Beslisnota Algemene Plaatselijke verordening
Tekst van het document
17
voorstel
Beslisnota voor de raad Datum
7 april 2021
Openbaar Onderwerp Versienummer
Algemene Plaatselijke verordening 1
Portefeuillehouder Informant Eenheid/Afdeling Telefoon Email
Peter Snijders Marjolein van Sprang/ Willy Visser Fysieke leefomgeving 038-4982290 m.van.sprang@zwolle.nl
Bijlagen 1) Concept APV 2021 2) Tabel met overzicht van de wijzigingen De raad wordt voorgesteld te besluiten om: 1) de Algemene Plaatselijke Verordening Zwolle 2021 vast te stellen* 2) de Algemene Plaatselijke Verordening Zwolle 2015 in te trekken*
17
voorstel
Datum
7 april 2021
Toelichting op het voorstel Inleiding De laatste algehele herziening van de Algemene Plaatselijke Verordening Zwolle (APV) heeft plaatsgevonden in 2015. Daarna is de APV in de loop der jaren op onderdelen herzien. Inmiddels is opnieuw een grondige herziening noodzakelijk om de APV weer helemaal up to date te krijgen. Hierbij is gekeken naar de huidige bepalingen in de APV en de ervaringen die hiermee in de uitvoeringspraktijk zijn opgedaan. Daarnaast is gelet op nieuwe maatschappelijk ontwikkelingen, ontwikkelingen die voortvloeien uit landelijke en Europese regelgeving en ontwikkelingen die voortvloeien uit jurisprudentie. Dit is mede gedaan aan de hand van de model APV van de VNG, waarin ook steeds de nieuwste ontwikkelingen worden bijgehouden. Dit samen heeft geleid tot onderliggend voorstel tot volledige herziening van de APV. Aanpak Bij het opstellen van de APV zijn vanuit de verschillende taakvelden zoals openbare orde, veiligheid, milieu, duurzaamheid en openbare ruimte ervaringen verzameld die zijn opgedaan bij de uitvoering van de APV 2015. Ook inbreng van externe partijen is hierin meegenomen. Op basis van deze ervaringen zijn nieuwe wensen geformuleerd en deze zijn vertaald in regelgeving. Daarnaast zijn we door de VNG-ledenbrieven steeds op de hoogte van de wijzigingen in de model APV, die ieder jaar wordt aangepast aan wijzigingen in wetgeving en jurisprudentie.
Deze wijzigingen zijn grotendeels overgenomen (voor zover passend op de Zwolse situatie). Dit heeft geleid tot enkele grote wijzigingen (geheel nieuwe regels) op enkele thema’s en vele kleine wijzigingen van zowel inhoudelijke, redactionele of wetstechnische aard. Alle wijzigingen zijn juridisch gecheckt. Beoogd effect De nieuwe APV is actueel, speelt in op ontwikkelingen in de stad en in de maatschappij. De regels in de APV zijn passend, dat wil zeggen noodzakelijk (dienen een duidelijk doel), duidelijk (helder geformuleerd), aanvaardbaar (goed uit te leggen en passend bij de normen die we in Zwolle willen handhaven) en de regels zijn uitvoerbaar en handhaafbaar. De regels zijn juridisch houdbaar, sluiten aan bij hogere wetgeving (Landelijke regels) en bij Europese regelgeving en bij recente jurisprudentie. Argumenten 1. Inspelen op signalen en ervaringen uit de praktijk: Op basis van ervaringen in de praktijk en signalen over nieuwe ontwikkelingen zijn er vier thema’s die nadrukkelijk vragen om nieuwe regels of inhoudelijke aanpassingen om te zorgen dat we goed kunnen inspelen op deze ontwikkelingen. 1.1: Toenemende criminaliteit De stad groeit en daarmee ook de (groot) stedelijke problematiek zoals toename van criminaliteit, drugsgebruik en verwarde personen. Zwolle wordt steeds vaker geconfronteerd met ondermijnende criminaliteit.
Dit uit zich bijvoorbeeld in illegale (verkoop)punten of productieplaatsen van verdovende middelen. Daarnaast zien we dat geweld niet wordt geschuwd in de openbare ruimte. APV-bepalingen kunnen een goed middel vormen om bestuurlijke barrières op te bouwen tegen misstanden en illegale praktijken. In de APV 2021 zijn diverse mogelijkheden opgenomen om ondermijning tegen te gaan of te voorkomen dat er ondermijnende criminaliteit in de gemeente voet aan de grond krijgt. Deze wijzigingen worden nader toegelicht in het thema “ondermijning”. 1.2: Aansluiting tussen APV en evenementenbeleid niet optimaal
2/17
17
voorstel
Datum
7 april 2021
Zwolle heeft zich ontwikkeld tot een levendige stad met veel grotere en kleinere evenementen. Hierbij is de afgelopen jaar gebleken dat de APV-artikelen en de uitwerking hiervan in het evenementenbeleid niet goed op elkaar aansloten. Zo is in het evenementenbeleid geregeld dat in de vergunning aan organisatoren van evenementen, een verbod op het schenken in glas tijdens evenementen kan worden opgenomen. In de APV is niet een soortgelijk verbod voor horeca opgenomen. Verder voorziet de APV in de mogelijkheid dat kleine evenementen zonder vergunning kunnen plaatsvinden, maar in de artikelen wordt onvoldoende duidelijkheid geboden over de geluidsnormen, die bij deze kleine evenementen gelden. Dit noopte tot actualisatie van het evenementenbeleid en tot aanpassingen in de APV. Deze wijzigingen worden nader toegelicht in het thema “evenementen” 1.3 Doorontwikkeling van de trend van een “deel-samenleving” In meerdere steden en ook in Zwolle komen er nieuwe initiatieven om goederen te delen. Sommige van deze initiatieven hebben een weerslag op de openbare ruimte, zoals de opkomst van deelvoertuigen. De APV 2015 speelt hier nog niet op in waardoor dit ook tot ongewenste ontwikkelingen kan leiden. In de APV 2021 wordt hierin wel voorzien door hiervoor nieuwe artikelen op te nemen.
