgebroken. Het gebouw is een mooi voorbeeld van naoorlogse utiliteitsbouw en fungeert als ‘landmark’ voor de ruime omgeving. Door de vele hoogspanningsleidingen in het buitengebied is de aanwezigheid van de centrale ook merkbaar als men het gebouw niet kan zien.

49

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

12. Conclusies en aanbevelingen

Het landschap van de gemeente Zwolle heeft een lange geschiedenis. Al duizenden jaren geleden woonden en werkten er mensen in dit gebied. Van deze oudste bewoners is in het huidige landschap niet veel te zien, maar ongetwijfeld bevat de bodem nog tal van gebruiksvoorwerpen en bewoningssporen. De basis van het landschap van nu is gelegd in de middeleeuwen. Elke periode in de geschiedenis voegde weer nieuwe elementen aan het landschap toe. Het landschap is immers voortdurend in verandering. Steeds moest het worden aangepast aan de veranderde eisen die de mensen aan hun woon- en werkomgeving stelden. Deze ontwikkeling, de wordingsgeschiedenis van het landschap kunnen we herkennen aan landschapselementen als dijken, zandwegen, buitenplaatsen en de enken met de boerderijen eromheen. Deze elementen horen - net als gebouwde monumenten, boerderijen, archieven en volksverhalen – tot ons cultuurhistorisch erfgoed. Cultuurhistorische elementen en structuren zijn belangrijke aspecten van stad en landschap. Ze dragen bij aan de eigenheid van de streek, ze vormen oriëntatiepunten en ze zorgen ervoor dat bewoners en bezoekers zich met een stad of een streek kunnen identificeren. Ze vertellen het verhaal van de geschiedenis van het landschap. En ze dragen in hoge mate bij aan de belevingswaarde.

Wiel in de Stadslanden, langs de Hasselterdijk.

Het is daarom belangrijk dat dit bijzondere cultuurhistorische erfgoed, dit landschap met zijn kenmerkende onderdelen, ook in de toekomst bewaard blijft. De afgelopen decennia is er veel in het buitengebied van Zwolle veranderd. Ruilverkavelingen zijn uitgevoerd, nieuwe wegen werden aangelegd, de stad heeft zich sterk uitgebreid. Deze ontwikkelingen zijn ten koste gegaan van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Toch herbergt het buitengebied tal van elementen en structuren die de geschiedenis van het landschap illustreren. Deze zijn in de bijgevoegde cd-rom beschreven en van advies voorzien.

50

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

Als we het buitengebied van Zwolle als geheel bekijken zijn er enkele landschapsvormende factoren geweest die een belangrijk stempel op het landschap hebben gedrukt en die de essentie van het landschap hebben bepaald. Deze factoren zijn: • De landbouw. De geleidelijke ontginning en ingebruikname van het gebied laat zich in de verschillende vormen van inrichting aflezen. Er zijn weinig gebieden in Nederland waar op zo’n kleine oppervlakte zoveel verschillende ontginningsvormen bij elkaar kunnen worden aangetroffen. De dorpen Langenholte, Herfte en Wijthmen met hun essen, de riviernederzettingen langs de IJssel, van Windesheim tot Spoolde, de laatmiddeleeuwse broekontginningen van Zuthem en de Polder Sekdoorn, tot en met de twintigste-eeuwse ontginningen in het veengebied van de Tolhuislanden en de Veenekampen zijn voorbeelden van vrijwel alle ontginningsvormen die we in Nederland kunnen aantreffen. Absolute topper is de Polder Mastenbroek, met zijn voor die tijd unieke inrichting. • De waterhuishouding. De strijd tegen het buitenwater is af te lezen aan de dijken langs de IJssel, het Zwarte Water en de Vecht. De vele wielen getuigen van de keren dat de dijken het niet konden houden en doorbraken, ten koste van veel schade en soms het verlies aan levens van mensen en dieren. Interessant zijn de maatregelen die men heeft moeten treffen om het binnenwater te beheersen.

Het stelsel van de Sallandse Weteringen, aangelegd in de veertiende eeuw, kent zijn weerga in Nederland niet. Deze weteringen zijn bepalend geweest voor de waterbeheersing van de laaggelegen mars- en broekgebieden, die via een netwerk van sloten, weteringen, sluisjes en gemalen op de grote Sallandse Weteringen zijn aangesloten.

