CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

5 welstandsnota 2022

Raad Besluitvormingsronde 7 maart 2022, gemeente ZwolleBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Weezenlanden Noord35.586 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

66

mooi

4.2 Welstandscriteria voor vergunningplichtige kleine bouwwerken

4.2.1 Toepassingen en gebruik De toetscriteria kunnen gebruikt worden voor: 1. preventieve toetsing vooraf van kleinere bouwplannen 2. vrijwillige toetsing van omgevingsvergunningvrije bouwplannen Voor repressieve toetsing van omgevingsvergunningvrije bouwplannen zijn de toetscriteria niet geschikt; daarvoor wordt verwezen naar de excessenregeling op pagina 13 in de welstandsnota.

Ten behoeve van de toetsing van de omgevingsvergunningplichtige kleine bouwplannen zijn toetscriteria geformuleerd. Deze toetscriteria zijn gebaseerd op de sneltoetscriteria uit de Welstandsnota 2004. Het gaat hier om objectieve welstandscriteria die vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid geven. Deze criteria kunnen gezien worden als een verzameling standaardoplossingen die in elk geval geen bezwaren zullen oproepen. Ze gelden dan ook voor alle gebieden in de gemeente met uitzondering van monumenten, het beschermd stadsgezicht, woonboten en welstandsvrije gebieden/objecten. Wanneer een bouwplan niet strijdig is met de toetscriteria kan de omgevingsvergunning over het algemeen binnen zeer korte termijn worden verleend, mits het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan.

Preventieve welstandstoetsing Alle omgevingsvergunningplichtige bouwplannen dienen in ieder geval getoetst te worden aan het bestemmingsplan, de bouwverordening, het Bouwbesluit en aan redelijke eisen van welstand (met uitzondering van de welstandsvrije gebieden/objecten) Wanneer een veel voorkomend klein bouwwerk niet aan de toetscriteria voldoet of wanneer er sprake is van een bijzondere situatie, waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van deze criteria, wordt het bouwplan voorgelegd aan de welstandscommissie of een door de commissie gemandateerd lid. De welstandscommissie (of het gemandateerde lid) zal in deze gevallen met inachtneming van de gestelde toetscriteria en met onder andere de gebiedsgerichte of de algemene welstandscriteria beoordelen of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Op deze manier kunnen bouwwerken die in eerste instantie niet voldoen aan de toetscriteria alsnog door de welstandscommissie bezien worden in relatie tot de context van het gebied waar het bouwplan geplaatst wordt. Van een bijzondere situatie is in ieder geval altijd sprake in door het Rijk aangewezen beschermde stads- of dorpsgezichten en bij, op of aan door het Rijk, de provincie of de gemeente aangewezen beschermde monumenten.

Begrenzing Beschermd Stadsgezicht Zwolle Bron: aanwijzingsbesluit Minister VROM d.d. 14 oktober 1993.

Vrijwillige welstandstoetsing Om te voorkomen dat men achteraf geconfronteerd wordt met redelijke eisen van welstand of de excessenregeling kan een initiatiefnemer van een te bouwen omgevingvergunningvrij bouwwerk dit vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De toetscriteria kunnen dus ook dienen als adviserend kader. 4.2.2 Uitgangspunten Bij het opstellen van de toetscriteria zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Relatie met het bestemmingsplan In artikel 2.10 van de Wabo wordt geregeld dat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt geweigerd als deze niet voldoet aan onder andere het Bouwbesluit,

67

mooi

de bouwverordening, het bestemmingsplan of de redelijke eisen van welstand. De welstandstoetsing dient alleen betrekking te hebben op het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkelingen daarvan. In de Woningwet (artikel 12 lid 3) is geregeld dat als het bestemmingsplan het bouwwerk toestaat deze welstandshalve niet meer afgewezen kan worden op basis van plaatsing en maatvoering als deze reeds in het bestemmingsplan zijn vastgelegd. Bestemmingsplanvoorschriften prevaleren dus boven welstandscriteria. Dit houdt in dat welstandscriteria in beginsel geen eisen kunnen stellen aan zaken die al geregeld zijn in het bestemmingsplan of bouwverordening. Wel is het mogelijk dat welstandscriteria een aanvullende werking hebben op het geregelde in het bestemmingsplan of bouwverordening. Voor de opgenomen toetscriteria is ervan uitgegaan dat het bestemmingsplan altijd maatgevend is. Dat wil echter niet zeggen dat er geen toetscriteria over plaatsing en maatvoering zijn opgenomen, maar dat deze dan betrekking hebben op de visuele kwalitatieve hoedanigheid van het bouwwerk. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft functie, plaatsing en maatvoeringen van kleine bouwwerken.

Voor- en achterkant benadering De voor- en achterkant benadering houdt in dat er met het oog op stedenbouw en welstand in een aantal gevallen verschil moet worden gemaakt tussen het bouwen aan de voorkant of aan de achterkant van een bouwwerk. Vanuit welstandsoptiek is het bouwen aan de voorkant in het algemeen kwetsbaarder dan het bouwen aan de achterkant. Onder voorkant wordt in dit verband verstaan de voorgevel, het voorerfgebied en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar het openbaar toegankelijk gebied. Onder achterkant wordt in dit verband verstaan de achtergevel, het achtererfgebied en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. Het begrip ‘weg’ wordt nader verklaard in de Wegenverkeerswet. Het begrip ‘openbaar toegankelijk gebied’ wordt nader omschreven in artikel 1, lid 1, van bijlage II van het Bor . Met het oog op behoud van kwaliteit worden bouwwerken aan de voorkant altijd kritischer beoordeeld. In de toetscriteria is daarom voor een aantal bouwwerken onderscheid gemaakt tussen bouwwerken aan de voorkant en aan de achterkant.

Voor dakkapellen is in de welstandscriteria onderscheid gemaakt in criteria voor het voor-en achtererfgebied. Het erf grenzend aan de zijgevel is afhankelijk van de situering een voorerfgebied (grenzend aan het openbaar toegankelijk gebied) of achtererfgebied (niet grenzend aan het openbaar toegankelijk gebied).

Afbeelding achter-voorerfgebied

‘Objectieve’ toetscriteria De intentie van de Woningwet is dat gemeenten een toetsbaarder, objectiever en transparanter welstandsbeleid formuleren en uitvoeren. Dit betekent dat enerzijds een grote duidelijkheid moet zijn over het welstandstoezicht, en anderzijds dat de criteria een bepaalde eenduidigheid moeten hebben; m.a.w. ‘objectief’ toetsbaar moeten zijn.

68

mooi

4.3 Toetscriteria per type bouwwerk

Dit hoeft niet te betekenen dat de toetscriteria altijd 100% meetbaar, dus absoluut van aard, zijn. Absolute criteria leveren slechts één mogelijk resultaat op terwijl objectieve toetscriteria ook relatief van aard kunnen zijn, dus naar verhouding meer mogelijke oplossingen bieden in relatie tot omgeving, tijdsbeeld en/of gewenste ontwikkelingen. Omdat veel van deze factoren locatieafhankelijk zijn, is het opstellen van absoluut meetbare criteria niet eenvoudig. Absoluut meetbare criteria met betrekking tot materiaal, kleur en detailleringen kunnen bijvoorbeeld alleen per gebied of bouwstijl geformuleerd worden. Waar door de omgevingsafhankelijke factoren absoluut meetbare criteria niet mogelijk zijn, worden relatieve criteria gebruikt, waarbij veelal wordt verwezen naar vergelijkbare kenmerken van het hoofdgebouw, belendende bebouwing of bouwblok.

