CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Algemene verordening nadeelcompensatie gemeente Zwolle

Raad Besluitvormingsronde 27 november 2023, gemeente ZwolleBij agendapunt: Algemene verordening nadeelcompensatie gemeente Zwolle4.486 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

De raad van de gemeente Zwolle; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op de artikelen 108 en 149 van de Gemeentewet, titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 15.1 van de Omgevingswet; besluit vast te stellen de volgende verordening: ALGEMENE VERORDENING NADEELCOMPENSATIE GEMEENTE ZWOLLE Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. Bestuursorgaan: het orgaan door of namens wie het schadeveroorzakende besluit is genomen of onder wiens verantwoordelijkheid de schadeveroorzakende handeling is verricht, zijnde de raad, het college of de burgemeester van de gemeente Zwolle. b. College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle. c.

Besluit of handeling: rechtmatig besluit of rechtmatige (feitelijke) handeling verricht door of namens het bestuursorgaan in het kader van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid.

d. Aanvraag: een verzoek om vergoeding van geleden of te lijden nadeel (nadeelcompensatie) toe te kennen als bedoeld in titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 15.1 van de Omgevingswet . e. Aanvrager: natuurlijke of rechtspersoon die een verzoek om nadeelcompensatie indient. f.

Nadeel: de voor aanvrager nadelige gevolgen van een rechtmatig besluit of (feitelijke) handeling.

g. Schade: de geleden of te lijden schade als gevolg van een rechtmatig besluit of (feitelijke) handeling die uitstijgt boven het normaal maatschappelijk risico en die aanvrager in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft en redelijkerwijs niet ten laste van aanvrager behoort te komen. h. Adviescommissie: een of meer door het college aan te wijzen personen, die geen deel uitmaken of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van enig bestuursorgaan van de gemeente Zwolle en die belast zijn met de advisering over de aanvraag. Artikel 2 Toepassingsbereik verordening 1. Deze verordening is van toepassing op aanvragen om nadeelcompensatie als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 15.1 van de Omgevingswet. 2. Deze verordening heeft geen betrekking op aanvragen om schadevergoeding waarop een bijzondere regeling van toepassing is. Artikel 3 Beslissingsbevoegd gezag Voor zover een verzoek om nadeelcompensatie betrekking heeft op een besluit van de gemeenteraad, is het college bevoegd om hierop te beslissen en daaromtrent beleidsregels vast te stellen.

Hoofdstuk 2 Procedurele bepalingen Artikel 4 De aanvraag 1. Een aanvraag wordt bij het bestuursorgaan ingediend met gebruikmaking van een door het college vastgesteld (elektronisch) formulier. 2. De aanvrager verstrekt voorts alle gegevens en bescheiden die voor het nemen van de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking heeft of kan krijgen. 3. Het bestuursorgaan bevestigt de ontvangst van de aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken na ontvangst daarvan en stelt de aanvrager in kennis van de te volgen procedure. In de ontvangstbevestiging wordt de aanvrager tevens verzocht het verschuldigde recht als bedoeld in artikel 5 binnen één week over te maken op het aangegeven rekeningnummer van de gemeente Zwolle. 4. Van de aanvraag wordt een afschrift toegezonden aan de belanghebbende als bedoeld in artikel 13.3c en artikel 13.3d van de Omgevingswet. 5. Indien naar het oordeel van het bestuursorgaan niet of onvoldoende is voldaan aan het bepaalde in lid 1 en 2, stelt het de aanvrager in de gelegenheid het verzuim te herstellen binnen vier weken na verzending van de brief, waarin op het verzuim is gewezen. 6. Het bestuursorgaan kan op schriftelijk verzoek van de aanvrager deze termijn verlengen met een termijn van vier weken. Artikel 5 Het heffen van een recht 1.