De wijzigingen worden nader toegelicht in het thema “Deelvoertuigen” 1.4 Toename waterrecreatie en daarmee samenhangende overlast In de laatste jaren was er een gestage toename aan waterrecreatie waar te nemen. In 2020 was er zelfs sprake van een explosieve groei, mede als gevolg van de Coronacrisis. Er is behoefte aan een visie op de ontwikkeling van Zwolle als “waterstad”, daarover bent u via de informatienota over de watervisie geïnformeerd. Op korte termijn is er behoefte aan meer mogelijkheden om op te treden tegen overlast. Hiervoor zijn de APV 2021 extra artikelen opgenomen. Deze wijzigingen worden nader toegelicht in het thema “waterrecreatie”. 2. Oplossen van bestaande vraagstukken In de dagelijkse uitvoeringspraktijk blijkt soms dat bestaande artikelen, waarvan het doel nog steeds wordt onderschreven, onvolkomenheden bevatten die de uitvoering belemmeren. Dit is vaak op te lossen met kleine redactionele wijzigingen of aanvullingen. 3. Wetstechnische aanpassingen Als gevolg van wijzingen in landelijke en Europese wetgeving en jurisprudentie moet lagere wetgeving met enige regelmaat worden geactualiseerd om hierop aan te sluiten. Dit zijn veelal wijzigingen van wetstechnische aard. Dat wil niet zeggen dat deze wijzigingen geen grote impact kunnen hebben op de uitvoeringpraktijk.
Met name de aanpassing die voortvloeit uit de Europese Diensten richtlijn heeft grote gevolgen gehad op de praktijk van de vergunningverlening. Het is op basis van deze richtlijn dat dienstenvergunningen niet meer voor onbepaalde tijd verleend mogen worden, en indien het zogenaamde schaarse vergunningen betreft, ook op basis van een transparant en helder toebedelingsbeleid moeten worden toegekend. Uw raad is hierover eerder geïnformeerd. Alle wijzigingen zijn opgenomen in een tabel (bijlage 1) waarin per gewijzigd artikel kort wordt aangeven wat er is gewijzigd en waarom. De wijzigingen die samenhangen met een van de hierboven genoemde thema’s worden hierna apart nader toegelicht. 4 Hoofdstuk 3 Prostitutie is nog niet aangepast Met deze actualisatie wordt nog niet voorzien in de actualisatie van Hoofdstuk 3 van de APV Prostitutie. Deze actualisatie is wel in voorbereiding en het doel is om hierbij aan te sluiten bij de landelijke wetgeving die hiervoor in ontwikkeling is, de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (Wrp). De invoering van deze wet laat al geruime tijd op zich wachten. De datum van inwerkingtreding blijft op dit moment nog steeds onzeker. Vooruitlopend op de nieuwe wetgeving bestaat de mogelijkheid om de APV te wijzigen, overeenkomstig het wetsvoorstel zoals dit door de Tweede Kamer is aangenomen. Ons voorstel is om 3/17
17
voorstel
Datum
7 april 2021
dit nu niet te doen. Het thema prostitutie kan een link hebben met mensenhandel (seksuele uitbuiting) en georganiseerde criminaliteit. In 2020 is de basis gelegd voor de intensivering van de aanpak van mensenhandel en ondermijning. In deze intensivering wordt onder andere gekeken naar welke barrièremodellen er ingezet kunnen worden om “faciliteerders” van mensenhandel en illegale prostitutie aan te pakken. Hierbij wordt nu ook integraal gekeken naar de nodige aanpassing van hoofdstuk 3 APV en de daaruit voortvloeiende nadere regels. Op basis hiervan wordt een passend APV-voorstel in de tweede helft van 2021 aan de raad voorgelegd. Overgangsbepaling en in werkingtreding Conform artikel 6.5 treedt de vastgestelde APV 2021 in werking 8 dagen na publicatieg en wordt de APV 2015 op het moment dat de APV 2021 in werking treedt, ingetrokken. Vervolgacties Na de vaststelling van deze APV door de raad, en binnen de termijn van de inwerkingtreding zal het college of de burgemeester beleidsregels, aanwijzingsbesluiten en besluiten nadere regels, als gevolg van deze actualisaties APV niet meer gelden, intrekken, actualiseren of opnieuw vaststellen. Risico’s De APV zal niet direct aanleiding zijn tot meer risico's. Financiën De nieuwe APV heeft geen financiële gevolgen.