Het vroegere stoomgemaal Westerveld.

•

De infrastructuur. Zwolle heeft zich tot een belangrijke handelsstad kunnen ontwikkelen dankzij de vele landwegen, kanalen en spoorwegen. Vanaf de middeleeuwen liep één van de belangrijkste oost-westwegen van ons land door de stad en door het buitengebied. Het Katerveer was een belangrijke schakel in deze Hessenweg, die Utrecht en Amsterdam verbond met Duitse steden als Bremen en Hamburg. Andere landwegen verbonden Zwolle met Twente, Groningen, Hasselt, Deventer en Kampen. Per schip kon men via het Zwarte Water naar de

51

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

Zuiderzee varen en vandaar de havens in andere delen van het land en handelscentra in het buitenland, zoals het Oostzeegebied, bereiken. Veel is door Zwolle de afgelopen vijf eeuwen geïnvesteerd in de verbinding met het achterland. De Nieuwe Vecht, de Hermelijn- of Tolgracht, het Lichtmiskanaal en het Overijssels kanaal waren van groot belang om de benodigde landbouwproducten, hout, turf, zandsteen en vele andere goederen aan te voeren. Via de Willemsvaart en het Zwolle-IJsselkanaal kreeg Zwolle eindelijk haar zo begeerde verbinding met de IJssel. Behalve de waterwegen zelf vormen ook de jaagpaden, veerhuizen, bruggen, sluizen en sluiswachterswoningen waardevolle cultuurhistorische elementen.

IJsselzicht, het vroegere veerhuis bij het voetveer tussen Oldeneel en Hattem.

•

De buitenplaatsen. Adellijke families en rijke burgers hebben door hun buitenplaatsen en landgoederen een belangrijke bijdrage geleverd aan de vormgeving van het huidige landschap. Enkele tientallen buitenplaatsen hebben er in de omgeving van Zwolle gelegen. Sommige zijn nog aanwezig, andere zijn geheel verdwenen, enkele laten zich nog herkennen aan de laanstructuren, de bouwhuizen of door landschapselementen als het grand canal van de oude havezate Zuthem. In het kader van de huidige inventarisatie was het niet mogelijk gedetailleerd onderzoek te doen naar de tuingeschiedenis van de buitenplaatsen. Op grond van literatuuronderzoek en veldwerk is echter duidelijk geworden dat met name de parken van Boschwijk, Soeslo, Arnichem, Dijkzicht en Windesheim van grote cultuurhistorische betekenis zijn. Al deze parken bevatten waarschijnlijk elementen uit de vroege landschapsstijl. Dergelijke parken zijn zeldzaam in Nederland. Behalve het park van Boschwijk, dat goed onderhouden is, verkeren de genoemde parken in enigszins verwaarloosde staat. We bevelen aan onderzoek te laten uitvoeren naar de tuingeschiedenis van deze buitenplaatsen.

In de bijgevoegde inventarisatie zijn verschillende objecten beschreven die beschermd zijn volgens de monumentenwet. Waar dit niet het geval is geven we in sommige gevallen aan dat plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst overwogen zou moeten worden. Tijdens het onderzoek is ook gekeken naar ensembles, die vanwege hun cultuurhistorische betekenis voor bescherming in aanmerking

52

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

komen, bijvoorbeeld in de vorm van een beschermd landschapsgezicht. Het gaat om de volgende ensembles:

Cultuurhistorisch waardevolle ensembles. 1. Windesheim 2. Katerveer 3. Westerveld 4. Langenholte 5. Zalkerdijk

6. Haerst/Arnichem 7. Tolgracht 8. Berkummersluis 9. Oldeneel en Schelle 10. Veldhoek en Herfte

53

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

Ensemble

Onderdelen

Windesheim

Zandwetering Dorp en dorpskerk Landgoed met bijbehorende gebouwen Kleiputten Resten steenfabriek

Katerveer

Willemsvaart Sluizen en bruggen Veerhuis en uitspanning Schotbalkenloods Werkplaats

Westerveld

Westerveldse Aa Stoomgemaal Erve Westerveld Havezateterrein Dijk Schotbalkenloods

