7. Werkgroep Zwolle Stad aan 't Water- Kritische kanttekeningen bij de Omgevingsvisie uit 2021 van de gemeente Zwolle_Geredigeerd
Tekst van het document
Kritische kanttekeningen bij de Omgevingsvisie uit 2021 van de gemeente Zwolle Geachte gemeenteraad Geacht college van B&W 13 september 2021 publiceerde u de Omgevingsvisie tot 2030 in een nota, getiteld: "Ons Zwolle van morgen 2030”. In 2023 heeft u vervolgens een project gestart om deze visie aan te vullen. Een werkgroep van De Stichting “Zwolle Stad aan ’t Water” wil hier graag met enkele suggesties aan bijdragen. Al spreekt veel in uw visie ons aan, we missen echter twee belangrijke thema’s: I
het Buitengebied zelf: zijn geschiedenis en betekenis voor de stad, primair op agrarisch gebied
II
het thema van de sociale cohesie
Wat het eerste punt betreft lijkt het erop dat u het Buitengebied ondergeschikt maakt aan uw opdracht meer woningen te bouwen en meer bedrijfsruimte te realiseren. Wij pleiten ervoor daarbij ook aandacht te geven aan de eigen betekenis van het Buitengebied zelf en in uw Omgevingsvisie het stedelijk gebied en het buitengebied als evenwaardige en onlosmakelijk met elkaar verbonden onderdelen van de omgeving te waarderen. Voor sociale cohesie heeft u als gemeentebestuur op zich veel aandacht. Daarom verbaast het ons dat het thema ontbreekt in uw Omgevingsvisie. Wij willen graag dat het ook daar een plaats krijgt.
Met vriendelijke groet
Werkgroep Omgevingsvisie Zwolle van de Stichting “Zwolle Stad aan ’t Water” d.d. 30 september 2024
1
2
Kaart van Zwollekerspel, 1867, Kuyper
3
I Het Buitengebied, zijn geschiedenis en betekenis voor de stad Het Buitengebied voorziet door de eeuwen heen in de behoeften van de stedelingen om ‘buiten’ te kunnen verblijven (ontspanning, gezond bewegen, spirituele inspiratie, etc.) en in hun voeding. In de Bijlage kunt u een beknopte geschiedenis vinden van Zwolle en zijn Buitengebied. Daaruit blijkt dat het Buitengebied eeuwenlang heeft gediend als leverancier van voedselproducten aan de stad, zoals graan, groente, fruit, melk, boter, kaas, eieren, vlees en vis. Tot de 19e eeuw gebeurde dat rechtstreeks, sinds 20e eeuw vooral via coöperaties, levensmiddelenindustrie en groothandel. Het agrarische belang van het Buitengebied bestaat nog steeds, al zijn daar van de voorheen honderden agrarische bedrijven nu nog maar 170 actief. Het gebied kreeg in de loop der tijd ook andere functies toebedeeld. Kloosterlingen zochten er rust en stilte, adellijke en rijke lieden bouwden er hun havezaten en landhuizen en het bood een rustplaats voor gestorvenen. Vanaf einde vorige eeuw neemt de betekenis van het buitengebied voor recreatie, sport en natuur toe. Ook werd in het buitengebied de nodige ruimte gevonden voor stedelijke uitbreiding. Maar landbouw bleef de hoofdzaak.
Dat het Buitengebied van Zwolle die agrarische functie goed kon vervullen komt mede door zijn grotere vruchtbaarheid in vergelijking met de hoger gelegen Sallandse zandgronden. Vanwege zijn lage ligging, als onderdeel van de IJssel-Vechtdelta, stromen er van oudsher allerlei wateren doorheen op weg naar zee: grotere zoals Vecht en IJssel, kleinere zoals de Sallandse Weteringen ,de Westerveldse Aa en een enkele riete die nog herinnert aan het moerassige oerbos dat hier ooit alles bedekte. En al deze wateren hebben eeuwenlang, eerst vrijelijk en toen er dijken kwamen via bewust bevloeiingsbeleid, er hun slib achtergelaten en zo gezorgd voor een vruchtbare bovenlaag. De buurtschappen en dorpen in het gebied vormden hechte gemeenschappen waarin het naoberschap een belangrijke rol speelde. En dat is heden ten dage nog steeds het geval. Bestuurlijk echter bestond groot verschil tussen stad en platteland. Mocht Zwolle op grond van zijn stadsrechten vanaf 1230 zichzelf besturen (al was dat nog niet op democratische wijze, maar toch…), op het platteland bleven bestuur en rechtspraak in handen van landsheer en adel. Sinds de Franse bezetting (1995-1813) veranderde dat. Het feodale onderscheid tussen stad en platteland viel weg. In plaats daarvan werd het land in departementen (provincies) ingedeeld en die weer in gelijkwaardige gemeenten.
Zo ontstond naast de gemeente Zwolle gemeente Zwollekerspel dat alle buurtschappen en dorpen rond Zwolle omvatte. Stedelijk gebied en buitengebied werden zo als gelijkwaardige belangen beschouwd. In 1967 is Zwollekerspel als gemeente weer opgeheven en werden de meeste dorpen en buurtschappen bij gemeente Zwolle ondergebracht. Dat mag echter naar ons idee niet betekenen dat voortaan alleen de behoeften van de stad leidend moeten zijn. Hoe zien we dan wel die verhouding tussen stad en ommeland? Veel stadsbewoners zijn vervreemd geraakt van het landschap waarin ze leven en hoe en waar het voedsel wordt geproduceerd en zien de omgeving van de stad vooral als uitloopgebied ten behoeve van recreatie, sport, natuur en festivals. En negatieve aspecten van de huidige landbouw (zoals
4
uitstoot van ammoniak, verlies nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar water en bodem, dierenwelzijn, verlies biodiversiteit) krijgen meer aandacht ten koste van positieve aspecten als agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Waar wij voor pleiten is: 1 dat de agrarische functie van het Buitengebied behouden blijft 2 dat landbouw en natuur daarbij niet gescheiden naast elkaar worden gezet, maar worden gezien als twee onmisbare bestanddelen die elkaar horen aan te vullen en te versterken. Hoe? Door in aansluiting met de voorgeschiedenis van het gebied de nadruk weer te leggen op plantaardige in plaats van op dierlijke voedselproductie. Wat overigens niet wil zeggen dat alle koeien en schapen, varkens en kippen zouden moeten verdwijnen. Er moet een nieuwe balans komen in de productie van plantaardige en dierlijke voedselproducten.
3 Dat stad en platteland niet met de ruggen naar elkaar blijven staan, maar dat de relatie tussen producent en consument wordt hersteld door: -in de bestemmingsplannen bewust gronden, ook in de bebouwde kom, te blijven reserveren voor voedselproductie en een hoge kwaliteit leefomgeving, op basis van duurzame water- en bodemsystemen en voldoende waterveiligheid, -initiatieven te steunen die passen bij de doelstelling om meer nadruk te leggen op plantaardige, natuurvriendelijke voedselproductie en op meer rechtstreeks contact met de consument (er zijn op dat gebied trouwens al mooie initiatieven genomen, neem de Zwolse Stadslanderijen), - stadslandbouw te bevorderen, zoals een boomgaard, een aardappelveld, een tuinbouwkas, een kwekerij, een voedselbos of een volkstuinencomplex in de bebouwde kom. Dit om de integratie tussen stad en platteland ook langs deze weg te bevorderen en de stadsbewoners te doen beseffen dat het voedsel niet als manna uit de hemel rechtstreeks in de supermarkten belandt. Een boomgaard, kwekerij of volkstuinen in de Spoorzone, hoe mooi zou dat zijn! We zeiden dat het Buitengebied in de loop der tijd ook ruimte bood voor ander gebruik, zoals kloosters, kastelen, landhuizen, begraafplaatsen, sportterreinen, recreatieplassen, natuurgebied, stadsuitbreiding.