Communicatie Na vaststelling door uw raad zal de inwerkingtreding van de nieuwe APV op de gebruikelijke wijze gecommuniceerd worden. Openbaarheid Het voorstel is openbaar.
Burgemeester en Wethouders van Zwolle,
de heer P.H. Snijders, burgemeester
mevrouw L. Borsboom, secretaris
4/17
17
voorstel
Datum
7 april 2021
Thema ondermijning Inleiding De APV is een van de barrières om de strijd tegen ondermijnende criminaliteit te versterken. APVbepalingen kunnen een goed middel vormen om bestuurlijke barrières op te bouwen tegen misstanden en illegale praktijken. Het tegengaan van ondermijnende criminaliteit is een gezamenlijke uitdaging voor ons en onze partners als politie, het Openbaar Ministerie en het RIEC. Wij kunnen deze uitdaging faciliteren door de basis, de APV en de beleidsinstrumenten, op orde te maken. Argumenten Het versterken van de gereedschapkist Met de voorgestelde wijziging wordt de ‘gereedschapskist’ versterkt en dit zorgt ervoor dat we kunnen in spelen op ervaringen die we de afgelopen jaren hebben opgedaan en kunnen anticiperen op ontwikkelingen die we zien in de stad. In deze wijziging van de APV zijn daarom vier artikelen toegevoegd om de gereedschapskist te versterken. 1. Een verbod op het dragen van zichtbare uitingen van een verboden organisatie. Het doel van dit verbod is om in afwachting van de volledige afronding van civielrechtelijke procedures, al op te kunnen treden tegen uiterlijk vertoon van organisaties, die al wel door de rechter zijn veroordeeld. Sinds eind 2016 lopen er verschillende civiele juridische procedures waarin het Openbaar Ministerie heeft verzocht om een aantal Outlaw Motor Gangs (OMG’s) verboden te laten verklaren.
De werkzaamheid (activiteiten) van deze organisaties zijn in strijd met de openbare orde en zorgen voor ontwrichting van de maatschappij, zo oordeelde(n) de rechter(s). Ze vormen een wezenlijke aantasting van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Een aantal clubs is inmiddels verboden verklaard. Deelneming aan de voortzetting van dergelijke organisaties, waaronder uiterlijk vertoon kan worden begrepen, is strafbaar maar pas op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is geworden. Nog niet alle uitspraken van de rechter zijn onherroepelijk. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog openstaan en niet zijn afgewikkeld, kan tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet strafrechtelijk worden opgetreden. Het is vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in afwachting hiervan, in de publieke ruimte nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met deze organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan. Om toch te kunnen optreden tegen de aanwezigheid van dit uiterlijk vertoon in de publieke ruimte als ook bij evenementen en betaalde voetbalwedstrijden, wordt voorgesteld een hiervoor verbodsbepalingen op te nemen in de APV. 2.
Het opnemen van een artikel dat de burgemeester de bevoegdheid geeft, om voor publiek toegankelijke gebouwen te sluiten. Het doel van deze sluitingsbevoegdheid is het herstel van de openbare orde, de veiligheid of zedelijkheid door het weren en terugdringen van criminaliteit in en vanuit voor publiek toegankelijke gebouwen.
5/17
6
voorstel
Datum
7 april 2021
Dit is bijvoorbeeld het geval als er sprake is van illegaal gokken, heling of als er wapens in de ruimte worden aangetroffen. Het doel is ook om aanhoudende en ontoelaatbare overlast te kunnen beëindigen, die niet met andere middelen afdoende kan worden bestreden. 3. In het artikel over evenementen extra eisen opnemen die we stellen aan organisatoren van enkele aan te wijzen categorieën vechtsportevenementen. Doel van deze maatregel is om meer barrières op te werpen tegen het organiseren van malafide evenementen. In het verleden zijn er meerdere excessen geweest op vechtsportevenementen. Ook was er verwevenheid tussen de boven- en onderwereld. Deze verwevenheid kenmerkt zich door contante betalingen van de VIP-tafels en het daarmee witwassen van crimineel geld. Om deze reden is de Nederlandse Vechtsportautoriteit (VA) opgericht. De VA heeft als doel om de vechtsporten te reguleren en veilig te maken en is ook aangewezen als toezichthouder. De VA heeft in samenwerking met de overheid en vechtsportsector één handreiking voor gemeentelijk beleid ontwikkeld, die de basis vormt van de organisatie van vechtsportevenementen in Nederland. In overeenstemming met de aanbevelingen geldt voor (vechtsport) evenementen een vergunningplicht. Nieuw is dat organisatoren van een door de burgemeester aan te wijzen categorie, niet van slecht levensgedrag mogen zijn.
