CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Natuuronderzoek

Raad Besluitvormingsronde 23 september 2024, gemeente ZwolleBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg7.629 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Natuuronderzoek hoogen middenspanningsstation Zwolle Ecologisch onderzoek in het kader van wet- en regelgeving voor natuur

Sweco Nederland B.V. Onderwerp Projectnummer

Handelsregister 30129769 Natuuronderzoek middenhoogspannings station Zwolle 51012779

Klant Versie

Tennet D2

Datum 07-11-2023 Auteur Document referentie

NL23-648800269-52897

2/31

Inhoudsopgave

1

Inleiding ......................................................................................................................... 4 1.1 Kader van het onderzoek .................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied en voorgenomen activiteiten ................................................ 4

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden .......................................................... 7 2.1 Toetsingskader .................................................................................................... 7 2.2 Inventarisatie ....................................................................................................... 8 2.3 Analyse van de mogelijke effecten ..................................................................... 8 2.4 Conclusie............................................................................................................. 9

3

Wet natuurbescherming: Soortenbescherming ........................................................... 10 3.1 Toetsingskader .................................................................................................. 10 3.2 Methode ............................................................................................................ 12 3.3 Voorkomende ecotopen .................................................................................... 13 3.4 Planten .............................................................................................................. 14 3.5 Vleermuizen ...................................................................................................... 15 3.6 Overige zoogdieren ........................................................................................... 16 3.7 Vogels ............................................................................................................... 18 3.8 Amfibieën en Reptielen ..................................................................................... 21 3.9 Vissen ................................................................................................................ 22 3.10 Ongewervelden ................................................................................................. 23

4

Natuurbeleidskaders.................................................................................................... 24 4.1 Toetsingskader .................................................................................................. 24 4.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................. 24

5

Conclusie ..................................................................................................................... 27

6

Bronnenlijst .................................................................................................................. 31

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer sweco.projectId Datum 07-11-2023

Versie D2

Document referentie \\sweco.se\nl\ams01\project\5310\51012779_tennet_drents_overijsselse_netversterking_veld_en_bodemonderzoeken\w300 project specifieke werkpakketten\zwolle\ecologie\bp\natuuronderzoek nieuwbouwlocatie tennet zwolle d3.docx

3/31

1

Inleiding

1.1

Kader van het onderzoek

Wegens de benodigde verzwaring van het elektriciteitsnet is Tennet voornemens een nieuw 110 kV station te realiseren en een bestaand 380 kV station uit te breiden en aan te passen bij industrieterrein Hessenpoost te Zwolle. Tennet heeft Sweco gevraagd conditionerende onderzoeken uit te voeren waaronder voorliggende Verkennend natuuronderzoek voor het toetsen van de werkzaamheden aan de Wet natuurbescherming. Projecten of handelingen dienen namelijk te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: •

•

•

Wet natuurbescherming: •

Natura 2000-gebieden;

•

soorten (bescherming);

•

houtopstanden.

Provinciaal beleid •

Natuurnetwerk Nederland (NNN);

•

natuurgebieden buiten het NNN (onder andere ganzenfoerageergebied, weidevogelleefgebied).

Gemeentelijk beleid.

Het verkennend natuuronderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. De bureaustudie natuur is de eerste stap in de procedure. Afhankelijk van het resultaat moeten de navolgende stappen al dan niet worden doorlopen. In voorliggend onderzoek heeft een eerste toetsing plaatsgevonden op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders van de provincie.

1.2

Ligging plangebied en voorgenomen activiteiten

Het station Hessenpoort is gelegen aan de Berkermerbroekweg in Zwolle. Het huidige station bestaat uit een 380 kV en een 110/220 kV station. De werkzaamheden bestaan uit de realisatie van een nieuw 110 kV station ten noorden van het bestaande 220 kV station Hessenweg, een uitbreiding van het bestaande 380 kV station in zuidelijke richting en een wijziging van de verbinding naar het 380 kV station. In figuur 1.1 is de locatie van het onderzoeksgebied weergegeven.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 4/31

Figuur 1.1 Onderzoeksgebied locatie hoogspanningsstation te Zwolle (blauwe kader).

In het concept vlekkenplan hieronder is met geel de betreffende locaties aangegeven. De Gemeente Zwolle heeft natuuronderzoek laten uitvoeren naar een aantal van de aanwezige bospercelen. De uitkomsten van het onderzoek zijn verwerkt in voorliggende Natuuronderzoek. Grofweg bestaan de werkzaamheden uit twee delen: uitbreiding 380 kV station en de realisatie van een nieuw 110 kV station. Hieronder is voor beide werkzaamheden een beschrijving weergegeven.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 5/31

Figuur 1.2 Locaties van de betreffende werkzaamheden met geel omkaderd. Werkzaamheden aan de masten zijn met rood weergegeven.

Uitbreiding 380 kV station Het 380 kV station wordt naar het zuiden toe uitgebreid. Het te onderzoeken terrein bestaat uit grasland, een weg en een bosschage. De verbinding vanuit het oosten wordt omgezwaaid van het huidige station naar het nieuwe 380 kV deel. Nieuw 110 kV station Ten noorden van de Berkummerbroekweg komt een nieuw 110 kV station van TenneT en Enexis. Het terrein bestaat uit landbouwgrond met enkele sloten en is ingeklemd tussen het spoor aan de westzijde, de hoogspanningsverbinding aan de oostzijde en de watergang aan de noordzijde.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 6/31

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000gebieden

2.1

Toetsingskader

Bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn er instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- en verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningsplicht voor projecten die significant negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudings-doelstellingen voor het betreffende Natura 2000gebied niet in het geding zijn.

Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. In de navolgende paragrafen is verkend of er effecten op kunnen treden op Natura 2000-gebieden op basis van de ligging van het projectgebied en de reikwijdte van de effecten. Indien op basis van deze verkenning effecten niet op voorhand met zekerheid zijn uit te sluiten, kunnen de volgende vervolgstappen aan de orde zijn: •

Voortoets: geeft een aanwijzing over de mogelijke negatieve effecten van een plan of project op Natura 2000-gebieden. Uit de voortoets volgt ook welke vervolgstappen nodig zijn. Soms blijkt uit de voortoets dat er zeker geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden zijn. Dan is er geen vergunningsplicht en de initiatiefnemer hoeft verder niets te doen. Als er wel mogelijke significant negatieve effecten zijn, volgt een passende beoordeling.

•

Passende Beoordeling: beoordeling of significante gevolgen van het plan of project zijn uit te sluiten, rekening houdend met de instandhoudings-doelstellingen. In een passende boordeling mag rekening gehouden worden met mitigerende maatregelen. Als significante gevolgen niet zijn uit te sluiten, volgt een ADC-toets.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 7/31

•

2.2

ADC-toets: aangetoond dient te worden dat er geen alternatieven zijn met minder effecten, er sprake is Dwingende redenen van groot openbaar belang en in Compensatie is voorzien.

Inventarisatie

Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (Habitatrichtlijn) op circa 850 m afstand tot het plangebied. Een overzicht van de ligging van het plangebied ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is weergegeven in figuur 2.1.

Figuur 2.1 Globale ligging onderzoeksgebied (rood omcirkeld) t.o.v. Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht.

2.3

Analyse van de mogelijke effecten

Het plangebied ligt nergens binnen Natura 2000-gebied waardoor directe aantasting zoals oppervlakteverlies en versnippering van een Natura 2000gebied is niet aan de orde is.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 8/31

Het plangebied ligt ook buiten de verstoringsafstand (van maximaal enkele honderden meters) van verstoringsgevoelige dieren voor beweging, geluid, trilling en licht en ligt de N340 nog tussen het plangebied en het betreffende Natura 2000-gebied. Hierdoor is geen sprake van merkbare extra verstoring op de omliggende Natura 2000-gebieden. Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is aangewezen voor stikstofgevoelige habitattypen. Om te kunnen bepalen of er projectgebonden stikstofdepositie plaatsvindt op omliggende Natura 2000-gebieden dient een berekening uitgevoerd te worden met het rekenmodel AERIUS. Als uit het rekenmodel blijkt dat er een verhoging van stikstofdepositie ontstaat op kwetsbare habitattypen moet bepaald worden welke ecologische effecten dit heeft en of het leidt tot verslechtering of afname van de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden (vervolg: Voortoets). Als enig effect op voorhand niet kan worden uitgesloten moet een vergunning aangevraagd worden bij het bevoegd gezag en moet worden voldaan aan de benodigde mitigatie en compensatie (vervolg: Passende Beoordeling). Huidige inrichting van het plangebied betreft agrarisch grasland, waardoor er mogelijk kansen liggen voor interne saldering.

2.4

Conclusie

Voorliggende rapportage beoordeelt zowel het effect van de aanlegfase als de gebruiksfase. Voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase dient een berekening met de Aeriuscalculator uitgevoerd te worden om te kunnen bepalen of en eventueel hoeveel stikstof depositie wordt veroorzaakt op de omliggende Natura 2000-gebieden. Voor het uitvoeren van de stikstofberekening dient gebruik te worden gemaakt van de Aerius calculator. Bij een melding of vergunningaanvraag dient deze berekening te worden bijgevoegd. Bij een vergunningaanvraag zal door het bevoegd gezag worden bepaald of er nog ontwikkelingsruimte beschikbaar is voor de toename van stikstof voor de betreffende habitattypen of soorten. Op basis daarvan zal worden bepaald of een vergunning kan worden verleend.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 9/31

3

Wet natuurbescherming: Soortenbescherming

3.1

Toetsingskader

In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.): lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.): lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 10/31

Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Met artikel 3.31, lid d van de Regeling natuurbescherming wordt een dergelijke vrijstelling gegeven. De vrijstelling geldt voor handelingen en projecten ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen of inrichting van gebieden als genoemd in artikel 1.3, eerste lid van het Besluit natuurbescherming.

Het betreft hier handelingen en projecten binnen de categorieën: hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 220 kV en de daarmee verbonden schakelen transformatorstations en andere hulpmiddelen. De diersoorten waarop de vrijstelling ziet, worden genoemd in tabel 1. Tabel 1

Vrijgestelde soorten behorende bij artikel 3.31, eerste lid van de Regeling natuurbescherming

Zoogdieren

Amfibieën

Aardmuis

Bruine kikker

Bosmuis

Gewone pad

Bunzing

Kleine watersalamander

Dwergmuis

Meerkikker

Dwergspitsmuis

Middelste groene kikker

Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 11/31

Binnen de Provincie Overijssel vallen de vermelde soorten in tabel 2 onder de vrijstellingsregeling voor de art. 3.10 soorten voor de werkzaamheden aan de installaties tot 220 kV. Tabel 2

Vrijgestelde art. 3.10 soorten Provincie Overijssel

Zoogdieren

Amfibieën

Aardmuis

Bruine kikker

Bosmuis

Gewone pad

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Dwergspitsmuis

Meerkikker

Gewone bosspitsmuis

Bastaardkikker

Haas Huisspitsmuis Konijn ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat

Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de nieuwe wet geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.