Langenholte

Boerderijen Bebouwingsstructuur Brink Langenholterdijk Wielen Wegenstructuur

Zalkerdijk

Zalkerdijk IJsseldijk Wielen Boerderijen

Haerst

Den Doorn Arnichem Vechtdijk Wielen Gennegersluis Boerderijen Bebouwingsstructuur Tolgracht Tolweg Steenwetering Nieuwe Dijk

Tolgracht

Foto

54

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

Berkummersluis

Lichtmiskanaal Dijkzicht Sluiswachtershuis Brugwachtershuis Hessenweg

Oldeneel en Schelle

Bebouwingsstructuur Wegenstructuur Schellerwade Schellerberg Veerhuis en veerstoep Schellerallee Steenwetering Bebouwingsstructuur Percelering Essen Kleinschaligheid

Veldhoek en Herfte

55

Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________

Literatuur

Bieleman, J., 1980. Heino; een geschiedenis van mens en plaats. Zwolle. Demoed, H.B.,1987. Mandegoed schandegoed. De markeverdelingen in Oost-Nederland in de 19e eeuw. Zutphen. Ente, P., J.C.F.M. Haans & K. Knibbe, 1965. De bodem van Overijssel, de Noordoostpolder en Oostelijke Flevoland; toelichting bij blad 3 van de Bodemkaart van Nederland, schaal 1 : 200 000. Wageningen. Fockema Andreae, S.J., 1950. Studiën over waterschapsgeschiedenis II, Salland. Leiden. Gelderman, Edzard & Jaap Hagedoorn (red), 1994. Een aardsch paradijs. De buitenplaatsen Boschwijk, Landwijk en Veldwijk nabij Zwolle. Zwolle. Gevers, A.J. & A.J. Mensema (1997). De havezaten in Salland en hun bewoners. Alphen aan den Rijn. Heitling, Willy H. & Leo Lensen., z.j. Vijftig eeuwen volk langs de IJssel. Zutphen. Hove, Jan ten, 2002. Zandhove van buitenplaats tot verpleeghuis. Zwolle. Hove, Jan ten, 2005. Geschiedenis van Zwolle. Zwolle. Kruijf, Udo de, Jeroen Kummer & Freek Pereboom, 2000. Een klooster ontsloten. De kroniek van SintAgnietenberg bij Zwolle door Thomas van Kempen. Kampen. Kuijer, P.C. & H. Rosing, 1994. Bodemkaart van Nederland. Toelichting bij kaartblad 21-Oost Zwolle. Wageningen. Louwen, Jan & Han Prins (red), 1980. Ach lieve tijd. 750 jaar Zwolsen, Zwollenaren en hun.... Zwolle. Ogink, L. & T.

Groot Beumer, z.j., Het dorp aan de Oude Wetering; historisch overzicht van het dorp Lierderholthuis. z.pl. Pereboom, Freek, Jeroen Kummer & Harry Stalknecht (red), 1995. Omarmd door IJssel en Zwartewater. Zeven eeuwen Mastenbroek. Kampen. Pot, C.W. van der, 1972. Zwolle's omgeving omstreeks 1900. Zwolle. Schrier, D.M. van der, 1985. Zwolle Zwartewaterstad. In: Zwols Historisch Jaarboek. Zwolle Slicher van Bath, B.H., 1949. Overijssel tussen west en oost. In: Herschreven historie; schetsen en studiën op het gebied der middeleeuwse geschiedenis. Leiden, p. 172-235. Slicher van Bath, B.H., 1977. Een samenleving onder spanning. Geschiedenis van het platteland in Overijssel. 2e druk. Utrecht. Slicher van Bath, B.H., G.D. van der Heide, C.G.W.J. Hijszeler, A.C.F. Koch, E.C. Naschewski & E. Vroom, 1970. Geschiedenis van Overijssel. Deventer. Spek, Th., F.D. Zeiler & E. Raap, 1996. Van de Hunnepe tot de zee. De geschiedenis van het Waterschap Salland. Kampen. Stenvert, Ronald, Chris Kolman, Ben Olde Meierink m.m.v. Jan ten Hove, Marieke Knuijt & Ben Kooij, 1998. Monumenten in Nederland. Overijssel. Zeist/Zwolle. Verlinde, A.D., 1993. Sporen van menselijke bewoning en hun relatie met bodem en reliëf. In. M. Rappol (redactie). In de bodem van Salland en Twente: 165-190. Amsterdam. Verrips-Roukens, K., 1982. Over heren en boeren. Een Sallands landgoed 1800-1977. 's-Gravenhage.