Gelet op de aanwijzing die in voorbereiding is zal dit gaan gelden voor vechtsporten die vallen onder de verzamelnaam “Mixed martial arts”, ook wel genoemd gemengde vechtkunst, tenzij daar bij geen enkel commercieel belang is gemoeid of de richtlijnen van de Vechtsportautoriteit volledig in acht worden genomen. De aanpassing behelst ook dat deze evenementen nooit kunnen volstaan met een melding in plaats van een vergunning. 4. Het toevoegen van een afdeling die een vergunningplicht regelt voor, door de burgemeester aan te wijzen categorieën bedrijven. Doel van dit artikel is het tegengaan van onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat. Bedrijven en branches kunnen gelegenheidsstructuren bieden die mogelijk misbruikt worden voor ondermijnende criminaliteit. We zien dit ook in de integrale aanpak binnen het Programma Ondermijning. Een aantal ondernemingen spelen een belangrijke rol bij het faciliteren van georganiseerde criminaliteit zoals drugshandel, bijvoorbeeld door witwassen en (belasting) fraude. Ze bedreigen hiermee niet alleen de legale lokale economie maar zorgen ook voor een onveilig en niet leefbaar woon- en ondernemersklimaat. In de integrale aanpak merken we dat we repressief kunnen optreden maar dat onze preventiemiddelen niet toereikend zijn.
Op dit moment is het namelijk niet mogelijk om te voorkomen dat malafide ondernemers zich vestigen in, delen van, de stad. Door een extra vergunningplicht in te voeren kunnen barrières worden opgeworpen voor malafide ondernemers om zich te vestigen in kwetsbare panden, straten en branches. De systematiek van dit artikel gaat uit van een pand-, gebieds- of branchegerichte aanpak waarbij de vergunningplicht pas geldt nadat de burgemeester hiervoor een aanwijzingsbesluit heeft genomen.
6/6
17
voorstel
Datum
7 april 2021
Bij panden kan dit als er een strafbaar feit heeft plaatsgevonden en de pandeigenaar niet gemotiveerd is mee te werken aan de bestrijding hiervan. Voor gebieden of branches al dan niet in bepaalde gebieden kan dit slechts indien de leefbaarheid en de openbare orde in gebieden of door toedoen van specifieke branches onder druk staat. De vergunningplicht is na deze aanwijzing van toepassing op de zittende of nieuwe ondernemer(s). De eisen waaronder een vergunning wordt verleend zijn gelijk aan die van de horecavergunning. Het gaat dan ook om voorwaarden waarvan in beginsel van ondernemers kan worden geëist dat zij daaraan voldoen. Een Bibob onderzoek is standaard bij deze vergunning. Tegen een weigering van een vergunning staat bezwaar en beroep open. Wij beseffen dat sprake is van een nieuw en zwaar instrument, een ultimum remedium in de integrale aanpak van ondermijning. Een zorgvuldige en terughoudende inzet is dan ook vereist. Van deze bevoegdheid wordt alleen gebruik gemaakt in situaties waar sprake is van ernstige structurele problematiek. Op dit moment zijn wij nog niet zover dat we daadwerkelijk een pand, straat of branche kunnen aanwijzen. We verwachten echter dat de inzichten en de ervaringen binnen de integrale aanpak aanleiding zullen geven voor het aanwijzen van een pand, straat of branche. Het artikel legt daarom nu vast de basis.
De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing moet zorgvuldig worden gemotiveerd op basis van feitelijke informatie van bijvoorbeeld de politie, Openbaar Ministerie, RIEC en de belastingdienst. Hierbij geldt een strikt toetsingskader: De openbare orde en het woon- en leefklimaat in het betreffende gebied staan onder druk; Er is sprake van een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat; De aanwijzing is noodzakelijk voor het bestrijden van de problematiek in de branche of straat en de omvang van het aangewezen gebied reikt niet verder dan noodzakelijk (noodzakelijkheidscriterium); De inzet van andere instrumenten in het gebied biedt geen uitkomst (geschiktheidscriterium); Het belang van de verbetering van de problematiek in de straat of het gebied rechtvaardigt de aanwijzing (proportionaliteitsbeginsel); Indien sprake is van aanwijzing van een branche geldt tevens dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat onder druk staat door de bedrijfsmatige activiteit die kenmerkend is voor de branche in het gebied. Voorgestelde wijzigingen in relatie tot het thema ondermijning: Artikel 2:2 Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (volledig nieuw toegevoegd artikel) 1.
Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij de rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde
7/17
8
voorstel
Datum
2.
7 april 2021
het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:25 Evenement 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning geweigerd worden in het belang van een goed woon- en leefklimaat. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als de organisator van een vechtsportwedstrijd- of gala, welke behoort tot door de burgemeester aan te wijzen categorieën, van slecht levensgedrag is 4. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het aantal aanwezigen niet meer dan 250 personen bedraagt; b. het evenement maar 1 dag duurt en plaatsvindt tussen 07.00 uur en 23.00 uur; c. het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; d. slechts kleine objecten worden geplaatst met een totale gezamenlijke oppervlakte van minder dan 30 m2; e. er geen ontheffing van artikel 4.6 nodig is voor muziek of anderszins geluidversterkende apparatuur f. het evenement geen vechtsportwedstrijd of –gala is, als bedoeld in artikel 2:25 lid 3; g. er een organisator is; en h. de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5.