3.2

Methode

Bronnenonderzoek De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. De inventarisatie bestaat uit een bronnenonderzoek, en habitatgeschiktheid beoordeling. Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en de ruime omgeving er om heen. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: •

NDFF (2017 - 2022).

•

Soortenatlassen.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 12/31

•

Natuurtoets Hoogspanningsstation Hessenweg Zwolle Toetsing Wet natuurbescherming en NNN (Antea, 0480775.100, 24 januari 2023) Gericht op drie bospercelen in het zoekgebied.

•

Nader onderzoek ecologie Hoogspanningsstation Hessenweg Zwolle (Antea, 0480775.100, 27 februari 2023) Gericht op aanwezigheid vleermuisverblijven en jaarrond beschermde nesten in drie bospercelen in het zoekgebied.

•

Nader onderzoek ecologie Hoogspanningsstation Hessenweg Zwolle Nader onderzoek marterachtigen en jaarrond beschermde nesten (Antea 0480775.100, 16 juni 2023) Gericht op gebruik nest in zuidoostelijk bosperceel en op marterverblijven in de drie bospercelen in het zoekgebied.

Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van beschikbare gegevens en een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in de plangebieden (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaats gevonden op 12 mei 2023 door een deskundig ecoloog van Sweco. Tijdens het veldbezoek was het zonnig weer met 15 graden Celsius met een noordoostelijke wind met kracht 2. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling is een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed wordt of kunnen worden door de voorgenomen activiteit. Hieruit is duidelijk geworden voor welke soort(groepen) nader (veld)onderzoek en eventueel het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wnb aan de orde is. Het onderzoek heeft zich beperkt tot op grond van de Wet natuurbescherming beschermde planten- en diersoorten. Nietbeschermde Rode lijst-soorten die in de plangebieden (kunnen) voorkomen, zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten, zijn niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wnb. Zij kunnen echter wel worden benoemd ten behoeve van bovenwettelijke maatregelen.

3.3

Voorkomende ecotopen

De voorkomende ecotopen binnen het onderzoeksgebied zijn bepaald op basis het veldbezoek. De volgende ecotopen zijn aanwezig binnen het onderzoeksgebied: •

Agrarisch grasland.

•

Agrarisch akkerland.

•

Hoogspanningsmasten in grasland.

•

Landbouwsloten met kale oevers.

•

Bredere watergang met ondergedoken vegetatie.

•

Grasbermen met maaibeheer.

•

Spoorsloot met ruigte en bosjes.

•

Drie bospercelen met jong bos.

•

Particulier woonhuis (agrarisch bedrijf).

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 13/31

Figuur 3.1 Foto-impressie plangebied.

3.4

Planten

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten (NDFF, 2018-2023). Tevens zijn tijdens eerdere onderzoeken (Antea, 2023) geen beschermde soorten planten aangetroffen.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 14/31

Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Wel zijn de volgende soorten aangetroffen tijdens het veldbezoek in de graslanden en langs watergangen: smalle weegbree, rode klaver, gewone hoornbloem, smeerwortel, brandnetel, paardenbloem, gewoon speenkruid, fluitekruid, brede orchis, gewone boterbloem, zevenblad, hondsdraf. Langs het spoor is de soort holpijp, pitrus, echte koekoeksbloem, waterzuring en opslag van wilg. Langs de bosjes zijn vooral soorten aanwezig als braam, hondsdraf, brandnetel en kleefkruid, wat duidt op een voedselrijke ondergrond. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Het gehele plangebied is omgeven door landbouwgebied en jong bos en lijkt op basis van beschikbare informatie relatief voedselrijk te zijn. Aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van beschermde planten is niet nodig omdat geen beschermde plantensoorten binnen het plangebied voorkomen. Voor planten hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.

3.5

Vleermuizen

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Nabij het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van vleermuizen (NDFF, 2018-2023). Volgens actuele verspreidingsgegevens kunnen diverse vleermuissoorten voorkomen binnen en nabij het plangebied, waaronder gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis en laatvlieger. Vleermuizen onderscheiden drie functies van het leefgebied: •

Verblijfplaatsen.

•

Vliegroutes.

•

Foerageergebied.

Voor vliegroutes en foerageergebied geldt dat deze uitsluitend beschermd zijn als ze essentieel zijn voor het functioneren van een verblijfplaats. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn ten allen tijde beschermd onder artikel 3.5 van de Habitatrichtlijn (Wnb.). Binnen het plangebied zijn meerdere structuren aanwezig die mogelijk kunnen dienen als vliegroute of foerageergebied. Het betreft hier de oevers van bredere watergangen, de bospercelen en de spoorlijn. Verblijven van vleermuizen bevinden zich met name in bebouwing of in bomen. Binnen het onderzoeksgebied is aan de oostzijde een woonhuis aanwezig. Als in deze bebouwing geschikte invliegopening aanwezig zijn, is het mogelijk dat de bebouwing wordt gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats. Dit geldt ook voor bomen in de aanwezige bospercelen als deze geschikte holtes bevatten. Holtes in bomen zijn niet vastgesteld, maar ten tijde van het onderzoek zat er veel blad in de bomen. De bomen waren veelal dun en ongeschikt voor holtes. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Binnen het plangebied kunnen meerdere soorten vleermuizen voorkomen. Het aanwezige woonhuis aan de oostzijde van het onderzoeksgebied kan mogelijk dienen als vaste rust- en verblijfplaats. Als deze gesloopt wordt dient een aanvullende inspectie uitgevoerd te worden om te beoordelen of er potentieel geschikte invliegopeningen aanwezig zijn.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 15/31