Zanden, J.L. van & D.J. van der Veen, 1984. Boeren, keuters en landarbeiders. De sociale structuur van Salland aan het begin van de negentiende eeuw. Tijdschrift voor sociale geschiedenis 10: 155-194.

56

15 februari 2022 bestemmingsplan Buitengebied - Herfte, Wijthmen, cultuurhistorie

REGELS

83/235

15 februari 2022 bestemmingsplan Buitengebied - Herfte, Wijthmen, cultuurhistorie

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

plan:

het bestemmingsplan Buitengebied - Herfte, Wijthmen, cultuurhistorie met identificatienummer NL.IMRO.0193.BP20005-0004 van de gemeente Zwolle; 1.2

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding, indien het een vlak betreft; 1.5

agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren; 1.6

agrarisch dienstverlenend bedrijf:

een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven; 1.7

agrarisch medegebruik:

een agrarisch gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming, waarbinnen dit agrarische gebruik is toegestaan; 1.8

ambachtelijk bedrijf:

een bedrijf dat is gericht op het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen en het installeren van goederen; 1.9 andere gezondheidszorggebouwen: a. verzorgingstehuizen; b. psychiatrische inrichtingen; c. medische centra; d. poliklinieken; e. medische kleuterdagverblijven;

84/235

15 februari 2022 bestemmingsplan Buitengebied - Herfte, Wijthmen, cultuurhistorie

1.10

archeologische monumenten:

terreinen die van algemeen belang zijn wegens daar aanwezige vóór tenminste 50 jaar vervaardigde zaken, welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarden; 1.11

archeologische waarden:

de aan een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het belang voor de archeologie en de kennis van de beschavingsgeschiedenis; 1.12

bebouwing:

één of meer gebouwen, bijbehorende bouwwerken en/of andere bouwwerken; 1.13

bebouwingspercentage:

indien het percentage een bestemmingsvlak betreft: de verhouding tussen de oppervlakte van het te bebouwen terreingedeelte en de totale oppervlakte van het bestemmingsvlak; indien het percentage een perceel betreft: een percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een perceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd; dit percentage wordt slechts berekend over het gedeelte van het bestemmingsvlak of het perceel, waarbinnen de bouwwerken mogen worden gebouwd; 1.14

bed & breakfast:

ruimte in of direct bij de hoofdwoning, waar gasten voor een beperkte periode verblijven en het ontbijt wordt geserveerd; 1.15

bedrijf:

het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten; 1.16

bedrijf aan huis:

een bedrijf, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.17

bedrijfsgebouw:

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; 1.18

bedrijfsplan:

een weergave van de huidige en toekomstige situatie van een bedrijf en haar omgeving waarin de doelstellingen op korte en lange termijn zijn weergegeven en waarin tevens richtlijnen zijn opgenomen om de doelstellingen te realiseren.

85/235

15 februari 2022 bestemmingsplan Buitengebied - Herfte, Wijthmen, cultuurhistorie

1.19

bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein gewenst is; 1.20

beroep aan huis:

een beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.21

beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte:

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor beroep aan huis c.q. een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; een daaraan vastgebouwde of er deel van uitmakende woning wordt niet meegeteld; 1.22

beschermde monumenten:

monumenten die als beschermd monumenten zijn aangewezen en zijn ingeschreven in een monumentenregister; 1.23

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak; 1.24

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.25

bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.26

bijzondere woonvorm:

een voorziening voor de huisvesting van personen die bij hun normale, dagelijkse functioneren huishoudelijke, sociale, sociaal-medische en/of medische begeleiding en/of verzorging behoeven, zoals bejaarden, jongeren of gehandicapten; 1.27

bomenteelt:

het voortbrengen van beplantingsgewassen zoals bos- en haagplantsoen, laan- en parkbomen, vruchtbomen, rozenstruiken, sierconiferen en overige sierheesters een en ander in de vorm van volle grondteelt dan wel containerteelt; 1.28

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.29

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

86/235

15 februari 2022 bestemmingsplan Buitengebied - Herfte, Wijthmen, cultuurhistorie

