4. De antwoorden op de vragen.
Tekst van het document
Alle vragen van het reactieformulier informele consultatieronde NOO
Wilt u reactie geven? 1. Wilt u een reactie geven op Hoofdstuk 1: 'De aanleiding van de omgevingsvisie'? 1. We lezen dat er een onderscheid gemaakt wordt tussen wettelijke taken en provinciale belangen en dat beide de inhoud van de omgevingsvisie vormgeven. Voor de lezer van de visie is het prettig te weten wat een wettelijke taak is en welk onderwerp een provinciaal belang. 2. We missen de milieueffectrapportage in dit concept. Juist die rapportage kan inzicht en helderheid verschaffen over de achtergronden van de keuzes die u maakt, vooral als het bijvoorbeeld gaat over de relatie tussen de (ontwikkeling van) de fysieke leefomgeving en brede welvaart. 3. Het betreft een visie op hoofdlijnen. U kiest ervoor om de uitwerking daarvan te doen via het instrument Programma uit de Omgevingswet. Graag trekken we hierin nauw samen met u op. Zoals al in ons begeleidend schrijven is aangegeven, liggen er tal van opgaven, en is de urgentie groot om daarvoor met concrete oplossingen te komen. Onze overtuiging is dat we als overheden (Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten) hierin gezamenlijk moeten optrekken, in samenwerking ook met onze externe partners. 4. Tegelijk uiten we ook onze zorgen. Programma's betreffen een uitwerking van de omgevingsvisie voor een thema, of een gebied. Ten behoeve daarvan moet de omgevingsvisie voldoende richting geven om koers te kunnen houden.
We hebben de vraag in hoeverre met de uitwerking van thema's in programma's de integraliteit gewaarborgd is en de koers van de omgevingsvisie blijft geborgd? Hoe komen we tot keuzes en tot prioritering vanuit het algemeen maatschappelijk belang en voorkomen we sectoraal denken? Juist een omgevingsvisie is daarvoor hét instrument, zoals de wetgever dat heeft bedoeld. Biedt de concept-POVI daarvoor voldoende houvast? Zoals u hebt kunnen lezen in onze begeleidende brief hebben we daar zorgen over in het licht van de opgaven waarvan samen en met het Rijk aan onze zijde (NOVEX) aan de lat staan. 5. In uw visie introduceert u de redeneerlijn. Ook daar hebben we al het één en ander over opgemerkt en ook later in dit reactieformulier stelt u daarover een vraag. In dit verband past de vraag hoe u de toepasbaarheid van de redeneerlijn ziet in het licht van het gegeven dat de uitwerking van uw omgevingsvisie zal plaatsvinden door middel van programma’s en daar nog wel enige tijd mee gemoeid is totdat deze programma’s zijn vastgesteld. We staan voor grote opgaven met urgentie, waarbij ook snelheid nodig is om tot realisatie te komen. Tot slot ook hier ons aanbod om al in een vroegtijdig stadium met u op te trekken als het gaat over het instrument Programma en de toepassing daarvan, mede ook in het licht van vorenstaande aandachtspunten. 6.
We zijn blij te lezen dat de omgevingsvisie geen blauwdruk is en ruimte biedt voor maatwerk en flexibiliteit. In het gesprek tussen gedeputeerde Liesbeth Grijsen en wethouder Rots op 21 december 2023 – in het kader van het input ophalen voor de omgevingsvisie – hebben we daar ook uitdrukkelijk toe opgeroepen. We zien dat deze oproep ook onderschreven wordt in uw brief van 4 juli 2024.
2. Wilt u een reactie geven op Hoofdstuk 2: 'Onze visie: Overijssel voor en met Elkaar!'? 1. In dit hoofdstuk worden de beleidsthema's geduid die verderop in uw omgevingsvisie nog een aantal keren worden genoemd en uitgewerkt. U stelt daar ook later in dit reactieformulier specifieke vragen over, waarop we dan per beleidsthema ingaan (hoofdstuk 6). Ook hebben we in ons begeleidend schrijven al verschillende aandachtspunten benoemd die ook raakvlakken hebben met wat u in hoofdstuk 2 hebt opgeschreven. 2. U stelt in hoofdstuk 2.3 van de visie dat we hebben om te gaan met grote uitdagingen en dat het zoeken naar balans daarbij het uitgangspunt is. U noemt vervolgens die uitdagingen door middel van een opsomming van alle opgaven/ambities. Vervolgens beschrijft u leidende principes, introduceert u de redeneerlijn en legt u een relatie met brede welvaart via een aantal rode draden. De aanpak en realisatie van de opgaven/ambities en het vinden van balans gebeurt volgens u langs deze drie lijnen. In hoofdstuk 3 en 4 van de visie werkt u dit vervolgens uit en onze reactie op het vorenstaande vindt u dan ook terug bij die hoofdstukken en ook in onze begeleidende brief hebben we hierover al het één en ander opgemerkt. 3.
In dit verband en dat geldt ook voor wat in hoofdstuk 6 staat, vragen wij ons af of de leidende principes, de redeneerlijn en de rode draden voldoende houvast bieden om tot keuzes en prioritering te komen. Hoewel we blij zijn te lezen dat u hierbij stuurt op doelen en in samenwerking doelen wilt halen, hebben wij ook enkele aandachtspunten die u in onze begeleidende brief leest en in onze reactie op uw vragen die hieraan verwant zijn. 4. Hoe voorkomen we een stapeling van opgaven, zodat we onze lokale-, en regionale, en provinciale puzzel niet kunnen leggen en vast blijven zitten in sectoraal denken en ambtelijke- en bestuurlijke drukte? We vinden dat een reële vraag en hebben daar oprechte zorgen over. In onze brief benoemen we dat ook. Er zijn tal van opgaven die nu om een oplossing vragen (zoals de woonopgave) en we hebben grote ambities voor 2050 als het bijvoorbeeld gaat om de energietransitie, circulaire economie en het klimaat. Dat zijn ook grensoverschrijdende opgaven en vraagt om te kijken naar het grotere systeemniveau. Hoe pakken we samen de opgaven van nu, straks en later aan? We zien graag dat u in uw visie meer dan nu het geval is daarop koerst. Dit is ook nodig om een volwaardige gesprekspartner te zijn voor het Rijk vanuit de grotere structurerende keuzes. 5.