De aanwezige bomen bevatten geen vleermuisverblijven doordat potentieel geschikte holtes ontbreken (Antea, februari 2023 en Sweco 2023). Wel kunnen de bomen als foerageergebied worden gebruikt. Echter zal dit naar verwachting niet essentieel zijn door de beperkte omvang van de bospercelen. Doordat er geen gebouwen worden gesloopt zullen naar verwachting geen negatieve effecten plaatsvinden op vleermuizen. Verblijven en of vliegroutes verdwijnen dan namelijk niet. Wel kan mogelijk een klein deel foerageergebied verdwijnen, maar door het ruime beschikbare areaal in de omgeving is dit naar verwachting niet essentieel. Tijdens zowel de realisatiefase als de nieuwe situatie moeten aanvullende maatregelen getroffen worden om negatieve effecten te voorkomen, wat voornamelijk inhoudt dat zo veel mogelijk wordt gewerkt na zonsopkomst en voor zonsondergang om het gebruik van kunstlicht zoveel mogelijk te beperken. Als het gebruik van kunstlicht noodzakelijk is moet deze dusdanig worden afgesteld dat in de periode april t/m oktober omliggende gebouwen, bomen en bosschages niet beschenen kunnen worden tussen één uur voor zonsondergang en één uur na zonsopkomst. Voor eventuele nieuwe permanente lichtbronnen dienen speciale armaturen te worden gebruikt.

Indien het treffen van deze maatregelen niet mogelijk is dan dient er aanvullende onderzoek naar vleermuizen plaats te vinden, een ontheffing Wet natuurbescherming is mogelijk nodig.

3.6

Grondgebonden zoogdieren

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de art. 3.10 soorten bever, bunzing, das, eekhoorn, egel, bunzing, hermelijn, wezel, haas, konijn, ree, steenmarter en de art. 3.5 soort otter (NDFF, 2018-2023). Haas, konijn en ree zijn vrijgesteld in de Provincie Overijssel voor de 110 kV delen en zijn de haas, konijn en ree, egel en hermelijn, bunzing en wezel vrijgesteld onder de regeling Natuurbescherming (voor de 380 kV delen. Op basis van verspreidingsgegevens kan ook de boommarter mogelijk voorkomen binnen het plangebied (verspreidingsatlas.nl). De aanwezige bosjes bieden beschutting en kunnen mogelijk dienen als potentiële locatie voor een verblijfplaats van zoogdieren. Agrarische gras- en akkerlanden zijn belangrijke foerageergebieden voor soorten als de das. In het meest oostelijke bosje is één hol aangetroffen onder aanwezige boomwortels, maar zijn geen sporen aanwezig van recent gebruik en er zaten spinnenwebben voor de ingang. In figuur 3.2 is een foto weergegeven van het betreffende hol.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 16/31

Figuur 3.2 Aangetroffen hol zonder gebruikssporen

De bosjes kunnen mogelijk een functie hebben als leefgebied voor de boommarter, omdat de ondergroei in de bosjes mogelijk kan dienen als schuil-, en rustplaatsen. Voor de bever is geen geschikt leefgebied en of verblijfplaatsen aanwezig waardoor de aanwezigheid van de bever kan worden uitgesloten. De ondergroei, takkenhopen en ruigte in de aanwezige bosjes kan dienen als verblijfplaats voor hermelijn, bunzing en wezel. Daarnaast zijn de bosjes geschikt als foerageergebied. Voor de das geldt dat in de aanwezige bosjes veel beschutting aanwezig is. Door de hoge waterstanden en het ontbreken van reliëf zijn binnen de aanwezige bospercelen geen geschikte condities aanwezig voor verblijfplaatsen van de das. Geschikte holen zijn dan ook niet aangetroffen tijdens het veldbezoek. Wel kunnen de open graslanden gebruikt worden als foerageergebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen eekhoornnesten aangetroffen, waardoor langdurig verblijf binnen het plangebied kan worden uitgesloten.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 17/31

Egels kunnen de bospercelen gebruiken om te foerageren en te rusten/ schuilen. Aanwezigheid van egel is dus niet uit te sluiten, maar maken de bospercelen uit van de ontwikkeling voor de 380 kV delen, waardoor de egels in de bospercelen zijn vrijgesteld. Steenmarters kunnen de ruigte en bomen van de aanwezige bospercelen gebruiken als rust en schuilgelegenheid, maar kunnen hier ook foerageren. De otter leeft rond water met veel schuilmogelijkheden. Door de vele menselijke activiteit in de omgeving van het onderzoeksgebied en de beperkt aanwezigheid van water ligt het niet in de verwachting dat de soort lang verblijft binnen het plangebied. Er zijn dan ook geen verblijfplaatsen of spraints aangetroffen. Wel kunnen otters de bredere watergangen benutten als migratieroute. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Boommarter, egel, steenmarter, hermelijn kunnen mogelijk een verblijfplaats hebben binnen één van de bospercelen. Omdat de bospercelen onder de ontwikkelingen van de 380 kV delen vallen, zijn hier ook de egel, bunzing, wezel en hermelijn vrijgesteld. Tijdens het veldbezoek zijn op meerdere locaties takkenhopen en ondergroei aangetroffen waar mogelijk deze soorten in kunnen verblijven. Het aangetroffen hol wordt niet gebruikt (geen sporen aangetroffen).