De burgemeester kan binnen 8 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, het milieu of een goed woon- en leefklimaat in gevaar komt. 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:78 Sluiting van voor het publiek toegankelijke gebouwen (volledig nieuw toegevoegd artikel) 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.
3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en er naar het oordeel van de burgemeester voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin te betreden of bezoekers toe te laten of te laten betreden. 5. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf te betreden.
8/8
17
voorstel
Datum
7 april 2021
Afdeling 8 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat (volledig nieuw toegevoegde afdeling) 2.36 Begripsbepalingen: In dit afdeling wordt verstaan onder: a. Exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. Beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2.37 Kwetsbare gebieden, branches of gebouwen 1. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het tweede lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.
Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 2. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. In een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. Indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het tweede lid weigeren: a. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; Indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; b. De exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijk toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; d. Indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; e.
Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijke exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. 4. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. De persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. Het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. Het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. Indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. Een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. Een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 5.
Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overlegd. 9/17
10
voorstel
Datum
7 april 2021
6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het tweede lid intrekken of wijzigen indien: a. Door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. Door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c. De voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of d. De exploitant of beheerder betrokken in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of e. De exploitant of beheerder betrokken is of ernstig nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. Er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. Er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of h. De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of i. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of j.
De vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldend beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de wet Milieubeheer of een gebiedsplan. 7. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het tweede lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zesde lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 8. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zevende lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of aanwezig te zijn. 9. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 10. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 11. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 12. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 13.
De exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijsbesluit een bedrijf uitoefent, die onder de reikwijdte van het aanwijsbesluit valt, moet binnen drie maanden, na inwerkingtreding van het aanwijsbesluit, een vergunning als bedoelt in het derde lid verkrijgen. Indien na het verstrijken van deze drie maanden geen vergunning is aangevraagd of de aanvraag voor een vergunning is geweigerd kan de burgemeester met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan. 14. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
10/10
17
voorstel
Datum
7 april 2021
Thema evenementen Inleiding In artikel 2.25 wordt de vergunningplicht voor evenementen vastgelegd. Op basis van het vierde lid van dit artikel kan voor kleinere evenementen, die vallen onder de in het artikel genoemde randvoorwaarden, de vergunningplicht worden opgeheven. Een van deze randvoorwaarden was dat geluid een ondergeschikte rol moet hebben. Deze formulering biedt geen helder kader en laat dus open hoeveel geluidbelasting er mag zijn ten gevolge van een klein evenement. Tevens is de relatie met artikel 4.6 niet goed geregeld. Hierin staat dat het verboden is om geluidsapparatuur in de openlucht in werking te hebben, als dit hinder veroorzaakt, waarbij artikel 4.6 geen antwoord geeft bij welk geluidsniveau er sprake is van hinder. Verder is in het evenementenbeleid opgenomen dat tijdens evenementen niet in glas mag worden geschonken. Dit beleid geldt voor organisatoren van evenementen. Op basis van dit beleid kunnen geen beperkingen aan de horecaondernemers worden opgelegd. Argumenten 1.Oplossen van onduidelijkheid over de geluidsnorm bij kleine evenementen. Bij incidentele geluidsbronnen is het ontbreken van een duidelijk invulling van het begrip “hinder” geen probleem. Dit is maatwerk en dat blijft ook zo. Daarmee kan per situatie bekeken worden of een ontheffing nodig is en onder welke voor waarden deze verleend kan worden.
Voor de kleine evenementen is behoefte aan duidelijkheid. Daarom is een norm hiervoor wenselijk. Deze norm moet zodanig zijn dat ten behoeve van een klein evenement wel geluid mag worden gemaakt maar niet op een dermate hoog niveau dat hiervan veel hinder valt te vrezen. Het voorstel voorziet hierin en biedt tevens een duidelijke afstemming tussen artikel 2.25 en artikel 4.6. Zodra een hoger geluidniveau wordt voorzien dan de voorgestelde norm, is het evenement geen klein evenement meer en derhalve vergunningplichtig. 2.Bij horeca geen glas bij bepaalde evenementen. De voorwaarde om bij evenementen niet in glas te mogen schenken houdt verband met de veiligheid. Als er evenwel op terrassen die grenzen aan een evenemententerrein, of liggen aan doorlooproutes tijdens evenementen, wel in glas wordt geschonken komt die veiligheid alsnog in het geding. Er is daarom behoefte om te regelen dat bij enkele grote evenementen ook de horecagelegenheden, op het terras, niet in glas mogen schenken. Dit verbod is nadelig voor de horeca en met name voor de restaurants. Wij hebben geluisterd naar hun bezwaren. Het verbod is daarom zowel qua gebied, als qua tijden en het aantal evenementen waarbij dit verbod van toepassing is, zo beperkt mogelijk gehouden. Wel is de mogelijkheid opgenomen dat de burgemeester ook andere evenementen en gebieden kan aanwijzen.