Is voor zo’n koers niet een verkenning van de toekomst nodig, met trends en ontwikkelingen, zoals een demografische analyse? En kan een adaptief ontwikkelpad gezien de onzekere toekomst niet helpend in deze zijn, zodat we wendbaar zijn en kunnen manoeuvreren? Is de redeneerlijn naar uw mening het instrument hiervoor? 6. We sluiten onze reactie op deze vraag over hoofdstuk 2 af met enkele specifieke opmerkingen: o Bij het onderdeel ruimtelijke kwaliteit gaat het over het versterken van het contrast tussen dynamische en luwe gebieden. Om welke gebieden gaat het dan concreet en wat is de definitie daarvan? o Op bladzijde 36 paragraaf 2.6 staat in de puntsgewijze opsomming punt 1 ‘Inbreiding voor uitbreiding’. Dit punt lijkt niet eenvoudig te realiseren in combinatie met punt 2 (ruimte binnen de kom kwalitatief ontwikkelen) en 3 (hoogwaardige kwaliteit openbare ruimte, waarbij ruimte blijft voor open ruimte). We kunnen het vorenstaande onderschrijven, tegelijkertijd zijn we van mening dat alle buitenruimte een bijdrage kan leveren aan een hoogwaardige kwalitatieve leefomgeving. Ligt daar niet een extra uitdaging? Ook zijn er grenzen aan verdichten in relatie tot de kwaliteit
o o
o
o
o
o
o o
o
van de leefomgeving. Er lijkt een tegenstelling te zitten tussen de dominantie van het verdichten en de aandacht voor leefbaarheid, groen, klimaat, brede welvaart, rode draden. Verdichten vraagt daarnaast om stedelijk uitloopgebied voor ontspanning, ontmoeting en recreatie. Ook in de stad is groen, gezondheid, veiligheid, welzijn van belang! Wat zijn de argumenten die uitbreiding boven inbreiding op grond van de redeneerlijn rechtvaardigen? Op pagina 38 staat dat de visiekaarten voor energie nog worden toegevoegd. Is dat de kaart energie op pagina 3 uit de kaartenbijlage of wordt dit een andere kaart en wat behelst dan de verbeelding van die kaart? Er wordt op pagina 40 verwezen naar de energievisie die in ontwikkeling is. Naar onze mening is dit dan een uitwerking van de Omgevingsvisie via het instrument Programma uit de Omgevingswet behelzen. Klopt dit? In het systeem van de Omgevingswet zou dan in de omgevingsvisie uw ambitie en de koers op de energietransitie uitgezet moeten worden. Dit roept dan ook de vraag op over de samenhang tussen beide visies en de relatie met andere opgaven in het fysieke domein.
Graag op pagina 4 nieuwe tekst toevoegen “Terwijl er wordt gewerkt aan het besparen van energie, neemt de vraag naar elektriciteit tegelijkertijd toe, omdat veel bedrijven en huishoudens overstappen van gas op elektriciteit.” Ook zorgt de forse toename van elektrisch rijden/transport voor een sterk toenemende vraag, zowel in woonbuurten als bedrijventerreinen met veel logistiek. Daarnaast zijn er meer leidingen en kabels nodig, is er ook een forse toename van trafokasten en middenspanningsstations in met name stedelijk gebied. Ook zijn (grootschalige) batterijsopslag locaties nodig, evenals energie hubs, voor bijvoorbeeld het opladen van elektrische vrachtwagens. Tot slot moeten provinciebreed enkele nieuwe hoogspanningsstations gerealiseerd worden. In paragraaf 2.8 missen we de verwijzen naar de Regionale verstedelijkingsstrategie van de regio Zwolle. Verder lijkt het ons dat in de kop van deze paragraaf naast economie ook wonen wordt genoemd. Er wordt op pagina 41 opgemerkt dat na 2030 nog bijna een miljoen woningen in Nederland gebouwd moet worden. Voor welke periode is dit en wat is de visie van de provincie Overijssel hierop? We vinden het van waarde op pagina 43 te noemen dat Zwolle na Utrecht het grootste spoorknooppunt is van Nederland.
De context van de ligging van Overijssel en de waarde die juist ook (inter)nationale trein- en autoverbindingen hebben voor de aantrekkelijkheid van Overijssel wordt onvoldoende belicht.; Denk hierbij bijvoorbeeld aan de treinverbinding Zwolle – Enschede – Münster zowel op het gebied van toerisme, maar ook onderwijs en economie, de aanwezigheid van een internationale treinverbinding met station Deventer, of de impact van (het ontbreken van) directe en ook late treinverbindingen vanuit het westen met Zwolle, Deventer en Enschede. Maar ook de inzet (lobby) of ambitie ten aanzien van het verbeteren van de N35, de N50 of andere (Rijks)wegen in West-Overijsel of Twente lezen we niets. We zijn van mening dat de provincie een rol moet pakken bij (onderzoek naar) Hoogwaardig Openbaar Vervoer. HOV wordt echter niet benoemd als doel, opgave of als onderdeel van beleid. (H)OV lijnen zijn ook onderdeel van de regionale MIRTmaatregelen en verdienen dan ook plek in uw visie.
o
o
o
De provincie speelt een belangrijke rol bij de regionale hubs. De mobiliteitshubs worden, op één zin na, niet benoemd. Dat vinden we een gemiste kans. Ook omdat de regionale hubs onderdeel van de MIRT-maatregelen zijn. We vragen aandacht voor de verbinding energie(transitie) en de betekenis daarvan voor RO/economie/wonen. In deze POVI staat dat wonen en bedrijven er moeten komen en dat we dan ook voor energie moeten zorgen. Bij de energievisie die nu in de maak is, wordt ook de omgekeerde volgorde onderzocht, met alle consequenties van dien. In paragraaf 2.11 wordt een indeling gemaakt van Overijssel in gebieden. De gemeente Zwolle ligt in Noord West Overijssel. De focus ligt daar op de veenweideopgave. Naar onze mening moet deze grens niet te rigide gehanteerd worden. Het landelijk- en stedelijk gebied van Zwolle heeft nauwe verbindingen met het Vechtdal en Salland, te meer als we kijken naar de opgaven waar Zwolle voor staat, zoals bijvoorbeeld in Zwolle Oost (Verkenning Centuurbaanzone, uitwerking regionale sponsstrategie).