Voor het in behandeling nemen van de aanvraag wordt een recht van € 500,-- geheven. 2. In de ontvangstbevestiging wordt aanvrager verzocht het recht van € 500,-- binnen één week over te maken op het aangegeven rekeningnummer van de gemeente Zwolle. Artikel 6 Vereenvoudigde afhandeling 1. Het bestuursorgaan neemt de aanvraag niet in behandeling indien: a. De aanvraag niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 is ingediend en van de geboden gelegenheid om de aanvraag aan te vullen niet (tijdig) of onvoldoende is gebruik gemaakt. b. het verschuldigde recht dat in artikel 5 is bepaald, niet of niet tijdig is betaald. 2. Het bestuursorgaan beslist op de aanvraag, zonder dat onderzoek is verricht door een adviescommissie als bedoeld in artikel 7, indien naar zijn oordeel zodanig onderzoek niet noodzakelijk is om op de aanvraag te kunnen beslissen. Dit is onder andere het geval als: a. de aanvraag naar het oordeel van het bestuursorgaan kennelijk (on)gegrond is, omdat zich kennelijk een weigeringsgrond voordoet als bedoeld in artikel 4:126, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht; b. de schade kennelijk niet kan worden toegerekend aan een door het bestuursorgaan genomen besluit of verrichte handeling; c. de aanvraag naar het oordeel van het bestuursorgaan voldoende gelijkenis vertoont met andere aanvragen waarvoor al advies is uitgebracht; d.

de tegemoetkoming kennelijk minder bedraagt dan de bagateldrempel, zoals genoemd in de “Beleidsregels nadeelcompensatie gemeente Zwolle”. e. naar het oordeel van het bestuursorgaan in de gemeentelijke organisatie voldoende deskundigheid voor de beoordeling van de aanvraag aanwezig is. 3. Een besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen, dan wel een besluit op de aanvraag zonder dat ter voorbereiding daarvan een adviescommissie is ingeschakeld, wordt aan de aanvrager bekend gemaakt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag dan wel binnen acht weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. 4. Het bestuursorgaan kan de termijn, genoemd in het vierde lid eenmaal met ten hoogste acht weken verdagen. Het bestuursorgaan stelt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis.

Artikel 7 De adviescommissie 1. Indien de aanvraag niet overeenkomstig artikel 6 wordt afgehandeld, wordt de aanvraag voorgelegd aan een onafhankelijke adviescommissie, die tot taak heeft het bestuursorgaan van advies te dienen over het op de aanvraag te nemen besluit, tenzij het bestuursorgaan besluit om de adviesopdracht aan één bepaald lid van de adviescommissie te geven, eventueel om te adviseren of ook andere deskundigen van de adviescommissie er bij dienen te worden betrokken. 2. De commissie bestaat uit één of meer onafhankelijke deskundigen, die telkens voor een termijn van drie jaren door het college worden benoemd. In de commissie hebben ten minste zitting een juridisch deskundige, een taxatiedeskundige en een accountantsdeskundige. De concrete samenstelling is er van afhankelijk of de aanvraag betrekking heeft op schade wegens waardevermindering van een onroerende zaak dan wel schade wegens inkomensderving. Indien de commissie uit meer leden bestaat, wijst het bestuursorgaan de voorzitter aan. Op voorstel van de commissie kan deze eenmalig worden uitgebreid met een deskundige ter zake van een materie waarin de beschikbare deskundigheid niet voorziet. 3.

Voordat het bestuursorgaan de opdracht tot advisering verstrekt, informeert het bestuursorgaan de aanvrager en belanghebbenden - waaronder die als bedoeld in artikel 13.3c en artikel 13.3d van de Omgevingswet - over zijn voornemen om de aanvraag voor te leggen aan een commissie en over de samenstelling van de commissie. 4. De aanvrager en belanghebbenden kunnen binnen twee weken na verzending van de kennisgeving schriftelijk en gemotiveerd bedenkingen uiten tegen de voorgenomen samenstelling. 5. Het bestuursorgaan beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn over de ingediende bedenkingen. Artikel 8 Het door de adviescommissie te verrichten onderzoek Tenzij het bestuursorgaan de commissie een bijzondere adviesopdracht geeft of de commissie wordt verzocht slechts op een beperkt aantal onderdelen te adviseren, stelt de commissie ter voldoening aan haar taak als bedoeld in artikel 7, eerste lid, een onderzoek in naar: a. de vraag of het in de aanvraag gestelde nadeel een rechtstreeks gevolg is van het rechtmatig genomen besluit en/of de (feitelijk) verrichte handeling(en); b. bij bevestigende beantwoording van de onder a. bedoelde vraag: de omvang van het nadeel; c. de vraag of het nadeel redelijkerwijs geheel of gedeeltelijk ten laste van de aanvrager behoort te blijven; d.