Uiteraard moet dat zo blijven, zij het zoveel mogelijk in harmonie met het agrarisch gebruik en de landschappelijke kwaliteiten en met respect voor zijn verleden. Wat dat laatste betreft: terwijl in de Zwolse binnenstad veel aandacht is voor de historie, geldt dat minder in het Buitengebied. Alleen industrieel erfgoed wordt genoemd. Wat houdt echter het besef levend dat het hier ooit begon als moerasbos, waarin wilde dieren leefden als edelherten, wolven, wilde zwijnen, lynxen en de eerste bewoners nomaden waren die een tijdje verbleven op natuurlijke hoogten bij een riviertje, om dan weer verder te trekken. En dat zich hier rond het begin van onze jaartelling Germanen vestigden in nederzettingen op terpen, die niet een God in de hemel vereerden, maar de natuur zelf en op heilige plekken offers brachten aan hun natuurgoden en onder een eik of linde hun ‘ding’ (rechtsgeding) hielden? En dat in de eeuwen daarna het gebied verder ontgonnen en bewoonbaar werd gemaakt, zodat het karakteristieke cultuurlandschap ontstond dat nog niet geheel is verdwenen, met boerderijen op terpen, kerk-, en brinkdorpen, herbergen, kapelletjes, kerkpaden, bruggetjes, stroompjes, weiden, akkers, kassen, boomgaarden, houtwallen, bosschages, boerenweggetjes, Hessenweg, steenfabrieken, boerenkermissen, klederdracht, dorpscafé’ s, kerken, kloosters, landhuizen en ga zo maar door.
5
U zou kunnen beginnen met een inventarisatie van wat nog historische waarde bezit, zoals bepaalde landschapselementen, karakteristieke boerderijen, agrarisch en industrieel erfgoed en belangrijke historische bouwwerken die verdwenen zijn. En vervolgens een plan opstellen wat behouden moet blijven. Verder zou u door het stichten van een nieuw klooster, kasteel of landhuis in gebiedseigen architectuur het verleden weer zichtbaar kunnen maken. Zie bijvoorbeeld onze voorstellen voor Stadsbroek en IJsselvizier. Tenslotte zou u via informatieborden, expositiepunten en historische wandel- en fietsroutes niet alleen de band met, maar ook de lessen uit het verleden mee kunnen nemen naar de toekomst.
II Sociale cohesie Wat de geschiedenis ons ook leert is hoe sociale cohesie, onderlinge hulp en steun, altijd een onmisbaar element is geweest in stad en platteland. En hoezeer de wijze waarop die gestalte kreeg in de loop der tijd is veranderd. Dat geldt ook voor de houding ten aanzien van reiziger en vreemdeling. Vormde godsdienst, familiebanden, naoberschap, het lidmaatschap van een gilde, van een ridderschap of herensociëteit ooit de bindende factoren en zette religieuze plicht (naastenliefde, de 7 werken van barmhartigheid) mensen ertoe aan gastvrijheid te betrachten voor ontheemden en om armen, zieken, weduwen en wezen te ondersteunen, er waren ook ontbindende krachten aan het werk zoals godsdienstoorlogen, vreemdelingenhaat en klassenstrijd. En die wonnen steeds meer terrein. Tot na veel oorlog en geweld in de Verlichte Achttiende Eeuw het besef doorbrak dat het beter is om een samenleving te baseren op grondrechten en vrijheden dan op een godsdienst of ideologie die rechtstreeks het gedrag en het denken van mensen willen bepalen. Liever op grondwaarden gebaseerde spelregels dan opgelegde leefpatronen. Liever waarden die het mogelijk maken vrij binnen democratisch gekozen spelregels je eigen leven in te richten dan van bovenaf opgelegde dogma’s, gedragsegels en voorschriften. “The Freedom to be free” noemde Hannah Arendt dat.
Dit kreeg in ons land zijn beslag in de grondwet van 1848 en de grondwetswijzigingen erna. In een samenleving die gebaseerd is op zo’n grondwet moet de sociale cohesie, want die behoefte blijft, op andere wijze worden georganiseerd. Namelijk zo dat eigen keuzes en eigen meningen worden gerespecteerd. De gemeente Zwolle heeft daar zeker oog voor. Elke wijk, stadsdeel, dorp of buurtschap beschikt wel over een buurthuis, waarin bewoners elkaar buiten de eigen groep kunnen ontmoeten en dat tevens het contactpunt vormt tussen buurt en gemeentebestuur. En Zwolle bezit ook wijkwethouders en wijkmanagers. Het enige wat wij op dit punt bepleiten is om zo’n ontmoetingsplek ook bij het ontwikkelen van nieuwe woonlocaties mee te nemen in de bouwplannen. Daarom hoort ook dit thema thuis in de Omgevingsvisie. Er ontbreekt naar ons idee echter één element in het gemeentelijk sociale cohesie-beleid. Zijn we als bewoners, als burgers wel goed voorbereid op dingen die kunnen gaan gebeuren? We zien het steeds vaker: plotselinge overstromingen, bosbranden, een vliegtuigramp. Zelfs het uitbreken van een oorlog behoort ineens tot de mogelijkheden.
6
Natuurlijk, we hebben onze politie, leger, brandweer, ambulancediensten en andere hulpdiensten. Maar weten we op wijk-, buurt-, straat-, en particulier-niveau wel wat we moeten doen bij plotselinge crisissituaties, voordat de diensten ter plekke zijn? Nee, vrezen wij. En hebben die diensten een actueel en gedetailleerd beeld van wie de meest kwetsbaren en daardoor ook meest hulpbehoevende inwoners in de straten zijn? Ook niet, vrezen wij. Zou het daarom niet zinnig zijn, om per wijk, buurt, dorp, stadsdeel een goed geïnstrueerd en geoefend crisiscomité te hebben, vergelijkbaar met de vroegere BB (Bescherming Bevolking), dat bij plotselinge rampen in de eigen omgeving eerste hulp kan bieden, omdat zij weten waar welke voorzieningen zijn, zoals schuilkelders, noodopvangplekken, noodaggregaten, EHB posten, pompen, boten, ladders, dekens, reservevoorraden water, eten enz. enz., maar ook weten wie van hun stadsgenoten in de wijk/buurt het eerst/het meest hulp nodig heeft? Zo’n crisiscomité zou ook bij kunnen dragen om de saamhorigheid en weerbaarheid in een buurt te versterken, omdat dat is samengesteld uit bewoners van de buurt zelf.