3. Wilt u een reactie geven op Hoofdstuk 3: 'Leidende principes en Redeneerlijn. Het Hart van onze omgevingsvisie!'? 1. De leidende principes zijn herkenbaar en stonden al in het Fundament. Ze sluiten ook nauw aan bij de centrale uitgangspunten van het Rijk zoals verwoord in de Contourennotitie nota Ruimte en het voorontwerp nota Ruimte. 2. Omdat u de leidende principes ook als afwegingskader wilt gaan gebruiken (paragraaf 2.4) roept dat de vraag op of leidende principes daarvoor bedoeld zijn. Zijn deze niet waardegedreven en complementair aan elkaar? Nu lijken ze te gaan concurreren en in de redeneerlijn zien we dat ook terug. Daar is sprake van een rangorde (minder/meer afwegingsruimte), waarbij ook opvalt dat sommige leidende principes niet in dezelfde bewoordingen terugkomen (water en bodem sturend), of niet genoemd worden (inzetten op krachtige DUS-regio’s als tenzij). Ook zien we een ander leidend principe opdoemen in de kolom: “Landgebruik dat afhankelijk is van specifieke natuurlijke omstandigheden”. Hoe verhoudt ‘dit principe’ zich met het leidende principe: “Duurzaam omgaan met ruimte en voorraden”. Daarnaast is een onderdeel van een afweging ook te bezien of en waar er alternatieven mogelijkheden zijn. Dat antwoord kan negatief zijn, maar de opgave moet wel gerealiseerd worden. Onduidelijk is wat dit betekent in het doorlopen van de redeneerlijn.
Omdat u de redeneerlijn centraal zet in uw visie, vinden we het belangrijk meer houvast over de redeneerlijn te krijgen als het gaat het opgaven, de urgentie daarvan, mede ook in relatie tot prioritering en de wijze van uitvoering (die mede bepalend kan zijn). 3. In ons begeleidend schrijven zijn we al uitgebreid op de redeneerlijn ingegaan. De kern daarvan is dat de redeneerlijn niet alleen over het ‘waar’ moet gaan, maar ook over het ‘wat en waarom’ en nadrukkelijk ook het ‘hoe’, wat ook zou moeten leiden tot een aanpassing van de redeneerlijn. 4. Tot slot nog een aantal opmerkingen over specifieke punten: o Op pagina 55 staat dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen niet belemmerend mogen zijn voor bestaande functies. Dit is gezien de ruimtelijke opgaven waarvoor we als Nederland staan ons inziens niet haalbaar. De vraag is ook of het woord ‘belemmerend’ dan ook juist is. We zullen keuzes moeten maken en prioriteren. We
o
o
o
o
4
doen dat vanuit het algemeen maatschappelijk belang en kijken daarbij naar het groter geheel. In paragraaf 3.4. wordt een link gelegd met verstedelijking. Echter wordt de verstedelijkingsstrategie van de regio Zwolle hierbij niet benoemd. Dit geldt ook voor de bijbehorende maatregelen vanuit het MIRT-onderzoek bereikbaarheid Zwolle e.o.. De uitwerking van de verstedelijkingsstrategie en de MIRT-maatregelen (met focus op regionale mobiliteitstransitie) krijgen gedeeltelijk een uitwerking in het regionale mobiliteitsprogramma/plan met de provincie als trekker. We vinden het wenselijk deze relatie in de omgevingsvisie te leggen en daarop ook voor te sorteren. We doen graag de oproep om op pagina 57 naast monovergisting ook bij grootschalige installaties co-vergisting mogelijk te maken, wat een veelvoud aan groen gas oplevert. Er staat ook dat opgaven voor ambities gaan. Ons valt op dat beide termen door elkaar gebruikt worden en vragen ons af welke definities u hanteert voor wat een opgave is, en wat een ambitie. De paragrafen 3.2, 3.3 en 3.4: bevatten helaas veel herhaling en dat geldt voor meer plekken in uw omgevingsvisie.
Wilt u een reactie geven op Hoofdstuk 4: 'Werken aan Brede Welvaart met Rode Draden?
1. Dit hoofdstuk formuleert de ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit, gezondheid en duurzaamheid. Wat ons betreft is het positief dat naast het aspect ruimtelijke kwaliteit ook de (deels) niet-fysieke aspecten, sociale kwaliteit, gezondheid en duurzaamheid aan de orde komen. Wat daarbij wel geldt is dat de abstractie van de tekst ervoor zorgt dat de toepassing van de geformuleerde ambities in de redeneerlijn lastig te kwalificeren is. Dit roept de vraag op welke wijze u in de redeneerlijn ziet wat betreft de toepassing van de rode draden en welke rol pakt u hier?