1.30

bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.31

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.32

bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel; 1.33

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.34

bouwwerk:

een bouwkundige constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; 1.35

buitenplaats:

een in een boscomplex opgenomen plek van gemiddeld 5.000 m², waarop een in de natuurlijke omgeving passende bebouwing is gerealiseerd, geschikt voor maximaal 3 aan elkaar gerelateerde huishoudens en maximaal 3 hoofdgebouwen met daarbij ruime bijbehorende bouwwerken, die niet zijn bedoeld voor een economische hoofdfunctie en waarbij hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en tuin op een buitenplaats als één samenhangende ruimtelijke eenheid zijn vormgegeven; 1.36

café-restaurant:

een bedrijf, waar dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie; 1.37

caravan:

een al dan niet uitklapbare aanhangwagen ingericht voor dag- en nachtverblijf van personen, welke met een normale snelheid over de weg mag worden voortbewogen; 1.38

carport:

een overdekt bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat blijkens zijn aard kennelijk is bestemd voor het stallen van een motorvoertuig; 1.39

casino:

gebouw of ruimte bestemd voor het gelegenheid geven tot het spelen van kansspelen met daarbij horeca als ondergeschikte nevenactiviteit;

87/235

15 februari 2022 bestemmingsplan Buitengebied - Herfte, Wijthmen, cultuurhistorie

1.40

complementair daghorecabedrijf:

een horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag verstrekken van dranken en etenswaren aan bezoekers van andere functies, met name functies als centrumvoorzieningen en dagrecreatie, zoals theehuisjes, ijssalons, croissanterieën, dagcafés, dagrestaurants en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen horecabedrijven; 1.41

cultuur en ontspanning:

het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op cultuur en ontspanning, zoals een atelier, attractiepark, bioscoop, bowlingbaan, casino, creativiteitscentrum, dansschool, dierentuin, evenemententerrein, kinderboerderij, museum, muziekschool, muziektheater, sauna, speeltuin, theater en welness alsook ondergeschikte detailhandel en ondergeschikte horeca ten dienste van deze activiteiten evenwel met uitzondering van een seksinrichting; 1.42

cultuurhistorische waarden:

de aan een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door de ten gevolge van een vroeger cultuur- of levenspatroon ontstane in het terrein waarneembare vormen van landschap en bebouwing, welke hetzij van waarde zijn voor de wetenschap, hetzij een zodanige historiche waarde bezitten dat het behoud van belang is te achten; 1.43

dagrecreatie:

recreatie in de open lucht uitsluitend gedurende een dagperiode op speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals een wandelbos, wandelpark, strandbad, vis- en zwemvijvers, speel- en ligweide, speelterrein, kinderspeelplaats, dierenpark, volkstuinen of nutstuinen; 1.44

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder zijn begrepen grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, een tuincentrum en een supermarkt; 1.45

dienstverlenend bedrijf of dienstverlenende instelling:

bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van diensten, waarbij, het publiek rechtstreeks al dan niet via een balie te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder zijn begrepen internetcafés, kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting; 1.46

dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij, het publiek rechtstreeks al dan niet via een balie te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder zijn begrepen internetcafés, kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;

88/235

15 februari 2022 bestemmingsplan Buitengebied - Herfte, Wijthmen, cultuurhistorie

1.47

dove gevel:

een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak en waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede een bouwkundige constructie waarbij alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte; 1.48

dugout:

bouwwerk bestemd voor wissel- en rustplaats ten behoeve van sportdoeleinden; 1.49

één bestemmingsvlak vormend:

twee bestemmingsvlakken, welke ter plaatse van de aanduiding 'relatie' door de aangegeven relatie met elkaar verbonden zijn en daardoor aangemerkt worden als één bestemmingsvlak; 1.50

één perceel vormend:

twee percelen, welke ter plaatse van de aanduiding 'relatie' door de aangegeven relatie met elkaar verbonden zijn en daardoor aangemerkt worden als één perceel; 1.51

eengezinshuis:

een gebouw, dat één woning omvat; 1.52

eerste bouwlaag:

de bouwlaag op de begane grond; 1.53

erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct gelegen is bij een hoofdgebouw; 1.54

erftoegangsweg:

een straat of weg waar de doorgaande functie van het verkeer niet meer primair is en waar aandacht kan worden gegeven aan snelheidsreducerende maatregelen; 1.55

erotisch getinte vermaaksfunctie:

een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal; 1.56

evenement of gebeurtenis in de openlucht:

elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak in de open lucht; 1.57

evenemententerrein:

een terrein dat gebruikt kan worden ten behoeve van het houden van (grootschalige) evenementen;