7
Bijlage: Geschiedenis van Zwolle en zijn Buitengebied
Uit: Gemeente-Atlas van Nederland, J Kuyper, 1868, gedigitaliseerd door Rob Kuijsten
Op deze kaart uit 1866 heet de huidige Thorbeckegracht nog Binnengracht, de Singel om de stad Buitengracht en Dieze heet Nieuwstad, als voorstad van Zwolle.
8
Fase 1. Geologisch situatie vóór 800 n.C. Het gebied waarin later Zwolle is ontstaan, ligt tussen de Sallandse heuvelrug, een stuwwal uit de voorlaatste ijstijd, en de Zuiderzee. Dit gebied vormde één groot veenmoeras. Alleen dekzandruggen, rivierduinen en oeverwallen, vol bomen en struiken, staken er bovenuit. Het gebied lag lager dan de omgeving, want allerlei rieten, beekjes en riviertjes zochten zich een weg daardoorheen naar zee, ook de grotere zoals de meanderende Overijsselse Vecht, en sinds ongeveer 600 n.C. de IJssel. Bij kleinere stromen, die hogerop in het gebied zelf ontstonden moet je denken aan riviertjes als de Westerveldse Aa, de Grote Aa en andere rieten en beekjes. De eerste vaste bewoners vestigden zich op[ de natuurlijke hoogten.om vandaaruit geleidelijk het omringende land te ontwateren en te ontginnen.
Fase 2: 800 -1400 : ontstaan Zwolle,, stadsrechten, Vechthandel, kasteel Voorst, Het Zwarte Water, Matsenbroekerpolder, Moderne Devotie, Dieze Zwolle werd rond 800 op een zandwal gesticht aan een riviertje, de grote Aa, met de bouw van een houten kerkje, gewijd aan aartsengel Michaël. In 1230 kreeg de nederzetting stadsrechten van de landsheer, de bisschop van Utrecht, als dank voor zijn hulp in de slag bij Ane in 1227, en ging de Vecht benutten als handelsverbinding met het Duitse achterland. Zwolle werd echter in zijn verdere ontwikkeling tegengehouden door de heren van Voorst in hun kasteel op een rivierduin in Westenholte vlakbij de stad. Fantasietekening van Kasteel Voorst door W.J. Hofdijk (1840).
Zo wilde Zwolle bijvoorbeeld een kanaal graven naar de IJssel om net als Zutphen, Deventer en Kampen via de IJssel de zee op te kunnen. Dat kanaal zou dan lopen door zijn gebied en dus weigerde de heer van Voorst toestemming De landsheer, de bisschop van Utrecht, had een ander probleem met de ridder. Hij wilde Mastenbroek, het moerassig gebied tussen het Zwarte Water en de IJssel, inpolderen, om niet alleen de voedselproductie te verhogen, maar zelf ook meer inkomsten te krijgen via de tienden, de kerkelijke belasting die toen werd geheven. En ridder van Voorst verzette zich ook daartegen, want beschouwde Mastenbroek als behorend tot zijn domein. Landsheer en Zwolle vonden elkaar, Deventer en Kampen sloten zich aan en in 1362 werd het kasteel na ruim 3 maanden beleg (29 juli -9 november) ingenomen en verwoest. De landsheer kon nu beginnen aan de bedijking en verkaveling van wat sindsdien heet Mastenbroekerpolder. Zwolle kreeg als dank voor de hulp van de landsheer toestemming om vanaf de kade bij de Rode Toren aan de westkant van de stad via het Zwarte Water een eigen weg naar zee te maken. Aan die kade kwam Zwolle’s zeehaven te liggen.
9
Ook ontwikkelde Zwolle zich sinds 1380 tot een belangrijke onderwijsstad vanwege de faam van zijn Latijnse School onder rector Joan Cele. Tenslotte kreeg het naam als tweede centrum van de Moderne Devotie dankzij het Gregoriushuis in de stad en de kloosters Windesheim en Agnietenberg er vlakbij.
Gregoriushuis, wikimedia commons
In 1384 kreeg Zwolle zijn eerste belangrijke stadsuitbreiding: boermarke Dieze, gelegen op een zandrug tegenover de Diezerpoort. En met dit alles begon Zwolle’s Gouden eeuw
10
De Sallandse weteringen en het Zwarte Water In 1308 werd door de bisschop van Utrecht, landsheer van Overijssel, in Zwolle samen met de Overijsselse edelen en steden een dijkbrief opgesteld: “Dijckbrief van Zalland”. Daarin werd afgesproken, op straffe van boetes, dat ieder zou meewerken om de IJsseldijk te verhogen. Echter kon door die verhoogde dijken het water afkomstig van de Sallandse heuvelrug niet meer naar de IJssel worden afgevoerd. Daarom weerde Weteringen (watregangen) gegraven ongeveer vanaf de lijn Raalte-Heino, om het water door de Zwolse grachten via de Grote Aa op de IJssel te laten afvoeren. Zo ontstonden De Soestwetering, de Nieuwe Wetering , de Steenwetering, de Zandwetering enz. Maar toen ook de afvoer via de Grote Aa naar de IJssel door een dijk werd geblokkeerd, bleef het Zwarte Water als enige mogelijkheid over. Dat kreeg hiermee een enorme watertoevoer erbij, wat Zwolle op het idee bracht het Zwarte Water geschikt te maken en te gaan gebruiken als eigen vaarweg naar zee. 2016-515 – brochure- Deltacommissie.pdf
Fase 3: 15e eeuw: Zwolle ‘s Gouden Eeuw, Hanze, Grote Kerk, nieuwe stadsmuur De handel over de Vecht nam toe en daarmee Zwolle’s rijkdom en aanzien. Bovendien wist Zwolle in 1404 tolvrijheid op de Vecht te verwerven. Het was dan ook niet vreemd dat Zwolle in 1407 lid werd van de Hanze, het Noord-Duitse handelsverbond. Via de Hanze deed Zwolle voortaan mee met de lucratieve Oostzeehandel. In 1438 kreeg de stad ook het stapelrecht . Dat betekende dat goederen die de stad passeerden, zoals de gewilde Bentheimer zandsteenblokken, daar moest worden verhandeld. Frans Hogenberg, Civitates orbis terrarum, 1574
De 15e eeuw was Zwolle’s Gouden Eeuw, waarin de stad haar toegenomen rijkdom en macht ook graag liet zien. Het breidde het stadsgebied noordwaarts uit tot de huidige Thorbeckegracht, bouwde
11
een nieuwe sterkere stadsmuur met 9 poorten, verving de sobere Romaanse kerk in het centrum door een gotische driehallenkerk met een toren die 1 m hoger was dan de domtoren van Utrecht: 113,5 tegen 112,3 m. Zwolle, the greatest! Sociale cohesie in Zwolle ’s Gouden Eeuw Onder sociale cohesie verstaan we: daadwerkelijke onderlinge verbondenheid en verantwoordelijkheid voor de gemeenschap. Wat de bewoners van Zwolle in die tijd met elkaar verbond was niet alleen de trots een belangrijke stad te zijn met een binnenhaven aan de Thorbeckegracht, een zeehaven bij de Rode Poort, een beroemde Latijnse school, maar ook dat hier voor iedereen wat te verdienen viel (denk aan de gilden, het werk in de haven, de markten), je er de lucht van de stadsvrijheid kon opsnuiven in tegenstelling tot het feodale platteland, er op jaarmarkten potsenmakers, zangers en speellieden de boel kwamen opluisteren en er voor zieken en armen voorzieningen bestonden, zoals de gasthuizen. Het was echter ook een standenmaatschappij, waarin grote ongelijkheid bestond in rijkdom en macht: Bovenaan stond de landsheer, in die tijd de bisschop van Utrecht. Daarna kwam de adel in hun havezaten (versterkte ridderhoven) en de regenten in de steden. Kerk en geestelijkheid namen een gelijkwaardige plaats in. Daaronder stonden de vrije burgers in de stad en de horige boeren op het platteland.