4.3.1 Algemeen In deze paragraaf worden criteria gegeven voor bijbehorende bouwwerken, dakkapellen, kozijn- en gevelwijzigingen, rolhekken, luiken en rolluiken. Een bouwplan is in ieder geval niet strijdig met redelijke eisen van welstand als: • •

Helderheid en herkenbaarheid van gebouwen Een gebouw heeft vaak een herkenbare hoofdvorm, of is opgebouwd uit meerdere in samenhang ontworpen delen. Elk deel is meestal zelf ook weer zorgvuldig opgebouwd uit massa’s en vlakken, en die zijn vervolgens ook zelf weer in samenhang met de rest ontworpen. Bij de toetsing van plannen wordt gekeken of deze samenhang en zorgvuldigheid in het plan aanwezig zijn, dan wel gerespecteerd worden. In de toetscriteria is dit thema als uitgangspunt gehanteerd. Bij de toetscriteria is meestal uitgegaan van een standaardplan voor het betreffende bouwwerk. Alle uitzonderingen daarop verdienen extra aandacht en worden dus getoetst door de welstandscommissie aan redelijke eisen van welstand.

•

•

Het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde toetscriteria, of; Het bouwwerk bij vervanging qua plaatsing en vormgeving identiek is aan het oorspronkelijke bouwwerk, mits de vervanging geen gevolg is van repressief welstandstoezicht, of; Het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving identiek is aan een in het betreffende bouwblok of straat eerder (afgelopen 3 jaar, met ingang van inwerkingtreding van deze nota) als zodanig door de welstandscommissie goedgekeurd exemplaar (bij gelijkvormige kapvorm/ woningtype), of; Het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving voldoet aan een door een architect vooraf ontworpen en door de gemeente geaccepteerde optionele toevoeging of wijziging voor een woonwijk.

Als er voor een bepaald type omgevingsvergunningplichtig bouwplan geen toetscriteria zijn opgenomen zal het bouwplan door de welstandscommissie getoetst worden. De welstandscommissie zal het bouwplan dan beoordelen op basis van de gebiedsgerichte en/of de algemene welstandscriteria opgenomen in de welstandsnota. Het kan voorkomen dat een bouwwerk in strijd is met de criteria maar wel een waardevolle en/of kwalitatieve toevoeging vormt voor het hoofdgebouw of de omgeving. Daarnaast kan het voorkomen dat juist het hoofdgebouw of de omgeving zich niet leent voor het voorgestelde bouwwerk. Om dit soort situaties te voorkomen is een vangnet gebruikt door het

69

mooi

toevoegen van de regel: “Deze criteria gelden tenzij er sprake is van een bijzondere situatie en er gerede twijfel mag bestaan aan de toepasbaarheid van de genoemde criteria” Tenzij anders is aangegeven, worden de afstanden loodrecht en maten buitenwerks (buitenzijde gebouw) gemeten.

• •

4.3.2 Aan- en uitbouwen in het voorerfgebied Omschrijving en uitgangspunten Een aan- of uitbouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw. Het bestemmingsplan treedt bij de omgevingsvergunningplichtige aan- en uitbouwen in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Aan- en uitbouwen worden in grote aantallen gerealiseerd. Als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een aanof uitbouw in het achtererfgebied. Om het straatbeeld te respecteren en intact te houden dient er bij de mogelijke toepassing van aan- en uitbouwen aan de voorkant een bufferzone aanwezig te zijn tussen gevel en straat. De gemeente streeft in gebieden met een samenhangende ruimtelijk-formele karakteristiek naar een herhaling van gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat en de gebouwen. Belangrijk is dat de contour en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw of bouwblok zichtbaar blijven en dat de aan- of uitbouw qua uitstraling en volume ondergeschikt is aan het oorspronkelijke gebouw.

•

Het betreft geen doorgetrokken dakvlak van hoofdgebouw over aan- of uitbouw. De vorm van kozijnen en ramen zijn gelijk aan of afgestemd op die van de kozijnen en ramen van het hoofdgebouw; bij serres een regelmatige verdeling van kozijnstijlen. Er is sprake van een van het hoofdgebouw afgeleide detaillering.

Materiaal en kleur • Het materiaal- en kleurgebruik is gelijk of gelijkwaardig aan het hoofdgebouw, bij serres zijn dak en achtergevel volledig transparant. • Bij tussenwoningen is er een gemetselde muur op de erfgrens (muurdam);

Criteria Plaatsing • Aan de zijgevel bedraagt de afstand tot de voorgevel minimaal 1,00 meter. • Aan de voorgevel valt de aan- of uitbouw binnen de buitenste kozijnstijlen. Maatvoering • De hoogte is niet hoger dan 0,30 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw en onder de gootlijn van het hoofdgebouw (voorkant en zijkant). • De breedte bedraagt maximaal 60% (voorkant), • De diepte bedraagt maximaal 1,50 meter (voorkant), respectievelijk 4,00 meter (zijkant), ten opzichte van de oorspronkelijke gevel. Vormgeving • De vormgeving is in één bouwlaag met een van het hoofdgebouw afgeleide plattegrond. • Plat afgedekt of desgewenst met een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, dakhelling en nokrichting. N.B. serres mogen voorzien zijn van een flauw-hellend transparant dak.

70

mooi

4.3.3 Bijgebouwen en overkappingen in het voorerfgebied Omschrijving en uitgangspunten Een bijgebouw of overkapping is een grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag. Een bijgebouw staat los op het erf van het hoofdgebouw en is meestal bedoeld als schuur, tuinhuis, of garage. De overkapping staat los op het erf of tegen het hoofdgebouw aan en is meestal bedoeld als carport of luifel boven een deur of raampartij. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als bijgebouwen en overkappingen zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een bijgebouw of overkapping in het achtererfgebied. De gemeente streeft in principe naar een bescheiden uiterlijk van de bijgebouwen en overkappingen: materialen en kleuren van gevels en dakvlakken afgestemd op die van het hoofdgebouw, eenvoudige kapvorm en geen onnodig grote dakoverstekken of versieringen. Bijgebouwen moeten qua uitstraling en volume ondergeschikt zijn aan het oorspronkelijke hoofdgebouw en afgestemd worden op het karakter van het hoofdgebouw of de erfinrichting. Een belangrijk kenmerk van een overkapping is de transparantie. Overkappingen mogen niet met wanden worden dichtgezet.

Vormgeving • De vormgeving is in één bouwlaag met een rechthoekige of een van het hoofdgebouw afgeleide plattegrond. • Het bijgebouw of de overkapping is plat afgedekt of met een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, dakhelling en nokrichting. • Detaillering is afgeleid van het hoofdgebouw. Materiaal en kleur • Het materiaal- en kleurgebruik is gelijk of gelijkwaardig aan het hoofdgebouw of afgestemd op een tuinkarakter (metselwerk of hout). • Er is geen toepassing van betonplaten of damwandprofielen .