Dergelijke besluiten zijn besluiten die vooraf gepubliceerd moeten worden en waar belanghebbende bezwaar tegen kunnen maken. Voorgestelde wijzigingen in relatie met het thema evenementen: Artikel Artikel 2:25 Evenement 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning geweigerd worden in het belang van een goed woon- en leefklimaat. 11/17
12
voorstel
Datum
7 april 2021
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als de organisator van een vechtsportwedstrijd- of gala, welke behoort tot door de burgemeester aan te wijzen categorieën, van slecht levensgedrag is 4. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het aantal aanwezigen niet meer dan 250 personen bedraagt; b. het evenement maar 1 dag duurt en plaatsvindt tussen 07.00 uur en 23.00 uur; c. het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; d. slechts kleine objecten worden geplaatst met een totale gezamenlijke oppervlakte van minder dan 30 m2; e. er geen ontheffing van artikel 4.6 nodig is voor muziek of anderszins geluidversterkende apparatuur, f. het evenement geen vechtsportwedstrijd of –gala is, als bedoeld in artikel 2:25 lid 3; g. er een organisator is; en h. de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5. De burgemeester kan binnen 8 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, het milieu of een goed woon- en leefklimaat in gevaar komt. 6.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het verbod is niet van toepassing op geluidsapparaten ten behoeve van een klein evenement, voor zover de geluidsbelasting op de gevel van een nabij gelegen geluidsgevoelig gebouw (zoals een woning) niet meer bedraagt dan 50 dB(A). De controle op dit voorschrift vindt plaats conform het Meetprotocol geluid bij Evenementen Zwolle. 3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 5.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, het Activiteitenbesluit,, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het bouwbesluit 2012 of de Omgevingsverordening Overijssel 2.35 Verbod op glas op terrassen tijdens evenementen (volledig nieuw toegevoegd artikel) 1. Bij de volgende grote evenementen is het tijdens het evenement in de binnenstad, in het deel ten zuiden van de Thorbeckegracht, op een terras niet toegestaan om in glas te schenken en dient gebruik te worden gemaakt van veilige bekers, geen glas zijnde, die duurzaam en herbruikbaar zijn: a. De gehele carnavalsperiode vanaf vrijdag 20.00 uur t/m dinsdag 23.00 uur b. Koningsnacht en Koningsdag vanaf 26 april 20.00 uur t/m 28 april 07.00 uur c. Bevrijdingsfestival vanaf 5 mei 07.00 uur t/m 6 mei 07.00 uur d. Stratenfestival vanaf 20.00 uur tot 07.00 uur 2. De burgemeester kan in het belang van openbare orde en veiligheid ook andere evenementen en gebieden aanwijzen waarbij, tijdens dat evenement in het aangewezen gebied, het gebruik van glas op het terras niet is toegestaan.
12/12
17
voorstel
Datum
7 april 2021
Thema Deelvoertuigen Inleiding Deelmobiliteit neemt een steeds belangrijkere plaats in en de belangstelling hiervoor groeit zowel landelijk als lokaal. Naast de mogelijke bijdrage aan de bereikbaarheid, gastvrijheid en leefbaarheid van de stad kan het stimuleren van deelmobiliteit een onderdeel zijn van de omslag naar een meer duurzaam vervoer dat minder ruimte inneemt. Deelvoertuigen kunnen bijdragen aan het verbeteren van de deur-totdeur reis en ook een rol spelen als “last mile” oplossing voor het openbaar vervoer. Deelvoertuigen stimuleren derhalve dat er meer ritten worden gemaakt met minder voertuigen en kleine deelvoertuigen (zoals fietsen/scooters) kunnen een alternatief vormen voor (korte) autoritten. Bij een aanbod van elektrische deelscooters kan de overgang naar emissievrij vervoer worden versneld. Maar er is ook een keerzijde. Bij gebruik van deelvoertuigen kan de verkeersveiligheid onder druk komen te staan of kan hinder ontstaan door het aanbod van deelvoertuigen in de openbare ruimte. Dit kan leiden tot ongewenste parkeerdruk in parkeerhavens, op de weg en op trottoirs of aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente en openbaar groen. Tevens kunnen bepaalde deelmobiliteitsconcepten concurreren met de fiets of lopen in plaats van met de auto.
Dit is een keerzijde waar we als wegbeheerder verantwoordelijk voor zijn en waar we door de samenleving op worden aangesproken. Argumenten Mogelijkheid voor het stellen van voorwaarden voor de kwaliteit van de openbare ruimte In de stad, tussen de wijken onderling en met de binnenstad, maar ook regionaal, daar waar het openbaar vervoer geen alternatief is en afstanden te groot zijn om te fietsen, kan een dergelijk concept op basis van deelvoertuigen van meerwaarde zijn, automobiliteit verminderen en mobiliteit verduurzamen. Dit wordt op basis van de Mobiliteitsvisie uitgewerkt in een actieplan deelmobiliteit. Bij dit plan hoort ook dat we kunnen sturen op kwaliteit en kunnen optreden tegen ongewenste ontwikkelingen. Op dit moment zitten wij in een fase dat we geen eisen kunnen stellen aan de aanbieders van (kleine) deelvoertuigen, terwijl er al wel initiatieven zijn en de eerste aanbieder van deelscooters zich al aandient. De huidige, geldende APV voorziet hier niet in. Wij willen als wegbeheerder en beheerder van de openbare ruimte, naast het stimuleren van deelmobiliteit ook regels en beperkingen kunnen stellen. Daartoe stellen wij voor om in de APV een vergunningplicht op te nemen.