Voorafgaand aan de kap van het met aanvullend onderzoek bepaald te worden welke functie deze hebben voor mogelijk aanwezige beschermde zoogdieren zoals boommarter. In de aanwezige bospercelen zijn geen dassenburchten aanwezig of te verwachten in de nabije toekomst, maar wel kan het omliggend agrarische akker- en grasland kan door de soort benut worden als foerageergebied. Voor het foerageergebied geldt dat ook na de werkzaamheden in de directe omgeving veel agrarische akker- en graslanden aanwezig blijven, waardoor voldoende alternatief areaal beschikbaar is. Voor otter geldt dat deze uitsluitend het plangebied passeert door middel van de aanwezige bredere watergangen. Als deze niet worden aangetast en de zorgplicht in acht wordt genomen zullen geen negatieve effecten op otters plaatsvinden. Voor zowel beschermde, vrijgestelde als niet beschermde soorten geldt de zorgplicht, wat voornamelijk inhoudt dat aanwezige dieren de gelegenheid moeten krijgen het plangebied te kunnen verlaten. Door de volgende maatregelen te treffen worden negatieve effecten voorkomen: •

Werken na zonsopkomst en voor zonsondergang.

•

Één kant op werken in de richting van geschikte schuilgelegenheden (bosschages, bos of ruigte).

•

Bij het aantreffen van een beschermd dier dient een deskundig ecoloog ingeschakeld te worden.

3.7

Vogels

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Alle in Nederland broedende vogels zijn tijdens het broeden beschermd (art. 3.1). Voorafgaand aan de verstorende werkzaamheden binnen het broedseizoen (circa half maart tot half juli), is het uitvoeren van een broedvogelcontrole noodzakelijk. Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 18/31

De Wet natuurbescherming erkent officieel geen broedseizoen. Er zijn soorten die al (ruim) voor half maart kunnen en/of beginnen met broeden, zoals houtduif, bosuil (december/januari) en blauwe reiger (februari/maart). Vogels met jaarrond beschermde nesten zijn ingedeeld in 5 categorieën, waarbij de nesten van categorie 1- tot en met 4-soorten altijd jaarrond beschermd zijn. Categorie 5-soorten hebben enkel een jaarrond beschermd nest wanneer er een zwaarwegend ecologisch belang is om het nest wel jaarrond te beschermen. Op de volgende categorieën gelden in principe de verbodsbepalingen van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming het gehele jaar: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing.

De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd op de volgende categorie gelden in principe de verbodsbepalingen van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming uitsluitend tijdens het broedseizoen: 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Er zijn binnen het plangebied waarnemingen bekend van de vogelsoorten boom- en torenvalk met een jaarrond beschermde nestplaats (NDFF 20182023). De gegevens van de NDFF aangevuld met verspreidingsgegeven geven een beeld van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats die mogelijk kunnen broeden in het plangebied.

De volgende vogels met jaarrond beschermde nestplaats kunnen binnen het plangebied tot broeden komen: boerenzwaluw, boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, ooievaar, raaf, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, torenvalk, wespendief, zeearend en zwarte wouw. In het bosperceel aan het noordoosten van het plangebied zijn meerdere nesten aangetroffen, waarvan 3 aan de zuidrand het gebruik hiervan kon niet worden vastgesteld. Tevens was er een nest in het bosperceel aan de zuidwestzijde aanwezig. Dit nest was in gebruik, maar de vogelsoort kon niet worden vastgesteld. In het zuidoostelijk gelegen bosperceel was ten tijde van het veldbezoek ook een nest aanwezig, waarvan het gebruik niet kon worden vastgesteld. In de te amoveren hoogspanningsmast aan de oostzijde van het station is een nest van torenvalk aangetroffen.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 19/31

Tijdens het veldbezoek was dit nest in gebruik. Het was zichtbaar hoe een aantal kraaien werden verjaagd door de torenvalk. Het nest bevindt zich in de eerste traverse tegen het mastlichaam aan de zuidzijde. Het plangebied heeft geen geschikte broedlocaties voor gebouwbroedende vogels zoals huismus en gierzwaluw door het ontbreken van geschikte daken. Daarnaast blijven de aanwezige opstallen intact. In figuur 3.3 zijn de globale locaties van de nesten weergegeven en in figuur 3.4 het nest van de torenvalk in de te amoveren hoogspanningsmast.

Figuur 3.3 Globale locaties van aanwezig potentieel jaarrond beschermde nesten in rood en de locatie van het torenvalk nest in de te amoveren mast in oranje.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 20/31

Figuur 3.4 Locatie van het aanwezige torenvalk nest (rood omcirkeld).