En op de laagste tree van de sociale ladder de knechten en het dienstpersoneel. Steun en hulp vond men primair per stand bij elkaar: -de boeren op het platteland via het noaberschap en de kerk, -de ridders in een riddergenootschap -stedelijke beroepsbeoefenaars in hun gilden, -de regenten in het wijnhuis en de herensociëteit. Soms leidde de ontevredenheid over die ongelijkheid tot opstandigheid, die dan met harde hand werd gesmoord. Zoals bijvoorbeeld in Zwolle in de beruchte St. Lucie nacht van 1416 gebeurde, toen de gilden een hardvochtig lesje werd geleerd, omdat ze meer zeggenschap wilden (zie het boekje ‘Een Hanze-wandeling door Zwolle met stadsdichter Bauke Vermaas’, pag.29). Toch heerste er ook solidariteit, want het christendom riep daartoe op met zijn plicht tot naastenliefde en de werken van barmhartigheid. Je ziet het aan de kaart uit 1574: alles is gebouwd rond de St. Michaels kerk. Die prijkt pontificaal in het midden. Want al was voor de wet toen niet iedereen gelijk, voor God was dat wel zo: rijk en arm, man en vrouw heer en knecht, ieder was kind van dezelfde God. En niet alleen particulieren en kerk voelden zich geroepen om de zieken te verzorgen, de armen te eten te geven, reizigers onderdak te bieden, de weduwen en wezen te helpen, ook de stedelijke overheid nam daarin zijn verantwoordelijkheid.
12
Zorgen voor de zieken. De zeven werken van Barmhartigheid van de Meester van Alkmaar uit ca. 1490 – 1510
13
Fase 4: ca. 1500-1700: Nieuwe Vecht, godsdienststrijd, Tachtigjarige Oorlog, bolwerken Rond 1500 eindigde Zwolle’ s Gouden Eeuw. De handel verplaatste zich van de Oostzeelanden naar de pas ontdekte nieuwe werelddelen: Amerika, Indonesië en het verre Oosten. En in die handel trokken Holland en Zeeland en met name Amsterdam het initiatief naar zich toe. Overigens wist Zwolle zich economisch nog redelijk te handhaven.: de Vechthandel ging gewoon door. In 1497 groeven de Zwollenaren de Nieuwe Vecht om een snellere verbinding tussen de Vecht en de Zwolse havens tot stand te brengen, want ook de zeehaven aan de Rodetoren-kade bleef functioneren. Alleen werden nu naast traditionele producten, zoals Bentheimer zandsteen, textiel, boter, kaas en vis, ook koloniale waren verhandeld, zoals tabak, koffie, thee, specerijen en rijst. Er ontstond echter een ander probleem: de eenheid van godsdienst raakte verloren. Geleidelijk was de kerk van Rome ver van haar oorspronkelijke doelstellingen afgedwaald, een leven van onthechting en naastenliefde in dienst van God, goede uitzonderingen daargelaten. In 1517 kwam Luther daartegen in protest. Anderen volgden, onder wie Calvijn. Ook in de Nederlandse Provinciën, vonden hun ideeën gehoor. Maar de koning van Spanje, toen onze landvoogd, bleef Rome trouw, verbood de hervorming en trad er hard tegen op.
Als gevolg daarvan brak in 1568 de Tachtigjarige Oorlog uit. In 1580 sloot Zwolle zich bij het verzet aan en werden ook hier de rooms-katholieke kerken genaast en de kloosters gesloten. In 1581 maakte Nederland zich definitief los van Spanje en werd een zelfstandige Republiek met het calvinisme als Staatskerk. Zwolle als vestingstad 1652"Blaeu's Toonneel der Steden" (Dutch city maps, Edited by Willem and Joan Blaeu), 1652. Wikimedia commons
Omdat de oorlog met Spanje voortduurde, omringde de Republiek zich met waterlinies. Bij gevaar konden landerijen onder water gezet worden, terwijl vestingsteden en bastions de toegangswegen blokkeerden. Zwolle kreeg een functie in de IJssellinie en werd omgeven door 12 bastions. Ze zijn nog steeds herkenbaar rond de binnenstad. Ook elders in Europa barsten godsdienstoorlogen los. Uiteindelijk werd in 1648 in Münster en Osnabrück een heel Europa omvattende vrede gesloten, de Westfaalse vrede. Daarin werd besloten dat elk vorst in eigen land mocht bepalen welk geloof de heersende zou zijn. Overigens had de zwaar bevochten onafhankelijkheid de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden dat was de volledige titel, geen windeieren gelegd. De 17e eeuw werd de Gouden Eeuw van Nederland, met name dan van Holland en Zeeland. zij het ten koste van de vrijheid en de rechten van de gekoloniseerden, zoals we geleidelijk zijn gaan beseffen.
14
15
Duitse factoors en Hessenwagens Sinds de Westfaalse vrede in 1648 bloeide de handel met het Duitse achterland weer op en kon Zwolle weer zijn schakelfunctie vervullen tussen Noord-Duitsland en Vlaanderen/Holland. Er zwierven geen huursoldaten meer rond, het reizen was weer veiliger geworden. Daarom vestigden zich Duitse factoors (handelsagenten) in de stad, onder hen de familie Thorbecke, om met name aan de vraag naar koloniale producten in hun land te voldoen. Men maakte voor het vervoer naast de Vecht ook steeds meer gebruik van landwegen. Een bekend verschijnsel werden de Hessenwagens, zo genoemd, denkt men, naar een bekend vervoerdersgilde uit Hessen. De wegen die ze gebruikten werden Hessenwegen genoemd. De Hessenwagens waren breder dan gewone boerenkarren en de ‘Hessen’ gebruikten daarom niet altijd de lokale boerenweggetjes, maar baanden hun eigen routes over heidevelden en andere woeste gronden. De Hessenwegen liepen van oost naar west, van Noord-Duitsland naar Zwolle, Utrecht, Holland, Brabant, Keulen en Vlaanderen. Eén zo’n Hessenweg ging, komend uit Münsterland, via Graafschap Bentheim naar Hardenberg, stak daar de Vecht over om vervolgens langs de rechteroever door te lopen tot Berkum en daar de Vecht via de Vechterbrug die er al in 1450 was, weer terug over te steken, waarna de Meppelerstraatweg de honneurs overnam..
Aan de Meppelerstraatweg stond ooit herberg ‘De vrolijkheid” , waar men de paarden kon uitspannen en de nacht doorbrengen alvorens de stad in te gaan.