Hiermee wordt een basis gelegd voor het stellen van kwaliteitseisen aan een beperkt aantal aanbieders, kan door het verbinden van voorwaarden aan de vergunning overlast worden tegengegaan en bestaat de mogelijkheid om handhavend op te treden. Voorgesteld wordt om in de APV een bepaling op te nemen waarmee het op een openbare plaats aanbieden van deelvoertuigen (uitgezonderd deelauto’s die op grond van de Parkeerverordening een vergunning hebben) vergunningsplichtig wordt. Voorgestelde wijzigingen in relatie tot het thema deelmobiliteit: Artikel 5:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. voertuigen: voertuigen en aanhangwagens als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; b. kleine wagen, kleine met de hand voor te bewegen wagen niet zijnde een voertuig als bedoeld in sub a. 13/17
14
voorstel
Datum
c.
d.
7 april 2021 deelvoertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), die op een openbare plaats ter beschikking worden gesteld om, herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruikt te worden, op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke en rechtspersonen en/of één of meerdere aanbieder(s) al dan niet tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden. Onder deelvoertuigen wordt niet verstaan voertuigen waarvoor burgemeester en wethouders een vergunning voor deelauto’s zoals bedoeld in artikel 3.2 onder f van de Parkeerverordening 2016 hebben verleend; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).
Artikel 5:3 Deelvoertuigen (volledig nieuw toegevoegd artikel) 1. Het is verboden om zonder vergunning van het college op een openbare plaats deelvoertuigen, zoals bedoeld in artikel 5:1, aanhef en onder c, bedrijfsmatig ter gebruik aan derden aan te bieden. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het college een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren of intrekken indien het aanbieden: a. gevaar of hinder oplevert voor de veiligheid van de gebruikers; b. de verkeersveiligheid in gevaar brengt; d. een nadelige invloed heeft op het milieu; e. afbreuk doet aan de directe leefomgeving; f. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte; g. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte. 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan voorts worden ingetrokken als de vergunninghouder handelt in strijd met de voorschriften die deel uitmaken van de vergunning. 3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
T 14/14
17
voorstel
Datum
7 april 2021
Thema: waterrecreatie Inleiding De afgelopen jaren is er een trend te signaleren dat bewoners en bezoekers meer naar het water trekken. Dit krijgt een extra boost door corona en de warme zomers (klimaatverandering). En dan betreft het niet alleen het gebruik maken van verhuurbootjes, maar ook het recreatief gebruik zoals zwemmen en verblijven bij en langs het water. Zowel het (commerciële) gebruik water door bootjes als het gebruik van water voor zwemmen en verblijven bij en langs het water heeft in de zomer van 2020, op diverse plekken, geleid tot klachten. Deze situatie vraagt enerzijds om meer regels voor met name botenverhuur en snelheidsbeperking op de korte termijn, en een brede visie op de waterbeleving voor de langere termijn. De acties om overlast te kunnen beperken vragen een sneller tempo dan waarbinnen het mogelijk is om een visie op waterbeleving te kunnen ontwikkelen. Argumenten Mogelijkheid overlast te voorkomen Om op korte termijn de overlast geheel of gedeeltelijk terug te dringen is het mogelijk om in de APV artikelen op te nemen. Zo wordt er duidelijk geregeld waar wel en niet aangelegd kan worden (dit in goede afstemming met hetgeen hierover geregeld is en wordt in bestemmingsplannen) en er wordt voorzien in een snelheidsbeperking.