Bijgebouwen of overkappingen die contrasteren met het hoofdgebouw zullen altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Criteria Plaatsing • Een bijgebouw of overkapping in het voorerf moet worden voorgelegd aan de welstandscommissie en getoetst aan de gebiedscriteria. • Aan de zijgevel bedraagt de afstand tot de voorgevel minimaal 1,00 meter. Maatvoering • Bij toepassing van een plat dak bedraagt de hoogte maximaal 3,00 meter, gemeten ten opzichte van het aansluitende terrein. • Bij toepassing van een kap bedraagt de goothoogte maximaal 3,00 meter gemeten ten opzichte van het aansluitende terrein.

71

mooi

4.3.4 Kozijn- en gevelwijzigingen in het voorerfgebied Omschrijving en uitgangspunten Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. Omdat de opbouw en indeling van de gevel een belangrijk onderdeel is van de architectonische vormgeving van het gebouw en/of de straatwand moeten ook de kozijn- of gevelwijzigingen zorgvuldig worden ingepast. Samenhang en ritmiek in straatwanden mogen niet worden verstoord door incidentele kozijn- of gevelwijzigingen. Met name een kozijn- of gevelwijziging in de voorgevel of zijgevel in het voorerfgebied vraagt om een zorgvuldige vormgeving. Een kozijn- of gevelwijziging moet passen bij het karakter van het hoofdgebouw en de karakteristiek van de omgeving. Een naoorlogse woning vraagt bijvoorbeeld om andere vormgeving dan een historisch pand uit de 19e eeuw.

Materiaal en kleur • Het materiaal- en kleurgebruik is overeenkomstig of gelijkwaardig aan de reeds aanwezige materialen en kleuren van het hoofdgebouw. • Indien er sprake is van stalen kozijn- en raamprofielen worden deze vervangen door aluminium renovatieprofielen (alleen aluminium kan de dimensionering en profilering van staal benaderen) • Indien er sprake is van kunststof kozijnen bij vervanging van houten kozijnen dan worden de oorspronkelijke of gelijkwaardige profilering van de houten kozijnen aangehouden.

Het uitgangspunt van de toetscriteria is dat de oorspronkelijke of originele vormgeving in elk geval niet strijdig is met redelijke eisen van welstand. Belangrijke te handhaven kenmerken daarbij zijn de maatvoering van de negge en profilering van het kozijn en het raamhout. De materialisering en (mate aan) detaillering is voornamelijk afhankelijk van het gebiedsgerichte beoordelingskader. Wijzigingen in de gevel die contrasteren met het hoofdgebouw of de directe omgeving zullen altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Maatvoering • Nieuwe gevelopeningen zijn gelijk aan of een afgeleide van de bestaande of oorspronkelijke gevelopeningen. • Profielafmetingen van kozijnen en/of raamhout zijn overeenkomstig bestaand of oorspronkelijk. Vormgeving • De gevelwijziging blijft in overeenstemming met de architectuur/tijdsbeeld van de oorspronkelijke gevel. • De samenhang en ritmiek van de straatwand blijft behouden. • De samenhang van de gevel op de begane grond en verdieping(en) blijft behouden. • Bij kozijn- of raamindelingen is sprake van een geringe wijziging door toevoegen of weglaten van stijlen, dorpels, roedes of ramen, • De gevelopeningen blijven open en worden niet geblindeerd met panelen of schilderwerk.

• Details die kenmerkend zijn voor de oorspronkelijke architectuur van de gevel blijven behouden: Bijvoorbeeld lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen, rollagen, metselwerkversieringen, dakgoten, ornamenten etc.

72

mooi

4.3.5 Dakkapellen Omschrijving en uitgangspunten Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanaf het openbaar toegankelijk gebied, voor het straatbeeld zeer bepalend. Later toegevoegde dakkapellen zijn zelden een verrijking van het straatbeeld. Wanneer het mogelijk is zal de welstandscommissie dan ook adviseren de dakkapel aan de achterkant van de woning aan te brengen (op het achtererf). Dakkapellen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakkapel mag dus niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm. Daarom mag een dakkapel nooit domineren in het silhouet van het dak en moet de noklijn van het dak, afhankelijk van straatprofiel, vanaf de weg zichtbaar blijven. Bovendien moet de ruimte tussen dakkapel en goot voldoende zijn. Bij meerdere dakkapellen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling binnen een blok (van dezelfde architectuur/bouwstijl) kan rust en samenhang brengen. In plaats van een dakkapel kunnen ook dakramen worden aangebracht. Deze zijn minder dominant in het straatbeeld.

Ook voor dakramen geldt het streven naar herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn.

Plaatsing en aantal: • bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt • bij een individueel hoofdgebouw gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding voorgevel • minimaal 1.00 m. dakvlak boven, onder en aan weerszijden van de dakkapel, afstand tot boven en onderkant dak verticaal gemeten, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) • niet meer dan één dakkapel per woning op het betreffende dakvlak Maatvoering: • hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.50 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim • breedte in totaal maximaal 50% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 3,50 m. gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) Vormgeving: • plat afgedekt • gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van het hoofdgebouw • indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw • geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten

Dakkapellen in het voorerfgebied Een dakkapel in het voordakvlak of naar het openbaar gekeerde zijdakvlak (voor zover niet omgevingsvergunningvrij) is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande welstandscriteria wordt voldaan. Voldoet een dakkapel niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of het beschermde stadsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.

Materiaal en kleur: • materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw • beperkte toepassing van dichte panelen in het voorvlak, eventueel alleen in ondergeschikte mate tussen de glasvlakken • zijwanden dakkapel in wit of een donkere kleur of afgewerkt in kleur van het dakvlak.

Algemeen: • voor het beschermde stadsgezicht gelden afwijkende (gebiedsgerichte) welstandscriteria. Plannen in dat gebied worden voorgelegd aan de welstandscommissie en getoetst op de gebiedsgerichte criteria. • de dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok • de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw • geen dakkapel op een bijbehorend bouwwerk

Dakkapellen in het achtererfgebied Een dakkapel aan de achterkant (voor zover niet omgevingsvergunningvrij) is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande welstandscriteria wordt voldaan. Voldoet een dakkapel niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de toetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies

73

mooi

aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of het beschermde stadsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd als er sprake is van een omgevingsvergunningplichtige dakkapel.

• • •

Algemeen: • de dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok • de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw

gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten

Materiaal en kleur: • materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw • materiaal- en kleurgebruik van kap bij aangekapte dakkapel gelijk aan kap hoofdgebouw • voorvlak grotendeels gevuld met glas, beperkte toepassing van dichte panelen • zijwanden dakkapel in wit of een donkere kleur.

Plaatsing en aantal: • bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt • bij individuele woning/pand gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding achtergevel • minimaal 0.50 m. dakvlak boven, onder en aan weerszijden van de dakkapel, afstand tot boven en onderkant dak verticaal gemeten, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) • bij meerdere dakkapellen/dakramen een tussenruimte van minimaal 1.00 m. • niet meer dan twee dakkapellen per woning op het betreffende dakvlak

Aanvullende criteria voor dakkapellen per kapvorm Bij een aantal afwijkende kapvormen zijn naast bovenstaande toetscriteria voor de voor- en achterkant een aantal aanvullende welstandscriteria van toepassing. In geval van combinaties van verschillende dakvormen zal door de welstandscommissie per situatie een afweging gemaakt worden van de toelaatbare uitbreidingen. Zadeldak met hellingshoek <30° Soms geeft een zadeldak door de flauwe helling weinig tot geen gelegenheid om een dakkapel toe te passen. Door de flauwe helling wordt de bovenzijde van de dakkapel namelijk (nagenoeg) gelijk met de nok. Hierdoor worden het dakvlak en het silhouet te sterk aangetast, daarom is het plaatsen van een dakkapel op een zadeldak met een helling kleiner dan 30° welstandshalve ongewenst. Een reguliere dakkapel is dus niet goed mogelijk.