de vraag of vergoeding van het nadeel niet, of niet voldoende anderszins is verzekerd; e. de vraag of het handelen of nalaten door of namens aanvrager in het kader van de behandeling van de aanvraag gevolgen moet hebben voor de omvang van de toe te kennen vergoeding, waaronder de vergoeding van wettelijke rente; f. indien het bestuursorgaan daarom heeft verzocht, de vraag of de schade anders dan in geld kan worden gecompenseerd. Artikel 9 Bevoegdheden en verplichtingen 1. Het bestuursorgaan, alsook aanvrager, stelt aan de commissie, alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de commissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking. 2. De commissie kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. Indien hiermee extra kosten zijn gemoeid, oefent de commissie deze bevoegdheid pas uit na instemming van het bestuursorgaan.

Artikel 10 Werkwijze adviescommissie 1. De commissie stelt de aanvrager en het bestuursorgaan in de gelegenheid tot het geven van een mondelinge toelichting tijdens een hoorzitting. Beiden kunnen zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. 2. Meegebrachte deskundigen worden in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven. 3. Belanghebbenden - waaronder die als bedoeld in artikel 13.3c en artikel 13.3d van de Omgevingswet - worden in de gelegenheid gesteld ter zake van de aanvraag aan de commissie een zienswijze kenbaar te maken. 4. Als een bezichtiging ter plaatse nodig wordt geacht voor een goede advisering bepaalt de commissie het tijdstip van de bezichtiging en nodigt het de aanvrager en het bestuursorgaan en - indien zij dit gewenst acht - andere belanghebbenden voor de plaatsopneming uit. 5. Van de in het eerste lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van de voorzitter van de commissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies. Artikel 11 Het advies 1. Alvorens een definitief advies uit te brengen zendt de commissie binnen tien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan het bestuursorgaan, aan de aanvrager en aan eventueel andere belanghebbenden. 2.

De commissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met ten hoogste twee weken verlengen. 3. De termijn voor advisering wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de commissie krachtens artikel 9, eerste lid, de aanvrager uitnodigt de aanvraag (nader) aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld, of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. 4. De aanvrager en het bestuursorgaan en eventuele andere belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het conceptadvies schriftelijk hun zienswijze uit te brengen. 5. De commissie zendt zijn definitieve advies met verwerking van de tijdig ontvangen zienswijzen binnen twee weken na het verstrijken van de in het vorige lid genoemde termijn toe aan het bestuursorgaan. 6. De commissie kan de in het vorige lid genoemde termijn eenmaal met ten hoogste twee weken verlengen. De commissie deelt aanvrager en het bestuursorgaan deze termijnverlenging schriftelijk en gemotiveerd mee. 7. De commissie geeft in zijn advies de uitkomst weer van zijn bevindingen en adviseert het bestuursorgaan over de hoogte en de vorm van de eventueel toe te kennen nadeelcompensatie. Artikel 12 De beslissing op het verzoek 1.

Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken na ontvangst van het definitieve advies van de commissie op de aanvraag en maakt dit besluit binnen deze termijn bekend aan de aanvrager. 2. Het bestuursorgaan kan de in het eerste lid genoemde termijn, onder opgaaf van redenen, eenmaal verlengen met ten hoogste vier weken. Hoofdstuk 3 Slotbepalingen Artikel 13 Voorschot 1. Het bestuursorgaan kan de aanvrager een voorschot verlenen. 2. Het bestuursorgaan verleent het voorschot aan de aanvrager: a. op diens schriftelijk verzoek; en b. als die naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een tegemoetkoming; en c. wiens belang het naar het oordeel van het bestuursorgaan vordert dat aan hem een voorschot wordt verleend; en