Analyse en toetsing van mogelijke effecten Verstoring van vogels treedt op wanneer er werkzaamheden uitgevoerd worden in de nabijheid van broedende vogels in en rondom het plangebied. Het betreft binnen dit project broedende vogels in de aanwezige ruigtepercelen, bosperceel en weidevogels in verruigd grasland. Door voor de realisatie buiten het broedseizoen te werken, wordt verstoring van algemene broedvogels voorkomen. De broedperiode loopt globaal van half maart tot begin augustus waardoor gewerkt kan worden in de periode van augustus tot en halverwege maart. Als niet voorkomen kan worden om in het broedseizoen te werken dient kort voor de uitvoering gecontroleerd te worden of sprake is van broedgevallen binnen de verstoringsafstand van de werkzaamheden. Als dit het geval is moet worden gewacht tot de jongen het nest verlaten hebben. Voor alle bospercelen geldt dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is naar het gebruik van de aanwezige nesten, als deze bospercelen gekapt worden. Tevens moet voor het amoveren van de hoogspanningsmast ontheffing aangevraagd worden voor het aanwezige nest van torenvalk.

3.8

Amfibieën en Reptielen

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de art. 3.10 soorten bastaardkikker, bruine kikker en kleine watersalamander (NDFF, 2017-2022). Alle soorten zijn vrijgesteld in de provincie Overijssel en onder de regeling natuurbescherming. Wel valt het plangebied binnen het verspreidingsgebied van de art. 3.5 soort poelkikker.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 21/31

Analyse en toetsing van mogelijke effecten Binnen het plangebied zijn uitsluitend waarnemingen bekend van vrijgestelde art. 3.10 soorten amfibieën. Wel valt het plangebied binnen het verspreidingsgebied van de art.3.5 beschermde poelkikker. Het overgrote deel van het plangebied is omringd met agrarische percelen en zijn voedselrijk met weinig tot geen oeverbegroeiing. Daarnaast zijn de meest dichtbij gelegen waarnemingen op ruim 2 km afstand tot het plangebied. Wegens deze afstand en het suboptimaal aanwezig habitat wordt deze soort niet in het plangebied verwacht. Daarnaast is de zorgplicht van kracht voor zowel beschermde als vrijgestelde soorten die het plangebied passeren. Dit houdt voornamelijk in dat de werkwijze zo gekozen wordt dat aanwezige dieren altijd het plangebied moeten kunnen verlaten. Voor het dempen van sloten houdt dit in dat er altijd gewerkt moet worden in de richting van open water of op zijn minst in de richting van vluchtgelegenheid/schuilplaatsen en of dekking.

3.9

Vissen

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Nabij het plangebied is een waarneming bekend van de art. 3.10 soort grote modderkruiper (NDFF, 2018-2023). De waarneming is afkomstig van een watergang aan de noordoostzijde in een aanwezige watergang. Er zijn binnen het onderzoeksgebied meerdere watergangen die watervoerend zijn en mogelijk geschikt habitat voor de soort bevatten. De watergangen kunnen tevens geschikt habitat bieden voor andere algemeen voorkomende soorten zoals voorn, baars, brasem, bittervoorn, snoek, enzovoort. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Er zijn in de buurt van het plangebied waarnemingen bekend van de art. 3.10 soort grote modderkruiper. De watergangen rondom de bospercelen bevatten weinig slib dus zijn ongeschikt voor de grote modderkruiper. Wel zijn de watergangen binnen het onderzoeksgebied mogelijk geschikt. Deze watergangen zijn weergegeven in afbeelding 3.4. Als deze watergangen worden gedempt moet hier aanvullend veldonderzoek uitgevoerd te worden om de aanwezigheid volledig te kunnen uitsluiten of aantonen. Het meest praktische onderzoek hiervoor is door gebruik te maken van eDNA. Als blijkt dat de soort aanwezig is dient aanvullend een ontheffing te worden aangevraagd voor de Wet natuurbescherming voor het dempen van de sloot of watergang.

Indien alleen een watergang gekruist wordt met een dam en duiker of een deel van de oever wordt vergraven, is het mogelijk te werken met mitigerende maatregelen om negatieve effecten te voorkomen. Er is dan namelijk geen sprake van verlies van leefgebied en is geen ontheffing nodig.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 22/31

Figuur 3.4 Watergangen met potentieel leefgebied grote modderkruiper groen gemarkeerd.

3.10 Ongewervelden Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde kevers, vlinders of libellen (NDFF, 2018-2023). Beschermde ongewervelden eisen een specifiek habitat en de aanwezigheid van waardplanten. Op grotere afstand zijn waarnemingen bekend van beekrombout, kempense heidelibel en sierlijke witsnuitlibel. Door de habitatseisen van deze soorten komen deze niet voor binnen het plangebied (Antea, 2023). Tijdens het veldbezoek zijn waarnemingen gedaan van het oranjetipje en de bruine korenbout (beide niet beschermd). Analyse en toetsing van mogelijke effecten Binnen of in de directe omgeving van het plangebied is voornamelijk agrarisch akker- of grasland aanwezig wat geen geschikt leefgebied betreft, dus zullen geen negatieve effecten ontstaan voor beschermde kevers, libellen en vlinders.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 23/31

4

Natuurbeleidskaders

4.1

Toetsingskader

Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd bestaat uit: •

4.2

Provinciaal beleid: •

Natuurnetwerk Nederland (NNN);

•

NNN-beheergebieden, Natuurgebieden buiten het NNN (onder andere ganzenfoerageergebied, weidevogelkansgebied en Weidevogelparels).

Natuurnetwerk Nederland

Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het ‘nee, tenzij-principe’. In onderstaand schema is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. Een ’nee, tenzij-toets’ behoeft alleen te worden doorlopen indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.