Maatvoering: plat afgedekte dakkapellen: • hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.75 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim Aangekapte dakkapellen: • afstand tussen de voet van de dakkapel en de gootlijn van de dakkapel maximaal 90 cm, totale hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak • breedte in totaal maximaal 50% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 3.50 m. gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel)

Als de vrije hoogte onder de nok tenminste 2.00 meter bedraagt kan soms een oplossing worden gevonden door de nok te verplaatsen en te verhogen. Dan spreken we van een dakopbouw. Plaatsing valt dan onder een reguliere vergunningsprocedure en zal door de welstandscommissie worden getoetst op redelijke eisen van welstand. Zadeldak met wolfseind De beperkte maat van het wolfseind is ongeschikt voor toevoegingen. De zijdakvlakken zijn hiervoor meer geschikt, en dienen behandeld te worden als het zadeldak. Hierbij dienen de wolfseinden gerespecteerd te worden. Dakopbouwen zijn daarom niet gewenst.

Vormgeving: • plat afgedekt of, bij een dakhelling groter dan 45° desgewenst een aangekapte dakkapel met een minimale dakhelling van 25°

74

mooi

Zadeldak met vliering De basismaat van de vliering is te gering om een dakkapel of -opbouw te realiseren. Plaatsing hoog in het dakvlak geeft een onevenwichtig beeld. Bij deze dakvorm dus geen dakkapellen in het dakvlak.

stimuleert de gemeente in de eerste plaats het toepassen van alternatieve oplossingen zoals geweldbestendig glas of elektronische beveiligingssystemen. Bij woningen is het bouwen van rolhekken, luiken en rolluiken omgevingsvergunningvrij. Voor andere gebouwen dan woningen en woongebouwen voor zover aangebracht aan de buitenzijde van de voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel, echter niet. Juist in winkelgebieden zijn de problemen met deze anti-inbraak en -vandalisme voorzieningen het grootst. De gemeente streeft er daarom naar dat rolhekken, luiken en rolluiken de uistraling van een pand niet negatief beïnvloeden.

Schild-, tent- of piramidedak Het karakter van deze kapvormen, met naar de nok toelopende hoekkepers, vereist een zeer beperkte afmeting van de dakkapel. Bij situering van de dakkapel dienen de hoekkepers te worden gerespecteerd en dient minimaal een meter dakvlak vrij te blijven, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel.

Welstandscriteria voor rolhekken of (rol)luiken Een rolhek, luik of rolluik is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande toetscriteria wordt voldaan. Voldoet een rolhek, luik of rolluik niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de toetscriteria dan kan de omgevingsvergunning voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd.

Mansardedak Een daktoevoeging is toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen een schuin afgedekte dakkapel en een dakkapel met plat dak. In beide gevallen dient de bovenaansluiting met het dakvlak op de knik van het dakvlak plaats te vinden. Lessenaardak Voor dakkapellen op lessenaardaken gelden dezelfde uitgangspunten als voor zadeldaken. Afhankelijk van de hoek van het dak en de nok- en goothoogte gelden verschillende regels. Wanneer de hoek kleiner is dan 30° is een dakkapel welstandshalve niet wenselijk. Bij een hoek kleiner dan 45° is een dakkapel aanvaardbaar wanneer de vrije hoogte onder de nok meer dan 2.70 m meet, zodat de dakkapel voldoende ver onder de nok zal blijven.

Algemeen: • voor het beschermde stadsgezicht gelden afwijkende (gebiedsgerichte) welstandscriteria. Plannen in dat gebied worden voorgelegd aan de welstandscommissie en getoetst op de gebiedsgerichte criteria. Plaatsing: • aan de buitengevel, mits: • plaatsing aan de binnenzijde niet mogelijk is • voor minimaal 90% bestaand uit heldere doorkijkopeningen • rolkasten, geleidingen en rolhekken in de gevel worden ingepast • ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met gevel

Asymmetrisch dak Een dakkapel hoog in het dakvlak geeft bij een asymmetrisch dakvlak een onevenwichtig beeld en is welstandshalve niet gewenst. Het advies hier is omzetten naar het andere dakvlak. In het algemeen worden dakkapellen onder in het dakvlak toegepast. Door de grootte van het dakvlak ontstaat hiermede een goed en evenwichtig beeld. Door de hoogte van het dakvlak is hier een dakkapel met een inwendige hoogte tot de verdiepingsvloer voorstelbaar. 4.3.6 Rolhekken, luiken en rolluiken Omschrijving en uitgangspunten Rolhekken, luiken en rolluiken zijn voorzieningen om ruiten van gebouwen tegen inbraak en vandalisme te beschermen. Deze voorzieningen kunnen de omgeving echter ook een verlaten en ongastvrij aanzien geven hetgeen verloedering juist in de hand werkt. Daarom

75

mooi

4.4 Welstandscriteria voor monumenten

Dynamiek Veranderende functies en aanpassingen van monumenten aan de hedendaagse gebruikseisen en regelgeving, oefenen druk uit op de intrinsieke kwaliteit van die monumenten. Veranderingen in de omgeving van monumenten hebben gevolgen voor de uitdrukkingskracht van het monument.

Procedure Voor het in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument is een omgevingsvergunning nodig op grond van de Wabo. Voor wijzigingen aan gemeentelijke monumenten geldt op grond van de Wabo en de Erfgoedverordening Zwolle over het algemeen eveneens een omgevingsvergunningplicht. De omgevingsvergunningaanvraag wordt overeenkomstig de Wabo altijd voor advies voorgelegd aan de welstands-/monumentencommissie. De commissie toetst de voorgestelde wijzigingen primair aan het belang van de instandhouding van de monumentale waarde van het betreffende pand. Daarbij wordt gerefereerd aan het gemeentelijke instandhoudingsbeleid (beleidsnota monumentenzorg en archeologie, uitvoeringsvoorschriften, eventueel bestemmingsplan, etc.) en aan de beschikbare bouwhistorische gegevens. Tot zover is het oordeel afkomstig van de monumentencommissie. Als de aanvraag (mede) betrekking heeft op toevoegingen van nieuwe elementen op, aan of bij het monument, wordt de aanvraag mede beoordeeld op vormgevings- en dus welstandsaspecten. Hier is de welstandscommissie aan het woord en wordt gerefereerd aan de in deze nota geformuleerde welstandscriteria voor monumenten. In geval van cultuurhistorisch waardevolle objecten kan op grond van de Wabo of het bestemmingsplan een vergunning nodig zijn. Bovenstaande is hier overeenkomstig van toepassing.

Beleid • Het niveau van de welstandstoetsing is hoog. • Het beleid is gericht op het behouden en herstellen van de historische kenmerken van het monument en de cultuurhistorisch waardevolle objecten. Criteria • De specifieke historische kenmerken van het monument of cultuurhistorisch waardevolle object vormen de uitgangspunten voor herstel, verbouw of functieverandering. • Toevoegingen aan, op of bij monumenten of cultuurhistorisch waardevolle objecten worden op herkenbare wijze vormgegeven. Hierbij vormen de historische stijlkenmerken van het object de inspiratiebron. • Er is aandacht voor zorgvuldige detaillering en materiaalkeuze.