d. nadat de adviescommissie is gehoord over het toekennen van het voorschot. 3. Met het verlenen van een voorschot als bedoeld in het eerste lid wordt geen recht op schadevergoeding erkend. Het bestuursorgaan kan aan het verlenen van het voorschot voorwaarden verbinden. 4. Het voorschot wordt uitsluitend verleend indien de aanvrager schriftelijk de verplichting aanvaardt tot terugbetaling van het voorschot als op grond van het definitieve besluit van het bestuursorgaan blijkt dat het voorschot geheel of gedeeltelijk ten onrechte is verstrekt. Het voorschot moet dan worden terugbetaald, te vermeerderen met de wettelijke rente over het te veel betaalde, te rekenen vanaf de datum van betaling van het voorschot. 5. Het bestuursorgaan kan voor het verlenen van een voorschot zekerheidstelling, bijvoorbeeld een bankgarantie, verlangen. Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel/overgangsrecht 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024 of zoveel later op de datum als titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en de Omgevingswet in werking treden en is van toepassing op aanvragen die vanaf deze datum zijn ingediend. 2. Deze verordening wordt aangehaald als ”Algemene verordening nadeelcompensatie gemeente Zwolle”. 3.

De op 1 juli 2008 in werking getreden “Procedureverordening voor tegemoetkoming in planschade” blijft van toepassing op planschadeverzoeken die nog onder het oude recht vallen.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van ……

De voorzitter,

De griffier,

Deze verordening zal met de toelichting gepubliceerd worden in de elektronische uitgave van “Gemeenteblad”, te raadplegen via de website Overheid.nl. .

Toelichting Algemene verordening nadeelcompensatie gemeente Zwolle Algemene toelichting Aanleiding voor het vaststellen van deze “Algemene verordening nadeelcompensatie gemeente Zwolle” vormt de inwerkingtreding per 1 januari 2024 van zowel de Wet nadeelcompensatie - die in titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet in een algemene wettelijke grondslag voor het toekennen van nadeelcompensatie - als de Omgevingswet (Ow), die in afdeling 15.1 voorziet in een bijzondere - specifiek op het omgevingsrecht toegesneden - nadeelcompensatieregeling. De overheid kan rechtmatig handelen, maar toch schade veroorzaken. Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de rechtmatige uitoefening van haar publiekrechtelijke taak of bevoegdheid en die uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en een burger of bedrijf onevenredig zwaar treft in vergelijking tot andere burgers of bedrijven. De overheid is niet verplicht om iedere schade die zij in de rechtmatige uitoefening van haar publieke taken veroorzaakt, (in zijn geheel) te vergoeden. Dat overheidsingrijpen voor sommige burgers en ondernemingen nadelige gevolgen kan hebben, is namelijk onvermijdelijk. Tot op zekere hoogte moeten deze gevolgen dus worden geaccepteerd (normaal maatschappelijk risico).

Het is echter een algemeen aanvaard beginsel dat degene die in vergelijking met anderen onevenredig zwaar wordt getroffen door rechtmatig overheidshandelen, daarvoor een vergoeding dient te ontvangen. Dit beginsel wordt aangeduid als het beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten of het égalitébeginsel en dit beginsel is nu in artikel 4:126 Awb gecodificeerd. De hoogte van de compensatie moet in zo’n geval redelijk zijn. De vergoeding dekt dus niet vanzelfsprekend de volledige schade. Dit in tegenstelling tot onrechtmatig handelen, waarbij uitgangspunt wel vergoeding van de volledige schade is. Schadevergoeding door onrechtmatig overheidshandelen valt niet onder het toepassingsbereik van titel 4.5 Awb en afdeling 15.1 van de Ow. Vergoeding van schade die door onrechtmatig overheidshandelen wordt veroorzaakt, is geregeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet nadeelcompensatie bestonden er regelingen over nadeelcompensatie in verschillende wetten en buitenwettelijke regelingen. Deze regelingen zagen telkens slechts op bepaalde situaties en hadden dus uit de aard der zaak een beperkt karakter, waardoor ze vaak van elkaar verschilden. Een goed voorbeeld daarvan vormt de bijzondere regeling over de vergoeding van planschade uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Verder waren er ook terreinen waarop geen uitgeschreven regeling bestond. Daardoor was er voor burger én overheid een betrekkelijk onoverzichtelijke situatie ontstaan, zowel in inhoudelijk als procedureel opzicht. De Wet nadeelcompensatie beoogt aan deze onoverzichtelijke situatie een eind te maken door opname van een algemene, uniforme, regeling in de Awb. Hierdoor wordt niet alleen de rechtszekerheid van personen die schade lijden door rechtmatig overheidsoptreden gediend, maar ook de doelmatigheid van de afwikkeling van schadeverzoeken bevorderd. Tegelijkertijd worden hiermee alle geschillen over rechtmatig overheidsoptreden geconcentreerd bij één rechter, namelijk de bestuursrechter. Titel 4.5 Awb heeft een ruim toepassingsbereik, in die zin dat de schadeoorzaken ten aanzien waarvan een aanvraag kan worden ingediend niet specifiek zijn aangeduid. Daarnaast is in afdeling 15.1 van de Ow een bijzondere regeling voor nadeelcompensatie opgenomen, die specifiek op het omgevingsrecht is toegesneden. De hiervoor al genoemde planschaderegeling uit de Wro is hierin opgegaan en deze vorm van schade wordt voortaan dus aangeduid als “nadeelcompensatie”.