Een Hessenwagen op een gevelsteen in de Thomas a Kempisstraat
16
Sociale cohesie in de 17e en 18e eeuw De standenmaatschappij stond nog fier overeind, al had zeker in Holland en Zeeland de nieuwe welvarende koopliedenklasse de oude landadel overvleugeld in rijkdom en macht en hadden dominees de plaats ingenomen van de priesters en kloosterlingen van weleer. Sinds de stichting van de Republiek was een nieuw bestuurlijk systeem ontstaan, lokaal, provinciaal en landelijk: -Lokaal: in de steden heersten de regentenklasse, op het platteland de ridderstand, -Provinciaal: daar had de Staten (=standen-)vergadering het voor het zeggen, bestaande uit vertegenwoordigers van de steden en de ridders. -Landelijk: in Den Haag zetelde het landsbestuur, de Generale Staten, waarin de Provinciale Staten vertegenwoordigd waren met als belangrijkste functionaris de raadspensionaris, de ambtelijke voorzitter van de vergadering. De tweede belangrijke machtsfactor naast de Generale Staten was de stadhouder, de prins van Oranje, de opperbevelhebber van de Republiek. Tussen raadspensionaris en de prins van Oranje bestonden voortdurend spanningen: wie had de feitelijke macht? Uiteindelijk won de prins in 1672 gesteund door het volk vooralsnog het pleit. Als gevolg van de Reformatie had het christendom zijn universeel bindende kracht verloren.
Er was nu een God voor de protestanten, een God voor katholieken, een God voor de Joden, een God voor moslims en een God voor hindoes, om over alle subrichtingen maar te zwijgen. De positie van de Joden. Al was de Hervormde kerk de officiële staatskerk, er heerste toch een zekere vrijheid voor andere religies, mits die zich schuilhielden. Daarom zijn veel Spaanse en Portugese joden naar de Republiek gevlucht, toen zij in Spanje en Portugal voor de keuze werden gesteld: bekering of verbanning. Zij legden zich met succes toe op handel en bankieren, omdat zij niet mochten werken in landbouwen nijverheidsberoepen. De positie van de gekoloniseerden Nederland had zich als kolonisator gevestigd in Indonesië, Nederlands Nieuw-Guinea,
de
Nederlandse Antillen en Suriname, er de bevolking aan zich ondergeschikt genaakt en ‘negerslaven’ uit Afrika gehaald om de plantages te bewerken en huishoudelijk werk te doen. Ze hadden er geen echte rechtvaardiging voor dan alleen machts-, expansie- en geldlust.
17
Fase 5 : De 18e eeuw : Franse tijd, armoe platteland, Verlichting, Patriotten Franse tijd, armoe op het platteland, Dat de notabelen in Zwolle en elders in het land het niet slecht hadden is te zien aan de landhuizen die in die tijd langs de Vecht verrezen. Men legde daarbij Franse tuinen aan, want de Franse cultuur begon toen de Latijnse te verdringen. Heel anders was de toestand op het platteland. In de Vechtstreek bleef de landbouw langs traditionele paden gaan (feodale pacht, het essenstelsel), en nog steeds waren grote delen van Overijssel bedekt met heide en veenmoerassen. Ook op het Duitse platteland heerste bittere armoede. Een terugkerend fenomeen waren de ‘hannekemaaiers’ uit Westfalen die elk voorjaar met duizenden langs de Vecht richting Hasselt trokken om zich over te laten zetten naar het welvarende Holland. Hasselt kreeg daarom in 1650 toestemming voor een geregelde veerdienst op Amsterdam, tot ergernis van Zwolle dat al sinds eind 16e eeuw zo’n veerdienst onderhield.
Huis Het Laer, Ommen, tekening A. de Haen, 1732
18
Hannekemaaiers op weg, 1800 (canon Zijpe)
Verlichting, Patriottenbeweging, Franse revolutie, bezetting Verlichting Sinds de 16e eeuw hadden wetenschap en filosofie zich losgemaakt uit de greep van het christendom. Het was onzin nog te geloven dat de natuur rechtstreeks door God werd bestierd, zij bezat haar eigen wetmatigheden. Die kon je ontdekken en zo de natuur naar je hand zetten.. Geleerden als Galileo Galilei , Christiaan Huygens en Newton legden de basis voor de moderne natuurwetenschap. Ook over de inrichting van de samenleving werd nagedacht. Religie had vreselijke oorlogen veroorzaakt: was een scheiding van kerk en staat niet verstandiger, zodat ieder vrij zijn geloof kon beleven wonend in hetzelfde land? Is vrijheid van mening überhaupt niet een groot goed, in plaats van een door een religie beheerst denken. Het standenverschil is nergens op gebaseerd, want mensen zijn in wezen gelijkwaardig (zoals trouwens ook het christendom leerde). Moeten de standen niet worden afgeschaft? Is het wel juist dat de macht van de grootgrondbezitters zo groot is, een macht die men vaak ook nog erft zonder er iets voor te doen? Heeft in principe niet ieder mens het recht op een stukje grond om te wonen en te overleven? En treedt dat recht niet pas in, als je er concreet mee aan de slag bent gegaan? Pas door het bewerken wordt het iets van jezelf.
Is het wel juist dat de bestuurders alles in één hand houden: de wetten opstellen, ze zelf uitvoeren en tegelijk ook toezicht houden op de naleving ervan? Moeten niet alle burgers direct of indirect mee kunnen beslissen over de wetten die zij opgelegd krijgen en de bestuurder die wetten slechts uitvoeren, terwijl een onafhankelijke rechterlijk macht toeziet of ieder zich aan de regels houdt? Is het niet beter dus de drie machten - de wetgevende , uitvoerende en rechterlijke -te scheiden? De volksvertegenwoordiging bepaalt dan de wetten, het bestuur voert ze uit en de rechter beoordeelt of iemand de wet overtreedt. Mag je een koning niet afzetten als die geen inspraak duldt, geen vrijheid toestaat en zich boven de wet stelt? Patriotten Deze verlichte ideeën stonden aan de basis van Amerikaanse revolutie die in 1775 begon en vonden aanhang in ons land in de Patriottenbeweging die in 1780 opkwam, met als prominent woordvoerder het Overijsselse statenlid en inwoner van Zwolle: Joan Derk van der Capellen tot den Pol. De Patriotten verzetten zich tegen het autoritaire optreden van stadhouder prins Willem V van Oranje. Toen deze echter in het nauw raakte, riep zijn vrouw Wilhelmina de hulp in van haar broer, koning van Pruisen. Die stuurde een leger, waarop de Patriotten in 1787 ijlings de benen namen naar Frankrijk.
Joan Derk van der Capellen tot den Pol, een leidende figuur in de Patriottenbeweging
Franse revolutie Twee jaar later brak de Franse Revolutie uit, die leidde tot de afzetting en uiteindelijk onthoofding van de Franse koning. Uit angst dat de revolutie zou overslaan, vormden Oostenrijk en Pruisen een coalitie, waarbij Nederland en Engeland zich aansloten. Het was oorlog.
19
In de winter van 1795 – de waterlinies werkten niet, de rivieren waren bevroren – trokken de Fransen de Republiek binnen. Stadhouder Willem V vluchtte met zijn gezin vanuit Scheveningen op een vissersboot naar Engeland.