5. Wilt u een reactie geven op Hoofdstuk 5: 'Bestuursstijl, uitvoering, samenwerking en monitoring. Van visie naar Praktijk'? 1
2
3
We zien een sterke nadruk op samenwerken en samen optrekken, zodat we in nauw overleg tot de juiste keuzes komen. We zijn één overheid schrijft u. We ondersteunen dit van harte en zien uit naar een goede en prettige samenwerking. Tegelijk hebben we ook vragen daarover, omdat u enerzijds helder uw rollen omschrijft, maar anderzijds het ons niet duidelijk is welke rol u wanneer waar inzet. Ook gemeenten hebben een taak, rol en verantwoordelijkheid in het behoud, versterken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving. Graag gaan we daarover met u in gesprek. Tot slot valt ons op dat juist in dit hoofdstuk een heldere passage staat die het verdient ook in de andere hoofdstukken genoemd te worden: “Voor het bebouwde gebied zetten we regio samenwerking en verstedelijkingsstrategieën voor de drie DUS-regio’s centraal. De verstedelijkingsstrategie van de regio Zwolle geeft richting aan de groei van wonen en werken in de regio, in relatie tot mobiliteit, klimaatverandering en de energietransitie. Voor de regio’s Stedendriehoek en Twente worden momenteel verstedelijkingsstrategieën opgesteld. De verstedelijkingsstrategieën zijn daarnaast input voor het proces dat samen met het Rijk
doorlopen wordt in het kaders van het Programma NOVEX en de Nota Ruimte”. Overigens laat dit verder onverlet wat we hierover in onze begeleidende brief en antwoord op uw vragen hebben opgeschreven.
6. Wilt u een reactie geven op onderdeel: 'Water, bodem en klimaatadaptatie'? 1. We constateren dat deze paragraaf vrij sectoraal beschreven is, terwijl water en bodem sturend op nationaal niveau een leidend principe is. Het voorontwerp van de Nota Ruimte is daarin vrij consequent. Weliswaar zien we klimaatverandering hoog in de redeneerlijn staan, maar wordt daarmee ook water en bodem sturend bedoeld? Onze suggestie is in de redeneerlijn die terminologie te gebruiken, omdat deze enerzijds aansluiten bij landelijk beleid en anderzijds ook de verbinding legt met natuur en landschap. 2. We missen een strategie op water en bodem sturend. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten zich aanpassen aan de gegeven omstandigheden ter plekke, lezen we, maar: Wat zijn dan die omstandigheden, nu of op de lange termijn? Waarom ruimtelijke ontwikkelingen niet ‘gebruiken’ als kans en investering in het robuuste toekomstbestendige water en bodem systeem? Juist de regio Zwolle staat daarvoor aan de lat als dé klimaatbestendige groeiregio (NOVEX) van Nederland. 3. Op pagina 58 staat dat technische mogelijkheden alleen lokaal mogelijk zijn.
Waarom is dat regionaal of vanuit het totale waterveiligheidssysteem niet mogelijk wanneer dat de meest efficiënte en doelmatige oplossing is? Pagina 59 heeft u het bij meerlaagse veiligheid over de aanleg van dijken en keringen (technische maatregelen), waarbij niet staat dat dit alleen lokaal kan. Hoe verhoudt zich dit met voorgaande wat op pagina 58 staat? 4. Op pagina 60 staat dat het streven is om de emissies naar water en bodemsysteem te beperken. Pagina 85 heeft het over tegen gaan van bodemverontreiniging. Hebben we hier niet al Europese- en landelijke wetgeving voor? En wij zien beperken als iets anders dan ‘tegengaan’. Dit lijkt niet consequent in de Omgevingsvisie opgeschreven te zijn. 5. Bij het onderdeel ‘Veilig water’ staat dat de provincie gebieden aanwijst voor piekberging. We gaan ervan uit dat u dit in samenwerking doet met gemeenten en zijn benieuwd wat u precies hier voor ogen heeft, ook als het gaat om de ‘waar’ vraag.
7
Wilt u reactie geven op onderdeel 'Klimaatmitigatie en energie(transitie)'?
1. Kopje 6.2: Bij provinciale doelen en opgave wordt voor landbouw en landgebruik nadrukkelijke aangegeven dat financiën van het Rijkmoet komen. Graag die zin ook toevoegen bij de doelen op het gebied van energietransitie. Datzelfde geldt voor het kunnen uitvoeren van de verstedelijkingsstrategie van de regio Zwolle. We verwachten dat de provincie één van de partijen is die samen met de regio Zwolle, lokale overheden en het waterschap optrekt richting het Rijk. 2. Het eerder genoemde afwegingskader wordt niet toegepast op de energietransitie. Wat is daarvan de reden? Er staat dat wonen en bedrijven er moeten komen en dat we dan ook voor energie moeten zorgen. In de energievisie die nu gemaakt wordt lezen we ook het omgekeerde. 3. Blz. 90: toevoeging om te overwegen onder kopje ‘energienetwerken …..”: om wildgroei aan grootschalige batterijopslagsystemen (BESS) te voorkomen, alvast voorsorteren waar we in Overijssel een BESS kunnen verwachten (omgeving Hessenweg en Hengelo-Oele). 4. Blz. 90: laatste regel bio-energie: “Ook andere productielocaties zijn mogelijk, mits de installaties milieu-hygiënisch en ruimtelijk goed inpasbaar zijn.” We stellen voor hier aan
toe te voegen dat de locatie dan wel in de directe omgeving van afnemers of geschikte energieinfra moet zijn gelegen om toch enige ruimtelijke sturing te hebben.
8
Wilt u reactie geven op onderdeel: 'Landbouw en voedselvoorziening'?