De bijzondere regeling voor nadeelcompensatie in de Ow wijkt op een aantal onderdelen af van de algemene regeling voor nadeelcompensatie in titel 4.5 van de Awb. Zo bevat artikel 15.1 van de Ow een limitatieve en exclusieve lijst van schadeoorzaken, waarmee de reikwijdte van afdeling 15.1 is afgebakend. Indien een besluit of handeling, verricht krachtens de Ow, niet is genoemd in de limitatieve lijst, dan bestaat er geen recht op nadeelcompensatie. Een benadeelde kan dan dus niet terugvallen op artikel 4:126, eerste lid, Awb. Afdeling 15.1 van de Ow geldt als een “lex specialis” die voorrang heeft op de algemene regeling. Waar afdeling 15.1 geen aanvullende of afwijkende regels stelt, zijn de bepalingen van de Awb onverkort van toepassing. Er zijn allerlei vormen van rechtmatig overheidshandelen die schade kunnen veroorzaken en waarvoor nadeelcompensatie van toepassing kan zijn. Bijvoorbeeld door het verlenen van een omgevingsvergunning die de aanleg van een appartementencomplex mogelijk maakt, waardoor het eigendom van het naastgelegen perceel in waarde achteruitgaat. Ook het inperken van rechten kan tot nadeelcompensatie leiden, zoals een wijziging of intrekking van een vergunning. Verder kan het gaan om werkzaamheden aan de weg, waardoor een bedrijf (tijdelijk) onbereikbaar is en inkomsten misloopt.

Het gaat dus niet alleen om schade veroorzaakt door rechtmatige besluiten, maar ook om schade veroorzaakt door feitelijke handelingen. De schade die daarbij ontstaat, kan bestaan uit (tijdelijke of permanente) inkomensderving of waardevermindering van een onroerende zaak. Soms ontstaat al schade door de aankondiging van een toekomstig besluit. De schade in de periode totdat het besluit is genomen, wordt schaduwschade genoemd. Dat is het negatieve effect op de waarde van onroerende zaken door de voorbereiding van een besluit of activiteit. De Ow vindt dit een normaal maatschappelijk risico, dat iedere eigenaar zelf moet dragen. De regeling nadeelcompensatie in afdeling 15.1 van de Ow voorziet niet in vergoeding van deze schaduwschade. Ook voorziet afdeling 15.1 van de Ow niet in de vergoeding van immateriële schade, waartoe bijvoorbeeld verlies van woongenot behoort. De in de Awb en de Ow aan het schadeveroorzakende bestuursorgaan toegekende bevoegdheid om op een aanvraag om nadeelcompensatie te beslissen, is uitgewerkt in de ”Algemene verordening nadeelcompensatie gemeente Zwolle” en in de “Beleidsregels nadeelcompensatie gemeente Zwolle”. In de verordening zijn vooral procedurele aspecten geregeld, zoals het heffen van een recht voor het in behandeling nemen van de aanvraag en het inschakelen van een adviescommissie.

In de beleidsregels is vastgelegd wat in bepaalde gevallen onder normaal maatschappelijk risico moet worden verstaan. Dit bevordert een uniforme wijze van afhandelen en vergroot de voorspelbaarheid van procedures over nadeelcompensatie, waarmee de rechtszekerheid en de doelmatigheid zijn gediend. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Begripsbepalingen Bij de definiëring van de begrippen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de Awb en de Ow en voor zover dit noodzakelijk werd geacht is een aanvulling gegeven. Artikel 2. Toepassingsbereik verordening De verordening strekt zich in beginsel uit tot alle aanvragen om nadeelcompensatie als bedoeld in titel 4.5 van de Awb en afdeling 15.1 van de Ow en heeft daarmee een ruim toepassingsbereik. Het doel van deze verordening is immers om aanvragen om nadeelcompensatie op een uniforme wijze af