Fase 6: Franse bezetting, grondwet, Zwolle provinciehoofdstad ,Zwollerkerspel 1795-1813 18 jaar lang waren de Noordelijke Nederlanden, 20 jaar de zuidelijke bezet. Het betekende verlies van politieke vrijheid en verarming vanwege de Franse handelsblokkade tegen Engeland, maar ook een grondige vernieuwing van ons staatsbestel, gebaseerd op de ideeën van de Verlichting. Om enkele van de belangrijkste vernieuwwingen te noemen: -Nederland kreeg voor het eerst een grondwet waarin de vrijheid van godsdienst werd gegarandeerd, de trias politica ingevoerd en de standen afgeschaft. -De protestantse kerk verloor haar prominente rol als staatskerk. Andere religies zoals de katholieke, lutherse, doopsgezinde en joodse waren nu gelijk. -De overheid en niet de kerk regelde voortaan iemands burgerlijk staat: de minder- en meerderjarigheid, het huwelijk, voogdijschap e.d. -Homoseksualiteit was niet meer strafbaar -De ongelijkheid tussen stad en platteland werd in 1802 opgeheven. Steden hadden tot nu toe recht op zelfbestuur, dorpen en buurtschappen niet. Nu had iedereen dat recht. Daarom werd de oude indeling afgeschaft en kwamen er nu een uniforme indeling in gemeenten, met elk een eigen bestuur. Zo ontstond Zwollerkerspel als zelfstandige gemeente naast Zwolle. -De Fransen maakten van Nederland een centrale eenheidsstaat met departementen in plaats van Provinciën.
Zwolle werd hoofdstad van zo’n departement en die positie, maar dan als provinciehoofdstad , heeft het ook na het vertrek van de Fransen behouden
De drie standen vóór de Franse tijd
20
Zwollekerspel Al sinds de Middeleeuwen waren in wijde kring rond Zwolle kleine buurtschappen ontstaan. Zij stonde juridisch onder Zwolle die een aparte schout voor ze aanwees en werden bewoond door boeren en tuinders die met hun producten (boter, kaas, vlees, melk, eieren, graan, groenten en fruit) Zwolle in leven hielden. De nadruk lag er op akker- en tuinbouw, al liepen er van oudsher ook koeien te grazen, met name in de uiterwaarden, werden kippen en varkens gehouden en bezat menig boerderij een eigen schaapskudde. Grootschaliger veehouderij vond plaats in polders als Mastenbroek. Het buitengebied bood ook ruimte voor andere zaken. Zo stonden er vóór de Reformatie twee kloosters, één op de Agnietenberg en één in Windesheim, en verschenen er vanaf de 18e eeuw vijf buitenhuizen: Boschwijk, Soeslo, Zandhove, Landwijk, Veldwijk. En drie begraafplaatsen vonden er onderdak: Bergklooster dat nog hoorde bij het Agnietenbergklooster, Kranenburg en Westenholten-Voorst, de beide laatste uit 1933. Toen nu in 1802 het onderscheid stad en platteland verviel, werden 21 buurtschappen samengevoegd tot één gemeente, Zwollekerspel 1): Berkum , Herfte , Zalné, Wijthmen, Genne, Haerst, Ittersum, Schelle, Oldeneel, Windesheim, Harculo, Hoog Zuthem, Laag Zuthem, Westenholte, Voorst, Frankhuis, Spoolde, ’s Heerenbroek, Veecaten, Cellemuiden en Mastenbroek.
Hun gemeentehuis kwam in Zwolle te staan. In het Terpelkwijkpark. In de meeste van die dorpen vormde de kerk het middelpunt, net als de Grote Kerk dat was in Zwolle.
21
Uit: Gemeente-Atlas van Nederland, J Kuyper, 1867 1)Kerspel is de naam voor een kerkelijke gemeente, het gebeid dat een bepaalde kerk bespeelt
22
Fase 7. 1815 -1863 : restauratie, democratie, einde slavernij Na de nederlaag van Napoleon kwam, net als elders in Europa, de oude elite weer aan de macht. Nederland werd zelfs een monarchie en de prins van Oranje koning. In 1848 laaide overal in Europa het revolutionaire vuur weer op en in Frankrijk werd opnieuw de koning afgezet. Om zich dat lot te besparen zette koning Willem II in 1848 snel zijn handtekening onder de grondwet die een inderhaast bijeengeroepen grondwetscommissie hem had voorgelegd en die zijn macht aanzienlijk beknotte. De voorzitter van deze commissie was Johan Rudolph Thorbecke, een telg uit de Duitse familie Thorbecke, die zich rond 1675 als handelsagent in Zwolle had gevestigd. Rudolf Thorbecke
Daarin werden de meeste veranderingen die door de Franse bezetters al waren ingevoerd bevestigd: de scheiding van kerk en staat, de vrijheid van meningsuiting, de trias politica, gelijkheid voor de wet, afschaffing standen, einde stafbaarheid van homoseksuele handelingen. Ook andere door de Fransen ingevoerde veranderingen bleven, zoals de bestuurlijke indeling in gemeenten, het burgerlijk wetboek en het wetboek van strafrecht.. Maar op het gebied van vrouwenemancipatie en sociale rechten was nog veel werk te doen. En ook was Nederland nog steeds een koloniaal land, dat slaven bezat. In 1833 schafte het Britse rijk als eerste de slavernij af. Frankrijk volgde in 1848, Nederland pas op 1 juli 1863.
Fase 8: 1815-1929: Zwolle ‘ontmanteld’, eerste spoorlijn en station, centrale ``
werkplaats van het spoor, Stationsbuurt, Assendorp, Pierik
In de loop van de 19e eeuw werden de bolwerken en stadsmuren die Zwolle omringden gesloopt. Er kwamen wandelpaden en plantsoenen, villa’s en woonhuizen voor in de plaats. De stad kon verder groeien buiten haar muren. Die groei kreeg een aanzienlijk impuls door de opening van het station aan de zuidkant van de stad in 1864. Het begon met de lijn UtrechtZwolle- Kampen, maar al gauw kwamen er andere lijnen bij en kreeg Zwolle mede door het feit dat het in 1870 werd aangewezen als centrale werkplaats voor het onderhoud van locomotieven en rijtuigen, een steeds grotere rol in het Nederlandse spoornetsysteem. Station in 1870
23
Waar het groeiend aantal spoorwegarbeiders onder te brengen? Niet in de stationsbuurt, het gebied tussen station en binnenstad, daar had de gezeten burgerij al het oog op laten vallen. Er waren meteen al villa’s gebouwd en een theateraccommodatie neergezet: De Buitensociëteit (1877, de zaal is van 1889). Een nieuw woongebied werd gevonden waar vroeger de gemeenteweide lag en later boeren en tuinders zich hadden gevestigd: Assendorp. Daar verrees Zwolle’s eerste arbeiderswijk, gevolgd door Pierik rond 1928.