1. We vragen ons af wat de overwegingen zijn om in landbouwgebieden met gebiedspecifieke opgaven en kansen voor water, klimaat en natuur die ook als zodanig te realiseren? 2. In het verlengde daarvan doemt de vraag op wat precies bedoeld wordt onder gebiedspecifiek? In dit licht past ook onze eerdere opmerking over grensoverschrijdende systemen, zoals bij water en bodem sturend. 3. De provincie werkt aan een Landbouwvisie en ook het PPLG zit nog in de pijplijn. Kunt u de samenhang tussen de omgevingsvisie en de landbouwvisie en PPLG duiden? 4. In de Nota Ruimte wordt er een onderscheid gemaakt tussen ‘gebouwengebonden’ landbouw (intensieve veehouderij, glastuinbouw) en de rest. Gezien de impact op het landschap, milieu etc. Is dat naar onze mening een logische onderverdeling, waarbij ook erkend wordt dat er juist ook bij de extensivering van de landbouw meer grond nodig is. 5. In de provincie Overijssel stoppen naar verwachting tot 2030 2000 agrariërs met hun bedrijf (WUR 2020). Wat is uw visie hierop als het gaat over de vrijkomende bebouwing en percelen, en in aanvulling daarop alle gronden gelegen buiten steden, dorpen, kernen en buurtschappen, indachtig de opgaven waarvoor we staan en die gaan behalve over water, klimaat, natuur ook over wonen, werken, mobiliteit, energie, etc.
Opgaven waarvan het aannemelijk is dat die niet altijd kunnen landen in bestaand stedelijk (waaronder ook dorpen/kernen) gebied. 6. We zouden graag opgenomen willen zien dat u toewerkt naar een gebiedsgericht KGObeleid.
9
Wilt u reactie geven op onderdeel: 'Natuur en Landschap'
1. We missen hier de onlangs in de Europese Unie vastgestelde Natuurherstelwet. Deze wet kan als EU-doel worden opgenomen. 2. Op pagina 94 stelt u als opgave en doel (wat de vraag oproept wanneer iets een doel of een opgave is) dat meer groen is toegevoegd in alle steden en dorpen. We onderschrijven dit. Tegelijk roept dit de vraag op die we eerder gesteld hebben over inbreiden en verdichten. Naast groen ligt er ook een wateropgave in de stad die ruimte vraagt. Hetzelfde geldt voor de mobiliteits- en energietransitie. Veel ruimtevragers dus naast wonen en werken. We hebben daar als eerder onze zorgen over geuit en herhalen die hier opnieuw. 3. Op pagina 95 wordt gesproken over ongeveer 4.500 groen/blauwe dooradering. Betreft dit een provinciale- of een gezamenlijke (gemeenten/waterschappen) opgave? 4. We hebben nog steeds in Nederland een stikstofproblematiek. We missen in de POVI uw visie daarop.
10. Wilt u reactie geven op onderdeel: 'Cultureel erfgoed'? 1. De rol die hedendaagse kunst zou kunnen spelen in het beleefbaar maken van de omgeving kan sterker naar voren komen. De provincie wil het verhaal van Overijssel vertellen. Dat is een prima insteek. Het verhaal wat daarbij hoort of erachter zit moet wel onderzocht, beschreven en verteld worden. We missen dat. Hierbij spelen bijvoorbeeld de Overijsselacademie, historici en musea een belangrijke vertalende en vertellende rol. 2. We doen u het voorstel om op pagina 98 het volgende toe te voegen: “Inspiratie kan ook voortkomen uit kunstroutes en kunst in de openbare ruimte, die de verhalen achter het landschap naar boven brengen en de beleefbaarheid hierdoor vergroten”. 3. De titel van 6.5 zou wat ons betreft ook kunnen zijn: 6.5. Cultuur en cultureel erfgoed. 4. Verder doen we u de suggestie de rol van Overijsselacademie, historici en musea te benoemen in deze paragraaf.
11. Wilt u reactie geven op onderdeel: 'Verstedelijking'? 1. Bij het onderdeel ‘strekking van beleid’ wordt verwezen naar de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking’. Hoe verhoudt deze zich tot de redeneerlijn en ook de landelijke en bij wet geregelde ‘ladder tot duurzame verstedelijking’. Om een bureaucratie aan motivering te voorkomen lijkt het verstandig te kiezen voor één ‘motiveringsinstrument’. Dat zorgt voor versnelling in de grote ruimtelijke opgaven waar we voor staan. 2. We constateren dat in uw visie aandacht voor de steden en stedelijke netwerken is. Voor een effectieve verstedelijking is het echter zaak dat individuele opgaven met elkaar in verband worden gebracht en dat steden ook in staat worden gesteld hun opgaven te kunnen realiseren. Dan gaat het niet alleen over wonen en werken, maar ook bijvoorbeeld om regionale mobiliteitshubs, stedelijke uitloopgebieden, het bergen en afvoeren van water, en batterijopslag. Hoe zorgen we ervoor dat we met elkaar daarvan de urgentie onderschrijven en snelheid te kunnen maken? 3. We missen in deze paragraaf de verwijzing naar het Rijk en voor (de regio) Zwolle de verwijzing naar de NOVEX-afspraken. 4. De nota Ruimte (voorontwerp) doet naar onze mening een aantal belangrijke uitspraken die naar onze mening ook vragen om provinciaal beleid daarover, zoals: o P.
12: Door de grootstedelijke kracht van de Randstad te versterken met de daaromheen gelegen Bandstad. En door aan te sluiten bij de onderscheidende ruimtelijk- economische ontwikkeling van stedelijke regio’s in het noorden, oosten en zuiden van ons land, die daarmee een veel grotere rol krijgen in de verstedelijkingsopgaven. Onmisbaar hiervoor is een visie op economische ontwikkeling van de diverse regio’s in (inter)nationaal verband. o p. 79: Richting 2050 zal het relatieve zwaartepunt van de verstedelijking in ons land verschuiven richting het noorden, oosten en zuiden. Dat betekent dat een aantal regio’s, die nu nog een klein aandeel hebben in de verstedelijkingopgave, sterker zullen groeien. Om dat mogelijk te maken willen we gebruiken maken van de autonome trend dat bevolkingsgroei ook steeds meer plaatsvindt in een band rond de Randstad. In 2050 hebben we deze trend tot concentratie en uitdijing van het stedelijk kerngebied van ons land benut om de economische kracht van onze grootstedelijke regio’s te versterken en om ook economische groei te laten plaatsvinden in regio’s waar dat autonoom nu nog niet gebeurt. De Randstad en de Bandstad van stedelijke gebieden die daar van Zwolle via de Stedendriehoek,
Arnhem-Nijmegen-Foodvalley en de Brabantse stedenrij omheen ligt, zullen een meer samenhangend systeem vormen. Op grotere afstand hiervan liggen de regio’s Groningen-Assen, Twente, Eindhoven en Zuid-Limburg. Deze ontwikkelen zich op basis van onderscheidende ruimtelijk-economisch profielen en positioneren zich nadrukkelijk grensoverschrijdend. Meer samenhang tussen de Randstad en de Bandstad betekent zeker niet dat deze steden en hun regionale kernen aan elkaar groeien. Ook willen we niet dat er eenzijdige afhankelijkheidsrelaties ontstaan. Wonen en werken moeten zoveel mogelijk met elkaar in balans blijven. Nieuwe groeiregio’s elders in het land behouden hun eigen karakter. Identiteit, erfgoed en landschappelijke waarde zijn onmisbaar voor kwaliteit van stad en dorp. We versterken daarom de bestaande kwaliteiten van steden, dorpen en landschappen. Juist ook als er sprake is van nieuwe ontwikkeling en verdichting in bestaand bebouwd gebied.