te handelen. Als er toch een specifieke nadeelcompensatieregeling van toepassing is, die in de betreffende schade voorziet, treedt deze algemene verordening terug. Artikel 3. Beslissingsbevoegd gezag Volgens artikel 4:126 Awb is het bestuursorgaan dat het schadeveroorzakende besluit heeft genomen of onder wiens verantwoordelijkheid de feitelijke handeling heeft plaatsgevonden, bevoegd om over het verzoek om nadeelcompensatie te beslissen. Dat betekent dat verschillende bestuursorganen beslissingsbevoegd kunnen zijn op verzoeken om nadeelcompensatie. In artikel 15.8 lid 1 Ow is de bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag om schadevergoeding, die aan het omgevingsrecht is gerelateerd en die betrekking heeft op een besluit van de gemeenteraad, aan het college toegekend. Het verdient de voorkeur om in deze verordening aan te sluiten bij die bevoegdheidsverdeling in artikel 15.8 lid 1 Ow. Daarom is in artikel 3 van deze verordening het college ook als beslissingsbevoegd gezag aangewezen voor verzoeken om nadeelcompensatie die betrekking hebben op een besluit van de gemeenteraad. Dat heeft ook als voordeel dat de afhandeling dan sneller kan verlopen.

Voor zover de bevoegdheid om te beslissen op verzoeken om nadeelcompensatie (met inbegrip van de bevoegdheid om daaromtrent beleidsregels vast te stellen) niet bij het college, maar bij de raad berust, zal de raad worden voorgesteld deze bevoegdheden aan het college te delegeren in een zelfstandig delegatiebesluit. In de “Beleidsregels nadeelcompensatie gemeente Zwolle” zijn de beslissingsbevoegdheden van de verschillende bestuursorganen nader ingevuld om daarmee de voorspelbaarheid van procedures over nadeelcompensatie te vergroten. Onder andere is invulling gegeven aan het begrip ‘normaal maatschappelijk risico’. Artikel 4. De aanvraag De artikelen 4:2 en 4:127 van de Awb bevatten een grondslag voor de aanvraagvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om nadeelcompensatie. In aanvulling hierop is in het eerste lid van artikel 4 van deze verordening geregeld dat de aanvrager gebruik maakt van een door het college vastgesteld (elektronisch) formulier. Als niet aan de aanvraagvereisten wordt voldaan kan de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb jo. artikel 6, eerste lid onder a. van deze verordening buiten behandeling worden gesteld. Artikel 5. Het heffen van een recht Om te voorkomen dat er al te lichtvaardig wordt overgegaan tot het indienen van een aanvraag om nadeelcompensatie, wordt voor het in behandeling nemen daarvan een recht geheven.

De mogelijkheid hiertoe vloeit voort uit artikel 4:128, eerste lid van de Awb. Het recht bedraagt maximaal € 500,--. Dit sluit aan bij de voormalige regeling voor planschade in de Wro. Als het recht niet wordt voldaan, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb jo. artikel 6, eerste lid onder b. van deze verordening buiten behandeling gesteld. Bij toekenning van de aanvraag wordt het geheven recht op grond van artikel 4:129, aanhef en onder c, van de Awb terugbetaald. Artikel 6 Vereenvoudigde afhandeling In het eerste lid is een regeling opgenomen voor het geval dat de aanvrager niet heeft voldaan aan de voorschriften voor het in behandeling nemen van de aanvraag. In het tweede lid is een voorziening gegeven voor gevallen waarin behandeling van een aanvraag