Kenmerken Beschermde monumenten worden gekenmerkt door een samenhangend en gaaf geheel van architectonische stijlkenmerken. Een monument kan representatief zijn voor een bepaalde bouwstijl, maar kan ook een rijke bouwgeschiedenis hebben met verwijzingen naar verschillende bouwstijlen. Voor zover de bouwgeschiedenis niet duidelijk afleesbaar is, kan zij door bouwhistorisch onderzoek aan het licht komen. Cultuurhistorisch waardevolle objecten worden in het bestemmingsplan als zodanig aangeduid. Waardering Monumenten en cultuurhistorisch waardevolle objecten worden in hoge mate gewaardeerd om hun architectuurhistorische kwaliteit, waardoor zij belangrijk bijdragen aan de kwaliteit en de identiteit van hun omgeving.

76

mooi

4.5 Object- en themagerichte criteria

4.5.3 Reclame Het gemeentelijke reclamebeleid stelt onder andere regels aan gevelreclame en aan uitstallingen en reclame-objecten, niet-zijnde gevelreclame. Voor zover deze beleidsregels een uitwerking zijn van artikel 12 van de Woningwet, maken zij integraal deel uit van deze welstandsnota. Dit is het geval voor elke vorm van reclame waarvoor een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd.

4.5.1 Winkelpuien in de binnenstad en de oudere (uitbreidings)wijken Voor het wijzigen van winkelpuien is meestal een omgevingsvergunning nodig. Het ontwerp wordt altijd voorgelegd aan de welstands-/monumentencommissie. Criteria Bij de beoordeling van een wijziging in de winkelpui in de gebieden binnenstad, de oudere wijken en de oudere uitbreidingswijken (de gebieden 1,2 en 3), gaat het beleid uit van het totale gevelbeeld als vertrekpunt. De criteria hierbij zijn: • de pui heeft een duidelijke relatie met de bovenbouw van de gevel en met aangrenzende panden; • de pui vertoont een goede verhouding in maat en schaal; • de overgang van de openbare ruimte naar de winkel is helder vormgegeven; • uitgangspunt is dat etalageruiten niet doorlopen tot op de grond; bijvoorbeeld toepassen van een plint • de naamsaanduiding is in het ontwerp geïntegreerd; • de materiaal- en de kleurkeuze zijn zorgvuldig en passend bij de situatie. Voor de overige gebieden gelden de gebiedsgerichte criteria.

4.5.4 Winterterrassen Omgevingsvergunningsaanvragen voor winterterrassen worden, naast het bestemmingsplan en beleidsregels, getoetst aan de volgende specifieke criteria: • de toepassing van hoge transparante terrasschotten voor de afscherming tegen de wind en een hekje van maximaal 0,80 meter hoogte ter afbakening is het uitgangspunt; • de opbouw van het winterterras dient te passen bij de architectuur van de bebouwing; • het winterterras volgt de aanwezige perceellering en heeft een eigen individualiteit; • er is aandacht voor zorgvuldige detaillering en ambachtelijke materialen, waarbij het winterterras moet aansluiten bij het pand en zijn omgeving. 4.5.5 Vergunningplichtige antenne-installaties Het doel van de beoordeling van aanvragen tot het oprichten van een antenne-installatie is vooral het beperken van de storende visuele invloed op gebouwen en op de omgeving. De aanvraag kan betrekking hebben op masten met hekwerken, gebouwtjes of kasten, of op masten aan of op gebouwen.

De aanvraag wordt beoordeeld op de volgende criteria: • binnen de bebouwde kom is plaatsing op bestaande gebouwen, bij voorkeur op bedrijventerreinen of sportterreinen, het uitgangspunt; • buiten de bebouwde kom is plaatsing langs verkeerswegen, bij voorkeur op plaatsen als parkeerplaatsen, benzinestations, horecagelegenheden, knooppunten, viaducten of bedrijventerreinen, het uitgangspunt; • plaatsing wordt vermeden daar waar binnen gezichtsafstand al een mast aanwezig is; • plaatsing wordt vermeden in het beschermde stadsgezicht, op monumenten en in gebieden die als waardevol zijn aangemerkt vanwege landschappelijke, cultuurhistorische of natuurwaarden; • bij plaatsing op of aan gebouwen heeft integratie met bestaande of nieuwe elementen van dat gebouw de voorkeur; • bij plaatsing op of aan gebouwen wordt de installatie zo onopvallend mogelijk geplaatst, dus bij voorkeur zo ver mogelijk van de dakrand; • antennes met verschillende maten en vormen worden op een gemeenschappelijke drager geplaatst;

4.5.2 Woonwagenstandplaatsen Voor het plaatsen van een bijbehorend bouwwerk op woonwagenstandplaatsen gelden de volgende criteria: Criteria Massa en vorm • vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekig plattegrond • overkapping met maximaal twee zijden tegen wanden en minimaal aan twee zijden open. • plat afgedekt • geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten Materiaal en kleurgebruik • materiaal en kleur van de gevels, kozijnen en profielen zijn gelijk aan de woonwagen of zijn afgestemd op het tuinkarakter (metselwerk of hout). Geen golfplaat, betonplaten of damwandprofielen. • bij integratie met erfafscheiding zijn materiaal en kleurgebruik gelijk aan erfafscheiding

77

mooi

•

4.5.6.3 Voordakvlakken (langskappen) Een voordakvlak (kapvorm die evenwijdig aan de openbare weg staat) is veelal zichtbaar vanaf openbaar toegankelijk gebied. Het aanbrengen van reguliere zonnepanelen/-collectoren is niet toegestaan. Elektriciteitsopwekkende voorzieningen zijn alleen mogelijk indien: • deze worden geplaatst op ‘jongere’ bebouwing, gebouwd vanaf 1975; • deze zijn geïntegreerd in het dakvlak, bijvoorbeeld gebakken matte zonnedakpannen met passende kleurstelling; • deze aansluiten bij vorm, kleur, textuur en uitstraling van dakpannen; • deze in een eenduidig en regelmatig patroon worden aangebracht; • deze geen onevenredige afbreuk doen aan de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden, de context van de straat en de belendende bebouwing (ensemble).

bij plaatsing op of aan gebouwen volgt de gekozen plaats op een logische wijze de architectuur van het gebouw.

4.5.6 Collectoren of panelen voor warmteopwekking of elektriciteitsopwekking op een dak binnen het Beschermd Stadsgezicht De ‘beleidslijn en welstandscriteria zonnepanelen beschermd stadsgezicht’ maakt integraal onderdeel uit van deze welstandsnota. Bij de toetsing van aanvragen om omgevingsvergunning gelden de criteria zoals opgenomen in de ‘beleidslijn en welstandscriteria zonnepanelen beschermd stadsgezicht’. 4.5.6.1 Platte daken Op platte daken worden zonnepanelen/-collectoren toegestaan indien: • de panelen/-collectoren niet zichtbaar zijn vanaf openbaar toegankelijk gebied; • de panelen/-collectoren een maximale hellingshoek hebben van 20 graden; • de afstand tot de dakrand groter of gelijk is aan twee maal de hoogte van het hoogste paneel/collector, echter minimaal 1 meter vanaf de dakrand; • de kleur van de panelen/-collectoren aansluit bij de kleur van de onderliggende dakbedekking. Over het algemeen zal dit een zwarte kleur zijn.