Inventarisatie Het plangebied ligt buiten de begrenzing van NNN Overijssel. In figuur 4.1 is de globale ligging van het plangebied weergegeven ten opzichte van de meest dichtbijgelegen NNN gebieden.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 24/31

Figuur 4.1 Het onderzoeksgebied rood omcirkeld ten opzichte van Natuur Netwerk Overijssel in groen.

Overige gebieden buiten het NNN De aanwezige bospercelen vallen onder beschermde Bos en natuurgebieden buiten de NNN (art. 2.8.1 en 2.8.2 van de omgevingsverordening Overijssel) omdat deze percelen de bestemming bos hebben. De aanwezige bospercelen aangewezen als natuurbeheertype N16.03 Droog bos met productie en is een kleine strook met natuurbeheertype L01.16 Bossingel en L01.02 Houtwal en houtsingel aanwezig. In figuur 4.2 is de ligging van het plangebied weergegeven ten opzichte van de natuurbeheertypen N16.03, L01.16 en L01.02.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 25/31

Figuur 4.2 Het onderzoeksgebied ten opzichte van beheertypen N16.03 (bruin), L01.16 (lichtgroen) en L01.02 (donkergroen).

Analyse en toetsing effecten Het plangebied bevindt zich buiten de begrenzing van NNN Overijssel. De kernwaarden van NNN Overijssel zullen niet worden aangetast. Negatieve effecten zijn niet te verwachten. Wel vallen de bospercelen en een aantal singels binnen het onderzoeksgebied onder een natuurbeheertype (N16.03, L01.16, L01.02). De bospercelen vallen onder Bos en natuurgebieden buiten het NNN omdat ze in het bestemmingsplan de bestemming bos hebben. Wanneer er een bestemmingplanwijziging (RO-procedure) nodig is dient het nee tenzij principe te worden doorlopen.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 26/31

5

Conclusie

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming Het plangebied ligt nergens binnen Natura 2000-gebied waardoor directe aantasting zoals oppervlakteverlies en versnippering van een Natura 2000gebied is niet aan de orde is. Het plangebied ligt ook buiten de afstand van enkele honderden meters waarbinnen verstoring van verstoringsgevoelige dieren kan plaatsvinden. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied (Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht op ca. 850 m) is stikstofgevoelig. Voor de werkzaamheden dient een Aeriusberekening uitgevoerd te worden om te bepalen hoeveel additionele stikstofdepositie plaatsvindt op de omliggende Natura 2000-gebieden. Afhankelijk van de uitkomst is nog aanvullende ecologische toetsing nodig of niet. In de nieuwe situatie is geen sprake van een verhoging van stikstofdepositie. Soortenbescherming Binnen of in de omgeving van het plangebied kunnen mogelijk beschermde soorten voorkomen zoals diverse vleermuissoorten en broedvogels. Voor deze soortgroepen geldt dat er geen negatieve effecten plaatsvinden als geen bomen gekapt worden en gewerkt wordt buiten het broedseizoen. Als de aanwezige bospercelen gekapt worden moet aanvullend onderzoek plaatsvinden naar de aanwezige potentieel jaarrond beschermde nesten. Tevens moet ontheffing worden aangevraagd voor het nest van torenvalk in de te amoveren hoogspanningsmast.

Voor vleermuizen geldt dat als er onverhoopt toch een opstal gesloopt wordt deze geïnspecteerd dient te worden op mogelijke invliegopeningen, tijdens het veldbezoek en het uitgevoerde onderzoek van Ante (februari 2023) zijn geen holtes aangetroffen. Om verstoring van migrerende, overvliegende of foeragerende vleermuizen te voorkomen, dienen de werkzaamheden zo veel als mogelijk overdag uitgevoerd te worden en dient waar mogelijk tussen zonsondergang en zonsopgang geen directe werkverlichting of strooiverlichting (met uitzondering van voertuigen) toegepast te worden, die op bosjes, bomen en gebouwen kan schijnen. Op basis van bekende waarnemingen en actuele verspreidingsgegevens kunnen de volgende beschermde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn: das, boommarter, egel, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, egel poelkikker en grote modderkruiper. Voor de boommarter, egel, steenmarter, bunzing, hermelijn, egel en wezel geldt dat de aanwezige bospercelen een functie kunnen hebben als foerageergebied of als schuil/verblijfplaats. Van deze soorten zijn bunzing, egel, hermelijn en wezel vrijgesteld onder art. 3.31 lid d, van de Regeling natuurbescherming binnen de ontwikkelingen ten behoeve van 380 kV installaties, waar de bospercelen onder vallen. In de overige deelgebieden van het plangebied zijn is geen geschikte locatie aanwezig voor verblijfplaatsen van deze soorten.