Fase 9: 19e en begin 20e eeuw: agrarische ontwikkelingen, einde vaarroute Vecht In de 19e eeuw vonden op het platteland belangrijke veranderingen plaats. Ten eerste begon men de uitgestrekte veenmoerassen in Nood-Oost Overijsel af te graven, primair om turf te winnen, want de vraag naar brandstof groeide. Om de winning mogelijk te maken werd tussen 1809 en 1825 de Dedemsvaart gegraven. De Turfmarkt uit 1848 in Zwolle herinnert nog aan die tijd. turfschip
Het afgraven van de veenlaag veroorzaakte een onvoorzien probleem. Er ontstond wateroverlast. Omdat in de Middeleeuwen de bossen waren verdwenen en nu ook geen venen meer waren, was de bodem niet meer in staat nog veel water in zich op te nemen. Daarom ging men er begin 20e eeuw toe over de Overijsselse Vecht te kanaliseren om het regenwater sneller af te kunnen voeren: bochten werden afgesneden en oevers met steenslag vastgelegd. Dat had echter weer tot gevolg dat de zandige gronden bij warm weer sneller uitgedroogd raakten. Vandaar dat men in 1920 stuwen ging plaatsen om het water weer langer vast te kunnen houden, wanneer dat nodig was. Maar met die stuwen eindigde de aloude vervoersfunctie van de Vecht. Overigens hadden het toenemend spoorwegverkeer, de opkomst van auto- en vrachtverkeer en nieuw gegraven kanalen het belang van de Vecht als verkeersroute toch al verminderd. Hetzelfde geldt voor de Hessenweg. Na de veenmoerassen werden ook de heidevelden aangepakt en ontgonnen of bebost. Het markestelsel dat mede steunde op het gezamenlijk bezit van woeste gronden (veen en heide) had zijn tijd gehad, de gemeenschappelijke gronden werden verkaveld. De uitvinding van kunstmest speelde daarbij een belangrijke rol. Er waren geen heideplaggen meer nodig om in de potstal vermengd te worden met dierlijke uitwerpselen en die vervolgens over het land te verspreiden.
Kunstmest maakte dat overbodig.
9. 1929-1949: Crisistijd, WO II, soevereiniteitsoverdracht Ook Zwolle ondervond de gevolgen van de wereldwijde economische crisis die in 1929 begon. De werkeloosheid nam toe. Daar kwam nog bij dat in 1938 de centrale werkplaats naar Tilburg verhuisde. Veel arbeiders verhuisden mee. Assendorp verpauperde.
24
En dan moest het ergste nog komen: Wereldoorlog II. Na de oorlog wilde Nederland Indonesië als kolonie behouden. En droeg pas na bloedige strijd op 27 december 1949 zijn soevereiniteit over. Er was eindelijk een streep gezet onder het koloniale verleden. Intussen moest ook het land weer worden opgebouwd, want de hele Nederlandse economie was door de bezetter in dienst gesteld van Hitlers manies. Er heerste gebrek aan alles. Op het gebied van onderlinge solidariteit werd alvast een belangrijke stap voorwaarts gezet met de invoering van de noodwet ouderdomsvoorziening van Willem Drees in 1946.
Fase 10: 1950-1967: nieuwe stadswijk Holtenbroek, vier industrieterreinen gastarbeiders, einde Zwollekerspel In Zwolle was in het kader van de wederopbouw dringend behoefte aan nieuwe woonwijken en industrieterreinen. Er werd op die behoefte adequaat ingespeeld: -er kwam een nieuwe stadswijk: Holtenbroek 1958 -en 4 industrieterreinen : Marslanden vanaf de vijftiger jaren, Voorst, Vrolijkheid en Oosterenk in de zestiger jaren. De namen ‘verraden’ hun verleden: -Holtenbroek:
bebost moeras
-Aalanden:
weidengebied waar de Westerveldse Aa doorheen stroomt
-Voorst:
vernoemd naar het kasteel, dat hier in de buurt stond. Dit bedrijventerrein werd ingericht nadat het Zwolle-IJsselkanaal in 1964 was gegraven
-Vrolijkheid:
vernoemd naar herberg De Vrolijkheid aan de Meppelerstraatweg
-Marslanden:
hier lag eens een stadsweide, genaamd Marsch (laag, moerassig gebied)
-Oosterenk
Een enk/es/esch is een akker. Dus Oosterenk betekent akkerland oostelijk van de stad
Eén ‘obstakel’ belette vooralsnog de verdere uitgroei van de stad. Zwollekerspel de gemeente rond Zwolle, die veel meer grond bezat dan Zwolle en ooit onder zijn de jurisdictie viel. In 1967 werd Zwollekerspel opgeheven en 16 van zijn 21 buurtschappen bij Zwolle gevoegd : Berkum, Herfte , Zalné, Wijthmen, Genne, Haerst, Ittersum, Schelle, Oldeneel, Windesheim, Harculo, Hoog Zuthem, Westenholte, Voorst, Frankhuis.
25
Sindsdien kon en kan de stad haar vleugels uitslaan. Daarbij proberen de voormalige buurtschappen zoveel mogelijk de eigen identiteit te behouden.
Verdere agrarische ontwikkelingen In 1950 kwam de minister van buitenlandse zaken van Frankrijk, Robert Schumann, met een plan voor Europese samenwerking op het gebied van kolen en staal. Dat bracht de Nederlandse minister van landbouw Sicco Mansholt, op het idee ook met een plan te komen voor een Europees landbouwbeleid. De Nederlandse regering diende dat plan in bij de andere gesprekspartners. Toen in 1957 de EEG werd opgericht werd het plan Mansholt inderdaad uitgangspunt voor het Europese landbouwbeleid. Het plan stelt zich als doel de productiviteit van de landbouw te bevorderen via rationalisering en industrialisering, de landbouwers een redelijke levensstandaard te garanderen en de consumenten een redelijke prijs. Wegens verspilling gesloten. Cartoon uit die tijd
Het beleid werd door Sicco Mansholt, intussen EEG commissaris van landbouw, nader uitgewerkt en tussen 1962 en 1968 stapsgewijs ingevoerd op basis van drie principes: vrij verkeer van landbouwproducten binnen de EEG; bescherming Europese producten; financiële solidariteit. De producenten kregen gegarandeerde minimumprijzen en overschotten werden opgekocht. In het begin had dit beleid veel succes. Toen keerde het succes zich tegen zich: de kosten liepen op, er ontstond een: boterberg, een melkplas, een wijnzee en andere vormen van overproductie. Deze overschotten werden in derde landen gedumpt, wat weer de boeren daar het brood uit de mond nam. Sinds 1924 vonden er ruilverkavelingen plaats, om versnippering tegen te gaan, afstanden te bekorten, groter aaneengesloten percelen te krijgen, zodat er bovendien minder sloten en andere perceelafscheidingen zoals houtwallen en heggen hoefden te worden onderhouden. Na de oorlog werden de ruilverkavelingen steeds omvangrijker, wat hand in hand ging met toenemende mechanisatie van het landbouwwerk. Dat vroeg weer om aanpassing van de infrastructuur, zoals betere landbouwwegen en betere waterafvoer, zodat de steeds groter en zwaarder wordende landbouwmachines het land op konden. Alles stond in dienst van de agrarische sector.
Maar geleidelijk groeide het inzicht dat er ook andere belangen waren, zoals natuur, verkeer, waterbeheer, recreatie, cultuurhistorie. In 1985 werd de wet op de ruilverkaveling vervangen door de Landinrichtingswet. Daarmee werd naast ruilverkaveling ook landonteigening mogelijk tbv het algemeen belang.