4.5.6.4 Nieuwbouw Bij nieuwbouw worden zonnepanelen/-collectoren toegestaan indien: • de zonnepanelen/-collectoren op een architectonisch geïntegreerde wijze worden toegepast in het nieuwbouwplan; • rekening wordt gehouden met de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden, de context van de straat en de belendende bebouwing (ensemble); • rekening wordt gehouden met een passende ritmiek, positionering en kleur;

4.5.6.2 Zijdakvlakken (dwarskappen) Op zijdakvlakken van dwarskappen (kapvorm die loodrecht (dwars) op de openbare weg staat) worden zonnepanelen/-collectoren toegestaan indien: • de panelen/-collectoren niet zichtbaar zijn vanaf openbaar toegankelijk gebied; • de panelen/-collectoren niet zichtbaar zijn vanaf de volgende ‘publieke gebouwen’: • de Peperbus (Ossenmarkt 42), gezien vanuit de beveiligingsconstructie op de eerste omloop; • Museum de Fundatie (Blijmarkt 20), gezien vanuit de ramen van de uitbreiding ‘de wolk’; • het Stadhuis (Grote Kerkplein 15), gezien vanuit alle ruimtes; • de Sassenpoort (Sassenstraat 53), gezien vanuit alle binnenruimtes. • de hellingshoek van de panelen/-collectoren is gelijk aan de dakhelling; • de afstand tot de dakrand, de hoekkepers en de nok minimaal 4 pannen bedraagt; • de historische kapconstructie gerespecteerd wordt en de onderliggende pannen niet worden verwijderd. Dit is niet verplicht voor ‘jongere’ bebouwing, gebouwd vanaf 1975; • de panelen/-collectoren in een eenduidig en regelmatig patroon worden aangebracht; • de kleur van de panelen/-collectoren aansluit bij de kleur van de onderliggende dakbedekking, bijvoorbeeld zwart of rood.

78

mooi

4.6 Welstandscriteria voor woonboten en bijbehorende bouwwerken

boeiboord

overstek

Water als ruimtelijke drager Zwolle ontleent haar ruimtelijke structuur en identiteit niet alleen aan straten, pleinen, parken en gebouwen. Ook de gracht, de kanalen en weteringen zijn belangrijke dragers. Op diverse plekken in Zwolle liggen woonboten. Het zijn drijvende objecten waarop gewoond wordt. Historische schepen bepalen mede het cultuurhistorisch beeld en de historische kwaliteit van het beschermd stadsgezicht van Zwolle.

opbouw

Woonboten in Zwolle De gemeente Zwolle maakt onderscheid tussen woonboten: woonarken, woonvaartuigen en woonschepen. De ligplaatsen binnen het beschermd stadsgezicht zijn bestemd voor historische woonschepen. Buiten het beschermd stadsgezicht zijn naast woonschepen ook woonarken en woonvaartuigen op de aangewezen locaties toegestaan. De locaties voor woonboten met bijbehorende regels zijn vastgelegd in het bestemmingsplan.

casco of romp

woonark

Toetsingskader Woonboten: van toepassing zijn: het bestemmingsplan, het Bouwbesluit, de bouwverordening en de welstandsnota. Varende woonschepen: van toepassing zijn: het bestemmingsplan, de ligplaatsenverordening en de welstandsnota.

opbouw

casco of romp

woonvaartuig

Beleid: Met het welstandsbeleid voor woonboten komt er een eenduidige regeling met toetsbare welstandscriteria voor de vervanging en verbouwing van woonboten in Zwolle. Het belangrijkste uitgangspunt daarbij is de verantwoorde inpassing van de woonboten in het stadsbeeld. Naast de specifieke criteria zijn de algemene welstandscriteria (H2.2.3) van toepassing.

achterdek

stuurhut roef

gangboord

luikenkap zeeg

Overgangsregeling Voor bestaande woonboten geldt een overgangsregeling. Het nieuwe beleid betreft nieuwe aanvragen voor vervanging van een bestaande woonboot door een andere woonboot, of aanvragen voor wijziging van een woonboot die er al ligt (een bestaande woonboot). Bestaande woonboten die niet aan de nieuwe criteria voldoen, blijven gehandhaafd totdat de woonboot vervangen wordt. Bij veranderingen aan bestaande woonboten gelden de nieuwe criteria voor het deel dat onder-

roer

79

casco of romp

den

voordek

woonschip

mooi

Passend in de context van het beschermd stadsgezicht van Zwolle: • Schepen die passen binnen het beeld van de bedrijfsvaartuigen voor de binnenvaart zoals die voor 1960 in de nabije omgeving van Zwolle kunnen hebben gevaren. • Schepen die passend zijn binnen, en een positieve bijdrage leveren aan de cultuurhistorische waarde van het beschermd stadsgezicht. • De schepen zijn gebouwd en bedoeld voor de binnenwateren of voor de binnen- en kustwateren. Ze zijn niet uitsluitend gebouwd en bedoeld voor zee (inclusief de Zuiderzee).

deel vormt van de verbouwing. Daar waar bestaande schepen voor 01-01-2018 in een bepaalde mate niet aan specifieke criteria voldeden is het toegestaan dat deze na de aanpassing in vergelijkbare mate niet aan die criteria voldoen. De excessenregeling (H2.2.6) is van toepassing op zowel nieuwe als bestaande woonboten. Gebieden De gemeente Zwolle maakt onderscheid in twee gebieden; Binnen het beschermd stadsgezicht (zie kaartbeeld p68): hier zijn alleen historische woonschepen toegestaan. Het type woonschip past door haar historiciteit en kwaliteit in de bijzondere omgeving van het beschermde stadsgezicht. De ligplaatsen aangemerkt voor horeca en cultuur zijn bestemd voor cultuur- en horecaschepen. Buiten het beschermd stadsgezicht: hier zijn alle typen woonboten (woonschepen, woonarken en woonvaartuigen) toegestaan.

Oorspronkelijke staat: • De vorm moet zo veel mogelijk aansluiten bij het oorspronkelijke karakter van het schip; • De aanpassingen respecteren het historische beeld van het schip toen het in de beroepsvaart was. • Voor- en achterdek en gangboorden moeten voldoende worden vrijgelaten; • De roef en eventuele andere opbouwen (b.v. theehut, logies voor) moeten oorspronkelijk zijn of passen binnen wat oorspronkelijk gebruikelijk was. • De stuurhut moet oorspronkelijk zijn of moet passen binnen wat oorspronkelijk gebruikelijk was. Met inachtneming hiervan mag de stuurhut in ieder geval niet langer zijn dan 20% van de lengte van het schip. • De den mag slechts beperkt zijn verhoogd, afgestemd op de verhoudingen van het hele schip. De luikenkap mag in elk geval niet boven de roef uitsteken en in de regel ook niet boven de voorsteven. • De luikenkap mag van een ander materiaal zijn (zoals staal) dan oorspronkelijk indien het passend is bij het karakter van het schip en het karakter van de oorspronkelijke vorm respecteert. • Het gehele schip heeft evenwichtige verhoudingen die oorspronkelijk zijn of die passen binnen wat oorspronkelijk gebruikelijk was. Dit geldt ook als het schip is verlengd of ingekort. Er is symmetrie in de lengterichting. • Opbouwen en andere onderdelen volgen de zeeg van het schip.