12. Wilt u een reactie geven op onderdeel: 'Wonen' 1. We missen een demografische analyse van de te verwachte huishoudensontwikkeling, gekoppeld aan uw visie als onderdeel van de landelijke opgave voor wonen. 2. We onderschrijven de beleidskeuze ‘Inbreiding voor uitbreiding’. Zoals eerder genoemd is ons niet helder waarom de provincie hiervoor kiest. Als gemeente Zwolle kiezen we hiervoor, omdat: o We inzetten op korte mobiliteitslijnen; o We de landschappelijke, cultuurhistorische en recreatieve waarde van het buitengebied willen behouden; o Binnenstedelijk ontwikkelen draagt bij aan het beter functioneren van de stad als geheel. Nieuw helpt bestaand. o 3. Echter: Het is nog maar de vraag of de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte binnenstedelijk gerealiseerd kan worden. Zeker als er een grote behoefte is voor sub-urbaan wonen. Voor Zwolle onderzoeken en beantwoorden wij die vraag in het traject van de aanvulling van de Omgevingsvisie. We vinden de uitzonderingsmogelijkheid om te verstedelijkingen (mits goed onderbouwd) in DUS-gebieden verstandig. Wellicht goed om die uitzonderingsmogelijkheid ook expliciet op te nemen in de redeneerlijn, mede ook in lijn met onze eerdere opmerkingen daarover en onze handreiking aansluiting te zoeken bij bijvoorbeeld de verstedelijkingsstrategie van de regio Zwolle.
Vraag voor ons is nog wel wat de inhoudelijke kaders/randvoorwaarden zijn van die uitzonderingsmogelijkheid. Ofwel, hoe weegt de provincie dan inhoudelijke stedelijke opgaven ten opzichte van opgaven die in het landelijk gebied spelen?
13. Wilt u reactie geven op onderdeel: 'Ondernemen, werken, voorzieningen en logistiek'? 1. We ondersteunen de provinciale doelstellingen t.a.v. bedrijventerreinen. Deze bieden ruimte om onze gemeentelijke doelstellingen te realiseren, al hebben wij wel zorgen over de realisatie daarvan in combinatie met onze eerdere opmerkingen over de toepassing van de redeneerlijn. 2. De aandacht voor kantoren is in uw visie onderbelicht. Een ruimtelijke strategie op het gebied van kantoren is met name voor de steden in Overijssel erg belangrijk.
3. We benadrukken het belang en de potentie van stationsomgevingen. De specifieke mogelijkheden van deze locaties vragen om meer aandacht en uitwerking dan nu in de omgevingsvisie is opgenomen, te meer nu deze omgevingen een belangrijke bijdrage leveren aan de woonopgave en de mobiliteitstransitie. 4. We ondersteunen het voornemen van de provincie om de extra ruimtevraag die de transitie naar een circulaire economie met zich meebrengt in beeld te brengen. Onze oproep is om dit op korte termijn op te pakken. In huidige prognoses voor bedrijventerreinen is de additionele ruimtevraag voor de circulaire economie nog niet opgenomen. 5. De provincie ziet met name kansen voor de transitie naar circulaire economie op de haventerreinen. Dit is een te smalle benadering naar onze mening. De transitie naar circulaire economie zal ook vorm moeten krijgen op andere – niet haven gebonden – bedrijventerreinen en we vragen u dit ook zo uw omgevingsvisie op te nemen. 6. De Omgevingsvisie – in tegenstelling tot het Fundament - gaat niet in op een mogelijke komst van een railterminal tussen Zwolle en Staphorst. Dit terwijl de provincie wel onderdeel uitmaakt van de ‘Coalition of de Willing’ om de haalbaarheid hiervan te onderzoeken. Ook gaat de Omgevingsvisie niet in op de Port of Zwolle als belangrijke pijler voor de Overijsselse economie. 7.
In de Omgevingsvisie staat dat er een behoefte is aan 1000 hectare bedrijventerreinen. De omgevingsvisie geeft niet waar die behoefte ruimtelijke kan landen (bijvoorbeeld in zoekgebieden) en om welk type bedrijventerrein.