89/235

15 februari 2022 bestemmingsplan Buitengebied - Herfte, Wijthmen, cultuurhistorie

1.58

extensieve dagrecreatie:

recreatie in de open lucht uitsluitend gedurende een dagperiode, waarbij vooral het landschap of bepaalde delen ervan sterk beleefd worden, waarbij weinig of geen gebouwde voorzieningen nodig zijn en waarbij tevens in het algemeen het aantal recreanten per oppervlakte-eenheid beperkt is, zoals wandelen, fietsen, verpozen en natuur- en landschapsbeleving; 1.59

garagebedrijf:

een bedrijf, waarvan de werkzaamheden bestaan uit het hoofdzakelijk verrichten van onderhoud al dan niet in combinatie met de verkoop van auto's, motorfietsen, bromfietsen, snorfietsen en fietsen alsmede de verkoop van bijbehorende accessoires; 1.60

garagebox:

een gebouw dat blijkens zijn aard kennelijk is bestemd voor het stallen van een motorvoertuig; 1.61

gebiedsontsluitingsweg:

een straat of weg waar de doorgaande functie van het verkeer primair is en welke dient voor de ontsluiting van een gebied; 1.62

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.63

geluidsbelasting:

de geluidsbelasting vanwege een industrieterrein, een spoorweg of een weg als bedoeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder; 1.64

geluidsgevoelige functies:

ruimten binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer worden gebruikt of voor een zodanig gebruik zijn bestemd, alsmede een keuken van een woning met een vloeroppervlakte van niet minder dan 11 m² en andere geluidsgevoelige functies als bedoeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder; 1.65

geluidsgevoelige gebouwen:

gebouwen welke dienen ter bewoning of ten behoeve van een andere geluidsgevoelige functie als bedoeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder; 1.66

geluidszoneringsplichtige inrichting:

een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld; 1.67

glastuinbouwbedrijf:

een bedrijf dat overwegend is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen door gebruik te maken van kassen;

90/235

15 februari 2022 bestemmingsplan Buitengebied - Herfte, Wijthmen, cultuurhistorie

1.68

groepsaccommodatie:

een gebouw dat is bestemd voor recreatief verblijf ten behoeve van groepen, waarbij wordt overnacht in gemeenschappelijke slaapzalen en/of kamers; 1.69

grondgebonden agrarische bedrijfsvoering:

een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt; 1.70

groothandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren en/of het leveren van goederen aan wederverkopers dan wel aan instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit; 1.71

groothandelgebonden detailhandel:

detailhandel, welke een geïntegreerd en ondergeschikt deel uitmaakt van een groothandelsbedrijf; 1.72

hogere grenswaarde:

een maximum waarde voor de geluidsbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder; 1.73

hoofdgebouw:

een gebouw dat op een kavel door zijn ligging, constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken; 1.74

hoofdwoning:

de woning, waar de hoofdbewoner van de woning woont en verblijft; 1.75

horeca:

de bedrijfssector gericht op het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het exploiteren van zaalaccommodatie en/of het verstrekken van nachtverblijf, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, waaronder zijn begrepen een 'bed & breakfast', discotheek, feestzaal en partyboerderij, evenwel met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie; 1.76

horecabedrijf:

een bedrijf, waar ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken worden verstrekt, zaalaccommodatie wordt geëxploiteerd en/of waarin nachtverblijf wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, waaronder zijn begrepen een 'bed & breakfast', discotheek, feestzaal en partyboerderij, evenwel met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie; 1.77

houtopstand:

bomen, waarvan de omtrek van de stam op 1,30 meter boven het maaiveld gemeten meer dan 30 centimeter bedraagt, en groepen en rijen kleinere bomen en heesters die een min of meer aaneengesloten geheel vormen en een oppervlakte beslaan van niet minder dan 50 m², zoals hagen, houtwallen, broekbosjes, erfbeplantingen en boomgaarden;

91/235

15 februari 2022 bestemmingsplan Buitengebied - Herfte, Wijthmen, cultuurhistorie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=5a55582d-7e41-4387-8953-6d96dc1eff15