• De vaaruitrusting van het schip: • Minimaal aanwezig zijn: een roer met helmhout of stuurwiel, bolders en anker/ankerlier. Bij (voormalige) zeilschepen moeten, wanneer dit belangrijk is voor het karakter van het schip, de mast en zwaarden aanwezig zijn (behalve wanneer het schip voor 1960 als beroepsvaartuig is omgebouwd naar een motorschip). Deze vaaruitrusting moet in stand worden gehouden. • Latere wijzigingen en toevoegingen aan een schip moeten terughoudend en passend zijn binnen het gehele uiterlijk van het schip. • Replica’s zijn niet toegestaan.

4.6.1 Binnen het beschermd stadsgezicht: Beleid: • Het niveau van de welstandstoetsing is hoog. • Het beleid is gericht op het behoud en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit op het water en het behoud en versterken van de cultuurhistorische waarde van het beschermd stadsgezicht. • Het beleid is gericht op het behoud en versterking van de authenticiteit en de historische kenmerken van de schepen. De schepen hebben een vaarklaar uiterlijk en zijn voorzien van een bij het type vaartuig behorende vaaruitrusting. Zeilschepen met volledige vaaruitrusting zijn daarbij een aanwinst voor het beschermd stadsgezicht. • Het betreffen uitsluitend historische schepen die herkenbaar zijn als bedrijfsvaartuig voor de binnenvaart. Welstandscriteria: Om aan het beleid te voldoen moeten de schepen zich voegen naar de bovenstaande beleidsuitgangspunten. Er zijn grote verschillen tussen de schepen met elk hun eigen geschiedenis. Voor de toepassing van de criteria moet altijd het doel van deze beleidsuitgangspunten worden meegewogen. Om de criteria goed te kunnen beoordelen moeten bij de aanvraag een scheepsbiografie en historische foto’s worden bijgeleverd, voor zover beschikbaar. Bij de welstandstoets van een schip binnen het beschermd stadsgezicht zijn de volgende criteria van belang:

80

mooi

Raamopeningen: • In de roef, stuurhut, theehuis ramen of koekoek als oorspronkelijk of met vergelijkbare verhoudingen als oorspronkelijk. • Kleine ramen in de den zijn beperkt toegestaan. • Daklichten in de luikenkap (of vervangend dakvlak) zijn toegestaan zolang ze zorgvuldig zijn geïntegreerd. • Kunststof lichtkoepels zijn niet toegestaan. • Ramen volgen de zeeg van het schip. • Ramen in de romp zijn in zeer beperkte mate toegestaan wanneer het onopvallend is uitgevoerd en het karakter van de romp van het schip niet wordt aangetast.

helmhout

Materiaal en kleurgebruik: • Diverse materialen en kleuren, gebruikelijk voor de voormalige bedrijfsvaartuigen voor de binnenvaart; • Het kleurgebruik is terughoudend en passend bij het schip en de omgeving; • Accent kleuren voor ondergeschikte delen zijn toegestaan.

roef

ankerlier luikenkap

den

zwaard berghout

Zonnepanelen: • Zonnepanelen zijn zodanig geplaatst dat het oorspronkelijke karakter van het schip niet onevenredig wordt verstoord; • Plaatsing op het dak van de stuurhut. Indien niet aanwezig dan plaatsing op het ruim. Bij zeilende schepen is plaatsing op de roef toegestaan. • Plat liggend, voldoende afstand tot de randen. • Bij plaatsing op het ruim in het ritme van de (oorspronkelijke) luikenkap, afgestemd op de daklichten, waarbij een richtlijn voor de maximale hoeveelheid een aaneengesloten vlak van 1/4 tot 1/3 van de luikenkap of dak op het ruim is; • Het oppervlak zonnepanelen is beperkt, zodanig dat het ondergeschikt is in het beeld. • Panelen en frame in een passende uni (zwarte) kleur. Cultuur- en horecaschepen: De ligplaatsen aangemerkt voor horeca en cultuur kunnen een afwijkende opbouw en vormgeving hebben. De romp is daarbij herkenbaar als (beroeps)vaartuig. In de opbouw bestaat samenhang tussen de verschillende onderdelen. Romp en opbouw zijn samenhangend en hebben goede verhoudingen. De bovengenoemde criteria zijn daarbij richtinggevend, maar er bestaat ruimte om af te wijken, zolang het geheel samenhangend is en goede verhoudingen heeft.

81

mooi

Oevervoorzieningen en toebehoren: Conform bestemmingsplan geen oevervoorzieningen. De loopplank (of een voorziening om aan boord te komen) is passend bij een varend schip. Bijboten zijn in het beeld van ondergeschikt belang. Afwijkingen op de criteria: • Indien in uitzonderingssituaties de criteria onvoldoende toereikend zijn kan worden teruggevallen op algemene criteria. • In bijzondere situaties waarin een schip in positieve zin afwijkt van de criteria kan een positief advies worden gegeven op basis van toetsing aan de algemene criteria. In al deze gevallen zal de welstandsadviseur gemotiveerd moeten afwijken van de bestaande criteria. Beoordeling historische schepen: De beoordeling zal plaatsvinden, op basis van deze criteria, in de welstands- en monumentencommissie, waarbij tenminste één expert met nautische kennis aanwezig is. De beschikbare documentatie, een historische onderbouwing en zo mogelijk een cultuurhistorische beschrijving moet aan de aanvraag worden toegevoegd. In de historische onderbouwing moet staan wat bekend is van de bouw en vroegere aanpassingen aan het schip, ondersteund met foto’s en (vroegere) meetbrieven. In de cultuurhistorische beschrijving kan bijvoorbeeld staan wat het vaargebied was van het schip, welke vracht werd vervoerd, wie de eigenaren waren, etc.

82

mooi

4.6.2 Buiten het beschermd stadsgezicht: De wateren buiten het beschermd stadsgezicht kenmerken zich door variatie en een afwisseling van diversiteit aan woonschepen, woonvaartuigen en woonarken. De context is in mindere mate historisch waardevol en kwetsbaar dan het beschermd stadsgezicht. Het beleid is hier minder streng. Kwaliteit in ruimtelijk aanzien is wel relevant voor de omliggende woonboten, voor aangrenzende bebouwing en voor passanten. Menige watergang is immers een recreatieve ader voor de stad waarlangs gefietst, gewandeld en gevaren wordt. Door de situering van de woonboten op het water is alzijdigheid belangrijk, dat wil zeggen een mate van openheid naar alle zijden. Er is in beginsel geen sprake van een achterkantsituatie maar hier is ruimte voor een locatiespecifieke afweging. Belangrijk is ook de eigen identiteit van de bouwwerken op het water ten opzichte van bouwwerken op het land. De woonboten kenmerken zich onder andere door een horizontale opbouw van volume en gebruik van materialen die passen bij het drijvende karakter van het schip.