14. Wilt u reactie geven op onderdeel: 'Mobiliteit en luchtvaart'? 1. In de ambitie ontbreekt het onderdeel verkeersveiligheid, terwijl dit zowel een Rijksdoel als provinciaal doel is. 2. De provincie moet een rol pakken bij (onderzoek naar) Hoogwaardig Openbaar Vervoer. HOV wordt echter niet benoemd als doel, opgave of als onderdeel van beleid. (H)OV lijnen zijn wel een onderdeel van de regionale MIRT-maatregelen in de verstedelijkingsstrategie van de regio Zwolle en verdienen dan ook een plek in uw visie. 3. De provincie heeft een belangrijke rol bij het ontwikkelen van regionale mobiliteitshubs. De mobiliteitshubs worden, op één zin na, niet benoemd, terwijl zij voor de mobiliteitstransitie (ook in relatie tot wonen en werken) belangrijk zijn. Ook de regionale hubs zijn onderdeel van de MIRT-maatregelen. 4. We constateren dat alleen de fiets wordt benoemd in het kader van het STOMP-principe. De provincie ziet STOMP als het uitgangspunt voor het ontwerp van de stad. De fiets, en specifiek regionale doorfietsroutes, zijn ook belangrijk om stad met platteland en andere kernen te verbinden. Die verbinding tussen stad en platteland ontbreekt. Daarnaast is ook een goed (H)OV belangrijk voor het ontwerp van de stad en het Daily Urban System. 5. We lezen niets over de visie van de provincie Overijssel over Lelystad Airport en specifiek de laagvliegroutes over Overijssel.
15. Wilt u reactie geven op onderdeel: 'Vrije tijd, recreatie en toerisme'? 1. Er wordt gesproken over ‘Vrijetijdslandschappen’. Zijn die op kaart te duiden? En welk (ruimtelijk) beleid hoort daarbij? Wat is het integrale effect daarvan op andere ruimtelijke opgaven? 2. We hebben al eerder aandacht gevraagd voor de vraag naar stedelijk uitloopgebied als logisch gevolg van verdichten in de stad, waarvan we al aangaven dat daaraan grenzen zijn, gelet op alle andere opgaven in de stad.
16. Wilt u reactie geven op onderdeel: 'Milieu en (milieukundige) gezondheid' 1. Gezondheid en ook veiligheid staan ook bij ons hoog in het vaandel en zijn belangrijk voor de leefomgeving. U stelt in 2030 te willen voldoen aan de WHO-advieswaarde voor fijn stof en stikstof. Is dit reëel? Wat is daarvoor nodig en wat betekent dit concreet voor het landelijken stedelijk gebied? 2. U stelt verder gezondheidseffecten mee te nemen in uw afwegingen en beleidsbeslissingen, maar geeft daarbij niet aan wat dit inhoudt, en hoe u daarin invulling wilt geven. Kunt u dit verder duiden?
17. Wilt u reactie geven op onderdeel: 'Sociale Kwaliteit en (positieve) gezondheid'? 1. Hier ligt een sterke relatie met brede welvaart en uw rode draden. Ook wij hanteren het begrip brede welvaart in onze huidige omgevingsvisie. Ook in de Aanvulling daarop waaraan wij nu werken, zal het behoud en versterken van de brede welvaart in de fysieke leefomgeving en de ontwikkeling daarvan een belangrijke positie innemen. 18. Heeft u met de kaderstellingen zoals omschreven in de beleidsuitwerking uit hoofdstuk 6, nu voldoende om afwegingen te kunnen of tot gebiedsgerichte keuzes te kunnen komen? 1. Wij verwijzen u naar onze begeleidende brief en de antwoorden op de vragen zoals we die hierboven hebben uiteengezet.
Waarom heeft u onvoldoende kaderstellingen? 2. De belangrijkste reden is het ontbreken van een gezamenlijk perspectief vanuit opgaven, urgentie en prioritering en dat opgaven via de band van de redeneerlijn afgewogen worden, waarbij de redeneerlijn over het ‘waar’ gaat, terwijl juist ruimtelijke keuzes in het kader van het maatschappelijk algemeen belang ook sterk gevoed worden door het ‘wat/waarom’, waarbij ook het ‘hoe’ een sterke factor van betekenis kan zijn, juist ook in de participatie en voor draagvlak. 3. Als centrum- en netwerk stad in het hart van het Daily urban system en gezien de verstedelijkingsstrategie van de regio Zwolle vragen we ons af of wij met uw omgevingsvisie onze ambities kunnen waarmaken en opgaven kunnen realiseren. We begrijpen de bedoeling en inzet van de redeneerlijn, maar we hebben daar oprechte zorgen over, ook gelet op alle ambtelijke- en bestuurlijke drukte die dit met zich meebrengt.
19. Wilt u een reactie geven op de kaartenbijlage? 1. De gebiedseigen perspectieven zijn niet alles omvattend, in ieder geval de afbeeldingen niet en waarom zijn bijvoorbeeld steden als Enschede, Hengelo en Almelo niet afgebeeld in Twente. 2. Zwolle behoort in PPLG-verband tot Noordwest Overijssel, maar heeft grotere raakvlakken met Salland en het Vechtdal en willen dan ook graag in dat grotere perspectief afgebeeld worden. 3. We missen een kaart vanuit water&bodem sturend, zoals bijvoorbeeld de groenblauwe dooradering. 4. Opvallend dat het gebied ten zuiden van Zwolle (richting Wijhe en Olst) bij IJssel en Delta wordt gezien. Wat is daarvan de reden? 5. In de Omgevingsvisie is tekstueel geen expliciete koppeling gemaakt met de kaarten en bijbehorende legendaeenheden. In hoeverre komt de legenda overeen met teksten (en de beleidskeuze (toelichting) die hoort bij alle legenda-eenheden. Bijvoorbeeld weidevogels. Het leefgebied ervan staat geduid op de kaart natuur. De Omgevingsvisie verwijst hier tekstueel heel marginaal naar. Slechts in de bijlage en bij hoofdstuk 6.4. 6. Kaart natuur: Stadsbroek is aangewezen als ‘Leefgebied Weidevogels’. Zie onze zienswijze op de provinciale verordening. Wij zijn er geen voorstander van dit gebied aan te wijzen als weidevogelgebied. 7.