Ondanks dat geen gebruikte holen zijn aangetroffen zijn er wel op meerdere plaatsen ruigte en ophoping van organisch materiaal aanwezig dat kan dienen als schuilplaats. Voorafgaand aan de kap van de bospercelen dient aanvullend onderzoek naar deze grondgebonden zoogdieren uitgevoerd worden om het gebruik van de bospercelen te kunnen vaststellen.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 27/31

Voor de das is geen geschikte locatie aanwezig binnen het plangebied voor een burcht en of vluchtpijpen. Wel kan er mogelijk gefoerageerd worden, maar er is in de directe omgeving veel alternatief agrarisch grasland waar de soort naar kan uitwijken. Daarnaast kan de aanwezigheid van beschermde flora worden uitgesloten en is geen aanvullend onderzoek nodig. Voor de grote modderkruiper geldt dat als er mogelijk geschikte watergangen worden gedempt hier aanvullend onderzoek moet plaatsvinden naar het voorkomen van de soort. Mocht aanvullend onderzoek naar één van deze soorten nodig zijn voor het dempen van watergangen is eDNA een efficiënte manier om aanwezigheid aan te kunnen tonen of uit te kunnen sluiten. Wegens de grote afstand tot de meest dichtbijgelegen waarneming van poelkikker en het suboptimale habitat binnen het plangebied is deze soort hier niet te verwachten. Om verstoring van broedende vogels te voorkomen zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd moeten worden in de periode van begin augustus tot halverwege maart. Als niet voorkomen kan worden om in het broedseizoen te werken dient kort voor de uitvoering gecontroleerd te worden of sprake is van broedgevallen binnen de verstoringsafstand. Als dit het geval is moet worden gewacht tot de jongen uitgevlogen zijn.

Zorgplicht Voor eventueel aanwezige algemene (vrijgestelde) soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Hiervoor geldt wel de zorgplicht, wat betekent dat nadelige gevolgen voor planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Aanwezige dieren dienen in de gelegenheid gesteld te worden het plangebied te verlaten. Natuurbeleidskaders Natuurnetwerk Nederland Binnen het plangebied vallen een aantal bospercelen onder de NNN als N16.03. Als deze gekapt worden of wanneer een bestemmingplanwijziging (RO-procedure) nodig is dient het nee tenzij principe te worden doorlopen.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 28/31

Samenvattende tabel Gebiedsbescherming

Effecten

Nader onderzoek

Nadere procedure / mitigerende maatregelen

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

Mogelijk stikstofdepositie

Aeriusberekening

Mogelijk Passende beoordeling en of vergunningsprocedure.

Soortenbescherming

Effecten

Nader onderzoek

Nadere procedure / mitigerende maatregelen

Planten

Geen

Geen

Geen

Vleermuizen

Bij bomenkap mogelijk vernietigen verblijfplaats

Bij bomenkap veldinspectie naar holtes

Bij aanwezigheid van holte: aanvullend onderzoek en mogelijk ontheffing

Verstoring vliegroute door gebruik van bouwverlichting en permanente verlichting

Indien mitigatie niet mogelijk is dient nader onderzoek uitgevoerd te worden.

(bouw)verlichting in de periode april t/m oktober niet op de omgeving richten tussen één uur voor zonsondergang en één uur voor zonsopkomst.

Overige zoogdieren

Verstoren of vernietigen verblijfplaatsen

Bij het kappen van de bospercelen aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen: boommarter, steenmarter

Mogelijk ontheffing

Vogels

Verstoring en aantasting nestplaatsen algemene broedvogels

Inspectie vooraf bij werken in broedseizoen

Werken tussen begin augustus en halverwege maart

Verstoring en aantasting jaarrond beschermde nestplaatsen

Voorafgaand aan kap van de bospercelen aanvullend onderzoek naar het gebruik van potentieel jaarrond beschermde nesten

Mogelijk ontheffing

Vernietiging nestplaats torenvalk bij amoveren hoogspanningsmast

Geen, gebruik reeds vastgesteld

Ontheffing

Amfibieën/ reptielen

Geen

Geen

Zorgplicht

Vissen

Bij demping potentieel geschikte watergangen, doden of verwonden exemplaren en verlies leefgebied

Bij dempen geschikte watergangen eDNA onderzoek

Mogelijk ontheffing

Algemeen voorkomende vissoorten

Geen

Zorgplicht

Geen

Geen

Geen

Ongewervelden

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 29/31

Natuurbeleidskaders

Effecten

Nader onderzoek

Nadere procedure / mitigerende maatregelen

Natuurnetwerk Nederland

Mogelijk aantasting beheertypen

Nee-tenzij toets bij een RO-procedure

Mogelijk afstemming bevoegd gezag en compensatie

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 30/31

6

Bronnenlijst •

Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), periode 2017-2022. Ingezien van https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/.

•

NDFF verspreidingsatlas. Ingezien van https://www.verspreidingsatlas.nl/.

•

Provincie Overijssel (2022), Natuurbeheerplan Overijssel 2023 via: https://services.geodataoverijssel.nl/viewer?service=Natuurbeheerplann en

•

Natuurtoets Hoogspanningsstation Hessenweg Zwolle Toetsing Wet natuurbescherming en NNN (Antea, 0480775.100, 24 januari 2023)

•

Nader onderzoek ecologie Hoogspanningsstation Hessenweg Zwolle (Antea, 0480775.100, 27 februari 2023)

•

Nader onderzoek ecologie Hoogspanningsstation Hessenweg Zwolle Nader onderzoek marterachtigen en jaarrond beschermde nesten (Antea 0480775.100, 16 juni 2023)

Websites •

SOVON www.sovon.nl.

•

RAVON www.ravon.nl.

•

Telmee www.telmee.nl.

•

Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl.

•

Ministerie van landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit www.natura2000.nl.

Sweco | Natuuronderzoek hoog- en middenspannings-station Zwolle Projectnummer: 51007895 Datum: 07-11-2023 Document referentie NL23-648800269-52897

Versie: D2 31/31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=8fb991a8-657a-41a6-ac34-b80bfb9c4045