• Woonvaartuigen en woonschepen hebben een romp passend in de omgeving. • De opbouw blijft binnen de contouren van het drijflichaam. • De opbouwen van woonschepen hebben evenwichtige verhoudingen en passen bij het karakter van een varend schip. Voor- en achterdek en gangboorden van woonschepen worden voldoende vrijgelaten. • Woonarken en woonvaartuigen hebben een plat dak of een flauw hellend dan wel licht gebogen dak. • Terrassen en de omloop buiten het casco (gangboord) vormen een integraal onderdeel van de gevels van het drijflichaam of de opbouw. Een aparte drijvende constructie vormt een harmonieus geheel met het hoofdvolume. Gevels • Er is eenheid in de architectuur van de gehele gevel. • Er is geen symmetrie in de langsgevels. • Verbijzonderingen in de gevel versterken de architectonische kwaliteit. • De gevels zijn alzijdig georiënteerd, vanwege de zichtbaarheid van de gevels voor omliggende woonboten, bebouwing en passanten. • De gevelcompositie en de plaats, afmetingen en verhoudingen van de gevelelementen zijn zorgvuldig op elkaar afgestemd. • Terrassen vormen in verschijningsvorm één samenhangend geheel met de woonboot. Deze terrassen zijn alzijdig georiënteerd en zien er verzorgd uit. Een eventuele borstwering is in beeld ondergeschikt en overwegend transparant. Schuttingen zijn niet toegestaan.

• Bij aanpassing, verbouw of renovatie is respect voor de oorspronkelijke gevelopbouw en het materiaal- en kleurgebruik het uitgangspunt, dan wel een duidelijke verbetering.

Beleid: • Het niveau van de welstandstoetsing is regulier. • Het beleid is gericht op het behoud en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit op het water en het versterken van de kwaliteit van de waterranden en oevers als hoogwaardig verblijfsgebied. • Het beleid is gericht op variatie en een diversiteit van woonboten, passend binnen de omgeving. • Alle typen woonboten (woonschepen, woonarken en woonvaartuigen) zijn toegestaan. Welstandscriteria Om aan het beleid te voldoen moeten de woonboten zich voegen naar de bovenstaande beleidsuitgangspunten. Behalve naar het uiterlijk van het object zal gekeken worden hoe het object zich verhoudt tot zijn omgeving. Bij de welstandstoets van een woonboot buiten het beschermd stadsgezicht zijn de volgende criteria van belang. Voor de toepassing van de criteria moet altijd het doel van de beleidsuitgangspunten worden meegewogen.

Detaillering, kleur en materiaal • Het aantal gebruikte materialen is beperkt. • Materialen zijn afgestemd op het wonen op het water en het type vaartuig. Voor de opbouw zijn dat over het algemeen lichte materialen die passen bij het drijvende karakter, zoals hout, metaal, stucwerk of leien. Kunststof is alleen toegestaan indien het vergelijkbaar is met de esthetische kwaliteit van hout. • Daken zijn van metaal, leien of zorgvuldig gedetailleerde bitumen of begroeiing. • Luikenkappen van woonschepen zijn van metaal of hout. • Het kleurgebruik moet passend zijn in de omgeving en niet onevenredig veel aandacht trekken. • De detaillering is zorgvuldig en versterkt de architectonische principes van de woonboot. • Bij verbouw of renovatie is het oorspronkelijke materiaalgebruik en detaillering uitgangspunt. Wijzigingen moeten terughoudend en passend zijn binnen het gehele uiterlijk.

Massa en vorm • De massa en de vorm van het drijflichaam en de opbouw passen bij de typologie van een woonboot. • Het individuele karakter van de woonboot is onderscheidend in volume- en gevelopbouw ten opzichte van de naastgelegen woonboten. • Er bestaat samenhang in de samenstellende delen in de massa opbouw. Bij verbouwingen blijft de samenhang bestaan. 83

mooi

• Andere noodzakelijke toevoegingen, zoals schoorstenen, passen qua afmeting, vorm en kleur in het totaalbeeld en zijn voldoende terughoudend in het beeld. Oevervoorzieningen en toebehoren: Bijbehorende bouwwerken op de wal bij ligplaatsen voor woonboten: Massa en vorm: • Bestaat uit één bouwlaag met een rechthoekig plattegrond. • Plat afgedekt of met flauwe (dwars)kap. • Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten. Materiaal en kleurgebruik: • Materiaal en kleur van de gevels, kozijnen en profielen zijn gelijk aan het woonschip, of zijn afgestemd op het tuinkarakter (metselwerk of hout). • Geen golfplaat, betonplaten of damwandprofielen. Toebehoren: • De loopplank (of een voorziening om aan boord te komen) is ondergeschikt en passend in het geheel van oever en woonboot. • Gebouwde erfafscheidingen respecteren de relatie met de (groene) oever en de omgeving. Afwijkingen op de criteria: • Indien de criteria onvoldoende toereikend zijn kan worden teruggevallen op algemene criteria. • In bijzondere situaties waarin een schip in positieve zin afwijkt van de criteria kan een positief advies worden gegeven op basis van toetsing aan de algemene criteria. In deze gevallen zal de welstandsadviseur gemotiveerd moeten afwijken van de bestaande criteria.

84

mooi

Bijlage 1. Begrippenlijst A

Aanbouwen: Aangekapt: Achtererfgebied:

Achterkant:

Afdak: Afstemmen: Antennedrager: Antenne-installatie:

Asymmetrisch dak: Authentiek:

B Band: Bebouwing: Beschot: Bedrijfsbebouwing: Behouden:

Belendende: Beschermd Stadsgezicht:

Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw. Met kap bevestigd aan dakvlak. erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw, zoals bedoeld in het Besluit omgevingsrecht (Bor) De achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar toegankelijk gebied Hellend dak, hangend of op stijlen aangebracht tegen een gebouw of een muur, om als gedeeltelijke beschutting te dienen. In overeenstemming brengen met. Antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne. Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. Zadeldak met twee verschillende goothoogtes en/of dakhellingen. Overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.

Bijgebouwen:

Bijbehorend bouwwerk:

Blinde wand: Boeiboord: Boerderij: Bor: Borstwering: Bouwblok: Bouwen: Bouwlaag: Bouwperceel: Bouwwerk: :

Horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen, kunststeen of baksteen. Eén of meer gebouwen en/of andere bouwwerken. Houten bekleding van een muur, inwendig als een lambrisering, meestal niet tot de volle hoogte. Gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter. Handhaven, bewaren, in stand houden.

Bovenbouw:

Bungalow:

85

Naastgelegen, (direct) grenzend aan. Door de Minister aangewezen Beschermd Stadsgezicht Zwolle d.d. 14 oktober 1993, op grond van de Monumentenwet. Voor de begrenzing zie kaart op bladzijde 63. Grondgebonden gebouw meestal van één bouwlaag dat los van het hoofdgebouw op het erf of kavel staat; meestal bedoeld als schuur, tuinhuis of garage. uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk met een dak, zoals bedoeld in het Bor. Gevel of muur zonder raam, deur of andere opening. Opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal. Gebouw/gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis. Besluit omgevingsrecht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Lage dichte muur tot borsthoogte. Een geheel van geschakelde bebouwing. Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Horizontale reeks ruimten in een gebouw. Een aaneengesloten terreinoppervlak, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren Bovenste, uit een oogpunt van gebruik meestal belangrijkste gedeelte van een gebouw, meestal in tegenstelling tot de onderbouw, het dragende gedeelte, fundament. Meestal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=eb432038-fe3f-44db-b77c-49d8b45f64c3