26
De eerste gastarbeiders Vanaf 1960 kwamen de eerste gastarbeiders naar Nederland. Eerst uit Italië en Spanje. Later ook uit Marokko en Turkije. Ze kwamen eerst alleen. De wet op de gezinshereniging van 1974 maakte het mogelijk om ook hun gezinnen te laten overkomen.
Sociale cohesie: situatie rond 1967 Na de oorlog keerde alles grotendeels bij het oude terug: de zuilen, het onofficiële standsbewustzijn, de traditionele burgerlijke waarden (plichtsbesef, arbeidsethos, fatsoen, trouw aan het gezag en het koningshuis, de man als hoofd van het gezin, getrouwde vrouwen ten dienste van man en gezin, homoseksualiteit als ziekte), het koloniale denken, het heimelijk antisemitisme, wat pas omsloeg toen de omvang van de Holocaust eindelijk begon door te dringen. Geleidelijk vonden er ook andere veranderingen plaats. In 1949 eindigde het verzet tegen het Indonesische streven een eigen republiek te vormen en in 1950 vond de soevereiniteitsoverdracht plaats. In 1956 werd bij wet de handelingsonbekwaamheid van vrouwen opgeheven. Getrouwde vrouwen mochten gaan werken, een eigen bankrekening openen, alleen op reis gaan enz. Een moeilijk punt bleef vooralsnog de acceptatie van homoseksualiteit. Al waren sinds de Franse bezetting homoseksuele handelingen niet meer strafbaar, homoseksualiteit werd nog tot 1990 (!) als een psychiatrische stoornis gezien. Terwijl in de Randstad in de zestiger jaren al een begin werd gemaakt met de ontkerkelijking, de ontzuiling en met verandering van traditionele gedragspatronen (de provobeweging, hippiecultuur, communes), bleef in Zwolle nog veel bij het oude.
Dat zou geleidelijk veranderen, als Zwolle groeistad wordt, mogelijk gemaakt door de vergroting van zijn grondgebied.
Fase 11: 1967-2000 Zwolle groeistad In de Derde Nota RO (1974-1979) werden behalve groeikernen ook groeisteden aangewezen. Deze hadden vooral een taak buiten de Randstad. Ze moesten extra hoeveelheden woningen bouwen voor de eigen gemeente en de regio. Ook moest in deze steden de werkgelegenheid worden gestimuleerd. Een nevendoel was het verder afnemen van de concentratie in de Randstad. Zwolle was één van die groeisteden De opheffing van Zwollekerspel maakte verdere groei inderdaad mogelijk. Zwolle zou in deze periode uitgroeien tot een middelgrote stad van ca. 75000 inwoners in 1967 naar 106.000 in 2000 (en verder naar133.000 in 2024). Haar regionale functie groeide navenant op het gebied van onderwijs, rechtspraak, gezondheidszorg en theater. We brengen enkele saillante ontwikkelingen in herinnering: Verkeer De A 28 (rijksweg Utrecht-Zwolle-Groningen/Leeuwarden) werd in 1986 geopend en loopt, hoog opgetild, noordelijk van de Binnenstad. Er kwam ook een ringweg om de stad: Ceintuurbaan, Zwartewaterallee, Blaloweg, Westenholterallee, IJsselallee, Oldeneelallee, Ceintuurbaan. Woonwijken en industrieterreinen
27
Er kwamen drie nieuwe stadswijken bij: Zwolle Zuid, Hanzeland en Stadshagen en een nieuw Industrieterrein: Hessenpoort Sportterreinen en recreatieplassen In hetzelfde buitengebied ontstonden Sportcomplexen, zoals het Oosterenkstadion (in 1980 gerenoveerd), terreinen voor amateurvoerbal, hockey, golf. atletiek, paardrijden, en 3 recreatieplassen: Agnietenbergplas, de Wijthemenerplas en de Millegerplas Scholenfusies Scholen fuseerden en groeiden uit tot grote scholengemeenschappen, zoals Deltion, Landstede, de Hogeschool voor de Kunsten Constantijn Huygens enz. -Ziekenhuisfusie Het Sophia ziekenhuis en ziekenhuis De Weezenlanden fuseerden in 1998 onder de naam Isala klinieken.
12. van Groeistad naar Klimaat--bewuste groeistad : 2001-2024 Op 1 jan. 2001 begon het derde millennium. Enerzijds ging Zwolle, net als andere gemeenten, gewoon door met groei, vernieuwing en expansie. Om enkele voorbeelden te noemen: in 2001 werden de voormalige veehallen omgezet in een evenementencomplex ‘de IJsselhallen’, in 2006 verrees in de Voorsterpoort de IJsseltoren van bijna 100 m hoog, terwijl de Peperbus tot 75 m reikt, in hetzelfde jaar opende schouwburg De Spiegel haar deuren, in 2009 verrees een gloednieuw stadioncomplex, in 2013 werd de nieuwbouw van Isala voltooid, en zo zouden we door kunnen gaan. Zwolle zou en moest blijven groeien, gezien de woningnood. Anderzijds zijn er echter ontwikkelingen die vragen om die groei juist te stoppen of er in elk geval bepaalde eisen aan te stellen zoals duurzaamheid, waterveiligheid e.d. Het rapport van de club van Rome uit 1972, ‘The Limits to Growth: a global challenge’, waarschuwde in de vorige eeuw al dat er grenzen zijn aan de groei. We wonen de aarde uit, door te grote bevolkingsgroei, vervuiling, uitputting natuurlijke hulpbronnen e.d.. En dan komt daar nog een ander probleem bij: het veranderde klimaat en wat dat met zich meebrengt, zoals water(on)veiligheid, droogte en hittestress. Net als andere gemeenten staat ook Zwolle voor de grote opgave, hoe het een met het ander te verzoenen: groei en duurzaamheid.
28
Sociale cohesie : situatie 2024 Op dit gebied is er sinds 1967 veel gebeurd. Als we onder sociale cohesie verstaan onderlinge verbondenheid en gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de gemeenschap, zijn er mooie dingen te melden, zoals de vele vrijwilligers die zich inzetten voor allerlei relevante zaken als sport, muziek, ziekenzorg, armoedebestrijding, begeleiding asielzoekers, en de vele plannen en initiatieven die door bedrijven, overheid en particuliere burgers worden genomen op het gebied van natuur, milieu en duurzaamheid. Anderzijds zien we ook tegengestelde tendensen zoals het slechts gericht zijn op het eigenbelang of de eigen groep, ongeacht de gevolgen voor de gemeenschap. Uit de geschiedenis van Zwolle die niet losstaat van de rest van het land, valt te lezen dat na het wegvallen van het christendom als allen en ieder verbindende ideologie de Nederlandse gemeenschap op een andere grondslag is gevestigd: de grondwet die onze rechten en-plichten vastlegt en aangeeft dat we we ondanks verschillen in geloof, gender, culturele achtergrond en talenten met elkaar als gelijken dienen om te gaan en samen de verantwoordelijkheid dienen te dragen voor de instandhouding van de gemeenschap en het gemeenschappelijk belang, de res publica/republiek.
En het is de taak van de gemeenteraad als gekozen vertegenwoordiging van de gemeenschap op de naleving van deze rechten en plichten toe te zien, die te bevorderen en de voorwaarden daartoe te scheppen. Tekst: -
29