achterwege blijft, omdat deze kennelijk (on)gegrond is. Hierbij kan gedacht worden aan gevallen waarin sprake is van verjaring van het recht om een aanvraag te kunnen doen of wanneer er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat de schade op grond van artikel 4:126, tweede lid, Awb niet voor een vergoeding in aanmerking komt. In deze gevallen wordt door het bevoegde bestuursorgaan afgezien van de inwinning van een advies van de adviescommissie. Artikelen 7 t/m 9 Inschakeling en bevoegdheden adviescommissie Indien geen toepassing wordt gegeven aan artikel 6, schakelt het bevoegde bestuursorgaan een adviescommissie in voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking. De adviseur(s) zijn adviseurs als bedoeld in artikel 3:5 van de Awb en vormen een adviescommissie als bedoeld in artikel 4:130 van de Awb. De adviescommissie bestaat, afhankelijk van de behoefte, uit een of meer deskundige adviseur(s). Bij zaken die betrekking hebben op inkomensderving kan worden gedacht aan deskundigheid op het gebied van accountancy of financieel economische bedrijfsvoering. En bij zaken die betrekking hebben op waardevermindering van een onroerende zaak aan extra deskundigheid op het gebied van taxaties.

Belanghebbenden die bij de behandeling van de aanvraag moeten worden betrokken zijn bijvoorbeeld degenen met wie een schadeovereenkomst als bedoeld in artikel 13.3c, eerste lid Ow is gesloten en, als sprake is van een schadeveroorzakend besluit naar aanleiding van een aanvraag zoals geregeld in artikel 13.3d Ow, de aanvrager van dat besluit of degene die de toegestane activiteit verricht. De opdracht aan de adviescommissie wordt niet eerder verstrekt dan nadat de termijn om te wraken is verstreken en er geen verzoeken tot wraking zijn ingediend, dan wel door het bevoegde bestuursorgaan afwijzend is beslist over een ingediend verzoek tot wraking. Als een adviescommissie wordt ingeschakeld, betekent dit niet automatisch dat deze wordt gevraagd over de hele aanvraag te adviseren. Artikel 8 gaat over de omvang van het door de commissie te verrichten onderzoek en welke aspecten hierin dienen te worden betrokken. Om dat onderzoek goed te kunnen verrichten, bepaalt artikel 9 dat het bevoegde bestuursorgaan en aanvrager alle voorhanden zijnde informatie met betrekking tot de aanvraag ter beschikking moeten stellen. Daarnaast worden alle bescheiden die naar het oordeel van de adviescommissie nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag aan hen ter beschikking gesteld. De adviescommissie kan zich verder nog door derden laten adviseren en bijstaan.

Indien hiermee kosten zijn gemoeid, is instemming van het bevoegde bestuursorgaan vereist. Artikel 10 en artikel 11 Werkwijze en advisering adviescommissie Artikel 10 en artikel 11 regelen de wijze waarop de aanvrager en belanghebbenden onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken en binnen welke termijn er advies moet worden uitgebracht aan het bevoegde bestuursorgaan. Op de voorbereiding van het besluit op een aanvraag om schadevergoeding is de Awb van toepassing, waaronder de bepalingen over de voorbereiding van besluiten (hoofdstuk 4 van de Awb). Dat betekent onder andere dat de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb van toepassing zijn op grond waarvan de aanvrager en belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag een zienswijze naar voren te brengen. Die zienswijze kan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren worden gebracht (artikel 4:9 van de Awb).

De hoorzitting, de bezichtiging en de taxatie behoeven niet afzonderlijk te worden georganiseerd. Het is mogelijk om de hoorzitting te combineren met de bezichtiging en/of taxatie. Van de bezichtiging mag worden afgezien, indien uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort te worden afgewezen. Artikel 12 De beslissing op het verzoek Bij het afhandelen van aanvragen waarvoor een adviescommissie is ingeschakeld, bedraagt de beslistermijn maximaal zes maanden na ontvangst van de aanvraag in plaats van de reguliere termijn van acht weken. Die termijn kan op grond van artikel 4:130 tweede lid, van de Awb eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verdaagd. Met deze termijnen is rekening gehouden in het advies- en besluitvormingstraject. Artikel 13 en artikel 14 Slotbepalingen De Algemene verordening nadeelcompensatie treedt in de plaats van de Procedureverordening voor tegemoetkoming in planschade. Op grond van het overgangsrecht blijft het huidige planschaderecht – de huidige planschadeverordening daaronder begrepen – echter nog geruime tijd van toepassing op inkomende verzoeken om schadevergoeding. De huidige planschadeverordening wordt daarom pas ingetrokken wanneer deze haar betekenis geheel verloren heeft (lees: nadat de laatste claim volgens het ‘oude recht’ is afgewikkeld).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=8484cf0f-700b-474d-adda-0d69c9e9a94e