Verder worden er artikelen opgenomen die bedoeld zijn om het beklimmen en afspringen van bruggen of andere waterstaatswerken of onjuist gebruik te maken van de drenkelingentrapjes, tegen te gaan. Op basis van deze artikelen kan er ook handhavend worden opgetreden. Tenslotte is er een artikel opgenomen om het college de mogelijkheid te bieden gebieden aan te wijzen waar niet gezwommen mag worden. Op termijn is het de bedoeling ook een vergunningplicht in de APV op te nemen voor botenverhuurbedrijven. Dit is nu nog niet gedaan omdat dit een zogenaamde schaarse vergunningen is en hiervoor eerst beleid moet worden uitgewerkt. Jurisprudentie leert dat reeds gevestigde bedrijven een overgangsperiode moet worden gegund. We zullen daarom de botenverhuurbedrijven op korte termijn een aankondiging sturen van de planning rond het opzetten van een systeem voor schaarse vergunningen. In dit beleid kunnen kwaliteitseisen worden opgenomen en in de vergunningen voorschriften. Zo kunnen we in de toekomst bijvoorbeeld elektrische aandrijving als voorwaarde stellen. Dit kon niet op deze korte termijn en dat betekent dat dit gedurende de overgangstermijn niet kan worden afgedwongen. Dat neemt niet weg dat de gemeente in gesprek is met botenverhuurders om op basis van onderlinge samenwerking de overlast zoveel mogelijk te beperken. Voorgestelde wijzigingen in relatie tot het thema waterrecreatie:
Afdeling 6 Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 5:24 Begripsbepalingen (volledig herzien artikel) In deze afdeling wordt verstaan onder: a. recreatievaartuig: ieder vaartuig dat ingericht is voor recreatieve doeleinden, niet gebruikt wordt voor bewoning en qua aard en omvang ook niet geschikt en bestemd is voor bewoning, met uitzondering van woonboten die in de zomer voor recreatieve doeleinden hun vaste ligplaats 15/17
16
voorstel
Datum
7 april 2021
hebben verlaten. Onder recreatievaartuig wordt mede verstaan plezier vaartuig en commerciële recreatievaartuig. b. pleziervaartuig: vaartuig dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of bestemd is voor private recreatieve doeleinden (hieronder vallen ook de woonboten die in de zomer voor recreatieve doeleinden hun vaste ligplaats hebben verlaten). c. commerciële recreatie vaartuig: vaartuigen en bedrijven die kleine vaartuigen verhuren voor commerciële doelen, zoals rondvaartboten, partyboten e.d. en verhuurbedrijven van kleine vaartuigen. d. snelle kleine vaartuigen: een vaartuig van maximaal 7 meter dat bij gebruikmaking van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, sneller kan varen dan 20 km per uur. e. klein vaartuig: vaartuig van maximaal 5 meter zonder vaste motor, zoals kano’s, open roeiboten, of kleine sloepen. Artikel 5:25 Ligplaatsen recreatievaartuigen (volledige herzien artikel) 1. Het is verboden met een recreatievaartuig een ligplaats in te nemen dan wel een ligplaats voor een recreatievaartuig ter beschikking te stellen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor; a. het kortdurend aanleggen (maximaal 4 uur) op of aan hiervoor van gemeentewege aangelegde voorzieningen, zoals aanlegringen en aanlegsteigers in de periode tussen 08.00 uur en 20.00 uur. b.
het aanleggen van pleziervaartuigen in jachthavens en/of in hiervoor van gemeentewege aangelegde afmeerboxen. c. het aanleggen van commerciële vaartuigen die liggen op hiervoor in het bestemmingsplan aangeduide locaties d. verhuurbedrijven die worden geëxploiteerd op hiervoor in het bestemmingsplan aangeduide locaties 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt eveneens niet voor het aanleggen van kleine vaartuigen voor zover het aanleggen geschiedt op zodanig wijze dat; e. deze niet spontaan los kunnen raken; f. de vaargeul te allen tijde vrij blijft; g. er geen sprake is van dubbel liggen; h. er geen schade kan ontstaan aan bomen, struiken of andere natuurlijke groenvoorzieningen en oevers. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor pleziervaartuigen bij woningen die grenzen aan het water, voor zover de eigenaar van het vaartuig tevens de bewoner/eigenaar is van de woning. 5. Het college kan gebieden aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt. 6. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het aanleggen in gebieden die zijn aangewezen op basis van het vijfde lid. 7.
Het college kan gebieden aanwijzen waar het in verband met bescherming van oevers, het uiterlijk en aanzien van het water en de oevers, of het voorkomen van overlast, verboden is om kleine vaartuigen als bedoeld in het derde lid, aan te leggen. Artikel 5:26 Aanwijzingen geven en opvolgen 1. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. 2. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, het Binnenvaartpolitie-reglement, de Waterwet, of de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats woonschip (vervallen)
16/16
17
voorstel
Datum
7 april 2021
Artikel 5:28 Verbod beklimmen van bruggen en springen in water 1. Het is verboden op bruggen en andere waterstaatwerken, die in beheer, eigendom of bedieningsverantwoordelijkheid van het college zijn, te klimmen dan wel om hiervan af te springen in openbaar water. 2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar dit verbod niet van toepassing is. 3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Artikel 5:29 Oneigenlijk gebruik reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp, te gebruiken voor een ander doel, dan wel om het voorwerp voor gebruik ongeschikt te maken Artikel 5:30 Overlast door zwemmen Het is verboden te zwemmen in door het college aangewezen openbare wateren of gedeelten daarvan. Artikel 5:31 Overlast snel varen 1. Het is verboden om op openbaar water binnen de gemeentegrenzen van Zwolle, met een hogere snelheid dan 6 kilometer per uur te varen. 2. Dit verbod geldt niet op het Zwarte water en op de IJssel 3. Het is verboden zich met recreatieve doeleinden met snelle kleine vaartuigen op openbaar water voort te (laten) bewegen, voor zover daardoor overlast wordt veroorzaakt. 4.
Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Scheepvaartverkeerswet of het Binnenvaartpolitiereglement.
17/17