Kaart Landbouw: het gebied ten oosten van de A28 is aangewezen als ‘Landbouwgebied met generieke opgaven en kansen’. In de Omgevingsvisvisie staat de provincie zuinig is op de landbouwgebieden. Ook staat in de Omgevingsvisie een behoefte van 1000 hectare aan bedrijventerreinen. Een deel van die behoefte voorziet de provincie via clustering langs de A28 aansluitend aan stedelijk gebied. Hoe verhoudt dit zich tot de aanwijzing van het gebied als landbouwgebied? En wat betekent dit voor de redeneerlijn? 8. Het landelijk gebeid rondom Zwolle is geheel landbouwgebied met specifieke opgaven en kansen voor water, klimaat en natuur. Wat voert nu de boventoon, water, klimaat en natuur of toch landbouw en wat betekent dit concreet, kijkend naar alle opgaven waarvoor we staan? 9. We missen in de kaart de mogelijkheid voor stedelijk uitloopgebied en de verbinding stad en platteland. 10. Op de visiekaart is het bestaande bedrijventerrein Hessenpoort geduid als plek voor grootschalige bedrijvigheid. We zien op de kaart niet dat het gebied ten noorden, oosten of westen is aangeduid als zoekgebied voor toekomstige bedrijvigheid. Als gemeente Zwolle gaan we een haalbaarheidsonderzoek doen naar een uitbreiding van Hessenpoort met 50 hectare in westelijke, noordelijke en oostelijke richting. We sluiten een verdere uitbreiding in de toekomst niet uit. Dit overeenkomstig het REB2040. 11.
Op de kaart ‘Verstedelijking en mobiliteit’ staat de mogelijke komst van een railterminal niet geduid. Zie ook eerdere opmerking daarover bij het onderdeel ‘Ondernemer, werken, voorzieningen en logistiek. 12. Kernrand rondom Zwolle roept suggestie op dat er geen ruimte is voor uitleglocaties, of uitbreiding bedrijventerrein. De kaartbeelden moeten geen eigen leven gaan leiden.
20. Wilt u een reactie geven op de gebiedseigen perspectieven? 1. Deze perspectieven dienen als inspiratie. Er lijken echter ook wel beleidsuitspraken/kansen/ambities in de tekst te zitten. We moeten oppassen dat kaarten
2.
3.
4.
5. 6. 7.
geen eigen leven gaan leiden. De suggestie is om koppelingen te maken tussen de perspectieven en de Omgevingsvisie zelf. Bovendien moet de tekst in de visie overeenkomen met de tekst in de gebiedsperspectieven. Voorbeeld: in het perspectief staat dat de glastuinbouw in de Koekoekspolder als rigoureuze ingreep verplaatst kan worden (pagina 13), terwijl in de visie staat dat de glastuinbouw op de huidige plaats behouden moet blijven (Pagina 93, concept-visie). Er zijn ‘kaartbeelden’ gemaakt per gebiedsperspectief. De gemeente Zwolle maakt onderdeel uit van Noordwest Overijssel, maar staat niet op dit kaartbeeld. Overigens hebben de opgaven die in de gemeente Zwolle spelen (waterveiligheid, landschap, recreatie etc.) ook veel raakvlak met Salland en het Vechtdal. De begrenzing moet wat ons betreft niet te rigide opgevat worden. Hetzelfde geldt als het gaat over de verstedelijkingsstrategie en de opgaven die daar spelen in NOVEX-verband. In de laatste alinea van het gebiedsperspectief noord west Overijssel staat dat in de zone langs de A28 inwoners en overheden werken aan de inpassing van een windcluster. Het zijn vooral overheden die werken aan de inpassing van een windcluster, waarbij lokaal eigendom een belangrijke rol speelt.
Inwoners en overheden werken samen om te komen tot een gebiedsvisie waarin we kijken naar een mogelijke inpassing van meerdere ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied. Denk aan de uitbreiding van Hessenpoort, nieuwe bedrijventerreinen vanuit de gemeente Dalfsen en mogelijk zelfs een railterminal. De gebiedsperspectieven zijn vooral beschrijvend van aard over hoe het gebied in elkaar zit en wat er nu speelt. Ze gaan nauwelijks over lange termijn ontwikkelingen en transities. We missen dan ook het groter plaatje, de dynamiek die gaande is op wonen, werken, mobiliteit, energie, water enz. Opvallend is dat op geen enkele afbeelding één van de 5 steden te zien is. Het zijn allemaal illustraties van landelijk gebied met kernen.
21. heeft u nog een opmerking die u ons graag wilt meegeven? De Omgevingsvisie lijkt reactief. De redeneerlijn staat centraal en wacht daarmee af op ruimtelijk ontwikkelingen opgaven die er nog aankomen. Zeker op de thema’s wonen en economie zijn nu ruimtelijke keuzes nodig die zich integraal en gebiedsgericht verhouden tot de overige opgaven. Dat biedt duidelijkheid en versnelt planvormingsprocessen. We missen het benoemen van de urgentie van opgaven, de relatie met de verstedelijkstrategie en daarmee hebben we zorgen over het continu doorlopen van de redeneerlijn en de ongewisheid van de uitkomst daarvan nu deze alleen gaat over het ‘waar’.
22. Wat is u, over het afgelopen jaar, in positieve zin het meest bijgebleven van het proces om te komen tot een nieuwe omgevingsvisie? 1. Dat zowel ambtelijk, als bestuurlijk er altijd bereidheid is om in gesprek te gaan.
23. Wat is u, over het afgelopen jaar, in negatieve zin het meest bijgebleven van het proces om te komen tot een nieuwe omgevingsvisie? 1. We lichten dit graag mondeling toe in het bestuurlijk gesprek.
24. Wat is volgens u de volgende stap die nodig is om tot een voor uw provinciale organisatie relevante Omgevingsvisie te komen? 1. Zie daarvoor onze begeleidende brief en de antwoorden op uw vragen.
25. Welke rol ziet u hierin voor uzelf? 1. Wij zien voor onszelf een proactieve en meedenkende rol, waarbij het belangrijk is een brug te slaan tussen uw wettelijke taken en provinciale belangen en onze regionale- en lokale ambities en opgaven.